<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR311838_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Klachtenregeling ongewenst gedrag Gemeente Almere 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Geen</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Klachtenregeling ongewenst gedrag Gemeente Almere 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Arbowet, art. 1, derde lid, sub e, art. 3, eerste lid, art. 2 en 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-07-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Klachtenregeling ongewenst gedrag Gemeente Almere 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van Almere,</al><al/><al>gelet op artikel 1, lid 3 sub e, artikel 3 lid 1,2 en 4 van de Arbowet;</al><al/><al>gelezen het voorstel van de afdeling HRM van de Stafdienst bedrijfsvoering
                        d.d. 7 mei 2013;</al><al/><al>gehoord de Ondernemingsraad d.d. 4 april 2013;</al><al/><al> B E S L U I T EN:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>in te trekken de regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de
                                gemeentelijke overheid, vastgesteld op 15 mei 2007;</al></li><li nr="2."><al>vast te stellen de navolgende </al><al/></li></lijst><al><vet>KLACHTENREGELING ONGEWENST GEDRAG </vet><vet>GEMEENTE
                        ALMERE</vet><vet>2013</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bevoegd gezag: het orgaan dat in eerste instantie dan wel daartoe
                                gemandateerd bevoegd is tot afdoening van een klacht met betrekking
                                tot ongewenst gedrag;</al></li><li nr="b."><al>commissie: de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag voor de
                                decentrale overheid;</al></li><li nr="c."><al>de gemeente: gemeente Almere als zijnde werkgever;</al></li><li nr="d."><al>ongewenst gedrag: gedrag dat valt binnen de begrippen discriminatie,
                                (seksuele) intimidatie zoals verwoord in artikel 1, 1 a en 2 van de
                                Algemene wet gelijke behandeling en agressie geweld en pesten zoals
                                bedoeld in de Arbowet artikel 3 lid 2 jo. artikel 1 lid 3 sub e en
                                f;</al></li><li nr="e."><al>klacht: een door de klager ondertekend en van naam- en adresgegevens
                                voorzien geschrift waarin het jegens hem ongewenste gedrag waarop de
                                klacht betrekking heeft is omschreven, behoudens een klacht op grond
                                van artikel 13;</al></li><li nr="f."><al>klager: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van de
                                    gemeente<vet>, </vet>die werkzaam is of werkzaam is geweest in de gemeente en een klacht
                                over ongewenst gedrag indient;</al></li><li nr="g."><al>aangeklaagde: een persoon, niet zijnde een politieke ambtsdrager van
                                de gemeente<vet>,</vet> die werkzaam is of werkzaam is geweest in de
                                gemeente en over wiens gedrag</al><al> geklaagd wordt;</al></li><li nr="h."><al>informant: degene die namens het bevoegd gezag informatie verstrekt
                                aan de commissie;</al></li><li nr="i."><al>getuigen: andere dan onder g genoemde personen die door de commissie
                                worden verzocht</al><al> informatie te verstrekken;</al></li><li nr="j."><al>college: het College voor Arbeidszaken van de Vereniging Nederlandse
                                Gemeenten dat deze klachtencommissie heeft ingesteld.</al></li><li nr="k."><al>vertrouwenspersoon: de persoon als bedoeld in artikel 3 van deze
                                regeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Klachten over politiek ambtsdragers</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan in afwijking van artikel 1 onder g. de commissie ad
                        hoc belasten met onderzoek naar en advies over een klacht, die betrekking
                        heeft op ongewenst gedrag van een politiek ambtsdrager van de gemeente
                        jegens klager.</al></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders wijst één of meerdere
                        vertrouwenspersonen aan. Deze vertrouwenspersonen zijn deskundig op het
                        gebied van ongewenste omgangsvormen.</al></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Taken vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon heeft de volgende taken:</al><lijst><li nr="a."><al>de eerste opvang van klager;</al></li><li nr="b."><al>het bijstaan, begeleiden en adviseren van klager en zo nodig
                                    verwijzen;</al></li><li nr="c."><al>in overleg met klager trachten te komen tot oplossing van de
                                    problemen;</al></li><li nr="d."><al>het ondersteunen van klager bij het indienen van een klacht bij
                                    de klachtencommissie of indien het een strafbaar feit betreft
                                    (aanranding, verkrachting, mishandeling) bij het doen van
                                    aangifte bij de politie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon verricht geen handelingen ter uitvoering van zijn
                            taak dan met toestemming van klager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Overige taken vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon houdt een registratie bij van alle bij hem
                            ingediende meldingen van ongewenste omgangsvormen en de afdoening ervan.
                            De vertrouwenspersoon verstrekt jaarlijks een geanonimiseerd overzicht
                            van het aantal klachten en de afdoening ervan aan het college van
                            burgemeester en wethouders. De stukken behorend bij een melding worden
                            drie jaar na afdoening vernietigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vertrouwenspersoon kan de dienstleiding gevraagd en ongevraagd
                            adviseren op het gebied van preventie en bestrijding van ongewenste
                            omgangsvormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Taakstelling en samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie heeft tot taak een klacht te onderzoeken en daarover advies
                            uit te brengen aan het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uit de commissie worden door de voorzitter van de commissie drie leden
                            aangewezen om een klacht te onderzoeken, waaronder een
                            (plaatsvervangend) voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze leden beslissen bij gewone meerderheid van stemmen over het uit te
                            brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een lid wordt vervangen als deze direct of indirect betrokken is geweest
                            bij enige vorm van ongewenst gedrag waarover de klacht is ingediend dan
                            wel een persoonlijk belang heeft bij de afhandeling van de klacht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Benoeming, schorsing en ontslag van de voorzitter, overige leden en hun
                            plaatsvervangers geschiedt door de voorzitter van het college.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De voorzitter, overige leden en hun plaatsvervangers worden benoemd voor
                            een periode van zes jaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De commissie kan een nadere werkwijze bepalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Secretaris en administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van het college wijst na overleg met de voorzitter van de
                            commissie een secretaris</al><al> en een of meer plaatsvervangend secretarissen aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De administratie ten behoeve van de commissie wordt gevoerd door het
                            secretariaat van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indienen van de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De klager kan de klacht zowel rechtstreeks bij de commissie indienen als
                            bij het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De klager vermeldt in de klacht zo mogelijk de datum, tijd, plaats van
                            het ongewenst gedrag, de omstandigheden, de namen van aangeklaagde en
                            eventuele getuigen, alsmede de stappen die hij reeds heeft ondernomen.
                        </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de klager de klacht indient bij het bevoegd gezag, bevestigt het
                            bevoegd gezag de ontvangst van de klacht aan de klager en vermeldt
                            daarbij dat de klacht zal worden doorgezonden naar de commissie die het
                            bevoegd gezag over de afhandeling van de klacht zal adviseren. Het
                            bevoegd gezag zendt de klacht, nadat daarop de datum van ontvangst is
                            aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan de commissie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie bevestigt de ontvangst van de klacht aan de klager en stelt
                            hem op de hoogte van de termijnen en de wijze van afdoening van de
                            klacht. Tevens informeert de commissie het bevoegd gezag binnen twee
                            weken, dat een klacht is ontvangen. Indien de klacht rechtstreeks bij de
                            commissie is ingediend bevat de melding aan het bevoegd gezag geen
                            persoonsgegevens van klager, beklaagde of getuigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>In behandeling nemen van de klacht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt op verzoek alle op de klacht betrekking
                                hebbende gegevens, waaronder de klachtenregeling van de gemeente, de
                                contact- en functiegegevens van klager en aangeklaagde en een
                                overzicht van de reeds geproduceerde stukken met betrekking tot de
                                klacht,</al></li><li nr="2."><al>De commissie neemt een klacht niet in behandeling indien verplichte
                                stappen uit de klachtenprocedure van de betreffende aangesloten
                                organisatie niet zijn doorlopen.</al></li><li nr="3."><al>De commissie verklaart de klacht niet ontvankelijk indien deze niet
                                valt binnen de begripsbepalingen van artikel 1 onder c, d, e, f en g
                                van deze regeling,</al></li><li nr="4."><al>Ingeval lid 2 van toepassing is brengt de commissie klager- en in
                                geval lid 3 van toepassing is klager en het bevoegd gezag binnen
                                twee weken na ontvangst van de klacht schriftelijk op de hoogte van
                                het niet in behandeling nemen (lid 2) of de niet ontvankelijkheid
                                (lid 3) van de klacht.</al></li><li nr="5."><al>De commissie kan de klacht voorts niet in behandeling nemen
                                indien:</al></li><li nr=""><al>A. de klacht niet binnen een redelijke termijn nadat het ongewenste
                                gedrag heeft plaatsgevonden aan de commissie is voorgelegd </al><al>B. er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 9:8 lid
                                1 en 2 Awb</al><al>C. wanneer niet in voldoende mate voldaan is aan het bepaalde in
                                artikel 6 lid 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Onderzoek naar de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de commissie dit voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk
                            acht stelt zij een onderzoek in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van het onderzoek is de commissie bevoegd bij het bevoegd
                            gezag alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar
                            advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft de commissie de gevraagde
                            inlichtingen en stelt de commissie desgevraagd in de gelegenheid de
                            werkomgeving te aanschouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag stelt personen werkzaam binnen de gemeente in de
                            gelegenheid te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Personen als bedoeld in lid 3 die door de commissie worden opgeroepen,
                            zijn verplicht te verschijnen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De commissie kan het bevoegd gezag adviseren tussentijdse maatregelen te
                            nemen indien en voor zover dit in het belang is van het onderzoek of van
                            de positie van de in het onderzoek betrokken personen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De commissie kan op verzoek van klager en op door klager te motiveren
                            gronden de behandeling van de klacht voor een periode van ten hoogste
                            twee maanden opschorten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Horen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens een advies uit te brengen stelt de commissie de klager, de
                                aangeklaagde en zo nodig de informant en getuigen in de gelegenheid
                                om te worden gehoord. De commissie kan het horen opdragen aan de
                                voorzitter of een ander lid van de commissie of aan beiden.</al></li><li nr="2."><al>Van het horen kan worden afgezien indien de klacht kennelijk
                                ongegrond is.</al></li><li nr="3."><al>De zittingen van de commissie zijn niet openbaar.</al></li><li nr="4."><al>Van het horen wordt een verslag gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>De zittingen vinden zoveel mogelijk plaats op een voor partijen goed
                                bereikbare locatie die voldoende rust en discretie biedt aan alle
                                betrokkenen.</al></li><li nr="6."><al>De commissie zendt tijdig voorafgaand aan de hoorzitting aan de
                                aangeklaagde - en voor zover nodig aan klager en informant - een
                                afschrift van de klacht en van andere stukken die op de klacht
                                betrekking hebben.</al></li><li nr="7."><al>De commissie hoort de klager, de aangeklaagde en de getuigen in
                                beginsel buiten elkaars aanwezigheid. De commissie stelt klager en
                                aangeklaagde in de gelegenheid van elkaars zienswijzen, alsmede van
                                de inhoud van de hoorgesprekken met de informant en/of de getuigen
                                kennis te nemen en daarop te reageren.</al></li><li nr="8."><al>De klager en aangeklaagde kunnen zich op eigen kosten ter zitting
                                laten bijstaan door een (raads)persoon.</al></li><li nr="9."><al>De commissie is bevoegd om getuigen, andere betrokkenen en
                                deskundigen schriftelijk of mondeling te raadplegen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Omgang met persoonsgegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie verzamelt en verwerkt uitsluitend
                            persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor het uitbrengen van een
                            advies. Bij de verwerking van persoonsgegevens zorgt de commissie voor
                            beveiliging van de gegevens tegen verlies en onrechtmatige
                                verwerking<vet>.</vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de commissie alsmede de secretaris geldt de plicht tot
                            geheimhouding van persoonsgegevens voor zover overdracht van informatie
                            niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de taak van de commissie.
                            Wanneer de inhoud van bepaalde informatie uitsluitend ter kennisneming
                            door de commissie dient te blijven wordt dit aan de commissie
                            meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie wijst personen die worden gehoord of geraadpleegd op de
                            vertrouwelijkheid van hetgeen ter zitting aan de orde komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Advies over de klacht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de klacht
                                door de commissie advies uit aan het bevoegd gezag over de
                                gegrondheid van de klacht vergezeld van een rapport van bevindingen.
                                Het rapport bevat een verslag van het horen.Een
                                afschrift van het advies wordt aan klager en aangeklaagde
                                toegezonden.</al></li><li nr="2."><al>De commissie kan het bevoegd gezag verzoeken de in eerste lid
                                genoemde termijn met 4 weken te verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Met schriftelijke instemming van de klager kan de commissie het
                                bevoegd gezag op basis van artikel 9:11 lid 3 Algemene wet
                                bestuursrecht verzoeken om verder uitstel.</al></li><li nr="4."><al>In het advies kunnen aanbevelingen worden gedaan over door het
                                bevoegd gezag te nemen maatregelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Afdoening van de klacht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag handelt de klacht binnen tien weken na ontvangst van
                            het klaagschrift af.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan op verzoek van de commissie de afdoening voor ten
                            hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk
                            mededeling gedaan aan klager en aangeklaagde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 11 lid 2 en 3 , stelt het bevoegd
                            gezag binnen twee weken na ontvangst van het advies van de commissie
                            bedoeld in artikel 11 lid 1, klager en aangeklaagde schriftelijk en
                            gemotiveerd in kennis van zijn besluit alsmede de conclusies die het
                            daaraan verbindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van het ter afdoening van de
                            klacht genomen besluit naar de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Klachten betreffende het functioneren van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een klager of het bevoegd gezag een klacht heeft over enig
                            handelen of nalaten van de commissie betreffende de uitvoering van haar
                            taak, wordt deze klacht behandeld door tenminste twee leden uit de
                            commissie die niet aan het betreffende onderzoek hebben
                            deelgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voornoemde leden doen binnen vier weken na ontvangst van de klacht,
                            bedoeld in lid 1 uitspraak over de (on)gegrondheid daarvan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jaarlijks wordt een verslag opgesteld door de commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat verslag worden in geanonimiseerde zin en met in achtneming van de
                            ter zake geldende wettelijke bepalingen vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klachten dat de commissie heeft ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>het aantal niet-ontvankelijk, (gedeeltelijk) gegrond en
                                    ongegrond geachte klachten;</al></li><li nr="c."><al>de aard van de klachten;</al></li><li nr="d."><al>statistische gegevens over klagers en aangeklaagden;</al></li><li nr="e."><al>de doorlooptijd van de adviezen;</al></li><li nr="f."><al>aanbevelingen en tendensen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag wordt gepubliceerd op de website van de VNG.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op een klacht die is ingediend vóór de inwerkingtreding van deze regeling
                        blijft de Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                        overheid van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De regeling klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke
                        overheid wordt ingetrokken op de dag dat de ‘Klachtenregeling ongewenst
                        gedrag gemeente Almere 2013’ in werking treedt.</al><al>De ‘Klachtenregeling ongewenst gedrag gemeente Almere 2013’ treedt in
                        werking op de eerste dag van de maand volgend op haar vaststelling. </al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Almere, 2 juli 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de secretaris, de burgemeester, </ondertekening><ondertekening>A.J. Grootoonk A. Jorritsma – Lebbink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting ‘Klachtenregeling ongewenst gedrag voor de decentrale
                        overheid 2013’</titel></kop><al>Deze regeling voorziet in de instelling en procedure van de Klachtencommissie
                    ongewenst gedrag voor de decentrale overheid. Deze landelijke commissie geeft
                    advies aan het bevoegd gezag van aangesloten gemeenten, provincies en
                    waterschappen met betrekking tot klachten op het gebied van ongewenst gedrag.
                    Bij afzonderlijk besluit kunnen decentrale overheden zich op vrijwillige basis
                    aansluiten bij de commissie. Ook door deze overheden ingestelde instellingen
                    zoals gemeentelijke samenwerkingsverbanden kunnen zich aansluiten bij de
                    commissie.</al><tussenkop>Arbeidsomstandighedenwet </tussenkop><al>Uitgangspunt bij de regelgeving over ongewenst gedrag is de verantwoordelijkheid
                    van de werkgever voor een veilige werkomgeving en de plicht werknemers te
                    beschermen tegen discriminatie, seksuele intimidatie, agressie, geweld en
                    pesten. Dit is neergelegd in de Arbeidsomstandighedenwet . </al><al>In artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet is neergelegd dat de werkgever
                    zorgt voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers en een beleid voert
                    gericht op het voorkomen, en indien dat niet mogelijk is, beperken van
                    psychosociale arbeidsbelasting. Ook bij het ontbreken van een (aanwijsbare)
                    veroorzaker van ongewenst gedrag blijft de werkgever verantwoordelijkheid dragen
                    voor het doen ophouden van ongewenst gedrag. De term ‘psychosociale
                    arbeidsbelasting’ is een nieuw begrip dat in de wet als volgt is gedefinieerd:
                    “de factoren direct of indirect onderscheid met inbegrip van seksuele
                    intimidatie, agressie en geweld, pesten en werkdruk in de arbeidssituatie die
                    stress teweeg brengen”. De begripsbepaling ongewenst gedrag in deze
                    klachtenregeling verwijst naar de omschrijving van deze begrippen in de
                    Arbeidsomstandighedenwetgeving. </al><tussenkop>Gelijke behandelingswetgeving</tussenkop><al>Het wettelijk kader met betrekking tot (seksuele) intimidatie wordt daarnaast
                    gevormd door de Algemene wet gelijke behandeling en de Wet gelijke behandeling
                    mannen en vrouwen. In het kader van de gelijke behandelingswetgeving wordt
                    (seksuele) intimidatie beschouwd als het maken van onderscheid, hetgeen verboden
                    is. </al><al>In de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen is opgenomen dat het verbod op
                    direct onderscheid tussen mannen en vrouwen ook het verbod op intimidatie en
                    seksuele intimidatie omvat. Dit leidt tot een versterking van de rechtspositie
                    van de werknemer tegen ongelijke behandeling op grond van geslacht, waaronder
                    (seksuele) intimidatie. Dit maakt het noodzakelijker voor werkgevers om
                    maatregelen ter voorkoming van (seksuele) intimidatie te nemen en adequaat te
                    reageren op signalen van (seksuele) intimidatie. Zulke maatregelen zijn onder
                    meer het instellen van een vertrouwenspersoon en een klachtenprocedure. </al><tussenkop>Algemene wet bestuursrecht</tussenkop><al>De verantwoordelijkheid van de werkgever komt ook tot uitdrukking in de Algemene
                    wet bestuursrecht waarin bepaald is dat een gedraging van een persoon werkzaam
                    onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan wordt aangemerkt als een
                    gedraging van dat bestuursorgaan (artikel 9:1, lid 2). </al><al>De procedure van de Klachtencommissie ongewenst gedrag is deels gebaseerd op
                    hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) over klachtbehandeling door
                    een bestuursorgaan. Het gaat in de Awb in de eerste plaats om klachten van
                    burgers, maar het kan ook gaan om klachten van ambtenaren tegen het
                    bestuursorgaan als werkgever, zoals een klacht over ongewenst gedrag. De Awb
                    bevat minimumeisen voor behoorlijke klachtafhandeling. Op grond van de Awb is
                    het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de afdoening van de klacht. Het kan
                    daarbij gebruikmaken van een klachtenadviesinstantie, zoals de landelijke
                    Klachtencommissie ongewenst gedrag. Deze commissie geeft een advies op basis
                    waarvan een bestuursorgaan de klacht afhandelt. Het advies van de commissie
                    maakt deel uit van de interne klachtenprocedure.</al><al>De Awb regelt voorts het recht van een klager om zich na interne behandeling van
                    een klacht tot een externe adviesinstantie te wenden zoals de Ombudsman.</al><tussenkop>Toelichting artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 sub a: bevoegd gezag</tussenkop><al>Het college, gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van het waterschap is
                    bevoegd om besluiten te nemen over de afdoening van klachten. Deze bevoegdheid
                    kan gemandateerd zijn aan een ambtenaar, bijvoorbeeld een diensthoofd.</al><tussenkop>Artikel 1 sub b: commissie</tussenkop><al>De klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid heet nu
                    vanwege uitbreiding van het werkgebied klachtencommissie ongewenst gedrag voor
                    de decentrale overheid.</al><tussenkop>Artikel 1 sub d: ongewenst gedrag </tussenkop><al>Het begrip “ongewenst gedrag” dient ruim te worden geïnterpreteerd. Alle vormen
                    van verbale, fysieke en psychische agressie worden tot ongewenst gedrag
                    gerekend, waaronder ook sociale uitsluiting, negeren, pesten. Ter toelichting
                    dient de omschrijving van de begrippen discriminatie, seksuele intimidatie,
                    agressie, geweld en pesten uit de memorie van toelichting op de
                    Arbeidsomstandighedenwet zoals deze luidt per 1 januari 2009. </al><al>De factoren “direct en indirect” onderscheid met inbegrip van seksuele
                    intimidatie en agressie en geweld, pesten en werkdruk vallen onder het begrip
                    psychosociale arbeidsbelasting. (…) Onder psychosociale arbeidsbelasting worden
                    factoren in de arbeidssituatie verstaan, die stress veroorzaken. </al><al/><al>Onder seksuele intimidatie wordt verstaan enige vorm van verbaal, non-verbaal of
                    fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de
                    waardigheid van een persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een
                    bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt
                    gecreëerd. (…) Seksuele intimidatie, kan zich voordoen in een aantal
                    verschijningsvormen. Het kan gaan om dubbelzinnige opmerkingen, onnodig
                    aanraken, gluren, pornografische afbeeldingen op het werk, maar ook om
                    aanranding en verkrachting. De definitie van seksuele intimidatie geeft tevens
                    aan dat hieronder moeten worden verstaan de gevallen waarin sprake kan zijn van
                    seksuele chantage, zodanig dat de kans op promotie en beslissingen over het werk
                    afhangt van verrichte seksuele diensten. Door dit gedrag kan een vijandige of
                    seksueel intimiderende en kwetsende omgeving ontstaan die een aanslag is op de
                    waardigheid van de betrokken werknemer. </al><al/><al>Onder pesten wordt verstaan alle vormen van intimiderend gedrag met een
                    structureel karakter, van een of meerdere werknemers (collega’s,
                    leidinggevenden) gericht tegen een werknemer of een groep van werknemers die
                    zich niet kan of kunnen verdedigen tegen dit gedrag. Een belangrijk element
                    aangaande pesten op het werk is de herhaling van die gedraging in de tijd. Het
                    gaat bij pesten dus niet om een eenmalige gedraging. Dit gedrag uit zich op
                    verschillende manieren maar in het bijzonder door:</al><lijst><li nr="·"><al>Sociaal isoleren</al></li><li nr="·"><al>Werken onaangenaam of onmogelijk maken</al></li><li nr="·"><al>Bespotten</al></li><li nr="·"><al>Roddelen/geruchten verspreiden</al></li><li nr="·"><al>Dreigementen</al></li><li nr="·"><al>Lichamelijk geweld</al></li><li nr="·"><al>Seksuele intimidatie</al></li></lijst><al/><al>Deze opsomming is niet limitatief. Veelal is het doel van de dader om
                    opzettelijk een andere persoon te kwetsen, te vernederen en de waardigheid van
                    die persoon aan te tasten.</al><al/><al>Onder agressie en geweld wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer
                    psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid.
                    Bij agressie en geweld gaat het om gedragingen van verbaal geweld (uitschelden,
                    beledigen) en fysiek geweld (schoppen, slaan, met een wapen dreigen en/of
                    overvallen worden). Het kan ook gaan om psychisch geweld: bedreigen,
                    intimideren, onder druk zetten, thuissituatie bedreigen en het beschadigen van
                    eigendommen.</al><al/><al>Naast seksuele intimidatie, pesten, agressie en geweld wordt uitdrukkelijk ook
                    discriminatie tot ongewenst gedrag in de zin van deze regeling gerekend. Voor
                    uitleg van het begrip discriminatie wordt verwezen naar de Algemene wet gelijke
                    behandeling. Wettelijk is het begrip discriminatie overigens niet gedefinieerd.
                    De Awgb noemt de gronden waarop het maken van onderscheid verboden is.</al><tussenkop>Artikel 1 sub e: klacht</tussenkop><al>Een klacht is schriftelijk en mag niet anoniem worden ingediend. Bij de
                    omschrijving van het begrip klacht is aangesloten op de ontvankelijkheideisen
                    die de Awb stelt. In artikel 6 van deze regeling is opgenomen dat de klacht
                    indien mogelijk nog nadere gegevens bevat. </al><tussenkop>Artikel 1 sub f: klager</tussenkop><al>De personen die een beroep kunnen doen op de klachtenregeling dienen werkzaam te
                    zijn in de organisatie van de aangesloten organisatie. Dit kan betreffen
                    ambtenaren, arbeidscontractanten, medewerkers van de griffie, stagiairs,
                    gedetacheerden, personeel werkzaam op basis van inhuur, uitzendkrachten,
                    vrijwilligers bij de brandweer en andere vrijwilligers. </al><al>Ten behoeve van de toepassing op medewerkers van de griffie dient de raad c.q.
                    provinciale staten een klachtenregeling vast te stellen of de bevoegdheid tot
                    vaststelling en uitvoering hiervan gedelegeerd te hebben aan het bevoegd
                    gezag.</al><al/><al>Daarnaast is de regeling ook van toepassing op personen die in het verleden
                    werkzaam waren bij de aangesloten organisatie. De ervaring leert dat er vaak pas
                    na verloop van tijd een formele klacht over ongewenst gedrag wordt geuit, soms
                    pas na beëindiging van het dienstverband. Voor de aangesloten organisatie als
                    werkgever zijn dergelijke klachten ook dan nog relevant. Behandeling van de
                    klacht kan aanleiding zijn om de aangeklaagde alsnog met maatregelen te
                    confronteren of om de werking van het beleid tegen ongewenst gedrag te
                    evalueren. </al><al>Niet binnen deze regeling vallen klachten van en over onderwijspersoneel (in de
                    zin van het rechtspositiebesluit onderwijspersoneel), politieke ambtsdragers van
                    de aangesloten organisatie en burgers. </al><tussenkop>Artikel 1 sub g: aangeklaagde </tussenkop><al>Net als de klager dient ook de aangeklaagde werkzaam te zijn of te zijn geweest
                    in de organisatie van de aangesloten organisatie. Voor de aangeklaagde geldt
                    dezelfde omschrijving als in het vorige lid. Ook een klacht over een
                    ex-medewerker kan relevant zijn voor de werkgever. Opgemerkt wordt dat de
                    behandeling van een klacht tegen een voormalig medewerker zijn beperkingen kent
                    omdat aan een voormalig medewerker niet dezelfde verplichtingen kunnen worden
                    opgelegd als een in dienst zijnde medewerker of omdat een ex-medewerker niet
                    meer te traceren is. </al><al>Zie voor klachten over politieke ambtsdragers ook de toelichting bij artikel
                    2.</al><al/><tussenkop>Overige niet binnen de regeling vallende klachten </tussenkop><al>Met betrekking tot klachten over ongewenst gedrag die niet binnen deze regeling
                    vallen, bijvoorbeeld een mondelinge klacht, een klacht van een derde of een
                    klacht tegen een burger, geldt dat los van deze klachtenregeling het bevoegd
                    gezag op grond van de Algemene wet bestuursrecht zorg dient te dragen voor een
                    behoorlijke behandeling van zowel mondelinge en schriftelijke klachten. </al><tussenkop>Toelichting artikel 2 Klachten over politieke ambtsdragers </tussenkop><al/><al>De klachtenregeling is niet van toepassing op burgemeester,
                    wethouders,raadsleden, de commissaris van de koningin, gedeputeerden, leden van
                    provinciale staten, dijkgraven, leden van het algemeen en dagelijks bestuur van
                    waterschappen, noch als klager noch als aangeklaagde. De aangesloten organisatie
                    heeft met bestuurders juridisch een andere relatie dan met medewerkers.
                    Anderzijds kan in de (hiërarchische) relatie tussen een medewerker en een
                    bestuurder sprake zijn van ongewenst gedrag waartegen de medewerker beschermd
                    dient te worden. Om deze reden is in de regeling de mogelijkheid opgenomen dat
                    het bevoegd gezag in voorkomende gevallen een beroep kan doen op de
                    klachtencommissie voor het behandelen van een klacht over ongewenst gedrag van
                    een bestuurder (of gekozen lid). Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt
                    gemaakt geldt de procedure uit deze regeling in beginsel niet maar wordt de
                    werkwijze zoveel mogelijk analoog toegepast. Het bevoegd gezag en de
                    klachtencommissie dienen ad hoc een procedure af te spreken.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4 Taak- en samenstelling commissie</tussenkop><al>De commissie fungeert als adviesorgaan van het bevoegd gezag bij klachten over
                    ongewenst gedrag indien het bevoegd gezag zich heeft aangesloten bij de
                    commissie en de regeling klachtencommissie lokaal heeft vastgesteld. </al><al/><al>Voor de samenstelling van de commissie wordt gebruik gemaakt van een pool van
                    deskundigen met ervaring in het behandelen van klachten over ongewenst gedrag en
                    discriminatie en met kennis van de decentrale overheid. Afhankelijk van de aard
                    van de ontvangen klacht wordt bij het samenstellen van de commissie gekeken naar
                    specifieke deskundigheid en diversiteit (onder meer psychosociale, medische en
                    juridische deskundigheid, man-vrouw verhouding). Er wordt op toegezien dat de
                    betrokken commissieleden geen binding hebben met de organisatie waaruit de
                    klacht afkomstig is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5 Secretaris en administratie</tussenkop><al>De klachtencommissie wordt bij de behandeling van een klacht inhoudelijk
                    ondersteund door een extern secretaris. </al><al>Het algemeen secretariaat en de administratie rondom aansluitingen en declaratie
                    van de kosten van een klachtenprocedure wordt gevoerd door het secretariaat van
                    het College voor Arbeidszaken van de VNG. Aangesloten organisaties maar ook
                    individuele medewerkers die overwegen een klacht in te dienen, kunnen voor
                    nadere informatie rechtstreeks contact opnemen met het secretariaat van de
                    commissie.</al><al>Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag</al><al>Postbus 30435</al><al>2500 GK Den Haag</al><al>070 373 8530</al><al>klachtencommissie.ongewenstgedrag@vng.nl</al><al>www.vng.nl/ongewenstgedrag </al><tussenkop>Toelichting artikel 6 Het indienen van de klacht </tussenkop><al>Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de afhandeling van de klacht. Het is
                    in veel klachtenregelingen ongewenst gedrag echter gebruikelijk dat een klager
                    een klacht niet aan het bevoegd gezag adresseert maar rechtstreeks aan de
                    commissie. Ook in deze regeling is gekozen voor rechtstreekse toegang tot
                    commissie. Door middel van aansluiting bij de commissie kan het bevoegd gezag de
                    commissie machtigen klachten over ongewenst gedrag rechtstreeks te ontvangen.
                    Dit moet dan ook expliciet in de lokale regeling staan. Mocht een klager zich
                    met een klacht wenden tot het bevoegd gezag, dan zendt het bevoegd gezag de
                    klacht door naar de commissie. Voor het bepalen van de termijnen geldt de
                    ontvangstdatum van een rechtstreekse melding bij de commissie dan wel, indien de
                    klacht is ingediend bij het bevoegd gezag, de datum waarop het bevoegd gezag de
                    klacht heeft ontvangen.</al><al>De adressering voor klachten is </al><al>Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag</al><al>Postbus 30435</al><al>2500 GK Den Haag </al><al>klachtencommissie.ongewenstgedrag@vng.nl</al><al/><al>Na ontvangst wordt aan de klager een ontvangstbevestiging gestuurd en aan het
                    bevoegd gezag wordt, zonder vermelding van betrokkenen, mededeling gedaan van de
                    ontvangst van een klacht. Bij doorzending van een klacht wordt een
                    overeenkomstige werkwijze gevolgd. Alle correspondentie geschiedt onder
                    aantekening van persoonlijk en vertrouwelijk.</al><tussenkop>Toelichting artikel 7 In behandeling nemen</tussenkop><al>Het is de taak van de commissie om het college te adviseren in de beoordeling en
                    afdoening van een klacht. Daartoe behoort ook de ontvankelijkheidtoetsing.
                    Hierbij zijn vier situaties te onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>De klacht valt binnen de regeling en wordt in behandeling genomen. In
                            het kader van de behandeling stelt de commissie het bevoegd gezag op de
                            hoogte van het bestaan van de klacht, voor zover het hiervan nog niet op
                            de hoogte was gesteld in het kader van het onderzoek naar de
                            ontvankelijkheid (artikel 7, lid 1 en artikel 8, lid 2). De aangeklaagde
                            wordt ten behoeve van de behandeling tijdig op de hoogte gesteld
                            (artikel 9 lid 6).</al></li><li nr="-"><al>De klacht valt niet binnen de regeling of wordt niet binnen redelijke
                            termijn voorgelegd of valt onder de uitzonderingen van artikel 9:8 Awb.
                            De commissie adviseert (dan wel: kan adviseren) het bevoegd gezag de
                            klacht niet-ontvankelijk te verklaren (artikel 7, leden 2 en 5 A en B).
                            De aangeklaagde wordt in beginsel niet op de hoogte gesteld.</al></li><li nr="-"><al>De klacht valt binnen de regeling maar klager heeft (nog) niet de lokaal
                            verplichte stappen ondernomen. De commissie stelt klager hiervan op de
                            hoogte. Het bevoegd gezag wordt niet op de hoogte gesteld van de klacht,
                            de aangeklaagde ook niet. Aan klager is de keuze om de verplichte
                            stappen alsnog te doorlopen of af te zien van verdere actie (artikel 7,
                            lid 2). </al></li><li nr="-"><al>De commissie kan de klager de mogelijkheid geven om aan
                            niet-ontvankelijkheid op basis van artikel 7 lid 5 C te ontkomen door de
                            gegevens van de klacht aan te vullen. De termijn van behandeling begint
                            te lopen op het moment dat de gegevens van de klacht voldoende zijn
                            aangevuld (zie Art. 4: 15 Awb).</al></li></lijst><tussenkop>Verplichte stappen uit de klachtenprocedure (artikel 7, lid
                    2)</tussenkop><al>Bij lokale stappen kan gedacht worden aan overleg met of bemiddeling door de
                    vertrouwenspersoon of de leidinggevende. De commissie zal alleen dan afzien van
                    behandeling als een actie in de regeling van de aangesloten organisatie
                    uitdrukkelijk verplicht is gesteld. In de meeste regelingen is dat overigens
                    niet het geval. Wel is het beleid er doorgaans op gericht dat de medewerkers
                    eerst contact zoeken met een vertrouwenspersoon om de zaak te overleggen en zo
                    mogelijk op te lossen. </al><tussenkop>Indieningstermijn (artikel 7, lid 5, sub a)</tussenkop><al>Een klacht is niet ontvankelijk indien deze niet is ingediend binnen een
                    redelijke termijn nadat het ongewenst gedrag heeft plaats gevonden. Als
                    richtlijn kan worden aangehouden een termijn van twee jaar (in afwijking van de
                    termijn van een jaar uit artikel 9:8 van de Awb).</al><al>De ervaring leert dat klachten over ongewenst gedrag vaak pas na enige tijd
                    worden ingediend, nadat de klager op andere wijze naar oplossingen heeft
                    gezocht. De commissie kan een langere indieningtermijn dan twee jaar redelijk
                    achten, indien de aard van de klacht daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van ernstige feiten. </al><al>Wel moet er rekening mee worden gehouden dat een onderzoek naar de feiten
                    moeilijker wordt naarmate het langer geleden is dat ongewenst gedrag heeft
                    plaats gevonden. </al><tussenkop>Andere gronden voor niet-ontvankelijkheid (artikel 7, lid 5, sub b en
                    artikel 9:8 Awb)</tussenkop><al>In de Algemene wet bestuursrecht worden uitzonderingen op de plicht tot
                    klachtbehandeling genoemd. Deze uitzonderingen zijn in deze regeling
                    overgenomen. Indien er reeds een klacht over het gedrag is behandeld is het
                    bevoegd gezag niet verplicht de klacht opnieuw in behandeling te nemen. Ook in
                    gevallen van voor beroep vatbare besluiten en van samenloop met een
                    opsporingsonderzoek is die plicht niet aanwezig. Beoordeeld zal moeten worden of
                    de samenloop met de strafrechtelijke procedure onwenselijk is. Bepaald is dat de
                    commissie <onderstreept>kan</onderstreept> adviseren om een dergelijke klacht
                    niet-ontvankelijk te verklaren. Het ligt voor de hand dat in dergelijke gevallen
                    overleg gepleegd wordt tussen de commissie en het bevoegd gezag. Voorts geldt
                    dat het een derde (in dit geval: de commissie) op grond van de Wet bescherming
                    persoonsgegevens in beginsel niet is toegestaan om strafrechtelijke gegevens te
                    verwerken.</al><al>Een derde uitzonderingsgrond op de verplichte klachtbehandeling betreft de
                    situatie dat het belang van de klager dan wel het gewicht van het ongewenst
                    gedrag kennelijk onvoldoende is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 9 Horen</tussenkop><tussenkop>Informant (artikel 1, sub h en artikel 9, lid 1)</tussenkop><al>Het bevoegd gezag kan een informant aanwijzen om de commissie van informatie te
                    voorzien. Hierbij kan worden gedacht aan informatie over de organisatie, de
                    cultuur en de procedures bij ongewenst gedrag. Als informant kan bijvoorbeeld
                    fungeren een medewerker P&amp;O, een manager of de vertrouwenspersoon.</al><tussenkop>Hoor en wederhoor</tussenkop><al>De commissie past hoor en wederhoor toe. De commissie dient er met het oog
                    hierop voor te zorgen dat de aangeklaagde tijdig op de hoogte is van de klacht
                    en eventuele andere voor hem relevante stukken. </al><al>Er zullen doorgaans één of meer zittingen gehouden worden waarop betrokkenen
                    gehoord worden. Omdat betrokkenen in beginsel buiten elkaars aanwezigheid worden
                    gehoord (artikel 9, lid 4) kan het nodig zijn dat men tweemaal tijdens de
                    zitting wordt gehoord om te reageren op nieuwe informatie en op de zienswijzen
                    van andere betrokkenen. Een andere mogelijkheid is dat men reageert op
                    gespreksverslagen. Aan de commissie wordt overgelaten op welke wijze het
                    wederhoor wordt gerealiseerd.</al><tussenkop>Verplichting tot medewerking</tussenkop><al>Ten behoeve van het onderzoek van de commissie stelt het bevoegd gezag van de
                    desbetreffende aangesloten organisatie zijn medewerkers in de gelegenheid te
                    worden gehoord (artikel 9, lid 3). Op grond van het goed ambtenaarschap zijn
                    medewerkers in beginsel verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek
                    naar een klacht. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het niet
                    verlenen van medewerking door een medewerker als plichtsverzuim beschouwd
                    worden. </al><al>Voor de aangeklaagde geldt dat deze niet verplicht kan worden om informatie te
                    verstrekken die zijn positie kan schaden.</al><tussenkop>Bijstand </tussenkop><al>Indien een klager of een aangeklaagde zich laat bijstaan door een raadsman of
                    -vrouw (advocaat, rechtsbijstandjurist) zijn de kosten daarvan voor eigen
                    rekening. Betrokkenen kunnen ook kiezen voor een niet-professionele
                    raadspersoon. </al><al>In sommige organisaties is het mogelijk dat de vertrouwenspersoon tevens als
                    raadspersoon van de klager fungeert bij een zitting. Of dit mogelijk en
                    wenselijk is hangt af van de rolopvatting/functiebeschrijving van
                    vertrouwenspersoon die de betreffende organisatie hanteert. Het fungeren van de
                    vertrouwenspersoon als raadspersoon ter zitting kan in conflict komen met andere
                    aspecten van de rol van de vertrouwenspersoon zoals geheimhouding en
                    onafhankelijkheid. Een raadsman of vrouw dan wel een vertrouwenspersoon kan
                    slechts één van de in de procedure betrokken personen bijstaan.</al><al>Voor de bijstand van een raadsman of vrouw kan bij gemeenten een beroep gedaan
                    worden op de voor gemeenten verplichte rechtsbijstandsverzekering. Medewerkers
                    bij de waterschappen en de provincies kunnen hierover informatie inwinnen bij de
                    afdeling personeelszaken, de vertrouwenspersoon of de verzekeringsmaatschappij
                    bij wie wel door de waterschappen en provincies een rechtsbijstandsverzekering
                    voor werknemers is gesloten. </al><al>Betrokkene doet de commissie tijdig opgave van de naam en de hoedanigheid van
                    degene(n), die hij meeneemt naar het hoorgesprek.</al><tussenkop>Toelichting artikel 10 Omgang met persoonsgegevens </tussenkop><al>De commissie werkt met (persoons)gegevens, waartoe ook bijzondere
                    persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens kunnen
                    behoren. Persoonsgegevens mogen door de commissie slechts verzameld en verwerkt
                    worden met het doel een advies uit te brengen over de klacht. Grondslag hiervoor
                    is de verplichting van het bevoegd gezag om klachten op zorgvuldige wijze te
                    behandelen. </al><al>De commissie verwerkt de gegevens op een veilige wijze. In de praktijk betekent
                    dit dat de secretaris van de commissie de gegevens op zodanige wijze opslaat en
                    communiceert dat er geen risico is op onbevoegde kennisname. </al><tussenkop>Toelichting artikel 11 Advies van de commissie</tussenkop><al>Het bevoegd gezag dient de klacht binnen 10 weken af te doen. Daarbinnen geldt
                    de termijn van 8 weken voor het advies van de commissie aan het bevoegd gezag.
                    Dat is alleen anders als de commissie op grond van artikel 7, tweede of derde
                    lid, besluit een klacht niet in behandeling te nemen (lid 2) dan wel niet
                    ontvankelijk te verklaren (lid3). In dat geval meldt de commissie dat binnen
                    twee weken aan het bevoegd gezag (zie art 7, lid 4).</al><al>Er zijn twee soorten advies mogelijk: het advies over de gegrondheid van de
                    klacht (artikel 11, lid 1) en het advies om de klacht niet ontvankelijk te
                    verklaren (artikel 7, lid 3). </al><al>De commissie is niet verplicht het afschrift van een advies tot niet
                    ontvankelijkverklaring aan de aangeklaagde te zenden. Dit wordt niet nodig
                    geacht omdat het niet tot klachtbehandeling komt. </al><tussenkop>Toelichting artikel 12 Afdoening van de klacht</tussenkop><tussenkop>Termijnen</tussenkop><al>De wettelijke termijnen gelden, hetgeen wil zeggen dat de klacht binnen 10 weken
                    wordt afgedaan, met de mogelijkheid van verdaging voor ten hoogste 4 weken. Er
                    kan bijvoorbeeld verdaagd worden indien de klachtencommissie niet binnen 8 weken
                    advies uitbrengt. In uitzonderlijke gevallen kan de commissie klager verzoeken
                    schriftelijk in te stemmen met een verder uitstel van de termijn.</al><tussenkop>Bezwaar en beroep</tussenkop><al>De conclusie van het bevoegd gezag in het kader van een klachtenprocedure, de
                    afdoeningsbrief, is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Als de conclusies van
                    de klachtenprocedure aanleiding geven tot het nemen van een ander besluit,
                    bijvoorbeeld een rechtspositionele maatregel, staat daar voor de belanghebbende
                    de normale rechtsgang tegen open.</al><al>Een klager kan zich in tweede instantie wenden tot een externe klachtinstantie
                    met een klacht over het bestuursorgaan. Het bevoegd gezag dient klager in de
                    afdoeningsbrief op deze externe klachtenprocedure (zoals de (nationale
                    Ombudsman) te wijzen.</al><tussenkop>Niet-ontvankelijkheid</tussenkop><al>Indien het bevoegd gezag concludeert dat een klacht niet ontvankelijk is in de
                    zin van deze regeling dient de klacht op andere wijze te worden behandeld. Op
                    grond van de Awb is een bestuursorgaan verplicht om een klacht behoorlijk te
                    behandelen.</al><tussenkop>Openbaarheid</tussenkop><al>Informatie van een bestuursorgaan is in beginsel openbaar. Verstrekking van
                    informatie blijft achterwege indien het persoonsgegevens betreft. Dit laatste
                    geldt bijvoorbeeld voor schriftelijke stukken omtrent een klacht, zoals een
                    verslag van het horen, het advies en de afdoeningsbrief. Verstrekking van deze
                    documenten is mogelijk indien deze geanonimiseerd zijn, dat wil zeggen geen
                    gegevens bevatten die tot personen herleidbaar zijn, of wanneer degenen op wie
                    de persoonsgegevens betrekking hebben daarvoor toestemming geven. </al><tussenkop>Toelichting artikel 13 Klacht over het functioneren van de
                    commissie</tussenkop><al>De commissie voorziet door dit artikel in een klachtregeling betreffende haar
                    eigen functioneren. Deze beoordeling geschiedt door leden van de commissie die
                    niet deelgenomen hebben aan de werkzaamheden van de commissie waartegen de
                    klacht zich richt. In deze fase vindt geen nieuwe inhoudelijke beoordeling van
                    de primaire melding plaats. Afhankelijk van de conclusies over de klacht met
                    betrekking tot de procedure kan in tweede instantie wel een nieuwe inhoudelijke
                    beoordeling van de oorspronkelijke klacht plaatsvinden.</al><al> _____________________________________</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>