<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR313282_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieverordening Infrastructuur</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Vervoerregio Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalsmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beemster</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Edam-Volendam</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmermeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Purmerend</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uithoorn</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waterland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuws uit het dagelijks bestuur / Regiojournaal</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieverordening Infrastructuur</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeenschappelijke regeling Stadsregio Amsterdam</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet gemeenschappelijke regelingen</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet BDU verkeer en vervoer</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet BTW-Compensatiefonds</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-10-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Het Rijk heeft besloten tot een netteringsoperatie in het kader van de wet BTW-compensatiefonds met een overgangsregeling tot 1-1-2011</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004/10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidie, infrastructuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Subsidieverordening Infrastructuur</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><al>1. Algemene begrippen en bepalingen</al><al>a. de wet: de Wet Infrastructuurfonds;</al><al>b. het besluit: het Besluit Infrastructuurfonds; </al><al>c. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; </al><al>d. doeluitkering: de bijdrage van de minister van Verkeer en
                                Waterstaat aan het ROA in de vorm van een doeluitkering als bedoeld
                                in het besluit ten behoeve van de subsidiëring van
                                infrastructuurprojecten; </al><al>e. de minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat;</al><al>f. MIT: het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport, als
                                integraal onderdeel van van het Infrastructuurfonds van het
                                Ministerie van Verkeer en Waterstaat; </al><al>g. het ROA: het regionaal openbaar lichaam ingesteld in het
                                samenwerkingsgebied waarin Amsterdam is gelegen, zoals bedoeld in de
                                Kaderwet bestuur in verandering, dan wel het openbaar lichaam zoals
                                bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen na inwerkingtreding
                                van de Wijzigingswet Wgr-plus (kamerstukken II, 29532); </al><al>h. de Regioraad: het algemeen bestuur van het ROA;</al><al>i. het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het ROA;</al><al>j. project: een ondeelbaar, dan wel samenhangend geheel van
                                werkzaamheden en maatregelen, met als doel de aanleg van
                                verkeersinfrastructuur; </al><al>k. grote infrastructuur projecten: projecten op het terrein van de
                                verkeersinfrastructuur met projectkosten boven de € 225
                                miljoen;</al><al>l. middelgrote infrastructuur projecten: projecten op het terrein
                                van de verkeersinfrastructuur met projectkosten vanaf € 5 tot € 225
                                miljoen; </al><al>m. kleine infrastructuur projecten: projecten op het terrein van
                                verkeersinfrastructuur met projectkosten van minder dan € 5 miljoen; </al><al>n. studieprojecten: studies op het gebied van
                                verkeersinfrastructuur;</al><al>o. RVVP: het door de regioraad vastgestelde Regionaal Verkeers- en
                                Vervoersplan, zoals bedoeld in de Planwet verkeer en vervoer; </al><al>p. RIP: het Regionaal Infrastructuur Programma.</al><al>2. Overige begrippen en bepalingen</al><al>Met inachtneming van het eerste lid, zijn de algemene begrippen en
                                bepalingen zoals opgenomen in de wet en het besluit en de Awb,
                                onverminderd op deze verordening van toepassing.</al><al>3. Subsidietitel</al><al>Titel 4.2 van de Awb is van overeenkomstige toepassing op deze
                                verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>1.2 Grondslag en werkingssfeer</label><label/></kop><al>1. Onderwerp van subsidiëring</al><al>Voor subsidie komen in aanmerking projecten met betrekking tot
                                investeringen in verkeersinfrastructuur in beheer bij provincies,
                                gemeenten en waterschappen, gelegen binnen het ROA-gebied.</al><al>2. Subsidieaanvragers</al><al>Op grond van deze verordening kan subsidie worden aangevraagd voor
                                een project door:</al><al>a. de provincie Noord-Holland; </al><al>b. een gemeente in het ROA-gebied; </al><al>c. een waterschap in het ROA-gebied; </al><al>d. andere rechtspersonen, voor zover het projecten betreft die op
                                grond van het RVVP voor subsidie in aanmerking komen.</al><al>3. Subsidieverlener</al><al>Het dagelijks bestuur verleent de subsidies op grond van deze
                                verordening. </al><al>4. Projectcategorieën</al><al>Op grond van deze verordening worden vier projectcategorieën
                                onderscheiden:</al><al>a. Kleine infrastructuurprojecten: projecten op het gebied van
                                verkeersinfrastructuur tot € 5 miljoen;</al><al>b. Middelgrote infrastructuurprojecten: projecten op het gebied van
                                verkeersinfrastructuur vanaf € 5 miljoen tot € 225 miljoen;</al><al>c. Grote infrastructuurprojecten: projecten het gebied van
                                verkeersinfrastructuur vanaf € 225 miljoen, waarvoor geldt dat bij
                                de minister een subsidieaanvraag kan worden ingediend;</al><al>d. Studieprojecten: (evaluatie)studies op het gebied van
                                verkeersinfrastructuur.</al><al>5. Uitgangspunten Regionaal Infrastructuur Programma (RIP) </al><al>Bij de vaststelling van het RIP en de verdeling van de
                                projectsubsidies wordt in ieder geval rekening gehouden met:</al><al>a. de mate waarin een project bijdraagt aan het verwezenlijken van
                                de doelstellingen van het vigerende RVVP;</al><al>b. de mate waarin een project past binnen door de regioraad
                                vastgestelde algemene beleidskaders, niet zijnde het terrein van
                                verkeer en vervoer;</al><al>c. het stadium van voorbereiding van een project;</al><al>d. de hoogte van het subsidiebedrag en het voorschotritme zoals
                                gevraagd door de subsidieontvanger;</al><al>e. de mate van samenhang of synergie tussen projecten.</al><al>6. Bewaarplicht</al><al>De subsidieontvanger is verplicht de projectadministratie en de
                                daarbij behorende stukken tot tien jaar na inwerkingtreding van de
                                beschikking tot subsidievaststelling te bewaren.</al><al>7. Meldingsplicht bij wijziging omstandigheden</al><al>De subsidieontvanger doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan
                                het dagelijks bestuur van alle feiten en omstandigheden die van
                                belang kunnen zijn voor de beslissing op de aanvraag dan wel voor
                                een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de
                                subsidie.</al><al>8. Toezicht, informatie- en inzageplicht</al><al>a. Het dagelijks bestuur kan personen aanwijzen die belast zijn met
                                het toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens deze
                                verordening of van de verplichtingen op grond van de Awb. De
                                subsidieaanvrager is verplicht om medewerking te verlenen aan een
                                door of vanwege het dagelijks bestuur te verrichten onderzoek naar
                                de besteding van de subsidie, dan wel volledige inzage te verlenen
                                met betrekking tot de projectadministratie.</al><al>b. De subsidieontvanger is verplicht volledige medewerking te
                                verlenen aan een door of vanwege de accountantsdienst van het
                                Ministerie van Verkeer en Waterstaat te verrichten onderzoek naar de
                                rechtmatigheid van de besteding van de subsidie.</al><al>c. De subsidieontvanger verleent volledige medewerking aan een
                                toezichthouder en accountant zoals bedoeld in respectievelijk het
                                eerste en tweede lid die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de
                                uitoefening van zijn bevoegdheden.</al><al>d. De in onderdeel a. aangewezen personen beschikken over de
                                bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 5:16 tot en met 5:19 van de
                                Awb.</al></artikel><artikel><kop><label>1.3 Subsidies</label><label/></kop><al>1. Subsidieplafond</al><al>De regioraad stelt voor het eerstvolgende begrotingsjaar het
                                subsidieplafond vast voor datzelfde begrotingsjaar ten behoeve van
                                de projectcategorieën als omschreven in artikel 1.2, vierde lid. </al><al>2. Subsidieverdeling</al><al>De regioraad neemt, op grond van het vastgestelde subsidieplafond,
                                als bedoeld in het eerste lid, tegelijk met de in het eerste lid
                                genoemde vaststelling, een subsidieverdeelbesluit over de financiële
                                verdeling over en binnen de verschillende projectcategorieën.</al><al>3. Begrotingsvoorbehoud</al><al>Subsidies worden verleend onder de voorwaarde dat voor het deel van
                                de subsidie dat ten laste van een nog niet vastgestelde begroting
                                komt, voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al><al>4. Sparen </al><al>De regioraad kan gebruik maken van de reserveringsmogelijkheid als
                                bedoeld in artikel 36, zesde lid, van het besluit. </al><al>5. Herbestemming vrijval</al><al>Indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur zekerheid bestaat
                                dat een verleende of vastgestelde subsidie niet of niet volledig
                                benut zal worden, kan het dagelijks bestuur een voordracht aan de
                                regioraad voorleggen ten behoeve van de herbestemming van de aldus
                                vrijgevallen middelen.</al><al>6. Subsidiepercentages</al><al>a. De subsidie, als percentage van de op grond van deze verordening
                                voor subsidie in aanmerking komende projectkosten, bedraagt
                                voor:</al><al>- openbaar vervoerprojecten: 95%;</al><al>- wegprojecten: 50%;</al><al>- fietsprojecten: 50%, en in geval het ontbrekende schakels in het
                                vastgestelde regionale fietsnetwerk betreft: 70%;</al><al>- studieprojecten: 95%.</al><al>b. De regioraad kan, op voordracht van het dagelijks bestuur, voor
                                individuele projecten afwijken van de subsidiepercentages als
                                genoemd onder a.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>SUBSIDIERING GROTE PROJECTEN</titel></kop><artikel><kop><label>2.1 Aanvraag voor de subsidie</label></kop><al>1. Voor subsidie komen uitsluitend in aanmerking grote
                                infrastructuurprojecten welke zijn opgenomen in de
                                planuitwerkingstabel van het Regionaal Infrastructuurprogramma (RIP)
                                en de tabel lokaal/regionaal van het planstudieprogramma van het
                                Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT).</al><al>2. Om in aanmerking te komen voor zowel een subsidie op grond van
                                opname in het MIT als een subsidie op grond van opname in het RIP,
                                wordt voor beide een volledige subsidieaanvraag bij het dagelijks
                                bestuur ingediend.</al><al>3. Overeenkomstig artikel 12, tweede lid, van het besluit kan de
                                subsidieaanvrager een met redenen omkleed schriftelijk verzoek
                                indienen bij het dagelijks bestuur om wegens bijzondere redenen
                                (delen van) het werk reeds aan te vangen voordat een
                                subsidieaanvraag is ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>2.2. Voorwaarden aan de subsidieaanvraag</label></kop><al>1. Bij de subsidieaanvraag worden ten minste de gegevens verstrekt
                                zoals weergegeven in artikel 4 van het besluit, zijnde: </al><al>a. een beschrijving op hoofdkenmerken en het programma van eisen; </al><al>b. tekeningen van het project; </al><al>c. een kostenraming, met een tijdschema van de uitvoering en de
                                daarbij behorende uitgaven van het werk; </al><al>d. een opgave van de kostenelementen, die ten laste van andere
                                kostendragers kunnen worden gebracht; </al><al>e. een raming van de inkomsten uit het project; </al><al>f. een opgave van de stand van zaken met betrekking tot de voor de
                                uitvoering noodzakelijk wettelijke procedures; </al><al>g. een raming van het gebruik, dat van het beoogde project zal
                                worden gemaakt en de verwachte effecten daarvan; </al><al>h. de functie van het project in het openbaar vervoer-netwerk, de
                                exploitatiegevolgen voor het openbaar vervoernetwerk en de
                                financiering van beheer en instandhouding van het project; </al><al>i. andere door het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte
                                gegevens.</al><al>2. Op de subsidieaanvraag op grond van opname in het RIP, als
                                bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, zijn de artikelen 3.2, 3.3 en
                                3.4 van overeenkomstige toepassing.</al><al>3. Indien de minister de aanvraag op grond van opname in het MIT
                                onvolledig beoordeelt en besluit de aanvraag niet te behandelen,
                                besluit het dagelijks bestuur om de aanvraag om subsidie op grond
                                van opname in het RIP niet te behandelen. Het dagelijks bestuur
                                besluit de aanvraag niet te behandelen binnen vier weken nadat de
                                beschikking van de minister in werking is getreden. </al><al>4. Indien de minister de aanvraag om subsidie op grond van opname in
                                het MIT heeft geweigerd, weigert het dagelijks bestuur de aanvraag
                                om subsidie op grond van opname in het RIP. Het dagelijks bestuur
                                weigert de aanvraag binnen vier weken nadat de beschikking van de
                                minister in werking is getreden. </al></artikel><artikel><kop><label>2.3 Subsidiabele projectkosten</label></kop><al>1. Voor de projectkosten die betrekking hebben op de subsidie van de
                                minister is de beschikking tot verlening van de subsidie van de
                                minister van toepassing. </al><al>2. Voor de onderdelen waarvoor gebruik wordt gemaakt van subsidie op
                                grond van opname in het RIP zijn de bepalingen 3.5 en 3.6 van
                                toepassing. </al><al>3. De subsidie wordt verleend voor de werkelijk gemaakte
                                projectkosten danwel in de vorm van een vast subsidiebedrag en met
                                in achtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid,
                                overeenkomstig artikel 3.5.</al></artikel><artikel><kop><label>2.4 Voorwaarden aan de subsidieverlening</label></kop><al>De voorwaarden zoals neergelegd in de subsidiebeschikking die is
                                verleend op grond van opname in MIT zijn onverkort van toepassing op
                                de subsidiebeschikking die is verleend op grond van opname in het
                                RIP. </al></artikel><artikel><kop><label>2.5 Verlening van voorschotten</label></kop><al>Voor de wijze waarop voorschotten kunnen worden aangevraagd en
                                verleend is de door de minister verleende subsidiebeschikking van
                                toepassing. Indien deze beschikking het toelaat, zijn artikel 3.7 en
                                3.8 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>2.6 Intrekken en wijzigen van de subsidie</label></kop><al>Voor het intrekken en wijzigen van de subsidie is hetgeen gesteld in
                                artikel 3.9 van overeenkomstige toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>2.7 Aanvraag tot subsidievaststelling</label></kop><al>Ten aanzien van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie is de
                                door de minister verleende subsidiebeschikking van toepassing.
                                Indien deze beschikking dat toelaat zijn artikel 3.10 en 3.11 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>2.8 Vaststelling van de subsidie</label></kop><al>Ten aanzien van het besluit tot vaststelling van de subsidie is de
                                beschikking van de minister van toepassing. Indien de beschikking
                                het toelaat is artikel 3.12 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>2.9 Betaling van de subsidie</label></kop><al>1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling
                                betaald, onder verrekening van eventueel betaalde voorschotten. </al><al>2. Het subsidiebedrag wordt binnen zes weken na de
                                subsidievaststelling betaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3.</nr><titel>SUBSIDIËRING MIDDELGROTE PROJECTEN</titel></kop><artikel><kop><label>3.1 Aanvraag voor subsidie</label></kop><al>1. Voor subsidie komen in aanmerking middelgrote projecten die zijn
                                opgenomen in de planuitwerkingstabel behorende bij het RIP.</al><al>2. Binnen 24 maanden na bekendmaking van het besluit tot opname in
                                de planuitwerkingstabel, wordt de aanvraag om subsidie ingediend bij
                                het dagelijks bestuur. </al><al>3. De aanvraag gaat vergezeld van een aanvraag tot opname in de
                                realisatietabel behorende bij het RIP. </al><al>4. Een subsidieaanvrager kan voor afloop van de termijn uit het
                                tweede lid gemotiveerd verzoeken om uitstel van de indiening van de
                                aanvraag. </al></artikel><artikel><kop><label>3.2 Voorwaarden aan de subsidieaanvraag</label></kop><al>1. De subsidieaanvraag bevat ten minste:</al><al>- een beschrijving van het project en het programma van eisen; </al><al>- een beschrijving van het effect van de investering met het oog op
                                de realisering van de doelstellingen van het RVVP, waarbij tevens
                                het nut en de noodzaak van het project wordt aangegeven;</al><al>- het door de subsidieaanvrager vastgestelde definitief ontwerp van
                                het project inclusief bijbehorende tekeningen; </al><al>- de start- en einddatum van het project, alsmede een tijdschema van
                                de (fasering van de) uitvoering en de daarbij behorende uitgaven van
                                het werk;</al><al>- een opgave van de stand van zaken met betrekking tot de voor de
                                uitvoering noodzakelijke procedures en een planning van de afronding
                                van de noodzakelijke procedures; </al><al>- een risicoanalyse in tijd en geld ten aanzien van wet- en
                                regelgeving en technische aspecten;</al><al>- andere, door het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte
                                gegevens.</al><al>2. De subsidieaanvraag wordt vergezeld van een financieringsplan,
                                waarin in elk geval is opgenomen:</al><al>- een raming van de kosten van het project op het prijspeil van het
                                jaar van aanvraag, onderscheiden naar de kostensoorten zoals in het
                                voorgeschreven model is bedoeld.</al><al>- een kostenpost onvoorzien tot maximaal 10% van de subsidiabele
                                projectkosten;</al><al>- een opgave van de kostenelementen die ten laste van andere
                                kostendragers kunnen worden gebracht;</al><al>- een opgave van de bijdragen uit andere subsidieregelingen;</al><al>- een overzicht van de inkomsten of opbrengsten van het
                                project;</al><al>- een overzicht waaruit de reservering van de eigen bijdrage
                                blijkt;</al><al>de kostenraming is gebaseerd op het prijspeil ten tijde van de
                                aanvraag.</al><al>3. De aanvrager maakt voor het verstrekken van gegevens gebruik van
                                het door het dagelijks bestuur vastgestelde formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>3.3 Onvolledige subsidieaanvraag</label></kop><al>1. Een aanvraag is onvolledig indien deze niet alle gegevens genoemd
                                in artikel 3.2 bevat.</al><al>2. Indien een onvolledige aanvraag is ingediend wordt de aanvrager
                                schriftelijk in de gelegenheid gesteld deze aan te vullen binnen een
                                nader te bepalen termijn, te rekenen vanaf de dagtekening van het
                                verzoek.</al><al>3. Het dagelijks bestuur besluit een aanvraag niet in behandeling te
                                nemen indien de in het tweede lid genoemde termijn is verstreken
                                zonder dat de gevraagde aanvullingen zijn ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>3.4 Beoordeling van de subsidieaanvraag</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur beslist op de subsidieaanvraag zoals
                                bedoeld in artikel 3.2 binnen zes maanden na ontvangst. </al><al>2. Indien het dagelijks bestuur niet binnen de genoemde termijn kan
                                beslissen, kan deze termijn één keer met ten hoogste zes maanden
                                worden verlengd. Het dagelijks bestuur doet hiervan terstond
                                schriftelijk mededeling aan de aanvrager. </al><al>3. Een aanvraag om subsidie kan, overeenkomstig artikel 4:35 Awb, in
                                ieder geval worden geweigerd indien een gegronde vrees bestaat om
                                aan te nemen dat: </al><al>a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; </al><al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen; </al><al>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn. </al><al>4. De subsidieverlening kan voorts, overeenkomstig artikel 4:35 Awb,
                                in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:</al><al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een
                                onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of </al><al>b. failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is
                                verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een
                                verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. </al><al>5. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd
                                indien: </al><al>a. ten tijde van de aanvraag het project in gebruik is genomen; </al><al>b. het project niet (meer) bijdraagt aan de vastgestelde regionale
                                doelstellingen. </al><al>6. Indien ten tijde van de subsidieaanvraag de uitvoering van een
                                project is begonnen, is dit voor eigen rekening en risico van de
                                subsidieaanvrager. Bij de subsidieaanvraag wordt aangegeven welke
                                redenen hieraan ten grondslag liggen.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5 Subsidiabele kosten</label></kop><al>1. De subsidie wordt verleend voor de werkelijk gemaakte
                                projectkosten, dan wel, uitsluitend voor wat betreft de kosten voor
                                voorbereiding, administratie en toezicht, deels in de vorm van een
                                vast subsidiebedrag en met in achtneming van eisen van soberheid en
                                doelmatigheid. </al><al>2. Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kostensoorten in
                                aanmerking:</al><al>a. materialen en werkzaamheden ten behoeve van aanleg, bouw,
                                wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;</al><al>b. bijkomende voorzieningen die nodig zijn om de betrokken
                                infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten
                                vervullen;</al><al>c. met het project samenhangende door het dagelijks bestuur redelijk
                                geachte nadeelcompensatie aan derden;</al><al>d. voorlichting over de realisatie van het project;</al><al>e. de krachtens de Wet op de Omzetbelasting 1968 verschuldigde
                                omzetbelasting, voor zover die niet in aftrek kan worden gebracht en
                                voorzover deze omzetbelasting leidt tot uitname uit het
                                provincie-/gemeentefonds volgens de regels van de wet op het
                                BTW-compensatiefonds.</al><al>f. leges en vergunningen, voorzover verstrekt door derden;</al><al>g. de verwerving van onroerend goed, met uitzondering van onroerend
                                goed dat reeds in eigendom is van de opdrachtgever dan wel een
                                andere overheidsinstantie, en waarbij geen sprake is van onttrekking
                                aan een winstgevende bestemming; </al><al>h. de kosten in verband met de voorbereiding, administratie en
                                toezicht (“VAT-kosten”) tot een bedrag van maximaal 16% van de in de
                                beschikking tot verlening van de subsidie vermelde bedragen voor de
                                onder a, b, en c genoemde kostensoorten, exclusief VAT-kosten en
                                exclusief niet-verrekenbare BTW;</al><al>i. het verleggen van kabels en leidingen, exclusief VAT-kosten en
                                uitsluitend voorzover de eigenaar van de kabels of leidingen
                                krachtens een onherroepelijke uitspraak niet gehouden is om de
                                verlegging te voldoen. Bij gelijktijdige vervanging van te verleggen
                                kabels en leidingen wordt 50% van de vervangingskosten in mindering
                                gebracht;</al><al>j. groenvoorzieningen tot een maximum van 2% van de subsidiabele
                                projectkosten;</al><al>k. mitigerende voorzieningen voortvloeiende uit het project
                                voorzover die naar het oordeel van het dagelijks bestuur voor
                                subsidie in aanmerking komen;</al><al>l. verhoging van loon- en prijspeil, voorzover verleend door de
                                minister op grond van artikel 33 van het besluit.</al><al>3. In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur besluiten
                                projectkosten die niet vermeld zijn in artikel 3.5, tweede lid, naar
                                redelijkheid te vergoeden, dan wel af te wijken van het gestelde in
                                artikel 3.5, tweede lid.</al><al>4. In afwijking van artikel 3.5, eerste en tweede lid, kan het
                                dagelijks bestuur besluiten voor individuele infrastructurele
                                maatregelen normbedragen te hanteren als uitgangspunt voor het
                                bepalen van de subsidiabele projectkosten.</al><al>5. Niet voor subsidie in aanmerking komen in ieder geval de volgende
                                kostensoorten:</al><al>a. kosten ten behoeve van instandhouding, beheer en onderhoud van
                                infrastructuur; </al><al>b. de kosten welke redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan
                                achterstallig onderhoud;</al><al>c. de kosten van bouwrente;</al><al>d. stelposten die niet nader zijn omschreven; </al><al>e. kosten van algemene bestuurlijke aard.</al><al>6. Bij de bepaling van de subsidiabele kosten worden in elk geval in
                                mindering gebracht:</al><al>a. kosten die naar het oordeel van het dagelijks bestuur ten laste
                                van andere kostendragers kunnen worden gebracht;</al><al>b. inkomsten en/of opbrengsten uit het project.</al></artikel><artikel><kop><label>3.6 Voorwaarden aan de subsidieverlening</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur verbindt aan de subsidieverlening in elk
                                geval de volgende voorwaarden:</al><al>a. met de uitvoering van het project wordt binnen de termijn zoals
                                opgenomen in de subsidiebeschikking gestart. Deze termijn zal
                                maximaal twaalf maanden na dagtekening van de beschikking bedragen.
                                Indien het project niet binnen de gestelde termijn gestart kan
                                worden, dient de subsidie-ontvanger voor afloop van de gestelde
                                termijn een met redenen omkleed verzoek tot uitstel in bij het
                                dagelijks bestuur; </al><al>b. de subsidieontvanger handelt in overeenstemming met de geldende
                                Europese aanbestedingsrichtlijnen en nationale wet- en regelgeving
                                met betrekking tot het plaatsen en verlenen van opdrachten;</al><al>c. wijzigingen in het functioneel programma van eisen en elementaire
                                wijzigingen in het technische programma van eisen, of in andere
                                gegevens of bescheiden, welke bij subsidieaanvraag zijn ingediend,
                                dienen aan het dagelijks bestuur ter goedkeuring te worden
                                voorgelegd, voorzover die wijzigingen van invloed zijn op de
                                effectiviteit, de kwaliteit of de fasering van het project;</al><al>d. de continuïteit van het gebruik van de betrokken infrastructuur,
                                voor het specifieke doel waarvoor de subsidie wordt verleend, is in
                                voldoende mate gewaarborgd;</al><al>e. de eindverantwoording vergezeld van een goedkeurende
                                accountantsverklaring wordt binnen twaalf maanden na publieke
                                ingebruikname van het project bij het dagelijks bestuur
                                ingediend;</al><al>f. vanaf de start van de uitvoering van het project wordt op de
                                locatie van het project een bouwbord geplaatst, met vermelding van
                                ´subsidieverlener Regionaal Orgaan Amsterdam’.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan, indien in de beschikking tot
                                subsidieverlening een subsidiebedrag inclusief BTW wordt verleend,
                                als voorwaarde in de te verlenen beschikking opnemen dat de
                                subsidieaanvrager op het moment van de subsidieaanvraag een verzoek
                                om verrekening of terugvordering van de verschuldigde BTW bij de
                                belastinginspecteur indient.</al><al>3. In de te verlenen beschikking wordt in elk geval opgenomen:</al><al>a. de activiteiten, de aard, de omvang en het specifieke doel van
                                het project waarvoor subsidie wordt verleend;</al><al>b. de voor subsidie in aanmerking komende kosten;</al><al>c. het maximum subsidiebedrag;</al><al>d. het voorschotritme, zoals bedoeld in artikel 3.7, eerste lid; </al><al>e. de verplichtingen, waaronder de subsidie wordt verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>3.7 Verlening van voorschotten</label></kop><al>1. Overeenkomstig artikel 4:54 Awb kan het dagelijks bestuur de
                                subsidieontvanger voorschotten verlenen. De beschikking tot
                                voorschotverlening vermeldt het bedrag van het voorschot, dan wel de
                                wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al><al>2. Onder inhouding van maximaal 10% van het in de beschikking tot
                                subsidieverlening vermelde bedrag, kunnen voorschotten op de
                                definitieve vaststelling van de subsidie worden betaald.</al><al>3. Voor projecten waarvoor een uitvoeringstermijn van twaalf maanden
                                of meer geldt, worden voorschotten op verzoek van de
                                subsidieaanvrager verleend en in beginsel per kwartaal betaald. De
                                voorschotverlening vindt plaats op basis van in te dienen
                                declaraties die zijn afgestemd op de werkelijke voortgang van het
                                werk en die zijn onderbouwd door voortgangsrapportages;</al><al>4. Voor projecten waarvoor de uitvoeringstermijn minder dan twaalf
                                maanden is, worden voorschotten op verzoek van de subsidieaanvrager
                                verleend aan de hand van vooraf benoemde mijlpalen van het project
                                en op basis van overgelegde aannemelijke kosten in de vorm van
                                aangegane feitelijk aantoonbare prestatieverplichtingen.</al><al>5. Het dagelijks bestuur kan bij de eerste beschikking tot
                                voorschotverlening bepalen dat het overgaat tot bevoorschotting van
                                50% van de bij de verlening van de subsidie forfaitair bepaalde
                                bijdrage in de VAT-kosten als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid,
                                onder h. </al><al>6. Indien het in te houden subsidiedeel als bedoeld in het tweede
                                lid meer dan € 5 miljoen bedraagt, worden voorschotten verleend tot
                                een resterend subsidiebedrag van € 5 miljoen.</al><al>7. Het dagelijks bestuur kan, naar aanleiding van een gemotiveerde
                                aanvraag van de subsidieaanvrager, besluiten een voorschotregeling
                                te hanteren welke afwijkt van het gestelde in dit artikel. </al><al>8. De betaling van de voorschotten geschiedt overeenkomstig de
                                beschikking tot voorschotverlening. Uitsluitend voor zover de
                                begroting zulks toelaat kan het dagelijks bestuur op verzoek
                                besluiten het in de beschikking opgenomen voorschotritme aan te
                                passen.</al><al>9. Het dagelijks bestuur geeft een beschikking tot
                                voorschotverlening binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.
                                Betaling van het voorschot vindt plaats binnen vier weken nadat de
                                beschikking tot voorschotverlening in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><label>3.8 Opschorting voorschotverlening</label></kop><al>Overeenkomstig artikel 4:56 Awb wordt de verplichting tot betaling
                                van een subsidiebedrag of een voorschot opgeschort met ingang van de
                                dag waarop het dagelijks bestuur aan de subsidieontvanger
                                schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                                bestaat om over te gaan tot intrekking of wijziging van de subsidie,
                                tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of
                                wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving
                                van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al></artikel><artikel><kop><label>3.9 Intrekken en wijzigen van de subsidie</label></kop><al>1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het dagelijks bestuur,
                                overeenkomstig artikel 4:48 Awb, de subsidieverlening intrekken of
                                ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien:</al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; </al><al>b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen; </al><al>c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid; </al><al>d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten; of </al><al>e. met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, Awb, een beroep
                                wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking
                                worden gesteld. </al><al>2. Het dagelijks bestuur kan, overeenkomstig artikel 4:49 Awb de
                                subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
                                wijzigen:</al><al>a. Op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de
                                subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op
                                grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de
                                subsidieverlening zou zijn vastgesteld; </al><al>b. Indien de subsidievaststelling onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of </al><al>c. Indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft
                                voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen. </al><al>3. Het dagelijks bestuur kan de subsidieverlening alsmede de
                                subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
                                wijzingen indien het doel waarvoor de subsidie is verleend naar het
                                oordeel van het dagelijks bestuur is vervallen. </al><al>4. De intrekking of wijziging zoals bedoeld in het eerste, tweede of
                                derde lid werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is
                                vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                                bepaald. In geval van intrekking of wijziging kan het dagelijks
                                bestuur verleende voorschotten en betaalde subsidiebedragen geheel
                                of gedeeltelijk terugvorderen.</al><al>5. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten
                                nadele van de ontvanger worden gewijzigd, als bedoeld in het tweede
                                of derde lid, indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop
                                zij is bekendgemaakt, dan wel, in het geval bedoeld in het eerste
                                lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de behandeling in strijd met
                                de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had
                                moeten zijn voldaan. </al><al>6. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het dagelijks bestuur
                                de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn
                                intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:</al><al>a. voor zover de subsidieverlening onjuist is; </al><al>b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich
                                in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting
                                van de subsidie verzetten. </al></artikel><artikel><kop><label>3.10 Aanvraag tot subsidievaststelling</label></kop><al>1. Binnen twaalf maanden na de publieke ingebruikname van het
                                project, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot het vaststellen
                                van de subsidie in bij het dagelijks bestuur. De aanvraag is in
                                overeenstemming met het door het dagelijks bestuur voorgeschreven
                                vigerende protocol van rekening en verantwoording. </al><al>2. Bij de aanvraag tot het vaststellen van de subsidie dienen in
                                ieder geval de volgende gegevens te worden verstrekt: </al><al>a. een aanvraag tot subsidievaststelling inclusief financiële
                                verantwoording vergezeld van een originele accountantsverklaring
                                betreffende de kosten en de baten van het project;</al><al>b. een inhoudelijke verantwoording van het project in de vorm van
                                een eindrapportage.</al><al>3. Het dagelijks bestuur kan met betrekking tot de te verstrekken
                                gegevens aanwijzingen geven en formulieren voorschrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>3.11 Onvolledige aanvraag tot subsidievaststelling</label></kop><al>1. Een aanvraag is onvolledig indien deze niet alle gevraagde
                                gegevens genoemd in artikel 3.10 bevat.</al><al>2. Indien een onvolledige aanvraag is ingediend wordt de aanvrager
                                schriftelijk in de gelegenheid gesteld deze aan te vullen binnen een
                                nader te bepalen termijn, te rekenen vanaf de dagtekening van het
                                verzoek.</al><al>3. Het dagelijks bestuur besluit een aanvraag niet in behandeling te
                                nemen indien de in het tweede lid genoemde termijn is verstreken
                                zonder dat de gevraagde aanvullingen zijn ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>3.12 Vaststelling van de subsidie</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur stelt de subsidie bij beschikking vast
                                binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.</al><al>2. Indien op de aanvraag niet binnen de in het eerste lid genoemde
                                termijn kan worden beslist dan kan de termijn éénmaal met zes
                                maanden worden verlengd; </al><al>3. 50% van de VAT-kosten als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid,
                                onder h, wordt vastgesteld op basis van het in de beschikking tot
                                verlening van de subsidie vermelde bedrag. Over dit deel van de VAT
                                vindt geen nacalculatie plaats. Het resterende deel van de
                                VAT-kosten als bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, onder h, wordt
                                vastgesteld op basis van de voor subsidie in aanmerking komende,
                                werkelijke gemaakte kosten.</al><al>4. Indien de werkelijk gemaakte subsidiabele projectkosten minder
                                bedragen dan de raming waarop de subsidieverlening is gebaseerd,
                                wordt de subsidie naar evenredigheid op een lager bedrag
                                vastgesteld. </al><al>5. Indien het bedrag van de vastgestelde subsidie lager is dan het
                                totaal van de verleende voorschotten, kan het dagelijks bestuur het
                                te veel uitgekeerde subsidiebedrag terugvorderen. </al><al>6. De subsidie kan, overeenkomstig artikel 4:46, tweede en derde
                                lid, Awb, lager worden vastgesteld indien:</al><al>a. De activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden; </al><al>b. De subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen; </al><al>c. De subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid, of </al><al>d. De subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. </al><al>7. De subsidie kan, naast de gevallen zoals vermeld in het vierde en
                                zesde lid, tevens lager worden vastgesteld, indien:</al><al>a. is gebleken dat de subsidie voor andere activiteiten of
                                voorzieningen is aangewend dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel
                                verleend;</al><al>b. het financiële beleid van de subsidieontvanger niet in orde
                                blijkt. </al><al>8. Indien de aanvraag als bedoeld in artikel 3.10 niet binnen de
                                gestelde termijn is ontvangen, dan kan het dagelijks bestuur de
                                subsidie ambtshalve vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>3.13 Betaling van de subsidie</label></kop><al>1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling
                                betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. </al><al>2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de
                                subsidievaststelling betaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>SUBSIDIERING KLEINE PROJECTEN</titel></kop><artikel><kop><label>4.1 Aanvraag voor de subsidie </label></kop><al>1. Voor subsidie komen alleen in aanmerking kleine projecten die in
                                de planuitwerkingstabel van het RIP zijn opgenomen.</al><al>2. Binnen achttien maanden na bekendmaking van het besluit tot
                                opname in de planuitwerkingstabel, wordt de aanvraag om subsidie
                                ingediend bij het dagelijks bestuur. </al><al>3. De aanvraag gaat vergezeld van een verzoek tot opname in de
                                realisatietabel van het RIP.</al><al>4. Een subsidieaanvrager kan voor afloop van de termijn uit het
                                tweede lid gemotiveerd verzoeken om uitstel van indiening van de
                                aanvraag. </al></artikel><artikel><kop><label>4.2 Voorwaarden aan de subsidieaanvraag </label></kop><al>1. De subsidieaanvraag bevat ten minste: </al><al>- een beschrijving van het project en het programma van eisen; </al><al>- een beschrijving van het effect van de investering met het oog op
                                de realisering van de doelstellingen van het RVVP, waarbij tevens
                                het nut en de noodzaak van het project wordt aangegeven;</al><al>- het door de subsidieaanvrager vastgestelde definitief ontwerp van
                                het project inclusief bijbehorende tekeningen; </al><al>- de start- en einddatum van het project, alsmede een tijdschema van
                                de (fasering van de) uitvoering en de daarbij behorende uitgaven van
                                het werk;</al><al>- een opgave van de stand van zaken met betrekking tot de voor de
                                uitvoering noodzakelijke procedures en een planning van de afronding
                                van de noodzakelijke procedures; </al><al>- een risicoanalyse in tijd en geld ten aanzien van wet- en
                                regelgeving en technische aspecten;</al><al>- andere door het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte
                                gegevens.</al><al>2. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een financieringsplan,
                                waarin in elk geval opgenomen:</al><al>- een raming van de kosten van het project op het prijspeil van het
                                jaar van - aanvraag, onderscheiden naar de kostensoorten zoals in
                                het voorgeschreven model is bedoeld;</al><al>- een kostenpost onvoorzien tot maximaal 10% van de subsidiabele
                                projectkosten;</al><al>- een opgave van de kostenelementen die ten laste van andere
                                kostendragers kunnen worden gebracht;</al><al>- een opgave van de bijdragen uit andere subsidieregelingen;</al><al>- een overzicht van de inkomsten of opbrengsten van het
                                project;</al><al>- een overzicht waaruit de reservering van de eigen bijdrage
                                blijkt;</al><al>- de kostenraming is gebaseerd op het prijspeil ten tijde van de
                                geplande realisatieperiode.</al><al>3. De aanvrager maakt voor het verstrekken van gegevens gebruik van
                                het door het dagelijks bestuur vastgestelde formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>4.3 Onvolledige subsidieaanvraag</label></kop><al>1. Een aanvraag is onvolledig indien deze niet alle gevraagde
                                gegevens genoemd in artikel 4.2 bevat.</al><al>2. Indien een onvolledige aanvraag is ingediend wordt de aanvrager
                                schriftelijk in de gelegenheid gesteld deze aan te vullen binnen een
                                nader te bepalen termijn, te rekenen vanaf de dagtekening van het
                                verzoek.</al><al>3. Het dagelijks bestuur besluit een aanvraag niet in behandeling te
                                nemen indien de in het tweede lid genoemde termijn is verstreken
                                zonder dat de gevraagde aanvullingen zijn ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>4.4 Beoordeling van de subsidieaanvraag</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur beslist op subsidieaanvraag zoals bedoeld
                                in artikel 4.2 binnen drie maanden na ontvangst. </al><al>2. Indien het dagelijks bestuur niet binnen de genoemde termijn kan
                                beslissen, kan het dagelijks bestuur deze termijn één keer met ten
                                hoogste drie maanden verlengen. Het dagelijks bestuur doet hiervan
                                terstond schriftelijke mededeling aan de aanvrager. </al><al>3. Een aanvraag om subsidie kan, overeenkomstig artikel 4:35 Awb, in
                                ieder geval worden geweigerd indien een gegronde vrees bestaat om
                                aan te nemen dat: </al><al>a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; </al><al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen; </al><al>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn. </al><al>4. De subsidieverlening kan voorts, overeenkomstig artikel 4:35 Awb,
                                in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:</al><al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een
                                onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of </al><al>b. failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is
                                verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een
                                verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. </al><al>5. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd
                                indien: </al><al>a. ten tijde van de aanvraag het project in gebruik is genomen; </al><al>b. het project niet (meer) bijdraagt aan de vastgestelde regionale
                                doelstellingen. </al><al>6. Indien ten tijde van de subsidieaanvraag de uitvoering van een
                                project is begonnen, is dit voor eigen rekening en risico van de
                                subsidieaanvrager. Bij de subsidieaanvraag wordt aangegeven welke
                                redenen hieraan ten grondslag liggen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>4.5 Subsidiabele kosten</label></kop><al>1. De subsidie wordt verleend voor de werkelijk gemaakte
                                projectkosten, dan wel, uitsluitend voor wat betreft de kosten voor
                                voorbereiding, administratie en toezicht, deels in de vorm van een
                                vast subsidiebedrag en met in achtneming van eisen van soberheid en
                                doelmatigheid. </al><al>2. Voor subsidie komen uitsluitend de volgende kostensoorten in
                                aanmerking:</al><al>a. materialen en werkzaamheden ten behoeve van aanleg, bouw,
                                wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur;</al><al>b. bijkomende voorzieningen die nodig zijn om de betrokken
                                infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten
                                vervullen;</al><al>c. met het project samenhangende door het dagelijks bestuur redelijk
                                geachte nadeelcompensatie aan derden;</al><al>d. voorlichting over de realisatie van het project;</al><al>e. de krachtens de Wet op de Omzetbelasting 1968 verschuldigde
                                omzetbelasting, voor zover die niet in aftrek kan worden gebracht en
                                voorzover deze omzetbelasting leidt tot uitname uit het
                                provincie-/gemeentefonds volgens de regels van de wet op het
                                BTW-compensatiefonds.</al><al>f. leges en vergunningen, voorzover verstrekt door derden;</al><al>g. de verwerving van onroerend goed, met uitzondering van onroerend
                                goed dat reeds in eigendom is van de opdrachtgever dan wel een
                                andere overheidsinstantie, en waarbij geen sprake is van onttrekking
                                aan een winstgevende bestemming;</al><al>h. de kosten in verband met de voorbereiding, administratie en
                                toezicht (“VAT-kosten”) tot een bedrag van maximaal 16% van de in de
                                beschikking tot verlening van de subsidie vermelde bedragen voor de
                                onder a, b, en c genoemde kostensoorten, exclusief VAT-kosten en
                                exclusief niet-verrekenbare BTW;</al><al>i. het verleggen van kabels en leidingen, exclusief VAT-kosten en
                                uitsluitend voorzover de eigenaar van de kabels of leidingen
                                krachtens een onherroepelijke uitspraak niet gehouden is om de
                                verlegging te voldoen. Bij gelijktijdige vervanging van te verleggen
                                kabels en leidingen wordt 50% van de vervangingskosten in mindering
                                gebracht;</al><al>j. groenvoorzieningen tot een maximum van 2% van de subsidiabele
                                projectkosten;</al><al>k. mitigerende voorzieningen voortvloeiende uit het project
                                voorzover die naar het oordeel van het dagelijks bestuur voor
                                subsidie in aanmerking komen;</al><al>3. In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur afwijken van het
                                bepaalde in het tweede lid.</al><al>4. In afwijking van artikel 4.5, eerste en tweede lid, kan het
                                dagelijks bestuur besluiten voor individuele infrastructurele
                                maatregelen normbedragen te hanteren als uitgangspunt voor het
                                bepalen van de subsidiabele projectkosten.</al><al>5. Niet voor subsidie in aanmerking komen in ieder geval de volgende
                                kostensoorten:</al><al>a. kosten ten behoeve van instandhouding, beheer en onderhoud van
                                infrastructuur; </al><al>b. de kosten welke redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan
                                achterstallig onderhoud;</al><al>c. de kosten van bouwrente;</al><al>d. stelposten die niet nader zijn omschreven; </al><al>e. kosten van algemene bestuurlijke aard.</al><al>6. Bij de bepaling van de subsidiabele kosten worden in elk geval in
                                mindering gebracht:</al><al>a. kosten die naar het oordeel van het dagelijks bestuur ten laste
                                van andere kostendragers kunnen worden gebracht;</al><al>b. inkomsten en/of opbrengsten uit het project.</al></artikel><artikel><kop><label>4.6 Voorwaarden aan de subsidieverlening</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur verbindt aan de subsidieverlening in ieder
                                geval de volgende voorwaarden:</al><al>a. met de uitvoering van het project wordt binnen de termijn zoals
                                opgenomen in de subsidiebeschikking gestart. Deze termijn zal
                                maximaal zes maanden na dagtekening van de beschikking bedragen.
                                Indien het project niet binnen de de gestelde termijn gestart kan
                                worden, dient de subsidieontvanger voor afloop van de termijn een
                                met reden omkleed verzoek tot uitstel in bij het dagelijks
                                bestuur.</al><al>b. de subsidieontvanger handelt in overeenstemming met haar eigen
                                richtlijnen en beleidsregels inzake het plaatsen en verlenen van
                                opdrachten;</al><al>c. wijzigingen in het functioneel programma van eisen en elementaire
                                wijzigingen in het technische programma van eisen, of in andere
                                gegevens of bescheiden, welke bij subsidieaanvraag zijn ingediend,
                                dienen aan het dagelijks bestuur ter goedkeuring te worden
                                voorgelegd, voorzover die wijzigingen van invloed zijn op de
                                effectiviteit, de kwaliteit of de fasering van het project;</al><al>d. de continuïteit van het gebruik van de infrastructurele
                                voorziening, voor het specifieke doel waarvoor de subsidie wordt
                                verleend, is in voldoende mate gewaarborgd;</al><al>e. de subsidieontvanger dient binnen een maand na aanvang van de
                                uitvoering van het project een kopie van de opdrachtverlening tot
                                feitelijke uitvoering voor het project in bij het dagelijks
                                bestuur;</al><al>f. de subsidieontvanger dient binnen een maand na oplevering van het
                                project de verklaring van ingebruikname in;</al><al>g. de eindverantwoording vergezeld van een goedkeurende
                                accountantsverklaring wordt binnen zes maanden na publieke
                                ingebruikname van het project bij het dagelijks bestuur
                                ingediend;</al><al>h. indien op de locatie van het project een bouwbord wordt
                                geplaatst, wordt daarop ´subsidieverlener Regionaal Orgaan
                                Amsterdam´ vermeld.</al><al>2. Het dagelijks bestuur kan, indien in de beschikking tot
                                subsidieverlening een subsidiebedrag inclusief BTW wordt verleend,
                                als voorwaarde in de te verlenen beschikking opnemen dat de
                                subsidieaanvrager op het moment van de subsidieaanvraag een verzoek
                                om verrekening of terugvordering van de verschuldigde BTW bij de
                                belastinginspecteur indient.</al><al>3. In de te verlenen beschikking wordt in elk geval opgenomen:</al><al>a. de activiteiten, de aard, de omvang en het specifieke doel van
                                het project waarvoor subsidie wordt verleend;</al><al>b. de voor subsidie in aanmerking komende kosten;</al><al>c. het maximum subsidiebedrag;</al><al>d. de verplichtingen waaronder de subsidie wordt verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>4.7 Verlening van een voorschot</label></kop><al>1. Overeenkomstig artikel 4:54 Awb kan het dagelijks bestuur de
                                subsidieontvanger een voorschot verlenen. De beschikking tot
                                voorschotverlening vermeldt het bedrag van het voorschot, dan wel de
                                wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al><al>2. Op aanvraag kan het dagelijks bestuur in de beschikking tot
                                voorschotverlening bepalen dat op het moment van de start van de
                                uitvoering of de oplevering van het project een voorschot van
                                maximaal 50% van de bij de beschikking verleende subsidie wordt
                                ingediend.</al><al>3. Het dagelijks bestuur kan bij de eerste beschikking tot
                                voorschotverlening bepalen dat het overgaat tot bevoorschotting van
                                50% van de bij de verlening van de subsidie forfaitair bepaalde
                                bijdrage in de VAT-kosten als bedoeld in artikel 4.5, tweede lid,
                                onder h. </al><al>4. Het dagelijks bestuur geeft een beschikking tot
                                voorschotverlening binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.
                                Betaling van het voorschot vindt plaats binnen vier weken nadat de
                                beschikking tot voorschotverlening in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8 Opschorting voorschotverlening</label></kop><al>Overeenkomstig artikel 4:56 Awb wordt de verplichting tot betaling
                                van een subsidiebedrag of een voorschot opgeschort met ingang van de
                                dag waarop het dagelijks bestuur aan de subsidieontvanger
                                schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                                bestaat om over te gaan tot intrekking of wijziging van de subsidie,
                                tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of
                                wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving
                                van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al></artikel><artikel><kop><label>4.9 Intrekken en wijzigen van de subsidie</label></kop><al>1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het dagelijks bestuur,
                                overeenkomstig artikel 4:48 Awb, de subsidieverlening intrekken of
                                ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien:</al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; </al><al>b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen; </al><al>c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid; </al><al>d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten; of </al><al>e. met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, Awb, een beroep
                                wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking
                                worden gesteld. </al><al>2. Het dagelijks bestuur kan, overeenkomstig artikel 4:49 Awb de
                                subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
                                wijzigen:</al><al>a. Op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de
                                subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op
                                grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de
                                subsidieverlening zou zijn vastgesteld; </al><al>b. Indien de subsidievaststelling onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of </al><al>c. Indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft
                                voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen. </al><al>3. Het dagelijks bestuur kan de subsidieverlening alsmede de
                                subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
                                wijzigen indien het doel waarvoor de subsidie is verleend naar het
                                oordeel van het dagelijks bestuur is vervallen. </al><al>4. De intrekking of wijziging zoals bedoeld in het eerste, tweede of
                                derde lid werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is
                                vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                                bepaald. In geval van intrekking of wijziging kan het dagelijks
                                bestuur verleende voorschotten en betaalde subsidiebedragen geheel
                                of gedeeltelijk terugvorderen. </al><al>5. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten
                                nadele van de ontvanger worden gewijzigd, als bedoeld in het tweede
                                of derde lid, indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop
                                zij is bekendgemaakt, dan wel, in het geval bedoeld in het eerste
                                lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de behandeling in strijd met
                                de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had
                                moeten zijn voldaan. </al><al>6. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het dagelijks bestuur
                                de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn
                                intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:</al><al>a. voor zover de subsidieverlening onjuist is; </al><al>b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich
                                in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting
                                van de subsidie verzetten. </al></artikel><artikel><kop><label>4.10 Aanvraag tot subsidievaststelling </label></kop><al>1. Binnen zes maanden na de ingebruikname van het project dient te
                                subsidieontvanger een aanvraag tot het vaststellen van de subsidie
                                in bij het dagelijks bestuur. De aanvraag is in overeenstemming met
                                het door het dagelijks bestuur voorgeschreven vigerende protocol van
                                rekening en verantwoording.</al><al>2. Bij de aanvraag tot het vaststellen van de subsidie wordt in
                                ieder geval de aanvraag tot de subsidievaststelling inclusief
                                financiële verantwoording vergezeld van een originele
                                accountantsverklaring betreffende de kosten en de baten van het
                                project verstrekt.</al><al>3. Het dagelijks bestuur kan met betrekking tot de te verstrekken
                                gegevens aanwijzingen geven en formulieren voorschrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>4.11 Onvolledige aanvraag tot subsidievaststelling</label></kop><al>1. Een aanvraag is onvolledig indien deze niet alle gevraagde
                                gegevens genoemd in artikel 4.10 bevat.</al><al>2. Indien een onvolledige aanvraag is ingediend wordt de aanvrager
                                schriftelijk in de gelegenheid gesteld deze aan te vullen binnen een
                                nader te bepalen termijn, te rekenen vanaf de dagtekening van het
                                verzoek.</al><al>3. Het dagelijks bestuur besluit een aanvraag niet in behandeling te
                                nemen indien de in het tweede lid genoemde termijn is verstreken
                                zonder dat de gevraagde aanvullingen zijn ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>4.12 Vaststelling van de subsidie</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur stelt de subsidie bij beschikking vast
                                binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.</al><al>2. Indien op de aanvraag niet binnen de in het eerste lid genoemde
                                termijn kan worden beslist dan kan de termijn eenmaal met drie
                                maanden worden verlengd; </al><al>3. 50% van de VAT-kosten als bedoeld in artikel 4.5, tweede lid,
                                onder h, wordt vastgesteld op basis van het in de beschikking tot
                                verlening van de subsidie vermelde bedrag. Over dit deel van de VAT
                                vindt geen nacalculatie plaats. Het resterende deel van de
                                VAT-kosten als bedoeld in artikel 4.5, tweede lid, onder h, wordt
                                vastgesteld op basis van de voor subsidie in aanmerking komende,
                                werkelijke gemaakte kosten.</al><al>4. Indien de werkelijk gemaakte subsidiabele projectkosten minder
                                bedragen dan de raming waarop de subsidieverlening is gebaseerd,
                                wordt de subsidie naar evenredigheid op een lager bedrag
                                vastgesteld. </al><al>5. Indien het bedrag van de vastgestelde subsidie lager is dan het
                                totaal van de verleende voorschotten, kan het dagelijks bestuur het
                                te veel uitgekeerde subsidiebedrag terugvorderen. </al><al>6. De subsidie kan, overeenkomstig artikel 4:46, tweede en derde
                                lid, van de Awb, lager worden vastgesteld indien:</al><al>a. De activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden; </al><al>b. De subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen; </al><al>c. De subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid, of </al><al>d. De subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. </al><al>7. De subsidie kan, naast de gevallen zoals vermeld in het vierde en
                                zesde lid, tevens lager worden vastgesteld, indien:</al><al>a. is gebleken dat de subsidie voor andere activiteiten of
                                voorzieningen is aangewend dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel
                                verleend;</al><al>b. het financiële beleid van de subsidieontvanger niet in orde
                                blijkt. </al><al>8. Indien de aanvraag als bedoeld in artikel 4.10 niet binnen de
                                gestelde termijn is ontvangen, kan het dagelijks bestuur de subsidie
                                ambtshalve vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>4.13 Betaling van de subsidie</label></kop><al>1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling
                                betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. </al><al>2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de
                                subsidievaststelling betaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5</nr><titel>SUBSIDIERING STUDIEPROJECTEN</titel></kop><artikel><kop><label>5.1 Aanvraag voor subsidie</label></kop><al>1. Voor subsidie komen slechts in aanmerking:</al><al>a. studieprojecten die zijn opgenomen in het Uitvoeringsprogramma
                                van het RVVP en die bijdragen aan de regionale doelstellingen;</al><al>b. studies die nodig zijn voor het uitvoeren van verkenningen, ten
                                behoeve van opname in planstudie-/planuitwerkingstabel van het RIP; </al><al>c. studie ten behoeve van een projectevaluatie na ingebruikname van
                                een infrastructuurproject;</al><al>2. De subsidieaanvrager dient een aanvraag om subsidie als genoemd
                                in artikel 5.1, eerste lid, in bij het dagelijks bestuur. </al><al>3. De aanvrager maakt voor de subsidieaanvraag gebruik van het door
                                het dagelijks bestuur vastgestelde formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2 Voorwaarden aan de aanvraag</label></kop><al>1. De subsidieaanvraag bevat ten minste:</al><al>a. een beschrijving van de inhoud en opzet van en de eisen die
                                worden gesteld aan de studie, het projectdoel, beoogd resultaat en
                                begrenzing, randvoorwaarden en aandachtspunten; </al><al>b. een beschrijving van de relatie met de doelstellingen van het
                                RVVP, waarbij tevens het nut en de noodzaak van deze studie wordt
                                aangegeven;</al><al>c. de werkwijze, start- en einddatum en betrokken partijen;</al><al>d. andere door het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte
                                gegevens.</al><al>2. De subsidieaanvraag gaat vergezeld van een kostenraming, waarin
                                is opgenomen: </al><al>a. een opgave van de kostenelementen die ten laste van andere
                                kostendragers kunnen worden gebracht;</al><al>b. een opgave van de bijdragen uit andere subsidieregelingen en de
                                eigen bijdrage.</al><al>3. De aanvrager maakt voor het verstrekken van gegevens gebruik van
                                het door het dagelijks bestuur vastgestelde formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>5.3 Onvolledige subsidieaanvraag</label></kop><al>1. Een aanvraag is onvolledig indien deze niet alle gevraagde
                                gegevens genoemd in artikel 5.2 bevat.</al><al>2. Indien een onvolledige aanvraag is ingediend wordt de aanvrager
                                schriftelijk in de gelegenheid gesteld deze aan te vullen binnen een
                                nader te bepalen termijn, te rekenen vanaf de dagtekening van het
                                verzoek.</al><al>3. Het dagelijks bestuur besluit een aanvraag niet in behandeling te
                                nemen indien de in het tweede lid genoemde termijn is verstreken
                                zonder dat de gevraagde aanvullingen zijn ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>5.4 Beoordeling van de subsidieaanvraag</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur beslist op een aanvraag om een subsidie
                                binnen drie maanden na de indiening daarvan. </al><al>2. Indien het dagelijks bestuur niet binnen de genoemde termijn kan
                                beslissen, kan deze termijn één keer met ten hoogste drie maanden
                                worden verlengd. Het dagelijks bestuur doet hiervan terstond
                                schriftelijk mededeling aan de aanvrager.</al><al>3. Een aanvraag om subsidie kan, overeenkomstig artikel 4:35 van de
                                Awb, in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde vrees
                                bestaat om aan te nemen dat: </al><al>a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; </al><al>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen; </al><al>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn. </al><al>4. De subsidieverlening kan voorts, overeenkomstig artikel 4:35 Awb,
                                in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:</al><al>a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een
                                onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of </al><al>b. failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is
                                verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
                                natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een
                                verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. </al><al>5. Een aanvraag voor subsidie kan eveneens worden geweigerd
                                indien:</al><al>a. de projectevaluatie waarvoor subsidie is aangevraagd, naar het
                                oordeel van het dagelijks bestuur, onvoldoende meerwaarde heeft en
                                geen nieuwe inzichten oplevert. </al><al>b. het project, naar het oordeel van het dagelijks bestuur, niet
                                (meer) bijdraagt aan de vastgestelde regionale doelstellingen; </al><al>c. ten tijde van de aanvraag de studie reeds is afgerond. </al></artikel><artikel><kop><label>5.5 Voorwaarden aan de subsidieverlening</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur verbindt aan de subsidieverlening in ieder
                                geval de volgende voorwaarden:</al><al>a. wijzigingen in de inhoud, werkwijze en planning of in andere
                                gegevens of bescheiden, welke bij subsidieaanvraag zijn ingediend,
                                dienen aan het dagelijks bestuur ter goedkeuring te worden
                                voorgelegd, voorzover die wijzigingen van invloed zijn op het doel,
                                effectiviteit, de kwaliteit of de fasering van de studie;</al><al>b. de subsidieontvanger dient, ter afronding van de studie, een
                                eindrapportage in;</al><al>c. de accountantsverklaring wordt binnen drie maanden na het
                                indienen van de eindrapportage van het project bij het dagelijks
                                bestuur ingediend;</al><al>2. De beschikking waarbij subsidie wordt verleend bevat in ieder
                                geval:</al><al>a. de aard, omvang en het specifieke doel van de studie waarvoor
                                subsidie wordt verleend;</al><al>b. het maximumbedrag van de subsidie; </al><al>c. de verplichtingen waaronder subsidie wordt verleend. </al></artikel><artikel><kop><label>5.6 Verlening van voorschotten</label></kop><al>1. Overeenkomstig artikel 4:54 Awb kan het dagelijks bestuur de
                                subsidieontvanger een voorschot verlenen. De beschikking tot
                                voorschotverlening vermeldt het bedrag van het voorschot, dan wel de
                                wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.</al><al>2. De subsidieontvanger kan bij wijze van voorschot op het moment
                                van de start of afronding van de studie, een aanvraag tot verlening
                                van een voorschot van maximaal 50% van de bij de beschikking
                                verleende subsidie indienen bij het dagelijks bestuur. </al><al>3. Het dagelijks bestuur geeft een beschikking tot
                                voorschotverlening binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.
                                Betaling van het voorschot vindt plaats binnen vier weken nadat de
                                beschikking tot voorschotverlening in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><label>5.7 Opschorting voorschotverlening</label></kop><al>Overeenkomstig artikel 4:56 Awb wordt de verplichting tot betaling
                                van een subsidiebedrag of een voorschot opgeschort met ingang van de
                                dag waarop het dagelijks bestuur aan de subsidieontvanger
                                schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond
                                bestaat om over te gaan tot intrekking of wijziging van de subsidie,
                                tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of
                                wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving
                                van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al></artikel><artikel><kop><label>5.8 Intrekken en wijzigen van de subsidie</label></kop><al>1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het dagelijks bestuur,
                                overeenkomstig artikel 4:48 Awb, de subsidieverlening intrekken of
                                ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien:</al><al>a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; </al><al>b. de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen; </al><al>c. de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid; </al><al>d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten; of </al><al>e. met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, van de Awb, een
                                beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter
                                beschikking worden gesteld. </al><al>2. Het dagelijks bestuur kan, overeenkomstig artikel 4:49 Awb de
                                subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
                                wijzigen:</al><al>a. Op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de
                                subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op
                                grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de
                                subsidieverlening zou zijn vastgesteld; </al><al>b. Indien de subsidievaststelling onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of </al><al>c. Indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft
                                voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen. </al><al>3. Het dagelijks bestuur kan de subsidieverlening alsmede de
                                subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger
                                wijzigen indien het doel waarvoor de subsidie is verleend haar het
                                oordeel van het dagelijks bestuur is vervallen. </al><al>4. De intrekking of wijziging zoals bedoeld in het eerste, tweede of
                                derde lid werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is
                                vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                                bepaald. In geval van intrekking of wijziging kan het dagelijks
                                bestuur verleende voorschotten en betaalde subsidiebedragen geheel
                                of gedeeltelijk terugvorderen. </al></artikel><artikel><kop><label>5.9 Aanvraag tot subsidievaststelling</label></kop><al>1. Binnen zes maanden na het indienen van de eindrapportage zoals
                                bedoeld in artikel 5.5 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot
                                het vaststellen van de subsidie in bij het dagelijks bestuur. De
                                aanvraag is in overeenstemming met het door het dagelijks bestuur
                                voorgeschreven vigerende protocol van rekening en
                                verantwoording.</al><al>2. Bij de aanvraag tot het vaststellen van de subsidie wordt een
                                financiële verantwoording, vergezeld van een originele
                                accountantsverklaring betreffende de kosten en de baten van het
                                project en de bijbehorende einddeclaratie, ingediend.</al><al>3. De financiële verantwoording wordt opgesteld overeenkomstig het
                                door het dagelijks bestuur vastgestelde protocol van rekening en
                                verantwoording.</al><al>4. Het dagelijks bestuur kan met betrekking tot de te verstrekken
                                gegevens aanwijzingen geven en formulieren voorschrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>5.10 Onvolledige aanvraag tot subsidievaststelling</label></kop><al>1. Een aanvraag is onvolledig indien deze niet alle gevraagde
                                gegevens genoemd in artikel 5.9 bevat.</al><al>2. Indien een onvolledige aanvraag is ingediend wordt de aanvrager
                                schriftelijk in de gelegenheid gesteld deze aan te vullen binnen een
                                nader te bepalen termijn, te rekenen vanaf de dagtekening van het
                                verzoek.</al><al>3. Het dagelijks bestuur besluit een aanvraag niet in behandeling te
                                nemen indien de in het tweede lid genoemde termijn is verstreken
                                zonder dat de gevraagde aanvullingen zijn ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>5.11 Vaststelling van de subsidie</label></kop><al>1. Het dagelijks bestuur stelt de subsidie bij beschikking vast
                                binnen drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag.</al><al>2. Indien de werkelijk gemaakte subsidiabele projectkosten minder
                                bedragen dan de raming waarop de subsidieverlening is gebaseerd,
                                wordt de subsidie naar evenredigheid op een lager bedrag
                                vastgesteld. </al><al>3. Indien het bedrag van de vastgestelde subsidie lager is dan het
                                totaal van de verleende voorschotten, kan het dagelijks bestuur het
                                te veel uitgekeerde subsidiebedrag terugvorderen. </al><al>4. De subsidie kan, overeenkomstig artikel 4:46, tweede en derde
                                lid, Awb lager worden vastgesteld indien:</al><al>a. De activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden; </al><al>b. De subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen; </al><al>c. De subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid, of </al><al>d. De subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. </al><al>5. De subsidie kan, naast de gevallen zoals vermeld in het tweede en
                                vierde lid, tevens lager worden vastgesteld, indien:</al><al>a. is gebleken dat de subsidie voor andere activiteiten of
                                voorzieningen is aangewend dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel
                                verleend;</al><al>b. het financiële beleid van de subsidieontvanger niet in orde
                                blijkt.</al><al>Indien de aanvraag niet binnen de gestelde termijn is ontvangen, dan
                                kan het dagelijks bestuur de subsidie ambtshalve vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>5.12 Betaling van de subsidie</label></kop><al>1. Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling
                                betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. </al><al>2. Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de
                                subsidievaststelling betaald. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>6.1 Evaluatieverslag</label></kop><al>In afwijking van artikel 4:24 Awb wordt op verzoek van de minister,
                                doch ten minste eenmaal in de tien jaren, een verslag gepubliceerd
                                over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de
                                praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>6.2 Zaken waarin de verordening niet voorziet</label></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                dagelijks bestuur.</al></artikel><artikel><kop><label>6.3 Inwerkingtreding</label></kop><al>1. Deze subsidieverordening treedt in werking vanaf de datum van
                                vaststelling door de Regioraad. Deze verordening is van toepassing
                                op alle uitvoeringsprogramma’s die worden vastgesteld, dan wel
                                subsidies die worden verleend vanaf de datum van vaststelling van
                                deze verordening. </al><al>2. Op subsidies die zijn verleend in het kader van de Gebundelde
                                Doeluitkering voor de vaststelling van deze verordening blijft de op
                                29 juni 1999 vastgestelde verordening “‘kleine‘
                                infrastructuurprojecten” van toepassing. </al><al>3. Op subsidies die op grond van de wet, het besluit of
                                projectovereenkomsten zijn verleend voor overige projecten, niet
                                zijnde projecten op grond van de Gebundelde Doeluitkering, en die
                                zijn verleend voor de vaststelling van deze verordening, blijven de
                                wet, het besluit danwel de bestaande projectovereenkomsten van
                                toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>6.4 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Subsidieverordening
                                Infrastructuur.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>7 ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</label><label/></kop><al>INLEIDING</al><al/><al>In artikel 1.1, lid 3 van de verordening is titel 4.2 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit betekent dat
                    de bepalingen van titel 4.2 van de Awb van toepassing zijn op de
                    subsidieverlening door het Dagelijks Bestuur. De titel is ook van toepassing op
                    de Wet infrastructuurfonds en het daarbij behorende Besluit infrastructuurfonds.
                    Op grond van artikel 4:29 van de Awb kan voorafgaand aan een
                    subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven.
                    Het ROA kiest daar als subsidieverlener expliciet voor zodat de mogelijkheden
                    tot het monitoren van de projecten optimaal benut kunnen worden. Aldus bestaat
                    het systeem van subsidiëring uit drie fasen. De eerste fase is de fase van de
                    subsidieverlening. Deze fase wordt afgesloten met een beschikking tot het
                    verlenen van subsidie. De verlening van subsidie geeft de subsidieontvanger
                    slechts een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen. De definitieve
                    aanspraak op financiële middelen krijgt de ontvanger na afloop van de tweede
                    fase, namelijk de fase van subsidievaststelling. </al><al/><al>Degene aan wie een subsidie is verleend dient, indien hij de activiteiten heeft
                    voltooid en een onvoorwaardelijke aanspraak op financiële middelen wil
                    verkrijgen, daartoe een aanvraag tot subsidievaststelling in te dienen. Deze
                    fase wordt afgesloten met een beschikking van het Dagelijks Bestuur tot het
                    vaststellen van subsidie. De derde fase is in feite de betaling van de subsidie.
                    Dit is geen afzonderlijke beschikking, maar een feitelijke handeling. Aangezien
                    het systeem van de Awb er vanuit gaat dat eerst na de subsidievaststelling een
                    definitieve aanspraak op financiële middelen ontstaat, kunnen, vóórdat de
                    subsidie is vastgesteld, uitsluitend voorschotten worden verleend. Voordat
                    voorschotten worden verleend dient het dagelijks bestuur eerst een beschikking
                    tot voorschotverlening te geven. De voorschotten worden dan overeenkomstig de
                    beschikking tot voorschotverlening betaald. Titel 4.2 van de Awb bevat
                    bepalingen over de aanvraag, de verlening, de vaststelling, de weigering, de
                    lagere vaststelling, de intrekking van de subsidie etc. Om deze verordening zo
                    duidelijk mogelijk te maken, is er voor gekozen om de artikelen uit de Awb
                    waarnaar verwezen wordt integraal in de verordening op te nemen. Hierdoor wordt
                    voorkomen dat een subsidieaanvrager meerdere wetten en verordeningen dient te
                    lezen voordat hij een aanvraag kan indienen. Uiteraard blijft de Awb, als
                    algemene wet, van toepassing, ook al zijn enkele bepalingen uit de Awb niet
                    expliciet in de verordening opgenomen.</al><al/><al>Naast titel 4.2 zijn overigens ook de overige bepalingen van de Awb van
                    toepassing. In het bijzonder van belang voor het verlenen van subsidies zijn nog
                    de bepalingen van afdeling 4.1 van de Awb, die algemene bepalingen omtrent een
                    aanvraag bevatten.</al><al>ALGEMENE BEPALINGEN</al><al/><al>Artikel 1.1</al><al/><al>De definitie van subsidie is niet in de verordening opgenomen. De reden hiervoor
                    is dat de Awb in artikel 4:21 een dwingende en algemeen geldende
                    begripsomschrijving van subsidie geeft. Op grond van artikel 4:21 is een
                    subsidie: ‘de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan
                    verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de aanvrager, anders dan
                    betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten’. In lid 3
                    wordt specifiek verwezen naar de subsidietitel en de relevantie van afdeling 4.2
                    van de Awb.</al><al/><al>In lid 1d wordt gesproken over de Doeluitkering. Dit is het bedrag dat de
                    minister van Verkeer en Waterstaat jaarlijks op grond van artikel 30 van het
                    Besluit Infrastructuurfonds verstrekt aan het ROA voor de bekostiging van
                    investeringen betreffende regionale en lokale infrastructuur. </al><al/><al>In lid 1f wordt gesproken over het MIT. Deze afkorting staat voor
                    Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport. Het MIT is onderdeel van de
                    begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en geeft een compleet en
                    actueel overzicht van alle programma’s, projecten en studies waarbij de
                    rijksoverheid een rol speelt en financieel is betrokken. </al><al/><al>In lid 1j wordt het begrip project gedefiniëerd, waarbij aansluiting is gezocht
                    bij het Besluit Infrastructuurfonds. Met “ondeelbaar” wordt bedoeld dat over de
                    uitvoering slechts kan worden besloten indien dit het geheel van de maatregelen
                    en werkzaamheden betreft. Hiermee wordt een maximale effectiviteit van het
                    project beoogd. Daarnaast wordt met “ondeelbaar” bedoeld dat projecten in
                    financiële en/of functionele zin geen ongewenste opdeling mogen krijgen.
                    Financiële fasering is namelijk ongewenst indien deze wordt ingegeven door het
                    ontduiken van financiële schotten/grenzen, zoals het onderscheid tussen kleine,
                    middelgrote en grote projecten. Ondeelbaar houdt tevens in dat een project na
                    voltooiing functioneel in gebruik genomen dient te kunnen worden, teneinde de
                    beoogde effectiviteit van een project te waarborgen.</al><al>Naast een individuele infrastructurele maatregel, wordt onder een project ook
                    een vooraf omschreven pakket van op zich zelfstandige, maar sterk samenhangende
                    infrastructurele maatregelen verstaan. De samenstelling van een dergelijk pakket
                    is gericht op een grotere effectiviteit van het geheel dan de som van de
                    afzonderlijke delen. De samenhang tussen de afzonderlijke maatregelen kan
                    thematisch en/of geografisch-functioneel van aard zijn. </al><al/><al>In het eerste geval valt te denken aan een specifiek verkeersveiligheidspakket
                    zoals de aanleg van een aantal rotondes op gelijkwaardige kruispunten van
                    gebiedsontsluitingswegen binnen een gebied. In het tweede geval kan het pakket
                    bestaan uit een combinatie van bereikbaarheids- als
                    verkeersveiligheidsmaatregelen gericht op specifieke routes naar belangrijke
                    herkomst- en bestemmingslocaties. Met de maatregelpakketten wordt een meer
                    gebiedsgerichte benaderingswijze mogelijk gemaakt.</al><al/><al>Artikel 1.2</al><al/><al>In lid 2 wordt aangegeven door welke partijen subsidie aangevraagd kan worden.
                    Dit zijn de provincie Noord-Holland, een gemeente in het ROA-gebied, een
                    waterschap in het ROA-gebied en andere rechtspersonen, voor zover het projecten
                    betreft die op grond van het Regionaal Verkeers- en Vervoersplan voor subsidie
                    in aanmerking komen. Met deze formulering is aangesloten bij artikel 8 van de
                    Wet infrastructuurfonds. Namens de gemeente, de provincie of het waterschap
                    zullen in de praktijk het college van Gedeputeerde Staten, het college van
                    Burgemeester en Wethouders of het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden een
                    aanvraag indienen. De rechtspersonen die de gelden uiteindelijk ontvangen, zijn
                    de gemeente, de provincie en de waterschappen. Aangezien colleges van
                    Burgemeester en Wethouders geen rechtspersoonlijkheid bezitten, kan aan hen geen
                    subsidiegelden worden verstrekt. Voor de stadsdelen van de gemeente Amsterdam
                    betekent dit het volgende. De stadsdelen bezitten geen aparte
                    rechtspersoonlijkheid. Subsidie ten behoeve van de stadsdelen zal dan ook aan de
                    gemeente Amsterdam worden verleend. In de betreffende subsidiebeschikking zal
                    door het dagelijks bestuur wel worden aangegeven voor welke activiteiten de
                    subsidie wordt verstrekt zodat het voor de stadsdelen duidelijk is dat het hun
                    projecten betreft. De dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer van de gemeente
                    Amsterdam kan, namens de gemeente Amsterdam, evenals de stadsdelen, subsidie
                    aanvragen indien zij daartoe gemachtigd is namens het college van Burgemeester
                    en Wethouders van de gemeente Amsterdam. </al><al/><al>In lid 3 wordt aangegeven dat het dagelijks bestuur van het ROA beschikkingen
                    kan verlenen aan de subsidieaanvragers. Door het derde lid is het dagelijks
                    bestuur bevoegd tot het in behandeling nemen en beoordelen van aanvragen,
                    besluiten te nemen om projecten te promoveren naar een volgende fase, het
                    verlenen van subsidiebeschikkingen en het vaststellen van subsidies. De
                    vaststelling van de subsidieplafonds, de verdeling van subsidies binnen
                    programma’s en de vaststelling van het geactualiseerde regionaal
                    infrastructuurprogramma blijft een bevoegdheid van de Regioraad. Hiermee wordt
                    aangesloten bij het delegatiebesluit dat is vastgesteld tijdens de
                    regioraadsvergadering van november 1996. </al><al/><al>In lid 4 wordt aangegeven om welke vier projectcategorieën het gaat. De
                    projecten tot 5 (vijf) miljoen euro vallen in de categorie kleine projecten, de
                    projecten vanaf 5 (vijf) tot 225 (tweehonderdvijfentwintig) miljoen euro zijn
                    middelgrote projecten en de projecten boven de 225 (tweehonderdvijfentwintig)
                    miljoen euro zijn grote projecten. Voor laatstgenoemde categorie kan door het
                    ROA, bij de minister van Verkeer en Waterstaat een subsidieaanvraag worden
                    ingediend. In alle gevallen gaat het bij de bepaling tot welke categorie het
                    projectvoorstel behoort niet enkel om de bouwkosten, maar om de totale
                    projectkosten inclusief onder andere voorbereiding, administratie en toezicht
                    (VAT), BTW en onvoorziene kosten. </al><al/><al>In lid 5 staat het Regionaal Infrastructuur Programma (RIP) centraal. Het RIP
                    wordt in elk geval jaarlijks vastgesteld door de Regioraad en geeft inzicht in
                    de projecten die de komende jaren in aanmerking komen voor subsidiëring vanuit
                    de Doeluitkering en uitgevoerd zullen gaan worden. In het RIP wordt uitgegaan
                    van een vergelijkbaar onderscheid tussen de vier verschillende
                    projectcategorieën. Het vastgestelde RVVP en het bijbehorende
                    Uitvoeringsprogramma bepalen of projecten en maatregelen in aanmerking komen en
                    prioriteit hebben. Bij de verdeling van de projectsubsidies vanuit het ROA
                    budget wordt daarbij rekening gehouden met de onder a. tot en met e. opgenomen
                    aspecten en omstandigheden. Bij het bepalen van het definitieve subsidiebedrag,
                    bijbehorend voorschotritme en het moment waarop middelen beschikbaar komen voor
                    het specifieke project, wordt in zijn totaliteit gekeken op welke wijze dit
                    inpasbaar is binnen het totale programma en ten opzichte van andere projecten in
                    een vergelijkbare voorbereiding- en uitwerkingsfase.</al><al/><al>Lid 7 houdt in dat de aanvrager de verplichting heeft om terstond wijzigingen
                    van alle feiten omstandigheden aan het dagelijks bestuur te melden, die op één
                    of andere wijze van belang kunnen zijn voor de besluitvorming in het kader van
                    de subsidieverlening. Nadat het ROA een beschikking heeft afgegeven, geldt voor
                    de grote en middelgrote projecten (uitvoeringsperiode langer dan één jaar) dat
                    wijzigingen en afwijkingen kunnen worden gemeld in de voorgeschreven
                    voortgangsrapportage. Voor de kortlopende en kleinere projecten geldt dat van
                    wijziging van feiten en omstandigheden in elk geval melding gemaakt moet worden
                    bij het volbrengen van specifieke mijlpalen zoals de opdrachtverlening, start
                    uitvoering of ingebruikname. </al><al/><al>In lid 8 wordt stil gestaan bij het toezicht en de informatieplicht. Dit artikel
                    regelt het toezicht van de aanvrager en de informatieplicht van de
                    subsidieontvanger. Het ROA moet dan op grond van artikel 5:11 van de Awb een
                    toezichthouder aanwijzen voor de handhaving en het toezicht. In sub b van dit
                    artikellid is de medewerkingplicht van de subsidieontvanger opgenomen, om te
                    verzekeren dat tegen niet medewerking kan worden opgetreden door de subsidie
                    lager vast te stellen. In artikel 5:16 en verder van de Awb staan de
                    bevoegdheden van toezichthouders vermeld. Deze bevoegdheden houden in dat een
                    toezichthouder inlichtingen kan vorderen, inzage kan vorderen van zakelijke
                    gegevens en bescheiden en hiervan kopieën kan maken, zaken kan onderzoeken, aan
                    opneming kan onderwerpen en daarvan monsters kan nemen, en tot slot
                    vervoermiddelen kan onderzoeken met betrekking waartoe hij een toezichthoudende
                    taak heeft. </al><al/><al>Artikel 1.3</al><al/><al>In lid 1 gaat het om de vaststelling van het subsidieplafond. Op grond van dit
                    artikel stelt de Regioraad jaarlijks voor het eerstkomende begrotingsjaar het
                    subsidieplafond vast voor de infrastructuursubsidies uit de Doeluitkering. Het
                    subsidieplafond moet voor het begin van de periode waarvoor het geldt worden
                    bekendgemaakt (artikel 4:27 lid 1 Awb). Op grond van artikel 4:25 tweede lid Awb
                    moeten subsidieaanvragen worden afgewezen als de toekenning zou leiden tot
                    overschrijding van het subsidieplafond. Het subsidieplafond is in beginsel
                    gelijk aan het bedrag dat het ROA in het betreffende begrotingsjaar als
                    Doeluitkering van het Rijk ontvangt. De vaststelling van een subsidieplafond
                    verschaft een extra zekerheid voor het ROA dat niet meer subsidies verstrekt
                    kunnen worden dan het aan bijdrage van het Rijk ontvangt. </al><al>Het feit dat er per 1 januari 2005 sprake is van een Brede Doeluitkering waarin
                    niet alleen de rijksbijdragen inzake infrastructuur, maar ondermeer ook de
                    exploitatie van het openbaar vervoer ondergebracht zijn, heeft tot gevolg dat de
                    omvang van de Doeluitkering substantieel toeneemt. De verbreding van de
                    Doeluitkering maakt het voor het ROA mogelijk om voor onderdelen zoals
                    infrastructuur of exploitatie van openbaar vervoer meer of minder middelen
                    beschikbaar te stellen dan voorheen, waarbij sprake was van separate,
                    geoormerkte budgetten. </al><al/><al>In lid 2 staat de verdeling van de subsidies op grond van het subsidieplafond
                    centraal. Artikel 4:26 tweede lid Awb schrijft voor dat als een subsidieplafond
                    wordt vastgesteld, op hetzelfde moment ook de wijze van verdeling moet worden
                    vermeld. Dit artikel voorziet in deze verplichting. Het BDU-budget is één
                    integraal budget, waarvoor geldt dat de Regioraad voor de onderscheiden project
                    categorieën het subsidieplafond periodiek vaststelt. Het Dagelijks Bestuur dient
                    bij de verlening van de subsidies aan projecten in beginsel van deze
                    verdeelsleutel uit te gaan. Afwijkingen van deze verdeelsleutel zijn in bepaalde
                    omstandigheden mogelijk, indien het Algemeen Bestuur van het ROA daartoe
                    besluit. Dit geldt ook voor het periodiek bijstellen van een vastgestelde
                    verdeelsleutel, mede in relatie tot overige, toekomstige BDU-onderdelen waarvoor
                    het ROA verantwoordelijkheid draagt.</al><al/><al>In lid 3 wordt een begrotingsvoorbehoud gemaakt. Wanneer de subsidie wordt
                    verleend voor één of meerdere jaren waarvoor de begroting nog niet is
                    vastgesteld, schrijft artikel 10a van de Wet Infrastructuur deze voorwaarde
                    bindend voor. De Wet Infrastructuur heeft de keuze die de Awb op dit punt laat
                    reeds ingevuld. In het geval dat de werkelijk ontvangen Doeluitkering in enig
                    jaar kleiner is dan verwacht, zal dit consequenties hebben voor het in de
                    beschikking opgenomen oorspronkelijke kasritme. </al><al/><al>Lid 5 regelt de inzet van vrijval binnen het realisatieprogramma. Zodra het
                    dagelijks bestuur door een wegbeheerder formeel geïnformeerd wordt dat de
                    subsidie niet of niet volledig benut zal worden, kan het dagelijks bestuur
                    besluiten om de wegbeheerders van projecten die zijn opgenomen in het
                    planstudieprogramma (kleine projecten) of planuitwerkingsprogramma van het RIP,
                    te verzoeken om een subsidie aan te vragen. Vrijval kan optreden in geval een
                    project niet of niet tijdig kan worden uitgevoerd, of dat een gerealiseerd
                    project goedkoper is uitgevallen dan bij moment van subsidieverlening werd
                    voorzien. In beginsel zullen de vrijgevallen gelden binnen dezelfde
                    projectcategorie worden herbesteed. Binnen de categorie kleine projecten worden
                    de vrijgevallen middelen in principe herbestemd naar oorsprong van de vrijval
                    (weg, openbaar vervoer en fiets). In het geval dat binnen eenzelfde
                    projectcategorie geen project kan worden gevonden waarvoor de voorbereiding en
                    uitwerking conform de standaard werkwijze van het ROA vergenoeg gevorderd is,
                    kan de vrijval ingezet worden voor maatregelen en projecten behorend tot een
                    andere projectcategorie.</al><al/><al>Lid 6, sub a, geeft inzicht in de subsidiepercentages, waarbij nadrukkelijk
                    aansluiting is gezocht bij bijdrageniveaus zoals gehanteerd door het Ministerie
                    van Verkeer en Waterstaat. Het betreft de percentages die het ROA beschikbaar
                    stelt voor zover het de subsidiabele projectkosten betreft. Het feit dat er
                    altijd sprake is van een eigen bijdrage voor wat betreft infrastructuursubsidies
                    geeft uiting aan het gezamenlijk belang en de gedeelde verantwoordelijkheid van
                    het ROA en de wegbeheerders om tot uitvoering van het betreffende project en
                    daarmee vigerende regionale verkeer- en vervoersbeleid te komen. </al><al>Sub b maakt het in voorkomende gevallen mogelijk dat de Regioraad in voorkomende
                    gevallen en in afwijking van het bepaalde in sub a, kan besluiten voor een
                    infrastructuurproject een hoger subsidiepercentage tot een maximum van 100%
                    beschikbaar te stellen. Te denken valt daarbij aan de situatie waarin geen van
                    de betrokken wegbeheerders het initiatief neemt voor het doen van een aanvraag,
                    maar dit in het kader van de doelstellingen van het RVVP wel van essentieel
                    belang is. In dergelijke gevallen zal het dagelijks bestuur aan het Algemeen
                    Bestuur de onderbouwing en uiteindelijke subsidieaanvraag ter besluitvorming
                    voorleggen. Uit het zesde lid blijkt dat slechts een deel van de projectkosten
                    voor subsidie in aanmerking komen. Bij de subsidieverlening voor alle vier de
                    projectcategorieën is derhalve sprake van een verplichte eigen bijdrage van de
                    subsidieaanvrager. </al><al/><al>GROTE PROJECTEN</al><al/><al>Grote projecten zijn projecten waarvoor de kosten meer dan € 225 miljoen
                    bedragen. Voor dergelijke projecten blijft het rijk medeverantwoordelijk, maar
                    moet de regio de eerste € 225 miljoen bijdragen. Indien in dit hoofdstuk van de
                    verordening verwezen wordt naar “de subsidie op grond van opname in het RIP”
                    wordt gedoeld op de subsidie die door het dagelijks bestuur verleend kan worden
                    voor de eerste € 225 miljoen mits aan de voorwaarden zoals in de verordening
                    gesteld wordt voldaan. Indien in dit hoofdstuk van de verordening verwezen wordt
                    naar “de subsidie op grond van opname in het MIT” wordt gedoeld op de subsidie
                    die de minister kan verlenen voor het deel dat de € 225 miljoen overstijgt.
                    Beide subsidies dienen door de subsidieaanvrager ingediend te worden bij het
                    dagelijks bestuur (artikel 2.1). Het dagelijks bestuur dient voor het gedeelte
                    boven € 225 miljoen een subsidieaanvraag in bij de minister. Indien deze
                    subsidie verleend wordt, zal het dagelijks bestuur, indien aan alle voorwaarden
                    voldaan wordt, overgaan tot verlening van de subsidie aan de subsidieaanvrager.
                    Voor de subsidieverlening zijn dan ook de voorwaarden en eisen die door de
                    minister van Verkeer en Waterstaat aan de subsidieverlening worden gesteld
                    leidend. Indien deze het toestaan, zijn de artikelen met betrekking tot de
                    middelgrote infrastructuurprojecten dienovereenkomstig van toepassing. Zo moeten
                    bij de subsidieaanvraag ten minste de gegevens verstrekt worden zoals neergelegd
                    is in artikel 4 van het Besluit infrastructuurfonds. Ook zal op grond van het
                    derde en vierde lid de aanvraag door het dagelijks bestuur buiten behandeling,
                    dan wel afgewezen worden indien de minister hetzelfde doet. De artikelen met
                    betrekking tot de middelgrote infrastructuurprojecten die dienovereenkomstig van
                    toepassing zouden kunnen zijn hebben betrekking op de voorwaarde van de
                    subsidieaanvraag, de onvolledige subsidieaanvraag, de beoordeling van de
                    subsidieaanvraag, de weigering van de subsidieaanvraag, de subsidiabele kosten
                    en de voorwaarden aan de subsidieverlening. </al><al/><al>Artikel 2.1 </al><al/><al>Lid 1 schrijft voor dat niet direct tot een subsidieaanvraag kan worden gekomen,
                    maar dat een project eerst opgenomen dient te zijn in de planuitwerkingstabel
                    van het RIP en in de tabel lokaal/regionaal van het planstudieprogramma van het
                    MIT. Aan de opname van een project in de planuitwerkingstabel ligt een positief
                    besluit van het dagelijks bestuur ten grondslag en aan de opname van een project
                    in het planstudieprogramma een positief besluit van de minister. </al><al>Op grond van het lid 2 dient de aanvraag voor subsidie bij het dagelijks bestuur
                    te worden ingediend. </al><al/><al>Artikel 2.2 </al><al/><al>Dit artikel schrijft voor welke gegevens de aanvrager bij een aanvraag voor een
                    subsidie-beschikking moet overleggen. Lid 1 bevat de opsomming van de gegevens
                    zoals deze op grond van artikel 4 van het besluit moeten worden overgelegd.</al><al>Het lid 2 voegt hieraan toe dat voor de subsidieaanvraag op grond van opname in
                    het RIP de artikelen 3.2, 3.3 en 3.4 van toepassing zijn. Voor een nadere
                    toelichting wordt dan ook verwezen naar de toelichting bij deze artikelen. </al><al>Op grond van het lid 3 en lid 4 wordt de aanvraag om subsidie op grond van
                    opname in het RIP door het dagelijks bestuur buiten behandeling gesteld danwel
                    afgewezen indien de aanvraag om subsidie op grond van opname in het MIT door de
                    minister buiten behandeling wordt gesteld danwel afgewezen.</al><al/><al>Artikel 2.3</al><al/><al>Dit artikel geeft een weergave van de subsidiabele projectkosten. Lid 1 verwijst
                    naar de beschikking van de minister. Lid 2 verwijst naar artikel 3.5 en 3.6 van
                    deze verordening. </al><al/><al>Artikel 2.4</al><al/><al>Dit artikel bepaalt dat de voorwaarden zoals neergelegd in de
                    subsidiebeschikking van de minister onverkort van toepassing zijn op de
                    subsidiebeschikking van het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur zal de
                    voorwaarden uit de beschikking van de minister zo veel mogelijk overnemen in
                    haar beschikking. Het niet overnemen van een voorwaarde heeft echter niet tot
                    gevolg dat deze voorwaarde niet voor de subsidieaanvrager zou gelden. Op grond
                    van dit artikel zijn alle voorwaarden uit de beschikking van de minister
                    onverkort van toepassing op de subsidie van het dagelijks bestuur.</al><al/><al>Artikel 2.5</al><al/><al>Voor de wijze waarop voorschotten kunnnen worden aangevraagd en verleend zijn,
                    voorzover de subsidiebeschikking van de minister hier niet aan in de weg staat,
                    de artikelen 3.7 en 3.8 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.
                    Voor een toelichting wordt dan ook naar deze artikelen verwezen.</al><al/><al>Artikel 2.6</al><al/><al>Artikel 2.6 bevat de mogelijkheden voor het dagelijks bestuur om de beschikking
                    tot subsidieverlening in te trekken of te wijzigen. Verwezen wordt naar artikel
                    3.9 van deze verordening dat van overeenkomstige toepassing is. Voor artikel 3.9
                    is aansluiting gezocht bij artikel 4:48 van de Awb (lid 1) en artikel 4:49 van
                    de Awb (lid 2). Naast de gronden zoals genoemd in artikel 4:48 van de Awb, kan
                    de subsidie ook worden ingetrokken danwel gewijzigd indien het doel waarvoor de
                    subsidie is verleend naar het oordeel van het dagelijks bestuur is komen te
                    vervallen. De intrekking of wijziging van de beschikking heeft op grond van het
                    lid 4 in beginsel terugwerkende kracht.</al><al/><al>Artikel 2.7</al><al/><al>Dit artikel verwijst voor de aanvraag tot subsidievaststelling naar de
                    beschikking van de minister en, voorzover de beschikking van de minister hiertoe
                    de mogelijkheid laat, naar artikel 3.10 en 3.11 van deze verordening.</al><al/><al>Artikel 2.8</al><al/><al>Dit artikel heeft betrekking op de tweede fase in het proces van
                    subsidieverstrekking: het vaststellen van de subsidie. In het besluit tot het
                    vaststellen van de subsidie wordt bepaald wat precies het subsidiebedrag is waar
                    de subsidieontvanger recht op heeft. Dit is ook het bedrag dat aan de
                    subsidieontvanger zal worden uitgekeerd. Ook dit artikel verwijst voor de
                    vaststelling van de subsidie naar de beschikking van de minister en, voorzover
                    de beschikking van de minister hiertoe de mogelijkheid laat, naar artikel 3.12
                    van deze verordening.</al><al/><al>MIDDELGROTE PROJECTEN</al><al/><al>Artikel 3.1 </al><al/><al>Lid 1 schrijft voor dat niet direct tot een subsidieaanvraag kan worden gekomen,
                    maar dat een project eerst opgenomen dient te zijn in de planuitwerkingstabel
                    van het RIP. Aan de opname van een project in de planuitwerkingstabel ligt een
                    positief besluit van het dagelijks bestuur ten grondslag. Tot het moment van
                    subsidieaanvraag doorloopt elk project een drietal achtereenvolgende stappen:
                    verkenning, planstudie en planuitwerking.</al><al>Lid 2 bepaalt dat de subsidieaanvrager binnen de gestelde termijn tot
                    subsidieaanvraag komt, zodat de subsidieaanvrager enige spoed betaamt bij het
                    indienen van de subsidieaanvraag, teneinde de voortgang van projecten te
                    bevorderen. Daarnaast is vanuit het besluit bepaald dat de jaarlijkse
                    doeluitkering binnen een aantal jaren omgezet moet worden in
                    subsidieverplichtingen. De termijn van 24 maanden voor deze fase wordt gezien
                    als een redelijke termijn in verhouding met het totale proces van
                    subsidieverlening. </al><al>Lid 4 voorziet in de mogelijkheid voor de subsidieaanvrager de subsidieaanvraag
                    om moverende redenen op een later moment in te dienen dan 24 maanden na opname
                    in de planuitwerkingstabel. Van belang is hierbij op te merken dat een dergelijk
                    uitstelverzoek voor afloop van de termijn van 24 maanden moet zijn
                    ingediend.</al><al/><al>Artikel 3.2 </al><al/><al>Dit artikel schrijft voor welke gegevens de aanvrager bij een aanvraag voor een
                    subsidie-beschikking moet overleggen.</al><al/><al>Lid 1 bevat de opsomming om tot een inhoudelijke projectomschrijving te
                    komen,waaronder het definitieve functionele programma van eisen en de technische
                    uitwerking daarvan in de vorm van het definitieve ontwerp. Met definitief wordt
                    gedoeld op het feit dat het daartoe bevoegde bestuursorgaan van de
                    subsidieaanvrager de onderliggende stukken heeft vastgesteld. Uitgaande van een
                    traditionele contractvorm bij aanbesteding, dient de subsidieaanvraag gebaseerd
                    te zijn op een definitief ontwerp. In geval de subsidieaanvrager kiest voor een
                    innovatieve contractvorm zoals ontwerp en bouw en beheer, zal per situatie
                    bekeken worden welke projectinformatie onderdeel van de subsidieaanvraag dient
                    te zijn. Onder de noodzakelijke procedures wordt gedoeld op de te doorlopen
                    procedures in het kader van de wet op de ruimtelijke ordening, de geldende
                    aanbestedingsreglementen en de regels ten aanzien van duurzaam bouwen. Tevens
                    vallen de interne procedures inzake besluitvorming en financiering hier onder. </al><al/><al>Lid 2 bevat een opsomming van de financiële aspecten van een project, zodat bij
                    subsidieaanvraag voldoende zekerheid bestaat over een toereikende financiering
                    voor de realisatie en instandhouding het project. Bij de subsidieaanvraag
                    verklaart de subsidieaanvrager verantwoordelijk te zijn voor de
                    projectfinanciering en gaat hiermee een maximale inspanningsverplichting aan om
                    de voorgestelde financieringsopzet te bewerkstelligen. De kostenraming dient
                    onderbouwd te worden aan de hand van diverse kostenelementen. De begroting dient
                    gebaseerd te zijn op het prijspeil van moment van indiening van de
                    subsidieaanvraag, waardoor een toetsing op soberheid mogelijk is en een
                    grondslag ten behoeve van eventuele prijsindexering kan worden berekend. Met de
                    genoemde kosten die ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht,
                    worden reeds toegezegde bijdragen van derden bedoeld of projectkosten die, op
                    grond van sober- en doelmatigheid, niet in aanmerking komen voor subsidie. Te
                    denken valt hierbij aan kosten die een direct gevolg zijn van een ander project
                    of van bovenmatige eisen niet direct gerelateerd aan de functionaliteit van de
                    betrokken infrastructuur, zoals architectuur of ruimtelijke uitstraling. Ook
                    wordt van de subsidieaanvrager gevraagd een opgave te doen van aangevraagde, dan
                    wel reeds verleende subsidies. De subsidieaanvrager moet inzage verschaffen in
                    mogelijke opbrengsten van het project, waaronder begrepen de exploitatie van de
                    betrokken infrastructuur, zoals tol of betaald parkeren.</al><al/><al>Op grond van lid 3 dient de subsidieaanvrager voor het verstrekken van gegevens
                    gebruik te maken van het door het dagelijks bestuur vastgestelde formulier. Op
                    grond van het tweede lid van de Awb dient de aanvrager de gegevens en bescheiden
                    te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al><al/><al>Artikel 3.3</al><al/><al>Dit artikel regelt de procedure indien de aanvrager, op grond van artikel 3.2,
                    niet alle projectgegevens overlegt op moment van de formele subsidieaanvraag.
                    Het dagelijks bestuur kan op grond van artikel 4:5 van de Awb besluiten de
                    aanvraag niet in behandeling te nemen. Om te voorkomen dat een dergelijke
                    situatie zich voordoet, mede gezien het belang van een subsidieaanvraag, wordt
                    subsidieaanvragers geadviseerd een voorlopige, ambtelijke aanvraag in te dienen
                    voorafgaande aan de definitieve subsidieaanvraag.</al><al/><al>Artikel 3.4</al><al/><al>Dit artikel bepaalt de termijn waarbinnen het dagelijks bestuur, na ontvangst
                    van een volledige aanvraag, dient te beslissen op een aanvraag tot het verlenen
                    van een subsidiebeschikking.</al><al/><al>Lid 2 schrijft voor dat het dagelijks bestuur eenmalig de beslistermijn kan
                    verlengen met maximaal zes maanden. Hiertoe kan, onder meer, aanleiding zijn in
                    geval dat de complexiteit van de aanvraag daartoe aanleiding geeft. In beginsel
                    zal het dagelijks bestuur terughoudend zijn met het verlengen van de
                    beslistermijn. </al><al/><al>Lid 3, 4 en 5 geven de gronden aan op basis waarvan de gevraagde
                    subsidieverlening kan worden geweigerd. Het derde en vierde lid zijn een
                    weergave van de weigeringsgronden van artikel 4:35 van de Awb. Het vijfde lid
                    voegt twee nieuwe weigeringsgronden toe. Indien ten tijde van de
                    subsidieaanvraag het project reeds in gebruik is genomen, zoals het geval onder
                    sub a, kan redelijkerwijs gesteld worden dat de subsidieaanvrager de
                    mogelijkheden om tot tijdige indiening van de subsidieaanvraag te komen
                    onvoldoende heeft benut. </al><al/><al>Lid 6 voorziet in de mogelijkheid aan de subsidieaanvrager om, voorafgaande aan
                    het besluit tot verlening van een beschikking, te starten met de (gedeeltelijke)
                    realisatie van van het werk, indien dit in het belang van het project is. Te
                    denken valt hierbij aan te behalen kostenbesparingen via voorinvesteringen of
                    een sterke samenhang met andere ruimtelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld van
                    stedebouwkundige aard. Van belang is hierbij op te merken dat de door
                    subsidieaanvrager geen enkele aanspraak ten aanzien van de nog te verlenen
                    subsidie kan worden gedaan. </al><al/><al>Artikel 3.5</al><al/><al>Het dagelijks bestuur heeft met lid 1 de bevoegdheid om subsidieaanvragen
                    inhoudelijk te beoordelen op aspecten van een doelmatige en sobere uitvoering.
                    Daarbij wordt expliciet aansluiting gezocht bij de wijze waarop het rijk zelf op
                    grond van artikel 7 eerste en tweede lid van het besluit infrastructuursubsidies
                    verleend. Deze benaderingswijze maakt het tevens mogelijk te voldoen aan artikel
                    40 van het besluit waarin bepaald is dat een subsidieverlener zich jegens het
                    rijk dient te verantwoorden ten aanzien van een doelmatige besteding van de
                    doeluitkering. </al><al/><al>In lid 2 wordt een opsomming gegeven van de bij de verlening en vaststelling van
                    de subsidie in aanmerking te nemen kostensoorten. De definiëring van de diverse
                    kostenelementen kent als uitgangspunt hetgeen onder artikel 5, lid 1 en 2 van
                    het besluit is bepaald. Voor een aantal kostensoorten geldt dat de
                    subsidiabiliteit gemaximeerd is vanuit het oogpunt van een doelmatige en sobere
                    uitvoering van de projecten. Met het oog op een zo uniform mogelijke toetsing
                    van de verschillende kostensoorten, kan het dagelijks bestuur, in aanvulling op
                    deze verordening, specifieke beleidsregels en richtlijnen voor individuele
                    kostensoorten opstellen.</al><al>Voor de genoemde kostensoorten geldt in algemene zin dat zij voor een
                    subsidiebijdrage in aanmerking komen voor zover zij een direct gevolg van de
                    realisatie van het project zijn. Daarnaast is een redelijkheidsprincipe van
                    toepassing; de in aanmerking te nemen kosten moeten naar de mening van het
                    dagelijks bestuur in redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van het
                    project. </al><al>Onder sub a vallen onder materialen en werkzaamheden alle kosten die samenhangen
                    met de aanleg, wijziging of inrichting van een project. Met bijkomende
                    voorzieningen zoals genoemd onder sub b wordt gedoeld op onder meer
                    niet-verwijtbare stagnatiekosten. Sub b bepaalt dat in principe alle bijkomende
                    voorzieningen subsidiabel zijn. Indien er sprake is van (gedeeltelijke)
                    vervanging van een essentiele voorziening zoals een verkeersregelinstallatie
                    wordt het profijtbeginsel ´nieuw voor oud´ toegepast. Bij de bepaling van het
                    subsidiabele deel van de kosten wordt de economische restwaarde hierop in
                    mindering gebracht. Sub c voorziet in de mogelijkheid van het dagelijks bestuur
                    om in voorkomende gevallen te beoordelen in hoeverre sprake is van
                    schadevergoedingen aan derden. Daarbij wordt gedoeld op de (wettelijke)
                    verplichitng van overheden om nadeelcompensatie te verlenen aan burgers die door
                    rechtmatig publiekrechtelijk handelen in hun belangen worden getroffen.
                    Uiteraard houdt dit artikel niet in dat indien schade ontstaat door onrechtmatig
                    handelen of tekortkomingen in de nakoming door de subsidieaanvrager deze zal
                    worden vergoed. Naar redelijkheid wordt nadeel dat moet worden gecompenseerd,
                    zoals percelen, planschade (waardevermindering van onroerende zaken) en
                    economische schade (inkomstenderving) die een direct gevolg zijn van de
                    realisatie van het project tot subsidiabele kosten gerekend. De kosten van het
                    verleggen of vervangen van kabels en leidingen welke in eigendom of beheer zijn
                    bij derden (nutsbedrijven) wordt in dit kader eveneens beschouwd als
                    schadevergoeding, voor zover de kosten gemaakt zijn door de eigenaar of
                    beheerder. De schade wordt echter uitsluitend vergoed voorzover de eigenaar of
                    beheerder van de kabels of leidingen krachtens een onherroepelijke uitspraak
                    niet gehouden is om de verlegging te voldoen. Artikel 5.7 van de
                    Telecommunicatiewet heeft immers het beginsel neergelegd dat wie “om niet” ligt
                    ook “om niet” moet wijken. Dit beginsel houdt in dat de aanbieder van een
                    openbaar telecommunicatienetwerk verplicht is op eigen kosten tot verplaatsing
                    van kabels ten dienst van het netwerk over te gaan, indien de verplaatsing nodig
                    is voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege
                    degenen op wie de gedoogplicht van artikel 5.1 van de Telecommunicatiewet rust.
                    Voorlichtingskosten zoals bedoeld onder sub d komen in aanmerking voor een
                    bijdrage indien de voorlichting gericht is op het creëren van draagvlak voor het
                    project en bijdraagt aan de vermindering van de overlast voor betrokkenen. Sub e
                    schrijft voor dat een subsidieaanvrager in aanmerking kan komen voor een
                    bijdrage in de wettelijk verschuldigde omzetbelasting, voor zover deze niet kan
                    worden verrekend of teruggevorderd (de zogenaamde ondernemers BTW) en zolang de
                    Wet op het BTW-compensatiefonds leidt tot uitname in het gemeente- en
                    provinciefonds. Met dit laatste wordt de kostenneutraliteit van de wet op het
                    BTW-compensatiefonds voor de subsidieaanvrager gewaarborgd. Subsidieaanvragers
                    kunnen op voet van de belastingwet de niet-verrekenbare BTW volledig vergoed
                    krijgen via het BTW-compensatiefonds. De in de subsidiebijdrage inbegrepen
                    bedrag voor verschuldigde BTW compenseert voor de subsidieaanvrager in dat geval
                    het nadelig effect van de uitname van gemeente- en provinciefonds. </al><al>Indien de subsidie inclusief BTW wordt verleend, kan als voorwaarde worden
                    gesteld dat de subsidieontvanger op het moment van de subsidieaanvraag een
                    verzoek heeft ingediend bij de belastinginspecteur om verrekening of
                    terugvordering van verschuldigde BTW. Dit heeft tot gevolg dat voorschotten ook
                    inclusief BTW worden verleend. De subsidie wordt inclusief BTW vastgesteld onder
                    de voorwaarde en voorzover bij de eindverantwoording een accountantsverklaring
                    met betrekking tot betaalde, niet-verrekenbare BTW wordt ingediend. Onder sub f
                    wordt gesteld dat kosten van vergunningen en leges in aanmerking komen voor een
                    bijdrage, voor zover deze in rekening worden gebracht door een derde, niet
                    zijnde het eigen apparaat of daaraan verbonden instanties van de
                    subsidieaanvrager. Kosten van verwerving van onroerend goed zoals bedoeld onder
                    sub g zijn subsidiabel zover sprake is van onttrekking aan een winstgevende
                    bestemming. Voor de verwerving van gronden geldt dat deze niet langer dan tien
                    jaar voor moment van subsidieaanvraag moet hebben plaatsgevonden en dat de
                    verwerving aantoonbaar ten behoeve van het project is geweest. Tot onroerend
                    goed wordt gerekend: grond, opstallen, afkoopsommen en transactiekosten. Onder
                    sub h wordt bepaald dat de VAT-kosten forfaitair worden vergoed tot maximaal 16%
                    van de voor subsidie in aanmerking komende uitvoeringskosten, zijnde de
                    subsidiabele projectkosten zoals genoemd onder sub a, b en c. Als leidraad voor
                    de kosten die onder VAT-kosten worden verstaan worden alle werkzaamheden die in
                    de Regeling van de Verhouding tussen opdrachtgever en adviserend
                    Ingenieursbureau worden genoemd, gehanteerd. De berekening en vaststelling van
                    de VAT-kosten vindt in twee delen plaats. Het eerste deel van de VAT-kosten
                    heeft betrekking op de kosten gemaakt tot en met de opdrachtverlening. Het
                    tweede deel betreft de kosten vanaf opdrachtverlening tot en met de
                    eindverantwoording van het project. In artikel 3.12, derde lid, is deze
                    tweedeling vastgelegd.</al><al>Onder sub i worden kosten voor het verleggen en/of vervangen van bestaande
                    kabels en leidingen volledig, dan wel gedeeltelijk subsidiabel gesteld. Op grond
                    van artikel 9, tweede lid, van het besluit wordt rekening gehouden met het
                    juridische regime, waaronder de kabels of leidingen liggen. Zo kan rekening
                    worden gehouden met bestaande overeenkomsten tussen de grondeigenaar en de
                    beheerder/eigenaar van de kabels en leidingen. Indien laatstgenoemde recht heeft
                    op een vergoeding, zijn deze kosten op grond van sub c subsidiabel als
                    schadevergoeding aan derden. De schade wordt echter uitsluitend vergoed
                    voorzover de eigenaar of beheerder van de kabels of leidingen krachtens een
                    onherroepelijke uitspraak niet gehouden is om de verlegging te voldoen. Artikel
                    5.7 van de Telecommunicatiewet heeft immers het beginsel neergelegd dat wie “om
                    niet” ligt ook “om niet” moet wijken. Dit beginsel houdt in dat de aanbieder van
                    een openbaar telecommunicatienetwerk verplicht is op eigen kosten tot
                    verplaatsing van kabels ten dienst van het netwerk over te gaan, indien de
                    verplaatsing nodig is voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van
                    werken door of vanwege degenen op wie de gedoogplicht van artikel 5.1 van de
                    Telecommunicatiewet rust. Kosten voor het verleggen van kabels en leidingen ten
                    behoeve van het project blijven volledig subsidiabel, ongeacht de hoogte van de
                    kosten. Indien bij de te verleggen kabels en leidingen gelijktijdig sprake is
                    van vervanging, wordt 50% van deze vervangingskosten niet-subsidiabel geacht,
                    onder toepassing van het profijtbeginsel ´nieuw voor oud´. Op deze wijze wordt
                    het (gemiddelde) profijt van de eigenaar van de te vervangen kabels en leidingen
                    op 50% gesteld. Lid l betreft mitigerende maatregelen, zijnde
                    niet-infrastrucurele maatregelen zoals milieucompenserende voorzieningen. Sub k
                    bepaald dat groenvoorzieningen in aanmerking komen voor een bijdrage, met
                    uitzondering van opgelegde compenserende maatregelen waarvan de kosten onder de
                    noemer mitigerende maatregelen (sub l) vallen.</al><al/><al>Lid 4 bepaalt dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft om de hoogte van de
                    subsidiabele kosten van individuele, gestandaardiseerde
                    infrastructuurvoorzieningen zoals rotondes, fietsstroken en verkeersdrempels te
                    bepalen op basis van normbedragen. Het dagelijks bestuur zal daartoe in een
                    nadere uitwerking een lijst van infrastructurele normbedragen vaststellen.</al><al/><al>Lid 5 geeft een opsomming van de kosten die in elk geval niet in aanmerking
                    worden genomen bij het bepalen van de subsidiabele projectkosten. Hierbij is
                    direct aansluiting gezocht bij het artikel 2, tweede lid van het besluit. In
                    afwijking van het besluit stelt sub c dat bouwrente niet subsidiabel wordt
                    geacht omdat er nauwelijks sprake is van rentekosten voor de subsidieontvanger
                    ter voorfinanciering van werkelijk gemaakte kosten tot moment van vaststelling
                    van de subsidie. De subsidieontvanger krijgt immers voldoende mogelijkheden
                    aangeboden om, in afstemming met de betalingstermijnen, voorschotverzoeken in te
                    dienen tot een groot deel van de verleende subsidie. </al><al>Lid 6 geeft aan dat subsidies op grond van deze verordening verleend worden in
                    de vorm van tekortsubsidies. Gelet op het karakter van de subsidies stelt sub a
                    dat kosten die naar de mening van het dagelijks bestuur ten laste van derden
                    kunnen worden gelegd niet betrokken worden bij de bepaling van de subsidiabele
                    projectkosten. Onder sub b worden inkomsten of opbrengsten van het project,
                    waarbij inbegrepen de exploitatie van de betrokken infrastructuur, in aftrek van
                    de subsidiabele projectkosten genomen, omdat de aanleg van
                    verkeersinfrastructuur in principe geen winstoogmerk kent.</al><al/><al>Artikel 3.6 </al><al/><al>Zoals reeds eerder gesteld bestaat de subsidieverlening uit drie fasen. Dit
                    artikel behandelt de voorwaarden die gesteld worden aan de eerste fase, het
                    verlenen van de subsidie. Het dagelijks bestuur stelt aan het verlenen van
                    infrastructuursubsidies in algemene zin de voorwaarde dat projecten in
                    kwalitatieve zin voldoen aan landelijk geldende richtlijnen zoals de Commissie
                    Richtlijnen Ontwerp Wegen (CROW). Daarnaast worden landelijke keurmerken inzake
                    specifieke voorzieningen als leidraad gehanteerd bij de subsidieverlening zoals
                    Fietsparkeur voor fietsenstallingen. </al><al/><al>Sub a van lid 1 bepaalt dat de subsidieaanvrager er zorg voor draagt dat binnen
                    twaalf maanden gestart is met de uitvoeringswerkzaamheden van het project,
                    teneinde de voortgang van projecten en daarmee de uitvoering van het regionale
                    verkeer- en vervoersbeleid te bevorderen.</al><al>Sub c stelt dat elementaire, tussentijdse wijzigingen niet zonder voorafgaande
                    goedkeuring van het dagelijks bestuur zijn toegestaan, zodat de inhoudelijke
                    kwaliteit en effectiviteit van projecten gewaarborgd zijn. Sub d richt zich op
                    het waarborgen van de continuïteit van het gebruik van de betrokken
                    infrastructuur voor het specifieke waarvoor subsidie is verleend door het vooraf
                    vaststellen van een minimum gebruikstermijn en deze als voorwaarde op te nemen
                    in de beschikking. De gestelde minimum gebruikstermijn is onder meer afhankelijk
                    van de aard en omvang van het project. Sub e bepaalt dat de subsidieaanvrager
                    enige spoed betaamt met de indiening van de eindverantwoording, teneinde de
                    voortgang in de besteding van de doeluitkering te bevorderen.</al><al>Het lid 2 bepaalt dat indien de subsidie inclusief BTW wordt verleend, als
                    voorwaarde kan worden gesteld dat de subsidieaanvrager op het moment van de
                    subsidieaanvraag een verzoek heeft ingediend bij de belastinginspecteur om
                    verrekening of terugvordering van verschuldigde BTW. Dit heeft tot gevolg dat
                    voorschotten ook inclusief BTW worden verleend. Het lid 3 bevat de gegevens die
                    in ieder geval in de beschikking worden opgenomen. De opsomming is derhalve niet
                    limitatief.</al><al/><al>Artikel 3.7</al><al/><al>Lid 1 geeft aan dat het dagelijks bestuur voorschotten kan verlenen. Op grond
                    van deze verordening zijn er twee grondslagen voor het verlenen van
                    voorschotten. Voor projecten waarvoor een uitvoeringstermijn van twaalf maanden
                    of meer geldt worden voorschotten op verzoek van de subsidieontvanger verleend
                    en in beginsel per kwartaal betaald. De voorschotverlening vindt plaats op basis
                    van ingediende declaraties. Door deze declaraties overlegt de subsidieontvanger
                    aantoonbare, werkelijk gemaakte kosten. Voor projecten waarvoor een
                    uitvoeringstermijn van minder dan twaalf maanden geldt, kan de subsidieontvanger
                    op grond van het vierde lid aannemelijke kosten overleggen in de vorm van
                    feitelijk aantoonbare prestatieverplichtingen die zij is aangegaan, zoals
                    formele opdrachtverleningen, dan wel de feitelijke aantoning dat deze
                    prestatieverplichtingen zijn voltooid, bijvoorbeeld in de vorm van
                    processen-verbaal van opneming. De voorschotten op grond van het vierde lid
                    worden verleend op basis van vooraf bepaalde mijlpalen, zijnde duidelijk
                    afgebakende onderdelen in het project welke en waarvan de realisatie feitelijk
                    vastgesteld kan worden. Voorbeelden van dergelijke mijlpalen zijn
                    uitvoeringstechnische hoofdfaseringen, gedeeltelijke ingebruiknames, de
                    realisatie van funderingen of de onderbouw en bovenbouw van kunstwerken.</al><al>Lid 2 bepaalt dat voorschotverleningen tot een substantieel deel, zijnde 90%,
                    van de verleende maximum subsidie betaald kunnen worden, waardoor bouwrente zo
                    veel mogelijk vermeden kan worden. Aan de laatste betalingstermijn bij
                    vaststelling van de subsidie, is in het lid 6 bovendien een maximum bedrag van
                    vijf miljoen euro gesteld. </al><al>Het lid 5 voorziet in de bevoegdheid van het dagelijks bestuur om, na een
                    gemotiveerd verzoek van de subsidieaanvrager, tot voorfinanciering van
                    VAT-kosten over te gaan. Het lid 7 voorziet in de mogelijkheid om, bij de eerste
                    voorschotverlening, een substantieel deel, zijnde 50%, van de in de beschikking
                    opgenomen bijdrage in de VAT-kosten betaalbaar te stellen. Deze betaling is de
                    vergoeding voor de aannemelijk gemaakte voorbereidings- en administratiekosten
                    tot en met de opdrachtverlening. </al><al>Lid 8 geeft aan dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft om jaarlijks, in
                    overleg met de subsidieontvanger, het in de beschikking opgenomen voorschotritme
                    aan te passen, zodat optimale afstemming in de financiële programmering mogelijk
                    wordt gemaakt. In geval een subsidieontvanger verzoekt om een sneller
                    voorschotritme, betrekt het dagelijks bestuur bij haar besluit de mate waarin de
                    subsidieontvanger tot dat moment aan haar subsidieverplichtingen heeft
                    voldaan.</al><al/><al>Artikel 3.9</al><al/><al>Artikel 3.9 bevat de mogelijkheden voor het dagelijks bestuur om de beschikking
                    tot subsidieverlening in te trekken of te wijzigen. Hiervoor is aansluiting
                    gezocht bij artikel 4:48 van de Awb (lid 1) en artikel 4:49 van de Awb (lid 2).
                    Naast de gronden zoals genoemd in artikel 4:48 van de Awb, kan de subsidie ook
                    worden ingetrokken danwel gewijzigd indien het doel waarvoor de subsidie is
                    verleend naar het oordeel van het dagelijks bestuur is komen te vervallen. De
                    intrekking of wijziging van de beschikking heeft op grond van het derde lid in
                    beginsel terugwerkende kracht.</al><al/><al>Artikel 3.10</al><al/><al>Lid 1 schrijft voor dat de subsidieontvanger binnen twaalf maanden na de
                    ingebruikname, niet zijnde een proefperiode of anderszins een beperkte
                    ingebruikname van de betrokken infrastructuur, een aanvraag tot vaststelling van
                    de subsidie indient. Deze ingebruikname dient de publieke ingebruikname te zijn.
                    Op grond van lid 2 dient een dergelijke aanvraag vergezeld te gaan van een
                    financiële eindverantwoording met bijbehorende accountantsverklaring en een
                    eindrapportage. </al><al/><al>Artikel 3.12</al><al/><al>Dit artikel heeft betrekking op de tweede fase in het proces van
                    subsidieverstrekking: het vaststellen van de subsidie. In het besluit tot het
                    vaststellen van de subsidie wordt bepaald wat precies het subsidiebedrag is waar
                    de subsidieontvanger recht op heeft. Dit is ook het bedrag dat aan de
                    subsidieontvanger zal worden uitgekeerd. </al><al>Het lid 3 betreft de vaststelling van de VAT-kosten. 50% van deze kosten wordt
                    vastgesteld op basis van het in de beschikking tot verlening van de subsidie
                    vermelde bedrag. Dit deel van de totale VAT-bijdrage wordt derhalve
                    onafhankelijk van de werkelijk gemaakte uitvoeringskosten, vastgesteld. Het
                    resterende deel van de VAT-kosten, betrekking hebbende op de kosten voor
                    toezicht en administratie na de opdrachtverlening, wordt betaald aan de hand van
                    de werkelijk gemaakte uitvoeringskosten in relatie tot de geraamde
                    uitvoeringskosten. Indien de werkelijk gemaakte uitvoeringskosten minder
                    bedragen dan de bij subsidieverlening geraamde uitvoeringskosten, wordt dit deel
                    van de forfaitair bepaalde VAT-kosten naar evenredigheid lager vastgesteld. </al><al/><al>Lid 4, 6 en 7 geven aan in welke gevallen de subsidie lager wordt vastgesteld
                    dan bij de subsidieverlening. In voorkomende gevallen kan lager vaststellen ook
                    betekenen dat de subsidie op nul wordt vastgesteld. Het lager vaststellen van de
                    subsidie kan ook betekenen dat de subsidieontvanger geld moet teruggeven als er
                    een voorschot is verstrekt, als bedoeld in lid 4.</al><al/><al>Lid 8 bepaalt dat in geval de subsidieontvanger niet binnen de gestelde termijn
                    een aanvraag tot vaststelling heeft ingediend, het dagelijks bestuur kan
                    overgaan tot ambtshalve vaststelling van de subsidie op basis van de tot op dat
                    moment verkregen projectinformatie. Daarbij krijgt de subsidieontvanger eenmalig
                    de mogelijkheid de werkelijk gemaakte kosten voor het project te
                    overleggen.</al><al>KLEINE PROJECTEN</al><al/><al>Artikel 4.1 </al><al/><al>Lid 1 schrijft voor dat niet direct tot een subsidieaanvraag kan worden gekomen,
                    maar dat een project eerst opgenomen dient te zijn in de planuitwerkingstabel
                    van het RIP. Aan de opname van een project in de planuitwerkingstabel ligt een
                    positief besluit van het dagelijks bestuur ten grondslag. Tot het moment van
                    subsidieaanvraag doorloopt elk project een drietal achtereenvolgende stappen:
                    verkenning, planstudie en planuitwerking.</al><al>Lid 2 bepaalt dat de subsidieaanvrager binnen de gestelde termijn tot
                    subsidieaanvraag komt, zodat de subsidieaanvrager enige spoed betaamt bij het
                    indienen van de subsidieaanvraag, teneinde de voortgang van projecten te
                    bevorderen. Daarnaast is vanuit het besluit bepaald dat de jaarlijkse
                    doeluitkering binnen een aantal jaren omgezet moet worden in
                    subsidieverplichtingen. De termijn van achttien maanden voor deze fase wordt
                    gezien als een redelijke termijn in verhouding met het totale proces van
                    subsidieverlening. </al><al>Lid 4 voorziet in de mogelijkheid voor de subsidieaanvrager de subsidieaanvraag
                    om moverende redenen op een later moment in te dienen dan achttien maanden na
                    opname in de planuitwerkingstabel. Van belang is hierbij op te merken dat een
                    dergelijk uitstelverzoek voor afloop van de termijn van achttien maanden moet
                    zijn ingediend.</al><al/><al>Artikel 4.2 </al><al/><al>Dit artikel schrijft voor welke gegevens de aanvrager bij een aanvraag voor een
                    subsidiebeschikking moet overleggen.</al><al/><al>Lid 1 bevat de, niet limitatieve, opsomming om tot een inhoudelijke
                    projectomschrijving te komen, waaronder het definitieve functionele programma
                    van eisen en de technische uitwerking daarvan in de vorm van het definitieve
                    ontwerp. Met definitief wordt gedoeld op het feit dat het daartoe bevoegde
                    bestuursorgaan van de subsidieaanvrager de onderliggende stukken heeft
                    vastgesteld. Uitgaande van een traditionele contractvorm bij aanbesteding, dient
                    de subsidieaanvraag gebaseerd te zijn op een definitief ontwerp. In geval de
                    subsidieaanvrager kiest voor een innovatieve contractvorm zoals ontwerp en bouw
                    en beheer, zal per situatie bekeken worden welke projectinformatie onderdeel van
                    de subsidieaanvraag dient te zijn. Onder de noodzakelijke procedures wordt
                    gedoeld op de te doorlopen procedures in het kader van de wet op de ruimtelijke
                    ordening, de geldende aanbestedingsreglementen en de regels ten aanzien van
                    duurzaam bouwen. Tevens vallen de interne procedures inzake besluitvorming en
                    financiering hier onder. </al><al/><al>Lid 2 bevat een opsomming van de financiële aspecten van een project, zodat bij
                    subsidieaanvraag voldoende zekerheid bestaat over een toereikende financiering
                    voor de realisatie en instandhouding het project. Bij de subsidieaanvraag
                    verklaart de subsidieaanvrager verantwoordelijk te zijn voor de
                    projectfinanciering en gaat hiermee een maximale inspanningsverplichting aan om
                    de voorgestelde financieringsopzet te bewerkstelligen. De kostenraming dient
                    onderbouwd te worden aan de hand van diverse kostenelementen. De begroting dient
                    gebaseerd te zijn op het prijspeil van moment van indiening van de
                    subsidieaanvraag, waardoor een toetsing op soberheid mogelijk is en een
                    grondslag ten behoeve van eventuele prijsindexering kan worden berekend. Met de
                    genoemde kosten die ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht,
                    worden reeds toegezegde bijdragen van derden bedoeld of projectkosten die, op
                    grond van sober- en doelmatigheid, niet in aanmerking komen voor subsidie. Te
                    denken valt hierbij aan kosten die een direct gevolg zijn van een ander project
                    of van bovenmatige eisen niet direct gerelateerd aan de functionaliteit van de
                    betrokken infrastructuur, zoals architectuur of ruimtelijke uitstraling. Ook
                    wordt van de subsidieaanvrager gevraagd een opgave te doen van aangevraagde, dan
                    wel reeds verleende subsidies. De subsidieaanvrager moet inzage verschaffen in
                    mogelijke opbrengsten van het project, waaronder begrepen de exploitatie van de
                    betrokken infrastructuur, zoals tol of betaald parkeren.</al><al/><al>Op grond van lid 3 dient de subsidieaanvrager voor het verstrekken van gegevens
                    gebruik te maken van het door het dagelijks bestuur vastgestelde formulier. Op
                    grond van het tweede lid van de Awb dient de aanvrager de gegevens en bescheiden
                    te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig ijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</al><al/><al>Artikel 4.3</al><al/><al>Dit artikel regelt de procedure indien de aanvrager, op grond van artikel 4.2,
                    niet alle projectgegevens overlegt op moment van de formele subsidieaanvraag.
                    Het dagelijks bestuur kan op grond van artikel 4:5 van de Awb besluiten de
                    aanvraag niet in behandeling te nemen. Om te voorkomen dat een dergelijke
                    situatie zich voordoet, mede gezien het belang van een subsideaanvraag, wordt
                    subsidieaanvragers geadviseerd een voorlopige, ambtelijke aanvraag in te dienen
                    voorafgaande aan de definitieve subsidieaanvraag.</al><al/><al>Artikel 4.4</al><al/><al>Dit artikel bepaalt de termijn waarbinnen het dagelijks bestuur, na ontvangst
                    van een volledige aanvraag, dient te beslissen op een aanvraag tot het verlenen
                    van een subsidiebeschikking.</al><al/><al>Lid 2 schrijft voor dat het dagelijks bestuur eenmalig de beslistermijn kan
                    verlengen met maximaal drie maanden. Hiertoe kan, onder meer, aanleiding zijn in
                    geval dat de complexiteit van de aanvraag daartoe aanleiding geeft. In beginsel
                    zal het dagelijks bestuur terughoudend zijn met het verlengen van de
                    beslistermijn. </al><al/><al>Lid 3, 4 en 5 geven de gronden aan op basis waarvan de gevraagde
                    subsidieverlening kan worden geweigerd. Dit zijn dezelfde gronden als voor een
                    middelgroot project. </al><al/><al>Artikel 4.5</al><al/><al>Het dagelijks bestuur heeft op grond van lid 1 de bevoegdheid om
                    subsidieaanvragen inhoudelijk te beoordelen op aspecten van een doelmatige en
                    sobere uitvoering. Daarbij wordt expliciet aansluiting gezocht bij de wijze
                    waarop het rijk zelf op grond van artikel 7 eerste en tweede lid van het besluit
                    subsidies verleend. Deze benaderingswijze maakt het tevens mogelijk te voldoen
                    aan artikel 40 van het besluit waarin bepaald is dat een subsidieverlener zich
                    jegens het rijk dient te verantwoorden ten aanzien van een doelmatige besteding
                    van de doeluitkering. </al><al/><al>In lid 2 wordt een opsomming gegeven van de bij de verlening en vaststelling van
                    de subsidie in aanmerking te nemen kostensoorten. De definiëring van de diverse
                    kostenelementen kent als uitgangspunt hetgeen onder artikel 5, lid 1 en 2 van
                    het besluit is bepaald. Voor een aantal kostensoorten geldt dat de
                    subsidiabiliteit gemaximeerd is vanuit het oogpunt van een doelmatige en sobere
                    uitvoering van de projecten. Met het oog op een zo uniform mogelijke toetsing
                    van de verschillende kostensoorten, kan het dagelijks bestuur, in aanvulling op
                    deze verordening, specifieke beleidsregels en richtlijnen voor individuele
                    kostensoorten opstellen.</al><al>Voor de genoemde kostensoorten geldt in algemene zin dat zij voor een
                    subsidiebijdrage in aanmerking komen voor zover zij een direct gevolg van de
                    realisatie van het project zijn. Daarnaast is een redelijkheidsprincipe van
                    toepassing; de in aanmerking te nemen kosten moeten naar de mening van het
                    dagelijks bestuur in redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van het
                    project. </al><al>Onder sub a vallen onder materialen en werkzaamheden alle kosten die samenhangen
                    met de aanleg, wijziging of inrichting van een project. Met bijkomende
                    voorzieningen zoals genoemd onder sub b wordt gedoeld op onder meer
                    niet-verwijtbare stagnatiekosten. Sub b bepaalt dat in principe alle bijkomende
                    voorzieningen subsidiabel zijn. Indien er sprake is van (gedeeltelijke)
                    vervanging van een essentiële voorziening zoals een verkeersregelinstallatie
                    wordt het profijtbeginsel ´nieuw voor oud´ toegepast. Bij de bepaling van het
                    subsidiabele deel van de kosten wordt de economische restwaarde hierop in
                    mindering gebracht. Sub c voorziet in de mogelijkheid van het dagelijks bestuur
                    om in voorkomende gevallen te beoordelen in hoeverre sprake is van
                    schadevergoedingen aan derden. Daarbij wordt gedoeld op de (wettelijke)
                    verplichitng van overheden om nadeelcompensatie te verlenen aan burgers die door
                    rechtmatig publiekrechtelijk handelen in hun belangen worden getroffen.
                    Uiteraard houdt dit artikel niet in dat indien schade ontstaat door onrechtmatig
                    handelen of tekortkomingen in de nakoming door de subsidieaanvrager deze zal
                    worden vergoed. Naar redelijkheid wordt nadeel dat moet worden gecompenseerd,
                    zoals percelen, planschade (waardevermindering van onroerende zaken) en
                    economische schade (inkomstenderving) die een direct gevolg zijn van de
                    realisatie van het project tot subsidiabele kosten gerekend. De kosten van het
                    verleggen of vervangen van kabels en leidingen welke in eigendom of beheer zijn
                    bij derden (nutsbedrijven) wordt in dit kader eveneens beschouwd als
                    schadevergoeding, voor zover de kosten gemaakt zijn door de eigenaar of
                    beheerder. De schade wordt echter uitsluitend vergoed voorzover de eigenaar of
                    beheerder van de kabels of leidingen krachtens een onherroepelijke uitspraak
                    niet gehouden is om de verlegging te voldoen. Artikel 5.7 van de
                    Telecommunicatiewet heeft immers het beginsel neergelegd dat wie “om niet” ligt
                    ook “om niet” moet wijken. Dit beginsel houdt in dat de aanbieder van een
                    openbaar telecommunicatienetwerk verplicht is op eigen kosten tot verplaatsing
                    van kabels ten dienst van het netwerk over te gaan, indien de verplaatsing nodig
                    is voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege
                    degenen op wie de gedoogplicht van artikel 5.1 van de Telecommunicatiewet rust.
                    Voorlichtingskosten zoals bedoeld onder sub d komen in aanmerking voor een
                    bijdrage indien de voorlichting gericht is op het creëren van draagvlak voor het
                    project en bijdraagt aan de vermindering van de overlast voor betrokkenen. Sub e
                    schrijft voor dat een subsidieaanvrager in aanmerking kan komen voor een
                    bijdrage in de wettelijk verschuldigde omzetbelasting, voor zover deze niet kan
                    worden verrekend of teruggevorderd (de zogenaamde ondernemers BTW) en zolang de
                    Wet op het BTW-compensatiefonds leidt tot uitname in het gemeente- en
                    provinciefonds. Met dit laatste wordt de kostenneutraliteit van de wet op het
                    BTW-compensatiefonds voor de subsidieaanvrager gewaarborgd. Subsidieaanvragers
                    kunnen op voet van de belastingwet de niet-verrekenbare BTW volledig vergoed
                    krijgen via het BTW-compensatiefonds. De in de subsidiebijdrage inbegrepen
                    bedrag voor verschuldigde BTW compenseert voor de subsidieaanvrager in dat geval
                    het nadelig effect van de uitname van gemeente- en provinciefonds. </al><al>Indien de subsidie inclusief BTW wordt verleend kan als voorwaarde worden
                    gesteld dat de subsidieontvanger op het moment van de subsidieaanvraag een
                    verzoek heeft ingediend bij de belastinginspecteur om verrekening of
                    terugvordering van verschuldigde BTW. Dit heeft tot gevolg dat voorschotten ook
                    inclusief BTW worden verleend. De subsidie wordt inclusief BTW vastgesteld onder
                    de voorwaarde en voorzover bij de eindverantwoording een accountantsverklaring
                    met betrekking tot betaalde, niet-verrekenbare BTW wordt ingediend. Onder sub f
                    wordt gesteld dat kosten van vergunningen en leges in aanmerking komen voor een
                    bijdrage, voor zover deze in rekening worden gebracht door een derde, niet
                    zijnde het eigen apparaat of daaraan verbonden instanties van de
                    subsidieaanvrager. Kosten van verwerving van onroerend goed zoals bedoeld onder
                    sub g zijn subsidiabel zover sprake is van onttrekking aan een winstgevende
                    bestemming. Voor de verwerving van gronden geldt dat deze niet langer dan tien
                    jaar voor moment van subsidieaanvraag moet hebben plaatsgevonden en dat de
                    verwerving aantoonbaar ten behoeve van het project is geweest. Tot onroerend
                    goed wordt gerekend: grond, opstallen, afkoopsommen en transactiekosten. Onder
                    sub h wordt bepaald dat de VAT-kosten forfaitair worden vergoed tot maximaal 16%
                    van de voor subsidie in aanmerking komende uitvoeringskosten, zijnde de
                    subsidiabele projectkosten zoals genoemd onder sub a, b en c. Als leidraad voor
                    de kosten die onder VAT-kosten worden verstaan worden alle werkzaamheden die in
                    de Regeling van de Verhouding tussen opdrachtgever en adviserend
                    Ingenieursbureau worden genoemd, gehanteerd. De berekening en vaststelling van
                    de VAT-kosten vindt in twee delen plaats. Het eerste deel van de VAT-kosten
                    heeft betrekking op de kosten gemaakt tot en met de opdrachtverlening. Het
                    tweede deel betreft de kosten vanaf opdrachtverlening tot en met de
                    eindverantwoording van het project. De vergoeding vind plaats op overeenkomstige
                    wijze als voor middelgrote projecten (artikel 3.5 en 3.7). In artikel 4.12,
                    derde lid, is deze tweedeling vastgelegd.</al><al>Onder sub i worden kosten voor het verleggen en/of vervangen van bestaande
                    kabels en leidingen volledig, dan wel gedeeltelijk subsidiabel gesteld. Op grond
                    van artikel 9, tweede lid, van het besluit wordt rekening gehouden met het
                    juridische regime, waaronder de kabels of leidingen liggen. Zo kan rekening
                    worden gehouden met bestaande overeenkomsten tussen de grondeigenaar en de
                    beheerder/eigenaar van de kabels en leidingen. Indien laatstgenoemde recht heeft
                    op een vergoeding, zijn deze kosten op grond van sub c subsidiabel als
                    schadevergoeding aan derden. De schade wordt echter uitsluitend vergoed
                    voorzover de eigenaar of beheerder van de kabels of leidingen krachtens een
                    onherroepelijke uitspraak niet gehouden is om de verlegging te voldoen. Artikel
                    5.7 van de Telecommunicatiewet heeft immers het beginsel neergelegd dat wie “om
                    niet” ligt ook “om niet” moet wijken. Dit beginsel houdt in dat de aanbieder van
                    een openbaar telecommunicatienetwerk verplicht is op eigen kosten tot
                    verplaatsing van kabels ten dienst van het netwerk over te gaan, indien de
                    verplaatsing nodig is voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van
                    werken door of vanwege degenen op wie de gedoogplicht van artikel 5.1 van de
                    Telecommunicatiewet rust. Kosten voor het verleggen van kabels en leidingen ten
                    behoeve van het project blijven volledig subsidiabel, ongeacht de hoogte van de
                    kosten. Indien bij de te verleggen kabels en leidingen gelijktijdig sprake is
                    van vervanging, wordt 50% van deze vervangingskosten niet-subsidiabel geacht,
                    onder toepassing van het profijtbeginsel ´nieuw voor oud´. Op deze wijze wordt
                    het (gemiddelde) profijt van de eigenaar van de te vervangen kabels en leidingen
                    op 50% gesteld. Lid l betreft mitigerende maatregelen, zijnde
                    niet-infrastrucurele maatregelen zoals milieucompenserende voorzieningen. Sub k
                    bepaald dat groenvoorzieningen in aanmerking komen voor een bijdrage, met
                    uitzondering van opgelegde compenserende maatregelen waarvan de kosten onder de
                    noemer mitigerende maatregelen (sub l) vallen.</al><al/><al>Lid 4 bepaalt dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft om de hoogte van de
                    subsidiabele kosten van individuele, gestandaardiseerde
                    infrastructuurvoorzieningen zoals rotondes, fietsstroken en verkeersdrempels te
                    bepalen op basis van normbedragen. Het dagelijks bestuur zal daartoe in een
                    nadere uitwerking een lijst van infrastructurele normbedragen vaststellen.</al><al/><al>Lid 5 geeft een opsomming van de kosten die in elk geval niet in aanmerking
                    worden genomen bij het bepalen van de subsidiabele projectkosten. Hierbij is
                    direct aansluiting gezocht bij het artikel 2, tweede lid van het besluit. In
                    afwijking van het besluit stelt sub c dat bouwrente niet subsidiabel wordt
                    geacht omdat er nauwelijks sprake is van rentekosten voor de subsidieontvanger
                    ter voorfinanciering van werkelijk gemaakte kosten tot moment van vaststelling
                    van de subsidie. De subsidieontvanger krijgt immers voldoende mogelijkheden
                    aangeboden om, in afstemming met de betalingstermijnen, voorschotverzoeken in te
                    dienen tot een groot deel van de verleende subsidie. </al><al>Lid 6 geeft aan dat subsidies op grond van deze verordening verleend worden in
                    de vorm van tekortsubsidies. Gelet op het karakter van de subsidies stelt sub a
                    dat kosten die naar de mening van het dagelijks bestuur ten laste van derden
                    kunnen worden gelegd niet betrokken worden bij de bepaling van de subsidiabele
                    projectkosten. Onder sub b worden inkomsten of opbrengsten van het project,
                    waarbij inbegrepen de exploitatie van de betrokken infrastructuur, in aftrek van
                    de subsidiabele projectkosten genomen, omdat de aanleg van
                    verkeersinfrastructuur in principe geen winstoogmerk kent.</al><al/><al>Artikel 4.6 </al><al/><al>Zoals reeds eerder gesteld verloopt de verstrekking van subsidies in drie fasen.
                    Dit artikel behandelt de voorwaarden die gesteld worden aan de eerste fase, het
                    verlenen van de subsidie. Het dagelijks bestuur stelt aan het verlenen van
                    infrastructuursubsidies in algemene zin de voorwaarde dat projecten in
                    kwalitatieve zin voldoen aan landelijk geldende richtlijnen zoals de Commissie
                    Richtlijnen Ontwerp Wegen (CROW). Daarnaast worden landelijke keurmerken inzake
                    specifieke voorzieningen als leidraad gehanteerd bij de subsidieverlening zoals
                    Fietsparkeur voor fietsenstallingen. </al><al/><al>Sub a van lid 1 bepaalt dat de subsidieaanvrager er zorg voor draagt dat binnen
                    zes maanden gestart is met de uitvoeringswerkzaamheden van het project, teneinde
                    de voortgang van projecten en daarmee de uitvoering van het regionale verkeer-
                    en vervoersbeleid te bevorderen. Sub c stelt dat elementaire, tussentijdse
                    wijzigingen niet zonder voorafgaande goedkeuring van het dagelijks bestuur zijn
                    toegestaan, zodat de inhoudelijke kwaliteit en effectiviteit van projecten
                    gewaarborgd zijn. Sub d richt zich op het waarborgen van de continuïteit van het
                    gebruik van de betrokken infrastructuur voor het specifieke waarvoor subsidie is
                    verleend door het vooraf vaststellen van een minimum gebruikstermijn en deze als
                    voorwaarde op te nemen in de beschikking. De gestelde minimum gebruikstermijn is
                    onder meer afhankelijk van de aard en omvang van het project. Sub g bepaalt dat
                    de subsidieaanvrager enige spoed betaamt met de indiening van de
                    eindverantwoording, teneinde de voortgang in de besteding van de doeluitkering
                    te bevorderen.</al><al/><al/><al>Artikel 4.7</al><al/><al>Lid 1 geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorschot kan verlenen. Op grond
                    van het tweede lid kan het dagelijks bestuur op basis van overlegde,
                    aannemelijke kosten een voorschot verlenen. De momenten waarop een aanvraag om
                    verlening van een voorschot kan worden ingediend is bij de start van de
                    uitvoering, dan wel ingebruikname met overlegging van respectievelijk de formele
                    opdrachtverlening en het proces-verbaal van opneming van relevante onderdelen
                    van het project. Op grond van het derde lid kan een voorschot van maximaal 50%
                    worden verleend voor de aannemelijk gemaakte voorbereidings- en
                    administratiekosten tot en met de opdrachtverlening. </al><al/><al>Artikel 4.9</al><al/><al>Artikel 4.9 bevat de mogelijkheden voor het dagelijks bestuur om de beschikking
                    tot subsidieverlening in te trekken of te wijzigen. Hiervoor is aansluiting
                    gezocht bij artikel 4:48 van de Awb (lid 1) en artikel 4:49 van de Awb (lid 2).
                    Naast de gronden zoals genoemd in artikel 4:48 van de Awb, kan de subsidie ook
                    worden ingetrokken danwel gewijzigd indien het doel waarvoor de subsidie is
                    verleend naar het oordeel van het dagelijks bestuur is komen te vervallen.</al><al>De intrekking of wijziging van de beschikking heeft op grond van het vierde lid
                    in beginsel terugwerkende kracht.</al><al/><al>Artikel 4.10</al><al/><al>Lid 1 schrijft voor dat de subsidieontvanger binnen zes maanden na de
                    ingebruikname, niet zijnde een proefperiode of anderszins een beperkte
                    ingebruikname van de betrokken infrastructuur, een aanvraag tot vaststelling van
                    de subsidie indient. Deze ingebruikname dient de publieke ingebruikname te zijn.
                    Op grond van lid 2 dient een dergelijke aanvraag vergezeld te gaan van een
                    financiële eindverantwoording met bijbehorende, originele accountantsverklaring
                    en een eindrapportage. De accountantsverklaring hoeft niet gerelateerd te zijn
                    aan één project. Een accountantsverklaring mag betrekking hebben op meerdere
                    projecten, voor zover voor elk project separaat een goedgekeurde financiële
                    verantwoording opgesteld is. </al><al/><al>Artikel 4.12</al><al/><al>Dit artikel heeft betrekking op de tweede fase in het proces van
                    subsidieverstrekking: het vaststellen van de subsidie. In het besluit tot het
                    vaststellen van de subsidie wordt bepaald wat precies het subsidiebedrag is waar
                    de subsidieontvanger recht op heeft. Dit is ook het bedrag dat aan de
                    subsidieontvanger zal worden uitgekeerd. </al><al>Op grond van het vierde lid en verder kan de subsidie lager worden vastgesteld.
                    Deze regeling is gelijk aan hetgeen gesteld in artikel 3.12. Voor de toelichting
                    wordt dan ook verwezen naar de toelichting bij artikel 3.12. In voorkomende
                    gevallen kan lager vaststellen ook betekenen dat de subsidie op nul wordt
                    vastgesteld. </al><al>Het lid 3 betreft de vaststelling van de VAT-kosten. 50% van deze kosten wordt
                    vastgesteld op basis van het in de beschikking tot verlening van de subsidie
                    vermelde bedrag. Dit deel van de totale VAT-bijdrage wordt derhalve
                    onafhankelijk van de werkelijk gemaakte uitvoeringskosten, vastgesteld. Het
                    resterende deel van de VAT-kosten, betrekking hebbende op de kosten voor
                    toezicht en administratie na de opdrachtverlening, wordt betaald aan de hand van
                    de werkelijk gemaakte uitvoeringskosten in relatie tot de geraamde
                    uitvoeringskosten. Indien de werkelijk gemaakte uitvoeringskosten minder
                    bedragen dan de bij subsidieverlening geraamde uitvoeringskosten, wordt dit deel
                    van de forfaitair bepaalde VAT-kosten naar evenredigheid lager vastgesteld. Het
                    lager vaststellen van de subsidie kan ook betekenen dat de subsidieontvanger
                    geld moet teruggeven als er een voorschot is verstrekt.</al><al/><al>Lid 8 bepaalt dat in geval de subsidieontvanger niet binnen de gestelde termijn
                    een aanvraag tot vaststelling heeft ingediend, het dagelijks bestuur kan
                    overgaan tot ambtshalve vaststelling van de subsidie op basis van de tot op dat
                    moment verkregen projectinformatie. Daarbij krijgt de subsidieontvanger eenmalig
                    de mogelijkheid de werkelijk gemaakte kosten voor het project te
                    overleggen.</al><al>STUDIEPROJECTEN</al><al/><al>Artikel 5.1 </al><al/><al>Lid 1 geeft aan welke studieprojecten in aanmerking komen voor een subsidie.
                    Onder sub a gaat het om beleidsmatige studieprojecten op het gebied van
                    infrastructuur die zijn opgenomen in het vigerende Uitvoeringsprogramma RVVP en
                    die bijdragen aan de regionale doelstellingen. Onder b gaat het om
                    infrastructuurprojecten, waarvoor het nodig is, conform de werkwijze van het ROA
                    , om een verkennende studie uit te voeren, op basis waarvan moet blijken of er
                    voldoende nut en noodzaak is om het probleem nader te onderbouwen. Op basis van
                    een dergelijke studie kan het dagelijks bestuur van het ROA besluiten om het
                    project op te nemen in de planstudie (middelgrote projecten) of de
                    planuitwerkingstabel (kleine projecten) van het RIP. Onderdeel sub c maakt het
                    mogelijk om evaluatiestudies te subsidiëren nadat een infrastructuurproject in
                    gebruik is genomen. In overleg met de betreffende wegbeheerder kan worden
                    besloten dat het zinvol is en meerwaarde heeft om een projectevaluatie uit te
                    voeren. Het gaat dan specifiek om de infrastructuurprojecten welke zijn
                    opgenomen (geweest) in de realisatietabel van het Regionaal Infrastructuur
                    Programma. Voor de middelgrote projecten kan in de beschikking voor de
                    uitvoering van het betreffende project ook een verplichting zijn opgenomen om
                    een evaluatiestudie uit te voeren.</al><al/><al>Lid 2 stelt dat de subsidieaanvrager een aanvraag in moet dienen bij het
                    dagelijks bestuur om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie. Ook de
                    aanvraag om opname in het uitvoeringsprogramma van het RVVP dient bij het
                    dagelijks bestuur ingediend te worden. Voor een aanvraag op grond van onderdeel
                    sub c van lid 1 moet gebruik worden gemaakt van het informatieprofiel zoals
                    opgenomen in de Handleiding subsidie-aanvragen. </al><al/><al>Artikel 5.2 </al><al/><al>Lid 1 bevat de opsomming van de gegevens die ten minste overgelegd dienen te
                    worden bij de subsidieaanvraag, waaronder een beschrijving van de inhoud en
                    opzet van en de eisen die worden gesteld aan de studie, het projectdoel, beoogd
                    resultaat en begrenzing, randvoorwaarden en aandachtspunten. Daarnaast dient te
                    worden ingegaan op de aanleiding en de nut en noodzaak van de studie. Een
                    belangrijk onderdeel is de werkwijze en de planning, de organisatie en de
                    betrokken partijen. De opsomming is echter niet limitatief. In specifieke
                    gevallen is het dan ook mogelijk dat gevraagd wordt naar aanvullende informatie
                    en gegevens, welke nodig zijn voor het dagelijks bestuur om tot een beoordeling
                    te komen.</al><al/><al>Lid 2 bevat een opsomming van de financiële aspecten van een project. Voor de
                    studieprojecten gaat het voornamelijk om de raming van de kosten, met een
                    onderverdeling naar kostensoorten voor de diverse onderdelen van de studie.
                    Daarbij dient te worden aangegeven welke kosten ten laste van andere
                    kostendragers kunnen worden gebracht en moet een opgave van de bijdragen uit
                    andere subsidieregelingen en de eigen bijdrage in de kostenraming worden
                    opgenomen.</al><al/><al>Artikel 5.3 </al><al/><al>Dit artikel regelt de procedure indien de aanvrager, op grond van artikel 5.2,
                    niet alle projectgegevens overlegt op moment van de formele subsidieaanvraag.
                    Het dagelijks bestuur kan op grond van artikel 4:5 van de Awb besluiten de
                    aanvraag niet in behandeling te nemen. Om te voorkomen dat een dergelijke
                    situatie zich voordoet, mede gezien het belang van een subsidieaanvraag, wordt
                    subsidieaanvragers geadviseerd een voorlopige, ambtelijke aanvraag in te dienen
                    voorafgaande aan de definitieve subsidieaanvraag.</al><al/><al>Artikel 5.4 </al><al/><al>Dit artikel bepaalt de termijn waarbinnen het dagelijks bestuur, na ontvangst
                    van een volledige aanvraag, dient te beslissen op een aanvraag tot het verlenen
                    van een subsidiebeschikking. Deze termijn is gesteld op drie maanden.
                    Uitgangspunt is dat het dagelijks bestuur binnen deze termijn een besluit kan
                    nemen. Lid 2 bepaalt echter dat het dagelijks bestuur eenmalig de beslistermijn
                    kan verlengen met maximaal drie maanden. Hiertoe kan, onder meer, aanleiding
                    zijn in geval dat de complexiteit van de aanvraag daartoe aanleiding geeft. In
                    beginsel zal het dagelijks bestuur terughoudend zijn met het verlengen van de
                    beslistermijn. </al><al/><al>Lid 3 geeft aan dat de gevraagde subsidieverlening kan worden geweigerd, indien
                    een van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 4:35 Awb van toepassing is.
                    Lid 5 voegt hier echter drie weigeringsgronden aan toe, namelijk of de
                    verwachting is dat de projectevaluatie onvoldoende meerwaarde heeft en geen
                    nieuwe inzichten oplevert of de aanvraag in onvoldoende mate bijdraagt aan de
                    doelstellingen zoals opgenomen in het vigerende RVVP en of de sudie niet reeds
                    ten tijde van de aanvraag is afgerond. </al><al/><al>De aanvraag aan het dagelijks bestuur van het ROA om het studieproject op te
                    nemen in de uitwerkingstabel van het RIP is gelijk aan het moment van aanvraag
                    voor een subsidiebijdrage. Na het besluit van het ROA wordt de studie opgenomen
                    in de uitwerkingstabel. Opname in deze tabel betekent dat het ROA akkoord is met
                    het nut en de noodzaak van de studie en de aanpak onderschrijft. Hiermee
                    verplicht het ROA zich tot een voorlopig subsidiebedrag. Een subsidiebedrag
                    wordt nog niet beschikbaar gesteld, slechts een indicatief bedrag wordt
                    opgenomen in het RIP, op basis van de kostenraming in het Plan van Aanpak.</al><al/><al>Artikel 5.5 </al><al/><al>Zoals reeds eerder gesteld verloopt de verstrekking van subsidies in drie fasen.
                    Dit artikel behandelt de voorwaarden die gesteld worden aan de eerste fase, het
                    verlenen van de subsidie. Een van de voorwaarden die aan de
                    subsidieverleningbeschikking zal worden verbonden is dat wijzigingen aan het
                    dagelijks bestuur ter goedkeuring dienen te worden voorgelegd, voor zover die
                    wijzigingen van invloed zijn op het doel, de effectiviteit, de kwaliteit of de
                    fasering van de studie (sub a). Sub b bepaalt dat de subsidieontvanger een
                    eindrapportage moet indienen. Op grond van onderdeel c dient binnen drie maanden
                    na het indienen van de eindrapportage een accountantsverklaring te worden
                    ingediend. Hiermee wordt beoogd dat de subsidieaanvrager enige spoed betaamt met
                    de indiening van de eindverantwoording, teneinde de voortgang in de besteding
                    van de doeluitkering te bevorderen. Lid 2 geeft inzicht in de elementen welke in
                    ieder geval zijn opgenomen in de beschikking.</al><al/><al>Artikel 5.6 </al><al/><al>Lid 1 van artikel 5.12 geeft aan dat betaling van de subsidie zoals vastgesteld
                    in de subsidievaststellingsbeschikking uiterlijk vier weken na de vaststelling
                    van de subsidie wordt uitgekeerd. Hiervoor dient het dagelijks bestuur, op grond
                    van artikel 5.9, in het bezit te zijn van zowel de eindrapportage en de
                    accountantverklaring. In bepaalde omstandigheden is het echter voor de
                    subsidieontvanger mogelijk om een voorschot te verkrijgen. Op verzoek van de
                    subsidieontvanger kan maximaal één voorschotbetaling plaats vinden en wel op
                    moment van de start van de uitvoering of de oplevering van het project. De
                    hoogte van het voorschot is maximaal 50% van de bij de beschikking verleende
                    subsidie. Lid 2 bepaalt dat het voorschot in dat geval binnen vier weken na
                    dient te worden.</al><al/><al>Artikel 5.7</al><al/><al>Artikel 5.7 bevat de mogelijkheden voor het dagelijks bestuur om de beschikking
                    tot subsidieverlening in te trekken of te wijzigen. Hiervoor is aansluiting
                    gezocht bij artikel 4:48 van de Awb (lid 1) en artikel 4:49 van de Awb (lid 2).
                    Naast de gronden zoals genoemd in artikel 4:48 van de Awb, kan de subsidie ook
                    worden ingetrokken danwel gewijzigd indien het doel waarvoor de subsidie is
                    verleend naar het oordeel van het dagelijks bestuur is komen te vervallen. De
                    intrekking of wijziging van de beschikking heeft op grond van het vierde lid in
                    beginsel terugwerkende kracht.</al><al/><al>Artikel 5.8</al><al/><al>Lid 1 schrijft voor dat de subsidieontvanger binnen zes maanden na het indienen
                    van de eindrapportage bedoeld in artikel 5.3 een aanvraag tot het vaststellen
                    van de subsidie indient bij het dagelijks bestuur. Op grond van lid 2 dient een
                    degelijke aanvraag vergezeld te gaan van een financiële eindverantwoording met
                    bijbehorende accountantsverklaring en een eindrapportage. </al><al/><al>Artikel 5.9 </al><al/><al>Dit artikel heeft betrekking op de tweede fase in het proces van
                    subsidieverstrekking: het vaststellen van de subsidie. In het besluit tot het
                    vaststellen van de subsidie wordt bepaald wat precies het subsidiebedrag is waar
                    de subsidieontvanger recht op heeft. Dit is ook het bedrag dat aan de
                    subsidieontvanger zal worden uitgekeerd. </al><al/><al>Op grond van lid 2, 4 en 5 kan de subsidie lager worden vastgesteld. Deze
                    regeling is gelijk aan hetgeen gesteld in artikel 3.12. Voor de toelichting
                    wordt dan ook verwezen naar de toelichting bij artikel 3.12. In voorkomende
                    gevallen kan lager vaststellen ook betekenen dat de subsidie op nul wordt
                    vastgesteld. Het lager vaststellen van de subsidie kan ook betekenen dat de
                    subsidieontvanger geld moet teruggeven als er een voorschot is verstrekt.</al><al/><al>Lid 6 bepaalt dat in geval de subsidieontvanger niet binnen de gestelde termijn
                    een aanvraag tot vaststelling heeft ingediend, het dagelijks bestuur kan
                    overgaan tot ambtshalve vaststelling van de subsidie op basis van de tot op dat
                    moment verkregen projectinformatie. Daarbij krijgt de subsidieontvanger eenmalig
                    de mogelijkheid de werkelijk gemaakte kosten voor het project te
                    overleggen.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>