<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR312394_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">waterschapswet, art. 110, 113 en hoofstuk XVIIb</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit tot vaststelling van de ‘Verordening zuiveringsheffing
                            Waterschap Vallei en Veluwe 2014’</vet></al><al/><al>Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe;</al><al>op voordracht van het het college van dijkgraaf en heemraden van 15 oktober
                        2013;</al><al>gelet op de artikelen 110, 113 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk 6.2 van het Waterschapsbesluit;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de: </al><al>De ‘Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2014’</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Stoffen: de stoffen genoemd in artikel 7 van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>Riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                                afvalwater, in beheer bij een gemeente;</al></li><li nr="c."><al>Zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater
                                of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering;</al></li><li nr="d."><al>Afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;</al></li><li nr="e."><al>Woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd
                                zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="f."><al>Bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een
                                woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.</al></li><li nr="g."><al>De ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur
                                van GBLT aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                onderdeel a, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="h."><al>Drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al></li><li nr="i."><al>Ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                                onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li><li nr="j."><al>Drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="k."><al>Afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de
                                Waterwet;</al></li><li nr="l."><al>Warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                van de Drinkwaterwet;</al></li><li nr="m."><al>GBLT: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor
                                Lococensus – Tricijn te Zwolle, handelend onder de naam ‘GBLT’.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="–"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening;</al></li><li nr="–"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in
                                artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de
                            taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam
                            zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of
                            indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het
                            waterschap. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een
                                    bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die
                                    ruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                    afvoert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                            heffingsplichtig:</al><lijst><li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                    huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing
                                    is aangewezen;</al></li><li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                    bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in
                                    gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel
                                    in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te
                                    verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen
                                    van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter
                                    beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als
                                    zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking
                                    is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene
                            bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de
                            beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                            onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al><lijst><li nr="a."><al>aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de
                                    kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die
                                    verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die
                                    tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden;</al></li><li nr="b."><al>aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot
                                    behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde
                                    een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te
                                    voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                            in artikel 16 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo
                            dit later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                            eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                            verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de
                            voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na de aanvang
                            van de heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste
                            lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op
                            ontheffing voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor
                            dat jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                            heffingsplicht, nog volle etmalen resteren. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de heffingsplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening
                            van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag tot ontheffing
                            indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            heffingsplichtige in de loop van het heffingsjaar het gebruik van een
                            woonruimte beëindigt en direct aansluitend het gebruik krijgt van een
                            woonruimte die eveneens in het gebied van het waterschap ligt en er
                            vanuit de nieuwe woonruimte eveneens wordt afgevoerd als bedoeld in
                            artikel 1 onder d. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Heffingsjaar</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aangifte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de zuiveringsheffing geheven van gebruikers van
                            bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan
                            door: </al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin wordt
                                    verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld in het
                                    derde lid, onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van degene die op de wijze, bedoeld in het eerste lid,
                            onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen van aangifte, wordt door de
                            ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in het
                            eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt indien van de
                            desbetreffende aangifteplichtige redelijkerwijs niet kan worden verwacht
                            dat deze aangifte kan doen op de wijze, bedoeld in lid 3, onderdeel
                            b.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aangifte wordt gedaan door:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de
                            eventueel daarbij gevraagde bescheiden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de betreffende
                            programmatuur gevraagde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het derde lid, onderdeel b, toepassing vindt, worden de eventueel
                            gevraagde bescheiden afzonderlijk ingeleverd of toegezonden. De via de
                            programmatuur, bedoeld in laatstgenoemd onderdeel b, toe te zenden dan
                            wel in te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke
                            toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden als voor de aangifte
                            als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf algemeen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de
                                hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden afgevoerd.</al></li><li nr="2."><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van
                                de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De
                                vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></li><li nr="3."><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                                stoffen wordt bepaald op basis van de som van het chemisch
                                zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                                stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                                verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                                tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                54,8 kilogram zuurstof.</al></li><li nr="4."><al>Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom,
                                koper, lood, nikkel, zink, arseen, kwik en cadmium wordt bepaald op
                                basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven
                                in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde
                                gewichtshoeveelheid van:</al></li><li nr="a."><al>1,00 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en
                                zink;</al></li><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;</al></li><li nr="5."><al>De stoffen zilver, chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de
                                heffing onderworpen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere
                                stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en
                                analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en
                                berekening geschieden met in achtneming van de in Bijlage I
                                opgenomen voorschriften.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                                geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde
                                in artikel 9.</al></li><li nr="3."><al>De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt
                                        afgevoerd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                                een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor
                                aanvang van het heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing. Indien het gebruik van de apparatuur in de loop van het
                                heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt dit vóór de
                                ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast met
                                de heffing gebracht.</al></li><li nr="5."><al>De ambtenaar belast met de heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        het derde lid, onderdelen a en b;</al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                        a en b;</al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken;</al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c;</al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></li><li nr="7."><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                                het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op
                                hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift
                                te verenigen.</al></li><li nr="8."><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde
                                lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor
                                de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan
                                met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                afwijking van het bepaalde in artikel 8, tweede lid. Het besluit op
                                aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
                                Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in
                                        het onderzoek dienen te worden betrokken;</al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                                verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                                afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                                beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of
                                intrekken, indien toepassing van berekeningsvoorschrift III van
                                onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in
                                die beschikking is opgenomen.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                                het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd beschikkingen als
                                bedoeld in lid 1 van dit artikel op één geschrift samen te voegen
                                met beschikkingen die hij neemt op grond van artikel 8, lid 5, mits
                                die beschikkingen betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of
                                hetzelfde bedrijfsonderdeel. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><lijst><li nr="4."><lijst><li nr="1."><al>Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het
                                        chemisch zuurstofverbruik bedoeld in artikel 7 in
                                        belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of
                                        nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de
                                        heffingsplichtige op die uitkomst een correctie
                                        toegepast.</al></li><li nr="2."><al>De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming
                                        van het voorschrift, opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.
                                    </al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als
                                        bedoeld in het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare
                                        beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie;</al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater
                                                waarop de correctie van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met
                                                betrekking tot meting, bemonstering en analyse;</al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de
                                                heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt
                                                gegeven.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><lijst><li nr="4."><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, kan
                                        het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte
                                        of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van
                                        de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                        afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                        aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden
                                        met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar
                                        1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de
                                        hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid
                                        wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij: A = het
                                        aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                        bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                        ingenomen water; B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij
                                        de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met de
                                        klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van
                                        de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte
                                        ingenomen water is gelegen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water
                                        niet kan worden vastgesteld aan de hand van
                                        watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het
                                        kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met
                                        de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast
                                        te stellen wijze.</al></li><li nr="4."><al>De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                                        per m³ als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met
                                        toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet.</al></li><li nr="5."><al>Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte
                                        of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van
                                        het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het
                                        eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst
                                        leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de
                                        voet van artikel 8, eerste lid, beslist de ambtenaar belast
                                        met de heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op
                                        aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                        vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de
                                        tabel.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</titel></kop><lijst><li nr="4."><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de
                                        vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit
                                        een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte
                                        bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                        een bedrijf onder een permanente opstand van glas of
                                        kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                                        lid.</al></li><li nr="2."><al>De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per
                                        hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt
                                        geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een
                                        evenredig deel van drie vervuilingseenheden.</al></li><li nr="3."><al>Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een
                                        in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van
                                        een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door de
                                        gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar
                                        voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel
                                        voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede
                                        lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing
                                        onderworpen.</al></li><li nr="4."><al>Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het
                                        onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van het
                                        tweede of derde lid, van minder dan vijf vervuilingseenheden
                                        wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan
                                        één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid
                                        gesteld.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Franchise</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                            heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel en
                            zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                            vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De
                            aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de
                            zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 8 tot
                            en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0162.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                            heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een
                            aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden
                            niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door
                            het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen,
                            als berekend op grond van de artikelen 8 tot en met 11, te
                            vermenigvuldigen met 0,0027.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Meetverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000
                            vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel
                            8:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper,
                            lood, nikkel en zink op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de
                            heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                            betrekking tot deze stoffen de in artikel 13, eerste lid bedoelde aftrek
                            te boven gaat;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium
                            en kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing
                            aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot
                            deze stoffen de in artikel 13, tweede lid, bedoelde aftrek te boven
                            gaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                            stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer
                            bedraagt, wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 8:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom,
                                    koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld, indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                    vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                    artikel 13, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen,
                                    cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige
                                    aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot deze stoffen de in artikel 13, tweede lid,
                                    bedoelde aftrek niet te boven gaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van de
                        aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 8 tot
                        en met 14, voor zover deze van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                            afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                            minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één
                            vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                            gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                            vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                            vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                            aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop
                            van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de
                            loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast
                            met de heffing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Vervuilingswaarde van woonruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie
                            vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een
                            door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd wordt gesteld op
                            één vervuilingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                            bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                            bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige
                            volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                            bedrijfsruimte danwel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt
                            gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar,
                            wordt de vervuilingswaarde, op één vervuilingseenheid vastgesteld met
                            ingang van de eerste dag die volgt op de dag waarop die situatie is
                            ontstaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de in het derde lid bedoelde situatie onstaat ná de dagtekening
                            van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige
                            moet daartoe een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                            heffing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Schatting</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een
                        kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen,
                        indien door de heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                                overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 11, eerste of vijfde lid, 12, eerste lid, 16,
                                eerste lid, of 17, eerste lid, niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van
                                meting, bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde
                                op basis van artikel 11, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                                heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag als
                                bedoeld in dat artikel is gedaan:</al></li><li nr="d."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de
                                in artikel 8, 9 of 10 bedoelde toestemming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt € 50,13 per vervuilingseenheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffing wordt geheven bij wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Belastingaanslagen en beschikkingen inzake een bestuurlijke boete
                            dienen, met in achtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, te
                            worden betaald in één termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening
                            van de aanslag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Belastingaanslagen waarvan de dagtekening in het desbetreffende
                            heffingsjaar ligt en waarvoor de heffingschuldige een machtiging heeft
                            afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische incasso,
                            dienen te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse termijnen als er
                            na de dagtekening van de aanslag nog in het desbetreffende heffingsjaar
                            volle danwel gedeeltelijke kalendermaanden resteren, met dien verstande
                            dat het aantal maandelijkse termijnen niet minder dan twee bedraagt.
                            Voor de overige aanslagen geldt onverkort de in lid 2 neergelegde
                            hoofdregel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op het bepaalde in lid 3 van dit artikel geldt als restrictie dat het
                            bedrag per afschrijving op het totaalbedrag van het desbetreffende
                            aanslagbiljet niet minder dan € 5,00 bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met betrekking tot de
                        heffing en de invordering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de zuiveringsheffing wordt geen kwijtschelding
                        verleend met uitzondering van aanslagen voor woonruimten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Niet opleggen van de aanslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanslag van minder dan € 5,00 wordt niet opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
                            aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2013’
                                vastgesteld bij besluit van 2 januari 2013, wordt ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing. Zij blijft van toepassing op belastbare feiten die zich
                                voor die datum hebben voorgedaan, met uitzondering van het bepaalde
                                in artikel 20 van die verordening.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening zuiveringsheffing
                                Waterschap Vallei en Veluwe 2014’.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering op 27 november 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. G.P. Dalhuisen drs. T. Klip-Martin</ondertekening><ondertekening>secretaris dijkgraaf</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>