<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR311188_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Boxmeer 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">Boxmeers Weekblad 20 maart 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Boxmeer 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Artikel 8 Woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-12-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R-VER/2012/97</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-14029</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Boxmeer 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>1. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1,
                        eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan
                        als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al><al/><al>Bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van
                        de Woningwet (Stb. 1991, 439);</al><al/><al>Bouwtoezicht:degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet
                        in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                        belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al><al/><al>Bouwwerk:elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                        materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met
                        de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                        grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al/><al>Gebruiksoppervlakte:de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                        Bouwbesluit;</al><al/><al>Hoogte van de weg:de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester
                        en wethouders is vastgesteld;</al><al/><al>NEN:een door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven
                        norm;</al><al/><al>NVN:een door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven
                        voornorm;</al><al/><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als
                        bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al/><al>Straatpeil:voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang</al><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de
                        hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                        de bouw;</al><al/><al>Weg:alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden,
                        daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of
                        paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als
                        zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al><al/><al>2. In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><al/><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk </al><al/><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente:</al><al>a. het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>b. het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al>c. het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als bedoeld in
                        artikel 9.9, eerste lid.</al><al/><al>2. Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden de
                        gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn
                        aangegeven.</al><al/><al> HOOFDSTUK 2 DE OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET BOUWEN</al><al/><al>PARAGRAAF 1 GEGEVENS EN BESCHEIDEN.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2 </vet><vet>In de aanvraag op te
                            nemen gegevens </vet></al><al>( Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><al>1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8,
                        vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al>a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht
                        volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
                        onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al><al>b. (Vervallen)</al><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen
                        dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de
                        bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien
                        in NEN 5707, uitgave 2003.</al><al/><al>2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                        artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het
                        bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is
                        aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3
                        van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogte bepalingen in het
                        Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al/><al>3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht
                        tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d,
                        van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                        bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten
                        beschikbaar zijn.</al><al/><al>4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het
                        indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van
                        de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                        instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit om</al><al> gevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde
                        vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid
                        blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                        volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave </al><al> 2009 niet rechtvaardigen. </al><al/><al>5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn
                        gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                        voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 2 BEHANDELING VAN DE AANVRAAG OM BOUWVERGUNNING</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke
                        ordening</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                            bouwvergunningverlening</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al> PARAGRAAF 3 WELSTANDSTOETSING</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 4 HET TEGENGAAN VAN BOUWEN OP VERONTREINIGDE GROND</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al>a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;</al><al>b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>is vereist en</al><al>1. dat de grond raakt, of</al><al> 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                        gehandhaafd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al/><al>PARAGRAAF 5 VOORSCHRIFTEN VAN STEDEBOUWKUNDIGE AARD EN
                        BEREIKBAARHEIDSEISEN</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige </vet><vet>bepalingen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.</vet></al><al><vet>Brandblusvoorzieningen.</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3A </vet><vet> Brandweeringang</vet></al><al> (Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al> (Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a. langs de wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing: een evenwijdig aan de as van de
                        weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al><al>b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd: - bij een wegbreedte van ten minste 10
                        meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; - bij een
                        wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van
                        de weg.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel
                        3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren niet
                        vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al> 2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg
                        met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn.</vet></al><al>1. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><al>a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoek en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al><al>b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2,
                        onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, die
                        naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf
                        toelaatbaar zijn;</al><al>c. laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                        overschrijden;</al><al>d. erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                        voorgevel rooilijn met niet meer dan 1,50 m. overschrijden;</al><al>e. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, als mede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                        schoorsteenwanden, reclame toestellen en draagconstructies voor reclames dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7.;</al><al>f. overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken;</al><al>g. bouwwerken aan of bij een monument -als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening- voor zover
                        zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch opzicht
                        gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/><al>2. Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan,
                        indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>- 4,20 m. boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van
                        0,50 m. breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>- 2,20 m. boven de hoogte van een ander deel van de weg; </al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                        nutsvoorziening, het tele communicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                        wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage
                        II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub
                        b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al><al/><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing:</al><al>a. de gevallen genoemd in artikel 2.5.7. en in die waarin de afwijking </al><al> genoemd in de artikelen 2.5.8. en 2.5.9. is verleend;</al><al>b. in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13. en in die waarin de afwijking </al><al> genoemd in artikel 2.5.14. is verleend, voor zover het bouwwerk geheel
                        achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c. in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al><al/><al>3. Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van
                        90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich
                        in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van
                        minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken -over een hoogte
                        op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil worden
                        afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                        blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m² behoeft te zijn.</al><al/><al>4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid voor:</al><al>a. gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b. gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d. bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde
                        gebouwen;</al><al>e. gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                        daaronder begrepen, en de daarbij behorende woningen;</al><al>f. gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g. gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                        gebaat.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>1. De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                        zich:</al><al>a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
                        regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                        dan 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan
                        onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                        op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok
                        tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                        gezamenlijke de vorm van het bouwblok het meest nabij komen, doch op geen
                        grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>c. in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                        bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan ¼ van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                        tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijnde van het bouwblok,
                        doch op gene grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>d. in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te
                        bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                        voorgevelrooilijn gelijk aan ¼ van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                        van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden
                        van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan
                        15 meter;</al><al>e. in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die
                        wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a
                        tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al/><al>2. Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een
                        scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing -in het belang
                        van de toetreding van daglicht over een afstand van ten minste 5 meter ter
                        weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte
                        van beide achtergevelrooilijnen.</al><al/><al>3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het
                        gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13. is het verboden bouwwerken,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                        zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                        daaronder begrepen;</al><al>b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                        bedraagt;</al><al>c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als een aan- of uitbouw voor het bouwen waarvan op
                        grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II
                        bij het Besluit omgevingsrecht; </al><al>d. geen vergunning is vereist;onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen
                        waarvan een omgevingsvergunning is vereist,die bij het afzonderlijk
                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                        van niet- in grijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist,die bij het afzonderlijk realiseren niet
                        vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al>2. terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f. antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van bijlage
                        II bij het Besluit omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><al>a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                        bedraagt;</al><al>b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                        grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                        spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slecht aan één van
                        die zijden mag worden bebouwd;</al><al>e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld
                        in de artikelen 2.5.3. en 2.5.4., is verzekerd;</al><al>f. bijgebouwen die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;</al><al>g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
                        industrieterrein omvattend;</al><al>h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist;</al><al>i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de
                        hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al>j. erkers, serres en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                        onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij
                        het Besluit omgevingsrecht;</al><al>k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13.;</al><al>l. bouwwerken aan of bij een monument -als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening- voor zover
                        zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                        aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>1. Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dan ten minste
                        een strook grond omvat die:</al><al>a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en</al><al>b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen
                        tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                        meter.</al><al/><al>2. De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
                        gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel
                        2.5.13., en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.</al><al/><al>3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in:</al><al>a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                        gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al>b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                        voldaan;</al><al>1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                        een weg en een spoorweg of aan een weg en aan plantsoen, mits dat terrein
                        slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al/><al>3. bij het vergroten van een gebouw dan niet aan de bepalingen voor te </al><al> bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt </al><al> de bestaande toestand verbeterd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>1. Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                        dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn
                        ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel
                        van het gebouw en over de volle breedte daarvan.</al><al/><al>2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid:</al><al>a. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                        vormen;</al><al>b. indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>1. De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimte ontstaan
                        die:</al><al>a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter
                        breed zijn;</al><al>b. niet toegankelijk zijn.</al><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten</al><al/><al>2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is
                        voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>1. Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel
                        12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. </al><al/><al>2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
                        terrein.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen</vet></al><al>1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                        bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
                        bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de
                        hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
                        gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                        hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                        elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al><al/><al>2. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                        hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al><al/><al>3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                        van:</al><al>a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijk daarvoor geen
                        bezwaar oplevert;</al><al>b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                        leiding geen bezwaar bestaat.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevel</vet></al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24. bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                        in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs
                        de desbetreffende weg;</al><al>b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                        langs de desbetreffende weg.</al><al/><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing
                        aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling
                        verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke
                        aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                        hoek of gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg,
                        doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al/><al>3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al/><al>4. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt
                        ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid,
                        de dichtstbij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de
                        tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                        die onderbreking de verstverwijderde van de beide ter weerszijden van de
                        onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                        in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 m, vermeerderd met:</al><al>a. in de bebouwde kom één maal de afstand tot de tegenoverliggende </al><al> achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende </al><al> achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al/><al>2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen
                        achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen wordt voor elke 5 meter breedte
                        van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand
                        tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                        tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al/><al>3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte
                        van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen
                        dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al/><al>4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                        ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
                        maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>1. Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                        gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de
                        andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan
                        bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte
                        van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek
                        ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn
                        die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                        worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de
                        bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al><al/><al>2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de
                        voorgevel.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het
                        bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de voor- en
                        achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale
                        vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
                        de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die
                        met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al>a. 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b. 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al/><al>2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                        gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                        bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
                        door die zijgevel snijdt ter hoogte van de krachtens artikel 2.5.22 maximale
                        bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                        graden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al/><al>2. Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                        verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                        laagstgelegen weg.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>1. De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
                        2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                        terrein, mag niet meer bedragen dan 2.70 meter met dien verstande dat
                        -uitgaande van een goothoogte van genoemde maat- daarboven een zadeldak met
                        hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al/><al>2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                        omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1. De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak
                        van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.2. De
                        hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden
                        bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke
                        verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28,
                        onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                        -buiten beschouwing worden gelaten.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23, en artikel 2.5.24, is niet
                        van toepassing op:</al><al>a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen , als bedoeld in
                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
                        aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                        artikel 3, onderdeel 7 van </al><al> bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al><al>c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                        achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                        geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
                        dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                        plaatse;</al><al>d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al>a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                        gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al>b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                        welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                        industrieterrein;</al><al>d. agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                        ander dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht, en indien:</al><al>1. de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en
                        de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al>2. bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogte-afmetingen andere
                        hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht;</al><al>g. topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                        aard;</al><al>h. plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter; </al><al>i. dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                        meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder
                        dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                        bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al><al>j. draagconstructies voor een reclame;</al><al>k. vrijstaande schoorstenen;</al><al>l. bouwwerken op een monument -als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel
                        in de provinciale of gemeentelijk monumentenverordening- voor zover zulks
                        niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                        aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                            overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in
                            geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid.</vet></al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><al>a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of b.
                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al><al>c. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al><al>d. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd toekomstig
                        ruimtelijk beleid;</al><al>e. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                        en</al><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al>1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                        geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto´s in voldoende
                        mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder
                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet
                        overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw,
                        waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                        openbaar vervoer.</al><al/><al>2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto´s moet
                        afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare motorvoertuigen van
                        genoemde soort. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij
                        5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; </al><al>b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                        gehandicapte voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir
                        grenst - ten minste 3,5m bij 5,00 m bedragen.</al><al/><al>3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                        verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet
                        in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat
                        gebouw, dan wel op of onder het daarbij behorende, onbebouwd blijvende
                        terrein.</al><al/><al>4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><al>a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                        overwegende bezwaren stuit, of</al><al>b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
                        wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al><al/><al>PARAGRAAF 6 VOORSCHRIFTEN INZAKE BRANDVEILIGHEIDSINSTALLATIES EN
                        VLUCHTROUTEAANDUIDINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
                        </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties </vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.12</vet><vet>Communicatiesysteem voor publieke
                            hulpverleningsdiensten</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 7 AANSLUITPLICHT OP DE NUTSVOORZIENINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting van de waterleiding</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al> HOOFDSTUK 3 De melding</al><al/><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al/><al>HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS EN BIJ VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ
                        INGEBRUIKNEMING VAN EEN BOUWWERK</al><al/><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 4.15 Verbod te bouwen als bouw is stilgelegd </vet></al><al><vet>(vervallen)</vet></al><al>HOOFDSTUK 5 STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, BRANDVEILIGHEIDSINSTALLATIES
                        EN AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN (AANSCHRIJVINGSGRONDSLAG) </al><al/><al>PARAGRAAF 1 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
                        aansluitingen op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                        gedierte</al><al/><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.</vet></al><al><vet> Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 2 STAAT VAN BRANDVEILIGHEIDSINSTALLATIES EN
                        VLUCHTROUTEAANDUIDINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen
                            niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                            kantoorgebouwen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                            kantoorgebouwen</vet></al><al>Vervallen</al><al>PARAGRAAF 3 AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 4 HET WEREN VAN SCHADELIJK OF HINDERLIJK GEDIERTE. REINHEID</al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al/><al> HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK</al><al>(vervallen)</al><al/><al> HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKSBEPALINGEN</al><al/><al>PARAGRAAF 1 OVERBEVOLKING</al><al/><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 2 STAKEN VAN HET GEBRUIK</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 3 GEBRUIK VAN BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN</al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf </vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 4 HET WEREN VAN SCHADELIJK OF HINDERLIJK GEDIERTE. REINHEID</al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 5 WATERGEBRUIK</al><al/><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 6 INSTALLATIE</al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al> HOOFDSTUK 8 SLOPEN</al><al/><al>PARAGRAAF 1 OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET SLOPEN</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 2 UITZONDERINGEN OP HET VEREISTE VAN OMGEVINGSVERVERGUNNING VOOR
                        HET SLOPEN</al><al/><al><vet>Artikel 8.2.1</vet><vet>Uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.2.2</vet><vet>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                            omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>PARAGRAAF 3 VERPLICHTINGEN TIJDENS HET SLOPEN</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1</vet><vet>Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2</vet><vet>Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                            bescheiden </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3</vet><vet>Plichten van de houder van de
                            omgevingsvergunning voor het slopen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.4</vet><vet>Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.5</vet><vet>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                            asbest</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al> PARAGRAAF 4 VRIJ SLOPEN</al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1</vet><vet>Sloopafval algemeen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al> HOOFDSTUK 9 WELSTAND</al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de </al><al> welstandscommissie. </al><al/><al>2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                        voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde
                        welstandscriteria.</al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al>1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit twee leden, waaronder een
                        voorzitter en </al><al> een secretaris, die deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                        ruimtelijke kwaliteit dan </al><al> wel cultuurhistorie.</al><al/><al>2. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al/><al>3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        twee leden aanwezig zijn die beschikken over deskundigheid op het gebied van
                        welstand.</al><al/><al>4. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                        gemeentebestuur.</al><al/><al>5. In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als
                        bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 9.3 </vet><vet> Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><al>- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                        welstandsnota;</al><al>- de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                        vergaderen;</al><al>- de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>- de bijzondere projecten.</al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al/><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>1. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunningvoor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of
                        namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al/><al>2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft
                        op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen
                        drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is
                        verzocht.</al><al/><al>3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                        welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                        langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                        termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                        3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><al>1. De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de
                        welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de </al><al> welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege
                        uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op </al><al> een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet
                        op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare
                        behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen
                        op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                        leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling
                        als de adviezen.</al><al/><al>2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het
                        bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in
                        staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al><al/><al>3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te
                        ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                        behandeld.</al><al/><al>4. Er is geen spreekrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 9.7 </vet><vet>Afdoening onder verantwoordelijkheid</vet></al><al>1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in
                        afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie
                        overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid
                        of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                        oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al/><al>2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                        welstandscommissie.</al><al/><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                        schriftelijk.</al><al/><al>2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester
                        en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen.</al><al/><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
                        </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al> HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 10.6 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening –of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen- wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al/><al> HOOFDSTUK 11 HANDHAVING</al><al/><al><vet>Artikel 11.1 Bevel tot stilleggen van de bouw</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek </vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al>HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>1. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de bouwverordening
                        vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 17 juni en 15 juli 2010 en alle daarin
                        aangebrachte wijzigingen met uitzondering van hetgeen hierna onder
                        “overgangsbepalingen” is bepaald;</al><al/><al>2. Deze verordening kan worden aangehaald als "Bouwverordening gemeente
                        Boxmeer 2012". </al><al/><al><vet>Overgangsbepalingen*</vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming of een
                        aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór 1 april 2012 en
                        waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                        bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór deze wijziging,
                        tenzij de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen worden toe-</al><al>gepast.</al><al/><al>*</al><al>Artikel B gewijzigd (op 13 december 2011) in volgende tekst:</al><al>In artikel B staat dat de aanvrager die een bouw- of omgevingsvergunning
                        voor de gewijzigdebouwverordening heeft ingediend, de mogelijkheid heeft de
                        regelgeving van toepassing te laten zijn die geldt na de wijziging van de
                        bouwverordening. Dit geldt uiteraard niet voor de van rechtswege vervallen
                        artikelen van de bouwverordening, omdat de voor deze artikelen in de plaats
                        komende rijksregelgeving een dergelijke mogelijkheid niet kent.</al><al/><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze wijzigingen treden in werking op moment van inwerkingtreding van het
                        Bouwbesluit 2012.(vastgesteld door de gemeenteraad op 1 maart 2012)
                        </al><al/></tekst></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlagen</vet></al><al><onderstreept>Bijlagen:</onderstreept></al><al>1. Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</al><al>2. Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)</al><al>3. Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</al><al>4. Gebruikseisen voor bouwwerken, niet zijnde woningen, woonwagens en
                        woongebouwen (vervallen)</al><al>5. Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al>6. Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al>7. Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering
                        (vervallen)</al><al>8. Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                        bouwwerken op de aanwezigheid van asbest. (vervallen)</al><al>9. Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al>10. Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1.
                            (Brandmeldinstallaties)(vervallen)</al><al>11. Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                        (Ontruimingsinstallaties)(vervallen)</al><al>12. Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                        (Vluchtrouteaanduiding)</al><al>(vervallen)</al><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Boxmeer/i232265.pdf">Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie.doc</extref></al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>