<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR315020_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekmedia, 30-10-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=120">Waterschapswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-10-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BBV 13.0431</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>HET ALGEMEEN BESTUUR VAN HET HOOGHEEMRAADSCHAP AMSTEL, GOOI EN VECHT;</al><al/><al><cursief>gelezen</cursief></al><al>het voorstel van het dagelijks bestuur van 24 september 2013;</al><al/><al><cursief>gelet op</cursief></al><al>artikel 120 van de Waterschapswet (Stb 2007, nr. 208);</al><al/><al>BESLUIT </al><al>vast te stellen de volgende Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en
                        Vecht 2014:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten: de kosten van de kostendrager watersysteembeheer, zoals
                                opgenomen in de begroting van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en
                                Vecht, voor zover die gedekt worden door middel van de
                                watersysteemheffing;</al></li><li nr="b."><al>AGV-gebied: het gebied dat is aangegeven op Kaart nr. 1, bedoeld in
                                artikel 3, lid 1 van het Reglement van Bestuur, waarin de zorg voor
                                het watersysteem is opgedragen aan het Hoogheemraadschap Amstel,
                                Gooi en Vecht;</al></li><li nr="c."><al>ingezetenen: degenen die blijkens de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van het
                                kalenderjaar woonplaats hebben in het AGV-gebied en die aldaar het
                                gebruik hebben van woonruimte;</al></li><li nr="d."><al> overig ongebouwd: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken die geen
                                natuurterreinen zijn in het AGV-gebied;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                recht in het AGV-gebied het genot hebben van natuurterreinen;</al></li><li nr="f."><al>gebouwd: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het
                                genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het AGV-gebied;</al></li><li nr="g."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="h."><al>verharde wegen: openbare verharde wegen, inclusief de berm en het
                                deel van het perceel dat dienstbaar is aan de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten voor het watersysteembeheer worden als volgt toegedeeld:</al><lijst><li nr="a."><al>60% aan de ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>4,681% aan overig ongebouwd;</al></li><li nr="c."><al>0,013% aan natuurterreinen;</al></li><li nr="d."><al>35,306% aan gebouwd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De waarde van de onroerende zaken bedoeld in het vorige artikellid,
                            onderdelen b, c en d, wordt bepaald naar de waarde die de onroerende
                            zaken op de waardepeildatum hebben naar de staat en hoedanigheid waarin
                            zij op die datum verkeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De waardepeildatum is 1 januari 2012.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel><cursief>Kosten van heffing en invordering </cursief></titel></kop><al>De kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing, zoals
                        opgenomen in de begroting van enig belastingjaar, worden in afwijking van
                        artikel 2 rechtstreeks toegerekend aan de betrokken categorieën naar rato
                        van de voor elk van de genoemde categorieën te maken kosten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen</titel></kop><al>Voor verharde openbare wegen wordt een tariefdifferentiatie als bedoeld in
                        artikel 122, lid 3, onderdeel b van de Waterschapswet, toegepast. Het tarief
                        na toepassing van de tariefdifferentiatie is 100% hoger dan het tarief dat,
                        naar uit de Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht blijkt,
                        voor ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Kostentoedelingsverordening
                        Amstel, Gooi en Vecht 2014".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Overgangsregeling en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2014 treedt in
                                werking en geldt met ingang van 1 januari 2014.</al></li><li nr="2."><al>De ‘Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2009’,
                                vastgesteld bij besluit van het Algemeen Bestuur van 2 oktober 2008,
                                wordt ingetrokken per 1 januari 2014, met dien verstande dat zij van
                                toepassing blijft op de belastingjaren waarvoor zij heeft
                                gegolden.</al><al/><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Amsterdam, 10 oktober 2013</ondertekening><ondertekening>Het algemeen bestuur,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>J.de Bondt,</ondertekening><ondertekening>Dijkgraaf</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Drs H.J. Kelderman,</ondertekening><ondertekening>Secretaris</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2014
                    </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Dit is de vijfde Kostentoedelingsverordening van het Hoogheemraadschap Amstel,
                    Gooi en Vecht (AGV). </al><al>De eerste verordening werd van kracht op 1 januari 1997, bij het ontstaan van
                    AGV. Van de regelgevende provincies (in het geval van AGV Noord-Holland, Utrecht
                    en Zuid-Holland) konden provinciale staten in het Reglement van Bestuur
                    uitgangspunten vaststellen, die voor het waterschap leidend waren bij de
                    kosten-toedeling. Gebaseerd op deze uitgangspunten werd in de eerste
                    Kostentoedelingsverordening – zoals destijds bij vrijwel alle waterschappen
                    gebruikelijk was – de zogeheten methode-Oldambt gehanteerd. Deze methode keek
                    heel specifiek naar de verschillende behoeftes per gebied op het terrein van het
                    waterbeheer. Er werd per waterschapstaak een kostentoedeling bepaald, wat
                    resulteerde in een groot aantal verschillende tarieven.</al><al>De regelgevende provincies hebben in december 2000 hun uitgangspunten voor de
                    kostentoedeling gewijzigd en de bij de taken behorende gebieden (door het maken
                    van zogeheten takencombinaties) anders gedefinieerd. De tweede
                    Kostentoedelingsverordening is daarmee in overeenstemming gebracht, hetgeen
                    leidde tot het fors terugbrengen van het aantal verschillende tarieven.</al><al>In december 2004 zijn de uitgangspunten voor de kostentoedeling opnieuw
                    gewijzigd door de regelgevende provincies. Daarbij zijn de uitgangspunten voor
                    takencombinatie 2 in overeenstemming gebracht met die van takencombinatie 1. Dat
                    wil zeggen: het aandeel van de categorie ingezetenen wordt bepaald naar
                    aanleiding van de bevolkingsdichtheid in het gebied en dat van de categorieën
                    gebouwd en ongebouwd wordt bepaald op basis van de onderlinge
                    waardeverhoudingen. Hiermee werd de methode-Delfland geïntroduceerd.</al><al>Na jarenlange discussies is de wetgeving voor de waterschappen – vooral de
                    Waterschapswet – aanzienlijk veranderd. Dit gebeurde in de Wet Modernisering
                    Waterschapsbestel die op 14 juni 2007 in het Staatsblad verscheen en van kracht
                    werd op 1 januari 2008. Deze wet had op meerdere vlakken invloed op de
                    waterschappen, met name op het gebied van de taakstelling van het algemeen
                    bestuur, de verkiezingen en samenstelling van dit bestuur, de financiële
                    voorschriften en de belastingheffing. Dit laatste betekende ook dat deze
                    belastingheffing eenvoudiger en transparanter werd. De provincies konden geen
                    uitgangpunten meer stellen voor de kostentoedeling een voor zover nodig werden
                    de voorschriften vastgelegd in een Algemene Maatregel van Bestuur: het
                    Waterschapsbesluit. Dit leidde tot een nieuwe Kostentoedelingsverordening, die
                    van kracht werd op 1 januari 2009. Het aantal tarieven in de watersysteemheffing
                    werd teruggebracht tot vier, één per categorie. Er werd geen gebruik gemaakt van
                    de wettelijke mogelijkheid tot tariefdifferentiatie.</al><al/><al>De werking van de Wet Modernisering Waterschapsbestel is geëvalueerd en dit
                    leidde opnieuw tot discussies met het doel om de belastingheffing opnieuw aan te
                    passen. Dit moest enerzijds leiden tot verdere vereenvoudiging en anderzijds
                    moesten vermeende fouten uit de regelgeving gehaald worden. De Unie van
                    Waterschappen heeft hiertoe voorstellen gedaan aan het Kabinet Rutte I, maar
                    door de val van dit kabinet heeft dit niet tot nieuwe wetgeving geleid. Wel moet
                    de Kostentoedelingsverordening volgens artikel 120 van de Waterschapswet
                    minimaal eens in de vijf jaar herzien worden. Het resultaat van deze herziening
                    is de onderhavige Kostentoedelingsverordening 2014. Op 23 mei 2013 heeft het
                    algemeen bestuur van AGV een aantal keuzes gemaakt, die verwerkt zijn in deze
                    verordening. Dit leidt ertoe dat de verordening inhoudelijk niet veel is
                    gewijzigd, met één notoire uitzondering: er is voor gekozen om gebruik te maken
                    van de mogelijkheid tot tariefdifferentiatie binnen de categorie overig
                    ongebouwd. Verharde wegen (en aanhorigheden) betalen een tarief dat 100% hoger
                    ligt dan de rest van de categorie overig ongebouwd. Dit is de maximale
                    beleidsvrijheid die AGV op dit punt heeft: voor waterschappen die reeds eerder
                    een tariefdifferentiatie kenden voor verharde wegen is het wettelijk mogelijk
                    gemaakt om het tarief maximaal 400% hoger vast te stellen, maar die mogelijkheid
                    geldt dus niet voor AGV.</al><al/><al>De Kostentoedelingsverordening is de basis voor de Verordening
                    Watersysteemheffing en deze twee verordeningen samen maken het heffen van
                    watersysteemheffing mogelijk.</al><al/><tussenkop>1. Wettelijke basis</tussenkop><al>In artikel 120, lid 1, van de Waterschapswet is bepaald dat het algemeen bestuur
                    van elk waterschap ten behoeve van de watersysteemheffing een
                    kostentoedelingsverordening moet vaststellen. Hierin wordt voor elk van de
                    categorieën van heffingplichtigen (ingezetenen, gebouwd, natuurterreinen en
                    overig ongebouwd) de toedeling van het kostendeel opgenomen. Hoe hoog deze
                    kosten zijn vloeit voort uit de begroting. </al><al>Het waterschap kan in deze verordening bepalen dat de kosten van heffing en
                    invordering en/of de kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen
                    bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken categorieën van
                    heffingplichtigen. Het algemeen bestuur van AGV heeft op 3 april 2008 besloten
                    om dit toe te passen voor de kosten van heffing en invordering met het oog op
                    een billijke belastingheffing (zoals bedoeld door de wetgever toen deze
                    mogelijkheid in 1999 in de Waterschapwet werd opgenomen). Op 23 mei 2013 heeft
                    het algemeen bestuur besloten om dit niet te wijzigen.</al><al>Het waterschap kan volgens artikel 122 van de Waterschapswet ook gebruik maken
                    van de mogelijkheid om </al><al>tarieven te differentiëren. Een eventuele tariefdifferentiatie moet in de
                    Kostentoedelingsverordening worden geregeld. Op 23 mei 2013 heeft het algemeen
                    bestuur van AGV besloten om een tarief vast te stellen dat 100% hoger ligt voor
                    verharde wegen binnen de categorie overig ongebouwd. </al><al>De Kostentoedelingsverordening moet door gedeputeerde staten van de provincie(s)
                    worden goedgekeurd en wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien (artikel
                    120, lid 5, van de Waterschapswet). De verordening moet ook ter inzage worden
                    gelegd. </al><al/><tussenkop>2. Kostentoedelingsmethode Delfland wettelijk voorgeschreven</tussenkop><al>In artikel 117 van de Waterschapswet is bepaald dat er vier categorieën
                    belastingplichtigen voor de watersysteemheffing zijn: de ingezetenen; degenen
                    die “krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde
                    onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen” (overig ongebouwd); degenen die
                    “krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van
                    natuurterreinen” (natuurterreinen) en degenen die “krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken” (gebouwd).</al><al>De wijze waarop de kostentoedeling plaats vindt, is vastgelegd in artikel 120,
                    lid 2, van de Waterschapswet. De toedeling van het kostendeel aan de categorie
                    ingezetenen wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per
                    vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De toedeling van kosten
                    aan de overige drie categorieën (gebouwd, natuurterreinen en overig ongebouwd)
                    gebeurt aan de hand van de waarde van de onroerende zaken in het economische
                    verkeer. Deze wijze van kostentoedeling staat bekend als de methode Delfland.
                    AGV past deze methode reeds sinds 1 januari 2005 toe. </al><al/><tussenkop>3. Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen </tussenkop><al>De eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan de
                    categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De
                    toedeling is als volgt:</al><lijst><li nr="·"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%;</al></li><li nr="·"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan
                            1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal 40%;
                        </al></li><li nr="·"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%. </al></li></lijst><al>Het binnen de bandbreedtes bepalen van het exacte ingezetenenaandeel behoort tot
                    de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. </al><al/><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan de zojuist genoemde maximale
                    kostentoedelingspercentages met 10% verhogen. Dit is via een amendement (TK
                    30601, nr. 18) in artikel 120, lid 3, van de Waterschapswet geregeld. In dit
                    amendement wordt aangegeven dat verhoging in bijzondere omstandigheden kan
                    plaatsvinden. Als voorbeeld worden daarbij twee situaties genoemd, te weten de
                    situatie waarin in het gebied van het waterschap een relatief groot aantal
                    natuurterreinen voorkomt en de situatie waarin in het gebied van het waterschap
                    sprake is van een zeer grote inwonerdichtheid. De wet zegt in geen van beide
                    gevallen wat hieronder moet worden verstaan. Er kan echter worden aangesloten
                    bij het objectief fiscaal criterium ‘<cursief>in betekenende mate’</cursief>.
                    Dit staat voor 25% of meer. Toepassing van dit criterium leidt er in
                    bovenstaande voorbeelden dus toe dat voor een eventuele ophoging van het
                    ingezetenenaandeel kan worden gekozen als 25% of meer van het gebied van het
                    waterschap uit natuurterreinen bestaat of als het gemiddelde inwoneraantal 1250
                    (125% x 1000 inwoners) of meer bedraagt. Maar ook andere overwegingen kunnen een
                    rol spelen. </al><al/><al>Inmiddels is gebleken dat de waterschappen een vrij grote autonomie hebben bij
                    het bepalen van het kostendeel van de ingezetenen. In een uitspraak van 28 juli
                    2010, LJN: BN2669, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    (hierna: de Afdeling) het bestaan van de zojuist genoemde bestuurlijke vrijheid
                    bevestigd en verduidelijkt. De Afdeling heeft in deze uitspraak vastgesteld dat
                    in de Waterschapswet geen beperkende voorwaarden zijn verbonden aan de aan de
                    waterschappen toegekende bevoegdheid om het kostenaandeel voor de ingezetenen
                    met maximaal 10% extra te verhogen. De Afdeling kent dan ook geen betekenis toe
                    aan de genoemde ‘bijzondere omstandigheden’ en gaat ook aan de voorbeelden die
                    in de wetsgeschiedenis zijn genoemd, voorbij. Desondanks kan AGV bij deze
                    voorbeelden aansluiten. De inwonerdichtheid in het AGV-gebied ligt op 1830 per
                    vierkante kilometer, ruim boven de eerder genoemde 1250. Dit is voor het
                    algemeen bestuur van AGV aanleiding om de maximale bestuurlijke vrijheid in deze
                    te blijven benutten en het percentage dat door de ingezetenen moet worden
                    opgebracht vast te stellen op 60%. </al><al/><al>Aan deze keuze liggen ook andere overwegingen ten grondslag. Van oudsher lag er
                    bij de waterschappen een sterke nadruk op de specifieke belangen van degenen die
                    in de toenmalige omslagen betrokken werden. Dit is goed verklaarbaar uit de
                    ontstaansgeschiedenis van de waterschappen en was bovendien goed verdedigbaar in
                    een tijd waarin er vele kleine waterschapjes bestonden die zich uitsluitend met
                    het waterkwantiteitsbeheer binnen hun beheersgebied bezig hielden. Wat een
                    waterschap deed was duidelijk en wie daar belang bij had was dat ook.</al><al>In de loop van de 20<sup>e</sup> eeuw werd het steeds duidelijker dat een
                    efficiënt waterbeheer dat tegemoet kwam aan de moderne eisen en opvattingen op
                    dit gebied een behoorlijke schaalvergroting en modernisering vereiste. Vooral
                    vanaf de jaren zeventig is het aantal waterschappen dan ook in snel tempo
                    afgenomen en de omvang van de waterschappen even snel toegenomen. Deze
                    ontwikkeling is nog steeds gaande. Een andere ontwikkeling is die naar een
                    taakverbreding van de waterschappen. Niet alleen werd er steeds meer gekeken
                    naar de samenhang tussen waterkwantiteit en waterkwaliteit, resulterend in het
                    onstaan van grote all-in waterschappen, maar ook was er toenemende aandacht voor
                    zaken als milieu, stedelijk waterbeheer, samenwerking met andere overheden enz.
                    Bij deze ontwikkeling hoorde een toenemend besef dat er ook een groot algemeen
                    belang is bij een goede uitvoering van de taken door de waterschappen. Voor de
                    inwoners van het beheersgebied van een waterschap wordt dit belang gekenmerkt
                    door de mogelijkheid om te kunnen wonen, werken en recreëren in het gebied.
                    Daarom werd halverwege de jaren negentig de categorie ingezetenen als
                    belastingcategorie ingevoerd. </al><al/><al>Binnen AGV heerst al geruime tijd de opvatting dat er nog prominentere aandacht
                    zou moeten zijn voor het algemeen belang bij het werk van het waterschap. De Wet
                    Modernisering Waterschapsbestel komt ten dele tegemoet aan deze opvatting.
                    Binnen de watersysteemheffing wordt dit uitgedrukt in een nadruk op de dragers
                    van de algemene belangen, de ingezetenen.</al><al/><al>De toegenomen nadruk op het algemeen belang wordt ook weerspiegeld in het
                    toegenomen belang van het stedelijk waterbeheer. De activiteiten op het gebied
                    van stedelijk waterbeheer zijn nauwelijks terug te leiden tot specifieke
                    taakbelangen en moeten vooral in het algemeen belang geplaatst worden. Ook dit
                    hangt samen met de keuze voor een hoog percentage voor de ingezetenen. In het
                    AGV-gebied bevindt zich veel stedelijk gebied en dus is het belang van stedelijk
                    waterbeheer groot. </al><al/><tussenkop>4. Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke
                    categorieën</tussenkop><al>Nu het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald op 60%, wordt
                    de resterende 40% van de kosten van de uitoefening van de taak
                    watersysteembeheer aan de categorieën natuurterreinen, overig ongebouwd en
                    gebouwd toegedeeld. Deze toedeling vindt op grond van het bepaalde in artikel
                    120, lid 4 van de Waterschapswet, plaats op basis van de waarde van de
                    onroerende zaken in het economische verkeer. In het Waterschapsbesluit zijn met
                    betrekking tot de waardebepaling nadere regels gesteld. De onderlinge
                    waardeverhouding tussen de categorieën is bepalend voor de kostentoedeling.</al><al/><al>De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid en de
                    staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.10, lid 1, van
                    het Waterschapsbesluit is dit voor natuurterreinen en overig ongebouwd
                    uitdrukkelijk bepaald. Voor gebouwde onroerende zaken bevat het
                    Waterschapsbesluit een dergelijke expliciete regeling niet. Dit is ook niet
                    nodig, omdat voor de waardebepaling van deze categorie wordt aangesloten bij de
                    WOZ-gegevens en in de Wet WOZ al geldt dat de waarde naar de hoedanigheid en de
                    staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum moet worden bepaald. </al><al>In artikel 6.11, lid 1, van het Waterschapsbesluit is bepaald dat de
                    waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste kalenderjaar
                    ligt waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. Er moet nu dus een
                    keuze worden gemaakt tussen 1 januari 2012 en 1 januari 2013 als
                    waardepeildatum. Uit praktische overwegingen is daarbij voor 1 januari 2012
                    gekozen. De gegevens met waardepeildatum 1 januari 2013 zijn meestal nog niet
                    beschikbaar. Zo komen de WOZ-waarden die naar de waardepeildatum 1 januari 2013
                    zijn vastgesteld pas in de eerste acht weken van 2014 beschikbaar. Dit is met
                    het oog op de vaststelling en goedkeuring van deze Kostentoedelingsverordening
                    te laat. Dit geldt ook voor de waardegegevens van landbouwgronden die via de
                    Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van Economische Zaken beschikbaar
                    komen. De waardepeildatum ten behoeve van de kostentoedeling is daarom
                    vastgesteld op 1 januari 2012.</al><al/><al>In het proces van kostentoedeling wordt geen rekening gehouden met wijzigingen
                    die zich in de staat of de hoedanigheid van de onroerende zaken hebben
                    voorgedaan of nog zullen voordoen tussen de waardepeildatum (in dit geval
                    1-1-2012) en het begin van het eerste belastingjaar waarop de
                    Kostentoedelingsverordening betrekking heeft (1-1-2014). Zo zullen bouwpercelen
                    die na de waardepeildatum zijn bebouwd, voor de kostentoedeling als ongebouwde
                    onroerende zaken worden aangemerkt en zal landbouwgrond die na de
                    waardepeildatum is omgevormd tot natuur of tot bouwgrond, nog wel als
                    landbouwgrond in de waardebepaling worden meegenomen.</al><al/><tussenkop>5. Natuurterreinen</tussenkop><al>Natuurterreinen vormen voor de kostentoedeling en de belastingheffing een aparte
                    categorie. Volgens artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een
                    natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en de
                    ontwikkeling van natuur. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige situatie
                    of een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt dus of er sprake is van een
                    natuurterrein. Bossen, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, en open wateren
                    worden ook als natuurterreinen aangemerkt. Voorwaarde is wel dat deze objecten
                    een oppervlakte van ten minste één hectare hebben. </al><al/><al>Bij open wateren gaat het nadrukkelijk niet om vaarwegen, maar om open water met
                    een weids karakter. In het beheersgebied van AGV bevinden zich meerdere van
                    dergelijke plassen, b.v. de Loosdrechtse-, Vinkeveensche en Ankeveensche Plassen
                    en het Naardermeer. </al><al/><tussenkop>6. De watersysteemtaak</tussenkop><al>De watersysteemtaak wordt in artikel 1, lid 2, van de Waterschapswet genoemd en
                    omvat de taken van het waterschap op het gebied van het waterkeringsbeheer, het
                    waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren, voor
                    zover laatstgenoemde activiteiten niet vallen onder het transporteren en/of
                    behandelen van afvalwater. </al><al>De zorg voor het watersysteem is een samenhangende taak die AGV in het gehele
                    waterschapsgebied uitoefent. Onder het waterschapsgebied moet het reglementaire
                    gebied worden verstaan, dus het gebied afgebakend door de buitengrenzen van het
                    waterschap, inclusief buitendijkse gebieden. Dit gebied is aangegeven op de
                    provinciale kaart bij het Reglement van Bestuur. Omdat de watersysteemtaak in
                    het gehele waterschapsgebied wordt uitgeoefend, komen gebieden zonder enig
                    belang niet voor.</al><al/><tussenkop>7. Relatie met de begroting van het waterschap</tussenkop><al>In het traject van belastingheffing (kostentoedeling – tariefbepaling –
                    aanslagvervaardiging – heffing en invordering) zijn de kosten van de
                    watersysteemtaak bepalend. Deze kosten worden in de begroting van AGV geraamd en
                    in de jaarverslaggeving verantwoord. De begrote kosten bepalen uiteindelijk het
                    bedrag dat aan belasting moet worden geheven. Om inzicht te krijgen in de lasten
                    voor de belastingplichtigen, vormt een specificatie van de bedragen die
                    uiteindelijk tot lasten van de belastingplichtigen leiden, een apart onderdeel
                    van de begroting (de begroting naar kostendragers). Een en ander is vastgelegd
                    in de verslaggevingsvoorschriften van het Waterschapsbesluit. Het gaat in deze
                    verordening om de kostendrager watersysteembeheer. </al><al/><al>Ook op grond van de verslaggevingsvoorschriften wordt in de begroting naar
                    kostendragers voor iedere taak allereerst op basis van de netto-kosten, het
                    bedrag voor onvoorzien, de bedragen die voor kwijtschelding en oninbaar worden
                    geraamd, verwachte dividenden en overige algemene opbrengsten een saldo
                    berekend, het resultaat. Daarna wordt aangegeven hoe het begrote resultaat zal
                    worden gedekt of bestemd. Eerst wordt bepaald hoeveel er aan de
                    egalisatiereserve wordt onttrokken of gedoteerd, waarmee het bedrag ontstaat dat
                    het waterschap door middel van belastingheffing zal moeten ontvangen. Dit
                    laatste bedrag is voor de kostendrager watersysteemheffing het startpunt voor de
                    kostentoedeling. Vervolgens begint de werking van deze
                    Kostentoedelingsverordening, uiteraard met inbegrip van de rechtstreekse
                    toekenning van kosten voor heffing en invordering, vermeld in artikel 3.</al><al/><tussenkop>8. Tariefdifferentiatie voor verharde wegen</tussenkop><al>In artikel 122 van de Waterschapswet wordt de mogelijkheid aangeboden om de
                    tarieven in een aantal gevallen lager of hoger vast te stellen, de
                    tariefdifferentiatie. De wetgever heeft nadrukkelijk aangegeven dat de
                    waterschappen met betrekking tot de tariefdifferentiatie een bestuurlijke
                    vrijheid hebben. Het algemeen bestuur van het waterschap is – anders dan bij de
                    vroegere omslagklassen - met andere woorden niet tot het differentiëren van
                    tarieven verplicht (Memorie van Toelichting, TK 30601, nr. 3, blz. 26). </al><al/><al>Het uitgangspunt dat in artikel 121, lid 1, onderdelen b, c en d, van de
                    Waterschapswet is neergelegd, is dat het tarief van de belasting per
                    heffingsmaatstaf voor elke onderscheiden categorie gelijk is. De regeling van de
                    tariefdifferentiatie brengt hierin verandering. Als voor het differentiëren van
                    tarieven wordt gekozen, is binnen de betreffende belastingcategorie sprake van
                    tarieven die naar gelang de situatie hoger of lager kunnen zijn vastgesteld. De
                    situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn limitatief genoemd in
                    artikel 122 van de Waterschapswet. </al><al/><al>Het algemeen bestuur van AGV onderschrijft het hierboven genoemde uitgangspunt
                    en erkent de noodzaak van terughoudendheid bij de toepassing van
                    tariefdifferentiatie. AGV is voorstander van eenvoud en transparantie in de
                    belastingheffing. Toch ziet het algemeen bestuur aanleiding en noodzaak om over
                    te gaan tot het vaststellen van een 100% hoger tarief voor verharde wegen binnen
                    de categorie overig ongebouwd. Bij wegen is sprake van verharde oppervlakten,
                    die een hogere piekafvoer kunnen veroorzaken, waardoor een relatief grote
                    capaciteit van het watersysteem kan worden gevraagd. Voor wegen geldt daarnaast
                    dat deze één van de belangrijkste bronnen van diffuse verontreiniging vormen.
                    Wegen doorsnijden het gehele AGV-gebied, waardoor zich gemakkelijker cumulaties
                    kunnen voordoen. Daarnaast wordt het kostenaandeel van de categorie overig
                    ongebouwd bepaald door de economische waarde. In het AGV-gebied is de
                    oppervlakte aan verharde wegen sterk toegenomen ten opzichte van vijf jaar
                    geleden. Dit veroorzaakt voor een belangrijk deel dat de categorie overig
                    ongebouwd een groter deel van de kosten die het waterschap maakt voor het
                    watersysteem voor haar rekening krijgt.</al><al/><tussenkop><vet>Artikelsgewijs</vet></tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In artikel 1 zijn enkele begrippen, die in de verordening vaker voorkomen, nader
                    gedefinieerd. </al><al/><al>In onderdeel a wordt een omschrijving van het begrip kosten gegeven. De kosten
                    die in de kostentoedeling een rol spelen zijn de netto-kosten die in de
                    begroting van het waterschap zijn opgenomen en die met behulp van de
                    watersysteemheffing worden gedekt.</al><al/><al>In onderdeel b wordt het gebied van AGV omschreven als het gebied dat is
                    aangegeven op de bij het Reglement van Bestuur behorende kaart waarin AGV belast
                    is met de zorg voor het watersysteem. Het gaat om de buitenste grenzen van het
                    waterschapsgebied.</al><al/><al>In de onderdelen c tot en met f wordt een omschrijving gegeven van de
                    categorieën ingezetenen, overig ongebouwd, natuurterreinen en gebouwd. Dit zijn
                    de belastingplichtige categorieën. Voor de omschrijvingen is aangesloten bij
                    artikel 116, onder a en artikel 117 onder b t/m d van de Waterschapswet.</al><al>Om als ingezetene aangemerkt te worden, moet de persoon in het AGV-gebied
                    woonplaats hebben én er gebruik hebben van woonruimte. Van een ingezetene is
                    slechts sprake als aan beide voorwaarden is voldaan.</al><al>Als de Wet basisregistratie personen (Wet van 3 juli 2013, Stb. 2013, 315) en de
                    Aanpassingswet basisregistratie personen (Wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 316)
                    in werking treden, wordt bij onderdeel c “gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens” vervangen door: “basisregistratie personen”.</al><al>In de onderdelen d, e en f wordt steeds het begrip ‘zakelijk gerechtigden’
                    gebruikt als omschrijving voor degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt
                    recht het genot hebben van onroerende zaken in het gebied van het waterschap en
                    om die reden belastingplichtig zijn. De beperkte rechten die tot belastingplicht
                    leiden, zijn:</al><al>• appartementsrecht;</al><al>• erfpachtrecht;</al><al>• recht van opstal;</al><al>• recht van vruchtgebruik;</al><al>• recht van beklemming;</al><al>• recht van gebruik en bewoning;</al><al>• de beklemde meier en</al><al>• het beperkt recht in de zin van artikel 5, lid 3, onderdeel b, van de
                    Belemmeringenwet privaatrecht. </al><al>Op grond van artikel 119, lid 1, van de Waterschapswet moet voor het bepalen van
                    de belastingplichtige van de basisregistratie kadaster worden uitgegaan:
                    belastingplichtig is degene die bij het begin van het jaar als rechthebbende in
                    deze basisregistratie is vermeld, tenzij het tegendeel blijkt. Als er sprake is
                    van meer dan </al><al>één beperkt recht, kan de rangorde worden vastgesteld volgens artikel 119, lid 2
                    en 3.</al><al/><al>In onderdeel g wordt omschreven wat woonruimte is, wat van belang is voor het
                    bepalen van de categorie ingezetenen. De omschrijving komt overeen met de
                    omschrijving in artikel 116 onder b van de Waterschapswet. De wet koppelt dit
                    aan de inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens aan
                    het begin van het kalenderjaar. Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van
                    26 juni 1996, Belastingblad 1996, blz. 431, is van een woonruimte sprake als de
                    ruimte over zelfstandige voorzieningen (keuken, douche, sanitair) beschikt. De
                    gebruiker van de ruimte mag dus niet meer dan bijkomstig afhankelijk zijn van
                    voorzieningen elders in het gebouw. </al><al/><al>In onderdeel h wordt omschreven wat onder ‘verharde wegen’ wordt verstaan.
                    Behalve het daadwerkelijk verharde wegdek horen daar ook aanhorigheden bij als
                    bermen, obstakelvrije zones, tussenbermen enz.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer</tussenkop><al>In artikel 2 is aangegeven op welke wijze de kosten van de taakuitoefening over
                    de vier belastingcategorieën worden verdeeld. Artikel 2 vormt daarmee het
                    kernartikel van de verordening. </al><al/><al>De kostentoedeling gebeurt in twee stappen. In de eerste stap wordt het
                    kostenaandeel van de categorie ingezetenen bepaald en in de tweede stap worden
                    de resterende kosten van de taakuitoefening over de categorieën overig
                    ongebouwd, natuurterreinen en gebouwd verdeeld.</al><al/><tussenkop><vet>Stap 1 kostentoedelingsproces: Toedelen van kosten aan de categorie
                        ingezetenen.</vet></tussenkop><al>De eerste stap in het kostentoedelingsproces is het toedelen van kosten aan de
                    categorie ingezetenen. Dit gebeurt op basis van de gemiddelde inwonerdichtheid
                    in het gebied van het waterschap. Voor het bepalen van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid wordt uitgegaan van het totaal aantal inwoners en de totale
                    oppervlakte (buitenste grenzen) van het AGV-gebied. </al><al>Op de bepaling van het kostenaandeel van de categorie ingezetenen is uitgebreid
                    ingegaan in het algemene deel van deze toelichting onder 3. Onder verwijzing
                    hiernaar kan gemeld worden dat het algemeen bestuur, met gebruikmaking van de
                    gegeven bestuurlijke ruimte, het kostenpercentage voor de ingezetenen heeft
                    vastgesteld op 60%.</al><al/><tussenkop><vet>Stap 2 kostentoedelingsproces: Toedelen van de resterende kosten aan
                        de specifieke categorieën</vet></tussenkop><al>Nadat is bepaald welk aandeel in de kosten van het watersysteembeheer aan de
                    ingezetenen wordt toegedeeld, vindt in stap 2 de toedeling van de resterende
                    kosten (dus 40%) van de taakuitoefening aan de categorieën overig ongebouwd,
                    natuurterreinen en gebouwd plaats. Dit gebeurt op basis van hun onderlinge
                    waardeverhouding. In verband hiermee moet de waarde in het economische verkeer
                    van deze categorieën worden bepaald. In het Waterschapsbesluit is aangegeven hoe
                    die waardebepaling in zijn werk moet gaan en welke regels daarbij gelden. </al><al/><tussenkop>Waardebepaling categorie overig ongebouwd</tussenkop><al>Deze categorie valt in het kader van de kostentoedeling uiteen in vijf
                    ‘subcategorieën’ (groepen) van typen grondgebruik, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Agrarische gronden;</al></li><li nr="2."><al>Openbare landwegen, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="3."><al>Banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="4."><al>Bouwpercelen </al></li><li nr="5."><al>Overige ongebouwde onroerende zaken. </al><al/></li></lijst><al>Op grond van het Waterschapsbesluit is een onderverdeling in groepen
                    noodzakelijk, omdat tussen de groepen zowel de wijze van waardebepaling als de
                    waarde per hectare verschilt. Van elke groep moet de waarde worden bepaald. Dit
                    gebeurt globaal, wat in dit geval betekent dat het waterschap niet van elk
                    individueel object dat tot de betreffende groep behoort een exacte waarde hoeft
                    te bepalen, maar dat kan worden volstaan met het bepalen van de waarde van het
                    geheel van de onroerende zaken van de betreffende groep. Het product van de
                    opper-vlakte in hectares en de gemiddelde waarde per hectare vormt dan de waarde
                    van de betreffende subcategorie. De optelsom van de waarden van de
                    subcategorieën is de totale waarde van de categorie overig ongebouwd. </al><al/><al>1)Waardebepaling ‘subcategorie’ agrarische gronden</al><al/><al>Onder agrarische grond wordt volgens artikel 6.1, onder a, van het
                    Waterschapsbesluit verstaan de ten behoeve van de landbouw als bedoeld in
                    artikel 312 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bedrijfsmatig geëxploiteerde
                    cultuurgrond, voor zover deze niet de ondergrond vormen van gebouwde
                    eigendommen. De ondergrond van glasopstanden (kassen) behoort tezamen met de
                    glasopstand zelf tot een gebouwde onroerende zaak. Natte veenweidegebieden
                    behoren ook tot de categorie agrarische gronden. Bossen behoren er niet toe en
                    worden op grond van artikel 116, onder c, van de Waterschapswet tot de categorie
                    natuurterreinen gerekend. </al><al/><al>De gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden wordt bepaald op
                    basis van of afgeleid uit verkooptransacties van deze gronden in het AGV-gebied.
                    In artikel 6.5, lid 2, van het Waterschapsbesluit is vastgelegd dat de waarde
                    wordt bepaald op de waarde die aan de gronden moet worden toegekend indien de
                    volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de
                    gronden als agrarische gronden in gebruik zouden blijven. Dit betekent dat
                    transacties waarbij geen marktconforme prijs tot stand is gekomen (dit kan bij
                    transacties in de familiesfeer het geval zijn), niet in de berekeningen mogen
                    worden betrokken. Verder moet het waardedrukkende effect bij de waardebepaling
                    van gronden die zijn bezwaard met beperkte rechten of die worden verpacht, niet
                    worden meegerekend. Uit de toelichting bij het Waterschapsbesluit blijkt dat de
                    onderzoeksgegevens van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van
                    Economische Zaken een goede basis voor de waardebepaling van agrarische gronden
                    ten behoeve van de kostentoedeling vormen. Deze dienst rapporteert jaarlijks
                    over de gemiddelde prijzen van agrarische gronden en splitst dat uit per regio.
                    De gegevens van de DLG die van toepassing zijn op het AGV-gebied zijn door AGV
                    voor de waardebepaling gebruikt.</al><al/><lijst><li nr="2)"><al>Waardebepaling ‘subcategorie’ openbare landwegen, inclusief kunstwerken
                            en</al></li><li nr="3)"><al>Banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken</al><al/></li></lijst><al>Omdat de wijze waarop de waarde van deze twee subcategorieën moet worden bepaald
                    aan elkaar gelijk is, worden ze hier gezamenlijk besproken.</al><al/><al>Bij de waardebepaling van openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer per
                    rail worden behalve de landwegen en spoorbanen zelf ook verkeersvoorzieningen en
                    kunstwerken betrokken. Voorbeelden van kunstwerken zijn bruggen, viaducten en
                    tunnels. Bij verkeersvoorzieningen moet worden gedacht aan grond die dienstbaar
                    is aan het verkeer over de weg (grond die een bijdrage levert aan de
                    verkeerskundige functionaliteit van de weg), zoals tussenbermen, geluidswerende
                    voorzieningen, obstakelvrije zones, bermsloten, e.d. De gemiddelde waarde per
                    hectare wordt volgens het Waterschapsbesluit gesteld op de vervangingswaarde.
                    Dit is het bedrag dat met de herbouw van een identiek vervangend object gepaard
                    zou gaan, waarbij ook rekening moet worden gehouden met een correctiefactor voor
                    technische en functionele veroudering. Om te voorkomen dat de waterschappen van
                    geval tot geval steeds zelf de correctiefactor zouden moeten bepalen, is deze
                    factor in het Waterschapsbesluit zelf vastgelegd en wel op 25%. Zoals vrijwel
                    alle waterschappen heeft AGV voor de waardebepaling van openbare wegen en
                    spoorwegen gebruik gemaakt van de Taxatiewijzer, opgesteld door Tauw en
                    uitgegeven door de Unie van Waterschappen. AGV moest bij de vervangingswaarde
                    van het spoorwegnet nog de vervangingswaarde van de losliggende metro- en
                    trambanen, inclusief kunstwerken, optellen. Er wordt immers gesproken over
                    “openbaar vervoer per rail”. Voor zover de trambanen in de openbare weg liggen
                    worden zij niet apart meegenomen. Voor deze vervangingswaarde is informatie
                    gevraagd bij de gemeente Amsterdam, waarbij de waarde in andere gemeenten ook is
                    meegenomen.</al><al/><al>4)Waardebepaling ‘subcategorie’ bouwpercelen</al><al/><al>Bouwpercelen zijn ongebouwde, al dan niet bouwrijp gemaakte percelen, waarop
                    gebouwd mag worden (artikel 6.1, onder b, Waterschapsbesluit). Bouwpercelen zijn
                    voor de belastingheffing weliswaar ongebouwde onroerende zaken, maar er wordt
                    wel een WOZ-waarde voor bepaald op voet van de Wet WOZ. Zo is de gemiddelde
                    waarde per hectare voor deze subcategorie bepaald. </al><al/><al>5)Waardebepaling ‘subcategorie’ overige ongebouwde onroerende zaken</al><al/><al>De subcategorie overige ongebouwde onroerende zaken is een restcategorie waartoe
                    onder meer volkstuinen, begraafplaatsen, openbare parken en plantsoenen en
                    recreatie- en sportterreinen behoren, voor zover zij althans niet op grond van
                    artikel 118, lid 2, van de Waterschapswet deel uitmaken van een gebouwd
                    eigendom. De gemiddelde waarde per hectare wordt, om redenen van eenvoud, in het
                    Waterschapsbesluit gelijk gesteld aan de gemiddelde waarde per hectare van de
                    agrarische gronden in het gebied van het waterschap. </al><al/><tussenkop>Waardebepaling categorie natuurterreinen</tussenkop><al>In het kader van de kostentoedeling moet ook een waarde worden vastgesteld voor
                    de categorie natuurterreinen. Natuurterreinen zijn in artikel 116, onderdeel c,
                    van de Waterschapswet gedefinieerd als ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op
                    het behoud of de ontwikkeling van natuur. Tot de categorie natuurterreinen
                    behoren onder meer heidevelden, moerassen en zandverstuivingen. Ook
                    (productie)bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare
                    behoren tot deze categorie. Bij open wateren moet worden gedacht aan meren,
                    plassen en daarmee vergelijkbare wateren met een open en weids karakter.
                    Stadsparken, plantsoenen, e.d. worden vanwege hun recreatieve functie niet als
                    een natuurgebied aangemerkt. De gemiddelde waarde per hectare van
                    natuurterreinen wordt op basis van het Waterschapsbesluit gesteld op 20% van de
                    gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het AGV-gebied. </al><al/><al>Over de vraag wat wel en wat niet als een natuurterrein in de zin van de
                    Waterschapswet moet worden aangemerkt, bestaan in de praktijk in een aantal
                    gevallen verschillen van inzicht tussen waterschappen en grondeigenaren. De
                    verschillen van inzicht concentreren zich voornamelijk rond graslanden en akkers
                    die in de praktijk (mede) agrarisch worden gebruikt, of waar agrarische
                    beheermaatregelen worden ingezet. Ook AGV heeft deze verschillen van inzicht met
                    grondeigenaren. De hamvraag is in deze gevallen veelal of de inrichting en het
                    beheer van het betreffende perceel geheel of nagenoeg geheel is afgestemd op het
                    behoud of de ontwikkeling van natuur. Om hierover duidelijkheid te krijgen,
                    voeren de Unie van Waterschappen en het Bosschap in gezamenlijk overleg een
                    aantal landelijke voorbeeldzaken. Bij het opstellen van de
                    Kostentoedelingsverordening zijn nog niet alle rechtbanken tot een beslissing
                    gekomen. De lijn die uit de tot op dat moment gedane uitspraken kan worden
                    opgemaakt, is dat de inrichting en het beheer slechts beperkt (dit is: voor
                    minder dan 10%) mogen zijn afgestemd op andere doelstellingen dan het behoud of
                    de ontwikkeling van natuur. </al><al/><tussenkop>Waardebepaling categorie gebouwde onroerende zaken</tussenkop><al>Voor het bepalen van de waarde van de gebouwde onroerende zaken moet worden
                    aangesloten bij de waarden, zoals die voor deze objecten in het kader van de Wet
                    WOZ door de gemeenten zijn vastgesteld. Wat onder een gebouwd object moet worden
                    verstaan, is in artikel 118, lid 1 en 2, van de Waterschapswet geregeld. Op
                    grond van deze regels wordt een samenstel van ongebouwde en gebouwde onroerende
                    zaken als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt. In het kader van de
                    belastingheffing zijn deze gegevens bekend.</al><al/><tussenkop>Waardepeildatum</tussenkop><al>Op de waardepeildatum is uitgebreid ingegaan in het algemene deel van deze
                    toelichting onder 4. Hier kan met een verwijzing daarnaar worden volstaan.</al><al/><tussenkop>Drie decimalen</tussenkop><al>De kostentoedelingspercentages voor de categorieën overig ongebouwd,
                    natuurterreinen en gebouwd zijn bepaald op drie decimalen. Op zichzelf is dat
                    eigenlijk niet wenselijk, aangezien de kostentoedeling een globaal karakter
                    heeft. Er wordt immers niet op perceel- of objectniveau gekeken, maar er wordt
                    gekeken naar geaggregeerde grootheden. Dit globale karakter is niet te herkennen
                    in percentages bepaald op drie decimalen. Er is echter wel een goede, praktische
                    reden om hiervoor te kiezen. De kostentoedelingspercentages worden namelijk
                    vastgesteld op grond van de waarde in het economisch verkeer. De waarde van
                    natuurterreinen is in het Waterschapsbesluit bepaald op 20% van de waarde van
                    agrarische grond. De waarde van de agrarische grond is weer veel lager dan de
                    waarde van vooral wegen. De waarde van overig ongebouwd blijkt in de praktijk
                    voor het grootste deel (ca. 90%) bepaald te worden door de waarde van wegen en
                    spoorwegen. Dit leidt tot een dermate laag kostenaandeel voor de categorie
                    natuurterreinen dat weergave op drie decimalen nodig is om dit percentage naar
                    behoren te kunnen bepalen. </al><al/><tussenkop>Artikel 3 Kosten van heffing en invordering </tussenkop><al>Het waterschap kan er voor kiezen om kosten van heffing en invordering van de
                    watersysteemheffing (de zogeheten perceptiekosten) en kosten van de verkiezing
                    van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks aan de betrokken categorieën
                    toe te rekenen, maar is hiertoe niet verplicht. Het waterschap kan er ook voor
                    kiezen om alleen de kosten van heffing en invordering óf alleen
                    verkiezingskosten rechtstreeks toe te rekenen. Met het oog op een billijke
                    belastingheffing heeft het algemeen bestuur van AGV op 3 april 2008 besloten om
                    deze kosten (maar niet de kosten voor de verkiezingen) rechtstreeks aan de
                    betrokken categorieën te (blijven) toewijzen. Op 23 mei 2013 heeft het algemeen
                    bestuur besloten om aan dit besluit vast te houden. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen</tussenkop><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan in een aantal gevallen besluiten om
                    de belastingtarieven zoals die voor de categorieën natuurterreinen, overig
                    ongebouwd en gebouwd zijn vastgesteld, te differentiëren. Dat wil zeggen: hoger
                    of lager vast te stellen. De bevoegdheid om tarieven te differentiëren is een
                    facultatieve bevoegdheid van het algemeen bestuur. De gevallen waarin
                    tariefdifferentiatie is toegestaan, zijn in de Waterschapswet (artikel 122)
                    limitatief genoemd. Ook de mate waarin tarieven gedifferentieerd kunnen worden,
                    is in de wet geregeld. </al><al>In artikel 122, lid 3, onder c is geregeld dat waterschappen die vóór 1 juli
                    2012 al een tariefdifferentiatie voor openbare landwegen kenden voor deze wegen
                    een tot 400% hoger tarief mogen vaststellen. Dat is voor AGV niet van
                    toepassing. Daarom geldt voor AGV de beperking die in hetzelfde artikellid onder
                    b wordt gesteld: er mag voor openbare landwegen een tarief worden vastgesteld
                    dat maximaal 100% hoger is dan het tarief voor de categorie overig ongebouwd. Op
                    23 mei 2013 heeft het algemeen bestuur van AGV besloten het tarief voor verharde
                    openbare wegen met 100% te verhogen. In het algemene deel van deze toelichting
                    onder 8 wordt nader op deze tariefdifferentiatie en de motivatie daarvoor
                    ingegaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel wordt de verordening voorzien van een citeertitel. Deze
                    verordening kan worden aangehaald als Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi
                    en Vecht 2014. </al><al/><tussenkop>Artikel 6 Overgangsgregeling en inwerkingtreding</tussenkop><al/><al>Lid 1</al><al>Deze Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2014 wordt voor het eerst
                    toegepast op het belastingjaar dat op 1 januari 2014 aanvangt. </al><al/><al>Lid 2</al><al>Dit lid bepaalt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van het
                    belastingjaar dat aanvangt op </al><al>1 januari 2014. De ingetrokken verordening blijft gelden voor de belastingjaren
                    die daaraan vooraf gingen. </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>