<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR317196_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-12-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 30-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Toeslagen en Verlagingen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/067/1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Sociale Zaken</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB, zoals vastgesteld op 25-09-2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE ROERMOND,</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 september
                        2013,</al><al/><al>raadsvoorstelnummer 2013/067/1;</al><al/><al>gezien het advies van de cliëntenraad WWB van 12 augustus 2013;</al><al/><al>gezien het advies van de commissie Burgers en Samenleving van 3 december
                        2013;</al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikel 8 lid 1 van de Wet werk en bijstand
                        (WWB);</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot de uitvoering van de WWB;</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB </vet><vet>2013</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="70*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Alle begrippen die in deze verordening worden
                                                gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben
                                                dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand
                                                (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                                Gemeentewet.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de wet:</al></entry><entry colname="col4"><al>de WWB;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>het college:</al></entry><entry colname="col4"><al>het college van burgemeester en wethouders van
                                                Roermond;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>de raad:</al></entry><entry colname="col4"><al>de gemeenteraad van Roermond;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>dakloze:</al></entry><entry colname="col4"><al>persoon die niet beschikt over of niet langdurig
                                                gebruik maakt van zelfstandige of van residentiële
                                                huisvesting, verpleeginrichting, dan wel een persoon
                                                die niet beschikt over een woonadres als bedoeld
                                                in</al><al>artikel 1 van de Wet Gemeentelijke
                                                basisadministratie, maar</al><al>aantoonbaar feitelijk binnen de eigen gemeente
                                                grenzen verblijft;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e.</al></entry><entry colname="col3"><al>ten laste komend kind:</al></entry><entry colname="col4"><al>-Het kind, jonger dan 18 jaar, voor wie en voor zo
                                                lang de alleenstaande ouder of de gehuwden aanspraak
                                                op kinderbijslag kunnen maken;</al><al>-het inwonend kind jonger dan 21 jaar met een eigen
                                                inkomen voor wie en voor zolang dit inkomen lager
                                                dan wel gelijk is aan de bijstandsnorm van een
                                                21-jarige;</al><al>-het inwonend studerend kind met inkomsten op grond
                                                van de Wet studiefinanciering (WSF 2000) of Wet
                                                tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
                                                (WTOS), ongeacht het bedrag aan bijverdiensten;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>f. </al></entry><entry colname="col3"><al>woning:</al></entry><entry colname="col4"><al>een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j
                                                Wet op de</al><al>huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                                                zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>g.</al></entry><entry colname="col3"><al>zorgbehoevende:</al></entry><entry colname="col4"><al>degene die bij afwezigheid van medebewoning met en
                                                verzorging door een ander persoon opname behoeft in
                                                een verpleeg- of verzorgingshuis, dan wel
                                                geïndiceerde intensieve ambulante hulp behoeft.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden ouder
                            dan 21 jaar of gehuwden zoals genoemd in de wet waarvan beide partners
                            ouder dan 21 jaar doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd
                            zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen of verlagen van de norm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen alleenstaande (ouder)</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>De norm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                                alleenstaande (ouder) hogere algemeen noodzakelijke
                                                kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                                                voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor
                                                de alleenstaande (ouder), in wiens woning geen ander
                                                zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel
                                                25, tweede lid van de wet genoemde maximumbedrag
                                                (20% van het netto wettelijk minimumloon).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt
                                                voor de alleenstaande (ouder), in wiens woning een
                                                ander zijn hoofdverblijf heeft, 10% van het netto
                                                wettelijk minimumloon.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid voor de
                                                alleenstaande en de alleenstaande ouder wordt niet
                                                toegekend indien de algemeen noodzakelijke kosten
                                                van het bestaan lager zijn dan waarin de norm
                                                voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning
                                                of gedeelte van een woning waaraan geen kosten
                                                verbonden zijn, dan wel wanneer er sprake is van een
                                                dakloze.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid voor de
                                                alleenstaande (ouder) verblijvend in crisisopvang of
                                                daarmee gelijkgestelde vormen van opvang, wordt
                                                bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet
                                                genoemde maximumbedrag (20% van het netto wettelijk
                                                minimumloon).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al>In afwijking van het derde lid van dit artikel
                                                bedraagt de toeslag 20% van het netto wettelijk
                                                minimumloon indien de alleenstaande (ouder) zelf
                                                zorgbehoevend is of de zorg heeft over een
                                                zorgbehoevende.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.</al></entry><entry colname="col2"><al>Voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar, niet
                                                verblijvend in de crisisopvang zoals benoemd in lid
                                                5 wordt, in afwijking van het gestelde onder lid 1,
                                                geen toeslag toegekend.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>De norm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden
                                                lagere algemene kosten van het bestaan heeft dan
                                                waarin de norm voorziet, als gevolg van het geheel
                                                of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een
                                                ander.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt
                                                10% van het netto wettelijk minimumloon voor de
                                                gehuwden in wiens woning een ander zijn
                                                hoofdverblijf heeft, behoudens (een) ten laste
                                                komend kind(eren).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt
                                                20% van het netto wettelijk minimumloon voor de
                                                gehuwden indien deze lagere algemeen noodzakelijke
                                                kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm
                                                voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning
                                                of gedeelte van een woning waaraan geen kosten
                                                verbonden zijn, dan wel wanneer er sprake is van
                                                gehuwde daklozen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>Er vindt geen verlaging plaats van de norm indien
                                                het gezin verblijft in de crisisopvang of daarmee
                                                gelijkgestelde vormen van opvang.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al>In afwijking van het gestelde onder lid 2 van dit
                                                artikel wordt de verlaging bepaald op nihil indien
                                                er sprake is van inwoning van (een) ten laste
                                                komend(e) kind(eren), dan wel indien de gehuwden of
                                                één van beide gehuwden de zorg heeft over een
                                                zorgbehoevende of zelf zorgbehoevend is.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>De landelijke norm of de toeslag voor de
                                                alleenstaande (ouder) of gehuwden zoals genoemd in
                                                artikel 3 en 4 van deze verordening wordt lager
                                                vastgesteld indien de deelname is beëindigd aan
                                                onderwijs of beroepsopleiding op grond waarvan
                                                aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van
                                                de WSF 2000 of een tegemoetkoming in de studiekosten
                                                op grond van de WTOS.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Verlaging wordt toegepast gedurende 6 maanden na het
                                                tijdstip van beëindiging van deelname aan onderwijs
                                                of beroepsopleiding als bedoeld in het eerste
                                                lid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt
                                                20% van het netto wettelijk minimumloon.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>De toepasselijke norm voor de alleenstaande, zoals
                                                genoemd in artikel 3 van deze verordening, bedraagt
                                                niet minder dan 50% van het netto wettelijk
                                                minimumloon.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>De toepasselijke norm voor de alleenstaande ouder,
                                                zoals genoemd in artikel 3 van deze verordening,
                                                bedraagt niet minder dan 70% van het netto wettelijk
                                                minimumloon.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>De verlaging van de gehuwdennorm, zoals genoemd in
                                                artikel 4 van deze verordening bedraagt niet meer
                                                dan 20% van het netto wettelijk minimumloon.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college van Burgemeester en
                            Wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1. </al></entry><entry colname="col2"><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                                ‘Verordening Toeslagen en Verlagingen 2013’;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de
                                                dag na bekendmaking, onder gelijktijdige intrekking
                                                van de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB
                                                (september 2012) van de gemeente Roermond,
                                                vastgesteld bij besluit van 27 september 2012, no.
                                                2012/071/02 en werkt terug tot en met 1 januari
                                                2013.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2013 </titel></kop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. Op grond van artikel 8 lid 1 onder c
                    dient de gemeenteraad een verordening vast te stellen met betrekking tot het
                    verhogen en verlagen van de norm als bedoeld in artikel 30 van de wet.</al><al>De normen zijn geregeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de WWB. Hoofdstuk 3,
                    paragraaf 3 WWB voorziet in de toeslagen en verlagingen. De som van deze drie
                    onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op. Het
                    gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot en met de
                    pensioengerechtigde leeftijd die niet in een inrichting verblijven.</al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. Alleenstaande en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de norm voorziet, als gevolg van</al><al>het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De
                    woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. De hoogte van de toeslag,
                    welke wordt aangegeven in de toeslagenverordening, bedraagt maximaal 20 procent
                    van het netto minimumloon en moet aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag
                    afwijkend worden vastgesteld.</al><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te verlagen:</al><al>• het kunnen delen van kosten met een ander door gehuwden;</al><al>• de woonsituatie;</al><al>• de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding.</al><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te</al><al>stellen indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende daartoe
                    aanleiding geven.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel e: dakloze</tussenkop><al>Onder dakloze wordt verstaan de alleenstaande (ouder) of de gehuwden die niet
                    beschikken over of niet langdurig gebruik maakt van zelfstandige of van
                    residentiële huisvesting (verpleeginrichting e.d.) in de eigen gemeente. Een
                    dakloze heeft ook geen onderdak bij familie en vrienden en beschikt niet over
                    een adres binnen de eigen gemeente. Hij leidt een zwervend bestaan binnen de
                    eigen gemeente en brengt de nacht door op straat, in parken, portieken, openbare
                    gebouwen en andere plaatsen die enige beschutting bieden tegen weer en wind. De
                    dakloze dient te beschikken over een briefadres binnen de gemeente of aan te
                    tonen dat hij feitelijk grotendeels binnen de eigen gemeentegrenzen verblijft.
                    Ook kan het zijn dat dit laatste al bekend is bij de afdeling Sociale Zaken
                    zodat kan geconcludeerd kan worden dat de dakloze binnen de eigen gemeente
                    verblijft (‘stadsgebonden zwerver’). </al><tussenkop>Lid 2 onderdeel f: woning</tussenkop><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de
                    tekst van de WWB geen omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt artikel 3
                    lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een woning mede
                    een woonwagen of een woonschip</al><al>verstaan moet worden. Uit de totstandkoming van de WWB blijkt dat voor de
                    invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de
                    huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaalt dat onder ‘woning’ wordt
                    verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de
                    huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid
                    6 WWB.</al><tussenkop>Artikel 2. Doelgroep</tussenkop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd. Vanwege de lagere
                    jongerennorm wordt geen verlaging toegepast bij belanghebbenden van</al><al>18 tot 21 jaar. In het geval van gehuwden is ervoor gekozen om deze verordening
                    uitsluitend toe te passen indien beide gehuwden ouder dan 21 jaar zijn doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.</al><tussenkop>Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder)</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                    voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk</al><al>kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt
                    overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening.</al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat
                    voor de alleenstaande (ouder) in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                    heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op
                    andere gronden) de toeslag te bepalen op 20% van het wettelijk minimumloon </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In het geval een ‘ander’ (niet zijnde een ten laste komend kind) zijn
                    hoofdverblijf heeft bij de belanghebbende (bijvoorbeeld bij een kamerhuurder of
                    een kostganger) wordt verondersteld dat de noodzakelijke kosten van het bestaan
                    gedeeld kunnen worden met de overige bewoner(s).</al><al>Het is hierbij niet bepalend of de belanghebbende ook daadwerkelijk deze kosten
                    met een ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden - redelijk is ervan
                    uit te gaan dat deze kosten gedeeld kunnen worden.</al><al>Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten maar ook om alle andere uitgaven
                    waarbij er een schaalvoordeel is omdat alle kosten van huisvesting en
                    huishouding gezamenlijk worden gedragen zoals duurzame gebruiksgoederen,
                    woninginrichting, huishoudelijke apparatuur, vaste lasten (water, gas, elektra),
                    abonnementen en diverse andere kosten. In deze gevallen wordt een toeslag van
                    10% van het netto minimumloon redelijk en reëel geacht.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan ook sprake zijn bij
                    de bewoning van een woonruimte waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                    bijvoorbeeld in het geval van krakers of bij woonkosten die worden betaald door
                    een onderhoudsplichtige. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor de
                    bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van
                    het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan
                    uitkering.</al><al>Afzonderlijke aandacht verdient de situatie van dak- en thuislozen. In de regel
                    zullen zij geen kosten hebben voor het aanhouden van woonruimte. De intentie van
                    de wetgever is niet dat wordt volstaan met het verstrekken van een lager bedrag
                    aan inkomensvoorziening vanwege het enkele feit van het ontbreken van
                    woonruimte. Daarmee zou het voorzieningenniveau voor deze kwetsbare groep
                    tekortschieten. Het is aan de gemeenten om zorg te dragen voor een adequaat
                    voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen. Tegenover het ontbreken van kosten
                    omdat geen woonruimte wordt aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig
                    kosten zullen moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Bij de vaststelling
                    van de uitkeringshoogte is overwogen dat -zo leert de praktijk- deze kosten
                    kunnen worden voldaan uit de landelijke basisnorm. Om deze reden wordt geen
                    toeslag toegekend.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Uitkeringsgerechtigden die in de crisisopvang verblijven worden geconfronteerd
                    met relatief hogere kosten van het bestaan als gevolg van de te betalen
                    verblijfskosten. Om die reden is besloten om de toeslag voor deze groep maximaal
                    vast te stellen op 20% van het netto minimumloon.</al><al>Lid 6</al><al>Indien er sprake is van hulpbehoevendheid kan gesteld worden dat er in verband
                    hiermee</al><al>hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan zijn, waarvan het niet
                    redelijk is dat</al><al>deze evenredig worden gedeeld. Te denken valt aan extra verwarming; grotere
                    woning in</al><al>verband met een rolstoel of extra kosten die niet (geheel) door
                    voorliggende</al><al>voorzieningen worden gedekt. Een maximale toeslag voor zowel de hulpbehoevende
                    als de</al><al>verzorgende ligt dan ook voor de hand.</al><al>Lid 7</al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. In het algemeen vormt een
                    toeslag, in verhouding tot de hoogte van het minimumloon, voor deze
                    leeftijdsgroep een belemmering om zich beschikbaar te stellen voor de
                    arbeidsmarkt. Daarom is ervoor gekozen om geen toeslag toe te kennen bij een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar.niet verblijvend in de crisisopvang.</al><tussenkop>Artikel 4. Verlaging gehuwden</tussenkop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                    belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                    verordening .Ook de hoogte van de uitkering voor gehuwden is afhankelijk van het
                    feit of er sprake is van</al><al>lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie. Bepalend is of er sprake
                    is van</al><al>medebewoning van een woonruimte door een ander, en de mate waarin de kosten van
                    het</al><al>bestaan kunnen worden gedeeld. Wanneer er sprake is van het alleen bewonen van
                    een</al><al>woning ontvangt het echtpaar de volledige gehuwdennorm.</al><al>In het geval dat naast de gehuwden een ‘ander’ (niet zijnde een ten laste komend
                    kind) zijn hoofdverblijf heeft in de woning kunnen de algemene noodzakelijke
                    bestaanskosten gedeeld worden. De norm wordt dan verlaagd met 10% van het netto
                    minimumloon.</al><al>Wanneer de gehuwden geen woonkosten hebben omdat zij deze kosten niet hoeven te
                    betalen of in</al><al>het geval van een dakloos echtpaar, kan de uitkering worden verlaagd zonder dat
                    de voorziening</al><al>in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in gevaar komt. Bij het van
                    toepassing</al><al>zijn van het derde lid wordt een verlaging van 20% toegepast.</al><al>Analoog aan artikel 3 lid 5 van deze verordening vindt geen verlaging van de
                    gehuwdennorm plaats wanneer de gehuwden in de crisisopvang verblijven.</al><al>In artikel 4 lid 6 is geregeld dat indien bij de behuwden een ander zijn
                    hoofdverblijf heeft die zorgbehoevend is en die door een van de gezinsleden
                    wordt verzorgd wordt, analoog aan artikel 3 lid 6 van de verordening, de
                    verlaging op nihil gesteld.</al><tussenkop>Artikel 5 Verlaging schoolverlaters</tussenkop><al>De alleenstaande (ouder) die recent het onderwijs of de beroepsopleiding heeft
                    beëindigd, op grond waarvan eerder recht bestond op studiefinanciering in het
                    kader van de Wet op de Studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming in het
                    kader van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, ontvangt een
                    lagere uitkering. Deze bevoegdheid is neergelegd in artikel 28 van de WWB.</al><al>De reden hiervoor is dat de omstandigheden en mogelijkheden van degenen die
                    recent het onderwijs <cursief>of </cursief>de beroepsopleiding hebben beëindigd
                    gedurende een zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van studerenden,
                    dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau
                    worden gesteld als dat voor hen tijdens de studieperiode was gegarandeerd. Een
                    lagere uitkering, vergelijkbaar met de studiefinancieringsnorm wordt daarom niet
                    onredelijk geacht.</al><al>De verlaagde uitkering geldt voor een periode van zes maanden aansluitend op de
                    datum waarop het onderwijs of de beroepsopleiding is beëindigd.</al><al>Indien tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van
                    werkaanvaarding,</al><al>heeft dit geen invloed op deze termijn.</al><tussenkop>Artikel 6. Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>De verschillende verlagingen in deze verordening zien toe op verschillende
                    omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat -met name in
                    situaties waarin de schoolverlaterverlaging in combinatie met één van de andere
                    verlagingsgronden aan de orde is- het college de bijstand vanwege deze samenloop
                    dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn
                    van adequate bijstandsverlening. Daarom is er voor gekozen om in deze
                    verordening een minimum bedrag vast te leggen, waarop het college de bijstand
                    (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen</al><tussenkop>Artikel 7 Onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>