<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR316235_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening gemeente Cuijk 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maasdriehoek 24 december 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening gemeente cuijk 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0027844">Wet veiligheidsregio's</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0030461">Bouwbesluit 2012</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimte</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening gemeente Cuijk 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Cuijk</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 november
                        2013.</al><al/><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop
                        (Stb. 2010, 145 en 146) en het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676)</al><al/><al>overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al/><al>“Brandbeveiligingsverordening gemeente Cuijk 2014”</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                                    begrensde plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin: </al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                                inachtneming van het gestelde in de artikelen 7 en 9.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                            vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door
                            het stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het intrekken en wijzigen van de gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning
                                wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien een verandering van inzichten of van omstandigheden
                                        gelegen buiten de inrichting die bij de verlening van de
                                        gebruiksvergunning een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk
                                        maakt, of</al></li><li nr="b."><al>op verzoek van de vergunninghouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning
                                intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkt dat zij de vergunning op grond van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>indien blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                        voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen
                                        30 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        vergunning;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning gedurende een aansluitende periode
                                        van 30 weken of langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>indien het belang in verband waarmee de vergunning is
                                        verleend dit vereist op grond van een verandering van
                                        inzichten of van omstandigheden gelegen buiten de
                                        inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en
                                        het niet mogelijk blijkt door wijziging van de vergunning
                                        dat belang voldoende te beschermen of</al></li><li nr="f."><al>op verzoek van de vergunninghouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking of
                                wijziging van de gebruiksvergunning dan nadat zij de
                                vergunninghouder in de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze
                                naar voren te brengen, tenzij de intrekking of wijziging plaatsvindt
                                op verzoek van vergunninghouder.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            artikelen 1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van
                            het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige
                            toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                            inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al> Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                            gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet
                            geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van ongevallen
                            bij brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            afdelingen 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676)
                            zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van
                            overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en niet
                            vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                            onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                            voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of
                            een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 1.1, eerste
                            lid van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676), en dat met
                            brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te
                            volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het
                            beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                            bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                            Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder
                                1<cursief>°</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>1.Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            brandbeveiligingsverordening van</al><al>7 mei 2012 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van
                            deze verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                            verordening.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om vergunning op grond van de
                                    brandbeveiligingsverordening van 7 mei 2012 is ingediend waarop
                                    nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening
                                    toegepast.</al></li><li nr="3."><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een
                                    aanvraag om vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening
                                    van 7 mei 2012 wordt beslist met toepassing van deze
                                    verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                            gemeente Cuijk 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Cuijk in zijn openbare
                        vergadering </ondertekening><ondertekening>van 16 december 2013</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>R.M. van der Weegen mr. W.A.G. Hillenaar</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening gemeente Cuijk
                        2014</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze AMvB neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Tot die tijd moet op grond van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht zijn. De voorliggende regeling is,
                    gezien het tijdelijk karakter (tot de inwerkingtreding van de AMvB)</al><al>terughoudend van aard.</al><al/><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdracht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidsvoorzieningen
                    die</al><al>noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat een
                    gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet er
                    onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van toepassing
                    zouden kunnen zijn en van</al><al>rechtswege voorrang hebben. In de dagelijkse praktijk is er natuurlijk een
                    aantal standaardgevallen waarbij van tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, restregelgeving, zij regelt de
                    brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet- bouwwerken'. Het kan gaan
                    om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende
                    discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen.</al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van doel,
                    nl. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.
                    Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie.</al><al/><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor zijn in elk
                    geval het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing.
                    Door de definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing
                    ervan in het Bouwbesluit</al><al>2012 is een constructie die drijft op het water meestal geen bouwwerk in de zin
                    van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de grond verbonden
                    object is de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat drijft is
                    de brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de brandveiligheid).
                    Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats staat kan een
                    bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent tijdens een
                    kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld. Over de lastige vraag:
                    wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede aan de hand van staande
                    jurisprudentie, een toelichting.</al><al/><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit</al><al>2012 regelt ook het gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze
                    zich moeten bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012
                    opleggen, als hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><al/><tussenkop>Bouwwerk</tussenkop><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan: elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk 1)
                    constructie, 2) van enige omvang, 3) met de grond verbonden en 4) bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.
                    Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te
                    omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming
                    van jurisprudentie staat in de toelichting op de modelbouwverordening van
                    de</al><al>'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de brandbeveiligingsverordening. De begripsomschrijving van
                    erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat op 1 oktober 2010 in
                    werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (zie
                    ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998, 5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw
                    afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal
                    in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met</al><al>bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar een
                    verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht in plaats van vergunningplicht, omdat tussen die
                    situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in
                    de brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is</al><al>het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van toepassing zijn, is
                    afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die geen bouwwerk is.
                    Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting. Het is duidelijk dat voor
                    een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet goed mogelijk is concrete
                    eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van een vergunning
                    vormvrij.</al><al>Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. Aan een
                    los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld (niet-bouwwerk) kunnen dezelfde
                    brandveiligheidseisen worden gesteld als aan een vast met de wal verbonden
                    drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de
                    Woningwet).</al><al/><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is afgestemd op de Dienstenrichtiijn.</al><al/><tussenkop>Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><al/><tussenkop>Bestuurlijke boete</tussenkop><al>De Wet veiligheidsregio's geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor</al><al>overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede lid
                    (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maatregel van bestuur,
                    deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet
                    hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34,
                    vierde lid onder 1 °. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in 2011 € 9.000.
                    De Wet veiligheidsregio's geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al><al/><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied in de verordening zelf.</al><al/><tussenkop>Bekendmaking</tussenkop><al>De bekendmaking van deze wijzigingsverordening dient op een zodanig tijdstip
                    plaats te vinden dat de verordening op het juiste moment in werking kan treden.
                    Dit kan:</al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                            gemeenteblad;</al></li><li nr="b."><al>bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van
                            twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het college
                            te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
                            plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis- aan-huisblad. Voor de
                            wijze van elektronische bekendmaking zie:
                                <onderstreept>http://www.vng.nl/smartsite.dws?id=68223&amp;it=2#tocBK_37</onderstreept></al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>