<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR311868_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening (6.2a)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haaksbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haaksbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, nr. 14171, 18-03-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=15">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=38">Monumentenwet 1988, art. 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.1">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.2">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-03-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling (tevens intrekking)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening (6.2a)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Onderwerp: </vet><vet>Erfgoedverordening</vet></al><al/><al><vet>Samenvatting</vet></al><al>Deze verordening regelt de aanwijzing van en vergunningen voor
                        gemeentelijke monumenten. Daarnaast wordt aangegeven hoe er in
                        Haaksbergen wordt omgegaan met het in stand houden van archeologische
                        terreinen.</al><al/><al><vet>De gemeenteraad van Haaksbergen</vet></al><al/><al>voorstel van het college van: </al><al/><al>wettelijke basis: Gemeentewet (artikel 149), Monumentenwet 1988
                        (artikelen 15 en 38), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikelen
                        2.1 en 2.2) en Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al><vet>besluit</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Erfgoedverordening</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: </al><al>een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                    betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                    zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: </al><al>de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze
                                    verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of
                                    terreinen bedoeld in onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: </al><al>beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>monumentenzorg:</al><al>de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht en hoofdstuk 3 en 4 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="e."><al>monumentenbeleid: </al><al>alle zaken over monumenten met uitzondering van de zaken
                                    dievallen onder de monumentenzorg;</al></li><li nr="f."><al>monumentencommissie:</al><al>de op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde
                                    commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen
                                    beweging te adviseren over monumentenzorg;</al></li><li nr="g."><al>monumentenraad:</al><al>de door het college ingestelde adviesraad met als taak het
                                    college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="h."><al>de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart:</al><al>topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen
                                    van het grondgebied, waarop archeologische monumenten,
                                    archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden en
                                    vrijstellingsgrenzen zijn aangegeven, zoals die op 28 oktober
                                    2009 is vastgesteld door de gemeenteraad;</al></li><li nr="i."><al>archeologisch verwachtingsgebied:</al><al>gebied, aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                                    waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate
                                    archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;</al></li><li nr="j."><al>hoge verwachtingswaarde:</al><al>grote kans op archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>middelhoge verwachtingswaarde:</al><al>gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="l."><al>lage verwachtingswaarde:</al><al>kleine kans op archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="m."><al>historische kern:</al><al>kern zoals deze is aangegeven op de Archeologische waarden- en
                                    verwachtingenkaart en Archeologische beleidsadvieskaart;</al></li><li nr="n."><al>plan van aanpak:</al><al>plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen
                                    zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan
                                    beantwoorden;</al></li><li nr="o."><al>programma van eisen:</al><al>programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee
                                    kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                                    archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="p."><al>bevoegd gezag:</al><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="q."><al>vergunning:</al><al>een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                    of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="r."><al>Wabo:</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="s."><al>regio-archeoloog:</al><al>een archeoloog die bij verschillende gemeenten in dezelfde regio
                                    werkzaamheden verricht op het gebied van archeologie. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                zaak of terrein aanwijzen als gemeentelijk
                                monument. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentenraad. In spoedeisende gevallen kan
                                het vragen van dit advies achterwege blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een zaak of terrein met een religieuze
                                bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor
                                de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst,
                                voert hij overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een zaak of terrein de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentenraad adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst
                                van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentenraad, maar in ieder geval binnen 16 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt meegedeeld aan
                            degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, derde en vierde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, derde lid,
                                en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking van de aanwijzing wordt op de gemeentelijke
                                monumentenlijst geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                                vernielen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument te slopen, te
                                        verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                        wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                        laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt
                                        ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het eerste en
                                tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt over
                                de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder i, de bodem dieper dan 40 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart
                                        en de archeologische beleidsadvieskaart met AMZ-adviezen,
                                        bedoeld in artikel 1, onder h, en waarbij die verstoring
                                        plaatsvindt:</al><lijst><li nr="-"><al>in een gebied met een met een lage archeologische
                                        verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan
                                        100.000 m<sup>2</sup>, of</al></li><li nr="-"><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                        verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan
                                        5.000 m<sup>2</sup>; of</al></li><li nr="-"><al>in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en
                                        het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m<sup>2</sup>;
                                        of</al></li><li nr="-"><al>in de historische kern van Haaksbergen indien het te
                                        verstoren gebied kleiner is dan 50 m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="-"><al>binnen een attentiecirkel rond een (historische) vindplaats
                                        en het te verstoren gebied kleiner is dan 50
                                        m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="-"><al>binnen een attentiecirkel rond (een) historische
                                        boerderij(en) en het te verstoren gebied kleiner is dan
                                        2.500 m<sup>2</sup>;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        over archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wabo en hierin voorschriften
                                        zijn opgenomen over archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt over de uitvoering van
                                        werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een
                                        archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied
                                        als aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden-
                                        en verwachtingenkaart en de archeologische
                                        beleidsadvieskaart;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><lijst><li nr="*"><al>het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate
                                        kan worden geborgd; of</al></li><li nr="*"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                        onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="*"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                        zijn;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>het bevoegd gezag beschikt over advies van de
                                        regio-archeoloog en waarin, op basis van specifieke nieuwe
                                        informatie of informatie op basis van voortschrijdend
                                        inzicht, blijkt dat er geen archeologische waarden (meer) te
                                        verwachten zijn en er aldus geen onderzoek vereist
                                            wordt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Haaksbergen onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1, sub h, Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1, onder o, van deze verordening, waarbij
                                        nadere regels worden gesteld over het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1, onder n, van deze
                                        verordening ter goedkeuring aan het college te
                                        overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op over het
                                toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak.
                                Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te
                                worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan de regio-archeoloog, als bedoeld in artikel 1, onder s,
                                van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De regio-archeoloog laat zich bij zijn taken ondersteunen door de
                                plaatselijk bekende amateur-archeologen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b, met dien verstande dat waar de
                            monumentencommissie wordt genoemd, regio-archeoloog dient te worden
                            gelezen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de nadere regels op grond van artikel
                            16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van
                            deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening belast zijn de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na ontvangst
                                van het besluit van Gedeputeerde Staten tot goedkeuring van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op het moment dat deze verordening in werking treedt, wordt de op 16
                                februari 2005 vastgestelde Monumentenverordening ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op grond van de in het tweede lid genoemde Monumentenverordening
                                aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht
                                aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                het tweede lid ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 18 december
                        2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. G. Raaben dr. J.C. Gerritsen </ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel/></kop><al><vet>Toelichting Erfgoedverordening</vet></al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemeen</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 1 B</cursief><cursief>egripsbepalingen</cursief></al><al/><al>Onder a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime omschrijving
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in onder 2 van artikel 1, dient ruim te
                    worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden
                    in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om
                    parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op
                    het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al/><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>Op de gemeentelijke monumentenlijst staan de door de gemeente aangewezen
                    monumenten geregistreerd. Het plaatsen van zaken op de monumentenlijst heeft
                    geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling.
                    Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk
                    monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de
                    plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel
                    3, lid 1<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Onder c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit
                    de Wabo van toepassing. </al><al/><al><cursief>Onder d</cursief></al><al>Bij de aanwijzing als gemeentelijk monument kan aandacht worden besteed aan de
                    omgeving rond het monument. Hierbij kan bijvoorbeeld gaan om bijgebouwen,
                    inrichting of beplanting. Het kan zijn dat complexbeschrijving onvoldoende is,
                    omdat het bijzondere nu juist ook ligt in het totaal van het gebied. Als dit
                    niet nationale, maar wel lokale kwaliteit heeft, kan het worden beschermd door
                    het aan te wijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. De
                    begripsomschrijving van een dorpsgezicht is conform de Monumentenwet.</al><al/><al><cursief>Onder e, f. g en h</cursief></al><al>De gemeente Haaksbergen maakt een onderscheid tussen monumentenbeleid en
                    monumentenzorg. De monumentencommissie is het adviesorgaan van het college op
                    het gebied van zorg; de monumentenraad is het adviesorgaan van het college voor
                    beleid.</al><al>In de Erfgoedverordening wordt door de gemeenteraad bepaald dat een
                    monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het college. Dit vloeit voort uit
                    de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in
                    een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert
                    over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
                    artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wabo. De wetgever geeft hier dus
                    aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het
                    instellen van een commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het
                    college moet door middel van een apart collegebesluit.</al><al/><al><cursief>Onder i</cursief></al><al>Zolang nog niet alle bestemmingsplannen van de gemeente Haaksbergen Malta-proof
                    zijn, maken we gebruik van de gemeentelijke archeologische
                    beleidsadvieskaart.</al><al/><al><cursief>Onder p</cursief></al><al>De hoofdregel is dat het college in hoofdzaak het bevoegd gezag is.</al><al/><al><cursief>Onder s</cursief></al><al>De regio-archeoloog die in dienst is bij Het Oversticht en geldt als
                    onafhankelijke deskundige. Hij verricht voor diverse gemeenten in de regio
                    werkzaamheden op het gebied van archeologie. Hij wordt gevraagd advies uit te
                    brengen over een rapport of plan van aanpak. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</vet></al><al/><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    bevoegd gezag voor de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al><al/><al><cursief>Artikel 2 Het gebruik van een monument</cursief></al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al/><al><cursief>Artikel 3 De</cursief><cursief> aanwijzing tot gemeentelijk
                        monument</cursief></al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al/><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie artikel 10, tweede
                    lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie artikel 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                    vergunningsvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist.
                    Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de
                    aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel
                    en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt
                    aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.
                    Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                    bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                    wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                    omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentenraad als bedoeld onder
                    artikel 1, onder h. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentenraad bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al/><al><cursief>Artikel 4 V</cursief><cursief>oorbescherming</cursief></al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dit betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat houdt onder andere in dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                    hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden.
                    Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                    opgeschort.</al><al/><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><al/><al><cursief>Artikel 5 T</cursief><cursief>ermijnen advies en
                        aanwijzingsbesluit</cursief></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentenraad moet
                    adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentenraad niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al/><al><cursief>Artikel 6 M</cursief><cursief>ededeling
                    aanwijzingsbesluit</cursief></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al/><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derde belanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al/><al><cursief>Artikel 7 R</cursief><cursief>egistratie op de gemeentelijke
                        monumentenlijst</cursief></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect wordt tevens verwezen naar
                    de toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al/><al><cursief>Artikel 8 Wijziging van de aanwijzing</cursief></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><al><cursief>Artikel 9 Intrekken van de aanwijzing</cursief></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentenraad nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de
                    aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor
                    gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt, een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 10 Instandhoudingbepaling</cursief></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onderdeel f, van de Wabo waarbij het gaat om de
                    beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen
                    over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag
                    voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al/><al>De Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) voorziet in nadere regels over de
                    indieningsvereisten voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf
                    5.2 van de Mor zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten
                    over monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen
                    welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid
                    van deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al/><al>In lid 2 van artikel 10 wordt alleen bepaald dat het verboden is om zonder
                    vergunning werkzaamheden en dergelijke aan monumenten te verrichten. Het
                    verrichten van werkzaamheden in afwijking van de voorschriften van de verleende
                    vergunning is verboden op grond van de Wabo (artikel 2.3) en hoeft daarom niet
                    in de verordening opgenomen te worden.</al><al/><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het
                    reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                    niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld over kleurstelling of
                    het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een
                    vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties
                    worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien
                    echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                    wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels
                    worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                    geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoud-technische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren
                    van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al/><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. Is
                    er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen de
                    eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen de
                    wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat
                    betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling
                    dan ook niet geldt.</al><al/><al><cursief>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</cursief></al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden.</al><al/><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al/><al><cursief>Artikel 12 Termijnen advies en vergunningverlening</cursief></al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Eerder
                    was de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing
                    verklaard. Op grond van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de
                    vergunning betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere
                    activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere
                    activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de
                    Wabo gevolg moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al/><al><cursief>Artikel 13 Weigeringsgronden</cursief></al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><al/><al><cursief>Artikel 14 Intrekken van de vergunning</cursief></al><al>Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Beschermde monumenten</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 15 Vergunning voor beschermd monument</cursief></al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegde gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Door de inwerkingtreding van
                    de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de
                    omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats. Door dit onderscheid in
                    procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit
                    heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal
                    zijn. Door de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot.
                    Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen.
                    Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 16 Instandhoudingbepaling</cursief></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Malta) en daarmee aan de hand van deze verordening, is
                    daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waarden- en verwachtingenkaart en de archeologische
                    beleidsadvieskaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de
                    bodem kunnen bevinden en dat er bij het opstellen van het bestemmingsplan
                    onderzoek kan worden geëist. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 16 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 40 cm de bodem te
                    verstoren.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 16 worden een zestal uitzonderingsmogelijkheden
                    gegeven op het eerste lid. De gemeentelijke archeologische waarden- en
                    verwachtingenkaart en de archeologische beleidsadvieskaart hanteert een
                    driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen
                    worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens
                    gekoppeld aan een aantal m<sup>2</sup> te verstoren verwachtingsgebied. Hoe
                    lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m<sup>2</sup>
                    kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge
                    verwachtingswaarde zal het aantal m<sup>2</sup> waarbinnen een verstoring mag
                    plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen
                    dient voldoende rekening gehouden te worden met de vraag wat er binnen het
                    verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. Binnen de
                    gehanteerde oppervlakte moet voldoende informatie verkregen kunnen worden over
                    de aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te
                    treffen archeologische sporen.</al><al/><al>Onderdeel b ziet toe op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is
                    als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al/><al>In onderdeel c wordt een aantal mogelijkheden genoemd die zijn opgenomen in
                    artikel 2.12 Wabo.</al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij
                    de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen over archeologische waarden in
                    het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde
                    worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische
                    waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld.</al><al/><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c. Het
                    gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van
                    het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan
                    ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen
                    uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van
                    het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt overeen
                    met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van
                    een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al/><al>Op grond van dit artikel 16, lid 2, onder d, kan het college nadere regels
                    stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende
                    werkzaamheden in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend
                    op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk
                    aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische
                    paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de
                    hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van
                    archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van
                    de VNG ‘Verder met Valletta’.</al><al/><al>In afwijking van het VNG model is artikel 16, lid 2, onder f opgenomen.
                    Onderdeel f is opgenomen omdat er zich altijd informatie kan aandienen waaruit
                    blijkt dat onderzoek niet hoeft te worden uitgevoerd. De kaart zelf is, ondanks
                    de redelijke gedetailleerdheid, niet gebouwd op perceelsgewijze informatie. </al><al/><al><cursief>Artikel 17 Opgravingen en begeleiding </cursief></al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                    functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers
                    informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening
                    opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische
                    opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijk regierol
                    niet uitdrukkelijk gewenst is, dient deze bepaling niet overgenomen te worden.
                    In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien
                    al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat
                    een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een rechthebbende
                    van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en
                    eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de
                    archeologische vondsten uitputtend geregeld.</al><al/><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                    programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                    programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake
                    van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek
                    project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor
                    gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond
                    van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld over de
                    feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan
                    van aanpak.</al><al/><al>Het vierde lid van artikel 17 voorziet in het inschakelen van de plaatselijk
                    bekende amateur-archeologen. Wij vinden het nuttig dat gebruik gemaakt wordt van
                    de lokale kennis op dit gebied. Met het opnemen van dit lid wordt het benutten
                    van deze kennis geborgd. </al><al/><al><cursief>Artikel 18 Procedure</cursief></al><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder e en
                    artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke zien op de
                    verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard, met dien verstande dat
                    de regio-archeoloog advies uitbrengt over het rapport en het op te stellen plan
                    van aanpak. Voor de toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze
                    toelichting bij deze artikelen.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 19 Tegemoetkoming in schade</cursief></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle
                    genoemde onderdelen (a t/m e). <cursief>Als </cursief><cursief>gemeente
                        z</cursief><cursief>ullen we </cursief><cursief>zelf </cursief><cursief>per
                        geval </cursief><cursief>afwegen </cursief><cursief>wat
                        ‘</cursief><cursief>redelijk</cursief><cursief>’</cursief><cursief>of
                        ‘</cursief><cursief>buitenproportioneel</cursief><cursief>’
                        </cursief><cursief>is.</cursief></al><al>Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De
                    procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden
                    toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te
                    maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure.</al><al/><al><cursief>Artikel 20 Strafbepaling</cursief></al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al/><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Artikel 22 Inwerkingtreding en overgangsrecht</cursief></al><al>In het derde lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het vierde lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>