<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR314433_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeente Heumen Actueel, 24-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, lid 2 en lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 95 t/m 99</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Fiscale vereenvoudigingswet 2010</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit wethouders</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08 06 B2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 29 oktober
                        2013;</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet,</al><al>gelet op de Fiscale vereenvoudingingswet 2010 (Staatsblad 2010, 611),</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden,</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de “Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                        commissieleden 2013”.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181;</al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is
                                gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 3 (14.001 – 24.000 inwoners)
                                vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1,
                                ontvangen fractievoorzitters voor de duur van hun voorzitterschap
                                per jaar een toelage gelijk aan 1,2% van de vergoeding op jaarbasis
                                en een toelage gelijk aan 0,4% van de vergoeding op jaarbasis voor
                                elk lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toelagen tezamen bedragen ten hoogste 6,4% van de vergoeding op
                                jaarbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3
                                (14.001 – 24.000 inwoners), vermeld in tabel II van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, mede gezien artikel
                                13a, aanhef, aanhef en onderdeel a van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bepaling van de onkostenvergoeding zijn de volgende
                                kostencomponenten in de vergoeding opgenomen:</al><al>- representatie</al><al>- vakliteratuur</al><al>- contributies, lidmaatschappen</al><al>- telefoonkosten</al><al>- bureaukosten, porti</al><al>- zakelijke giften</al><al>- bijdrage aan fractiekosten</al><al>- ontvangsten thuis</al><al>- excursies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                                volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig
                                bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminar of symposia die in het gemeentelijk belang door of namens de
                                gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het raadslid ten laste van de gemeente voor de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap een computer in bruikleen ter
                                beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het raadslid ervoor kiest geen computer in bruikleen te
                                nemen, stelt de gemeente maandelijks een computervergoeding
                                beschikbaar voor de aanschaf of het gebruik van een eigen computer,
                                bijbehorende apparatuur en software. Het bedrag wordt jaarlijks
                                herzien aan de hand van het indexcijfer CAO Rijk.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het raadslid ontvangt maandelijks een vergoeding voor een
                                internetverbinding. Het bedrag wordt jaarlijks herzien aan de hand
                                van het indexcijfer CAO Rijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van het raadslid
                                wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd
                                met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                Uitvoeringsregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10a tot en met 12 blijven van
                                toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste lid, ontvangt de
                                helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepalingen van
                                toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 8 en 11 tot en met 13 van deze verordening
                                zijn van toepassing op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter
                                vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeente met een
                                inwonertal vanaf 14.001, vermeld in artikel 25 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders, mede gezien artikel 28a, aanhef en
                                onderdeel c van het Rechtspositiebesluit wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de bepaling van de onkostenvergoeding zijn de volgende
                                kostencomponenten in de vergoeding opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aan de wethouder op grond van artikel 22 van deze verordening
                                een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking is gesteld, wordt
                                de component ‘telefoonkosten’ via een korting op de
                                onkostenvergoeding zodanig verlaagd, dat daarvoor een bedrag van €
                                12,00 resteert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt geen vergoeding verleend voor het reizen tussen
                            zijn/haar woning en de plaats van terwerkstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt een vergoeding verleend voor zakelijke
                                reiskosten ten behoeve van de gemeente gemaakt. </al></lid><lid><lidnr/><al>De vergoeding betreft:</al></lid><lid><lidnr>a</lidnr><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                                volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al></lid><lid><lidnr>b</lidnr><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als bedoeld in
                                artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                wethouders;</al></lid><lid><lidnr>c</lidnr><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                verblijfkosten. </al></lid><lid><lidnr>d</lidnr><al>vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van wethouder. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de wethouder ten laste van de gemeente voor de
                                uitoefening van zijn wethouderschap een computer in bruikleen ter
                                beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de wethouder ervoor kiest geen computer in bruikleen te
                                nemen, stelt de gemeente maandelijks een computervergoeding
                                beschikbaar voor de aanschaf of het gebruik van een eigen computer,
                                bijbehorende apparatuur en software. Het bedrag wordt jaarlijks
                                herzien aan de hand van het indexcijfer CAO Rijk.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De wethouder ontvangt maandelijks een vergoeding voor een
                                internetverbinding. Het bedrag wordt jaarlijks herzien aan de hand
                                van het indexcijfer CAO Rijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onkostenvergoeding voor wethouders wordt bij het in bruikleen
                                geven van een telefoon naar evenredigheid verlaagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                                gemeente beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op
                                vergoeding van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van
                                de Regeling rechtspositie wethouders;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 2 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als raadslid of wethouder;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij
                                een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
                                gesubsidieerd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie
                                of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in
                                belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in
                                voorkomende gevallen een hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien
                                van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor
                                deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet
                                geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de
                                zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten
                                arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed. </al></lid><lid><lidnr/><al>De vergoeding betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi: een
                                volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig het
                                bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                wethouders;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                Regeling rechtspositie wethouders. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commisielid uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het commissielidmaatschap. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt aan een commissielid ten laste van de gemeente
                                voor de uitoefening van zijn ambt een computer ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid of het commissielid, respectievelijk de wethouder dient het
                                declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                respectievelijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20, 29
                                en 24 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, respectievelijk de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, respectievelijk de wethouder dient het
                                declaratieformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, respectievelijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De “Verordening voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden 2008”
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Bij goedkeuring van de raad op 19 december 2013, treden de wijzigingen
                            in werking met ingang van 1 januari 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2013”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Heumen van 19 december 2013,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 19 december 2013</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting bij de verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                                commissieleden 2013</vet></al><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al>Wettelijke regelingen </al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                            gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten
                            bij wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en
                            gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders in de Algemene
                            pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en
                            het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere
                            invulling van de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden
                            moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen het
                            Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn die
                            voor rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende regelingen
                            waren opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om
                            pragmatische redenen sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële
                            regeling, de Regeling rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere
                            regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde
                            onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de
                            bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de
                            rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                            secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming
                            in de kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij
                            aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze
                            voorzieningen te treffen.</al><al>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                            wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De
                            grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde
                            rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is
                            toegekend genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke
                            vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet).
                            Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                            wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet,
                            het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie
                            wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders,
                            raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op
                            een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers. </al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                            commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede
                            lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening
                            aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                            vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is
                            wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan
                            ook uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke
                            Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al><al>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het
                            betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                            werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                            Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                            Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht
                            op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                            basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb.
                            2006,660) kan de raad echter bij verordening wel een tegemoetkoming in
                            de kosten van een ziektekostenverzekering worden toegekend. Daardoor is
                            tegemoet gekomen aan de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage.
                            Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                            onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst
                            aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                            loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                            hieronder).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge
                            de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld
                            en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het
                            materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                            op wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven,
                            beheerst door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare
                            dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake
                            is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt.
                            Dit betekent dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de
                            loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                            derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de loonbelasting te
                            opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet,
                            Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening
                            bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen
                            zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                            Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op
                            vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde
                            inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al>De loon- en inkomstenbelasting </al><al>Opting in regeling</al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                            gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting
                            in regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                            ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In
                            een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                            belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                            gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de
                            gemeente de ingehouden loonheffing af aan de belastingdienst. Omdat een
                            raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij
                            zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                            zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                            geen premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat
                            geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen
                            niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde
                            vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in
                            bruikleen beschikbaar stellen. Dat betreft bijvoorbeeld de vergoeding
                            van reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                            congressen. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen
                            worden verstrekt. Zie verder de paragraaf ‘werkkostenregeling’. </al><al>Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de fietsregeling.</al><al>Fiscale standaardpositie</al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                            werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing.
                            Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de
                            gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen
                            hebben voor de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag
                            dat zij als onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten
                            betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat
                            de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het
                            raadslidmaatschap. Zij kunnen niet deelnemen aan de fietsregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in
                            het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk
                            gebruik leidt dan tot aftrek. </al><al>Eénmalige keuze per zittingsperiode</al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te
                            opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen
                            hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal
                            per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                            (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant
                            terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor
                            de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                            gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                            periode.</al><al>De vergoedingssystematiek</al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het
                            eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek
                            is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het
                            aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de
                            bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                            terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                            gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur
                            de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                            mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte
                            blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                            wijze van redeneren:</al><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</al><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de
                            wethouder of het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en
                            de voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen
                            derhalve buiten de vergoedingssfeer. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                            worden vergoed</al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten,
                            blijft het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de
                            wethouder of het raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze
                            kunnen, als is voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden
                            vergoed. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                            kunnen worden vergoed </al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste kostenvergoeding
                            verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om
                            welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt
                            dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen
                            alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer als opbrengst te verantwoorden.</al><al><vet>De werkkostenregeling</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de werkkostenregeling van toepassing
                            verklaard in de gemeente Heumen. Deze regeling heeft geen financiële
                            gevolgen voor de politieke ambtsdragers. Het is een fiscaaltechnische
                            exercitie. Onder de werkkostenregeling kunnen (onkosten)vergoedingen
                            netto worden uitgekeerd aan de politieke ambtsdragers. Daarvoor geldt
                            wel de verplichting dat de gemeente die (onkosten)vergoedingen aanwijst
                            als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling. </al><al>De volgende elementen zijn op basis van de betreffende
                            rechtspositiebesluiten o.a. verplicht aangewezen:</al><al>de ambtstoelage of onkostenvergoeding;</al><al>de vergoeding voor het gebruik van de privé-telefoon voor de uitoefening
                            van de functie;</al><al>de vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de
                            uitoefening van het ambt;</al><al>de verstrekking van computer- en communicatieapparatuur en
                            dergelijke;</al><al>de vergoeding voor de internetverbinding.</al><al>Raadsleden die niet hebben gekozen voor de mogelijkheid van opting-in
                            worden door de belastingdienst gezien als zelfstandigen. Zij vallen niet
                            binnen het bereik van de Wet op de loonbelasting 1964 en daardoor ook
                            niet onder de werkkostenregeling. De niet-gebruteerde onkostenvergoeding
                            voor raadsleden met deze status wijzigt dan ook niet onder de
                            werkkostenregeling.</al><al>Voor vergoedingen is het onderscheid tussen ‘fictieve werknemer’ en
                            ‘zelfstandige’ na de overgang naar de werkkostenregeling niet meer van
                            belang.</al><al>Vooruitbetaalde kosten van vergoedingen die zijn aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling gelden als zogenaamd
                            intermediaire kosten en worden onbelast vergoed.</al><al>Controle en verantwoording</al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle
                            andere publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe
                            dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                            vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                            duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze
                            kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                            gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders
                            en over de eventueel verschuldigde belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                            zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van
                            de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                            financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen
                            kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V (de procedure van declaratie) is in verband hiermee, in
                            aanvulling op de in de controleverordening vastgestelde regels, een
                            aantal belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering
                            van functionele uitgaven en declaratie van vooruit betaalde kosten.
                            Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken
                            vastgelegd over het gebruik van computer- en communicatieapparatuur die
                            beschikbaar wordt gesteld voor de uitoefening van de politieke functie.
                            In aanvulling hierop is er een ‘gedragscode bestuurders’ ontwikkeld
                            waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder meer
                            om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen
                            voor bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die
                            gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging
                            van zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende
                            administratieve procedures beschreven over de afwikkeling van
                            declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling van
                            verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie-
                            of meningsverschillen. </al><al/><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                            raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte
                            van de vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in
                            het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                            werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding
                            bepaald op het maximale bedrag. De gemeenteraad kan besluiten naar
                            beneden af te wijken van het door de minister vastgestelde maximum. De
                            afwijking naar beneden kan op drie manieren:</al><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn.</al><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt
                            tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere
                            raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het
                            wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer
                            CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                            besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven
                            dat de raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen
                            maximum of een percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO- of WIA-uitkering ontvangen kunnen sinds 1
                            januari 2006 verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het
                            nadeel van indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden
                            voorkomen. Deze keuzemogelijkheid moet bij verordening worden toegestaan
                            en is opgenomen in artikel 11 van deze verordening. Zie verder de
                            toelichting bij dit artikel.</al><al>Bij Koninklijk Besluit van 16 december 2009 is in het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden een nieuw artikel 8b
                            ingevoegd. Ingevolge dit artikel ontvangen de fractievoorzitters naast
                            de vergoeding voor het raadslidmaatschap voor de duur van hun
                            voorzitterschap een toelage gelijk aan 1,2% van de vergoeding op
                            jaarbasis en een toelage gelijk aan 0,4% voor elk lid dat de fractie
                            buiten de fractievoorzitter telt. De toelagen tezamen bedragen ten
                            hoogste 6,4% van de vergoeding op jaarbasis.</al><al>De burgemeester stelt vast:</al><al>hoeveel leden een fractie telt;</al><al>de duur van het fractievoorzitterschap.</al><al><vet>Artikelen 3 en 14 Vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder
                            c.q. aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is
                            opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten:</al><al>representatie</al><al>vakliteratuur</al><al>contributies, lidmaatschappen</al><al>telefoonkosten</al><al>bureaukosten, porti</al><al>zakelijke giften</al><al>bijdrage aan fractiekosten</al><al>ontvangsten thuis</al><al>excursies.</al><al>Voor de kostensoorten fax/pc en cursussen en congressen zijn vanaf 1
                            januari 2001 specifieke voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8,
                            20, 21, 29 en 30). </al><al>Onder de werkkostenregeling wordt de vaste onkostenvergoeding netto
                            uitgekeerd. </al><al>De niet-gebruteerde onkostenvergoeding voor raadsleden met de status van
                            “zelfstandige” wordt dan ook niet gewijzigd.</al><al>Dat betekent dat voor de vergoedingen het onderscheid tussen “fictieve
                            werknemer” of “zelfstandige” na de overgang naar de werkkostenregeling
                            niet meer van belang is.</al><al>Een raadslid dat gekozen heeft voor “opting-in” krijgt hetzelfde bedrag
                            aan onkostenvergoeding als het raadslid dat “zelfstandige” is. Echter,
                            de eerste hoeft over de vergoeding geen belasting te betalen en de
                            tweede zal moeten blijven aantonen dat hij de onkosten ook daadwerkelijk
                            heeft gemaakt om aanspraak te kunnen blijven maken op het gehele
                            bedrag.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                            bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en
                            raadsleden het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de
                            artikelen 3 en 14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het
                            maximale bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager
                            bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het
                            door de minister vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks
                            per 1 januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor
                            is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening
                            in algemene zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het
                            door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>en 27 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</titel></kop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werk-verkeer’
                            voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de
                            Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor
                            reizen <onderstreept>binnen</onderstreept> het grondgebied van de
                            gemeente. </al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel
                            in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen
                                <onderstreept>buiten</onderstreept> het grondgebied van de gemeente
                            ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de
                            Gemeentewet echter wel een vergoeding worden gegeven voor de reis- en
                            verblijfkosten in verband met reizen <onderstreept>binnen</onderstreept>
                            de gemeente.</al><al>In de artikelen 6 en 27 is voor de vergoedingen aansluiting gezocht bij
                            de ‘Regeling rechtspositie wethouders’.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door
                            deze specifieke regeling voor de wethouders de mogelijkheid meer op dat
                            ambt toegespitste vergoedingen vast te stellen. De vergoedingen zijn in
                            principe dezelfde als die welke in de voor de rijksoverheid geldende
                            ‘Reisregeling binnenland’ en de ‘Reisregeling buitenland’ zijn
                            opgenomen.</al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                            verblijfkosten is niet nader ingevuld. Onder verblijfkosten worden
                            verstaan de kosten in verband met overnachting in een hotel. Daarmee is
                            dit een lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een door de
                            raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting
                            gezocht kan worden bij de rijksregelingen (voor wethouders is het aan
                            het college een uitvoeringsregeling te treffen).</al><al>Gezien het zeer incidentele karakter van hotelverblijf door raads- en
                            commissieleden is er voor gekozen vooralsnog geen uitvoeringsregeling te
                            treffen. In voorkomende gevallen kunnen voor wat betreft het begrip
                            ‘noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten’ vooraf de
                            actuele vergoedingen ingevolge de Reisregelingen binnenland en
                            buitenland als richtlijn worden geraadpleegd.</al><al>Vooruitbetaalde kosten van vergoedingen die zijn aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling gelden als zogenaamd
                            intermediaire kosten en worden onbelast vergoed.</al><al>Voor raadsleden die <onderstreept>niet</onderstreept> hebben geopteerd
                            voor de loonbelasting geldt dat de verstrekte vergoedingen bij de
                            aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord. De
                            reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                            beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van
                            eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het
                            rijkspersoneel geldt. De vergoeding van de reiskosten met het openbaar
                            vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast,
                            ongeacht het gebruikte vervoermiddel.Kilometervergoedingen die
                            hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel belast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7,</nr><titel>20 en 29 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>In de paragraaf ‘de vergoedingensystematiek’ in het algemene deel van
                            deze toelichting is aangegeven dat deze voorziening in de
                            bedrijfsvoering is ondergebracht. De kosten voor cursussen, congressen
                            e.d. komen dus rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn geen
                            onderdeel van de vaste kostenvergoeding van de wethouders c.q. raads- en
                            commissieleden.</al><al>Een onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of
                            vanwege de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en
                            cursussen, congressen e.d. waaraan een wethouder, c.q. het individuele
                            raads- of commissielid in verband met de vervulling van het ambt c.q.
                            raads- of commissielidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. </al><al>Kosten van partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de
                            gemeente worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het
                            algemeen belang van de cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn
                            er aanvullende voorwaarden gesteld aan de aanvraag (inhoudelijke
                            informatie over de cursus of het congres en een kostenspecificatie).
                            Hierbij kan de betreffende fractievoorzitter een rol spelen.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een
                            zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de
                            vergoeding c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld (gerichte
                            vrijstelling onder de werkkostenregeling). Vooruitbetaalde kosten gelden
                            als zogenaamd intermediaire kosten en worden onbelast vergoed. Voor
                            raadsleden die <onderstreept>niet</onderstreept> hebben geopteerd voor
                            de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de
                            waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                            opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de
                            geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                            opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8,</nr><titel>21 en 30 Computer en internetverbinding</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, ambt van wethouder of het
                            lidmaatschap van commissielid wordt op aanvraag een computer met
                            bijbehorende apparatuur en software in bruikleen gegeven. De nadere
                            voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die het raadslid,
                            de wethouder en het commissielid met de gemeente sluit. Het model van
                            die overeenkomst wordt door het college vastgesteld.</al><al>Verder wordt er een vergoeding voor internetverbinding verstrekt aan
                            raadsleden en wethouders. </al><al>De grondslag voor de vergoeding is te vinden in de
                            rechtspositiebesluiten voor wethouders en raads- en commissieleden.</al><al>Technische voorzieningen die privé-gebruik (nagenoeg) onmogelijk maken
                            worden niet getroffen. De vergoeding voor de aanschaf van een computer
                            is aangewezen als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling en
                            daarom onbelast. Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de
                            loonbelasting en voor commissieleden geldt dat de vergoeding bij de
                            aangifte inkomstenbelasting moet worden verantwoord en dat de gemaakte
                            kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                            kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>en 23 Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>De spaarloonregeling en levensloopregeling zijn per 1-1-2012
                            vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>en 23a Fietsregeling</titel></kop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en
                            wethouders kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om
                            een rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                            werknemers. Het is niet toegestaan een ‘werkgeversbijdrage’ te
                            verstrekken.</al><al>Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten
                            hoogste het bedrag dat in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                            loonbelasting 2001 is vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                            aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking
                            dient te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of
                            te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe
                            dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal
                            leiden tot verlaging of intrekking van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke uitkering is
                            bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan
                            verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe leiden dat
                            een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een grote
                            teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling.
                            Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of
                            bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van
                            artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen
                            gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel
                            11 van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid
                            een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te
                            voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van
                            de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment
                            dat iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt,
                            nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het
                            aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit
                            werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke
                            bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij
                            niet relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de
                            WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV voor het
                            raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                            WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er
                            een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te
                            compenseren. Dat is geregeld in artikel 12 van de verordening</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van
                            de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester
                            wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan
                            ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap
                            belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden is in artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een
                            onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid
                            over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de
                            vergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste onkostenvergoeding.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                            bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is
                            opgenomen in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk
                            ontslagen wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke
                            benoeming van de vervanger. Er is steeds sprake van een vaste periode
                            van 16 weken. Door zowel het tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming
                            en de vaste periode van vervanging is het niet nodig dat tussen beiden
                            een afspraak wordt gemaakt over de duur van de vervanging. Het is
                            hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16 weken het
                            raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                            nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt gedaan
                            voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat verzoek, is opnieuw
                            sprake van een periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden
                            opgenomen waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van
                            ingang en beëindiging van de vervanging. De verklaring van een
                            verloskundige dan wel behandeld arts is bepalend voor de aanvang van de
                            vervanging. De benoeming van de vervanger kan later plaatsvinden, maar
                            wijzigt het tijdstip van het einde van het tijdelijk ontslag niet. De
                            feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn dan 16 weken. Na afloop
                            van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of besluit de oude
                            situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                            raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                            rechtspositionele aspecten daarvan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                            openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                            gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto vergoed naar netto
                            € 0,25 per afgelegde kilometer (norm onder de werkkostenregeling). </al><al>De kilometervergoeding isop basis van het desbetreffende
                            rechtspositiebesluit aangewezen als eindheffingsbestanddeel voor de
                            loonbelasting. Daarvan is € 0,19 per afgelegde kilometer gericht
                            vrijgesteld.</al><al><vet>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis wethouders en
                                commissieleden</vet></al><al>De vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de
                            uitoefening van het ambt is op basis van de desbetreffende
                            rechtspositiebesluiten aangewezen als eindheffingsbestanddeel voor de
                            loonbelasting.</al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                            wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                            worden vergoed. Deze vergoeding van vooruitbetaalde kosten geldt onder
                            de werkkostenregeling als zogenaamd intermediaire kosten en worden
                            onbelast vergoed.</al><al>De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit
                            buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode
                            zijn nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete
                            besluitvorming in het college over buitenlandse reizen en over
                            uitnodigingen daartoe op kosten van derden. </al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                            inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het
                            combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of
                            aansluitende) privé-reis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk
                            belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de
                            gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt
                            in alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Hetgeen
                            hierboven is geschreven over buitenlandse dienstreizen van wethouders
                            geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse excursies en reizen van de
                            gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die <onderstreept>niet</onderstreept> hebben geopteerd
                            voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                            de waarde in het economisch verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting
                            als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen
                            de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                            opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><al>De verstrekking van een mobiele telefoon is onder de werkkostenregeling
                            aangewezen als eindheffingsbestanddeel vallend onder de
                            nihilwaarderingen als het zakelijk gebruik meer dan 10% is. </al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten
                            opgenomen. Met het verstrekken van een mobiele telefoon is sprake van
                            overbedeling. De onkostenvergoeding wordt dan ook verlaagd met 9% voor
                            een voltijd wethouder en 12% voor een deeltijdwethouder. </al><al>Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé
                            telefoon voor zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen
                            burgemeesters maandelijks een vergoeding die onder de werkkostenregeling
                            is aangewezen als eindheffingsbestanddeel voor de loonbelasting. De
                            vergoeding bedraagt netto € 12,-. Het is redelijk om, wanneer
                            plaatselijk de component telefoonkosten wordt gekort, deze korting tot
                            een bedrag van € 12,- per maand van de onkostenvergoeding achterwege te
                            laten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten
                            de gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen
                            zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de
                            Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder
                            zijn geworden. In artikel 24 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de
                            gemeente in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en
                            eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van
                            de verhuizing. De vergoedingen zijn aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling. Voor wat betreft de
                            verhuiskostenvergoeding zal bij ministeriële regeling nog aanpassing
                            plaatsvinden van bruto naar netto bedragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke
                            commissies geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en
                            wethouders die in de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al
                            geregeld in de rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening.
                            Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die
                            hoedanigheid in de commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte
                            vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap
                            tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient. De hoogte van
                            het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                            minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks
                            per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                            overheid. </al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de
                            vergoeding te bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De
                            raad kan ook een lager bedrag vaststellen. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                            mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in
                            bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan
                            het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde
                            lid, van de verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele
                            verhoging, maar het is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere
                            gemeenteklasse te kiezen.</al><al><vet>Artikelen 31 t/m 34 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 31 zijn de wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 32
                            en 33 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze
                            aan de orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten
                            worden. </al><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden (artikel 5 en 6);</al><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders (artikel 16);</al><al>buitenlandse dienstreis van wethouders (artikel 19);</al><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten wethouders (artikel 24);</al><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies (artikel
                            27).</al><al>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht
                            in de volgende gevallen:</al><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                            raadsleden, wethouders en commissieleden (artikel 7, 20 en 29);</al><al>zakelijke reiskosten van wethouders (artikel 16);</al><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van wethouders (artikel
                            24);</al><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders
                            (artikel 19).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>