<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR311096_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en Aa's 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Hunze en Aa's</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Dagblad van het Noorden, 21-12-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en Aa's 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 120, 122</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1462</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>kostentoedeling</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en Aa's 2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en Aa’s 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s;</al><al>Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 3 juli 2013;</al><al>Gelet op de artikelen 120 en 122 van de Waterschapswet;</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de volgende Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer
                        2014:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. Kosten voor het watersysteem: netto-kosten van de kostendrager
                        watersysteembeheer zoals opgenomen in de begroting van het waterschap en die
                        gedekt worden met behulp van de watersysteemheffing;</al><al>b. gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de bij het
                        provinciaal reglement behorende kaart waarin de zorg voor het watersysteem
                        aan het waterschap is opgedragen; </al><al>c. ingezetenen: degenen die blijkens de gemeentelijke basisadministratie
                        persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar woonplaats hebben in het
                        gebied van het waterschap en aldaar gebruik hebben van woonruimte;</al><al>d. zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen: degenen die
                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde
                        onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn in het gebied van het
                        waterschap;</al><al>e. zakelijk gerechtigden natuurterreinen: degenen die krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht in het gebied van het waterschap het genot hebben van
                        natuurterreinen;</al><al>f. zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied
                        van het waterschap;</al><al>g. buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die geheel of
                        gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><al>1.De kosten voor het watersysteembeheer worden als volgt aan de
                        heffingsplichtige categorieën toegedeeld:</al><al>-29% aan de ingezetenen;</al><al>-21,2% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken, niet
                        zijnde natuurterreinen;</al><al>-0,2% aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;</al><al>-49,6% aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken.</al><al>2. De waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaken bedoeld in
                        het vorige artikellid, onderdelen b, c en d, wordt bepaald naar de waarde
                        die de onroerende zaken op de waardepeildatum hebben naar de staat en
                        hoedanigheid waarin zij op die datum verkeren.</al><al>3. De waardepeildatum is 1 januari 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, worden de kosten van
                        heffing en invordering van de watersysteemheffing en de kosten van de
                        verkiezing van de leden van het algemeen bestuur, voor zover die worden
                        toegerekend aan het watersysteembeheer en zoals opgenomen in de begroting
                        van enig belastingjaar, rechtstreeks aan de betrokken categorieën
                        toegerekend naar rato van deze voor elk van de genoemde categorieën te maken
                        kosten. </al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>1. Voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken die geen
                        natuurterreinen zijn en voor buitendijks gelegen gebouwde onroerende zaken
                        wordt een gedifferentieerd tarief gehanteerd dat 75% lager is dan het tarief
                        dat blijkens de verordening op de watersysteemheffing voor elk van deze
                        categorieën geldt.</al><al>2. Voor verharde openbare wegen wordt een gedifferentieerd tarief gehanteerd
                        dat 100% hoger is dan het tarief dat blijkens de verordening op de
                        watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                        natuurterreinen, geldt.</al><al>3. De tariefdifferentiatie voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende
                        zaken die geen natuurterreinen zijn en de tariefdifferentiatie voor verharde
                        wegen worden naast elkaar toegepast.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</titel></kop><al>1. De Kostentoedelingsverordening 2009, zoals voor het laatst gewijzigd bij
                        besluit van het algemeen bestuur van 21 november 2012, wordt ingetrokken met
                        ingang van de in het derde lid van deze bepaling genoemde datum, met dien
                        verstande dat zij van toepassing blijft op de belastingjaren waarvoor zij
                        heeft gegolden.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van haar
                        bekendmaking.</al><al>3. Deze verordening vindt voor het eerst toepassing in het belastingjaar dat
                        aanvangt op 1 januari 2014.</al><al>4. Deze verordening wordt aangehaald als Kostentoedelingsverordening
                        watersysteembeheer waterschap Hunze en Aa's 2014.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van
                        het waterschap Hunze en Aa’s gehouden op 20 november 2013 te Veendam. </ondertekening><ondertekening>Het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s,</ondertekening><ondertekening>Harm Küpers Alfred van Hall</ondertekening><ondertekening>secretaris-directeur dijkgraaf</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>op de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer waterschap Hunze en
                        Aa’s 2014</titel></kop><divisie><kop><label>Algemeen</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>1.</label><titel>Wettelijke basis</titel></kop><al>Ingevolge artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet moet het algemeen
                        bestuur van een waterschap ten behoeve van de watersysteemheffing een
                        verordening vaststellen, waarin voor elk van de categorieën van
                        heffingsplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Het
                        waterschap kan bij deze kostentoedelingsverordening bepalen dat kosten van
                        heffing en invordering en kosten van de verkiezing van de leden van het
                        algemeen bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken
                        categorieën van heffingsplichtigen. Het waterschap kan ingevolge artikel 122
                        van de wet ook gebruik maken van de mogelijkheid om tarieven te
                        differentiëren. Een eventuele tariefdifferentiatie moet in de
                        kostentoedelingsverordening worden geregeld. De kostentoedelingsverordening
                        moet door gedeputeerde staten van de provincie worden goedgekeurd en wordt
                        ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien. </al></divisie><divisie><kop><label>2.</label><titel>Kostentoedelingsmethode Delfland wettelijk voorgeschreven</titel></kop><al>De wijze waarop de kosten van de taakuitoefening aan de categorieën van
                        heffingsplichtigen worden toegedeeld, is wettelijk vastgelegd. Ingevolge het
                        tweede lid van artikel 120 Waterschapswet wordt de toedeling van het
                        kostendeel aan de categorie ingezetenen bepaald aan de hand van de
                        gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het
                        waterschap. De toedeling van kosten aan de overige drie heffingsplichtige
                        categorieën (ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn,
                        natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken) geschiedt ingevolge het vierde
                        lid van deze bepaling aan de hand van de waarde van de onroerende zaken in
                        het economische verkeer. Deze wijze van kostentoedeling staat bekend als de
                        methode Delfland.</al></divisie><divisie><kop><label>3.</label><titel>Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen</titel></kop><al>De eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan de
                        categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde
                        inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap.
                        De toedeling is als volgt:</al><al>* bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het
                        toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%;</al><al>* bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan
                        1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal 40%; </al><al>* bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het
                        toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%. </al><al>Het binnen de bandbreedtes bepalen van het exacte ingezetenenaandeel behoort
                        tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. </al></divisie><divisie><kop><label>3.1</label><titel>Ophogen ingezetenenaandeel</titel></kop><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan de zojuist genoemde maximale
                        kostentoedelingspercentages met 10% verhogen. Dit is via een amendement (TK
                        30601, nr. 18) in het derde lid van artikel 120 van de Waterschapswet
                        geregeld. Blijkens de wetsgeschiedenis kan verhoging in bijzondere
                        omstandigheden plaatsvinden. Als voorbeeld zijn daarbij twee situaties
                        genoemd, te weten de situatie waarin in het gebied van het waterschap een
                        relatief groot aantal natuurterreinen voorkomt en de situatie waarin in het
                        gebied van het waterschap sprake is van een zeer grote inwonerdichtheid. De
                        wet zegt in geen van beide gevallen wat hieronder moet worden verstaan.
                        Omwille van de eenduidigheid is dit bij de meeste waterschappen gerelateerd
                        aan het objectief fiscaal criterium ‘<cursief>in
                            b</cursief><cursief>e</cursief><cursief>tekenende mate’</cursief>. Dit
                        staat voor 25% of meer. Toepassing van dit criterium leidt er in
                        bovenstaande voorbeelden dus toe dat voor een eventuele ophoging van het
                        ingezetenenaandeel kan worden gekozen indien 25% of meer van het gebied van
                        het waterschap uit natuurterreinen bestaat of indien het gemiddelde
                        inwoneraantal 1250 (125% x 1000 inwoners) of meer bedraagt. Hierbij wordt er
                        van uitgegaan dat een gemiddeld inwoneraantal van 1000, voor een hoge
                        inwonerdichtheid staat. Tot natuurterreinen worden in verband met het
                        bepaalde in artikel 116, onderdeel c, van de wet, ook bossen en open wateren
                        met een oppervlakte van ten minste één hectare gerekend. </al><al>Het verhogen van het maximale ingezetenenaandeel is geen verplichting, maar
                        behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. Het criterium van
                        25% of meer geeft een zekere denkrichting aan. Bij de besluitvorming over
                        een eventuele ophoging van het ingezetenenaandeel kunnen ook andere
                        bestuurlijke overwegingen een rol spelen. </al></divisie><divisie><kop><label>4.</label><titel>Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke
                            categorieën</titel></kop><al>Nadat het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald,
                        worden de resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën
                        ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, natuurterreinen en gebouwd
                        toegedeeld. Deze toedeling vindt op basis van het bepaalde in artikel 120,
                        vierde lid, Waterschapswet, plaats op basis van de waarde van de onroerende
                        zaken in het economische verkeer. In het Waterschapsbesluit (Stb. 2007,497)
                        zijn over de waardebepaling nadere regels gesteld. De onderlinge
                        waardeverhouding tussen de categorieën is bepalend voor de
                        kostentoedeling.</al></divisie><divisie><kop><label>4.1</label><titel>Waardebepaling en waardepeildatum</titel></kop><al>De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid
                        en de staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.10,
                        eerste lid, van het Waterschapsbesluit is dit voor natuurterreinen en voor
                        andere ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn,
                        uitdrukkelijk bepaald. Voor gebouwde onroerende zaken bevat het
                        Waterschapsbesluit een dergelijke expliciete regeling niet. Dit is ook niet
                        nodig, omdat voor de waardebepaling van deze categorie wordt aangesloten bij
                        de WOZ-gegevens en in de Wet WOZ al geldt dat de waarde naar de hoedanigheid
                        en de staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum moet worden
                        bepaald. </al><al>Ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterschapsbesluit, ligt de
                        waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste
                        kalenderjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. Voor de
                        onderhavige kostentoedeling moest dus een keuze worden gemaakt tussen de
                        waardepeildatum 1 januari 2012 en de waardepeildatum 1 januari 2013. Uit
                        praktische overwegingen is in deze verordening voor de waardepeildatum 1
                        januari 2012 gekozen. Zo is rekening gehouden met het feit dat de
                        waardegegevens van gebouwde onroerende zaken via de WOZ-gegevensleveringen
                        van de gemeenten beschikbaar komen. Deze gegevens ‘ijlen’ één jaar na. De
                        WOZ-waarden die naar de waardepeildatum 1 januari 2013 zijn vastgesteld,
                        komen met andere woorden in de eerste acht weken van 2014 beschikbaar. Dit
                        is met het oog op een ordentelijke vaststelling en goedkeuring van de
                        onderhavige kostentoedelingsverordening te laat. Een soortgelijke redenering
                        geldt voor de waardegegevens van landbouwgronden die via de Dienst Landelijk
                        Gebied van het ministerie van LNV beschikbaar komen. De waardepeildatum ten
                        behoeve van de kostentoedeling is daarom vastgesteld op 1 januari 2012. </al><al>In het proces van kostentoedeling wordt geen rekening gehouden met
                        wijzigingen die zich in de staat of de hoedanigheid van de onroerende zaken
                        hebben voorgedaan of nog zullen voordoen tussen de waardepeildatum (in dit
                        geval 1-1-2012) en het begin van het eerste belastingjaar waarop de
                        kostentoedelingsverordening betrekking heeft (1-1-2014). Zo zullen
                        bouwpercelen die na de waardepeildatum zijn bebouwd, voor de kostentoedeling
                        als ongebouwde onroerende zaken worden aangemerkt en zal landbouwgrond die
                        na de waardepeildatum is omgevormd tot natuur of tot bouwgrond, nog wel als
                        landbouwgrond in de waardebepaling worden meegenomen.</al><al/><al><vet>5. Natuurterreinen</vet></al><al>Ingevolge artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een
                        natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het
                        beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en
                        de ontwikkeling van natuur. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige
                        situatie of een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt dus of sprake
                        is van een natuurterrein. Bossen, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd,
                        en open wateren worden bij wetsfictie mede als natuurterrein aangemerkt.
                        Voorwaarde is wel dat deze objecten een oppervlakte van ten minste één
                        hectare hebben.</al></divisie><divisie><kop><label>6.</label><titel>De watersysteemtaak</titel></kop><al>De watersysteemtaak wordt in artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet
                        genoemd en omvat de taken van het waterschap op het gebied van het
                        waterkeringsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van
                        oppervlaktewateren, voor zover laatstgenoemde activiteiten niet vallen onder
                        het transporteren en/of behandelen van afvalwater. </al><al>De zorg voor het watersysteem is een samenhangende taak die het waterschap
                        in het gehele waterschapsgebied uitoefent. Onder het waterschapsgebied moet
                        het reglementaire gebied worden verstaan, de buitengrenzen van het
                        waterschap derhalve, inclusief eventuele buitendijkse gebieden. Omdat de
                        watersysteemtaak in het gehele waterschapsgebied wordt uitgeoefend, komen
                        gebieden zonder enig belang in de nieuwe situatie niet meer voor. Ook de
                        situatie waarin per taak verschillende taakgebieden kunnen worden
                        onderscheiden, behoort tot het verleden. Uitzondering hierop kan overigens
                        de wegentaak vormen. Indien deze taak niet in het hele gebied van het
                        waterschap wordt uitgeoefend, is wel sprake van een taakgebied voor het
                        wegenbeheer. </al></divisie><divisie><kop><label>7.</label><titel>Relatie met de begroting van het waterschap</titel></kop><al>In het traject van belastingheffing
                        (kostentoedeling-tariefbepaling-aanslagvervaardiging-heffing-invordering)
                        zijn de kosten van de watersysteemtaken van het waterschap bepalend. Deze
                        kosten worden in de begroting van het waterschap geraamd en in de
                        jaarverslaggeving verantwoord. Gelet op het belang van de belastingheffing
                        voor de waterschappen en gelet op het feit dat inzicht moet bestaan in de
                        lasten voor de belastingplichtigen, vormt een specificatie van de bedragen
                        die uiteindelijk tot lasten van de belastingplichtigen leiden, een apart
                        onderdeel van de begroting (de begroting naar kostendragers). Een en ander
                        is in de verslaggevingsvoorschriften van het Waterschapsbesluit vastgelegd.
                        Het gaat in deze verordening om de kostendrager watersysteembeheer. </al><al>Eveneens op grond van de verslaggevingsvoorschriften wordt in de begroting
                        naar kostendragers voor iedere taak allereerst op basis van de netto-kosten,
                        het bedrag voor onvoorzien, de bedragen die voor kwijtschelding en
                        oninbaarverklaring worden geraamd, verwachte dividenden en overige algemene
                        opbrengsten een saldo berekend, het resultaat. Daarna wordt aangegeven hoe
                        het begrote resultaat zal worden gedekt of bestemd. In de regel wordt er
                        eerst onttrokken of toegevoegd aan reserves en ontstaat daarna het bedrag
                        dat het waterschap door middel van belastingheffing zal moeten ontvangen.
                        Dit laatste bedrag is het startpunt voor de kostentoedeling.</al></divisie><divisie><kop><label>8.</label><titel>Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>In artikel 122 van de wet wordt de mogelijkheid van tariefdifferentiatie
                        geboden. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever deze regeling
                        opgenomen omdat zij niet voorbij heeft willen gaan aan het feit dat het
                        belang bij de watersysteemtaak voor bepaalde onroerende zaken duidelijk
                        anders kan liggen dan dat van andere onroerende zaken. De wetgever heeft
                        nadrukkelijk aangegeven dat de waterschappen inzake de tariefdifferentiatie
                        een bestuurlijke vrijheid hebben. Het algemeen bestuur van het waterschap is
                        niet tot het differentiëren van tarieven verplicht. Zie hiervoor de Memorie
                        van Toelichting, TK 2005-2006, 30601, nr. 3, blz. 26 en de Handreiking
                        tariefdifferentiatie van de Unie.</al><al>Het uitgangspunt dat in artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c en d, van
                        de Waterschapswet is neergelegd, is dat het tarief van de belasting per
                        heffingsmaatstaf voor elke onderscheiden categorie gelijk is. De regeling
                        van de tariefdifferentiatie brengt hierin verandering. Indien voor het
                        differentiëren van tarieven wordt gekozen, is binnen de betreffende
                        belastingcategorie geen sprake meer van een gelijk tarief, maar van tarieven
                        die naar gelang de situatie hoger of lager kunnen zijn vastgesteld. De
                        situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn limitatief in de wet
                        genoemd. De wet geeft ook de maximale omvang (verhoging of verlaging) van de
                        differentiaties aan. </al><al>Tariefdifferentiatie is ingevolge artikel 122 van de Waterschapswet
                        uitsluitend in de volgende gevallen en binnen de volgende marges
                        mogelijk:</al><al>1. buitendijks gelegen onroerende zaken (maximaal 75% lager tarief);</al><al>2. onroerende zaken die blijkens de legger van het waterschap als
                        waterberging worden gebruikt (maximaal 75% lager tarief);</al><al>3. onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden (maximaal 100% hoger
                        tarief);</al><al>4. onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan (maximaal
                        100% hoger tarief);</al><al>5. verharde openbare wegen (maximaal 100% hoger tarief).</al><al>De differentiaties kunnen blijkens het vierde lid van artikel 122
                        Waterschapswet naast elkaar worden toegepast. In de Handreiking
                        tariefdifferentiatie wordt overigens aanbevolen cumulatie van
                        tariefdifferentiatie te beperken.</al><al>De Unie van Waterschappen heeft ten behoeve van de waterschappen in 2008 een
                        handreiking opgesteld waarin nader op de tariefdifferentiatie wordt
                        ingegaan. De handreiking moet de waterschappen behulpzaam zijn bij hun
                        oriëntatie op de mogelijkheid van tariefdifferentiatie. Daarnaast geeft de
                        handreiking de waterschappen steun bij de bestuurlijke besluitvorming over
                        het al dan niet toepassen van tariefdifferentiatie. </al><al>In de handreiking tariefdifferentiatie wordt aanbevolen om:</al><al>-terughoudend gebruik van de tariefdifferentiatie te maken; </al><al>-voor de categorie natuurterreinen geen tariefdifferentiatie in te
                        stellen;</al><al>-cumulatie van tariefdifferentiatie te beperken;</al><al>-zoveel mogelijk gelijke tariefverhogingen/verlagingen per
                        belastingcategorie te hanteren. </al><al>Aanvankelijk heeft het Algemeen Bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s op
                        20 februari 2008 besloten geen gebruik te maken van de mogelijkheid van
                        tariefdifferentiatie. Belangrijkste overweging was dat tariefdifferentiatie
                        afbreuk zou doen aan het collectieve karakter van het watersysteem
                        (solidariteitsbeginsel). Verder speelden ook de volgende overwegingen een
                        rol:</al><al>-er is geen dusdanig afwijkend belang dat differentiatie noodzakelijk maakt
                        (rechtvaardigheid);</al><al>-de diversiteit van het waterschapsgebied is niet dusdanig dat er tot
                        differentiatie overgegaan dient te worden;</al><al>-door te differentiëren neemt de complexiteit van de watersysteemheffing als
                        geheel toe;</al><al>-de lastenverschuivingen bij de overgang naar het nieuwe belastingstelsel
                        zijn niet zo groot dat differentiatie noodzakelijk is. </al><al>Op 28 mei 2008 heeft het Algemeen Bestuur besloten alsnog ten aanzien van
                        buitendijkse gebieden voor de categorieën gebouwd en ongebouwd, niet zijnde
                        natuur wel een tariefdifferentiatie (reductie met 75%) toe te staan. Een
                        belangrijke beweegreden hiervoor was dat het belastingregime voor de
                        zeehavens Eemshaven en Delfzijl eensluidend zou moeten zijn. De Eemshaven en
                        een deel van de haven van Delfzijl vallen onder het beheerregime van
                        waterschap Noorderzijlvest. Het waterschap Noorderzijlvest gaat een
                        tariefdifferentiatie voor buitendijks gebied (behalve voor de categorie
                        natuur) hanteren van – 75% . Bij het waterschap Noorderzijlvest zijn met de
                        grotendeels buitendijks gelegen zeehavens grote economische belangen gemoeid
                        die een maximaal toegestane reductie van het tarief voor watersysteembeheer
                        rechtvaardigen. Waterschap Hunze en Aa’s conformeert zich aan deze
                        zienswijze.</al><al>Op 21 november 2012 heeft het algemeen bestuur besloten voor openbare
                        verharde wegen (onderdeel ongebouwd, niet zijnde natuurterreinen) een
                        tariefdifferentiatie (toeslag 100%) toe te passen.</al><al>Bij het opstellen van de kostentoedelingsverordening in 2008 (de eerste
                        volgens de nieuwe Waterschapswet) bleek dat de waarde ongebouwd sterk wordt
                        beïnvloed door de waarde van de aanwezige infrastructuur zoals wegen en
                        spoorlijnen. Het tarief voor de categorie ongebouwd komt hierdoor niet meer
                        voor iedereen overeen met het belang bij het werk van het waterschap. </al><al>De belasting wordt geheven per hectare ongebouwde grond, en niet naar de
                        waarde van de ongebouwde grond. Dit betekent dat eigenaren van wegen in
                        belangrijke mate het kostenaandeel voor ongebouwd bepalen, maar de effecten
                        daarvan grotendeels bij de agrarische gronden (met veel hectares) neerslaan.
                        De eigenaren van agrarische gronden dragen daarmee meer dan evenredig en de
                        eigenaren van wegen minder dan evenredig bij in de belastingopbrengst voor
                        ongebouwd.</al><al>Door maximaal van deze mogelijkheid gebruik te maken wordt het tarief voor
                        ongebouwd voor iedereen meer in overeenstemming gebracht met het belang bij
                        het waterschap. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In artikel 1 zijn enkele begrippen, die in de verordening vaker voorkomen,
                        nader gedefinieerd. De onderdelen g tot en met j zijn speciaal in verband
                        met de bepalingen over de tariefdifferentiatie opgenomen. </al><al>In <vet>onderdeel a</vet> wordt een omschrijving van het begrip kosten
                        gegeven. De kosten die in de kostentoedeling een rol spelen zijn de
                        netto-kosten die in de begroting van het waterschap zijn opgenomen en die
                        met behulp van de watersysteemheffing worden gedekt. Kosten waarvoor dit
                        niet geldt, worden niet in de kostentoedeling watersysteembeheer betrokken. </al><al>In <vet>onderdeel b</vet> wordt het gebied van het waterschap omschreven als
                        het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciale reglement behorende
                        kaart waarin het waterschap bevoegd is de watersysteemtaak uit te voeren.
                        Het gaat om de buitenste grenzen van het waterschapsgebied, inclusief
                        eventuele buitendijkse gebieden. </al><al>In <vet>onderdeel c </vet>wordt een omschrijving gegeven van het begrip
                        ingezetenen. Om als ingezeteneaangemerkt te worden, moet de persoon in het
                        gebied van het waterschap woonplaats hebbenén er gebruik hebben van
                        woonruimte. Van een ingezetene in de hierbedoelde zin is </al><al>slechts sprake als aan beide voorwaarden is worden voldaan.</al><al>Woonplaats hebben in het gebied van het waterschap: de wet koppelt dit aan
                        de inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens aan
                        het begin van het kalenderjaar. </al><al>Gebruik hebben van een woonruimte: blijkens een uitspraak van het
                        Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2013, 12/00369, LJN: BZ7181 kan
                        een structureel en frequent verblijf in een woning tot de conclusie leiden
                        dat sprake is van het gebruik van een woonruimte. </al><al>Deze uitspraak betrof de gemeentelijke afvalstoffenheffing en rioolrechten,
                        maar is ook voor de ingezetenenheffing relevant. </al><al>Van een woonruimte is blijkens het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1996,
                        Belastingblad 1996, blz. 431, sprake als de ruimte over zelfstandige
                        voorzieningen (keuken, douche, sanitair) beschikt. De gebruiker van de
                        ruimte mag dus niet meer dan bijkomstig afhankelijk zijn van voorzieningen
                        elders in het gebouw. Is dat wel het geval, dan is geen sprake van een
                        woonruimte en kan van de gebruiker geen ingezetenenheffing worden geheven. </al><al>In de <vet>onderdelen d, e en f</vet> wordt steeds het begrip ‘zakelijk
                        gerechtigden’ gebruikt als omschrijving voor degenen die krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht het genot hebben van onroerende zaken in het gebied
                        van het waterschap en uit dien hoofde belastingplichtig zijn </al><al>(vgl. artikel 117, eerste lid, onderdelen b tot en met d, Waterschapswet).
                        Het gaat meer specifiek om de zakelijk gerechtigden ongebouwd niet zijnde
                        natuurterreinen, zakelijk gerechtigden natuurterreinen en zakelijk
                        gerechtigden gebouwd. </al><al>De beperkte rechten die tot belastingplicht leiden, zijn:</al><al>* appartementsrecht;</al><al>* erfpachtrecht;</al><al>* recht van opstal;</al><al>* recht van vruchtgebruik;</al><al>* recht van beklemming;</al><al>* recht van gebruik en bewoning;</al><al>* de beklemde meier en</al><al>* het beperkt recht in de zin van artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de
                        Belemmeringenwet</al><al>* privaatrecht.</al><al>Ingevolge artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet moet voor het
                        antwoord op de vraag wie heffingplichtig is, van de basisregistratie
                        kadaster worden uitgegaan: heffingplichtig is degene die bij het begin van
                        het jaar als rechthebbende in deze basisregistratie is vermeld, tenzij het
                        tegendeel blijkt. </al><al>Indien er naast eigendom ook sprake is van een beperkt recht of indien
                        sprake is van meer dan één beperkt recht, is de vraag wie van de zakelijk
                        gerechtigden in de heffing moet worden betrokken.</al><al>Artikel 119, tweede en derde lid, geven voor deze situaties de rangorde
                        aan.</al><al><vet>Onderdeel g</vet> geeft aan wat onder buitendijks gelegen onroerende
                        zaken moet worden verstaan. Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn
                        omschreven als onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de
                        primaire waterkering zijn gelegen. Afhankelijk van de regionale situatie kan
                        het ook om onroerende zaken gaan die buiten de secundaire of regionale
                        kering zijn gelegen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><al>In artikel 2 is aangegeven op welke wijze de kosten van de taakuitoefening
                        over de vier heffingplichtige categorieën worden verdeeld. Artikel 2 vormt
                        daarmee het kernartikel van de verordening. De kostentoedeling geschiedt in
                        twee stappen. In de eerste stap wordt het kostenaandeel van de categorie
                        ingezetenen bepaald en in de tweede stap worden de resterende kosten van de
                        taakuitoefening over de categorieën ongebouwd niet zijnde natuur, natuur en
                        gebouwd verdeeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Stap</label><titel>1: Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen</titel></kop><al>De eerste stap in het kostentoedelingsproces is het toedelen van kosten aan
                        de categorie ingezetenen. Het aandeel ingezetenen staat voor het algemeen
                        belang. Het weerspiegelt een redelijk kostenaandeel voor onze burgers voor
                        het kunnen wonen, werken en recreëren binnen het beheergebied van het
                        waterschap. Het toedelen van de kosten gebeurtop basis van de
                        gemiddelde inwonerdichtheid in het gebied van het waterschap. Voor het
                        bepalen van de gemiddelde inwonerdichtheid wordt uitgegaan van het totaal
                        aantal inwoners van de in het waterschapsgebied liggende gemeenten van het
                        waterschapsgebied. Omdat een aantal gemeenten slechts voor een deel binnen
                        het waterschapsgebied liggen is bij die gemeenten een aanname gemaakt van
                        het aantal inwoners.Het minimum kostenaandeel voor de categorie
                        ingezetenen bedraagt 20% en het maximum -indien van de mogelijkheid van de
                        verhoging als bedoeld in artikel 120, lid 3, van de Waterschapswet gebruik
                        wordt gemaakt- 60%. De exacte onderverdeling is als volgt:</al><al>* bedraagt het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer in het
                        gebied van het waterschap 500 of minder, dan bedraagt het kostenaandeel
                        minimaal 20 en maximaal 30%;</al><al>* bedraagt het gemiddeld aantal inwoners per vierkante kilometer in het
                        gebied van het waterschap meer dan 500 maar minder dan 1.000, dan * bedraagt
                        het kostenaandeel minimaal 31 en maximaal 40%; </al><al>* bedraagt de gemiddelde inwonerdichtheid meer dan 1.000, dan is het
                        kostenaandeel minimaal 41 en maximaal 50%. </al><al>Er is dus steeds sprake van een bandbreedte van 10% per
                        inwonerdichtheidsklasse. </al><al>De inwonerdichtheid in het waterschap Hunze en Aa’s is geschat op afgerond
                        240 inwoners per vierkante kilometer. Rekenkundig resulteert dit in een
                        ingezetenenaandeel van afgerond 25%. </al><al>Voor ingezetenen is het bepalen van de omvang van het belang in een
                        kostenaandeel echter moeilijker dan bij de overige categorieën
                        belanghebbenden en vraagt om een meer bestuurlijke benadering. Dit komt
                        omdat het algemeen belang moeilijk meetbaar is. Dit kan betekenen dat
                        elementen een rol gaan spelen die geen directe relatie hebben met de aard en
                        omvang van het belang van die categorie bij de taakuitoefening van het
                        waterschap.</al><al>Gesteld kan worden dat er een trend waarneembaar is in de verschuiving naar
                        het algemeen taakbelang. Er is, met andere woorden, sprake van het
                        ‘veralgemeniseren’ van het taakbelang. Activiteiten die worden ontplooid
                        dragen steeds meer bij aan wonen, werken en recreëren binnen het
                        beheergebied van het waterschap. Om een voorbeeld te geven: het creëren van
                        ruimte voor water, het bergen in de haarvaten van het watersysteem is niet
                        enkel van belang voor ongebouwd of natuur, maar draagt bij aan de
                        bewoonbaarheid van burgers. Maatregelen die bijdragen aan natuurontwikkeling
                        dragen bij aan de landschapsbeleving van diezelfde burger. Burgers maken
                        gebruik en hebben belang bij een goede infrastructuur. Concreet: het
                        Masterplan kaden, de KRW-projecten, de overdracht HWBP en de MURA zijn zaken
                        waarvan kan worden gesteld dat het redelijk en billijk is om een deel van de
                        last bij de burger neer te leggen. Het veralgemeniseren van de
                        waterschapstaken is een ontwikkeling van de afgelopen 5 jaar en ook van de
                        komende jaren.</al><al>Overwegingen die hierbij niet onvermeld mogen blijven hebben betrekking op
                        het kostenaandeel natuur en het kostenaandeel ongebouwd. Het waterschap
                        geeft steeds meer vorm aan natuurontwikkeling (KRW) waar de burger profijt
                        van heeft en waar dit via de categorie natuur niet mogelijk is om tot
                        uitdrukking te brengen. Een redenatie van dezelfde strekking geldt voor de
                        infrastructuur. Het tarief ongebouwd wordt thans voor een zeer groot deel
                        bepaald door de waarde van de infrastructuur, terwijl wegen een algemene
                        maatschappelijke functie vervullen.</al><al>Hoewel in deze redenatie een verhoging naar 30% verdedigbaar is en zelfs als
                        billijk kan worden bestempeld geeft de uiteindelijke vertaling in de
                        feitelijke lastenontwikkeling per categorie belastingbetalers (op basis van
                        de in de Ab-vergadering van 3 juli 2013 vastgestelde meerjarenraming 2013 –
                        2017) een scheef beeld. Bij een verhoging van het aandeel ingezetenen naar
                        29% is de procentuele verhoging en verhouding tussen de verschillende
                        categorieën evenrediger. Niet één groep van belastingbetalers stijgt op deze
                        wijze veel meer dan de rest.</al><al>Daarom is in deze kostentoedelingsverordening een kostentoedelingspercentage
                        voor ingezetenen bepaald op 29%.</al></divisie><divisie><kop><label>Verhoging</label><titel>maximale percentages ingezetenenaandeel</titel></kop><al>Binnen waterschap Hunze en Aa’s is niet gekozen voor een verhoging van het
                        aandeel ingezetenen voor de watersysteemheffing. Voor een toelichting op dit
                        onderwerp verwijzen wij u naar onderdeel 3.1 van het Algemeen deel van deze
                        toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Stap</label><titel>2: Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke
                            categorieën</titel></kop><al>Nadat is bepaald welk aandeel in de kosten van het watersysteembeheer aan de
                        ingezetenen wordt toegedeeld, vindt in stap 2 de toedeling plaats van de
                        resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën ongebouwd niet
                        zijnde natuur, natuur en gebouwd. Dit gebeurt op basis van hun onderlinge
                        waardeverhouding. In verband hiermee moet de waarde in het economische
                        verkeer van deze categorieën worden bepaald. In het Waterschapsbesluit is
                        aangegeven hoe de waardebepaling dient te geschieden en welke regels daarbij
                        gelden. </al></divisie><divisie><kop><label>Waardebepaling</label><titel>categorie ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                            natuurterreinen</titel></kop><al>Deze categorie valt in het kader van de kostentoedeling uiteen in vijf
                        ‘subcategorieën’ (groepen) van typen grondgebruik, te weten:</al><al>* Agrarische gronden;</al><al>* Openbare landwegen, inclusief kunstwerken;</al><al>* Banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken;</al><al>* Bouwpercelen en</al><al>* Overige ongebouwde onroerende zaken. </al><al>Ingevolge het Waterschapsbesluit is een onderverdeling in groepen
                        noodzakelijk, omdat tussen de groepen zowel de wijze van waardebepaling als
                        de waarde per hectare verschilt. </al><al>Van elke groep moet de waarde worden bepaald. Dit gebeurt globaal, hetgeen
                        in dit geval betekent dat het waterschap niet van elk individueel object dat
                        tot de betreffende groep behoort een exacte waarde hoeft te bepalen, maar
                        dat kan worden volstaan met het bepalen van de waarde van het geheel van de
                        onroerende zaken van de betreffende groep. Het product van de oppervlakte in
                        hectare en de gemiddelde waarde per hectare vormt dan de waarde van de
                        betreffende subcategorie. De optelsom van de waarden van de subcategorieën
                        is de totale waarde van de categorie ongebouwd, niet zijnde natuur. </al></divisie><divisie><kop><label>Subcategorie</label><titel>agrarische gronden</titel></kop><al>Onder agrarische grond wordt ingevolge artikel 6.1, onder a, van het
                        Waterschapsbesluit de ten behoeve van de landbouw als bedoeld in artikel 312
                        van Boek 7 van het BW, bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond verstaan,
                        voor zover deze niet de ondergrond vormen van gebouwde eigendommen. De
                        ondergrond van glasopstanden (kassen) behoort tezamen met de glasopstand
                        zelf tot een gebouwde onroerende zaak. Natte veenweidegebieden behoren ook
                        tot de categorie agrarische gronden. Bossen behoren er niet toe. Bossen
                        worden op grond van artikel 116, onder c, van de Waterschapswet immers tot
                        de categorie natuurterreinen gerekend. </al><al>De gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden wordt bepaald op
                        basis van of afgeleid uit verkooptransacties van deze gronden in het gebied
                        van het waterschap. In het tweede lid van artikel 6.5 van het
                        Waterschapsbesluit is neergelegd dat de waarde wordt bepaald op de waarde
                        die aan de gronden moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde
                        eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de gronden als agrarische
                        gronden in gebruik zouden blijven. Dit betekent dat transacties waarbij geen
                        marktconforme prijs tot stand is gekomen (dit kan bij transacties in de
                        familiesfeer het geval zijn), niet in de berekeningen mogen worden
                        betrokken. Verder dient bij de waardebepaling van gronden die zijn bezwaard
                        met beperkte rechten of die worden verpacht, te worden geabstraheerd van de
                        waardedrukkende invloed die van deze feiten uitgaat. Blijkens de toelichting
                        bij het Waterschapsbesluit vormen de onderzoeksgegevens van de Dienst
                        Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van Economische Zaken een goede
                        basis voor de waardebepaling van agrarische gronden ten behoeve van de
                        kostentoedeling. Deze dienst rapporteert jaarlijks aan de Tweede Kamer over
                        de gemiddelde prijzen van agrarische gronden. Voor de waardebepaling per 1
                        januari 2012 is als bron de DLG grondprijzen 01.01.2011 – 31.12.2011
                        gebruikt. Hierbij is het gewogen gemiddelde genomen van de verkopen van de
                        gebieden Oost bouwstreek Groningen, Westerwolde en Groningse veenkoloniën,
                        Oostelijk Hogeland en de Drentse Veenkoloniën &amp; de Hondsrug.</al></divisie><divisie><kop><label>Subcategorieën</label><titel>openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief
                            kunstwerken</titel></kop><al>In feite is voor de kostentoedeling sprake van twee afzonderlijke
                        subcategorieën. Omdat de wijze waarop de waarde van deze subcategorieën moet
                        worden bepaald aan elkaar gelijk is, worden ze hier gezamenlijk besproken. </al><al>Bij de waardebepaling van openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer
                        per rail worden behalve de landwegen en spoorbanen als zodanig ook
                        verkeersvoorzieningen en kunstwerken betrokken. Voorbeelden van kunstwerken
                        zijn bruggen, viaducten en tunnels. Bij verkeersvoorzieningen moet worden
                        gedacht aan grond die dienstbaar is aan het verkeer over de weg (grond die
                        een bijdrage levert aan de verkeerskundige functionaliteit van de weg),
                        zoals tussenbermen, geluidswerende voorzieningen, obstakelvrije zone’s,
                        bermsloten, e.d. </al><al>De gemiddelde waarde per hectare wordt ingevolge het Waterschapsbesluit
                        gesteld op de vervangingswaarde. Dit is het bedrag dat met de herbouw van
                        een identiek vervangend object gepaard zou gaan, waarbij tevens rekening
                        moet worden gehouden met een correctiefactor voor technische en functionele
                        veroudering. Om te voorkomen dat de waterschappen van geval tot geval steeds
                        zelf de component voor de technische en functionele veroudering van de
                        onroerende zaken zouden moeten bepalen, heeft de wetgever de correctiefactor
                        in het Waterschapsbesluit zelf vastgelegd. Deze bedraagt 25%. De
                        Taxatiewijzer voor de waardebepaling van openbare wegen en spoorwegen
                        (taxatiewijzer wegen) bevat handreikingen voor de waardebepaling. </al><al><vet>Subcategorie bouwpercelen</vet></al><al>Bouwpercelen zijn ongebouwde, al dan niet bouwrijp gemaakte percelen, waarop
                        gebouwd mag worden (artikel 6.1, onder b, Waterschapsbesluit), De gemiddelde
                        waarde per hectare wordt ingevolge artikel 6.7 van het Waterschapsbesluit
                        bepaald op basis van de waarden die voor de binnen het gebied van het
                        waterschap gelegenbouwpercelen op de voet van de Wet WOZ zijn
                        vastgesteld.</al><al>Veel gemeenten beschikken niet over deze gegevens. Bouwpercelen worden
                        immers ook niet voor de OZB van gemeenten aangeslagen. Daarom is al bij de
                        vorige kostentoedelingsverordening uit 2008 besloten gebruik te maken van de
                        Nieuwe Kaart van Nederland. Van hier uit is de oppervlakte en de waarde van
                        de bouwpercelen berekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Subcategorie</label><titel>overige ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><al>De subcategorie overige ongebouwde onroerende zaken is een restcategorie
                        waartoe onder andere volkstuinen, begraafplaatsen, openbare parken en
                        plantsoenen en recreatie- en sportterreinen behoren, voor zover zij althans
                        niet op grond van artikel 118, lid 2, van de wet deel uitmaken van een
                        gebouwd eigendom. De gemiddelde waarde per hectare wordt ingevolge het
                        Waterschapsbesluit gesteld op de gemiddelde waarde per hectare van de
                        agrarische gronden in het gebied van het waterschap. De wetgever heeft om
                        redenen van eenvoud hiervoor gekozen. Dit blijkt uit de toelichting op
                        artikel 6.8 van het Waterschapsbesluit. </al><al>De totale waarde ongebouwde onroerende zaken binnen waterschap Hunze en Aa’s
                        is geraamd op € 18,3 miljard. Hierbij is van het volgende uitgegaan:</al><al>De waarde van de openbare landwegen en openbare spoorwegen is gebaseerd op
                        de Taxatiewijzer. Bij wetsfictie is de waarde van de openbare wegen en
                        spoorwegen gesteld op 75% van de vervangingswaarde. </al><al>De gemiddelde waarde van de agrarische gronden is vastgesteld op € 37.000,-
                        per hectare.</al><al>De waarde van een hectare bouwperceel is vastgesteld op € 687.120,-.</al></divisie><divisie><kop><label>Waardebepaling</label><titel>categorie natuurterreinen</titel></kop><al>De volgende categorie waarvoor in het kader van de kostentoedeling een
                        waarde moet worden vastgesteld, is de categorie natuurterreinen.
                        Natuurterreinen zijn in artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet
                        gedefinieerd als ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het
                        beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of
                        de ontwikkeling van natuur. Tot de categorie natuurterreinen worden daarom
                        bijvoorbeeld heidevelden, moerassen, zandverstuivingen en duingebieden
                        gerekend. Ook (productie)bossen en open wateren met een oppervlakte van ten
                        minste 1 hectare behoren tot deze categorie. Bij open wateren moet blijkens
                        het Waterschapsbesluit worden gedacht aan vennen, meren, plassen en daarmee
                        vergelijkbare wateren met een open en weids karakter. In de regel zullen
                        stadsparken, plantsoenen, e.d. vanwege hun recreatieve functie niet als een
                        natuurgebied kunnen worden aangemerkt. De gemiddelde waarde per hectare van
                        natuurterreinen wordt op basis van het Waterschapsbesluit gesteld op 20% van
                        de gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van
                        het waterschap. </al><al>Over de vraag wat wel en wat niet als een natuurterrein in de zin van de
                        Waterschapswet moet worden aangemerkt, bestaan in de praktijk in een aantal
                        gevallen verschillen van inzicht tussen waterschappen en grondeigenaren. De
                        verschillen van inzicht concentreren zich voornamelijk </al><al>rond graslanden en akkers die in de praktijk (mede) agrarisch worden
                        gebruikt, of waar agrarische beheermaatregelen worden ingezet. De hamvraag
                        is in deze gevallen veelal dan ook of de inrichting en het beheer van het
                        betreffende perceel geheel of nagenoeg geheel is afgestemd op het behoud of
                        de ontwikkeling van natuur.</al><al>Om hierover duidelijkheid te krijgen, voeren de Unie van Waterschappen en
                        het Bosschap in gezamenlijk overleg een aantal landelijke voorbeeldzaken.
                        Nog niet alle rechtbanken zijn op dit moment tot een beslissing gekomen. De
                        lijn die uit de tot nu toe gedane uitspraken kan worden gedestilleerd, is
                        dat de inrichting en het beheer slechts beperkt (dit is: voor minder dan
                        10%) mogen zijn afgestemd op andere doelstellingen dan het behoud of de
                        ontwikkeling van natuur. </al><al>Is dit niet het geval, dan zijn de rechters van mening dat van een
                        natuurterrein in de zin van de Waterschapswet geen sprake is. Hiermee
                        ondersteunen de betreffende rechtbanken de invulling die de Unie in 2008 aan
                        het criterium “geheel of nagenoeg geheel” uit artikel 116, onderdeel c, van
                        de Waterschapswet heeft gegeven.</al><al>De totale waarde natuurterreinen binnen het waterschap Hunze en Aa's is
                        geraamd op € 0,2 miljard. Hieraan ten grondslag ligt dat de gemiddelde
                        waarde van de categorie natuur bij wetsfictie is vastgesteld op 20% van de
                        gemiddelde agrarische waarde. De gemiddelde waarde van de natuurterreinen is
                        daarmee vastgesteld op € 7.400,- per hectare.</al></divisie><divisie><kop><label>Waardebepaling</label><titel>categorie gebouwde onroerende zaken</titel></kop><al>Voor het bepalen van de waarde van de gebouwde onroerende zaken moet worden
                        aangesloten bij de waarden, zoals die voor deze objecten in het kader van de
                        Wet WOZ door de gemeenten zijn vastgesteld. Wat onder een gebouwd object
                        moet worden verstaan, is in artikel 118, eerste en tweede lid, van de
                        Waterschapswet geregeld. Op grond van deze regeling wordt een samenstel van
                        ongebouwde en gebouwde onroerende zaken als één gebouwde onroerende zaak
                        aangemerkt. </al><al>De WOZ-waarde van de gebouwde onroerende zaken binnen het gebied van
                        waterschap Hunze en Aa’s bedroeg op peildatum 1 januari 2012 in totaal €
                        42,8 miljard.</al></divisie><divisie><kop><label>Samenvattend</label></kop><al>Samenvattend bedroeg de waarde van de categorieën ongebouwde onroerende
                        zaken, natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken binnen het beheersgebied
                        van waterschap Hunze en Aa’s op de peildatum 1 januari 2012:</al><al>-ongebouwde onroerende zaken € 18,3 miljard (29,9%)</al><al>-natuurterreinen € 0,2 miljard (0,3%)</al><al>-gebouwde onroerende zaken € 42,8 miljard (69,8%)</al><al>Gelet op het vorenstaande is onderlinge waardeverhouding tussen de
                        categorieën ingezetenen, ongebouwd, natuur en gebouwd voor de
                        watersysteemheffing van waterschap Hunze en Aa’s vastgesteld op:</al><al>-ingezetenen 29%</al><al>-ongebouwde onroerende zaken 21,2%</al><al>-natuurterreinen 0,2%</al><al>-gebouwde onroerende zaken 49,6%</al></divisie><divisie><kop><label>Waardepeildatum</label></kop><al>Artikel 6.11 van het Waterschapsbesluit bepaalt dat de waardepeildatum van
                        de categorie ongebouwde onroerende zaken en van de categorie natuurterreinen
                        plaatsvindt naar de hoedanigheid en de staat van deze onroerende zaken op de
                        waardepeildatum. De waardepeildatum ligt ingevolge het eerste lid van deze
                        bepaling maximaal twee jaren voor het begin van het eerste kalenderjaar
                        waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. De waardepeildatum
                        kan in het onderhavige geval dus op 1 januari 2013 of op 1 januari 2012
                        worden vastgesteld. Omdat het in het onderhavige geval praktisch evenwel
                        niet mogelijk is om van de waardepeildatum 1 januari 2013 uit te gaan, (zie
                        voor een toelichting hierop onderdeel 4.1 van het Algemeen deel van deze
                        toelichting), wordt in de modelverordening uitgegaan van de waardepeildatum
                        1 januari 2012. Deze waardepeildatum zal ook worden gehanteerd in de
                        taxatiewijzer wegen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Kosten van heffing en invordering en van de verkiezing</titel></kop><al>Het waterschap kan (geen verplichting) ervoor kiezen om kosten van heffing
                        en invordering van de watersysteemheffing en kosten van de verkiezing van de
                        leden van het algemeen bestuur rechtstreeks aan de betrokken categorieën toe
                        te rekenen. Het waterschap kan er ook voor kiezen om alleen de kosten van
                        heffing en invordering óf alleen verkiezingskosten rechtstreeks toe te
                        rekenen. Indien het waterschap voor rechtstreekse toerekening van kosten
                        kiest, moet deze methodiek integraal worden toegepast. Dit betekent dat dit
                        principe ten aanzien van alle categorieën ten behoeve waarvan de betreffende
                        kosten worden gemaakt, moet worden toegepast. In dit verband wordt overigens
                        opgemerkt dat de kosten van verkiezingen onder de gewijzigde Waterschapswet
                        alleen nog betrekking hebben op de categorie ingezetenen; de andere in het
                        waterschapsbestuur vertegenwoordigde categorieën van belanghebbenden worden
                        immers niet verkozen maar benoemd (zie artikel 14 Waterschapswet). </al><al>Bij kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing kan met
                        name worden gedacht aan alle door ons belastingkantoor Hefpunt gemaakte
                        kosten. Deze kosten worden zoveel mogelijk toegerekend aan de categorieën
                        waar ze betrekking op hebben. Het kostenaandeel van het waterschap in de
                        WOZ-kosten van gemeenten wordt bijvoorbeeld alleen ten laste van de
                        categorie gebouwd gebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan besluiten de belastingtarieven,
                        zoals die voor de categorieën ongebouwd, natuur en gebouwd in de verordening
                        op de watersysteemheffing zijn vastgesteld, te differentiëren. Het gaat hier
                        om een facultatieve bevoegdheid van het waterschapsbestuur en niet om een
                        verplichting. Tariefdifferentiatie is slechts toegestaan in een beperkt
                        aantal gevallen, die in de wet (artikel 122) met zoveel woorden zijn
                        genoemd. Ook de maximale omvang van de tariefdifferentiaties (de verhogingen
                        en verlagingen) is in de wet geregeld. Zie voor een nadere toelichting ook
                        de door de Unie van Waterschappen verstrekte Handreiking
                        tariefdifferentiatie.</al><al>De hoofdregel die uit artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c en d van de
                        Waterschapswet voortvloeit, is dat het tarief van de belasting per eenheid
                        van de heffingsmaatstaf gelijk is. De regeling van de tariefdifferentiatie
                        maakt het mogelijk om van deze hoofdregel af te wijken. Indien tarieven
                        worden gedifferentieerd zal voor de betreffende belastingcategorieën geen
                        sprake meer zijn van gelijke tarieven per heffingsmaatstaf. </al><al>De wet schrijft in artikel 122 voor dat de tariefdifferentiatie in de
                        kostentoedelingsverordening moet worden geregeld. Blijkens de
                        wetsgeschiedenis moet de provincie het besluit tot toepassing van
                        tariefdifferentiatie via de kostentoedelingsverordening goedkeuren. Een
                        logische interpretatie is dat de wetgever heeft gewild dat de waterschappen
                        in hun kostentoedelingsverordening de situaties aangeven waarin
                        tariefdifferentiatie zal plaatsvinden alsook de mate waarin dit zal
                        geschieden. Omdat de kostentoedelingsverordening geen bepaling over de
                        tarieven bevat (deze staan in de verordening op de watersysteemheffing), is
                        het nodig om in deze verordening een verwijzing naar de belastingverordening
                        op te nemen. </al><al>Zoals zojuist is opgemerkt, worden in artikel 122 van de Waterschapswet
                        maximale tariefafwijkingen genoemd. Voor welk(e) percentage(s) in specifieke
                        gevallen precies wordt gekozen, behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het
                        waterschap. </al><al>De verordening sluit aan op de aanbevelingen van de eerdergenoemde
                        Handreiking tariefdifferentiatie. In deze handreiking wordt aanbevolen
                        om:</al><al>* terughoudend gebruik van de tariefdifferentiatie te maken; </al><al>* voor de categorie natuurterreinen geen tariefdifferentiatie in te
                        stellen;</al><al>* cumulatie van tariefdifferentiatie te beperken;</al><al>* zoveel mogelijk gelijke tariefverhogingen/verlagingen per
                        belastingcategorie te hanteren. </al><al>Hunze en Aa’s past twee tariefdifferentiaties toe:</al><al>-Voor buitendijks gelegen gebouwde en ongebouwde gronden, niet zijnde
                        natuurterreinen geldt een tarief dat 75% lager ligt. Het invoeren van deze
                        vorm van tariefdifferentiatie is door het algemeen bestuur in 2008
                        vastgesteld.</al><al>-Voor openbare verharde wegen, zowel binnen- als buitendijks geldt een
                        tarief dat 100% hoger ligt. Het invoeren van deze vorm van
                        tariefdifferentiatie is door het algemeen bestuur in 2012 vastgesteld.</al><al>De beide tariefdifferentiaties kunnen naast elkaar worden toegepast (derde
                        lid). Deze cumulatie houdt in dat een buitendijks gelegen weg zowel met een
                        verhoging voor wegen als een verlaging wegens buitendijks gebied te maken
                        kan krijgen.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</vet></al><al>Lid 1.</al><al>Dit lid bepaalt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van het
                        belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2014. De ingetrokken verordening
                        blijft gelden voor de belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden.</al><al>Lid 2.</al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet bepaalt dat besluiten van het
                        waterschap die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden dan
                        wanneer zij zijn bekendgemaakt. Deze regel is ook op de
                        kostentoedelingsverordening van toepassing. De bekendgemaakte besluiten
                        treden conform artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de
                        achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten een ander
                        tijdstip is aangewezen.</al><al>Lid 3.</al><al>De onderhavige kostentoedelingsverordening wordt voor het eerst toegepast op
                        het belastingjaar dat op 1 januari 2014 aanvangt. De
                        kostentoedelingsverordening moet ten minste eenmaal in de vijf jaar worden
                        herzien. Frequentere herziening is dus mogelijk. Het noemen van een
                        einddatum is mede hierom niet wenselijk.</al><al>Lid 4.</al><al>In dit artikellid wordt de verordening voorzien van een citeertitel. De naam
                        van het waterschap en het jaartal 2014 zijn hiervan een onderdeel.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>