<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR312610_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">PZC 13-11-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing waterschap Scheldestromen 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">Waterschapswet, art. 110</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=113">Waterschapswet, art. 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=124">Waterschapswet, art. 124</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=139">Waterschapswet, art. 139</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005108">Waterschapswet, Hoofdstuk XVIIb</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-12-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013025862</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening zuiveringsheffing 2014
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De algemene vergadering van waterschap Scheldestromen;</al>
          <al/>
          <al>gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 16 oktober 2013, kenmerk
                        2013025861;</al>
          <al/>
          <al>gelet op de artikelen 110, 113, 124 ,139 en hoofdstuk XVIIb van de
                        Waterschapswet, hoofdstuk 6, § 2, van het Waterschapsbesluit alsmede op de
                        Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland;</al>
          <al/>
          <al>B E S L U I T :</al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de:</al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Begripsbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                                afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater
                                of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>d.</lidnr>
              <al>afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>e.</lidnr>
              <al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al>
              <al/>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>f.</lidnr>
              <al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>g.</lidnr>
              <al>de ambtenaar belast met de heffing: de ambtenaar bedoeld in artikel
                                124, vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>h.</lidnr>
              <al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>i.</lidnr>
              <al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                                onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>j.</lidnr>
              <al>drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>k.</lidnr>
              <al>warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Bijlagen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al>
            <al>– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening;</al>
            <al>– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in artikel
                            122k, derde lid, van de Waterschapswet. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 3</label>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van
                                de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                                zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct
                                of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij
                                het waterschap.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aan de heffing worden onderworpen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een
                                        bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                        ruimte;</al></li>
                <li nr="b."><al>ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                        afvoert.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                                heffingsplichtig:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van
                                        een huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de
                                        heffing is aangewezen;</al></li>
                <li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                        bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                        gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het
                                        deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als
                                        zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven;</al></li>
                <li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking
                                        stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de
                                        ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat
                                        degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd
                                        is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de
                                        ruimte ter beschikking is gesteld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is
                                degene bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen
                                die de beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                                onderworpen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de
                                        kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die
                                        verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen
                                        die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al></li>
                <li nr="b."><al>b aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen
                                        tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken
                                        teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel
                                        mogelijk te voorkomen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De heffing ter zake van woonruimten en bedrijfsruimten als bedoeld
                                in artikel 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of,
                                zo dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                                verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                                verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                                heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de
                                heffingsplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het
                                eerste lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat
                                aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor
                                dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van
                                de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het
                                bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00. Indien de
                                heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt
                                die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de
                                dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag
                                tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                                heffingsplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct
                                aansluitend het gebruik heeft van een woonruimte binnen het gebied
                                van het waterschap en van waaruit eveneens wordt afgevoerd.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Heffingsjaar</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van
                                de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden</al>
              <al/>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                                stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                                zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                                stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                                tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                54,8 kilogram zuurstof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom,
                                koper, lood, nikkel, zilver, zink, arseen, kwik en cadmium, wordt
                                bepaald op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals
                                voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén
                                vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het heffingsjaar
                                afgevoerde gewichtshoeveelheid van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                                        zilver en zink;</al></li>
                <li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De stoffen chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing
                                onderworpen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere
                                stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en
                                analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en
                                berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I
                                opgenomen voorschriften.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                                geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde
                                in artikel 8.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li>
                <li nr="b."><al> het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt
                                        afgevoerd.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                                een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor
                                aanvang van het heffingsjaar, ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        het derde lid, onderdelen a en b;</al></li>
                <li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                        a en b;</al></li>
                <li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li>
                <li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken;</al></li>
                <li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c;</al></li>
                <li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d;</al></li>
                <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                                het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op
                                hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift
                                te verenigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                                lid.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor
                                de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan
                                met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op
                                aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
                                Deze beschikking bevat in elk geval:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in het
                                        onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li>
                <li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li>
                <li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar;</al></li>
                <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift III van
                                onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in
                                die beschikking is opgenomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoedanigheidscorrectie</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                                zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in belangrijke mate is
                                beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen,
                                wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op die uitkomst een
                                correctie toegepast.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                                voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                                in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze
                                beschikking bevat in elk geval:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li>
                <li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                        correctie van toepassing is;</al></li>
                <li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en analyse;</al></li>
                <li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het
                                aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan
                                worden vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze
                                verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                                kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van
                                de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>2 Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de formule A x B, waarbij</al>
              <al> A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen
                                water;</al>
              <al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                                worden vastgesteld aan de hand aan watermeterstanden die aan het
                                begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de
                                ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem
                                nader vast te stellen wijze.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                                als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de
                                algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k van de
                                Waterschapswet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                                bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt
                                verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid,
                                beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een
                                onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de
                                uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente
                                opstand van glas of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis
                                van het tweede lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                                vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per
                                deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                                vervuilingseenheden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                                eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een
                                bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de gebruiker
                                aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
                                bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een
                                evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                                aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van
                                een bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid,
                                van minder dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie
                                vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid
                                op één vervuilingseenheid gesteld.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Franchise</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                                heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                                zilver en zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat
                                het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden
                                gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal
                                vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op
                                grond van de artikelen 7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met
                                0,0162.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                                heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt
                                een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                                vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De
                                aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van
                                de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen
                                7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0027.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Meetverplichting</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000
                                vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel
                                7:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil
                                        gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing
                                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, eerste lid
                                        bedoelde aftrek te boven gaat;</al></li>
                <li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                        ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven
                                        gaat.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                                bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink op nihil
                                        gesteld, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                                        het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                        stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek niet
                                        te boven gaat;</al></li>
                <li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven
                                        gaat.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 13, voorzover deze van toepassing zijn.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                                zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                                afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                                minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                                vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                                gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                                vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                                vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                                aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na
                                afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de
                                heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag
                                indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld
                                op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die
                                vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd,
                                bedraagt één vervuilingseenheid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                                bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor
                                verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt
                                geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
                                tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van
                                een bedrijfsruimte.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte
                                wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het
                                heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid
                                vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien
                                de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een
                                kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag op
                                één vervuilingseenheid vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat na de
                                dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De
                                heffingsplichtige kan daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar
                                belast met de heffing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Schatting</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>zonder de in artikel 8 genoemde toestemming niet is voldaan aan
                                    de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting;</al></li>
              <li nr="b."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan
                                    de in artikel 8 genoemde toestemming;</al></li>
              <li nr="c."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in bijlage I opgenomen
                                    voorschriften;</al></li>
              <li nr="d."><al>niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin,
                                    opgenomen verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde
                                    overeenkomstig artikel 10, eerste en vijfde lid, of de artikelen
                                    11, 15 en 16 niet mogelijk is, dan wel bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vijfde lid, wel
                                    mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende het
                                    heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vijfde
                                    lid, is ingediend.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Tarief</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Het tarief bedraagt € 54,18 per vervuilingseenheid. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Betaaltermijnen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De aanslag moet worden betaald in twee termijnen waarvan de eerste
                                vervalt op de e laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                                de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn
                                twee maanden na deze vervaldag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald
                                uiterlijk op de laatste dag volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven kan van
                                de in het eerste lid vermelde termijnen worden afgeweken.</al>
              <al/>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Nadere regels </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven met betrekking tot de
                            heffing en de invordering van de zuiveringsheffing.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De Verordening zuiveringsheffing 2011 van waterschap Scheldestromen,
                                vastgesteld bij besluit van 6 januari 2011, met de wijzigingen
                                sindsdien wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid
                                genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij
                                van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                                datum hebben voorgedaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van
                                de bekendmaking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening zuiveringsheffing
                                waterschap Scheldestromen 2014’.</al>
              <al/>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 14 november 2013 van de algemene
                        vergadering van waterschap Scheldestromen.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>mr. drs. J.A. de Visser mr. drs. A.J.G. Poppelaars</ondertekening>
        <ondertekening>secretaris–algemeen directeur dijkgraaf</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>I.</nr>
          <titel>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening </titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Definitiebepalingen</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                            etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al></li>
          <li nr="b."><al>debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al></li>
          <li nr="c."><al> debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische
                            inductie) het debiet gemeten wordt;</al></li>
          <li nr="d."><al>momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een
                            moment van meting;</al></li>
          <li nr="e."><al>kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van
                            een van toepassing zijnde standaard;</al></li>
          <li nr="f."><al>droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een
                            doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt
                            gesimuleerd;</al></li>
          <li nr="g."><al>nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                            nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt
                            geleid;</al></li>
          <li nr="h."><al>gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten
                            leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in
                            contact staat met de buitenlucht;</al></li>
          <li nr="i."><al>open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                            afvalwater in contact staat met de buitenlucht</al></li>
          <li nr="j."><al>moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                            de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al></li>
          <li nr="k."><al>bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin
                            van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de
                            analyse;</al></li>
          <li nr="l."><al>aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het
                            monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan
                            worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van
                            binnenlabreproduceerbaarheid.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet> Paragraaf 1 Algemeen</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet– en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600–1 2009 geïnstalleerd en onderhouden. Een
                    afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten meetsysteem worden
                    gemeten en bemonsterd.</al>
        <al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al>
        <al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Paragraaf 2 Meting</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al>
        <al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal geloosde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.1 Open meetsystemen</vet>
        </al>
        <al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al>
        <al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                            debiet;</al></li>
          <li nr="2."><al>de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het
                            gemeten debiet.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al>
        <al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2.2 Gesloten meetsystemen</vet>
        </al>
        <al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al>
        <al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                    pulsteller.</al>
        <al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Inbouw</vet>
        </al>
        <al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af-fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al>
        <al/>
        <al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot
                            het uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al></li>
          <li nr="b."><al>De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li>
          <li nr="c."><al>De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee
                            maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                            meter.</al></li>
          <li nr="d."><al>De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is exact gelijk
                            aan de diameter van de meetbuis.</al></li>
          <li nr="e."><al>Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al></li>
          <li nr="f."><al>De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                            water.</al></li>
          <li nr="g."><al>De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                            aardelectrode die is ingebouwd in de meter.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>Natte kalibratie</vet>
        </al>
        <al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al>
        <al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op een ijkinstallatie of
                    NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi).</al>
        <al/>
        <al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in
                            ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt
                            verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te
                            kalibreren meter wordt geleid (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld
                            bij een onder b genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede,
                            bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie
                            wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door
                            de ambtenaar belast met de heffing goedgekeurde methode.</al></li>
          <li nr="b."><al>Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een
                            moedermeter, wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij
                            minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het
                            maximaal meetbereik. De natte kalibratie vindt plaats op een
                            ijkinstallatie van een ijkbevoegde of NKO–geaccrediteerde instelling,
                            waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale
                            volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer de
                            moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                            installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen
                            waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.</al></li>
          <li nr="c."><al>Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde
                            moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport
                            wordt bij die van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al></li>
          <li nr="d."><al>Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                            meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt. Bij
                            gebruik van een moedermeter vindt de natte kalibratie plaats in het
                            meetbereik waarin de te kalibreren meter onder normale
                            bedrijfsomstandigheden functioneert.</al></li>
          <li nr="e."><al>Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de
                            te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake
                            is) door middel van printers of dataloggers met een frequentie van
                            minimaal éénmaal per uur geregistreerd. In geval van het toepassen van
                            dataloggers worden ook de ruwe, onbewerkte data bij het
                            kalibratierapport gevoegd.</al></li>
          <li nr="f."><al>Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die
                            betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede
                            werking gecontroleerd.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>Droge kalibratie </vet>
        </al>
        <al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al>
        <al/>
        <al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen
                            de elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat
                            de meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al></li>
          <li nr="b."><al>Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of
                            de geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis
                            is gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                            kalibratierapport vermeld.</al></li>
          <li nr="c."><al>Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor
                            zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een
                            goede werking gecontroleerd.</al></li>
          <li nr="d."><al>Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan
                            5%, wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand
                            nat gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij
                            een natte kalibratie.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>Kalibratierapport </vet>
        </al>
        <al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de aangifte
                    overgelegd worden.</al>
        <al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe
                    bevoegde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op
                    het kalibratierapport:</al>
        <al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);</al>
        <al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al>
        <al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                    correctiefactor/meterconstante);</al>
        <al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                    aanpassing/justering;</al>
        <al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Paragraaf 3 Bemonstering</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</vet>
        </al>
        <al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                    bepaald.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Paragraaf 4 Monsterbehandeling </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.1 Algemeen</vet>
        </al>
        <al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                    (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1 wordt direct na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3. De
                    monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1º en 5º C. Van elk
                    verzameld monster wordt een representatief deel van 3 liter gedurende 24 uur in
                    een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5º C in het donker bewaard ten behoeve
                    van contra-analyse door het waterschap.</al>
        <al>De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor
                    contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing worden om en om
                    gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op
                    een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de desbetreffende
                    contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing zoveel mogelijk
                    identiek zijn.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</vet>
        </al>
        <al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een
                    monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen 4 uur na afloop van het etmaal. De eventuele
                    voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in aanvulling op
                    de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur gedurende de
                    bewaartermijn.</al>
        <al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een
                    analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn
                    die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van
                    het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het
                    ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een
                    zodanige termijn dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt
                    verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch
                    is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen
                    van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het
                    vlak van de chemische conservering gelden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Tabel A</vet>
        </al>
        <al/>
        <table>
          <tgroup cols="5">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <colspec colname="colE"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>analyse op:</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry nameend="colC" namest="colB">
                  <al>
                    <vet>omgevingstemperatuur</vet>
                  </al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>methode van conservering</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>maximale bewaartermijn</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>tijdens transport</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>tot einde bewaartermijn</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="1">
                  <al>biochemisch zuurstofverbruik</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="1">
                  <al>tussen 2° en 8ºC</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="0">
                  <al>tussen 1º en 5ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>koelen onder uitsluiting van licht</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1 dag</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>&lt;-18ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>invriezen binnen 12 uur</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1 mnd indien BZV&lt;=50 mg/l</al>
                  <al>6 mnd indien BZV&gt;50 mg/l</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="1">
                  <al>chemisch zuurstof-verbruik</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="1">
                  <al>tussen 2º en 8ºC</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 1º en </al>
                  <al>5ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>koelen en aanzuren</al>
                  <al>met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot pH&lt; 2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6 mnd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>&lt;-18ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>invriezen binnen </al>
                  <al> 12 uur</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6 mnd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="1">
                  <al>som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al>
                </entry>
                <entry morerows="1">
                  <al>tussen 2º en 8°C</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 1º en 5ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot
                                        pH&lt; 2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1 mnd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>&lt;-18ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>invriezen binnen 12 uur</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6 mnd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>cadmium, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 2° en 8ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 1º en 5ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot
                                        pH&lt; 2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6 mnd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>arseen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 2° en 8ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 1º en 5ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH&lt; 2 indien
                                        hybride techniek wordt gebruikt aanzuren met HCl tot
                                        pH&lt;2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6 mnd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>kwik (Hg)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 2° en 8ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 1º en 5ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH&lt;2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6 mnd</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>kwik (Hg)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 2° en 8ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>tussen 1º en 5ºC</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>koelen en aanzuren met HCl, </al>
                  <al>1 ml/100ml</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>2 dagen</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al/>
        <al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    zuiveringingsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>B Analysevoorschriften </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Paragraaf 1 Algemeen</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende
                    bestanddelen zijn verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen,
                    uitgegeven door het Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de
                    normbladen wordt aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in
                    een normblad wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat
                    waarin de bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al>
        <al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Paragraaf 2 Analyse</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is aangegeven in tabel
                    B.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Tabel B</vet>
        </al>
        <al/>
        <table>
          <tgroup cols="5">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <colspec colname="colE"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>parameter / stof</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>volgens normblad <vet>ontsluiting</vet></vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>volgens normblad meting</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>aantoonbaarheidsgrens</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>chemisch zuurstofverbruik</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN 6633</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5 mg/l</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>biochemisch zuur-stofverbruik</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN–EN 1899-1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>volgens norm</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="7">
                  <al>som ammonium-stikstof en organisch gebonden stikstof</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="2">
                  <al>NEN 6645</al>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN 6604 of ISO 15923</al>
                </entry>
                <entry morerows="7">
                  <al>0,5 mg/l</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN 6646</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11732</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN 12260</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN 12260 en voor correctie nitriet/nitraat:</al>
                  <al>NEN-EN-ISO 13395,</al>
                  <al>NEN 6604 of </al>
                  <al>ISO 15923-1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="1">
                  <al>NEN-ISO 5663</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN 6604 of</al>
                  <al>ISO 15923-1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-ISO 5663</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="1">
                  <al>NEN 6646</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN 6646</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN 6604 of ISO 15923</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="2">
                  <al>arseen</al>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11969</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11969</al>
                </entry>
                <entry morerows="2">
                  <al>2 µg/l</al>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15587-1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11885</al>
                  <al>(lCP-AES)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15587-1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 17294-2</al>
                  <al>(lCP-MS)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="3">
                  <al>chloride (Cl)</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="3">
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN 6604 of ISO 15923-1</al>
                </entry>
                <entry morerows="3">
                  <al>5 mg/l</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN 6476</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 10304-1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15682</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="9">
                  <al>fosfor</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="2">
                  <al>NEN6645</al>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN 6604 of</al>
                  <al>ISO 15923-1</al>
                </entry>
                <entry morerows="9">
                  <al>0,1 mg/l</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="2">
                  <al>NEN-EN-ISO 6878</al>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 6878</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 15681-2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="1">
                  <al>NEN-EN-ISO 15587-1</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11885</al>
                  <al>(lCP-AES)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 17294-2</al>
                  <al>(lCP-MS)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>onopgeloste stoffen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN 872</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>2 mg/l</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="3">
                  <al>cadmium (Cd)</al>
                  <al>chroom (Cr)</al>
                  <al>koper (Cu)</al>
                  <al>lood (Pb)</al>
                  <al>nikkel (Ni)</al>
                  <al>zilver (Ag)</al>
                  <al>zink (Zn)</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="1">
                  <al>NEN-EN-ISO 15587-1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11885</al>
                  <al>(lCP-AES)</al>
                </entry>
                <entry morerows="3">
                  <al>Cd:0,3 µg/l</al>
                  <al>Cr: 2 µg/l</al>
                  <al>Cu: 10 µg/l</al>
                  <al>Pb: 10 µg/l</al>
                  <al>Ni: 7 µg/l</al>
                  <al>Ag: 10 µg/l</al>
                  <al>Zn: 40 µg/l</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 17294-2</al>
                  <al>(lCP-MS)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="1">
                  <al>NEN 6953, hoofdstuk</al>
                  <al>5.3.3.3 (zie NB*<sup>1</sup>)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11885</al>
                  <al>(lCP-AES)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 17294-2</al>
                  <al>(lCP-MS)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="3">
                  <al>kwik</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="3">
                  <al>NEN-EN-ISO 15587-1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 12846</al>
                  <al>(AAS)</al>
                </entry>
                <entry morerows="3">
                  <al>0,25 µg/l</al>
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 17852</al>
                  <al>(AFS)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 11885</al>
                  <al>(lCP-AES)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 17294-2</al>
                  <al>(lCP-MS)</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry morerows="2">
                  <al>sulfaat (SO<inf>4</inf>)</al>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry morerows="2">
                  <al/>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>NEN 6604 of</al>
                  <al>ISO 15923-1</al>
                </entry>
                <entry morerows="2">
                  <al>volgens norm</al>
                  <al/>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-EN-ISO 10304-1</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>NEN-ISO 22743</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>NB*1: NEN 6953, hoofdstuk 5.3.3.3 mag alleen worden toegepast op afvalmonsters
                    met een soortgelijke geleiding tot 1500 µS/cm en een zwevend stofgehalte tot 100
                    mg/L.</al>
        <al/>
        <al>De in bovenstaande tabel B opgenomen aantoonbaarheidsgrenzen voor zware metalen
                    zijn gebaseerd op een afvalwatermonster met een soortgelijke geleiding tot 1500
                    µS/cm en een zwevend stofgehalte tot 100mg/L. Bij afvalwatermonsters met een
                    matrix die groter is dan de genoemde waarden voor geleiding en zwevende stof kan
                    een hogere aantoonbaarheidsgrens gelden.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>C <onderstreept>Berekeningsvoorschriften</onderstreept></vet>
        </al>
        <al/>
        <al> I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al>
        <al> a Zuurstofbindende stoffen:</al>
        <al> (artikel 6, derde lid)</al>
        <al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt
                    berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het
                    kalenderjaar geloosde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8 kilogram.</al>
        <al/>
        <al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal geloosde
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)</onderstreept>
        </al>
        <al> 1000</al>
        <al/>
        <al> In deze formule wordt verstaan onder:</al>
        <al> Q: het aantal m³ geloosd afvalwater per etmaal;</al>
        <al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van deze
                    bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al>
        <al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de in
                    onderdeel B van de deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l.</al>
        <al/>
        <al> b Andere dan zuurstofbindende stoffen:</al>
        <al> (artikel 6, vierde lid)</al>
        <al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de andere dan
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het totale aantal kilogrammen van
                    deze in het kalenderjaar afgevoerde stoffen te delen door respectievelijk:</al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>1,00 kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en
                            zink;</al></li>
          <li nr="2."><al>0,100 kilogram voor de stoffen arseen, kwik en cadmium;</al></li>
          <li nr="3."><al>650 kilogram voor de stoffen chloride en sulfaat;</al></li>
          <li nr="4."><al>20,0 kilogram voor de stof fosfor.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>De geloosde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b genoemde stoffen
                    worden bepaald met behulp van de formule:</al>
        <al>
          <onderstreept>Q x C</onderstreept>
        </al>
        <al> 1000</al>
        <al/>
        <al> In deze formules wordt verstaan onder:</al>
        <al> Q: het aantal m³ geloosd afvalwater per etmaal;</al>
        <al> C: de concentratie van de desbetreffende stoffen in mg/l, bepaald op de onder B
                    omschreven wijze.</al>
        <al/>
        <al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of
                    nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een
                    correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk</al>
        <al>
          <onderstreept>100 – T</onderstreept>
        </al>
        <al> 75</al>
        <al/>
        <al> waarbij</al>
        <al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                    afbreekbare stoffen.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al> III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 8, wordt gebruik gemaakt
                    van de volgende formule:</al>
        <al/>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i3a75cd51-1a25-4811-8027-b731b4c3b1e4" naam="i232545i3a75cd51-1a25-4811-8027-b731b4c3b1e4.jpg" type="foto" breedte="7.4cm" hoogte="4.3cm"/>
          </plaatje>
        </al>
        <al> n = het berekende aantal meetdagen;</al>
        <al> N = het aantal lozingsdagen per jaar;</al>
        <al> sn = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de
                    gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende
                    het heffingsjaar;</al>
        <al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO, met dien
                    verstande dat VeO vervangen kan worden door respectievelijk VeZ en VeG,
                    waarbij:</al>
        <al> VeO = vervuilingswaarde van de geloosde zuurstofbindende stoffen;</al>
        <al> VeG = vervuilingswaarde van de geloosde stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                    zilver en zink;</al>
        <al> VeZ = vervuilingswaarde van de geloosde stoffen arseen, cadmium en kwik.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>II.</nr>
          <titel> Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid,
                        Waterschapswet)</titel>
          <subtitel/>
        </kop>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colE"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Klasse</al>
                </entry>
                <entry nameend="colC" namest="colB">
                  <al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik</al>
                  <al>per m³ ingenomen water</al>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Afvalwatercoëfficiënt </al>
                  <al>uitgedrukt in aantal </al>
                  <al>vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in </al>
                  <al>het heffingsjaar</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>ondergrens</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>bovengrens</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0013</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0010</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,0013</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0020</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0016</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>3</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,0020</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0031</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0025</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>4</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,0031</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0048</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0039</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>5</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,0048</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0075</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0060</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>6</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,0075</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,012</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,0094</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>7</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,012</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,018</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,015</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>8</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,018</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,029</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,023</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>9</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,029</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,045</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,036</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>10</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,045</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,070</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,056</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>11</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,070</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,11</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,088</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>12</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,11</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,17</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,14</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>13</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,17</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,27</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,21</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>14</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,27</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,42</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,33</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>15</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>&gt; 0,42</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,5</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al/>
        <al/>
      </bijlage>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Toelichting op de Verordening zuiveringsheffing Scheldestromen </label>
          <nr/>
          <titel/>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>A ALGEMEEN</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</cursief>
        </al>
        <al>Bij de inwerkingtreding van de, inmiddels vervallen, Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren (Wet van 13 november 1969, Stb. 536) kreeg de
                    zuiveringsheffing als doelstelling de financiering van de kosten van maatregelen
                    tot het tegengaan en voorkomen van de verontreiniging van oppervlaktewateren
                    (artikel 18, eerste lid). De zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing
                    (dekkingsmiddel van kosten). </al>
        <al/>
        <al>De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan zijn onder
                    te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en zuiveren van
                    afvalwater, alsmede het verbranden van zuiveringsslib) en passief beheer
                    (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                    waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot dusver geduid
                    als de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. </al>
        <al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21
                    mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen.</al>
        <al/>
        <al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 3.4 van de
                    Waterwet, nog altijd een zorg die aan het waterschap is toebedeeld. De
                    financiering daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de behartiging van de taak
                    inzake het zuiveren van afvalwater) gebeurt met ingang van 2009 uit de opbrengst
                    van de zuiveringsheffing, waarvoor de bepalingen zijn opgenomen in de artikelen
                    122c tot en met 122k van de Waterschapswet.</al>
        <al/>
        <al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden bestreden uit de opbrengst van de
                    watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de traditionele
                    waterschapsomslagen (artikel 117 van de Waterschapswet).</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Considerans</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief>
        </al>
        <al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Wettelijke grondslag en uitwerking</cursief>
        </al>
        <al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de zuiveringsheffing
                    ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van
                    het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld.</al>
        <al>Vanwege de overdracht van de bevoegdheid tot heffen en invorderen van de
                    zuiveringsheffing aan SaBeWa Zeeland wordt verwezen naar de onderliggende
                    gemeenschappelijke regeling van de belastingsamenwerking.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Begripsbepalingen</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 1</onderstreept>
        </al>
        <al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is aangesloten bij de
                    begripsbepalingen in artikel 122c van de Waterschapswet.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel a</cursief>
        </al>
        <al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel b</cursief>
        </al>
        <al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat wordt
                    bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel c</cursief>
        </al>
        <al>Een zuiveringtechnisch werk is voor de Waterschapswet een voorziening voor het
                    zuiveren of het transporteren van afvalwater. Het begrip omvat naast
                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van
                    het afvalwater. Ook voorzieningen voor individuele behandeling van afvalwater
                    (IBA’s) vallen onder het begrip zuiveringstechnisch werk. De gemeentelijke
                    riolering wordt hier niet onder begrepen (zie onderdeel b, waarbij het begrip
                    riolering is gedefinieerd).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel d</cursief>
        </al>
        <al>Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                    zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel e</cursief>
        </al>
        <al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke
                    bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt
                    geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                    woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                    ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig
                    afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de
                    woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het
                    met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid,
                    sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer
                    studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan niet worden
                    gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de
                    arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                    blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari
                    1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz. 168).</al>
        <al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel f</cursief>
        </al>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een negatieve
                    formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te geven. Alles
                    wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is
                    bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt
                    (Gerechtshof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al>
        <al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                    Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet
                    als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op
                    en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de
                    schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan
                    bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie
                    wezenlijke, voorzieningen (Gerechtshof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997,
                    Belastingblad 1997, blz. 729). </al>
        <al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                    duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het afvoeren van met
                    slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Gerechtshof Arnhem 22
                    augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één
                    of van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge
                    Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een
                    bij twee verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één
                    bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het feit
                    dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een hek staat
                    en er geen deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de
                    stortplaats.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel g</cursief>
        </al>
        <al>De inspecteur is het orgaan aan wie de wetgever door middel van de Algemene wet
                    inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van aanslagen en het
                    doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In artikel 123 van
                    de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake rijksbelastingen van
                    toepssing verklaard voor het heffen van belastingen door waterschappen. Dit
                    artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur toekomen aan de
                    daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing geschiedt bij
                    een door het dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit. Behalve het opleggen
                    van aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze
                    verordening aan deze functionaris ook de bevoegdheid tot het afgeven van
                    meetbeschikkingen toe (artikel 7 en verder).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel h</cursief>
        </al>
        <al>In de Drinkwaterwet is het begrip drinkwater omschreven als water dat bestemd of
                    mede bestemd is om te drinken, te koken of voedsel te bereiden dan wel voor
                    andere huishoudelijke doeleinden, met uitzondering van warm tapwater, dat door
                    middel van leidingen ter beschikking wordt gesteld aan consumenten of andere
                    afnemers.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel i</cursief>
        </al>
        <al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel j</cursief>
        </al>
        <al>Met drinkwaterbedrijf wordt bedoeld het bedrijf dat uitsluitend of mede bestemd
                    is tot openbare drinkwatervoorziening door levering van drinkwater aan
                    consumenten of andere afnemers of het bedrijf dat uitsluitend of mede bestemd is
                    tot levering van drinkwater aan een bedrijf of bedrijven als hiervoor
                    bedoeld.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel k</cursief>
        </al>
        <al>Met de inwerkingtreding van de Drinkwaterwet wordt het begrip warm tapwater
                    geïntroduceerd. Dit water is voor huishoudelijk gebruik bestemd, maar wordt door
                    de Drinkwaterwet uitgezonderd van het begrip dinkwater. Het is echter wel water
                    dat na gebruik wordt afgevoerd en daarom valt binnen de ratio van ingenomen
                    water.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Bijlagen</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 2</onderstreept>
        </al>
        <al>De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid en de
                    hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf geldt de
                    vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g van de
                    Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van
                    meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen
                    7, 8 en 9 van de verordening.</al>
        <al>In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een aantal
                    uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor
                    woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze
                    verordening opgenomen.</al>
        <al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dan niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van de
                    Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop
                    deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel 10.</al>
        <al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Belastbaar feit en heffingsplicht</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 3</onderstreept>
        </al>
        <al>
          <cursief>Eerste lid</cursief>
        </al>
        <al>De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten die
                    zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is daarmee
                    primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter. </al>
        <al/>
        <al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het direct of
                    indirect afvoeren van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                    waterschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn, is het niet vereist
                    dat de juridische eigendom van het zuiveringstechnisch daadwerkelijk bij het
                    waterschap berust. Dit is met name van belang in situaties waar sprake is van
                    zogeheten grensoverschrijdend afvalwater. Dit is het afvalwater dat onstaat in
                    het gebied van het ene waterschap en wordt afgevoerd naar een
                    zuiveringstechnisch werk van een ander waterschap. In een dergelijk geval is het
                    ontvangende waterschap bevoegd om degene die de stoffen heeft afgevoerd in de
                    zuiveringsheffing te betrekken. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat ten
                    aanzien van hetzelfde adres aanslagen worden opgelegd door verschillende
                    waterschappen.</al>
        <al>Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van een
                    medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen. waarin onder andere
                    de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd. Het waterschap waar
                    het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder van het ontvangende
                    zuiveringstechnisch werk en mitsdien heffingsbevoegd </al>
        <al>(Hoge Raad 11 december 1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).</al>
        <al/>
        <al>Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat is
                    noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                    heffing in hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Tweede lid</cursief>
        </al>
        <al>Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op verschillende
                    wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij
                    een koppeling gemaakt met het object van waaruit wordt afgevoerd.</al>
        <al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                    ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels opstelt
                    op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden
                    aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                    voor de heffingsplichtigen. Ingeval van het ontbreken van dergelijke
                    beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één van de gebruikers als
                    willekeurig en onredelijk worden aangemerkt, wat tot vernietiging van de aanslag
                    kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor
                    de inhoud van de beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan de
                    leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz.
                    326).</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel a</cursief>
        </al>
        <al>Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte,
                    dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat
                    een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij
                    één van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    zuiveringsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke overeenkomsten
                    doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze
                    kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van de aanslag
                    terugvorderen bij de verhuurder.</al>
        <al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al>
        <al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al>
        <al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel b</cursief>
        </al>
        <al>Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte
                    plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig.</al>
        <al>Deze bepaling komt overeen met die in artikel 122d, tweede lid, onderdeel b, van
                    de Waterschapswet en welke is ingevoerd nadat was gebleken dat (incidenteel)
                    afvoeren vanuit een tankauto niet als afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon
                    worden aangemerkt. Bovendien bleek in de praktijk het achterhalen van de
                    identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd mogelijk te zijn, evenals
                    het vastellen van indivuduele vervuilingswaarden indien de stoffen van meer dan
                    één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling soelaas, omdat
                    degene die feitelijk afvoert (in het geval van een tankauto dus de vervoerder)
                    rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.</al>
        <al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                    tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van
                    afvoeren anders dan vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het
                    afvoeren vanuit een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze bepaling. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Derde lid</cursief>
        </al>
        <al>
          <cursief>Onderdeel a</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel b</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in gebruik heeft.
                    Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en dergelijke.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Onderdeel c</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen aan wie hij de
                    ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vierde lid</cursief>
        </al>
        <al>In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het zuiveringstechnisch
                    werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke riolering. Dit vierde lid
                    voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de gemeente, maar degene die via
                    de riolering heeft afgevoerd in de heffing wordt betrokken. De gemeente zelf is
                    alleen heffingsplichtig voor zover het gaat om het afvoeren vanuit objecten
                    waarvan de gemeente als gebruiker kan worden aangemerkt.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vijfde lid</cursief>
        </al>
        <al>Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing, naast het
                    financieren van het zuiveren van afvalwater, aan kan worden besteed.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Zesde lid</cursief>
        </al>
        <al>Het waterschap kan er om doelmatigheidsredenen voor kiezen om het afvoeren
                    vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de
                    zuiveringsheffing. Hoewel de Waterschapswet, anders dan de vervallen Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren, geen specifieke vrijstellingsbepaling kent
                    voor het afvoeren door het waterschap zelf, kan een dergelijke
                    vrijstellingsbepaling worden opgenomen op de voet van artikel 122l van de
                    Waterschapswet. </al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 4</onderstreept>
        </al>
        <al>
          <cursief>Eerste lid</cursief>
        </al>
        <al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten en
                    kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in het
                    eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat
                    al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van
                    de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar
                    voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om
                    een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang
                    van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt
                    uit een aantal uitspraken van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2
                    november 1994 inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz.
                    819), Gerechtshof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld woonschepen
                    (Belastingblad 1996, blz. 331) en Gerechtshof Amsterdam 23 april 1997
                    (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake zuiveringsheffing. Uit deze jurisprudentie
                    valt af te leiden dat om een definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op
                    te leggen, de heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat
                    hierbij om:</al>
        <al>– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin
                    van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al>
        <al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld
                    in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten voorziet
                    artikel 15, tweede lid, daar in);</al>
        <al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                    heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is
                    dit geregeld in artikel 16, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten
                    in artikel 15, tweede lid). </al>
        <al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                    waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van
                    de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Tweede lid</cursief>
        </al>
        <al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 16, eerste lid). De zuiveringsheffing is echter een tijdvakbelasting.
                    Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende het gehele
                    heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van de hoogte
                    van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet
                    bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                    heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte
                    van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn
                    aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld.</al>
        <al>In deze verordening is gekozen voor de maandnauwkeurige variant. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Derde lid</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, Waterschapswet eveneens voor een evenredig
                    deel verschuldigd. Ook hierbij kan voor een andere variant dan maandnauwkeurig
                    worden gekozen. </al>
        <al>Er is tevens voorzien in de mogelijkheid om uit oogpunt van efficiency voor
                    geringe bedragen geen ontheffing te verlenen. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vierde lid</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer ná het opleggen van de aanslag de heffingsplicht in de loop van het jaar
                    eindigt, is de ambtenaar belast met de heffing niet in de gelegenheid geweest om
                    daar bij het vaststellen van de aanslag rekening mee te houden. Artikel 132 van
                    de Waterschapswet geeft aan op welke wijze de heffingsplichtige aanspraak kan
                    maken op ontheffing. Op de aanvraag zoals die kan worden ingediend, moet worden
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al>
        <al>Het staat het waterschap ook vrij om, op grond van eigen gegevens, uit eigener
                    beweging een dergelijke ontheffing te verlenen zonder een aanvraag van de
                    heffingsplichtige af te wachten.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vijfde lid</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                    eveneens wordt afgevoerd, zijn zowel het tweede als het derde lid van
                    toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het
                    eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht.
                    Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs
                    al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe
                    woning. Om pragmatische redenen kan worden bepaald dat in een dergelijk geval
                    het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan
                    als het ware mee.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Heffingsjaar</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 5</onderstreept>
        </al>
        <al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Grondslag en heffingsmaatstaf</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Algemeen</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 6</onderstreept>
        </al>
        <al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die
                        <onderstreept>in een kalenderjaar</onderstreept> worden afgevoerd. Deze
                    heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen
                    en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het afvoeren is
                    belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                    vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden genoemd in
                    het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In
                    het vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden
                    betrokken. Het waterschap heeft de keuze om die stoffen niet in de heffing te
                    betrekken. Daartoe dient op grond van artikel 122f, derde lid, onderdeel a, van
                    de Waterschapswet een afzonderlijke bepaling in de verordening te worden
                    opgenomen. Het vijfde lid van artikel 6 voorziet daar in.</al>
        <al/>
        <al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                    stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                    vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                    stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te
                    breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                    zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. Die gemiddelde zuurstofbehoefte bedraagt 150 gram per etmaal, of wel
                    54,8 kilogram per jaar.</al>
        <al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de vervuilingswaarde om
                    de hoeveelheid van die stoffen die worden afgevoerd. Daarbij is één
                    vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in het heffingsjaar afgevoerde
                    stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink is één afgevoerde
                    kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere schadelijkheid is bij
                    arseen, cadmium en kwik een afgevoerde hoeveelheid van 100 gram al één
                    vervuilingseenheid. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Meting, bemonstering en analyse</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 7</onderstreept>
        </al>
        <al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing de
                    vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet alleen
                    ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake van het
                    afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Eerste lid</cursief>
        </al>
        <al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al>
        <al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al>
        <al>- de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al>
        <al>- analysevoorschriften;</al>
        <al>- berekeningsvoorschriften.</al>
        <al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige.</al>
        <al>Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                    vastgesteld. </al>
        <al>Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage oordeelde op 16
                    maart 1988 dat de</al>
        <al>kosten in redelijke verhouding tot de verschuldigde heffing moeten staan
                    (Belastingblad 1988, </al>
        <al>blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de
                    verschuldigde </al>
        <al>heffing.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Tweede lid</cursief>
        </al>
        <al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Derde lid</cursief>
        </al>
        <al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vierde lid</cursief>
        </al>
        <al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf megedeeld aan ambtenaar belast met de heffing.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vijfde lid</cursief>
        </al>
        <al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al>
        <al>– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te voldoen
                    aan de voorwaarden in het derde lid;</al>
        <al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook
                    dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al>
        <al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al>
        <al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al>
        <al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Zesde lid</cursief>
        </al>
        <al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Zevende lid</cursief>
        </al>
        <al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Beperkte meting en bemonstering</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 8</onderstreept>
        </al>
        <al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al>
        <al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al>
        <al>In dit kader zijn tevens van belang de model–meetbeschikking (brief van de Unie
                    van Waterschappen aan de leden–waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk 942196
                    AJBZ/EK, Belastingblad 1994, blz. 802) en de richtlijnen in het ‘Rapport
                    bepaling meetfrequentie ter vaststelling van de vervuilingswaarde van
                    afvalwater’ van de Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Hoedanigheidscorrectie</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 9</onderstreept>
        </al>
        <al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor ten minste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid.</al>
        <al>Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I,
                    onderdeel C). De voorschriften zijn in Bijlage I opgenomen.</al>
        <al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor toepassing van
                    de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                    beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de
                    heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang.
                    Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de
                    heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al>
        <al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                    bevatten.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Tabel afvalwatercoëfficiënten </cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 10</onderstreept>
        </al>
        <al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent
                    vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Eerste lid</cursief>
        </al>
        <al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al>
        <al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
                        <onderstreept>niet</onderstreept> leidt tot een aantal vervuilingseenheden
                    van meer dan 1.000 en</al>
        <al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Tweede lid</cursief>
        </al>
        <al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Derde lid </cursief>
        </al>
        <al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden
                    de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze
                    waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels van het waterschap.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vierde lid</cursief>
        </al>
        <al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (Besluit van 12 december 2008,
                    Stb.609).</al>
        <al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vijfde lid</cursief>
        </al>
        <al>De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                    vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Belasting van tuinbouwkassen</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 11</onderstreept>
        </al>
        <al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Bij de totstandkoming van de nieuwe tabel
                    afvalwatercoëfficiënten is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de
                    wet opgenomen (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al>
        <al/>
        <al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder dan vijf
                    vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine bedrijfsruimten
                    van artikel 15 van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Franchise</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 12</onderstreept>
        </al>
        <al>Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde voor
                    bedrijfsruimten ten aanzien van de niet–zuurstofbindende stoffen een
                    heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De hoogte van deze aftrek is
                    bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met
                    betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte bij de aftrek is dat
                    woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor het afvoeren van
                    zuurstofbindende stoffen en niet voor het afvoeren van andere stoffen. Uit
                    onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het zeer
                    geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij woonruimten
                    echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat tussen
                    woonruimten en bedrijfsruimten is in artikel 12 een aftrek opgenomen gelijk aan
                    de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot
                    genoemde stoffen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Meetverplichting</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 13</onderstreept>
        </al>
        <al>Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te
                    verrichten naar de samenstelling van het afvoeren van niet–zuurstofbindende
                    stoffen (= andere stoffen). In de artikelen 7 en 8 staat dat de
                    vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten wordt vastgesteld door middel van (al dan
                    niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt zowel
                    voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.</al>
        <al>Volgens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van de
                    andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de
                    vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen minder dan
                    1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambtenaar belast met de heffing
                    echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stoffen hoger is
                    dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12, dienen meting,
                    bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit is geregeld in het eerste lid van
                    artikel 13.</al>
        <al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                    zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt het
                    omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                    bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf aannemelijk maakt
                    dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als
                    bedoeld in artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 13.</al>
        <al/>
        <al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt hierna een voorbeeld.</al>
        <al>Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen van
                    900 vervuilingseenheden. Ingevolge artikel 13 wordt het aantal
                    vervuilingseenheden van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000
                    vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft het bedrijf voor
                    die overige stoffen dus niet te bemeten en te bemonsteren. Stel echter dat het
                    waterschap aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf een hoeveelheid lood loost
                    dat groter is dan de in artikel 12 bedoelde aftrek. Die aftrek bedraagt in dit
                    geval 900 x 0,0162 = 14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten gaan
                    meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in beginsel
                    ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat
                    een hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt afgevoerd met een vervuilingswaarde
                    van 25 vervuilingseenheden. Daarop moet als gevolg van artikel 12 de aftrek
                    (14,58) in mindering worden gebracht. De totale vervuilingswaarde is dus 900 +
                    (25 – 14,58) = 910,52 vervuilingseenheden.</al>
        <al>In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink (vier
                    vervuilingseenheden) en 300 gram arseen (drie vervuilingseenheden) wordt
                    afgevoerd, geldt het volgende. In dat geval geldt een aftrek van 14,58 voor de
                    stoffen lood en zink samen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor arseen (900 x
                    0,0027). De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58) + (3 – 2,43) =
                    915,09 vervuilingseenheden.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Totale vervuilingswaarde van een
                    bedrijfsruimte</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 14</onderstreept>
        </al>
        <al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 13
                    berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al>
        <al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting,
                    bemonstering en analyse plaatsvindt;</al>
        <al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                    afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al>
        <al>– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                    geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al>
        <al>– naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen worden
                    afgevoerd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije
                    grens van niet–zuurstofbindende stoffen).</al>
        <al/>
        <al> De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de
                    keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4 of
                    20.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 15</onderstreept>
        </al>
        <al>
          <cursief>Eerste lid</cursief>
        </al>
        <al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis in artikel 122i, eerste
                    lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Tweede lid</cursief>
        </al>
        <al>Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven met een
                    vervuiligswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel gevallen al aan
                    het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie vervuilingseenheden
                    opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na afloop van het
                    heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één of minder
                    vervuilingseenheid bedraagt. </al>
        <al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                    ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                    belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Forfaits voor woonruimten</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 16</onderstreept>
        </al>
        <al>
          <cursief>Eerste lid</cursief>
        </al>
        <al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Tweede lid</cursief>
        </al>
        <al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al>
        <al/>
        <al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor
                    dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                    particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden,
                    of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de
                    weken dat zij er zelf niet zijn.</al>
        <al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat
                    dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze
                    procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de
                    onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                    zuiveringsheffing.</al>
        <al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                    heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                    vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                    beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan
                    anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                    exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                    bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                    heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is
                    hij als heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Derde lid</cursief>
        </al>
        <al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Het is, analoog aan artikel 4,
                    derde lid, de keuze van het waterschap hoe dit naar tijdsevenredigheid in de
                    aanslag tot uitdrukking komt.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vierde lid</cursief>
        </al>
        <al>Omdat de aanslag voor een woonruimte meestal al aan het begin van het
                    heffingsjaar wordt opgelegd, moet de verordening voorzien in een regeling
                    waardoor aanspraak op vermindering kan worden gemaakt. Dit gebeurt door middel
                    van een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, Waterschapswet. Deze
                    moet worden ingediend binnen zes weken nadat de omstandigheid zich heeft
                    voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar belast met de heffing ook
                    ambtshalve worden verleend. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Schatting</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 17</onderstreept>
        </al>
        <al>In artikel 122j van de Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde,
                    nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan worden vastgesteld
                    door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn
                    verplichting tot meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet
                    op een wijze die niet in overstemming is met de in de verordening of
                    meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al>
        <al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren ter zake van stoffen
                    vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn
                    opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 7 (meting, bemonstering en
                    analyse) niet kan worden toegepast.</al>
        <al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. </al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Tarief</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 18 </onderstreept>
        </al>
        <al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Wijze van heffing </cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 19</onderstreept>
        </al>
        <al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. Het gaat hier om drie verschillende heffingstechnieken. Het hangt van de
                    aard en de ingewikkeldheid van de desbetreffende belasting af, welke van deze
                    drie heffingstechnieken het meest doelmatig is. Voorts kunnen overwegingen uit
                    een oogpunt van perceptiekosten of op grond van het beginsel dat de
                    belastingheffing voor de belastingplichtige met de minste pijn moet
                    plaatsvinden, bepalend zijn voor de keuze van de te hanteren heffingstechniek.
                    Het gaat het bestek van deze toelichting te buiten nader in te gaan op de
                    werking en de voor– en nadelen van de genoemde drie </al>
        <al>heffingstechnieken. In dit artikel is gekozen voor de heffing bij wege van
                    aanslag.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Betalingstermijnen</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 20</onderstreept>
        </al>
        <al>Van de bevoegdheid om afwijkende betalingstermijnen in de belastingverordening
                    op te nemen (artikel 139, eerste lid, Waterschapswet) is gebruik gemaakt. </al>
        <al>De betalingstermijnen in het tweede en in het derde lid zijn derhalve afwijkend
                    van die in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Het ligt voor de hand de
                    betalingstermijnen voor de aanslag en de bestuurlijke boete aan elkaar gelijk te
                    laten zijn, aangezien die in hetzelfde geschrift zijn verenigd.</al>
        <al>Het derde lid voorziet in afwijkende betalingstermijnen indien de
                    heffingsplichtige een machtiging voor automatische incasso heeft afgegeven.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Nadere regels</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 21</onderstreept>
        </al>
        <al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990 zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap
                    (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                    kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het
                    waterschap. </al>
        <al>In artikel 21 is het toekomen van de bevoegdheid aan het dagelijks bestuur van
                    het waterschap uitdrukkelijk vermeld.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>Inwerkingtreding en citeertitel</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Artikel 22</onderstreept>
        </al>
        <al>
          <cursief>Eerste lid</cursief>
        </al>
        <al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden
                    voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die
                    feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude
                    verordening.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Tweede lid</cursief>
        </al>
        <al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschaps-</al>
        <al>bestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan wanneer zij
                    zijn bekend</al>
        <al>gemaakt. Dit geldt derhalve ook voor belastingverordeningen. Zoals verder blijkt
                    uit artikel </al>
        <al>73 geschiedt bekendmaking door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur
                    algemeen </al>
        <al>verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van mededeling daarvan in een
                    plaatselijk </al>
        <al>verschijnend dag– of nieuwsblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform
                    artikel 74 van </al>
        <al>de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van de
                    bekendmaking, </al>
        <al>tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. Daarvan is
                    sprake. De ver-</al>
        <al>ordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de
                    bekendmaking.</al>
        <al/>
        <al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het derde lid.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Derde lid</cursief>
        </al>
        <al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting op het tweede lid is
                    uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van inwerkingtreding in de
                    verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch
                    in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking.</al>
        <al>Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                    duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan de
                    burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Vierde lid</cursief>
        </al>
        <al>Als gevolg van het vierde lid van het onderhavige artikel 22 wordt de
                    verordening voorzien van een citeertitel.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>– – – – – </al>
        <al/>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>