<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR31074_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Gulpen-Wittem 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gulpen-Wittem</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gulpen-Wittem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-03-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-05-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>diverse artikelen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>A/093</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Reglement op het Burgerfractielid Gulpen-Wittem 2006</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt het Reglement van orde zoals vastgesteld op 21-06-2006. Datum inwerkingtreding initiële regeling en meest recente versie is bij benadering</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Gulpen-Wittem 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al></li><li nr="b."><al>amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerp-verordening
                                    of ontwerp-beslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te
                                    worden opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig
                                    amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen
                                    in het amendement, waarop het betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp
                                    waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;</al></li><li nr="e."><al>interpellatie: vragen van inlichtingen aan het college of de
                                    burgemeester over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda.</al></li><li nr="f."><al>voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                                    vergadering;</al></li><li nr="g."><al>initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een
                                    ander voorstel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van het Reglement van orde;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder
                                    opdraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De griffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen
                                door een door de griffier in overleg met de burgemeester aangewezen
                                ambtenaar, nadat het Seniorenconvent daartoe gehoord is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt uitgenodigd,
                                aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>De secretaris</titel></kop><al>VERVALLEN</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Seniorenconvent</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad heeft een Seniorenconvent.</al></li><li nr="2."><al>Het Seniorenconvent bestaat uit de raadsvoorzitter, de
                                            fractievoorzitters en de griffier.</al></li><li nr="3."><al>De raadsvoorzitter is voorzitter van het
                                            Seniorenconvent. Bij verhindering van de raadsvoorzitter
                                            wordt het voorzitterschap waargenomen door de
                                            plaatsvervangend raadsvoorzitter. Mocht de
                                            plaatsvervangend raadsvoorzitter ook lid zijn van het
                                            seniorenconvent, dan kan vanuit de fractie die de
                                            plaatsvervangend voorzitter levert, een raadslid worden
                                            aangewezen dat in de desbetreffende bijeenkomst het lid
                                            dat het voorzitterschap waarneemt, vervangt. De
                                            plaatsvervangend voorzitter bekleedt dan niet de functie
                                            van fractievoorzitter.</al></li><li nr="4."><al>De vergaderingen van het seniorenconvent zijn niet
                                            openbaar. </al></li><li nr="5."><al>De voorzitter kan voorstellen de gemeentesecretaris uit
                                            te nodigen voor het Seniorenconvent.</al></li><li nr="6."><al>Indien een fractievoorzitter verhinderd is een
                                            bijeenkomst bij te wonen, wijst hij een lid van de raad
                                            aan, dat hem voor die bijeenkomst vervangt. </al></li><li nr="7."><al>Het seniorenconvent kan geen besluiten nemen, indien
                                            niet meer dan de helft van zijn leden of hun
                                            plaatsvervangers aanwezig is.</al></li><li nr="8."><al>Elke fractievoorzitter of plaatsvervanger heeft één stem
                                            in het Seniorenconvent. Besluiten worden met meerderheid
                                            van stemmen genomen. Bij het staken van de stemmen
                                            beslist de voorzitter.</al></li><li nr="9."><al>Tot het takenpakket van het Seniorenconvent
                                            behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>Het vaststellen van de agenda’s van de Ronde
                                                  Tafel Gesprekken (RTG’s);</al></li><li nr="b."><al>Alle overige werkzaamheden die verband houden
                                                  met het vergaderschema danwel de agendabepaling
                                                  van raad en de RTG;</al></li><li nr="c."><al>Naast de in de artikelen 3, 9, 12, 16, 21, 36,
                                                  41, 45, 46, 57, 58, 61 , en 62 opgenomen taken en
                                                  het doen van aanbevelingen aan de raad inzake de
                                                  organisatie van de werkzaamheden van de raad en de
                                                  RTG’s.</al></li><li nr="d."><lijst><li nr="1."><al>Het bespreken van algemeen bestuurlijke
                                                  aangelegenheden. Hieronder moeten in ieder geval worden verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>het periodiek
                                                  behandelen van overzichten van tijdens de
                                                  raadsvergadering genomen besluiten, aangenomen moties en gedane
                                                  toezeggingen;</al></li><li nr="-"><al>de voorraadagenda van de gemeenteraad en
                                                  RTG’s</al></li><li nr="-"><al>de verantwoording en eventuele verrekening van
                                                  de fractiebudgetten</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bespreken van algemeen bestuurlijke
                                                  aangelegenheden met een vertrouwelijk karakter. Hieronder moeten in
                                                  ieder geval worden verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>het bespreken van aspecten betreffende het
                                                  werkgeverschap, de werkzaamheden en werkplanning
                                                  van de griffie (zulks met inachtname van de
                                                  mandaatregeling aan de burgemeester en
                                                  griffier)</al></li><li nr="-"><al>vooroverleg inzake eventuele werkbezoeken en
                                                  andere evenementen van de gemeentereaad</al></li><li nr="-"><al>het functioneren van de raad en de RTG’s of
                                                  andere bijeenkomsten van (delegaties uit) de
                                                  raad</al></li><li nr="-"><al>het adviseren over en het bewaken van
                                                  procedures;</al></li><li nr="-"><al>het voorbespreken van zaken m.b.t. het
                                                  toezicht op de uitvoering van de regelingen die de
                                                  rechtspositie van de raadsleden regelen;</al></li><li nr="-"><al>het voorbespreken van zaken m.b.t. het
                                                  toezicht op de uitvoering van de regeling
                                                  fractieondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>terugkoppeling door de burgemeester over zaken
                                                  betreffende de portefeuille veiligheid</al></li><li nr="-"><al>eventuele andere voorkomende aangelegenheden,
                                                  verband houdende met het functioneren van de raad
                                                  en RTG’s.</al><al>Ten aanzien van de vertrouwelijke behandeling
                                                  van deze aangelegenheden wordt qua handelwijze aangesloten bij hetgeen
                                                  artikel 25 van de Gemeentewet regelt over stukken waarover de raad
                                                  geheimhouding oplegt.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="10."><al>De griffier draagt zorg voor een verslag van de
                                            bijeenkomst van het seniorenconvent. De daartoe
                                            aanwezige notulist functioneert onder de zorg en
                                            verantwoordelijkheid van de griffier.</al></li><li nr="11"><al>De verslagen van het seniorenconvent zijn niet openbaar.
                                            De verslaglegging van de bespreking van punten als
                                            bedoeld in artikel 9 sub d.2 is vertrouwelijk. Voor deze
                                            verslaglegging geldt eveneens hetgeen is neergelegd in
                                            artikel 25 van de Gemeentewet over stukken waarover de
                                            raad geheimhouding oplegt.</al></li><li nr="12"><al>De voorzitter en griffier bereiden de vergaderingen voor
                                            en nemen beslissingen over de uitvoering van de taken in
                                            lid 9 indien het in de tijd gezien niet mogelijk is het
                                            seniorenconvent hierbij in te schakelen</al></li><li nr="13"><al>In alle gevallen waarin de bepalingen van dit artikel,
                                            regelende de werkwijze en samenstelling van het
                                            seniorenconvent, niet voorzien, beslist de
                                            voorzitter.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toelating van nieuwe leden; fracties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Fractie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De leden van de raad, die door het centraal stembureau op
                                    dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de
                                    aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een
                                    lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een
                                    afzonderlijke fractie beschouwd.</al></li><li nr="2."><al>Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst,
                                    voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien
                                    geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de
                                    fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter
                                    mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren.</al></li><li nr="3."><al>De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als
                                    diens plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk
                                    doorgegeven aan de voorzitter.</al></li><li nr="4."><al>a. Indien:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><al>1° één of meer leden van een fractie als zelfstandige
                                            fractie gaan optreden;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><al>2° twee of meer fracties als één fractie gaan
                                            optreden;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><al>3° één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij
                                            een andere fractie, </al><al>wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk
                                            mededeling gedaan aan de </al><al>voorzitter;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><al>b.Met de onder a. beschreven veranderde situatie wordt rekening
                                    gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad
                                    na de mededeling daarvan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onderzoek geloofsbrieven: beëdiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                                commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                                onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken
                                van nieuwe benoemde leden;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven
                                schriftelijk verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel
                                voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een
                                minderheidsstandpunt;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
                                gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling
                                na de verkiezingen</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van
                                de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
                                samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad
                                waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed
                                of verklaring en belofte af te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Benoemingsprocedure wethouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de raad stelt een ad hoc-commissie
                                        <cursief>“Geloofsbrieven wethouders”</cursief> in, die
                                    onderzoekt of de kandidaat-wethouders voldoen aan de voorwaarden
                                    die de Gemeentewet aan wethouders stelt en de raad hierover
                                    schriftelijk adviseert.</al></li><li nr="2."><al>De ad hoc-commissie <cursief>“Geloofsbrieven
                                        wethouders”</cursief> bestaat uit vier leden van de
                                    raad.</al></li><li nr="3."><al>De kandidaat-wethouder overlegt de documenten en informatie die
                                    nodig zijn voor de in het hiernavolgende lid door de commissie
                                        <cursief>“Geloofsbrieven wethouders”</cursief> te verrichten
                                    toetsing. De kandidaat-wethouder maakt bovendien alle overige
                                    door hem/haar in dat verband relevant geachte informatie aan de
                                    commissie kenbaar.</al></li><li nr="4."><al>De commissie <cursief>“Geloofsbrieven wethouders”</cursief>
                                    toetst de van de kandidaat-wethouder ontvangen documenten en
                                    informatie aan de hand van in elk geval een viertal
                                    voorschriften:</al><lijst><li nr="-"><al>de artikelen 35, 36a, 10 en 41a Gemeentewet
                                            (benoembaarheidsvereisten);</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties);</al></li><li nr="-"><al>artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies);</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 41c, 15 en 46 Gemeentewet (onverenigbare of
                                            verboden handelingen);</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De commissie verricht zijn werkzaamheden in een niet openbare
                                    vergadering waarvan geen verslag wordt gemaakt.</al></li><li nr="6."><al>De kandidaat-wethouder wordt in de gelegenheid gesteld de
                                    documenten en aangedragen informatie mondeling toe te
                                    lichten;</al></li><li nr="7."><al>Op basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie
                                        <cursief>“Geloofsbrieven wethouders”</cursief> een
                                    schriftelijk, beargumenteerd, advies aan de raad ten aanzien van
                                    de benoembaarheid van de voorgedragen wethouder(s) op grond van
                                    de voornoemde voorwaarden die de Gemeentewet hieraan stelt.</al><al>Indien de ad hoc-commissie niet unaniem is in zijn oordeel wordt
                                    hiervan melding gemaakt in het advies.</al></li></lijst><lijst><li nr="8."><al>De benoeming van de wethouder is voorwaardelijk tot de
                                    burgemeester de integriteitstoets heeft afgerond. De toetsing
                                    zal zo mogelijk binnen drie maanden na de voorwaardelijke
                                    benoeming zijn afgerond. Indien de uitkomst van de toetsing daar
                                    aanleiding toe geeft zal de burgemeester de Gemeenteraad
                                    daarover informeren.</al></li><li nr="9."><al>In de eerstvolgende raadsvergadering na afronding van de
                                    toetsing kan dan de onvoorwaardelijkheid van de benoeming door
                                    de gemeenteraad worden vastgesteld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vergaderfrequentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het seniorenconvent stelt vóór aanvang van ieder kalenderjaar
                                    een schema vast van de data en tijdstippen waarop in het
                                    betreffende jaar vergaderingen van de raad en RTG’s
                                    plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op
                                    donderdag, vangen aan om 19.30 uur en worden gehouden in het
                                    gemeentehuis. Het eindtijdstip van de vergaderingen wordt
                                    gesteld op 23.00 uur. Indien de vergadering dan niet ten einde
                                    is, wordt, indien de meerderheid van de raad hiermee instemt, de
                                    vergadering met maximaal 30 minuten verlengd. Is de vergadering
                                    na deze verlenging toch niet ten einde is, of indien de
                                    meerderheid van de raad niet instemt met de 30 minuten
                                    verlenging, wordt de vergadering voortgezet op de daaropvolgende
                                    maandagavond, aanvang 19.30 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                    aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                    voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende
                                    situatie, overleg in het Seniorenconvent.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De behandeling van de begroting vindt plaats in een aparte
                                    vergadering van de raad. Deze vergadering begint om 10. 00
                                    uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Oproep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt tenminste 10 dagen voor een vergadering de
                                    leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van
                                    dag, tijdstip en plaats van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken - met
                                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                    Gemeentewet bedoelde stukken - worden tegelijkertijd met de
                                    schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden, danwel
                                    op het raadsinformatiesysteem (dat digitaal te raadplegen is via
                                    de website van de gemeente) geplaatst</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van
                                    een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt per
                                    direct met de daarbij behorende stukken aan de leden van de raad
                                    verzonden, en via de website van de gemeente openbaar
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                    voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad
                                    bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda
                                    toevoegen of van de agenda afvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de
                                    raad de volgorde van behandeling van de agendapunten
                                    wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij aanvang van de vergadering inventariseert de voorzitter over
                                    welke punten van de agenda men geen debat nodig vindt. Deze
                                    punten worden geacht – zonder verzoek tot stemming - unaniem te
                                    zijn aangenomen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Mededelingen worden als vast punt van de agenda van de
                                    raadsvergadering opgenomen. Tijdens de mededelingen bestaat voor
                                    een vertegenwoordigend lid als bedoeld in artikel 47, lid 1 de
                                    mogelijkheid om verslag te doen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                    beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen
                                    naar een Ronde Tafel Gesprek of aan het college nadere
                                    inlichtingen of advies vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De wethouder</titel></kop><al>Het Seniorenconvent kan een of meer wethouders uitnodigen om in de
                                vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te
                                nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen
                                    op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep voor een ieder in het gemeentehuis ter
                                    inzage gelegd. De voorzitter maakt van de ter inzage legging
                                    melding in de openbare kennisgeving bedoeld in artikel 14.
                                    Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter
                                    inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de
                                    leden van de raad en zo mogelijk in een openbare
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten
                                    het gemeentehuis gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                    stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de
                                    griffier en verleent de griffier de leden van de raad
                                    inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering wordt door aankondiging in de lokale pers en zo
                                    mogelijk door plaatsing op de website van de gemeente ter
                                    openbare kennis gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De openbare kennisgeving vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum, aanvangstijdstip en plaats van de
                                            vergadering;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de plaats waar een ieder de
                                            voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken kan
                                            inzien.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden,
                                    indien digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente
                                    geplaatst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad
                                onmiddellijk de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering
                                wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening
                                vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zitplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                    vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het
                                    Seniorenconvent bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode
                                    van de raad aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                    herzien na overleg in het Seniorenconvent.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                    secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                    uitgenodigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Opening vergadering; quorum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur,
                                    indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de
                                    raad blijkens de presentielijst aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                    vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na
                                    voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de
                                    volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de
                                    Gemeentewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Primus bij beraadslagingen en hoofdelijke stemming</titel></kop><al>Bij aanvang van behandeling van ieder agendapunt vraagt de
                                voorzitter (of de griffier) wie van de leden van de raad over dat
                                agendapunt het woord wil voeren. Vervolgens geeft hij het woord aan
                                degenen die zich aangemeld hebben voor de beraadslaging. De
                                voorzitter hanteert daarbij een stelsel waarbij de fracties bij
                                toerbeurt met de beraadslaging kunnen beginnen. Vervolgens vindt de
                                beraadslaging plaats op zitplaats, bezien met de klok mee, vanaf het
                                lid dat met de beraadslaging is begonnen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van hetgeen in de openbare vergadering wordt besloten, wordt
                                    onder verantwoordelijkheid van de griffier een besluitenlijst
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluitenlijst bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>De namen van de voorzitter, de griffier en de ter
                                            vergadering aanwezige leden, de secretaris/algemeen
                                            directeur, de wethouders, alsmede de leden die afwezig
                                            waren en de overige personen die het woord hebben
                                            gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>De zakelijke inhoud van het besluit;</al></li><li nr="c."><al>De inhoud van de ter vergadering ingediende moties,
                                            amendementen, subamendementen en
                                            initiatiefvoorstellen</al></li><li nr="d."><al>De vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van
                                            de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening
                                            van de namen van de leden die zich overeenkomstig de
                                            Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij
                                            het uitbrengen van hun stem hebben vergist;</al></li><li nr="e."><al>De uitslag van een schriftelijke stemming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De besluitenlijst wordt in de eerstvolgende vergadering aan de
                                    raad ter vaststelling aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ontwerp-besluitenlijst wordt aan de leden toegezonden
                                    gelijktijdig met de overige voorstellen voor de volgende
                                    vergadering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vastgestelde besluitenlijst wordt door de voorzitter en de
                                    griffier ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Auditieve verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Van hetgeen in de openbare vergadering wordt besproken wordt een
                                    digitale geluidsopname gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De geluidsopname wordt zo spoedig mogelijk, doch tenminste in de
                                    eerste week na de vergadering, gepubliceerd op de gemeentelijke
                                    website.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De geluidsopname is tevens te beluisteren in de fractiekamer en
                                    op een algemene voor het publiek toegankelijke plaats in het
                                    gemeentehuis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De geluidsopname wordt vastgelegd op een geluidsdrager, die
                                    conform de eisen in de Archiefwet wordt bewaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Ingekomen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke
                                    mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst
                                    geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden
                                    en ter inzage gelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van
                                    het college en de burgemeester aan de raad, worden ter inzage
                                    gelegd voor de leden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het Seniorenconvent stelt op advies van de griffier namens de
                                    raad de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast,
                                    waarbij de stukken worden onderverdeeld in een categorie “voor
                                    kennisgeving aannemen”, een categorie “in handen stellen van het
                                    college ter afdoening”en een categorie “in handen stellen van
                                    het college voor nader advies”.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na vaststelling van de besluitenlijst neemt de raad, aan de hand
                                    van de door het seniorenconvent aangegeven wijze van afdoening,
                                    een besluit over de afdoening van de stukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Spreekregels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de raad en overige aanwezigen spreken vanaf hun
                                    plaats of van de spreekplaats en richten zich tot de
                                    voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de
                                    leden van de raad en de overige aanwezigen vanaf een andere
                                    plaats spreken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Volgorde sprekers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de raad voert het woord na het aan de voorzitter
                                    gevraagd en van hem verkregen te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgorde van sprekers vindt plaats als aangegeven in artikel
                                    18, met dien verstande dat de volgorde kan worden gewijzigd,
                                    wanneer het lid van de raad het woord vraagt over de orde van de
                                    vergadering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                    hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord
                                    voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter kan interrupties toelaten. Deze dienen te bestaan
                                    uit korte opmerkingen of vragen zonder inleiding. Zodra spreker
                                    de ruimte voor een interruptie anders gebruikt als hiervoor
                                    aangegeven verzoekt de voorzitter de spreker met spreken op te
                                    houden. Deze geeft terstond aan dit verzoek gevolg.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het derde lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de rapporteur van een commissie;</al></li><li nr="b."><al>het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                            initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat
                                            amendement, die motie of dat voorstel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp
                                    of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het
                                    spreken over een voorstel van orde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Spreektijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eerste spreektermijn bedraagt maximaal 5 minuten. De tweede
                                    termijn bedraagt maximaal 3 minuten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is eveneens van toepassing op het
                                    collegelid dat met de toelichting op een voorstel is
                                    belast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het belang van de vergaderorde kan de voorzitter besluiten af
                                    te wijken van de spreektermijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Handhaving orde; schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen
                                            van dit reglement te herinneren;</al></li><li nr="b."><al>een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat
                                            de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal
                                            afronden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke
                                    uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                    onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan
                                    wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter
                                    tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan
                                    geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de
                                    vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige
                                    onderwerp het woord ontzeggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor
                                    een door hem te bepalen tijd schorsen en – indien na de
                                    heropening de orde opnieuw wordt verstoord – de vergadering
                                    sluiten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beraadslaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad
                                    beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of
                                    voorstel afzonderlijk te beraadslagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de
                                    voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door
                                    hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden
                                    de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De
                                    beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode
                                    verstreken is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel
                                    voldoende is toegelicht sluit hij de beraadslagingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Deelname aan beraadslaging door anderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering
                                    aanwezige leden van de raad, de voorzitter, de griffier en de
                                    wethouder deelnemen aan de beraadslaging;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of
                                    één der leden van de raad genomen alvorens met de
                                    beraadslagingen ten aanzien van het aan de orde zijnde
                                    agendapunt een aanvang wordt genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Stemverklaring</titel></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, heeft ieder lid het recht zijn uit te brengen stem kort te
                                motiveren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over
                                    eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel
                                    zoals het dan luidt in zijn geheel tenzij geen stemming wordt
                                    gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel
                                    plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te
                                    nemen eindbeslissing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Procedures bij stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Algemene bepalingen over stemming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter vraagt of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                        stemming wordt gevraagd en ook als de voorzitter dit niet
                                        verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder
                                        hoofdelijke stemming is aangenomen.</al></li><li nr="2."><al>In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in de
                                        notulen vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                        tegengestemd of zich van stemming te hebben onthouden.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad
                                        bij hun naam op om hun stem uit te brengen. Bij de stemming
                                        wordt eenzelfde systeem gehanteerd als beschreven in artikel
                                        18 lid 1 aangaande de beraadslagingen. </al></li><li nr="4."><al>Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig
                                        lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet
                                        onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.</al></li><li nr="5."><al>De leden brengen hun stem uit door het woord “voor”of
                                        “tegen”uit te spreken, zonder enige toevoeging.</al></li><li nr="6."><al>Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist,
                                        dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het
                                        volgende lid gestemd heeft.</al><al>Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat
                                        de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft
                                        gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist;
                                        in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen
                                        verandering.</al></li></lijst><lijst><li nr="7."><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming
                                        mede, met vermelding van het aantal voor en tegen
                                        uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van
                                        het genomen besluit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Stemming over amendementen en moties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een amendement op een aanhangig voorstel is
                                        ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.</al></li><li nr="2."><al>Indien op een amendement een subamendement is ingediend,
                                        wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens
                                        over het amendement.</al></li><li nr="3."><al>Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                        aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de
                                        volgorde waarin hierover zal worden gestemd.</al><al>Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende
                                        amendement of subamendement het eerst in stemming wordt
                                        gebracht.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is
                                        ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en
                                        vervolgens over de motie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Stemming over personen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een stemming over personen voor het doen van een
                                        benoeming of het opstellen van een voordracht of aanbeveling
                                        moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot
                                        stembureau.</al></li><li nr="2."><al>Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond
                                        van de Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht
                                        een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen
                                        identiek te zijn.</al></li><li nr="3."><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                        benoemen, voor te dragen of aan te bevelen.</al><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat
                                        bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde
                                        stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge
                                        het tweede lid verplicht is een stembriefje in te
                                        leveren.</al></li><li nr=""><al>Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes
                                        vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe
                                        stemming gehouden.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld
                                        in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te
                                        hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje
                                        hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld
                                        stembriefje wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een blanco ingevuld stembriefje;</al></li><li nr="b."><al>een ondertekend stembriefje;</al></li><li nr="c."><al>een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld,
                                                tenzij de stemming verschillende vacatures
                                                betreft;</al></li><li nr="d."><al>een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op
                                                voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die
                                                niet is voorgedragen;</al></li><li nr="e."><al>een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt
                                                gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje
                                        beslist de raad, op voorstel van de voorzitter.</al></li><li nr="7."><al>Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes
                                        onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Herstemming over personen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte
                                        meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming
                                        overgegaan.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de
                                        volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde
                                        stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede
                                        stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd.</al></li></lijst><al>Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee
                                personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt
                                tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.</al><al>3.Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                staken, beslist terstond het lot.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Beslissing door het lot</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen
                                        tussen wie de beslissing moet plaatsvinden, door de
                                        voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes
                                        geschreven.</al></li><li nr="2."><al>Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                        gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                        gedeponeerd en omgeschud.</al></li><li nr="3."><al>Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                        stembokaal.</al></li></lijst><al>Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rechten van leden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Vragenhalfuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor aanvang een raadsvergadering is er een vragenhalfuur, tenzij er
                                bij de voorzitter geen mondelinge vragen zijn gemeld. In bijzondere
                                gevallen kan het Seniorenconvent bepalen dat het vragenhalfuur op
                                een ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk
                                tijdstip het vragenhalfuur eindigt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het lid van de raad dat tijdens het vragenhalfuur vragen wil
                                stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste 48
                                uur voor aanvang van de vergadering bij de voorzitter. De voorzitter
                                kan na overleg met het Seniorenconvent weigeren een onderwerp
                                tijdens het vragenhalfuur aan de orde te stellen, indien hij het
                                onderwerp niet voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het
                                onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde
                                komt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
                                tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                                vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de
                                overige leden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één
                                of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een
                                toelichting daarop te geven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de
                                vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te
                                stellen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord
                                verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of
                                de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en
                                worden geen interrupties toegelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Schriftelijke vragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De
                                vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. De vragen worden
                                schriftelijk beantwoord. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor
                                gestelde worden per omgaande door de voorzitter aan de indiener
                                teruggestuurd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vragen worden bij de voorzitter van de raad ingediend. Deze
                                draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van
                                de overige leden van de raad, het college en de griffier worden
                                gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen.
                                Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden,
                                stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de
                                vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn
                                aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit
                                bericht wordt behandeld als een antwoord.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De antwoorden worden door het college van burgemeester en wethouders
                                of de burgemeester aan de leden van de raad toegezonden, met een
                                afschrift aan de griffier.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vragensteller kan in de eerstvolgende raadsvergadering, na de
                                behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere
                                inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het
                                college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Amendementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                                amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om
                                een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen,
                                waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen
                                beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door
                                leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en in de
                                vergadering aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                                amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te
                                stellen (subamendement).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elke (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen
                                te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend,
                                tenzij de voorzitter – met het oog op het eenvoudige karakter van
                                het voorgestelde – oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan
                                worden volstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Intrekking, door de indiener(s) van het (sub)amendement is mogelijk,
                                totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of
                                voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of
                                voorstel plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende
                                onderwerpen zijn behandeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Intrekking door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de
                                besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering
                                mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden
                                toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Initiatiefvoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                                worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorstel wordt op de agenda van de eerstvolgende
                                raadsvergadering geplaatst, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor
                                reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de
                                agenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid kan(kunnen) de
                                indiener(s) van het voorstel aangeven het initiatiefvoorstel eerst
                                in een Ronde Tafel Gesprek te willen voorleggen. In dat geval
                                plaatst het seniorenconvent het initiatiefvoorstel op de agenda voor
                                het eerstvolgende Ronde Tafel Gesprek. De indiener(s) van het
                                voorstel dient (dienen) in het Ronde Tafel Gesprek waar het voorstel
                                behandeld wordt, zorg te dragen voor de benodigde
                                toelichting/informatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De behandeling van het voorstel in de raadsvergadering vindt plaats
                                nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn
                                behandeld, tenzij de raad oordeelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorstel met het oog op de orde van de vergadering
                                        tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp
                                        dient te worden behandeld;</al></li><li nr="b."><al>het voorstel eerst dient te worden behandeld in een Ronde
                                        Tafel Gesprek;</al></li><li nr="c."><al>het voorstel voor advies naar het college dient te worden
                                        gezonden. In dit geval bepaalt de raad in welke vergadering
                                        het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De raad kan nadere voorwaarden stellen aan de indiening en
                                behandeling van een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een voorstel, als bedoeld in lid 5, dient te worden gemotiveerd en
                                voorzien van een ontwerp-besluit. Indien dit voorstel een voorstel
                                bevat om financiële middelen beschikbaar te stellen wordt daarbij
                                ook de dekking van deze middelen aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende het ontslag van
                                een wethouder, zijn de bepalingen in dit artikel niet van
                                toepassing. Een dergelijk voorstel kan na instemming van de raad
                                terstond aan de agenda toegevoegd worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>College- of burgemeestersvoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorstel van het college of de burgemeester aan de raad, dat
                                vermeld staat op de agenda van de raadsvergadering, kan niet worden
                                ingetrokken zonder toestemming van de raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                                eerste lid voor advies terug aan het college of aan de burgemeester
                                moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het
                                voorstel opnieuw geagendeerd wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Interpellatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in
                                - naar het oordeel van de voorzitter - spoedeisende gevallen,
                                tenminste 48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij
                                de voorzitter ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp
                                waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen
                                vragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij
                                het vaststellen van de agenda van de eerstvolgende vergadering na
                                indiening van het verzoek, wordt het al dan niet behandelen van het
                                verzoek in stemming gebracht. De raad bepaalt, indien tot
                                behandeling wordt besloten, op welk tijdstip tijdens de vergadering
                                de interpellatie zal worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige
                                leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan
                                eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                                bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe schriftelijk
                                ingediend bij het college of de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze dragen er zorg voor dat een afschrift van het verzoek wordt
                                toegezonden aan de overige leden van de raad en de griffier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                                eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                                vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Procedure begroting</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding,
                            het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting
                            volgens een procedure die de raad op voorstel van het Seniorenconvent
                            vaststelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Procedure jaarrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding
                            en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                            vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel
                            indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad op voorstel van
                            het Seniorenconvent vaststelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Verslag; verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
                                secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het
                                algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
                                gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen, heeft conform het bepaalde in artikel
                                11,lid 5 van dit Reglement, het recht verslag te doen over zaken die
                                in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Voor door de
                                raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen
                                naar het desbetreffende Ronde Tafel Gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van
                                schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 37, zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van
                                functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
                                De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel
                                44 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties
                                of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft
                                benoemd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstige toepassing voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De besluitenlijst van een besloten vergadering wordt niet
                                rondgedeeld, maar ligt uitsluitend voor de raadsleden bij de
                                griffier ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk in een besloten
                                vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering
                                neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van
                                deze besluitenlijst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vastgestelde besluitenlijsten worden door de voorzitter en de
                                griffier ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad
                            overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de
                            inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De
                            raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                            tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de
                            Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien
                            daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd,
                            in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                            gevoerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Raadsconferenties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52:</nr><titel>Raadsconferenties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het seniorenconvent kan besluiten tot het houden van
                                raadsconferenties voor (delegaties) uit de raad. Deze conferenties
                                zijn informele bijeenkomsten waarin (een delegatie van) het college
                                van burgemeester en wethouders met raadsleden en/of
                                burgerfractieleden communiceert (informeren, inzicht verschaffen in
                                te wegen belangen, in beeld brengen van wettelijke en technische
                                problemen, verkennen van aspecten van draagvlak en van gedachten
                                wisselen over mogelijke alternatieven) over complexe stukken – te
                                benoemen door het seniorenconvent – ter voorbereiding van zo’n
                                onderwerp in een Ronde Tafel Gesprek en/of raadsvergadering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt nadere regels voor het houden van de
                                raadsconferenties.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen
                                bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering
                            geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling
                            aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze
                            aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers
                            aantasten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>Verbod gebruik mobiele telefoons</titel></kop><al>In de vergaderzalen, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                            raadsvergadering en de Ronde Tafel Gesprekken het gebruik, alsmede het
                            standby houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen, die
                            inbreuk kunnen maken op de orde van de vergadering, zonder toestemming
                            van de voorzitter, niet toegestaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Rondetafelgesprekken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt, in afwijking van artikel 1, verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> gesprek: het Ronde Tafel Gesprek (RTG);</al></li><li nr="b."><al>voorzitter: de voorzitter van het gesprek of diens
                                    vervanger.</al></li><li nr="c."><al>Belanghebbende: inwoners, maatschappelijke organisaties en
                                    bedrijven die oftewel op aanwijzing van het seniorenconvent zijn uitgenodigd voor de
                                    behandeling van een onderwerp of voorstel in een RTG oftewel
                                    zichzelf bij de griffie als betrokkene bij een onderwerp of
                                    voorstel hebben gemeld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57</nr><titel>Doel van het Ronde Tafel Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Doel van het gesprek is het verzamelen van alle informatie over een
                                onderwerp of voorstel door raadsleden en/of burgerfractieleden,
                                zodat de raad daarover een gewogen uitspraak kan doen of besluit kan
                                nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daartoe is er, conform het bepaalde in artikel 61 van dit Reglement
                                ruimte voor belanghebbenden om hun meningen en ideeën te geven over
                                op de agenda vermelde onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het gesprek is, behoudens hetgeen in het voorgaande lid is
                                bepaald voor belanghebbenden, geen ruimte voor debat noch voor het
                                verwoorden van standpunten. Hieronder wordt niet begrepen het geven
                                van de korte motivatie als bedoeld in artikel 61, lid 1 sub c van
                                dit Reglement. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het gesprek is geen gelegenheid om leden van het college politiek
                                ter verantwoording te roepen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het gesprek is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het gesprek/de gesprekken vindt/vinden in de regel vijftien en/of
                                veertien dagen voor de raadsvergadering plaats. Het Seniorenconvent
                                kan een afwijkende dag aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Agenda Ronde Tafel Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Seniorenconvent stelt conform het bepaalde in artikel 5 van dit
                                Reglement, de agenda voor het gesprek vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Seniorenconvent stelt de agenda inclusief de te behandelen
                                stukken minimaal tien dagen vóór het gesprek beschikbaar. Alle
                                relevante stukken liggen vanaf dat moment in het gemeentehuis ter
                                inzage. De agenda wordt via Heuvelland Aktueel aangekondigd en via
                                de website openbaar bekend gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De griffier draagt, het Seniorenconvent gehoord hebbend, zorg voor
                                de uitnodigingen van betrokkenen en direct belanghebbenden bij het
                                gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59</nr><titel>Deelnemers aan het gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het gesprek kunnen deelnemen de in de raad vertegenwoordigde
                                fracties, een vertegenwoordiging van het college, belanghebbende
                                burgers/instellingen en deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Belanghebbenden of direct betrokkenen als bedoeld in artikel 58, lid
                                3, die willen deelnemen aan het RTG dienen dit uiterlijk vóór 12.00
                                uur op de dag voorafgaande aan het Ronde Tafel Gesprek te melden bij
                                de griffie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Personen of instellingen die niet behoren tot degenen die
                                overeenkomstig artikel 57, lid 3 zijn uitgenodigd, en die huns
                                inziens als betrokkene danwel direct belanghebbende willen deelnemen
                                aan een RTG kunnen zich eveneens vóór 12.00 uur op de dag
                                voorafgaand aan de dag waarop het RTG plaatsvindt aanmelden bij de
                                griffie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Iedere raadsfractie is vertegenwoordigd door één raadslid of een
                                daarvoor door de raad benoemd burgerfractielid
                                (fractievertegenwoordiger)</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan zich laten bijstaan door ambtelijk deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De deelnemers aan het gesprek spreken vanaf een vooraf aangewezen
                                zitplaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Burgerfractieleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Iedere fractie kan bij de raad ter benoeming personen voordragen,
                                die als burgerfractielid namens de fractie kunnen deelnemen aan de
                                gesprekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van het deelnemen aan de gesprekken benoemt de raad</al><lijst><li nr="a."><al>een vast aantal van 5 burgerfractieleden voor elke fractie
                                        en daarnaast</al></li><li nr="b."><al>één burgerfractielid per raadszetel;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgerfractieleden krijgen toegang tot alle beschikbare
                                informatie over de geagendeerde onderwerpen, tenzij daarover
                                geheimhouding is opgelegd;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De regels zoals gesteld in het Reglement op het burgerfractielid
                                voor de gemeente Gulpen-Wittem dienen door de burgerfractieleden
                                nageleefd te worden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gedragscode voor de leden van de raad is voor zover relevant van
                                overeenkomstige toepassing op de burgerfractieleden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>De procedure</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tijdens de Ronde Tafel Gesprekken wordt door de voorzitter de
                                    volgende volgorde aangehouden</al><lijst><li nr="a."><al>Belanghebbenden en deskundigen hebben de gelegenheid in
                                            het gesprek relevante informatie, ideeën en meningen
                                            naar voren te brengen. Het stellen van vragen door
                                            belanghebbenden en deskundigen aan de wethouder is in
                                            een RTG niet aan de orde.</al></li><li nr="b."><al>Het college of een lid ervan heeft de gelegenheid in het
                                            gesprek een beknopte aanvullende toelichting op aan de
                                            orde zijnde stukken te geven en te reageren op de
                                            inbreng van andere deelnemers aan het gesprek.</al></li><li nr="c."><al>De raadsleden of burgerfractieleden hebben de
                                            gelegenheid aan de andere deelnemers, zonodig kort
                                            gemotiveerd vanuit een eerste gedachtegang over het
                                            voorliggend voorstel - een (nadere) toelichting te
                                            vragen op ingebrachte stukken of de in het gesprek naar
                                            voren gebrachte zaken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De voorzitter hanteert bij het woord geven voor het stellen van
                                    de vragen als bedoeld in lid 3, een stelsel waarbij de fracties
                                    bij toerbeurt met het stellen van vragen over een geagendeerd
                                    raadsvoorstel kunnen beginnen. </al></li><li nr="3."><al>Bij aanvang van behandeling van het voorstel vraagt de
                                    voorzitter aan het raadslid of burgerfractielid dat aan het
                                    woord is aan hoeveel vragen hij wenst te stellen. Iedere
                                    fractievertegenwoordiger mag per geagendeerd onderwerp maximaal
                                    10 vragen stellen. De voorzitter hanteert daarbij de volgende
                                    volgorde: </al><lijst><li nr="a."><al>De fractievertegenwoordiger die aan de beurt is kan drie
                                            vragen stellen.</al></li><li nr="b."><al>Degene(n) aan wie de vragen zijn gesteld
                                            beantwoord(t)(en) de vragen.</al></li><li nr="c."><al>Vervolgens geeft de voorzitter aan de volgende
                                            fractievertegenwoordiger, bezien met de klok mee, vanaf
                                            de vertegenwoordiger die met de vraagstelling is
                                            begonnen, de gelegenheid tot het stellen van drie
                                            vragen, waarna deze beantwoord worden.</al></li><li nr="d."><al>Dit roulatiesysteem wordt gehanteerd totdat iedere
                                            fractievertegenwoordiger zijn vragen heeft gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het stellen van vragen om feitelijke informatie, van geringe
                                    omvang (als bedoeld in de verordening ambtelijke bijstand) is
                                    tijdens de vergadering niet aan de orde. Een raadslid wendt zich
                                    met deze vragen conform hetgeen daarover geregeld is in de
                                    verordening ambtelijke bijstand, rechtstreeks tot de (adjunct)
                                    directeur van de afdeling die belast is met de advisering over
                                    of uitvoering van het betreffende onderwerp.</al></li><li nr="5."><al>Het Seniorenconvent bepaalt bij vaststelling van de agenda ook
                                    de indicatieve tijdsduur van een vergadering. Indien niet alle
                                    agendapunten binnen deze tijdsduur kunnen worden afgehandeld dan
                                    kan – indien een tijdige besluitvorming zich daar niet tegen
                                    verzet – door de meerderheid worden bepaald dat een of meerdere
                                    agendapunten worden doorgeschoven naar een volgend Ronde Tafel
                                    Gesprek. </al></li><li nr="6."><al>a. De raadsleden of burgerfractieleden formuleren aansluitend
                                    aan de behandeling van het voorstel/ onderwerp in het RTG (mondeling) bij
                                    meerderheid een aanbeveling aan de raad inzake de agendering,
                                    welke kan inhouden dat:</al><lijst><li nr="1"><al>het onderwerp/voorstel rijp is voor behandeling
                                                  in de raadsvergadering;</al></li><li nr="2"><al>het onderwerp /voorstel wordt aangehouden; </al></li></lijst></li><li nr=""><al>b. In het geval als bedoeld in lid a sub 2 dan geeft de
                                    meerderheid mondeling gemotiveerd aan om welke reden het
                                    voorstel wordt aangehouden. Als er nog informatieve vragen zijn
                                    dan worden die tijdens het RTG geformuleerd. Als het voorstel
                                    /onderwerp ter verduidelijking op een of meerdere onderdelen
                                    aanpassing verdient wordt tijdens het RTG aangegeven op welke
                                    punten/onderdelen</al></li><li nr=""><al>c. indien zich in het RTG geen meerderheid aftekent voor het al
                                    dan niet doorleiden van het raadsvoorstel naar de
                                    raadsvergadering, doordat de stemmen staken, wordt het
                                    raadvoorstel opnieuw geagendeerd voor het RTG voorafgaand aan
                                    een volgende besluitvormingsronde</al></li><li nr="7."><al>Artikel 22 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing
                                    op een Rondetafelgesprek.</al></li><li nr="8."><al>Artikel 26, lid 2 en 3 van dit Reglement is van overeenkomstige
                                    toepassing op en Rondetafelgesprek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad benoemt en ontslaat uit zijn midden of uit de door de raad
                                benoemde burgerfractieleden de voorzitters.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Seniorenconvent kan competentie-eisen voor de voorzitter
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is belast met het leiden van het gesprek, het
                                handhaven van de orde en het doen naleven van het Reglement van
                                orde.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter nodigt belanghebbenden, deskundige en het college uit
                                aan tafel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De voorzitter verleent het woord. Daarvoor hanteert hij zoveel
                                mogelijk de vooraf bepaalde volgorde van sprekers.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De voorzitter sluit het gesprek met het verwoorden van de conclusie
                                op basis van de formuleringen als bedoeld in artikel 61, lid 6, sub
                                a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>De RTG-griffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In ieder gesprek is een RTG-griffier aanwezig, die functioneert
                                onder de zorg en verantwoordelijkheid van de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verhindering of afwezigheid van de RTG-griffier draagt de
                                griffier zorg voor vervanging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De RTG-griffier kan aan het gesprek deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor een verslag van het gesprek. De daartoe
                                aanwezige notulist functioneert onder de zorg en
                                verantwoordelijkheid van de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag bevat tenminste:</al><lijst><li nr="§"><al>de namen van de voorzitter, de RTG-griffier, notulist en
                                        alle deelnemers aan het gesprek;</al></li><li nr="§"><al>een vermelding van alle nieuwe informatie die naar voren is
                                        gebracht;</al></li><li nr="§"><al>de nog openstaande vragen en de toezeggingen van het
                                        college;</al></li><li nr="§"><al>de conclusie van het gesprek.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><al>De artikelen 52, 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>66</nr><titel>Uitleg reglement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel
                                omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel
                                van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval er sprake is van een RTG, beslist in afwijking van het
                                eerste lid, de voorzitter van het RTG.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>In werking treden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit reglement treedt in werking met ingang van de dag na die
                                    waarop het bekend is gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Met inwerkingtreding van dit reglement vervalt het op 21
                                    september 2006 vastgestelde en bij 7 juli 2008 gewijzigde
                                    Reglement van Orde </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad in zijn vergadering van 7 juli
                        2008, laatstelijk gewijzigd op 10 maart 2010.</ondertekening><ondertekening>De griffier De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>Mevr. F.G.J.M. van der Walle Drs. A.R.B. van den Tillaar.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting reglement van orde voor de vergaderingen en andere
                    werkzaamheden van de gemeenteraad van de gemeente Gulpen-Wittem 2008
                    (laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit A/093 van 10 maart 2010)</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Onder ‘aanhangig’ als bedoeld onder e wordt verstaan aan de orde/in behandeling
                    zijnd. De omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden
                    hetzelfde als in de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2 De voorzitter</tussenkop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                    Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel
                    77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het
                    raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst in jaren
                    degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de
                    mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. </al><al>De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de
                    vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder
                    andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.</al><tussenkop>Artikel 3 De griffier</tussenkop><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De
                    griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad.
                    Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist
                    dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In
                    het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22
                    Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met
                    betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.
                    Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etcetera zijn niet
                    in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in de
                    ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor
                    de griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 4 De secretaris</tussenkop><al>VERVALLEN. </al><tussenkop>Artikel 5 Het seniorenconvent</tussenkop><al>Uit een screening van modelreglementen van diverse gemeenten is gebleken dat
                    verreweg de meeste gemeenten de term “Seniorenconvent” hebben vervangen door de
                    term “Presidium”.</al><al>In Gulpen-Wittem is in 2004 het Presidium op gegaan in het Seniorenconvent. Deze
                    term is inmiddels breed ingeburgerd. Om niet onnodig verwarring te creëren is in
                    het reglement van Gulpen-Wittem daarom gekozen de term Seniorenconvent te
                    handhaven. </al><al>Uit praktisch oogpunt is er voor gekozen om naast de procedurele rol
                    (vaststellen voorlopige agenda, uitnodigen externen, wijzigen vergadermomenten
                    e.d.) de regie van enkele intern/organisatorische kwesties alsmede de bespreking
                    van een aantal algemene bestuurlijke aangelegenheden met een vertrouwelijk
                    karakter bij het Seniorenconvent neer te leggen..</al><al>Het is van belang dat in het Seniorenconvent elke partij een stem heeft die even
                    zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een
                    dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties
                    bij de raadsvergaderingen vergroten. Het instellen van een Seniorenconvent is
                    overigens niet verplicht, maar verdient wel aanbeveling, aangezien het een
                    waardevolle bijdrage kan leveren aan de dualisering van verhoudingen tussen raad
                    en college. </al><al>De griffier is bij elke vergadering van het Seniorenconvent aanwezig, omdat de
                    griffier voor de advisering aan en ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet
                    weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden.
                    Hij draagt er zorg voor dat over deze agenda terugkoppeling plaats vindt naar de
                    voorzitters van de RTG’s. Verder adviseert de griffier aan het seniorenconvent
                    en de raad over zaken van huishoudelijke en organisatorische aard van de raad en
                    over de verdere ontwikkeling van de dualisering (o.a. aspecten van rechtspositie
                    en gedragscode/integriteit, wijze van vergaderen, kaderstelling,
                    volksvertegenwoordiging e.d.).</al><al>De aanwezigheid van de secretaris kan gewenst zijn, omdat de secretaris aandacht
                    moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden
                    voorbereid door de ambtelijke organisatie. Ook kan de secretaris eventuele
                    aandachtspunten (bijvoorbeeld n.a.v. de raadsplanner of de uit te nodigen
                    personen voor een RTG) uit het seniorenconvent terugkoppelen naar de
                    organisatie. Tenzij er bijzondere omstandigheden zijn – zulks ter beoordeling
                    van de voorzitter en griffier – wordt de secretaris standaard geacht uitgenodigd
                    te zijn.</al><al>Aangezien voorgesteld wordt het seniorenconvent ook een rol te geven bij de
                    regie en advisering van enkele intern/organisatorische kwesties en enkele
                    vertrouwelijke aba(algemeen bestuurlijke aangelegenheden)-achtige zaken alsmede
                    in verband met het goed kunnen functioneren als adviseur/beslisser omtrent de
                    procedurele aspecten betreffende RTG’s en raadsvergaderingen is het niet
                    wenselijk dat het seniorenconvent in het openbaar vergadert. Dit wil niet perse
                    zeggen dat alle stukken die het seniorenconvent ontvangt vertrouwelijk zijn. In
                    de regel is het uitgangspunt dat de stukken betreffende de RTG- en
                    daaropvolgende raadsvergaderingen pas voor overige raadsleden en
                    burgerfractieleden beschikbaar komen als behandeling in het seniorenconvent
                    heeft plaatsgevonden en het convent heeft aangegeven dat de stukken verspreid
                    kunnen worden. Echter bij de uitnodiging voor de vergadering kan het
                    seniorenconvent expliciet worden gevraagd om vooraf terug te koppelen binnen de
                    fractie. Dit betekent dat gewoon openlijk met raadsleden en/of
                    burgerfractieleden geklankbord kan worden. Doch dat wil niet zeggen dat deze
                    stukken ook al geschikt zijn voor openbaarheid. Het is aan de raads- en
                    burgerfractieleden hier prudent mee om te gaan (ook in relatie tot hetgeen in de
                    gedragscode is opgemerkt omtrent het beschikbaar krijgen van informatie). Als
                    het gewenst is dat stukken die voorliggen of informatie die besproken wordt de
                    status van vertrouwelijkheid krijgen dan dient dat expliciet in de vergadering
                    van het seniorenconvent besloten te worden. </al><al>Deze vertrouwelijkheid geldt in ieder geval wel standaard voor zaken die bedoeld
                    zijn in lid 9, sub d.2. Voor wat betreft de vertrouwelijke behandeling van deze
                    zaken wordt qua handelwijze aangesloten bij hetgeen artikel 25 van de
                    Gemeentewet regelt over stukken waarover de raad geheimhouding oplegt. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders;
                    fracties</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 Fracties</tussenkop><al>In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder
                    een fractie moet worden verstaan. De Gemeentewet kent een dergelijk begrip niet
                    maar gaat onder andere in artikel 33, tweede lid, wel uit van het bestaan van in
                    de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). In veel
                    gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingen aan fracties,
                    faciliteiten voor fracties, fractie-assistentie, etc. In deze nadere regelingen
                    kan worden aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip.</al><al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen,
                    worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd.
                    De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de
                    kandidatenlijst hadden staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in
                    de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan
                    echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft
                    staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de
                    aanduiding mee.</al><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten.
                    Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben.
                    Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben,
                    te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen
                    denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling
                    van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de
                    voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet
                    opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan
                    of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel
                    is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een
                    kandidaat wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat
                    niet uit van politieke partijen, een zetel ‘hoort’ dan ook niet bij een partij
                    maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid
                    heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.
                    Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie
                    vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap
                    over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de
                    naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de
                    voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de
                    eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden
                    met de nieuwe situatie. </al><al>Gevolg van fractieafsplitsing en ontstaan nieuwe fractie is ook dat de nieuwe
                    fractie, leden dient voor te dragen voor commissies, lid wordt, als
                    fractievoorzitter van het Seniorenconvent, fractieondersteuning etc.</al><tussenkop>Artikel 7 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming
                    wethouders</tussenkop><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                    benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit
                    benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                    benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2
                    Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan
                    de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om
                    als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een
                    ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                    uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en (indien
                    niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van
                    artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de
                    geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal
                    ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze
                    code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane
                    nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoek brengt verslag
                    uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. </al><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter
                    een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat
                    de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het
                    onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de
                    kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.</al><al>Het eerste lid van dit artikel is geëxpliciteerd. Na de
                    gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek
                    een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen
                    (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (is deze
                    juist vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het
                    centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen
                    over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag.</al><al>De raad heeft dus de bevoegdheid om te besluiten tot het hertellen van de
                    stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide
                    eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het
                    proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of
                    herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een
                    dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal (bijv. 3)
                    stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen valide motivering
                    om tot hertelling over te gaan. Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers
                    bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop het stembureau na
                    sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel zijn.</al><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn
                    leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een
                    nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een
                    raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in
                    nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal
                    hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of
                    verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de
                    toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of
                    verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                    raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                    vastgelegd.</al><al>De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot
                    toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet
                    dualisering gemeentebestuur in 2002.</al><al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de
                    geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2
                    Gemeentewet). </al><al>Een raadslid, beoogd wethouder, mag meestemmen over zijn eigen benoeming.</al><al>De VNG heeft na correspondentie met diverse gemeenten daarover aangegeven dat
                    het ministerie in overleg met de VNG, de tekst van artikel 28 lid 3 van de
                    gemeentewet zal aanpassen.</al><al>Daarin wordt nu nog gesproken over een voordracht. Volgens berichtgeving van het
                    ministerie is er bij stemmingen over wethouders geen sprake van een voordracht.
                    Deze onduidelijkheid zal worden weggenomen via de wetswijziging.</al><tussenkop>Artikel 8 Benoemingsprocedure wethouders</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op dit moment bestaat er een lacune in wet- en regelgeving ten aanzien van de
                    screening van kandidaat-wethouders. Er is niets geregeld ten aanzien van de
                    benoembaarheid van wethouders van buiten de raad. Ten aanzien van
                    wethouders</al><al>voortkomend uit de raad geldt dat deze als kandidaat-raadslid in een
                    geloofsbrieven procedure zijn gescreend.</al><tussenkop>Huidige regeling screening kandidaat-wethouders voortkomend uit
                    raad</tussenkop><al>De screening van kandidaat-wethouders voortkomend uit de gemeenteraad is
                    geregeld in het Reglement van Orde op de raadsvergadering en andere
                    werkzaamheden van de gemeenteraad van Gulpen-Wittem. Ingevolge art. 4 van het
                    RvO onderzoekt een commissie bij elke benoeming van nieuwe leden van de
                    gemeenteraad de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van de
                    kandidaat-raadsleden en de processen-verbaal van het stembureau.
                    Kandidaat-wethouders die voortkomen uit de gemeenteraad zijn dus op deze wijze
                    gescreend.</al><tussenkop>Huidige regeling screening kandidaat-wethouders van buiten de
                    raad</tussenkop><al>Sinds de invoering van het dualisme hoeven wethouders niet uit de raad voort te
                    komen. Ten aanzien van de screening van kandidaat-wethouders die van buiten de
                    gemeenteraad komen is zowel in de wet als in het RvO niets geregeld. Op
                    nationaal niveau, in artikel 35 lid 1 van de Gemeentewet is geregeld dat de
                    gemeenteraad de wethouders benoemt. De wijze waarop de raad tot deze benoemingen
                    komt is in de Gemeentewet in het midden gelaten. Wel zijn er een aantal
                    vereisten in de Gemeentewet opgenomen waaraan wethouders dienen te voldoen:</al><lijst><li nr="-"><al>de vereisten voor het lidmaatschap van de raad die gaan over
                            ingezetenschap, leeftijdsgrens en het niet uitgesloten zijn van
                            kiesrecht gelden tevens voor de wethouders (art. 36a en 10
                            Gemeentewet);</al></li><li nr="-"><al>het niet hebben van onverenigbare betrekkingen (artikel 36b en artikel
                            46 Gemeentewet);</al></li><li nr="-"><al>het niet vervullen van nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is
                            met het oog op een goede vervulling van het wethouderschap (art. 41b
                            Gemeentewet);</al></li><li nr="-"><al>het niet verrichten van verboden handelingen (artikel 41c lid 1 en
                            artikel 15 lid 1 en 2 van de Gemeentewet).</al></li></lijst><al>Het feit dat er in de landelijke wetgeving, noch in het Reglement van Orde iets
                    geregeld was ten aanzien van de benoeming van wethouders is een lacune, omdat
                    wethouders als dagelijks bestuurder in collegeverband deelnemen aan
                    besluitvorming binnen dit bestuursorgaan. Uit dien hoofde hebben wethouders
                    vrije en ongeclausuleerde toegang tot gemeentelijke en justitiële informatie.
                    Ook de functie van loco-burgemeester brengt specifieke bevoegdheden met zich
                    mee. Een wethouder verkeert m.a.w. in een geheel andere situatie dan raadsleden.
                    Een gedegen benoemingsprocedure voor kandidaat-wethouders is dan ook
                    noodzakelijk. Het is van belang dat hierbij geen onderscheid gemaakt dient te
                    worden tussen kandidaat-wethouders voortkomend uit de raad en
                    kandidaat-wethouders die van buiten de raad komen.</al><tussenkop>Brief Minister Remkes van 16 maart 2006</tussenkop><al>In zijn brief van 16 maart 2006 geeft Minister Remkes aan dat het belangrijk is
                    dat er bij de benoeming van wethouders op een volledige en zorgvuldige wijze
                    wordt beoordeeld of de benoeming aan alle (wettelijke) vereisten voldoet. Hij
                    benadrukt dat daarbij geen onderscheid gemaakt mag worden tussen
                    kandidaat-wethouders die reeds als raadslid zijn gekozen en benoemd en
                    kandidaat-wethouders die van buiten de raad komen.</al><tussenkop>Werkwijze gemeente ‘s-Hertogenbosch</tussenkop><al>In zijn brief van 16 maart 2006 verwijst Minister Remkes naar de werkwijze die
                    de gemeente ‘s-Hertogenbosch hanteert bij de benoeming van wethouders. De
                    gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch heeft in zijn Reglement van Orde een artikel
                    opgenomen dat het mogelijk maakt om vanuit de gemeenteraad een ad hoc-commissie
                    te benoemen die de benoembaarheid van wethouders onderzoekt. De
                    kandidaat-wethouder overlegt alle documenten en informatie die nodig zijn voor
                    de toetsing aan de commissie, en wordt in de gelegenheid gesteld deze toe te
                    lichten. Op basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie
                    vervolgens een schriftelijk beargumenteerd advies aan de raad ten aanzien van de
                    benoembaarheid van de voorgedragen wethouders.</al><tussenkop>Gewenst beleid</tussenkop><al>Gelet op de specifieke bevoegdheden en ongeclausuleerde toegang tot
                    gemeentelijke en justitiële informatie waarover wethouders beschikken, verdient
                    het aanbeveling om een procedure voor de benoeming van wethouders in te stellen
                    in de lijn van het door de gemeente ‘s-Hertogenbosch gehanteerde model. Van
                    belang is daarbij dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen kandidaat-wethouders
                    die reeds als raadslid zijn gekozen en benoemd en kandidaat-wethouders die van
                    buiten de raad komen.</al><al>Daarbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen het onderzoek van de
                    geloofsbrieven zoals dat ook voor gemeenteraadsleden van toepassing is en een
                    integriteitsonderzoek. Het ligt voor de hand dat de burgemeester, bij wet
                    aangewezen als aanjager én bewaker van de bestuurlijke integriteit, voor het
                    integriteitsonderzoek verantwoording neemt. Hij laat zich daarvoor in de
                    uitvoering bijstaan door het Bureau Integriteit van het project Bestuurlijke
                    Aanpak, eventueel geassisteerd door het Bureau Integriteit van de VNG. Daarmee
                    wordt voorkomen dat het onderzoek naar de integriteit van bestuurders
                    verstrengeld zou kunnen raken in een partijpolitieke discussie. De burgemeester
                    bepaalt dan ook de inhoud en werkwijze van het integriteitsonderzoek.</al><tussenkop>Toelichting artikel</tussenkop><al>In lid 1 wordt gesproken van de kandidaat-wethouders; dit impliceert aldus dat
                    voor zowel wethouders van binnen als van buiten de raad dezelfde procedure zal
                    worden gevolgd. Dit geldt ook voor wethouders die reeds eerder de functie van
                    wethouder hebben vervuld.</al><al>In lid 1, noch in lid 5 wordt gesproken over termijnen waarbinnen de commissie
                    wordt ingesteld; er wordt vanuit gegaan dat de raadsvoorzitter de ad
                    hoc-commissie “<cursief>Geloofsbrieven wethouders”</cursief> zo snel mogelijk na
                    het bekend worden van de kandidaat wethouders instelt. De commissie wordt
                    gevraagd in de raadsvergadering te rapporteren en adviseren waarin de raad tot
                    benoeming onder voorwaarde besluit.</al><al>Het wordt aanbevelingswaardig geacht om het voorbeeld van de gemeente Maastricht
                    qua handelwijze hierin te volgen. Voor de raadsvergadering waarin de wethouders
                    voorwaardelijk benoemd gaan worden, dient de griffier de beschikking te krijgen
                    over de bescheiden zoals nodig voor de toetsing als genoemd in lid 4 van artikel
                    8. Bij aanvang van de vergadering worden de kandidaat wethouders officieel
                    bekend gemaakt, waarna de voorzitter de ad hoc commissie instelt. Vervolgens
                    wordt de vergadering geschorst en toetst de ad hoc commissie, met ondersteuning
                    van de griffier – in een besloten overleg - de bescheiden (geloofsbrieven) aan
                    het bepaalde in lid 4. Zo nodig kan de kandidaat wethouder om toelichting
                    gevraagd worden. Als de ad hoc commissie haar werk heeft verricht wordt dit in
                    een beargumenteerd advies aan de raad neergelegd (zie lid 7). De voorzitter kan
                    vervolgens de vergadering heropenen, waarna bij een positief oordeel over de
                    kandidaten tot stemming kan worden overgegaan.</al><al>In lid 2 wordt voorgesteld de commissie “<cursief>Geloofsbrieven wethouders”
                    </cursief>uit vier leden te laten bestaan zodat er twee commissieleden van de
                    coalitie en twee van de oppositie zitting kunnen hebben. Een brede commissie van
                    vier heeft de voorkeur aangezien het belang en impact van het onderzoek groot
                    is.</al><al>Er wordt verwacht dat de commissie “<cursief>Geloofsbrieven wethouders”
                    </cursief>uit zijn eigen midden een voorzitter kiest die als woordvoerder (in de
                    raad) optreedt.</al><al>Lid 3, de kandidaat wethouder dient de vereiste informatie aan de ad
                    hoc-commissie te overleggen (zoals hierboven in de toelichting al is aangegeven
                    heeft de griffier deze informatie voor de vergadering al ontvangen) die nodig is
                    om de in artikel 4 bedoelde toetsing te kunnen uitvoeren. Deze informatie komt
                    in elk geval voort uit de toetsing op de voorwaarden (zie lid 4) die de
                    Gemeentewet aan het wethouderschap stelt. In concreto moet hierbij onder meer
                    gedacht worden aan een lijst met nevenfuncties en al het overige dat de
                    kandidaat wethouder noodzakelijk acht. De kandidaat-wethouder wordt geacht alle
                    door hem/haar in dit verband relevante overige informatie eigener beweging
                    eveneens aan de commissie “<cursief>Geloofsbrieven wethouders” </cursief>te
                    verstrekken. De kandidaat is zelf verantwoordelijk voor de juistheid en
                    volledigheid van de verstrekte informatie. De commissie “<cursief>Geloofsbrieven
                        wethouders” </cursief>kan ook nog mondeling informatie aan de kandidaat
                    vragen en die betrekken bij de toetsing.</al><al>Lid 7, in het verlengde van dit lid wordt hier nog opgemerkt dat ad
                    hoc-commissie “<cursief>Geloofsbrieven
                        wethouders”</cursief>wordt opgeheven nadat de commissie
                    haar voorstel aan de raad heeft uitgebracht en/of de wethouders voorwaardelijk
                    zijn benoemd.</al><al>Lid 7, betref tevens het advies dat de commissie aan de raad uitbrengt. De
                    overwegingen en de daarop gebaseerde conclusies dienen navolgbaar, transparant
                    te worden weergegeven, als basis voor de openbare beoordeling en besluitvorming
                    door de raad. Waarbij ook wordt ingegaan op eventuele niet-unanimiteit in de
                    commissie.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Vergaderingen</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Tijd van vergaderen; voorbereidingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Vergaderfrequentie</tussenkop><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe
                    heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten
                    minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van
                    redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter
                    in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg
                    pleegt in het Seniorenconvent. Op deze wijze houdt het Seniorenconvent ook bij
                    vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op
                    de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het
                    aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de
                    raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde
                    functie.</al><al>Vanwege het belang van de begroting en de uitzonderlijke situatie van de
                    behandeling van de begroting door de raad is dit in lid 3 apart geregeld.</al><tussenkop>Artikel 10 Oproep </tussenkop><al>In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de
                    leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste tien dagen vóór een
                    vergadering de leden een brief (de schriftelijke oproep) stuurt, waarin de
                    vergadering wordt aangekondigd. De brief vermeldt de dag, tijdstip en plaats van
                    de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de
                    daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en
                    tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep
                    aan de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde
                    stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt
                    melding van gemaakt op de stukken. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit
                    wenst de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te versturen. </al><al>Omvangrijke stukken (in principe stukken met meer dan 30 pagina’s, doch zulks
                    wordt telkenmale door de griffier – evt. in overleg met de voorzitter –
                    afgewogen) worden niet meer toegezonden aan de gehele raad en alle RTG-leden,
                    maar op het PRIS geplaatst en ter inzage gelegd in de fractiekamer. Toezending
                    van deze stukken vindt wel nog plaats aan de leden van het seniorenconvent en de
                    voorzitter die het RTG leidt, waarin bespreking van dit stuk plaatsvindt.
                    Daarnaast wordt nog 1 exemplaar van dit stuk per fractie beschikbaar gesteld (en
                    gezonden naar een door de fractie opgegeven adres).</al><tussenkop>Artikel 11 Agenda</tussenkop><al>Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 10. Dit is echter
                    een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het veelal
                    mogelijk zijn om aan de hand van de conclusies van de RTG’s (zie hoofdstuk 9) de
                    raadsagenda’s te destilleren, doch de “waan” van de dag kan reden zijn de agenda
                    bij te stellen. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden
                    van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken
                    rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk
                    twee dagen voor de aanvang van de vergadering. Het tweede lid heeft tot doel om
                    de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda.
                    Individuele raadsleden kunnen via hun fractievoorzitter in het Seniorenconvent
                    onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de
                    raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of
                    van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval
                    op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.</al><al>Het zesde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van
                    voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van
                    de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich
                    over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de
                    mogelijkheid, het onderwerp naar de RTG te verwijzen of aan het college nadere
                    inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat de raad op verzoek
                    van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de
                    agendapunten kan wijzigen.</al><al>Indien een door de raad aangewezen persoon als bedoeld in artikel 47, eerste
                    lid, terugkoppeling wil geven over zaken die in het algemeen bestuur waar hij
                    lid van is, aan de orde zijn geweest, dan kan hij tijdens de mededelingen kort
                    en zakelijk verslag doen aan de hand van een op schrift gezette uitgebreidere
                    verslaglegging. Indien de raad nader inhoudelijk op deze terugkoppeling wenst in
                    te gaan dan is de aangewezen weg daarvoor behandeling in een RTG.</al><al>Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste
                    plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden
                    initiatiefvoorstellen indienen. Het Seniorenconvent kan voorstellen doen die te
                    maken hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad (zie artikel 5,
                    lid 9). </al><tussenkop>Artikel 12 De wethouder </tussenkop><al>Artikel 12 is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de
                    Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de raad
                    worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. Het gebruik van het
                    werkwoord ‘uitnodigen’ geeft aan dat een wethouder kan weigeren te verschijnen
                    in de raad. In de praktijk zal dat echter niet waarschijnlijk zijn, omdat een
                    dergelijke weigering door de raad kan worden uitgelegd als een weigering
                    inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen; met alle mogelijke
                    onaangename politieke gevolgen van dien voor de betrokken wethouder. Gelet op de
                    frequentie van de raadsvergadering zullen veelal zaken uit alle portefeuilles
                    aan de orde komen, zodat in de praktijk dikwijls alle wethouders zullen worden
                    uitgenodigd. Als de wethouders in de vergadering aanwezig zijn, zullen ze vaak
                    deelnemen aan de beraadslagingen. Het kan echter wenselijk zijn, dat een
                    wethouder niet bij een vergadering aanwezig is als de raad een zelfstandige
                    afweging over een onderwerp of voorstel wil maken, de raad bijvoorbeeld over het
                    eigen functioneren van gedachten wil wisselen of bij de voorbereiding van een
                    besluit tot het houden van een onderzoek naar het door het college gevoerde
                    bestuur.</al><al>Bij de evaluatie van de dualisering merkt de stuurgroep Leemhuis op dat een
                    wethouder te allen tijde bij raadsvergaderingen aanwezig moet kunnen zijn. De
                    VNG vindt echter dat elke individuele gemeente dat zelf moet kunnen bepalen.
                    Voorlopig komt op dit punt geen actie in de vorm van een wetswijziging, hoewel
                    het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wel onderzoekt op
                    welke andere wijze invulling kan worden gegeven aan deze aanbeveling. </al><tussenkop>Artikel 13 Ter inzage leggen van stukken </tussenkop><al>In dit artikel gaat het, naast de geheime stukken, ook om de zogenaamde
                    ‘achterliggende’ stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt
                    gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.).</al><al>Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende
                    stukken, die bijvoorbeeld het voorstel tot het bouwen van een nieuwe bibliotheek
                    onderbouwen. Omdat raadsleden zich bezighouden met een groot aantal
                    verschillende onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste gevallen niet
                    wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden.
                    Uiteraard dienen alle raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te
                    hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Hiervoor hebben ze wel voldoende
                    tijd nodig. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de
                    schriftelijke oproep ter inzage gelegd.</al><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB).
                    Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of
                    ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door
                    de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten
                    komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s,
                    notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in
                    de zin van de WOB.</al><al>Het kan niet de bedoeling zijn, dat een lid van de raad of een ander het
                    originele stuk mee naar huis neemt. Dit zou betekenen dat andere raadsleden en
                    geïnteresseerden niet meer de mogelijkheid hebben om het document in te zien.
                    Een raadslid of een andere geïnteresseerde mag echter wel een kopie van een ter
                    inzage gelegd stuk maken.</al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt
                    dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de
                    voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter
                    inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage
                    aan hen verlenen.</al><tussenkop>Artikel 14 Openbare kennisgeving</tussenkop><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                    tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                    aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanuit het
                    oogpunt van service aan de burger is in lid 3 opgenomen dat de agenda en stukken
                    ook op de website van de gemeente wordt geplaatst.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Orde der vergadering</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 Presentielijst</tussenkop><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel
                    20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen
                    op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het
                    vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te
                    stellen, daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom
                    stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze.
                    Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum
                    aanwezig was.</al><tussenkop>Artikel 16 Zitplaatsen</tussenkop><al>De griffier is overeenkomstig artikel 3a in elke vergadering aanwezig en heeft
                    daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het Seniorenconvent
                    de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 12
                    kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Ook
                    andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn.
                    De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te
                    zorgen.</al><tussenkop>Artikel 17 Opening vergadering</tussenkop><al>De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting
                    hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20
                    van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien
                    het vereiste aantal leden niet op komt dagen.</al><tussenkop>Artikel 18 Primus bij hoofdelijke stemming</tussenkop><al>Voor wat betreft de beraadslaging en stemming is in het reglement geregeld dat
                    telkenmale bij een andere fractie wordt begonnen. Daarmee krijgt iedere fractie
                    de gelegenheid om het primaat te hebben bij zowel de beraadslaging als de
                    besluitvorming.</al><tussenkop>Artikel 19 en 20 Besluitenlijst en auditieve verslaglegging</tussenkop><al>De gemeentewet stelt het openbaar maken van een besluitenlijst verplicht. Het
                    maken van een verslag is niet verplicht. </al><al>Sedert het tweede kwartaal 2006 worden van de raadsvergaderingen geluidsopnames
                    gemaakt. Dit auditieve verslag wordt met een overzicht van sprekers, de
                    onderwerpen – voorzien van tijdscodes – en een besluitenlijst openbaar gemaakt.
                    Zodoende is er voor gekozen om niet langer een verslag op te stellen.</al><tussenkop>Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen</tussenkop><al>Het Seniorenconvent stelt op advies van de griffier namens de raad de wijze van
                    afdoening van de ingekomen stukken vast. De stukken worden daartoe op een lijst
                    geplaatst met het advies: voor kennisgeving aannemen, afdoening door college, of
                    opvoeren voor een RTG middels een college-advies in de vorm van een
                    raadsvoorstel. Deze lijst (met daarop dus het advies door het Seniorenconvent
                    aangegeven) wordt rechtstreeks doorgeleid naar de vergadering, waar de formele
                    besluitvorming over de afhandeling plaatsvindt.</al><al>Voor de stukken waarvan het Seniorenconvent heeft aangegeven dat die opgevoerd
                    moeten worden in een RTG kan dan door het college een advies voorbereid worden.
                    Het Seniorenconvent kan bepalen binnen welke termijn het advies voor het RTG
                    gereed moet zijn.</al><al>In die gevallen waarin het Seniorenconvent aangeeft dat een stuk ter afdoening
                    is aan het college, ontvangt de raad een bericht over de wijze van afdoening
                    (bv. kopie uitgaande brief in fractiekamer of via een memo aan de raad waarin de
                    wijze van afhandeling is aangegeven (deze memo kan dan weer op de lijst van
                    ingekomen stukken worden geplaatst). </al><tussenkop>Artikel 22 Spreekregels en Artikel 23 Volgorde sprekers</tussenkop><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 24 Aantal spreektermijnen</tussenkop><al>Vanuit een oogpunt van slagvaardig vergaderen en een voor de burger duidelijk en
                    interessant te volgen debat is het wenselijk dat niet té lang over een onderwerp
                    gesproken wordt en dat men niet in herhalingen valt. Vandaar dat een bepaling
                    over spreektermijnen op zijn plaats is.</al><al>Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                    nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat
                    de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te
                    veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng
                    van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. </al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een
                    verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte
                    reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.</al><al>De beraadslaging over een op een voorliggend voorstel betrekking hebbende een
                    motie of amendement vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar
                    gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde
                    onderwerp. Om de fracties gelegenheid te geven binnen de daarvoor gestelde
                    termijnen te reageren op een motie en/of amendement is het wenselijk dat de
                    fractie die een motie en/of amendement wil indienen dit in de eerste termijn
                    inbrengt.</al><al>In dit artikel is ook de mogelijkheid opgenomen om te interrumperen. Een
                    interruptie kan zijn een korte opmerking of een vraag zonder inleiding.
                    Interrupties worden niet als spreektermijn aangemerkt. Zodoende is verder wel
                    bepaald dat zodra spreker de ruimte voor een interruptie anders benut dan
                    hiervoor aangegeven, de voorzitter de spreker verzoekt met spreken op te houden.
                    Deze dient terstond aan het verzoek gehoor te geven.</al><tussenkop>Artikel 25 Spreektijd</tussenkop><al>Dit artikel bevat de uitwerking van de spreektijden. Door in lid 2 de termijn te
                    beperken tot 3 minuten wordt er aan bijgedragen dat in de tweede termijn alleen
                    nog zaken naar voren worden gebracht die niet eerder aan de orde zijn geweest
                    bij de bespreking van het desbetreffende voorstel. </al><al>In het dualisme is de raadsvergadering er vooral op gericht dat de raadsleden
                    met elkaar in debat gaan. Het kan evenwel voorkomen dat tijdens de
                    raadsvergadering ook nog toelichting of verduidelijking aan de
                    portefeuillehouder wordt gevraagd. Het is echter zaak dat de portefeuillehouder
                    een korte en zakelijke beantwoording/toelichting geeft. Vandaar dat de
                    spreektermijnen ook voor de portefeuillehouder zijn opgenomen.</al><al>De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het handhaven van de orde
                    tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellen in de omvang van de
                    spreektijd. </al><tussenkop>Artikel 26 Handhaving orde; schorsing</tussenkop><al>Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn
                    interrupties toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan
                    interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet
                    bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te
                    bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te
                    uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte vervolgd
                    kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen
                    over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. </al><al>Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de
                    wethouders, de secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren.
                    De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven,
                    kan hen het woord worden ontzegd.</al><al>De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een
                    spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan
                    de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat
                    lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang
                    tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter
                    blijft echter onverlet. Dit artikel is slechts een aanvulling op de Gemeentewet.
                    Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op
                    feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen
                    besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138).</al><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed-
                    of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor
                    wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar
                    artikel 53 van dit reglement.</al><tussenkop>Artikel 27 Beraadslaging</tussenkop><al>Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat
                    in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd.
                    In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.</al><al>Door de toevoeging ‘of een lid van de raad’ wordt ook raadsleden het recht
                    toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt
                    tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder
                    individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering,
                    aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee
                    agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.</al><al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede
                    termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot
                    stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd
                    (zie artikel 24).</al><al>In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de
                    mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien
                    het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd
                    is.</al><tussenkop>Artikel 28 Deelname aan de beraadslaging door anderen </tussenkop><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                    geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt
                    dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging
                    mag deelnemen (bijvoorbeeld de voorzitter van de deelgemeenteraad aan de
                    beraadslaging over deelgemeente-aangelegenheden). </al><al>De raad kan op grond van artikel 3 en 12 van het RvO bepalen dat de griffier en
                    de wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen. De burgemeester heeft het
                    recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van
                    artikel 21, eerste lid van de Gemeentewet. In het tweede lid wordt het begrip
                    ‘beslissing’ gebruikt. Het gaat hier namelijk niet om het besluitbegrip in de
                    zin van de Algemene wet bestuursrecht. </al><tussenkop>Artikel 29 Stemverklaring</tussenkop><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van
                    een derde termijn. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep
                    van de leden tot de stemming begint.</al><tussenkop>Artikel 30 Beslissing</tussenkop><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp
                    voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert
                    daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het
                    voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.</al><al>Het kan ook zijn dat een voorstel nog niet akkoord wordt bevonden voor
                    besluitvorming. In dat geval kan de raad het voorstel bijvoorbeeld
                    terugverwijzen naar het college of een Ronde Tafel Gesprek of bepalen dat er in
                    een volgende meningvormende raadsvergadering opnieuw over wordt
                    beraadslaagd.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 31 Algemene bepalingen over stemming</tussenkop><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                    stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling
                    van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan
                    wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt
                    hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke een
                    hoofdelijke stemming verplicht.</al><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien
                    de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden
                    tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van
                    artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht
                    stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar.
                    Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de
                    openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze
                    vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in artikel
                    31.</al><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op
                    artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat
                    het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was
                    vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de
                    mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in
                    gemeenteraden. </al><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4
                    Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de
                    mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert Minister Remkes in zijn
                    beschouwing van 19 mei 2003:</al><al>“de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                    individuele raadslid”;</al><al>bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen
                    besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of
                    bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de
                    Kroon (artikel 268 Gemeentewet);</al><al>de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene
                    zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van
                    belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit
                    bijv. opnemen in de gedragscode);</al><al>uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet
                    wenselijk.”</al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                    zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het
                    besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken,
                    wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al>In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de
                    openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt
                    aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt
                    meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond
                    van de Gemeentewet. Een elektronisch stemsysteem kan wel problemen opleveren bij
                    de geheime stemming over personen (artikel 31 Gemeentewet). Indien het een vrije
                    ronde betreft waar elk lid eigen kandidaten kan voordragen is dit met de huidige
                    systemen vaak niet mogelijk. Elektronische stemsystemen hebben een aantal
                    beveiligingsmechanismen. Hierdoor zal doorgaans maar één persoon gemachtigd zijn
                    om gegevens in te voeren. Bij vrije stemrondes over personen dient ieder
                    raadslid de mogelijkheid te hebben kandidaten voor te dragen.</al><tussenkop>Artikel 32 Stemming over amendementen en moties</tussenkop><al>Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening
                    e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 38 en 39 van dit reglement. Voor alle
                    duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie
                    en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming
                    over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een
                    voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de
                    besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een
                    afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 33 Stemming over personen</tussenkop><al>Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen.
                    Voorheen was in artikel 31, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd over
                    de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, dit schriftelijk dient te
                    geschieden door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op deze wijze
                    zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij stembriefjes
                    te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook middels een elektronisch
                    stemsysteem stemmen over personen, mits de geheimhouding gewaarborgd is.</al><al>Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van een
                    behoorlijk ingevuld stembriefje. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt
                    als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van
                    een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco
                    stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de
                    bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is
                    ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden
                    verstaan, is in de wet niet geregeld. Om zoveel mogelijk discussie te vermijden
                    is opgenomen wat in ieder geval onder een niet behoorlijk ingevuld briefje moet
                    worden verstaan. De raad heeft evenwel altijd het laatste woord in het geval van
                    twijfel over een behoorlijk stembriefje. </al><al>Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt
                    (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen
                    persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties
                    ‘voor’ en ‘tegen’ vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming
                        <cursief>tot</cursief> raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat
                    in artikel 4 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan
                    het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt.</al><al>Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van
                    de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties ‘voor’
                    en ‘tegen’. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een
                    bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het
                    betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie ook toelichting bij artikel 31).
                    Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld
                    met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ én een vrije ruimte waar een
                    kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld. </al><tussenkop>Artikel 34 Herstemming over personen</tussenkop><al>Dit artikel strekt ertoe verwarring over de term ‘herstemming’ in artikel 31,
                    tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen</al><tussenkop>Artikel 35 Beslissing door het lot</tussenkop><al>In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31,
                    derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Rechten van leden</tussenkop><tussenkop>Artikel 36 Vragenhalfuur</tussenkop><al>Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid,
                    van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve
                    bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een
                    vragenhalfuur en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het
                    reglement van orde wenselijk is. Wel kan het vragenhalfuur bijdragen aan een
                    vergroting van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de
                    doelstellingen van dualisering.</al><al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. De
                    drempel om vragen te stellen wordt met de mogelijkheid van een vragenhalfuur
                    verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In
                    het vragenhalfuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte
                    onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.</al><al>Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van
                    interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                    politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen
                    over het door haar gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde
                    onderwerpen aan de orde komt. </al><al>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het
                    door hen gevoerde bestuur. Het vragenhalfuur wordt voor aanvang van de
                    raadsvergadering gehouden. In het tweede lid is een aanmeldingstermijn van 48
                    uur voor vragen opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten worden
                    uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden. </al><tussenkop>Artikel 37 Schriftelijke vragen</tussenkop><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen
                    over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester
                    behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op
                    grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het
                    college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. </al><al>De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in
                    kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan
                    plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de
                    burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het
                    bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan
                    antwoorden op een vraag. Om die reden is in het vijfde lid ingevoegd dat de raad
                    anders kan beslissen.</al><al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld
                    nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord
                    heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van
                    de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van
                    initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel
                    op de agenda van de raad te krijgen.</al><tussenkop>Artikel 38 Amendementen</tussenkop><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit
                    artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in
                    het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van de
                    Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen
                    drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de
                    raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de
                    controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo
                    in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende,
                    vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad.</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college
                    of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een
                    amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit
                    amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een
                    (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig
                    is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee
                    termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere
                    beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn
                    (artikel 24).</al><al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 32.
                    Voorstel tot splitsing van een voorgestelde beslissing kan, indien aangenomen,
                    meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt
                    aanvaard.</al><tussenkop>Artikel 39 Moties</tussenkop><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                    gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. </al><al>Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke,
                    procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde
                    ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een
                    concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen
                    juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders
                    formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan
                    het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een
                    vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn
                    consequentie trekken.</al><al>Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt,
                    dat over een motie een apart besluit wordt genomen. </al><al>Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat
                    deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de
                    beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit
                    over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het
                    einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 41
                    geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de
                    vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen
                    ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate
                    instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze
                    instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen
                    toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun
                    een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening
                    van de inkadering en controle door de raad. </al><tussenkop>Artikel 40 Voorstellen van orde </tussenkop><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van
                    een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                    beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                    niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing).
                    Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor
                    een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure
                    van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 41).</al><tussenkop>Artikel 41 Initiatiefvoorstellen</tussenkop><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar
                    raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of
                    ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht
                    van initiatief toegekend.</al><al>In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede
                    lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een
                    initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Het eerste
                    tot en met het vierde lid van artikel 41 van dit Reglement voorzien hierin.
                    Artikel 147a, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt in tegenstelling tot artikel
                    147a, tweede lid, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte
                    behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad (aanvullende)
                    voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een ander
                    initiatiefvoorstel. Het zesde lid geeft hiervoor – in aanvulling op de eerste
                    vier leden voorschriften.</al><al>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                    vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor
                    dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate
                    instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk
                    dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik
                    daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat
                    ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de
                    raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld
                    actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire
                    functie.</al><al>Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig
                    mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter
                    niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Aangezien het voor de hand
                    ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel
                    tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in
                    het zesde lid opgenomen. Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het
                    college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties
                    heeft kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te
                    leggen voor advies. </al><al>De stuurgroep Leemhuis heeft in het evaluatierapport dualisering de aanbeveling
                    gedaan om het college de beleidsvoorbereiding te laten doen en om de rol van het
                    college bij initiatiefvoorstellen te versterken. De VNG vindt het niet nodig om
                    op dit punt de Gemeentewet te wijzigen en het college bij initiatiefvoorstellen
                    een rol te geven. De positie van de raad, in haar kaderstellende rol is het
                    uitgangspunt. De tendens, dat het college meer betrokken moet worden bij de
                    beleidsvoorbereiding is evident. Toch dienen gemeenten ervoor te waken dat het
                    college de kaderstellende rol van de raad niet gaat overnemen. De VNG heeft
                    duidelijk aangegeven dat samenspel tussen beide organen een oplossing is voor
                    eventuele fricties. </al><al>In lid drie van artikel 41 is bepaald dat de indiener van een initiatiefvoorstel
                    kan verzoeken dat het voorstel alvorens het in de meningvormende
                    raadsvergadering aan de orde wordt gesteld, eerst in een Ronde Tafel Gesprek
                    wordt behandeld. Dit artikel is opgenomen omdat het, afhankelijk van de inhoud
                    van het voorstel, zeker ook in de rede kan liggen om burgers/instanties, maar
                    ook het college (zoals hiervoor gemotiveerd is aangegeven), te horen over dit
                    voorstel. Indien het voorstel dan persé eerst in een meningvormende
                    raadsvergadering aan de orde moet komen en vervolgens wordt terugverwezen naar
                    een RTG (zie lid 4,b) gaat er tijd verloren en kan ongewild de indruk ontstaan
                    dat men personen passeert doordat het voorstel achteraf vanuit de raad wordt
                    terugverwezen. </al><al>Zoals al gezegd kan de raad andere voorwaarden voor het indienen van een
                    initiatiefvoorstel, niet zijnde een verordening, op basis van het vijfde lid
                    vaststellen. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het algemeen belang, het
                    belang van de gemeente of het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt of een
                    voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke
                    ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van
                    de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking
                    die gericht is op het renoveren van achtergestelde woonwijken) of het
                    gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het centrum als enkele
                    maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt). In het zesde lid is geregeld
                    dat in een initiatiefvoorstel sowieso de dekking van middelen moet worden
                    aangegeven als het voorstel het inzetten van financiële middelen omvat.</al><al>Het kamerlid Kalsbeek heeft de Minister van BZK vragen gesteld over het
                    initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: “Het recht op initiatief houdt
                    niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht moeten hebben
                    om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat zij in
                    beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad
                    om, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de
                    agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen
                    worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om
                    agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief
                    functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij
                    herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadmeerderheid niet
                    wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren”. </al><al>Het zevende lid is toegevoegd omdat de gedualiseerde Gemeentewet de mogelijkheid
                    geeft een wethouder na een motie van wantrouwen te ontslaan (artikel 49
                    Gemeentewet). In de oude Gemeentewet was een afkoelingstermijn van 30 dagen
                    opgenomen. Zonder de bepaling in het zevende lid is deze ontslagmogelijkheid
                    niet mogelijk door de procedure regels van het Reglement van orde.</al><tussenkop>Artikel 42 College- of burgemeestersvoorstel</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. </al><al>De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel
                    kan agenderen, dat het college/de burgemeester heeft voorbereid. Als het
                    college/de burgemeester het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het
                    college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college/de
                    burgemeester van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet
                    wenselijk is. De raad moet hier toestemming voor geven.</al><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander
                    voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een
                    verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor
                    advies aan het college/de burgemeester zenden. De raad kan het college/de
                    burgemeester bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander
                    voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor
                    een verordening of ander voorstel, dat door het college/de burgemeester verder
                    voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde
                    raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het Seniorenconvent
                    overlaten.</al><tussenkop>Artikel 43 Interpellatie</tussenkop><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                    interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                    gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over
                    een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester
                    te vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig. </al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier
                    gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Minister
                    Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de Groen-Links fractie in
                    Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft om eigen beleid te
                    ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een
                    raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. De minister
                    juicht dit echter niet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels
                    van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een
                    betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat.</al><al>In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is
                    het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte
                    worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het derde
                    lid wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij artikel 41 over de stuurgroep
                    Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel
                    van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 44 Inlichtingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                    inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de
                    raad.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Begroting en rekening</tussenkop><tussenkop>Artikel 45 en 46 Procedure begroting en Procedure
                    jaarrekening</tussenkop><al>In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening
                    vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid
                    voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor de financiële
                    verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet)
                    (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties</tussenkop><tussenkop>Artikel 47 Verslag en verantwoording</tussenkop><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of
                    de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                    gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat
                    bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze,
                    waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn
                    zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de
                    gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de
                    informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.</al><al>In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge
                    verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen). In het
                    tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen
                    aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 37.</al><al>Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die
                    aansluit bij de regels voor inlichtingen.</al><al>Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op
                    andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd.
                    Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en vennootschappen,
                    zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het vierde
                    lid.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Besloten vergadering</tussenkop><tussenkop>Artikel 48 Algemeen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                    toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                    onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                    stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                    verslag. </al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voorzover het
                    toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de
                    vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor
                    openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                    betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                    moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van
                    de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor ‘het
                    sluiten van de deuren’, de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering
                    wordt.</al><tussenkop>Artikel 49 Besluitenlijst</tussenkop><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                    Gemeentewet.</al><al>In overeenstemming met artikel 19 is de griffier verantwoordelijk voor de
                    besluitenlijst van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor de besluitenlijst van
                    een besloten vergadering. Deze besluitenlijst ligt ter inzage bij de griffier.
                    De geluidsopname (auditief verslag) van een besloten vergadering is niet
                    openbaar en uitsluitend voor de raadsleden, en eventueel andere bij
                    desbetreffende besloten vergadering aanwezige personen, te beluisteren bij de
                    griffier of via het vertrouwelijk deel van het Raads Informatie Systeem.</al><tussenkop>Artikel 50 Geheimhouding</tussenkop><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege
                    onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens
                    artikel 25 jo artikel 55 van de Gemeentewet noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 51 Opheffing geheimhouding</tussenkop><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                    geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven
                    te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de
                    Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft
                    opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd.
                    De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen
                    (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is
                    nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan
                    het principe van hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de gemeentewet kan
                    geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een
                    commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de
                    raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
                    overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                    eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft
                    van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het
                    orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad
                    overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de
                    raad de geheimhouding wil opheffen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8: Raadsconferenties (artikel 52)</tussenkop><al>De ervaring die is opgedaan gedurende de invoering van de Ronde Tafel Gesprekken
                    heeft inzichtelijk gemaakt dat niet ieder thema zich direct leent voor
                    behandeling in een RTG. Complexe thema’s met een politiek gevoelig karakter
                    vergen t.b.v. een goede voorbereiding een vroegtijdige betrokkenheid van de
                    raad. Door de raad in een vroegtijdig stadium bij deze thema’s te betrekken
                    krijgt het college inzicht in welke richting een bepaald voorstel uitgewerkt
                    moet worden. Omdat het essentieel is dat het college op een informele manier met
                    (de) raad(sleden)/raadsvertegenwoordiger(s) van gedachten kan wisselen is het
                    niet wenselijk om de bepalingen uit dit RvO ook van toepassing te laten zijn op
                    raadsconferenties. Een summiere regeling is, met het oog op de duidelijkheid,
                    wel wenselijk. In een aparte regeling wordt op deze raadsconferenties
                    ingegaan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 Toehoorders en pers</tussenkop><tussenkop>Artikel 53 Toehoorders en pers</tussenkop><al>De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste
                    en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de
                    raad om toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding
                    in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. </al><tussenkop>Artikel 54 Geluid- en beeldregistraties</tussenkop><al>Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio-
                    en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het
                    geval als het een besloten vergadering betreft</al><tussenkop>Artikel 55 Verbod gebruik mobiele telefoons</tussenkop><al>Dit artikel 54 heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele
                    telefoonverkeer werkt verstorend tijdens de raadsvergaderingen en Ronde Tafel
                    gesprekken. Bovendien zorgt het voor storingen op de ringleiding en op de
                    bandopnames. Dit laat echter onverlet, dat indien zwaarwegende redenen dit
                    noodzakelijk maken, de voorzitter aanwezigen toestemming kan geven hun mobiele
                    telefoon wel standby te laten staan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 Ronde Tafel Gesprekken</tussenkop><tussenkop>Artikel 56 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Bij de verkiezingen in 2006 heeft de raad gekozen voor een vernieuwing in het
                    vergadersysteem. De vernieuwing moet de volgende resultaten bieden:</al><lijst><li nr="-"><al>het contact met de burger wordt geïntensiveerd</al></li><li nr="-"><al>men (bestuur en burger) moet informatie kunnen halen en brengen</al></li><li nr="-"><al>de diverse fasen in een besluitvormingsproces – beeldvorming,
                            meningsvorming en besluitvorming – komen beter tot hun recht</al></li><li nr="-"><al>de vergaderingen zijn laagdrempelig en goed te volgen voor publiek</al></li><li nr="-"><al>binnen de structuur is een herkenbare en heldere rol voor raad en
                            positie van het college</al></li><li nr="-"><al>de kweekvijver voor politiek potentieel blijft zoveel mogelijk behouden
                            evenals de mogelijkheid tot specialisatie</al></li><li nr="-"><al>“vaart houden” in het besluitvormingsproces.</al></li></lijst><al>Zodoende is gekozen voor het laten vervallen van de commissiestructuur en het
                    invoeren van Ronde Tafel Gesprekken. Een Ronde Tafel Gesprek (RTG) is een
                    laagdrempelig moment waar raadsleden op relatief informele wijze informatie
                    verzamelen voor de raadsvergadering. Deze informatie kan hij halen bij de
                    (uitgenodigde) burger/instantie, (uitgenodigde) deskundige, bij wethouders en
                    ambtenaren.</al><al>Een Ronde Tafel Gesprek wordt niet voorgezeten door de raadsvoorzitter maar door
                    raadsleden of burgerfractieleden. Zie hierover ook artikel 62.</al><al>Vanwege het feit dat burgers en instellingen die betrokken zijn bij een bepaald
                    agendapunt, nu gelegenheid krijgen om, voordat de besluitvorming van de raad
                    plaatsvindt, hun mening/standpunt ten aanzien van dit agendapunt naar voren te
                    brengen in het Ronde Tafel Gesprek kan het inspreekrecht in de raadsvergadering
                    vervallen. Van het inspreekrecht is in het verleden ook nauwelijks gebruik
                    gemaakt. Hieraan zal waarschijnlijk mede debet zijn geweest dat de
                    raadsvergadering ook het sluitstuk is van de besluitvorming en dat de kans klein
                    was dat een reactie van een burger de raad nog van richting deed
                    veranderen.</al><tussenkop>Artikel 57 Doel van het rondetafelgesprek</tussenkop><al>Het doel van een Ronde Tafel Gesprek is, zoals bij het vorige artikel al is
                    aangegeven, het op eenvoudige wijze halen en brengen van informatie door
                    raadsleden/burgerfractieleden en burgers/instanties. Op die manier kunnen burger
                    en bestuur dichter bij elkaar komen. Mensen/ instanties kunnen op uitnodiging
                    aanwezig zijn, maar kunnen zich ook zonder uitnodiging aanmelden voor een
                    gesprek. De openbaarheid van een Ronde Tafel Gesprek is essentieel voor het
                    behalen van de achterliggende doelen van het gesprek.</al><al>Met de verkregen en gegeven informatie moet de raad een volledig beeld krijgen
                    om tot besluitvorming over te kunnen gaan. Alhoewel raadsleden politiek benoemde
                    personen zijn, die zich dus ook politiek moeten kunnen uiten, is het in het
                    Ronde Tafel Gesprek niet toegestaan om politiek te bedrijven en daarmee
                    standpunten te bepalen of overwegingen aan vragen te koppelen. Echter de
                    ervaring die inmiddels is opgedaan met de RTG’s laat zien dat er bij de
                    raadsvertegenwoordigers vaker behoefte is om een vraag toe te lichten. In deze
                    toelichting kan een standpunt danwel mening naar voren komen. Om de
                    raadsvertegenwoordigers toch de nodige gelegenheid te geven om de essentie van
                    de vraag ook aan te geven is in artikel 61, lid 1 sub c opgenomen dat zij kort
                    gemotiveerd hun vraag – vanuit hun eerste gedachtegang over het voorstel - mogen
                    toelichten. In lid 3 van artikel 57 wordt hiernaar verwezen.</al><al>Uitgangspunt voor de raadsvertegenwoordigers blijft wel het verkrijgen van
                    objectieve informatie. Met de verkregen informatie kan vervolgens politiek
                    worden bedreven in de meningvormende en besluitvormende raadsvergadering.</al><tussenkop>Artikel 58 Agenda Ronde Tafel Gesprek</tussenkop><al>Zoals in artikel 5 is aangegeven bepaalt het Seniorenconvent de agenda van het
                    RTG. Dit doet zij o.a. aan de hand van voorstellen ontvangen uit de organisatie.
                    Maar ook kan zij aan de hand van de raadsagenda bepalen dat een voorstel voor
                    een bepaald RTG voorbereid moet worden of kan zij op basis van ingekomen stukken
                    het college verzoeken een raadsvoorstel voor te bereiden.</al><al>Het Seniorenconvent bundelt op advies van de griffier de stukken in clusters en
                    plaatst die op de desbetreffende clusteragenda’s. Bij de indeling zal getracht
                    worden zoveel mogelijk de programma’s uit de begroting te volgen, doch het
                    seniorenconvent zal telkens een optimale agenda-indeling maken, waarbij rekening
                    wordt gehouden met het aantal onderwerpen, de portefeuilleverdeling binnen de
                    fracties en binnen het college en de verwachte belangstelling van burgers.</al><al>Bij het opstarten van de RTG’s is het de bedoeling geweest om een RTG maximaal 1
                    uur te laten duren. Het gedeelte voor en na de pauze werd als aparte RTG
                    beschouwd. Op een avond konden maximaal 2 parallele RTG’s gepland. Dit kwam neer
                    op 4 RTG’s. Om praktische redenen (o.a. inzet voorzitters) is er in de praktijk
                    voor gekozen om een RTG te laten doorlopen gedurende een hele avond met een
                    pauze na ca. 1-1½ uur. Met het oog op het uitnodigen van betrokkenen geeft het
                    seniorenconvent bij het opstellen van de agenda’s wel een indicatie van de
                    behandeltijd van de onderwerpen.</al><al>De reguliere dag voor het houden van Ronde Tafel Gesprekken is de donderdag,
                    twee weken voorafgaand aan de raadsvergadering waarin de voorliggende
                    raadsvoorstellen worden besproken. Afhankelijk van het aantal te bespreken
                    voorstellen in de raad (ontvangen voorstellen vanuit college en de politieke
                    gevoeligheid van bepaalde voorstellen) kan het wenselijk zijn om naast de
                    donderdag ook op de woensdag (2 weken voorafgaand aan de week waarin de
                    raadsvergadering plaatsvindt) een of twee (parallele) RTG’s te houden. </al><al>Uitgaande van het principe dat een RTG openbaar is moet geconcludeerd worden dat
                    een RTG minder geschikt is voor het meer diepgaand belichten van bepaalde
                    thema’s of het sonderen van de raadsfracties in een vroegtijdig stadium. In
                    artikel 52 is voorzien in de mogelijkheid tot het houden van raadsconferenties
                    die hierin kunnen voorzien.</al><al>De organisatie geeft bij een raadsvoorstel een advies welke
                    organisaties/burgers/deskundigen uitgenodigd moeten worden. Het Seniorenconvent
                    kan daar zelf nog adressen aan toevoegen of schrappen. De griffie verzorgt
                    vervolgens namens het Seniorenconvent de uitnodigingen.</al><al>Men zou eraan kunnen denken om het Seniorenconvent ook een rol te laten
                    vervullen tussen RTG en raadsvergadering, nl. voor het bepalen van de
                    raadsagenda. Echter het is de bedoeling dat in de RTG’s een duidelijke conclusie
                    wordt getrokken of een voorstel doorgeleid kan worden naar de meningvormende
                    raadsvergadering. Aan de hand van deze conclusies moet de griffier, in overleg
                    met de voorzitter van de raad, vervolgens de raadsagenda kunnen destilleren. Een
                    extra rol voor het Seniorenconvent hierin is dan ook niet nodig. Mocht zich
                    onverhoopt een keer een aangelegenheid voordoen waarin de mening van het
                    Seniorenconvent expliciet van belang is, dan kan het convent dan een keer op ad
                    hoc basis benaderd worden/bijeen geroepen worden.</al><tussenkop>Artikel 59 Deelnemers aan het gesprek</tussenkop><al>Aan tafel van het RTG zitten raadsleden en/of burgerfractieleden (één uit elke
                    fractie), een voorzitter (uit de raad/fractiemedewerker), de
                    portefeuillehouder(-s), belanghebbende burgers of organisaties, eventuele
                    deskundigen, de griffier en notulist. Ambtenaren zijn op de achterhand aanwezig
                    en kunnen op verzoek van de portefeuillehouder aanschuiven.</al><al>Omdat het van essentieel belang wordt geacht dat de gesprekken voor
                    burgers/instanties zo laagdrempelig mogelijk zijn is gekozen voor een
                    kleinschalige setting van één raads- of burgerfractielid per fractie.</al><al>Om de kweekvijver en specialisaties ook optimaal te benutten is er daarnaast
                    voor de mogelijkheid gekozen om per onderwerp verschillende mensen uit de
                    fracties aan tafel te laten gaan zitten. </al><al>Zoals bij artikel 58 al is opgemerkt worden betrokkenen of direct
                    belanghebbenden actief namens het seniorenconvent uitgenodigd door de griffier
                    om deel te nemen aan het gesprek. Degenen die een uitnodiging hebben ontvangen
                    kunnen zich tot uiterlijk 12.00 uur de dag voorafgaand aan het RTG aanmelden bij
                    de griffie. Het kan evenwel ook het geval zijn dat anderen dan degenen die
                    actief uitgenodigd zijn vinden dat zij betrokkene danwel direct belanghebbende
                    zijn. Ook zij kunnen zich aanmelden bij de griffie om deel te nemen aan de
                    gesprekken en wel eveneens tot 12.00 uur op de dag voorafgaand aan het RTG. </al><al>Op het moment dat een onderwerp in het RTG aan de orde komt is het de bedoeling
                    dat de voorzitter aan de mensen op de tribune die zich bij de griffie aangemeld
                    hebben vraagt om aan te schuiven. De voorzitter kan vervolgens bij aanvang van
                    het gesprek aan personen of instellingen die niet actief een uitnodiging hebben
                    ontvangen vragen wat hun rol/betrokkenheid is bij het onderwerp en welke
                    informatie ze kwijt willen.</al><tussenkop>Artikel 60 Burgerfractieleden</tussenkop><al>Om reden als bij artikel 59 genoemd, is er voor gekozen om burgerfractieleden te
                    benoemen en deze de mogelijkheid te geven aan te schuiven aan de Ronde Tafel
                    Gesprekken. Burgerfractieleden krijgen eveneens toegang tot de fractiekamer en
                    de voor hen bestemde agenda’s en stukken. Vertrouwelijke stukken zijn in
                    beginsel niet beschikbaar voor burgerfractieleden, aangezien ook in beginsel
                    wordt uitgegaan van openbare Ronde Tafel Gesprekken. Mocht het evenwel zo zijn
                    dat een burgerfractielid toch beschikking krijgt over informatie waarover
                    geheimhouding is opgelegd dan doet hij op grond van het van toepassing
                    verklaarde Reglement op het burgerfractielid voor de gemeente Gulpen-Wittem en
                    de gedragscode de vertrouwelijkheid in acht te nemen.</al><tussenkop>Artikel 61 De procedure</tussenkop><al>Het primaire doel van een RTG is het verzamelen van informatie door de
                    fractievertegenwoordigers met het oog op het debat in de raad. Dit betekent dat
                    de indeling van het RTG zodanig afgestemd moet worden dat voor deze
                    informatievergadering zoveel mogelijk tijd ter beschikking wordt gesteld.</al><al>Omdat de informatie vanuit het college reeds tevoren beschikbaar is gesteld in
                    de vorm van de raadsvoorstellen is er voor gekozen om eerst de externen die aan
                    tafel aanschuiven hun mening hierop te laten geven. Vervolgens kan de
                    collegevertegenwoordiger nog een korte aanvullende toelichting geven. Dit kan
                    een reactie bevatten op hetgeen door de externen naar voren is gebracht, doch
                    het is niet de bedoeling dat hetgeen reeds in het raadsvoorstel is opgenomen
                    nogmaals uiteengezet wordt.</al><al>Vervolgens is het dan aan de raadsvertegenwoordigers om nog vragen te stellen
                    aan extern belanghebbenden, collegevertegenwoordigers, ambtenaren en/of externe
                    deskundigen. Om reden als hiervoor genoemd (nl. dat de raadsvertegenwoordigers
                    zo veel mogelijk informatie kunnen inwinnen) is het niet de bedoeling dat
                    externen in een RTG vragen aan de wethouder of een deskundige gaan stellen.
                    Externen kunnen natuurlijk wel altijd in de pauze in de wandelgangen een
                    wethouder of ambtenaar benaderen (daarom is mede ook gekozen voor de opzet van
                    een RTG met een pauze en centrale koffievoorziening in de hal tijdens deze pauze
                    of voor of na een RTG).</al><al>Alhoewel, zoals hierboven aangegeven, het primaire doel van de Ronde Tafel
                    Gesprekken is het vergaren van informatie blijkt in de praktijk (zoals in lid 3
                    van art. 57 ook naar voren is gebracht) dat er meer behoefte is aan het
                    toelichten van een vraag. Met andere worden vanuit een bepaald standpunt komt
                    men tot een bepaalde vraag. En wil men “verbaasde blikken” voorkomen dan kan het
                    wenselijk zijn dit achterliggende standpunt toe te lichten alvorens de vraag te
                    stellen. Om de raadsvertegenwoordigers de nodige gelegenheid te geven om de
                    essentie van de vraag ook aan te geven is in artikel 61, lid 3 opgenomen dat zij
                    kort gemotiveerd hun vraag – vanuit hun eerste gedachtegang over het voorstel -
                    mogen toelichten. </al><al>Uitgangspunt voor de raadsvertegenwoordigers blijft wel het verkrijgen van
                    objectieve informatie. Met de verkregen informatie kan vervolgens politiek
                    worden bedreven in de meningvormende en besluitvormende raadsvergadering.</al><al>Ondanks dat in een Ronde Tafel Gesprek dus geen sprake is van een debat, kan een
                    raadsvertegenwoordiger wel in een situatie komen dat er sprake is van een
                    wellicht onbedoelde meningsuiting. Een voorzitter moet hierop goed bedacht zijn
                    en tijdig ingrijpen. Maar om in die situaties waarin dat onbedoeld toch gebeurt,
                    het risico weg te nemen dat deze gespreksdeelnemer voor de inhoud daarvan voor
                    de rechter moet komen, is het immuniteitsbeginsel als bedoeld in artikel 22 van
                    de Gemeentewet (dat op grond van de Gemeentewet ook voor commissies geldt) ook
                    van toepassing verklaard voor het RTG.</al><al>Mocht het evenwel zo zijn dat een deelnemer aan het gesprek echt onbetamelijke
                    uitdrukkingen gaat gebruiken of anderszins het gesprek gaat verstoren dan moet
                    een voorzitter ook een formele basis hebben om te kunnen ingrijpen. Vandaar dat
                    de leden 2 en 3 van artikel 26 uit het Reglement van overeenkomstige toepassing
                    zijn verklaard.</al><al>In de eerste periode van september 2006 tot april 2008, waarin met het nieuwe
                    stelsel van RTG’s is gewerkt, is gebleken dat het moeilijk is om de punten die
                    geagendeerd zijn voor de RTG’s binnen het daarvoor aangegeven tijdsbestek af te
                    handelen. Bij de evaluatie is door de voorbereidingsgroep zodoende gesuggereerd
                    om per fractie een maximum aan vragen (van 10 vragen) te laten stellen. Verder
                    dient iedere fractievertegenwoordiger, met het oog op het zo goed mogelijk
                    kunnen sturen van het proces door de voorzitter, bij aanvang van een vragenronde
                    aan te geven hoeveel vragen hij gaat stellen. De verwachting is dat de fracties
                    meer op de hoofdlijn en essentie van het verhaal zullen ingaan indien men
                    slechts een beperkt aantal vragen mag stellen. Ruimte voor detail en/of
                    technische vragen is er dan niet meer. Bovendien kunnen technische vragen
                    (informatieve vragen van feitelijke aard) – ingevolge de verordening op de
                    ambtelijke bijstand – tevoren bij de desbetreffende directeur gesteld worden. </al><al>Artikel 4 van artikel 61 van het RvO verwijst ook naar deze Verordening.</al><al>In artikel 61, lid 6 is de mogelijkheid opgenomen dat de meerderheid een
                    voorstel niet rijp acht voor behandeling in de meningvormende raadsvergadering.
                    De meerderheid dient dit gemotiveerd aan te geven. Hiermee wordt bedoeld dat in
                    het RTG wordt aangegeven welke concrete informatieve vragen er nog zijn ten
                    aanzien van het voorstel. Het gaat dus om vragen die nog niet beantwoord zijn en
                    waarvan de wethouder ook niet heeft aangegeven dat die vragen nog schriftelijk
                    beantwoord worden. Als passages in collegevoorstellen nog een nadere
                    verduidelijking behoeven dan dienen die ook tijdens het RTG concreet benoemd te
                    worden. Op het moment dat iemand het niet eens is met de inhoud van een antwoord
                    of met een of meerdere passages in een collegevoorstel dan zijn dat aspecten
                    waarop men in de raadsvergadering het debat moet voeren.</al><al>In het geval zich in het RTG geen meerderheid aftekent, dan wordt aangesloten
                    bij het systeem van de Gemeentewet bij het staken van stemmen in een
                    raadsvergadering. Het stuk gaat door naar een volgend RTG. Degenen die van
                    mening zijn dat het voorstel moet worden aangehouden dienen ook n nu gemotiveerd
                    aan te geven op welke punten het voorstel/onderwerp verduidelijking aanpassing
                    verdient of welke informatie nog extra gewenst is. Is er evenwel een deadline
                    verbonden aan de behandeling van het raadsvoorstel in de raad, dan kan het RTG
                    alsnog besluiten om het stuk door te leiden naar de raadsvergadering. </al><al>Het RTG leent zich niet voor een rondvraag zoals dat nu gebeurt in de
                    commissievergaderingen. Zaken die momenteel in de rondvraag aan de orde komen
                    betreffen veelal informatieve vragen aan het college over – de stand van zaken
                    betreffende - de uitvoering van bepaalde activiteiten. Dit kan natuurlijk
                    terecht zijn omdat de raad vanuit zijn controlerende taak het college ter
                    verantwoording wil roepen doch dat is een bevoegdheid die slechts de raad/een
                    raadslid toekomt. Deze taak komt een burgerfractielid niet toe. M.b.t. vragen om
                    feitelijke informatie is in de verordening ambtelijke bijstand bovendien
                    geregeld dat men daarvoor terecht kan bij de directeuren. Bovendien bestaat voor
                    de raadsleden de mogelijkheid om het college schriftelijk de vragen voor te
                    leggen en indien men de vragen een wat zwaardere status wil geven en men het
                    belangrijk vindt dat de gehele raad informatie over een bepaalde kwestie
                    ontvangt kan het formele middel van de artikel 37-vragen gebruikt worden.
                    Daarvoor is indertijd een standaardformulier opgezet dat daarvoor gebruikt kan
                    worden. </al><al>De 5 raads- /en of burgerfractieleden, die het RTG voeren, kunnen naar
                    aanleiding van het gesprek besluiten om ter voorbereiding van de
                    raadsvergadering gezamenlijk een aanvullend werkbezoek af te leggen.</al><tussenkop>Artikel 62 De voorzitter</tussenkop><al>Een kwalitatief goede invulling van het voorzitterschap vormt een belangrijke
                    voorwaarde voor het succes van deze gesprekken. Daarom is gekozen voor vaste
                    voorzitters die zo nodig met opleiding en training in hun functie kunnen
                    groeien. Per fractie wordt één voorzitter geleverd. Zij zitten voor volgens een
                    vast roulatieschema. Op het moment dat één van de voorzitters verhinderd is
                    voorziet hij zelf in vervanging volgens het roulatieschema. De griffie wordt van
                    deze vervanging tijdig in kennis gesteld.</al><tussenkop>Artikel 63 De RTG-griffier</tussenkop><al>De griffier en de waarnemend griffier zullen in eerste aanleg als RTG-griffier
                    gaan optreden. De RTG-griffier vervult in het RTG dezelfde rol ten aanzien van
                    de voorzitter en het gesprek als geregeld voor de raadsvergaderingen en de
                    raadsvoorzitter. </al><al>Bij verhindering van (wnd) griffier zal deze moeten worden waargenomen door
                    iemand uit de bestaande organisatie (te bepalen in overleg tussen griffier,
                    burgemeester en secretaris) die onder verantwoordelijkheid en functionele
                    aansturing van de griffier valt. </al><tussenkop>Artikel 64 Verslag</tussenkop><al>Het verslag wordt vastgesteld in de eerstvolgende raadsvergadering. Het RTG
                    leent zich, vanwege de wisselende samenstelling van de deelnemers, er niet voor
                    dat het verslag in een volgend RTG wordt vastgesteld. Aangezien het ook niet de
                    bedoeling is dat het verslag uitnodigt tot nieuw debat of het uiten van
                    opvattingen is ervoor gekozen het verslag uitsluitend als “naslagwerk” te laten
                    fungeren en niet te laten vaststellen. </al><tussenkop>Artikel 65 Toehoorders en pers</tussenkop><al>Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 52, 53
                    en 54.</al><tussenkop>Hoofdstuk 10 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 66 Uitleg reglement</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 67 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>