<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR316798_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hei en wei 20-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=GEMEENTEWET">Gemeentewet, art. 220 t/m 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>raadsbesluit 2013/57</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiën en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de 'Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2013’, vastgesteld op 11 december 2012, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. De 'Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2013’ vervalt met ingang van de datum van heffing van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014, zijnde 1 januari 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van
            onroerende-zaakbelastingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>RAADSBESLUIT nr.: 2013-57</al><al/><al>De raad van de gemeente Blaricum,</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders dd. 29 oktober 2013</al><al/><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet en artikel 41
                        van de Wet waardering onroerende zaken;</al><al/><al> BESLUIT: </al><al/><al>de</al><al/><al> Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen </al><al/><al>vast te stellen.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al> Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen
                            de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
                            een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht op persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; een
                            eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van
                            een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                            recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. </al><al/><al> Bij de gebruikersbelasting wordt: gebruik door degene aan wie een deel
                            van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik
                            door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                            in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te
                            verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; het ter
                            beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik
                            aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. </al><al/><al> Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al> Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Stbl. 1994, 874).
                            Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al> De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. Indien met betrekking tot
                            een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk
                            IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van
                            die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het
                            bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de
                            Wet waardering onroerende zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al> In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van: ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                            geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond,
                            alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend
                            wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond
                            als voedingsbodem te gebruiken; glasopstanden, die bedrijfsmatig worden
                            aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                            daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; onroerende zaken
                            die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het
                            houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke
                            aard, één en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                            zaken die dienen als woning; één of meer onroerende zaken die deel
                            uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen
                            landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van
                            die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende
                            gebouwde eigendommen; natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan
                            duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                            rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of
                            nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen,
                            beheerd worden; openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                            vervoer per rail, één en ander met inbegrip van kunstwerken;
                            waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
                            werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                            en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                            publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning; werktuigen die van een onroerende
                            zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis
                            aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                            gebouwde eigendommen zijn aan te merken; onroerende zaken voor zover die
                            bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente,
                            met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd
                            zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; straatmeubilair,
                            waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde
                            gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het
                            publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                            zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                            fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; plantsoenen, parken en
                            waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente
                            het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                            woning; begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                            delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. </al><al/><al> De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht. </al><al/><al> In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al> Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: de gebruikersbelasting
                            0,251560% de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak
                            tot woning dienen 0,116028% voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak
                            tot woning dienen 0,315020% </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al> In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de
                            laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. In afwijking van het 1e
                            lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                            betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten
                            worden betaald in negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één
                            maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
                            termijnen telkens één maand later. De Algemene Termijnenwet is niet van
                            toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                            wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al> De 'Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2013’ van 11 december 2012,
                            wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                            ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft
                            op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze
                            verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de
                            bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014. Deze
                            verordening wordt aangehaald als 'Verordening onroerende-zaakbelastingen
                            2014'. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 10 december 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> P. de Groot J.N. de Zwart-Bloch</ondertekening><ondertekening> griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>