<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR312892_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Epe 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Veluws Nieuws, 31-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Epe 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet art. 149, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, de beleidsregels kwaliteit peuterspeelzalen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013-37407</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Epe
            2013
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>DE RAAD DER GEMEENTE EPE</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al>
          <al/>
          <al>overwegende dat het gewenst is in aanvulling op de Wet kinderopvang en
                        kwaliteitseisen peuterspeelzalen, en de Beleidsregels kwaliteit
                        peuterspeelzalen nadere eisen te stellen aan de inrichting van
                        peuterspeelzalen;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>BESLUIT</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Epe 2013</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepaling</titel>
          </kop>
          <al>In deze verordening wordt verstaan onder peuterspeelzaal hetgeen daaronder
                        wordt verstaan in de Wet kinderopvang en Beleidsregels kwaliteit
                        kinderopvang en peuterspeelzalen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Groepspeelruimte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In een peuterspeelzaal is voor ieder kind minimaal 3,5 m2
                            bruto-oppervlakte aan groepsspeelruimte beschikbaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de
                            leeftijd van de op te vangen kinderen. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Buitenspeelruimte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De peuterspeelzaal beschikt over aangrenzende buitenspeelruimte. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De buitenspeelruimte voldoet aan de volgende eisen: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar; </al></li>
              <li nr="b."><al>een oppervlakte van minimaal 3 m2 bruto-oppervlakte speelruimte
                                    per aanwezig kind; </al></li>
              <li nr="c."><al>ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen
                                    kinderen. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Aanwijzing toezichthouders</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving van de bij deze
                            verordening gestelde regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Burgemeester en wethouders wijzen de directeur van de GGD aan als
                            toezichthouder.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2,
                            eerste lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                            of de instandhouding redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming
                            met de voorschriften uit deze verordening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de
                            exploitatie van een peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met
                            de voorschriften uit deze verordening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
                            toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving van de
                            bij deze verordening gestelde voorschriften.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Vastleggen onderzoeksresultaten</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek
                            bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens
                            artikel 2 en 3 gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden
                            nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder
                            in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover
                            zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de
                            zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder,
                            die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een
                            voor ouders en personeel toegankelijke plaats.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de
                            vaststelling daarvan openbaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>De toezichthouder stelt burgemeester en wethouders in kennis van de
                            vaststelling van het rapport.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Vierogenprincipe</titel>
          </kop>
          <al>De houder van een peuterspeelzaal organiseert het peuterspeelzaalwerk op
                        zodanige wijze, dat de beroepskracht of de beroepskracht in opleiding de
                        werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan
                        worden door een andere volwassene.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Burgemeester en wethouders kunnen artikel 2 en 3 buiten toepassing laten of
                        daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van kwalitatief
                        verantwoorde opvang voor kinderen in een peuterspeelzaal leidt tot een
                        onbillijkheid van overwegende aard.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Overgangsbepaling</titel>
          </kop>
          <al>Binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze verordening voldoet de
                        houder van een peuterspeelzaal aan de voorschriften uit deze
                        verordening.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar
                        bekendmaking. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: </al>
          <al>“Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Epe
                        2013”.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 12 december 2013.</ondertekening>
        <ondertekening>Epe, 12 december 2013</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening>
        <ondertekening>de voorzitter, Ir. H. van der Hoeve MPA.</ondertekening>
        <ondertekening> de griffier, V. Smit.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Nota-toelichting</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Algemene toelichting</vet>
        </al>
        <al>Op 1 augustus 2010 trad de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                    (hierna: de Wet) in werking. Het doel van deze Wet is om jonge kinderen in
                    peuterspeelzalen en kindercentra een veilig en stimulerende omgeving te bieden.
                    (Voorheen de Wet kinderopvang [zie Staatsblad 2010,296])</al>
        <al>Eén van de onderliggende doelstellingen van de nieuwe Wet is de regelgeving over
                    peuterspeelzalen te harmoniseren met de kinderdagopvang. Hierdoor ontstaat een
                    landelijk kwaliteitskader voor zowel de peuterspeelzalen als de kinderdagopvang
                    met minimum kwaliteitseisen. In de Wet zijn dan ook een aantal minimale eisen
                    voor de peuterspeelzalen vastgelegd en is tevens aan de minister de bevoegdheid
                    gegeven aanvullende regelgeving voor de kwaliteit in een Algemene maatregel van
                    Bestuur vast te leggen (AmvB). Van deze bevoegdheid is tot op heden geen gebruik
                    gemaakt omdat de partijen een convenant hebben afgesloten waarin de
                    kwaliteitseisen voor de houders van peuterspeelzalen nader zijn uitgewerkt.
                    (Verantwoord peuterspeelzaalwerk: een eerste stap naar de toekomst, Convenant
                    Kwaliteit peuterspeelzaalwerk d.d. 9 november 2009)</al>
        <al>De eisen in het convenant hebben als uitgangpunt gediend voor de Beleidsregels
                    kwaliteit peuterspeelzalen (hierna: Beleidsregels) van de minister van
                    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Echter, in deze Beleidsregels zijn geen
                    eisen opgenomen ten aanzien van ruimte en inrichting van de peuterspeelzalen.
                    Bij het opstellen van de modelverordening ruimte- en inrichtingseisen
                    peuterspeelzalen is aangesloten bij het convenant en de Beleidsregels
                    kwaliteitseisen kinderopvang.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Ruimte en inrichting</vet>
        </al>
        <al>Kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen kan niet zonder het stellen van
                    kwaliteitseisen. Eisen inzake ruimte en inrichting vormen hier een essentieel
                    onderdeel van. De eerste levensjaren van een kind zijn belangrijk voor de
                    ontwikkeling van de cognitieve, de sociaal-emotionele en de motorische
                    vaardigheden. De opvoeding door de ouders legt daarvoor de basis, maar ook de
                    rest van de omgeving waarin het kind opgroeit is van belang. Veel kinderen
                    brengen enkele uren per dag door in peuterspeelzalen en andere kindercentra. Ze
                    moeten daar veilig kunnen spelen en voldoende ruimte hebben.</al>
        <al>Bestaande eisen over veiligheid en gezondheid die algemeen geldend zijn en
                    volgen uit andere wet- en regelgeving zoals bouwvoorschriften,
                    brandveiligheidsvoorschriften, eisen aan speeltoestellen, keukenhygiëne en
                    dergelijke.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Toezicht</vet>
        </al>
        <al>In dit hoofdstuk is het kader voor het toezicht beschreven. Op de handhaving,
                    zijn de algemene handhavingsbevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    van toepassing.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikelsgewijze toelichting</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 1 Begripsbepaling</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 2 Groepspeelruimte</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>In dit artikel wordt bepaald dat voor elk kind 3,5m² bruto oppervlak speelruimte
                    aanwezig moet zijn. Speelruimtes dienen passend te zijn ingericht voor spelen en
                    rusten. Bij de inrichting van de binnenruimte dient rekening te worden gehouden
                    met zowel het aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt als de leeftijd
                    van de kinderen. Het gaat om het totale aantal vierkante meters die beschikbaar
                    zijn in de groepsruimten. Dus de lengte vermenigvuldigd met de breedte van de
                    ruimtes waar de kinderen spelen.</al>
        <al>Daarnaast is de houder van een peuterspeelzaal gehouden aan de eisen die zijn
                    vastgelegd in het Bouwbesluit 2003. Het Bouwbesluit bevat bouwtechnische
                    voorschriften waaraan alle bouwwerken minimaal moeten voldoen. Peuterspeelzalen
                    vallen onder de categorie ’bijeenkomstfunctie voor kinderopvang’. De eisen uit
                    het Bouwbesluit hebben betrekking op veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid,
                    energiezuinigheid en milieu.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 3 Buitenspeelruimte</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Dit artikel geeft aan dat de buitenspeelruimte voor kinderen die gebruik maken
                    van de peuterspeelzaal aangrenzend aan de peuterspeelzaal dient te zijn
                    gesitueerd. Evenals de binnenruimte dient de buitenruimte voor spel geschikt te
                    zijn en ingericht in overeenstemming met de behoeften en mogelijkheden van de
                    kinderen. Ook voor de buitenspeelruimte geldt dat bij de inrichting rekening
                    dient te worden gehouden met het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen
                    die gebruik maken van de ruimte. De speelruimte bestaat per aanwezig kind uit
                    minimaal 3m² bruto oppervlakte. Met aanwezig kind wordt gedoeld op in de
                    peuterspeelzaal aanwezige kinderen, niet noodzakelijkerwijs buitenspelend.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 4 Aanwijzing
                    toezichthouders</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Dit artikel maakt burgemeester en wethouders (hierna B&amp;W) verantwoordelijk
                    voor de naleving van deze verordening. B&amp;W wijzen de directeur van de GGD
                    aan als toezichthouder. Dit is in overeenstemming met het systeem van de wet. De
                    directeur van de GGD oefent aldus het toezicht uit onder het gezag van de
                    burgemeester en wethouders. Afdeling 5.2. van de Algemene wet bestuursrecht
                    bevat een algemene regeling van de bevoegdheden van toezichthouders, zoals het
                    recht op het betreden van plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en het
                    inzien van schriftelijke stukken.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 5 Onderzoek door de
                        toezichthouder</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek onderscheiden. In de eerste
                    plaats onderzoekt de toezichthouder naar aanleiding van een aanvraag voor de
                    exploitatie van een peuterspeelzaal of aan de voorschriften uit deze verordening
                    zal worden voldaan. Daarnaast voert de toezichthouder jaarlijks regulier
                    onderzoek uit bij bestaande peuterspeelzalen. Voorts beschikt de toezichthouder
                    op grond van lid 3 over de mogelijkheid om incidenteel onderzoek te verrichten
                    naar de naleving van de voorschriften uit deze verordening.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 6 Vastleggen
                        onderzoeksresultaten</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>De resultaten van het onderzoek uit artikel 5 worden door de toezichthouder
                    schriftelijk vastgelegd in een inspectierapport. De toezichthouder zendt het
                    ontwerp-inspectierapport aan de houder van de peuterspeelzaal. De houder wordt
                    hiermee in de mogelijkheid gesteld om een reactie te geven op de inhoud van het
                    rapport. De toezichthouder dient de reactie van de houder als bijlage bij het
                    rapport te voegen. De houder zorgt er voor dat zowel ouders van kinderen in de
                    peuterspeelzaal als het personeel inzage hebben in het inspectierapport van de
                    toezichthouder. Uiterlijk 3 weken na ontvangst maakt de toezichthouder het
                    inspectierapport openbaar. Het ligt voor de hand dat de toezichthouder voor de
                    openbaarmaking een breed toegankelijk medium kiest. Gedacht kan worden aan de
                    mogelijkheden die het internet biedt. Van deze vaststelling worden burgemeester
                    en wethouders door de houder op de hoogte gebracht. In de praktijk zal het
                    veelal betekenen dat de toezichthouder het inspectierapport naar burgemeester en
                    wethouders toezendt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 7 Vierogenprincipe</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Het vierogenprincipe houdt in dat altijd een volwassene moet kunnen meekijken of
                    meeluisteren met een beroepskracht (in opleiding). Op 1 juli 2013 is het
                    vierogenprincipe bij de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen in
                    werking getreden ten aanzien van de dagopvang. Ten aanzien van de
                    peuterspeelzalen ontbreekt dit vierogenprincipe in de landelijke regelgeving. De
                    wetgever schatte het risico op seksueel misbruik bij kinderen in de
                    peuterspeelzalen lager in. Echter, de kinderen in de peuterspeelzalen moeten
                    dezelfde bescherming tegen misbruik krijgen als kinderen in de dagopvang. Het
                    feit dat in de praktijk vaak al wordt voldaan aan het vierogenprincipe, maakt
                    het belang hiervan niet minder.</al>
        <al>Het beleid dient op het vierogenprincipe aangepast te worden, opgenomen te
                    worden in het pedagogisch beleidsplan en kenbaar te worden gemaakt aan de
                    ouders.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 8 Hardheidsclausule</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de mogelijkheid
                    voor burgemeester en wethouders om, in gevallen waarin toepassing van een
                    artikel van de verordening een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren,
                    artikel 2 en 3 buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Het
                    afwijkende besluit van burgemeester en wethouders moet altijd binnen de
                    doelstellingen van de verordening passen. De toepassing van de hardheidsclausule
                    moet beperkt blijven tot individuele gevallen. Het gebruik van dit artikel is
                    slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 9 Overgangsbepaling</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>De overgangsbepaling is opgenomen om houders van bestaande peuterspeelzalen de
                    tijd en gelegenheid te bieden om aan de voorschriften zoals gesteld in de
                    verordening te voldoen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 10 Inwerkingtreding</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <onderstreept>Artikel 11 Citeerregel</onderstreept>
          </vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>