<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR310104_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels behorende bij de Verordening wet voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Rotonde 14-06-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegebesluit 5-2-2013</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2011 worden ingetrokken per datum inwerkingtreding van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5320</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5321</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5322</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
            gemeente Eemnes 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college ven burgemeester en wethouders besluit:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Voor u liggen de beleidsregels behorende bij de Verordening wet
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013. De
                                beleidsregels zijn een uitwerking van de verordening zoals die door
                                de gemeenteraad is vastgesteld. In de beleidsregels staat hoe in de
                                praktijk vorm wordt gegeven aan de in de verordening gestelde
                                regels. Er is ook een Toelichting op de Verordening wet
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013. In de
                                toelichting worden de bepalingen uit de verordening nader uitgelegd.
                                De nadere regels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Eemnes 2013 vormt de financiële vertaling van
                                de verordening.</al><al/><al>Doel van de Wmo is dat iedere burger, ook met een beperking,
                                zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren. Het ‘mee kunnen
                                doen aan de samenleving’ staat centraal en wanneer dit niet mogelijk
                                is, biedt het college ondersteuning. In artikel 4 van de Wmo staat
                                de compensatieplicht van het college verankerd. Daar waar burgers
                                beperkingen ondervinden bij:</al><al> het voeren van een huishouden; het zich in en om het huis
                                verplaatsen; het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel; het
                                ontmoeten van medemensen en het aangaan van sociale verbanden; </al><al>en hierbij niet of niet volledig in staat zijn om zelf oplossingen
                                te organiseren, heeft het college de plicht om compenserende
                                maatregelen te treffen. Deze maatregelen moeten de effecten van de
                                beperkingen op de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke
                                participatie wegnemen. De compensatieplicht geeft belanghebbenden
                                geen recht op een voorziening. Wel heeft het college de plicht om
                                belanghebbende te compenseren. Dit houdt in dat burgers die
                                beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en/of
                                maatschappelijke participatie mogen verwachten dat het college hen
                                ondersteunt bij het bereiken van resultaten op bovengenoemde
                                terreinen.</al><al>Kernbegrippen van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Eemnes 2013 zijn:</al><al> maatwerk te bereiken resultaten zelforganiserend vermogen/eigen
                                kracht (mogelijkheden) </al><al>In het proces van vraag naar ondersteuning staan de te bereiken
                                resultaten centraal. De voorzieningen die nodig zijn om het
                                resultaat te bereiken zijn ondergeschikt aan het betreffende
                                resultaat. Hierbij geldt: eigen oplossingen gaan voor op
                                compenserende voorzieningen vanuit het college. Bij het vaststellen
                                van het te bereiken resultaat is een gesprek met de Wmo consulent
                                essentieel. Dit gesprek gaat in op verschillende levensdomeinen om
                                zo vanuit een integrale aanpak met de vraag van belanghebbende om te
                                gaan. Hierbij wordt ingegaan op de knelpunten die belanghebbende
                                ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie,
                                welke mogelijkheden hij ondanks de beperkingen heeft, welke
                                resultaten hij wenst te bereiken en in hoeverre belanghebbende eigen
                                oplossingen kan realiseren. Daar waar belanghebbende niet (volledig)
                                in staat is om eigen oplossingen te realiseren, ondersteunt het
                                college door voorzieningen te treffen die leiden tot het te bereiken
                                resultaat.</al><al/><al>In de beleidsregels wordt omschreven hoe het proces van vraag naar
                                ondersteuning ingericht is en hoe de afweging voor de inzet van
                                gemeentelijke ondersteuning wordt gemaakt. Hierbij geldt dat in de
                                afweging het principe van gemotiveerd maatwerk centraal staat.
                                Problemen van burgers hangen veelal met elkaar samen. Zo kan
                                gezondheid invloed hebben op het werk, de woonsituatie of op
                                relaties met vrienden en familie. De oplossingen zijn echter vaak
                                georganiseerd rond stukjes van de vraag van mensen. Om personen met
                                een hulpvraag adequaat te ondersteunen is het van belang dat er één
                                toegankelijke plek is waar breed wordt gekeken naar de vraag en waar
                                samen met belanghebbende prioriteiten worden gesteld: het Wmo loket.
                                Bij het integraal benaderen van de hulpvraag van belanghebbende
                                vervult een gesprek met de Wmo consulent een sleutelrol.</al><al/><al>Bij het Wmo loket en door de Wmo consulent wordt gewerkt vanuit de
                                gedachte dat personen met dezelfde beperkingen/hulpvraag niet altijd
                                met dezelfde oplossingen geholpen zijn. Elke vraag wordt individueel
                                behandeld en per individu wordt naar passende oplossingen gezocht.
                                De invulling van het proces van vraag naar ondersteuning is wel voor
                                iedereen gelijk, om zo voor iedereen een gelijke aanpak te
                                waarborgen.</al><al/><al>In hoofdstuk 2 leest u de uitgangspunten van gemeente Eemnes in de
                                uitvoering van de Wmo. Hoofdstuk 3 gaat over de aanspraak op
                                compensatie. In hoofdstuk 4 wordt per te bereiken resultaat het
                                afwegingskader gegeven. In hoofdstuk 5 wordt besproken hoe het
                                college komt tot de te bereiken resultaten. Hoofdstuk 6 gaat over de
                                bepalingen ten aanzien van de te verstrekken resultaatgerichte
                                voorzieningen. In hoofdstuk 7 ten slotte vindt u de procedurele
                                bepalingen.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Uitgangspunten gemeente Eemnes in de uitvoering van het Wmo
                                beleid</titel></kop><structuurtekst><al>2.1 Inleiding</al><al>Uitgangspunten van de gemeente Eemnes bij de uitvoering van het Wmo
                                beleid zijn:</al><al>a. Iedereen moet volwaardig aan de samenleving kunnen
                                deelnemen.</al><al>b. Zelfredzaamheid en eigen kracht en verantwoordelijkheid zijn
                                uitgangspunt. Pas als mensen het zelf niet meer kunnen regelen en
                                ook geen beroep kunnen doen op hun eigen sociale netwerk, moet de
                                overheid ondersteuning bieden.</al><al>c. De Wmo stelt de vraag (en dus niet het aanbod) centraal. Mensen
                                moeten zelf de regie houden en kunnen kiezen voor die vorm van
                                ondersteuning, die het beste bij hen past</al><al/><al> 2.2 Zelfredzaamheid </al><al>De Wmo verlangt dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij
                                het oplossen van hun belemmeringen, zo mogelijk samen met het
                                (sociale) netwerk. Wanneer belanghebbende zich tot het Wmo loket
                                wendt met een hulpvraag wordt eerst onderzocht in hoeverre
                                belanghebbende, eventueel samen met zijn (sociale) netwerk, eigen
                                oplossingen kan realiseren. Eigen oplossingen gaan dan ook voor op
                                gemeentelijke ondersteuning. De eigen oplossingen en oplossingen via
                                het netwerk worden tijdens het gesprek met de Wmo consulent
                                besproken. De belanghebbende kan de eigen verantwoordelijkheid
                                bijvoorbeeld invullen door:</al><al/><al>1. Het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening:</al><al> Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die
                                overal te verkrijgen is, laagdrempelig in de aanschaf en ook wordt
                                aangeschaft door mensen zonder beperking. 2. Het zelf dragen van de
                                kosten voor de (aanschaf van) de voorziening: Uitgangspunt is dat
                                men zo veel mogelijk op basis van het zelforganiserend vermogen
                                (eigen kracht) in oplossingen voorziet. Hier valt ook financiële
                                eigen kracht onder. Belanghebbende wordt gestimuleerd om de
                                noodzakelijke voorziening(en) zelf aan te schaffen. 3. Het
                                organiseren van oplossingen via het netwerk: Mensen helpen elkaar en
                                zorgen voor elkaar, zoals buren die voor elkaar boodschappen doen,
                                mantelzorgers, bedrijven die vrijwilligersorganisaties steunen en
                                mensen die het initiatief nemen tot activiteiten voor de buurt.
                                Mensen zetten zich voor elkaar in, vaak zonder dat het college zich
                                hiermee bemoeit. Vaak is er in het netwerk veel bereidheid om te
                                helpen. </al><al/><al>Ook bij het vermogen om eigen oplossingen te realiseren staat het
                                principe van maatwerk altijd centraal. Wanneer de eigen
                                mogelijkheden niet leiden tot het te bereiken resultaat, ondersteunt
                                het college door compenserende maatregelen te treffen.</al><al/><al>Enkele voorbeelden van de eigen verantwoordelijkheid:</al><al> Als belanghebbende altijd al iemand inhuurde voor het schoonhouden
                                van het huis, hoeft daar niets aan te veranderen als hij op basis
                                van leeftijd of een ongeval beperkingen krijgt. Dat zou anders
                                kunnen zijn als door het ontstaan van de beperking het inkomen
                                daalt. Het kan dan zijn dat iemand de eerder ingehuurde
                                schoonmaakhulp niet meer kan betalen. Dit kan een aanleiding zijn om
                                compenserende maatregelen te treffen om belanghebbende in staat te
                                stellen te wonen in een schoon huis. Het kan ook zijn dat (veel)
                                meer hulp in de huishouding nodig is. Dit kan ertoe leiden dat het
                                college ter compensatie ondersteuning biedt. Belanghebbende kan zo
                                veel mogelijk strijkvrije kleding aanschaffen en gebruiken om
                                onnodig beroep op een hulp te voorkomen. Ook nieuwe technische
                                mogelijkheden, zoals een robotstofzuiger, kunnen bekeken worden.
                                Veel mensen zijn gewend gebruik te maken van een auto. Als zij een
                                beperking krijgen, door leeftijd of door een ongeval, hoeft er voor
                                hun verplaatsingen niets te veranderen als zij in staat blijven om
                                zich met diezelfde auto te verplaatsen. Er is dan geen sprake van
                                noodzaak tot compensatie. Wanneer mensen door hun beperking veel
                                meer verplaatsingen zouden moeten maken, of als de auto voor hun
                                handicap aangepast zou moeten worden, kan er sprake zijn van een
                                ondersteuningsbehoefte/compensatienoodzaak. Belanghebbende kan het
                                netwerk inzetten (meerijden) en/of zelf de kosten dragen voor ritten
                                met aangepast vervoer. Ook kan belanghebbende eventueel (een deel
                                van) de kosten van een eventuele autoaanpassing zelf dragen. </al><al/><al> Als iemand 65 is en zijn badkamer gaat renoveren mag het college
                                veronderstellen dat hij - ook al zijn er nog geen beperkingen -
                                rekening houdt met het gegeven dat hij een dagje ouder wordt. Dat
                                betekent dat de persoon in kwestie aan een douche moet denken in
                                plaats van uitsluitend een bad. Daar spelen allerlei individuele
                                factoren natuurlijk in mee (zoals: Is er plaats voor? Wat is de rol
                                van het bad voor therapie ?). </al><al/><al/><al> 2.3 Mantelzorgers </al><al>Binnen de Wmo vormen mantelzorgers en vrijwilligers een bijzondere
                                groep. Zij vallen onder de werking van prestatieveld 6 van de Wmo.
                                Artikel 4 van de Wmo maakt duidelijk dat de mantelzorger geen
                                zelfstandig recht op individuele Wmo voorzieningen heeft, maar dat
                                de voorzieningen die worden toegekend aan degene met de beperking,
                                ook tot doel hebben de taak van de mantelzorger te ondersteunen. In
                                de uitvoering betekent dit dat mantelzorgers zo veel mogelijk moeten
                                worden betrokken bij het gesprek en bij het inzetten van
                                compenserende maatregelen bij degene aan wie zij mantelzorg
                                verlenen. De behoeften van de verzorgde en die van de mantelzorger
                                worden integraal aan de orde gebracht en bij het uiteindelijke
                                besluit meegenomen. In de in hoofdstuk 4 omschreven afwegingskaders
                                komt dit uitgangspunt per resultaat tot uiting. Per resultaat wordt
                                er rekening gehouden met de belangen van de mantelzorger en het
                                eventuele geval van dreigende overbelasting.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak op compensatie</titel></kop><structuurtekst><al>3.1 Inleiding </al><al>De in het vorige hoofdstuk omschreven eigen verantwoordelijkheid
                                wordt vertaald in een aantal algemene bepalingen rondom aanspraak op
                                compensatie. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op deze algemene
                                bepalingen. De afwegingscriteria die worden genoemd moeten niet
                                worden gezien als vaststaande voorwaarden. Deze criteria worden
                                meegenomen in de aanspraak. De rol en positie van de criteria kan
                                van persoon tot persoon verschillen. Niet het criterium op zich,
                                maar de unieke situatie van de klant staat in het proces van vraag
                                naar ondersteuning centraal.</al><al/><al>3.2 De aanwezigheid van een compensatienoodzaak</al><al>Het college heeft alleen een compensatieplicht wanneer er sprake is
                                van een compensatienoodzaak. Zonder de aanwezigheid van een
                                compensatienoodzaak, bijvoorbeeld doordat belanghebbende zelf in
                                oplossingen kan voorzien, bestaat er geen grondslag voor het college
                                om compenserende maatregelen te treffen. De aanwezigheid en mate van
                                de compensatienoodzaak wordt aan de hand van zorgvuldig onderzoek
                                vastgesteld. Hierbij staat de persoonlijke situatie van
                                belanghebbende centraal en wordt van belanghebbende verwacht dat hij
                                zo veel mogelijk via eigen oplossingen (zie 3.3) de effecten van de
                                beperkingen op de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke
                                participatie wegneemt.</al><al/><al/><al>3.3. Het zelforganiserend vermogen</al><al>Er bestaat geen aanspraak op ondersteuning als redelijkerwijs van
                                belanghebbende zelf of van anderen in de omgeving van belanghebbende
                                (zoals huisgenoten, familieleden en overige leden uit het sociale
                                netwerk van de belanghebbende) kan worden verwacht dat zij meewerken
                                aan het bereiken van het resultaat. Van de belanghebbende wordt
                                verwacht dat hij in de eerste plaats zo veel mogelijk een beroep
                                doet op zichzelf en zijn/haar omgeving, voordat hij het college om
                                compenserende maatregelen vraagt (zie 2.2).</al><al/><al>Onder het eigen netwerk worden uitdrukkelijk ook de mantelzorger(s)
                                verstaan. Met ingang van de Wmo zijn gemeenten verplicht
                                mantelzorgers te ondersteunen. Het kan zijn dat in de
                                ondersteuningsbehoefte van degene met een hulpvraag (voor een deel)
                                kan worden voorzien door de aanwezige mantelzorger steun te bieden.
                                Dit moet goed onderzocht worden. Het is daarom van groot belang dat
                                de mantelzorger ook bij het gesprek met de Wmo consulent aanwezig is
                                of daar in ieder geval bij wordt betrokken. De mantelzorger is
                                immers een belangrijke informatiebron als ervaringsdeskundige. Hij
                                kan ook verhelderen welke taken hij wel/niet kan uitvoeren en in
                                hoeverre compensatie vanuit het college nodig is.</al><al/><al/><al>3.4. Goedkoopst- compenserend</al><al>Het criterium goedkoopst-compenserend betekent dat een te
                                verstrekken voorziening allereerst compenserend moet zijn en moet
                                leiden tot het resultaat. Een voorziening is compenserend wanneer de
                                effecten van een beperking op de (maatschappelijke) participatie en
                                de zelfredzaamheid weggenomen worden. Zijn meerdere
                                voorzieningen/oplossingen compenserend, leiden meerdere
                                voorzieningen naar het te bereiken resultaat en passen meerdere
                                voorzieningen bij de hulpvraag van de klant, dan wordt uit die
                                voorzieningen/oplossingen voor de goedkoopste maatregel gekozen. Het
                                gaat dan om de voorziening die voor het college het goedkoopst is.
                                Er wordt altijd rekening gehouden met de (sociale) factoren die bij
                                de belanghebbende spelen en de resultaatgerichtheid van de
                                voorziening blijft centraal staan.</al><al/><al>Er kan ook rekening worden gehouden worden met zogenoemde
                                macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de
                                consequenties betreffen. Een voorbeeld hiervan is het compenseren
                                via het collectief vervoer. Het collectief vervoer ontleent zijn
                                besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de
                                kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang
                                van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag
                                meetellen: dus ook al is een andere voorziening dan het collectief
                                vervoer wellicht goedkoper, mee mag tellen dat als er uitzonderingen
                                gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou
                                kunnen komen.</al><al/><al/><al>3.5. Algemeen gebruikelijk</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die niet
                                speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking (zodat de
                                voorziening ook op grote schaal door personen zonder beperking wordt
                                gebruikt), die in een reguliere winkel te koop zijn en die niet
                                (aanzienlijk) duurder zijn dan vergelijkbare producten.</al><al/><al>Het aanschaffen van algemeen gebruikelijke voorzieningen ligt in
                                lijn met het zelfoplossend vermogen van belanghebbende. Ook bij
                                algemeen gebruikelijke voorzieningen moet goed worden gekeken naar
                                de leefsituatie van belanghebbende en of de betreffende voorziening
                                in de persoonlijke situatie van belanghebbende ook als algemeen
                                gebruikelijk aan te merken is. Want: wat voor de een gebruikelijk is
                                – een thuisbezorgde maaltijd van 10 euro – is voor de ander zeer
                                begrotelijk, zeker als dat een paar maal per week moet gebeuren.
                                Omdat de financiële draagkracht per persoon verschilt, is het van
                                wezenlijk belang om maatwerk te leveren.</al><al/><al/><al>3.6. Compensatie via algemene voorzieningen</al><al>Het kan zijn dat de effecten van de beperking(en) op de
                                maatschappelijke participatie van belanghebbende via algemene
                                voorzieningen weggenomen kunnen worden. Wanneer een algemene
                                voorziening de goedkoopst-compenserende oplossing is en/of een
                                gelijke of grotere compensatie biedt dan een individuele
                                voorziening, vervalt de compensatie via een individuele voorziening.
                                Dit omdat de algemene voorziening de hulpvraag van belanghebbende
                                dan al beantwoord heeft.</al><al/><al>Bij algemene voorzieningen gaat het om ondersteuning die in ieder
                                geval:</al><al> betrekking heeft op lichte, niet complexe ondersteuning; ingezet
                                wordt voor een incidentele behoefte. </al><al/><al/><al>3.7. Voorliggende oplossingen (artikel 2 Wmo)</al><al>Voorliggende oplossingen zijn oplossingen op grond van andere
                                wettelijke regelingen, waar belanghebbende gebruik van kan maken.
                                Het gaat daarbij om voorzieningen die belanghebbende kan aanvragen
                                en gebruiken en die (deels) de beperkingen kunnen compenseren.
                                Bekende voorbeelden zijn de kinderopvang, de financiële steun op
                                grond van de Wwb, de hulpmiddelen van de Zvw, de zorg uit de AWBZ,
                                huur- en zorgtoeslag. De Wmo consulent heeft kennis van de bestaande
                                voorliggende voorzieningen en zorgt voor het verstrekken van advies
                                en informatie, een eventuele doorverwijzing, en zo veel mogelijk
                                rechtstreeks voor een directe toeleiding (bijvoorbeeld naar de
                                zorgverzekeraar).</al><al/><al>In de onderstaande, niet-limitatieve, opsomming staan enkele wetten
                                die voorrang hebben op de Wmo:</al><al/><al> AWBZ; Zorgverzekeringswet; TOG 2000; Leerlingenvervoer; WIA. </al><al/><al>Als het gaat om participatievraagstukken en/of gemeentelijke
                                ondersteuning wordt uitgegaan van het dienstverleningsconcept één
                                klant – één plan – één contactpersoon. Mensen met vragen over
                                participatie moeten op één centrale plek terecht kunnen (één
                                contactpersoon). Om vragen integraal te kunnen benaderen en tot een
                                meer efficiënte organisatie van de informatie- en adviesfunctie te
                                komen, beleggen we deze functie in het Wmo loket. Bij het Wmo loket
                                wordt breed gekeken naar de vraag van belanghebbende (één plan).
                                Belanghebbenden moeten zo veel mogelijk zelf de regie nemen over de
                                oplossing van hun vragen. Als bij complexe vraagstukken (veel)
                                verschillende partijen zijn betrokken, kan een Wmo consulent de
                                procesregie nemen.</al><al/><al/><al>3.8. Eerdere compensatie in het kader van enige wettelijke bepaling
                                of regeling</al><al>Als er al in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is
                                gecompenseerd en de normale afschrijftermijn van de voorziening nog
                                niet is verstreken, wordt niet nogmaals gecompenseerd als
                                belanghebbende aantoonbaar onzorgvuldig met de voorziening is
                                omgegaan (bijvoorbeeld om het huis geschikt te maken, of een
                                voorziening om zich te verplaatsen)Voordat er uitgegaan wordt van
                                een onzorgvuldige behandeling van de voorziening door
                                belanghebbende, doet de Wmo consulent zorgvuldig onderzoek.</al><al/><al>Wanneer door onzorgvuldig gebruik - of zelfs misbruik - regelmatig
                                reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een vervoersvoorziening
                                rijdend te houden, overlegt een Wmo consulent eerst met
                                belanghebbende om duidelijk te maken dat dit niet de bedoeling is.
                                Wanneer belanghebbende onzorgvuldig omgaat met de voorziening wordt
                                het resultaat niet bereikt en kan men zich afvragen of de
                                compensatie wel noodzakelijk is. Wanneer na het gesprek met de Wmo
                                consulent - en eventuele waarschuwingen daarna - de problemen zich
                                blijven herhalen, dan kan de ondersteuning worden ingetrokken. Het
                                beoogde resultaat wordt door het gedrag van belanghebbende niet
                                bereikt. Zeker bij belanghebbenden die afhankelijk zijn van bepaalde
                                vormen van ondersteuning kan dit een zeer ingrijpende, maar
                                noodzakelijke maatregel zijn. Goed onderzoek (naar de redenen van
                                het verloren gaan van de voorziening) blijft daarom essentieel.</al><al/><al/><al>3.9. Medewerking en legitimatie</al><al>Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren kan het
                                college het wenselijk vinden dat belanghebbenden zich legitimeren.
                                Dat kan door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs als
                                bedoeld in de Wet op de identificatieplicht. Wanneer de
                                belanghebbende weigert zich te legitimeren, wordt de aanvraag buiten
                                behandeling gesteld. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag
                                indienen is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen
                                van de verblijfsrechtelijke status. Een rijbewijs wordt niet als een
                                geldig identiteitsbewijs aangemerkt, omdat het rijbewijs geen
                                nationaliteit vermeldt.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><structuurtekst><al>4.1 Algemene onderdelen van het afwegingskader</al><al/><al/><al>4.1.2 Het gesprek en eigen oplossingen</al><al>De te bereiken resultaten op basis van artikel 4 lid 1 van de Wmo
                                zijn:</al><al> Het wonen in een schoon en leefbaar huis (4.2) Het wonen in een
                                geschikt huis (4.3) Boodschappen doen en maaltijden aanreiken (4.4)
                                Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding (4.5) Het
                                thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren (4.6) Het zich
                                in en om de woning verplaatsen (4.7) Het zich lokaal verplaatsen per
                                vervoermiddel (4.8) Het ontmoeten van medemensen en het
                                aangaan/onderhouden van sociale verbanden (4.9) </al><al>Op deze terreinen heeft het college een resultaatverplichting. Voor
                                alle bovengenoemde resultaten geldt dat er allereerst een gesprek
                                wordt gevoerd met belanghebbende. Om vanuit een integrale benadering
                                met de hulpvraag van belanghebbende om te gaan en optimaal maatwerk
                                te kunnen leveren, is het uitgangspunt om tijdens het gesprek in te
                                gaan op meerdere levensdomeinen. Ten aanzien van de hulpvraag staan
                                de mogelijkheden en eigen oplossingen van belanghebbende centraal.
                                Wat kan belanghebbende zelf doen om het resultaat te bereiken en wat
                                kan het sociale netwerk daarin betekenen (zie ook 2.2)? Is er sprake
                                van gebruikelijke zorg (zie 4.1.3)?</al><al/><al>Wanneer belanghebbende niet of niet volledig in staat is om eigen
                                oplossingen te realiseren, of wanneer er geen sprake is van
                                gebruikelijke zorg, beoordeelt het college samen met belanghebbende
                                overige oplossingen. Welke voorzieningen compenseren voldoende en in
                                hoeverre leiden deze voorzieningen tot het te bereiken resultaat?
                                Wanneer er sprake is van een compensatienoodzaak en belanghebbende
                                niet of niet volledig in eigen oplossingen kan voorzien, treft het
                                college de nodige compenserende maatregelen om het beoogde resultaat
                                te bereiken.</al><al/><al/><al>4.1.3 Gebruikelijke zorg</al><al>Van gebruikelijke zorg is sprake als er een huisgenoot aanwezig is
                                die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen.
                                Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis
                                van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één
                                huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een
                                huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook
                                inwonende ouders zijn. Of iemand inwonend is wordt naar de concrete
                                feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het
                                hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, met een
                                eigen huisnummer, eigen nutsvoorzieningen, een eigen voordeur e.d.
                                Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar zijn verplicht om
                                huishoudelijke zorg te bieden. Vanaf 23 jaar een volledig
                                huishouden. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld een
                                eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Tot 18 jaar wordt van
                                huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij
                                bijvoorbeeld doen door hun eigen kamer schoon te houden en/of door
                                hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine)
                                boodschappen, het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke zorg wordt
                                uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een
                                huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de
                                huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de
                                niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht
                                huishoudelijk werk gaat het veelal om taken die kunnen worden
                                uitgesteld. Alleen als schoonmaken niet kan worden uitgesteld moet
                                dat direct gebeuren. Voor dergelijke situaties kan het zijn dat,
                                ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente
                                compenserende maatregelen treft om het resultaat te bereiken. De
                                beoordeling van gebruikelijke zorg staat vooral in de
                                afwegingskaders als omschreven in paragraaf 4.2, 4.4, 4.5 en 4.6
                                centraal.</al><al/><al/><al>4.1.4 Vorm van ondersteuning</al><al>Afhankelijk van het resultaat kan het college de ondersteuning
                                toekennen in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming. Bij
                                een verstrekking als pgb wordt de ondersteuning die belanghebbende
                                zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt
                                genomen. Belanghebbende betaalt een eigen bijdrage (bij
                                ondersteuning in natura of een pgb) of een eigen aandeel (bij een
                                financiële tegemoetkoming). Als het voor het bereiken van het
                                beoogde resultaat noodzakelijk en wenselijk is, is er een andere
                                vorm van toekennen mogelijk. In de nadere regels behorende bij de
                                Verordening maatschappelijke ondersteuning 2013 wordt de systematiek
                                voor de totstandkoming van het pgb en financiële tegemoetkoming
                                toegelicht. Wanneer het gaat om diensten kent het college de
                                ondersteuning toe in minuten. Dit kan worden afgerond naar hele en
                                halve uren. Wanneer het een pgb of financiële tegemoetkoming voor de
                                inkoop van goederen gaat, kunnen eventuele kosten van onderhoud en
                                reparatie onder de verstrekking vallen.</al><al/><al/><al>4.1.5 Belangen mantelzorgers</al><al> Tijdens het gesprek en bij de invulling van de te bereiken
                                resultaten houdt het college rekening met de belangen van
                                mantelzorgers. Hierbij wordt nadrukkelijk aandacht geschonken aan
                                (dreigende) overbelasting van de mantelzorger. Ook kan het gaan om
                                maatregelen die de mantelzorger in staat stellen om de mantelzorg te
                                kunnen verrichten. Zo nodig kan het college via de verzorgde
                                compenserende maatregelen treffen. Het gaat dan om een afgeleid
                                ´recht´ van de verzorgde. De mantelzorger heeft bij wet nog geen
                                zelfstandig ´recht´ op een aanspraak. Bovengenoemde uitgangspunten
                                gelden voor alle te bereiken resultaten. Ten aanzien van een aantal
                                resultaten worden in dit hoofdstuk specifieke afwegingen opgenomen
                                die een rol spelen bij de ondersteuning van/aan mantelzorgers.</al><al/><al/><al>4.2 Het wonen in een schoon en leefbaar huis</al><al/><al/><al>4.2.1. Inleiding</al><al>Wanneer gesproken wordt over het resultaat ‘een schoon en leefbaar
                                huis’ wordt om het resultaat te bereiken ondersteuning ingezet in de
                                vorm van o.a. zwaar en licht huishoudelijk werk. Het gaat daarbij
                                concreet om bijvoorbeeld het stofzuigen van de woning, het soppen
                                van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het overige
                                schoonhouden van de ruimten die onder de compensatieplicht vallen.
                                Onder de compensatieplicht vallen die ruimten die voor dagelijks
                                gebruik noodzakelijk zijn. Hierbij wordt in de regel uitgegaan van
                                het niveau van de sociale woningbouw. Dit niveau is vastgesteld in
                                het Bouwbesluit 2012. Echter, persoonskenmerken en speciale
                                omstandigheden van belanghebbende kunnen het noodzakelijk maken van
                                dit uitgangspunt af te wijken.</al><al/><al>4.2.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het wonen in een
                                schoon en leefbaar huis</al><al/><al> &#x9f;Het gaat om alle activiteiten om het huis, exclusief de tuin, maar
                                inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden. Wanneer
                                er compenserende maatregelen worden getroffen, worden de
                                huishoudelijke taken in minuten berekend, met als richtlijn
                                hoofdstukken 5 en 6 uit het document: ’Richtlijn Indicatieadvisering
                                Hulp bij het Huishouden (MO-Zaak, 2011)’ (zie bijlage 3 bij deze
                                beleidsregels). Deze richtlijnen gelden slechts als afwegingskader
                                voor het bepalen van het volume. De ondersteuning wordt op basis van
                                de persoonlijke situatie van belanghebbende ingezet. De Wmo
                                consulent kan zo nodig de tijd die nodig is om bepaalde activiteiten
                                uit te voeren naar boven en beneden bijstellen. &#x9f;Ook bij
                                mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon huis. Dit
                                kan in twee situaties het geval zijn. Bij de eerste situatie komt de
                                mantelzorger aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot een schoon en
                                leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van
                                (dreigende) overbelasting. Een tweede situatie is dat de
                                mantelzorger niet toekomt aan het schoonmaken van het eigen huis. In
                                beide situaties kan het college via de verzorgde compenserende
                                maatregelen treffen. </al><al/><al/><al>4.3. Het wonen in een geschikt huis</al><al/><al/><al>4.3.1. Inleiding</al><al>‘Het wonen in een geschikt huis’ valt onder artikel 4 lid 1 van de
                                Wmo. De compenserende maatregel moet erop gericht zijn de
                                beperkingen die iemand bij het normale gebruik van de woning
                                ondervindt weg te nemen. Het begrip ‘normale gebruik van de woning’
                                houdt in dat mensen de normale (elementaire) woonfuncties moeten
                                kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen
                                van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en
                                verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woningen
                                de verzorging van kinderen. Een belangrijke voorwaarde voor
                                compensatie is dat er al een woning is. Iedere Nederlandse burger
                                moet zelf voor een woning zorgen. De compensatieplicht betreft het
                                uitrustingsniveau van de sociale woningbouw, zoals vastgesteld in
                                het Bouwbesluit 2012. Woonvoorzieningen op dat uitrustingsniveau
                                zijn van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen
                                hoeven niet te worden verstrekt. Ook ten aanzien van de te hanteren
                                afschrijftermijnen wordt aangesloten bij het niveau van de sociale
                                woningbouw.</al><al/><al/><al>4.3.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het wonen in een
                                geschikt huis</al><al> &#x9f;Iedereen moet zelf zorgdragen voor een woning. Daarbij mag er
                                vanuit worden gegaan dat er redelijkerwijs rekening wordt gehouden
                                met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Bij grote
                                aanpassingen aan de eigen woning wordt beoordeeld of verhuizing
                                (naar een al geheel aangepaste woning, of bijvoorbeeld naar een
                                goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning) de goedkoopste en
                                meest compenserende oplossing is. Wanneer verhuizen naar een andere
                                woning compenserend is, en ook de goedkoopste oplossing, spelen niet
                                alleen deze twee criteria een rol in de beoordeling. Persoonlijke en
                                sociale aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de
                                verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in
                                verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en
                                contra verhuizing op basis van het sociale leven van belanghebbende
                                en eventueel aanwezige mantelzorg. Aan een besluit gaat een zeer
                                zorgvuldige afweging van alle argumenten vooraf. Ook wanneer het om
                                een mantelzorgwoning gaat, gaat het college uit van de eigen
                                verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door
                                zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de
                                woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij moet als
                                uitgangspunt genomen worden dat de zorgvrager ten minste dezelfde
                                huisvestingskosten besteedt aan het gebruik van de mantelzorgwoning
                                als hij besteedde voordat er mantelzorg verleend werd. Daarbij kan
                                gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen
                                enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen
                                worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een
                                lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen.
                                De Wmo consulent kan adviseren/informeren en ondersteunt zo veel
                                mogelijk als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de
                                ruimtelijke ordening. Een aanbouw wordt alleen geplaatst als van
                                tevoren vaststaat dat inpandige aanpassing onmogelijk is en als de
                                aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van
                                woningcorporaties het geval is. Bij eigen woningen is de kans op
                                hergebruik miniem. Daarom kiest het college bij eigen woningen als
                                het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse
                                woonunit. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt
                                het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee
                                belanghebbende zo nodig meerdere offertes op kan vragen. Het
                                aanpassen van doelgroepengebouwen gebeurt conform de afspraken zoals
                                die door het college zijn of worden gemaakt met de (toekomstige)
                                eigenaar van deze woningen. Het college betaalt een financiële
                                tegemoetkoming en een pgb voor een bouwkundige aanpassing aan een
                                woning uit aan de eigenaar van de woning (artikel 7 lid 2 Wmo). Hier
                                betaalt belanghebbende een eigen aandeel/eigen bijdrage voor. De
                                beschikking wordt verstuurd aan de belanghebbende, eventueel met een
                                afschrift aan de eigenaar. Het college kan een niet-bouwkundige
                                aanpassing aan de woning in natura en als pgb verstrekken aan
                                belanghebbende. Hier betaalt belanghebbende een eigen bijdrage voor.
                                &#x9f;Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt
                                het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij
                                tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend
                                moeten worden. De normbedragen die gebruikt worden voor de kosten
                                van compensatie zijn, voor zover van toepassing, de bedragen die
                                NIBUD hiervoor hanteert. </al><al/><al>4.4. Boodschappen doen en maaltijden aanreiken </al><al/><al/><al>4.4.1. Inleiding</al><al>De compensatieplicht voor ‘boodschappen doen’ is beperkt tot de
                                levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks
                                gebruikt worden in elk huishouden. Hieronder vallen dus niet de
                                grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals
                                apparaten.</al><al/><al>Het is maatschappelijk aanvaard dat mensen geclusterd boodschappen
                                doen voor een aantal dagen achterelkaar. Hier wordt bij de invulling
                                van dit resultaat bij aangesloten: -uitgegaan wordt van eenmaal per
                                week boodschappen doen. Hierbij geldt dat er zo veel mogelijk
                                gebruik wordt gemaakt van een boodschappenservice, van supermarkten
                                of vrijwilligersorganisaties.</al><al/><al>Voor het bereiden/aangereikt krijgen van maaltijden kan in sommige
                                gevallen gebruik worden gemaakt van een maaltijdservice. Ook zijn er
                                kant- en klaar maaltijden te koop in de supermarkt die soms
                                (tijdelijk) een oplossing kunnen bieden.</al><al/><al/><al>4.4.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Boodschappen doen
                                en maaltijden aanreiken</al><al> &#x9f;Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen voor levens-
                                en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de
                                bereiding van maaltijden. Het doen van boodschappen is uitstelbare
                                hulp, het bereiden van maaltijden is niet-uitstelbare hulp. Voor
                                dergelijke situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van
                                gebruikelijke zorg, het college compenseert ten einde het resultaat
                                te bereiken. Wanneer er compenserende maatregelen worden getroffen,
                                wordt de omvang van de ondersteuning in minuten berekend, met als
                                richtlijn hoofdstukken 5 en 6 uit het document: ’Richtlijn
                                Indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden (MO-Zaak, 2011)’ (zie
                                bijlage 3 bij deze beleidsregels). Deze richtlijnen gelden slechts
                                als afwegingskader voor het bepalen van het volume. De ondersteuning
                                wordt op basis van de persoonlijke situatie van belanghebbende
                                ingezet. De Wmo consulent kan zo nodig de tijd die nodig is om
                                bepaalde activiteiten uit te voeren naar boven en beneden
                                bijstellen. Bij boodschappen is het uitgangspunt: eenmaal in de week
                                boodschappen doen. Wanneer blijkt dat alleen meer dan eenmaal in de
                                week boodschappen doen tot het te bereiken resultaat leidt, wijkt
                                het college van dit uitgangspunt af. In het geval van (dreigende)
                                overbelasting van de mantelzorger(s) kan een individuele voorziening
                                aan de verzorgde worden toegekend. Deze voorziening kan dan niet –
                                als het een pgb betreft - door de mantelzorger worden ingevuld: het
                                gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Het college kan ook
                                op voorhand rekening houden met periodes van afwezigheid van de
                                mantelzorger voor bijvoorbeeld vakantie. </al><al/><al>4.5 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding</al><al/><al/><al>4.5.1 Inleiding</al><al>De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat schoongemaakt worden.
                                Dit betekent het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken en
                                eventueel repareren van kleding.</al><al/><al>Het gaat hier om de normale dagelijkse kleding. Uitgangspunt is dat
                                belanghebbende zo veel mogelijk rekening houdt met zijn/haar
                                beperkingen bij het kopen van kleding. Gedacht kan worden aan het
                                inkopen van kleding die zo min mogelijk gestreken hoeft te worden.
                                Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken
                                van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen,
                                zoals een wasmachine en een droger.</al><al/><al/><al>4.5.2 Specifieke afwegingen voor het resultaat: Beschikken over
                                schone, draagbare en doelmatige kleding</al><al/><al> &#x9f;De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding bestaat
                                uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht verstelwerk,
                                zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop.
                                Bij de berekening van de omvang van de ondersteuning wordt er zo
                                veel mogelijk aansluiting gezocht bij hoofdstukken 5 en 6 uit het
                                document: ‘Richtlijn Indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden
                                (MO-Zaak, 2011)’ (zie bijlage 3 bij deze beleidsregels). &#x9f;Er worden
                                geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed gestreken. Bij
                                beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding gaat het
                                over het algemeen om uitstelbare taken. Alleen als de was niet kan
                                blijven liggen moet dat direct gebeuren. Voor dergelijke situaties
                                kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg,
                                het college compenseert om het resultaat te bereiken. </al><al/><al/><al/><al/><al/><al>4.6. Het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren</al><al/><al/><al>4.6.1. Inleiding</al><al>De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste
                                instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg
                                voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de
                                kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen
                                (grootouders, kinderopvang), maar het is een eigen
                                verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide
                                ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te
                                vangen. In die situatie moet men een permanente oplossing
                                zoeken.</al><al/><al>De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de
                                ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken.
                                Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht
                                kan worden naar een permanente oplossing. Het college compenseert
                                alleen wanneer een van de/beide ouders/verzorgers zich met een
                                hulpvraag bij het college meldt/melden.</al><al/><al/><al>4.6.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het thuis zorgen
                                voor kinderen die tot het gezin behoren</al><al> Wanneer het gaat om tijdelijke opvang gaat het om die tijden dat de
                                partner vanwege werkzaamheden niet thuis is. Wanneer er
                                compenserende maatregelen worden getroffen, wordt bij het bepalen
                                van de omvang zo veel mogelijk aangesloten bij hoofdstuk 5 en 6 uit
                                het document: ’Richtlijn Indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden
                                (MO-Zaak, 2011)’ (zie bijlage 3 bij deze beleidsregels). Deze
                                richtlijnen gelden slechts als afwegingskader voor het bepalen van
                                het volume. De ondersteuning wordt op basis van de persoonlijke
                                situatie van belanghebbende ingezet. De Wmo consulent kan zo nodig
                                de tijd die nodig is om bepaalde activiteiten uit te voeren naar
                                boven en beneden bijstellen. Bij de toekenning stelt het college bij
                                beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke
                                wijze gezocht moet worden naar een definitieve oplossing. </al><al/><al/><al>4.7. Het zich in en om de woning verplaatsen</al><al/><al/><al>4.7.1. Inleiding</al><al>Om verschillende activiteiten in het dagelijks leven zelfstandig uit
                                te kunnen voeren, moet men in staat zijn zich in en om het huis te
                                kunnen verplaatsen. Om de effecten van de mobiliteitsbeperkingen op
                                de (maatschappelijke) participatie van belanghebbende op te heffen,
                                heeft de Wmo het college tot compensatie verplicht.</al><al/><al/><al>4.7.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het zich in en om
                                de woning verplaatsen</al><al> &#x9f;Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent
                                dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden
                                gedaan. Wanneer het noodzakelijk is dat het college compenseert, zet
                                het college ondersteuning in om verplaatsingen in en om het huis
                                mogelijk te maken. Als er noodzaak bestaat voor ondersteuning voor
                                dagelijks zittend gebruik, stelt het college via een medisch en al
                                dan niet ergotherapeutisch advies een programma van eisen op. </al><al>4.8. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</al><al/><al/><al>4.8.1. Inleiding</al><al>Het zich lokaal/regionaal verplaatsen per vervoermiddel is de
                                mogelijkheid om zich in de eigen woon- en leefomgeving/regio te
                                verplaatsen. Het gaat hierbij om vervoer in de vrije tijd, dus niet
                                naar werk, school of dagbesteding. Reizen in de vrije tijd is
                                bijvoorbeeld een rit naar de supermarkt, naar de sportclub of naar
                                familie. Voor reizen naar het werk, een opleiding of naar
                                dagbesteding bestaan aparte regelingen. Het vervoer voor
                                verplaatsingen van meer dan 5 vervoerszones (bovenregionaal vervoer)
                                wordt uitgevoerd door Valys in opdracht van het ministerie van
                                VWS.</al><al/><al/><al>4.8.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het zich lokaal
                                verplaatsen per vervoermiddel</al><al> Het resultaat ‘het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel’ gaat
                                om dagelijkse/recreatieve verplaatsingen binnen een straal van 5
                                vervoerszones. &#x9f;Wanneer het noodzakelijk is dat het college
                                compenseert, zet het college ondersteuning in om lokale/regionale
                                verplaatsingen mogelijk te maken. Hierbij staat de vervoersbehoefte
                                van belanghebbende centraal en wordt de compensatie afgestemd op de
                                vervoersbehoefte van belanghebbende. Kan men geen 800 meter
                                zelfstandig en in een redelijk tempo afleggen, al dan niet met
                                hulpmiddelen, dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet
                                te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar zijn er beperkingen bij
                                het vervoer zelf, zoals het in- en uitstappen, het zitten, het zich
                                staande kunnen houden bij het wegrijden of afremmen dan kan het
                                college compenserende maatregelen treffen om het resultaat te
                                bereiken. Het resultaat ’het zich lokaal/regionaal verplaatsen per
                                vervoermiddel’ kan als individuele voorziening door zowel een
                                toekenning in natura als via een pgb worden bereikt. Voor zowel
                                ondersteuning in natura als in de vorm van een pgb betaalt
                                belanghebbende een eigen bijdrage. Wanneer belanghebbende voldoende
                                gecompenseerd is via het collectief vervoer, wordt alleen een pgb
                                verstrekt wanneer een verstrekking in natura niet voldoende
                                compenserend is en niet bijdraagt aan het bereiken van het
                                resultaat. Wanneer voor het collectief vervoer standaard ook een pgb
                                zou moeten worden verstrekt, zou namelijk de mogelijkheid bestaan
                                dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit
                                vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van
                                collectief vervoer zou zo de natura voorziening wegvallen. &#x9f;Wanneer
                                het college om het resultaat te bereiken compenseert, moet de
                                voorziening belanghebbende in staat stellen om ten minste een
                                afstand van 2500 km per jaar kunnen afleggen. Als daar aanleiding
                                voor is kan het college dit aantal ophogen. Wanneer het college via
                                collectieve voorzieningen compenseert, kan belanghebbende voor
                                gebruik van de voorziening een (reizigers)bijdrage moeten betalen in
                                de vorm van (een deel van) het tarief dat voor de voorziening geldt. </al><al/><al/><al>4.9. Het ontmoeten van medemensen en het aangaan/onderhouden van
                                sociale verbanden</al><al/><al>4.9.1. Inleiding</al><al>Het gaat bij dit resultaat om de mogelijkheid deel te nemen aan
                                recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil
                                zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een
                                belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken
                                resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</al><al/><al/><al>4.9.2. Specifieke afwegingen voor het resultaat: Het ontmoeten van
                                medemensen en het aangaan/onderhouden van sociale verbanden</al><al> Het resultaat ‘het ontmoeten van medemensen en het
                                aangaan/onderhouden van sociale verbanden’ gaat om het kunnen
                                afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan gewenste
                                activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het
                                bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het
                                deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van
                                cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen
                                invullen. </al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Hoe te komen tot de te bereiken resultaten </titel></kop><structuurtekst><al>5.1 Aanmelding voor een gesprek</al><al>Het proces van vraag naar ondersteuning begint met een gesprek
                                tussen belanghebbende en een Wmo consulent. Belanghebbende moet zich
                                voor dit gesprek aanmelden. Dit doet hij bij voorkeur via een
                                contactformulier. Dit contactformulier is ook digitaal (als
                                e-formulier) beschikbaar op de website van de gemeente Eemnes. Ook
                                is het mogelijk om zich mondeling of per e-mail voor een gesprek aan
                                te melden.</al><al/><al>De afspraak voor het gesprek wordt binnen 10 dagen na de aanmelding
                                gemaakt, in noodsituaties eerder. Hierdoor hebben beide partijen de
                                gelegenheid zich op het gesprek voor te bereiden. Het gesprek zelf
                                volgt zo spoedig mogelijk. Nadat er een afspraak ingepland is,
                                stuurt de Wmo consulent belanghebbende een vragenlijst waarin de te
                                bespreken onderwerpen/vragen staan.</al><al/><al/><al>5.2 Het gesprek</al><al>Wanneer belanghebbende zich tot het college wendt met een hulpvraag,
                                wordt in eerste instantie een gesprek gevoerd met een Wmo consulent.
                                Het doel van het gesprek is het vaststellen van de
                                ondersteuningsbehoefte. Gekeken wordt naar een of meer te bereiken
                                resultaten en de oplossingen die daarbij passen, inclusief de eigen
                                mogelijkheden. Dit alles binnen het kader van de compensatieplicht.
                                Het gesprek gaat in op de knelpunten die belanghebbende ondervindt
                                bij zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Hierbij
                                staan de mogelijkheden die belanghebbende ondanks zijn beperkingen
                                heeft centraal. De eigen oplossingen die belanghebbende, eventueel
                                samen met het sociale netwerk, kan organiseren nemen een sterke
                                positie in tijdens het gesprek.</al><al/><al>Om vanuit een integrale benadering met de hulpvraag van
                                belanghebbende om te gaan, en optimaal maatwerk te kunnen leveren,
                                gaat het gesprek in op meerdere levensdomeinen. De te bespreken
                                levensdomeinen zijn in ieder geval:</al><al> daginvulling (de tijd tussen opstaan en naar bed gaan) wonen
                                (verblijf en onderdak) huishouding (wassen, koken, schoonmaken,
                                boodschappen doen) vrijetijdsbesteding (plezier van een hobby,
                                liefhebberij of bezigheid) inkomsten en uitgaven (over geld dat
                                binnenkomt en weer uit gaat) sociale contacten (de omgang met
                                familie, vrienden, kennissen) (verder) leren (een opleiding of
                                cursus nodig hebben of erbij willen doen) vervoer en mobiliteit
                                (verplaatsingen van A naar B) zelfverzorging (de dagelijkse
                                verzorging) zorg voor een ander (dagelijkse verzorging van anderen)
                                administratie (persoonlijke boekhouding bijhouden en papieren
                                bewaren) </al><al>Tijdens het gesprek is belanghebbende altijd vrij om andere
                                onderwerpen te bespreken. Het gesprek gaat per levensdomein in op in
                                ieder geval de volgende vragen:</al><al> Of belanghebbende belemmeringen ondervindt op het betreffende
                                levensdomein en zo ja, welke. Of belanghebbende wenst dat er iets
                                aan de belemmeringen wordt gedaan. Welke oplossingen volgens
                                belanghebbende de belemmeringen weg zouden kunnen nemen. Wat
                                belanghebbende zelf, eventueel in samenwerking met het sociale
                                netwerk, kan doen om oplossingen te realiseren. Waar belanghebbende
                                hulp van anderen, bijvoorbeeld de gemeente, hulpverleners,
                                instanties nodig heeft. </al><al>Belanghebbende kan zelf kwaliteiten hebben die hij graag voor
                                anderen inzet. In het gesprek wordt daarom stilgestaan bij de vraag
                                wat belanghebbende zelf voor anderen kan betekenen (wederkerigheid).
                                Ook de inzet van ervaringsdeskundigheid en kennis wordt benut,
                                bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van beleid en de kwaliteit van de
                                Wmo uitvoering.</al><al/><al>Het gesprek wordt volledig afgestemd op de wensen en behoeften van
                                belanghebbende. Het staat belanghebbende vrij om voor hem/haar
                                relevante personen bij het gesprek aanwezig te laten zijn. Het
                                gesprek wordt bij belanghebbende thuis gevoerd. Als belanghebbende
                                dit wenst kan het gesprek in het Wmo-loket van de gemeente Eemnes
                                plaatsvinden.</al><al/><al>Hoe breed het gesprek over de ondersteuningsbehoefte is, verschilt
                                van situatie tot situatie. Het gesprek en de formele beoordeling van
                                een individuele aanvraag zijn verschillende zaken, ook al loopt het
                                in de praktijk wel eens door elkaar heen. Dankzij het gesprek kan
                                een eventuele formele procedure vlotter doorlopen worden.</al><al/><al/><al>5.3 Het verslag</al><al>Elk gesprek wordt in een verslag vastgelegd. Het belangrijkste is de
                                formulering van het te bereiken resultaat, de daarbij horende
                                oplossing en de afspraken over de manier waarop het resultaat
                                bereikt wordt. Wanneer belanghebbende na een gesprek een aanvraag
                                voor een individuele voorziening indient, speelt het verslag een rol
                                in de eventuele verdere procedure. Het verslag bevat in ieder
                                geval:</al><al> Een omschrijving van de beperking, het chronisch psychisch probleem
                                en/of het psychosociaal probleem zoals ervaren door belanghebbende.
                                De mogelijkheden die belanghebbende heeft ondanks dit probleem. De
                                problemen die belanghebbende ondervindt op basis van dit probleem.
                                De resultaten die belanghebbende wil bereiken op de in artikel 4 lid
                                1 Wmo omschreven terreinen. Wat belanghebbende zelf, eventueel met
                                hulp van anderen/het sociale netwerk kan doen om oplossingen te
                                bewerkstelligen. Wat belanghebbende zelf kan betekenen voor anderen.
                                Welke ondersteuning er van instanties/gemeente/hulpverleners nodig
                                is. </al><al>Na het gesprek met de Wmo consulent ontvangt belanghebbende een
                                verslag van het gesprek. Hoe uitgebreid het verslag is kan met
                                belanghebbende worden afgestemd. Vaak voldoet een beknopte
                                terugkoppeling van de belangrijkste conclusies uit het gesprek.</al><al/><al/><al>5.4 De aanvraag en motivering</al><al>Als uit het gesprek blijkt dat het nodig is dat het college een
                                individuele voorziening als compenserende maatregel treft, dan moet
                                belanghebbende hier een formele aanvraag voor indienen.
                                Belanghebbende kan de aanvraag doen via een daarvoor bestemd
                                aanvraagformulier. Ook als uit het gesprek duidelijk gebleken is dat
                                een bepaald individuele voorziening niet de geschikte compenserende
                                maatregel vormt, kan belanghebbende desondanks een aanvraag
                                indienen. Dit recht op het indienen van een aanvraag is in de
                                Algemene wet bestuursrecht vastgesteld.</al><al/><al>Binnen de Wmo draait het om maatwerk: belanghebbenden met dezelfde
                                beperkingen zijn niet altijd met dezelfde oplossingen geholpen.
                                Wanneer het gaat om het wel/niet treffen van compenserende
                                maatregelen heeft het college een expliciete, verzwaarde
                                motiveringsplicht bij primaire beslissingen en beslissingen op
                                bezwaar (artikel 26, Wmo). Deze bijzondere motiveringsplicht beoogt
                                de rechtsbescherming van de aanvrager te beschermen, juist omdat
                                vanuit het principe van maatwerk (= uitgaan van ongelijkheid) de
                                resultaatverplichting van het college wordt ingevuld. Vindt er geen
                                uitgebreide inventarisatie naar de persoonlijke situatie van
                                belanghebbende plaats, dan komt een genomen besluit in aanmerking
                                voor vernietiging wegens strijd met artikel 3(.2) van de Algemene
                                wet bestuursrecht. Hierin zijn verplichtingen ten aanzien van het
                                verkeer tussen burgers en bestuursorganen geregeld. Het college moet
                                goed motiveren waarom een bepaalde voorziening wordt ingezet en een
                                andere voorziening niet. Ook moet het college onderbouwen hoe dit
                                besluit bijdraagt aan het bevorderen of het behoud van de
                                zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie van
                                belanghebbende. Dit alles moet het college in de beschikking
                                verwoorden. Om invulling te kunnen geven aan het principe van
                                ‘gemotiveerd maatwerk’, neemt het college bij de behandeling van de
                                aanvraag de conclusies uit het gesprek met de Wmo consulent als
                                vertrekpunt. Deze conclusies gebruikt het college als voornaamste
                                onderzoeksfeiten. In de beschikking staat in ieder geval het
                                volgende:</al><al>a. De belangrijkste conclusies uit het gesprek.</al><al>b. Het te bereiken resultaat.</al><al>c. De eigen oplossingen van belanghebbende om het resultaat te
                                bereiken.</al><al>d. Welke compenserende maatregelen het college treft om het
                                resultaat te bereiken en de omvang daarvan.</al><al>e. In welke vorm de compensatie plaatsvindt: in natura, als pgb of
                                als financiële tegemoetkoming.</al><al>f. Per wanneer de compensatie ingaat en de duur daarvan.</al><al>g.Bij ondersteuning in natura: welke organisatie de ondersteuning
                                levert.</al><al>h.De voorwaarden waaronder de compensatie plaatsvindt.</al><al>i. Indien van toepassing het opleggen van de eigen bijdrage of het
                                eigen aandeel.</al><al>j. De regels die gelden ten aanzien van de verantwoording van het
                                pgb/de financiële tegemoetkoming,</al><al/><al/><al>5.5 Advisering</al><al>Om de compensatieplicht van het college goed in te kunnen vullen is
                                het in sommige gevallen vereist om vanuit medisch oogpunt de
                                situatie van belanghebbende te onderzoeken. Dit betekent dat het
                                voor de Wmo consulent noodzakelijk kan zijn om in het kader van het
                                verrichten van nauwkeurig onderzoek, een (extern) medisch advies in
                                te winnen. Daar waar een besluit om medische gronden genomen is,
                                wordt dit onder andere met medische argumenten onderbouwd. Hier is
                                vaak een medisch advies voor nodig. Het opvragen van medische
                                gegevens vindt uitsluitend met toestemming van belanghebbende
                                plaats.</al><al/><al>Bij de medische advisering wordt de systematiek zoals neergelegd in
                                de International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenoemde ICF classificatie, gebruikt. De ICF is
                                een classificatie van het menselijk functioneren. Deze classificatie
                                is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en de met gezondheid
                                verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder
                                gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken en in een
                                zinvolle ordening geplaatst. Van de zeer uitgebreide ICF zijn met
                                name de lijsten met ’functies’ en ’activiteiten en participatie’ van
                                belang. De lijsten worden als bijlage bij dit hoofdstuk aan de
                                beleidsregels gevoegd.</al><al>Als er medisch onderzoek wordt verricht, geeft de Wmo consulent
                                eerst aan om welke stoornissen het gaat (de ICF is gericht op
                                functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenoemde
                                classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm van
                                de op het tweede niveau aangegeven functies (zie bijlage I bij dit
                                document). Het medisch advies binnen de kaders van de Wmo richt
                                zicht op problemen met functies die leiden tot stoornissen bij
                                activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de
                                compensatie op basis van de Wmo plaats moet vinden. Ook bij de
                                vermelding van deze stoornissen in ’activiteiten en participatie’
                                wordt gebruikgemaakt van het begrippenkader van de ICF. De indeling
                                van activiteiten en participatie is als bijlage 2 bij dit document
                                opgenomen.</al><al/><al>Als belanghebbende geen medewerking verleent kan de aanvraag buiten
                                behandeling worden geplaatst, omdat het college zo niet in staat
                                wordt gesteld om (op basis van gedegen onderzoek) een besluit te
                                nemen. Als dit aan de orde is, wordt altijd onderzocht of de
                                compensatienoodzaak op andere manier vast te stellen is.</al><al/><al/><al> 5.6 Alternatieven voor bezwaar </al><al>Als belanghebbende het niet eens is met de inhoud van een
                                beschikking heeft hij het recht om in bezwaar te gaan.</al><al/><al>Het college streeft ernaar om, voordat een negatief of afwijkend
                                besluit valt, belanghebbende in de gelegenheid te stellen hierop te
                                reageren. Zo is de kans groot dat eventuele fouten die het college
                                heeft gemaakt hersteld kunnen worden. Bij het in bezwaar gaan
                                bestaat de mogelijkheid samen nog eens naar het probleem te kijken.
                                Ook is mediation mogelijk, als belanghebbende en het college dat
                                wenselijk achten.</al><al/><al/><al>5.7 Doorlopende kwaliteits- en tevredenheidsmeting</al><al>Het college meet de kwaliteit van de dienstverlening/ondersteuning
                                door te onderzoeken in hoeverre de verstrekte voorzieningen
                                daadwerkelijk compenserend zijn en dus leiden tot het te bereiken
                                resultaat. Hiervoor worden belanghebbenden (telefonisch of
                                schriftelijk) bevraagd na het gesprek met de Wmo consulent.
                                Doelstelling is om zoveel mogelijk personen die een gesprek hebben
                                gevoerd met een Wmo consulent in een onderzoek te betrekken.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Bepalingen ten aanzien van de te verstrekken resultaatgerichte
                                voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>6.1 Vormen van maatwerkoplossingen</al><al>Individuele voorzieningen vormen per definitie een
                                maatwerkoplossing. De Wmo consultent verkent (vooral tijdens het
                                gesprek) per hulpvraag op welke manier in dit specifieke geval de
                                beperkingen zo veel mogelijk kunnen worden gecompenseerd. Hierbij
                                geeft de Wmo consulent inzicht in de oplossingspotentie van
                                individuele voorzieningen (functionaliteit). Wanneer uit het gesprek
                                blijkt dat een individuele voorziening leidt tot het
                                resultaat/voldoende compenserend is voor de beperkingen van
                                belanghebbende, gaat de Wmo consulent tijdens het gesprek al in op
                                het vervolgtraject om de compenserende maatregel te gebruiken/in te
                                zetten. Het gaat dan om de aanvraagprocedure, het eventuele
                                onderzoek, de beoordeling, de eigen bijdragen, het karakter van het
                                besluit, bezwaar en beroep, de rol van een eventueel
                                ondersteuningsplan, etc.</al><al/><al>Artikel 6 van de Wmo bepaalt in lid 1 het volgende:</al><al> “Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die
                                aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het
                                ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een
                                hiermee vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget,
                                waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in
                                artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij
                                hiertegen overwegende bezwaren bestaan.”</al><al/><al>Door deze bepaling zijn er in de Wmo drie vormen van compensatie
                                mogelijk om het resultaat te bereiken. De eerste vorm is compensatie
                                in natura. Daarmee wordt bedoeld dat het college een voorziening
                                verstrekt, die belanghebbende kant en klaar ontvangt. De tweede
                                mogelijkheid is een te ontvangen geldbedrag, het pgb. De derde vorm
                                van compensatie is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt uit
                                artikel 7, lid 2 Wmo: ‘Een persoonsgebonden budget en een financiële
                                tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of
                                aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.
                                Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing’. Artikel 7 van de Wmo
                                sluit ondersteuning in natura en als pgb uit wanneer het gaat om
                                bouwkundige woonvoorzieningen aan een bewoner van een huurwoning.
                                Het college is bij dergelijke voorzieningen verplicht om een
                                financiële tegemoetkoming te betalen aan de eigenaar van de
                                woning.</al><al/><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende vormen van
                                ondersteuning en de voorwaarden die hieraan gekoppeld zijn. In de
                                laatste paragraaf wordt ingegaan op de mogelijkheid om in bezwaar te
                                gaan en de alternatieven die er voor het bezwaar bestaan.</al><al/><al/><al> 6.2 Compensatie in natura </al><al>Een voorziening in natura is een voorziening die kant-en-klaar wordt
                                verstrekt. Het gaat dan om goederen of diensten, belanghebbende
                                ontvangt geen geldsom.</al><al/><al>De toekenning in natura vindt bij beschikking plaats. In de
                                beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder de compensatie
                                plaatsvindt. Voor individuele voorzieningen geldt dat
                                belanghebbenden een eigen bijdrage (in het geval van natura/pgb) of
                                een eigen aandeel (in het geval van een financiële tegemoetkoming)
                                betaalt. De definitieve eigen bijdrage kan niet worden genoemd omdat
                                alleen het CAK de definitieve berekening en de uiteindelijke inning
                                mag doen.</al><al/><al>Voor compensatie in natura geldt dat het college de
                                goederen/diensten van tevoren voor de klant heeft ingekocht.
                                Hiervoor heeft het college contracten met verschillende
                                aanbieders/leveranciers. Bij alle Wmo inkooptrajecten gelden de
                                volgende uitgangspunten:</al><al> De klant staat bij de inkoop centraal. De participatie van de
                                klant, vanaf het begin van het inkoopproces, wordt een belangrijke
                                voorwaarde. De wensen van de klant worden belangrijk voor het
                                bepalen van de kwaliteit van de Wmo voorziening. Belanghebbenden
                                worden nauwer betrokken bij het contractbeheer. De markt
                                (leveranciers/aanbieders) wordt nadrukkelijk betrokken bij de
                                innovatie en verbetering van de Wmo voorzieningen. De gemeenten
                                kopen afhankelijk van het product regionaal in en zorgen voor een
                                eenvoudige en transparante manier van inkoop. De Wmo contracten
                                worden afhankelijk van de schaal van inkoop regionaal beheerd. </al><al>Om de levering van kwalitatief hoogwaardige ondersteuning te borgen
                                evalueert het college de contracten constant. Het college kan haar
                                rol als toezichthouder op kwaliteit zo goed invullen, doordat zij
                                vroegtijdig belemmeringen weg kan nemen/kan inspelen op
                                ontwikkelingen en proactief kan zijn. Het waardeoordeel van de klant
                                neemt per contract een sterke positie in als prestatie-indicator;
                                dit oordeel speelt bij alle contracten voor voorzieningen in natura
                                een rol in het uiteindelijk besluit van het college om een contract
                                al dan niet te verlengen.</al><al/><al/><al> 6.3 Compensatie via een persoonsgebonden budget </al><al>Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag bedoeld om zelf
                                een individuele voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op
                                het pgb kan een eigen bijdrage in mindering worden gebracht.</al><al/><al>In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er ten
                                aanzien van het pgb uitzonderingen mogelijk zijn op de
                                keuzevrijheid. Daar waar er sprake is van zogeheten ‘overwegende
                                bezwaren’ kan het college besluiten niet te compenseren via een pgb.
                                Dit is vooral het geval wanneer personen van wie verwacht kan worden
                                dat zij niet met het beschikbare geld om kunnen gaan een pgb
                                aanvragen. Als dit het geval is, is het verstrekken van een pgb niet
                                het meest effectief om het vastgestelde resultaat te bereiken. Het
                                pgb biedt dan ook geen compensatie.</al><al/><al>Het college bepaalt de omvang van het pgb. In de Nadere regels
                                behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Eemnes 2013 wordt het pgb en de totstandkoming daarvan
                                nader omschreven. Er zijn twee mogelijkheden: enerzijds het pgb voor
                                de inkoop van diensten, anderzijds het pgb voor de aanschaf van
                                producten/goederen.</al><al/><al/><al>6.3.1 Pgb gericht op de inkoop van diensten</al><al>Bij een pgb voor de inkoop van diensten gaat het om de betaling van
                                tijd aan dienstverleners. De uitbetaling vindt dan ook plaats per
                                uur of een gedeelte daarvan. De geldende uurtarieven worden elk jaar
                                aangepast aan de economische ontwikkelingen en geïndexeerd. De
                                hoogte van het pgb hangt af van het aantal uren aan ondersteuning
                                dat belanghebbende toegekend krijgt.</al><al/><al>Berekening</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van het pgb wordt het tarief van
                                ondersteuning in natura/de goedkoopst-compenserende voorziening als
                                vertrekpunt genomen. Hierbij geldt dat het basisbedrag voor het pgb
                                80% van dit tarief bedraagt. HierhhhsDit omdat de gemiddelde omvang
                                van administratie/overheadkosten (20%) van het naturatarief
                                afgetrokken wordt. Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb is
                                bij wet bepaald (artikel 6.1 van de Wmo) dat het pgb vergelijkbaar
                                moet zijn met ondersteuning in natura. Ook moet het toereikend zijn
                                om de resultaatgerichte ondersteuning in te kopen. Om het pgb
                                resultaatgericht in te zetten wordt daarom ook per geval een
                                berekening gemaakt. Het pgb moet echter ten minste het bruto minimum
                                uurloonbedrag voor de uitvoering van de nodige dienst zijn. Daar
                                waar belanghebbende aantoonbaar niet in staat wordt gesteld om de
                                nodige ondersteuning in te kopen met een pgb van 80% van het tarief
                                van ondersteuning in natura/de goedkoopst-compenserende voorziening,
                                kan het college daarvan afwijken. Het pgb wordt dan aangepast aan
                                het geldbedrag dat nodig is om de ondersteuning te verwerven.</al><al>Het inkooptarief voor ondersteuning in natura wordt jaarlijks
                                geïndexeerd. Dit wordt vastgelegd in de contracten tussen de
                                gemeente en aanbieders.</al><al/><al>6.3.2 Pgb gericht op de inkoop van goederen</al><al>Ook bij de inkoop van goederen wordt het tarief voor ondersteuning
                                in natura als uitgangspunt genomen. Zoals in de nadere regels
                                behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Eemnes 2013 vermeld staat, moet belanghebbende de
                                ondersteuning volgens een programma van eisen aanschaffen en wordt
                                hierbij het pgb vastgesteld op 90% van het tarief voor ondersteuning
                                in natura/de goedkoopst-compenserende voorziening. Hierbij wordt
                                uitgegaan van de koopprijs. Ook voor het pgb gericht op de inkoop
                                van goederen geldt dat het college per geval een berekening maakt.
                                De omvang van het pgb moet voldoende zijn om de betreffende
                                compenserende maatregel (product) aan te schaffen. </al><al/><al>Berekening</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van het pgb wordt er rekening gehouden
                                met kosten die gemaakt worden aan onderhoud en reparatie. Het
                                college kan een financiële tegemoetkoming per jaar verstrekken voor
                                onderhouds- en reparatiekosten. De kosten worden op declaratiebasis
                                vergoed. De maximale vergoeding bedraagt de gemiddeld onderhouds- en
                                reparatiekosten van de goedkoopst-compenserende voorziening. Bij het
                                vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage kan meegenomen
                                worden in hoeverre een hergebruikt product voldoende compensatie
                                biedt. De hoogte van het pgb kan hierop worden aangepast. Het gaat
                                dan om een voorziening in depot.</al><al/><al/><al>6.3.3 Uitbetaling Pgb</al><al>De compensatie via een pgb vindt bij beschikking plaats. In deze
                                beschikking wordt vermeld wat de omvang van het pgb is, voor welk
                                resultaat het pgb ingezet moet worden, onder welke voorwaarden het
                                pgb wordt verstrekt en voor welke periode het pgb toegekend
                                wordt.</al><al/><al>Wanneer het gaat om de aanschaf van producten, wordt bij de
                                beschikking altijd een Programma van Eisen (PVE) gevoegd, waarin de
                                minimale eisen vermeld staan waar de in te kopen voorziening aan
                                moet voldoen. Dit PVE maakt deel uit van de beschikking. Het PVE
                                maakt duidelijk wat er met het pgb aangeschaft moet worden en aan
                                welke vereisten de aan te schaffen voorziening moet voldoen. Zo
                                wordt geborgd dat belanghebbende op de hoogte is van waar het pgb
                                aan besteed moet worden en welke (kwaliteits)eisen relevant zijn.
                                Wanneer belanghebbende toch een voorziening aanschaft die niet aan
                                dat programma van eisen voldoet, dan is dit in strijd met de
                                beschikking.</al><al/><al>Met betrekking tot het pgb neemt het college in de beschikking op
                                dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd
                                is. Zodra het college de beschikking heeft verzonden, wordt het pgb
                                beschikbaar gesteld. Dat kan in één keer, als daar aanleiding voor
                                is, of in termijnen. Afhankelijk van de situatie van belanghebbende
                                kan betaling van het pgb per vier weken geschieden, maar ook per
                                kwartaal of per half jaar.</al><al/><al/><al>6.3.4 Eigen bijdrage</al><al>Als er sprake is van een compenserende maatregel in de vorm van een
                                individuele voorziening, zowel in natura of een pgb, moet een eigen
                                bijdrage worden betaald. Dit is bepaald in artikel 20 van de
                                verordening. De omvang van de eigen bijdrage wordt vastgesteld op de
                                maximale eigen bijdrage binnen de kaders van artikel 4.1 en artikel
                                4.2 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Bij wet is
                                vastgesteld dat belanghebbenden die via een rolstoel gecompenseerd
                                worden voor hun mobiliteitsbeperkingen, geen eigen bijdrage hoeven
                                te betalen. Dit geldt ook voor individuele voorzieningen voor
                                kinderen jonger dan 18 jaar en voor aanvragers met een partner die
                                (permanent) verblijft in een AWBZ-instelling.</al><al/><al>Wanneer belanghebbende via het collectief vraagafhankelijk vervoer
                                gecompenseerd wordt voor mobiliteitsbeperkingen dan is er geen
                                sprake van een inkomens/vermogensafhankelijke eigen bijdrage, maar
                                van een reizigersbijdrage dat gelijk staat aan de geldende tarieven
                                van het reguliere OV. Belanghebbende betaalt deze eigen bijdrage
                                direct na het reizen aan de chauffeur, of laat de kosten door de
                                vervoerder automatisch afschrijven.</al><al/><al/><al>6.3.5 Vaststellen en innen van de eigen bijdrage</al><al>De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal
                                Administratie Kantoor (CAK). De hoogte van de eigen bijdrage is
                                afhankelijk van het inkomen en eventuele vermogen. De definitieve
                                vaststelling en de uiteindelijke inning vinden door het CAK
                                plaats.</al><al/><al>De maximale periodebijdrage wordt berekend met het verzamelinkomen
                                van twee jaar geleden. In 2013 doet men aangifte over 2012, dus dat
                                jaar is nog niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2011
                                in 2013 gebruikt wordt. Het verzamelinkomen is vastgesteld door de
                                Belastingdienst op basis van de belastingaangifte. Het
                                verzamelinkomen is het totaal van het inkomen uit de drie
                                ‘boxen’:</al><al> inkomsten uit werk, of een uitkering; inkomsten uit aandelen en
                                dividenden; opbrengsten uit beleggingen en spaargeld. </al><al/><al>Door een wijziging van de wet telt vanaf 2013 een extra deel van het
                                vermogen mee bij de berekening van de eigen bijdrage. Wanneer
                                belanghebbende belastingaangifte doet en vermogen heeft in box 3
                                telt 8% van de “grondslag sparen en beleggen” mee bij de berekening
                                van de eigen bijdrage. De “grondslag sparen en beleggen” is het deel
                                van het vermogen boven het heffingvrije vermogen.</al><al/><al>Een eigen bijdrage voor een pgb mag elke 4 weken gevraagd worden,
                                maar mag nooit hoger zijn dan de grens van 39 perioden. Ook mag de
                                eigen bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs van de voorziening.
                                Als er een pgb of een financiële tegemoetkoming met een eigen
                                aandeel verstrekt voor een voorziening die eigendom van
                                belanghebbende wordt, dan mag de eigen bijdrage voor niet meer dan
                                39 perioden van 4 weken worden gevraagd. Gaat het om een pgb voor
                                een doorlopende zaak die niet in eigendom wordt verstrekt, dan mag
                                de eigen bijdrage worden gevraagd zo lang als de voorziening wordt
                                gebruikt.</al><al/><al/><al>6.3.6 Ondersteuning beheer pgb</al><al>De ondersteuning bij het beheer van het pgb heeft alleen betrekking
                                op het budget voor de inkoop van diensten. Als belanghebbende
                                gecompenseerd wordt met een pgb voor inkoop van diensten, is hij
                                werkgever of opdrachtgever, met alle rechten en plichten die daarbij
                                horen.</al><al/><al>Als budgethouders die de werkgeversrol vervullen niet onder de
                                Regeling dienstverlening aan huis van de Belastingdienst vallen
                                moeten er loonheffingen, premies werknemersverzekeringen,
                                inkomensafhankelijk bijdrage Zvw en werkgeverslasten worden
                                afgedragen. Er moet een loonadministratie worden gevoerd, de wet
                                Poortwachter is van toepassing, etc.</al><al/><al>De Sociale Verzekeringsbank (SVB) biedt ondersteuning bij de
                                werkgevers-en opdrachtgeverstaken van budgethouders. De gemeente
                                heeft met de SVB een contract afgesloten dat het mogelijk maakt dat
                                belanghebbenden die na 1 januari 2007 via een pgb gecompenseerd
                                worden van deze diensten gebruik kunnen maken. De gemeente betaalt
                                de kosten van deze ondersteuning, maar deze is voor belanghebbende
                                kosteloos. De SVB hanteert voor haar diensten een tarief tegen
                                kostprijs, gebaseerd op het werkelijk gebruik van haar diensten door
                                de budgethouders uit de gemeente. De SVB biedt in ieder geval de
                                volgende diensten aan budgethouders:</al><al>• Advies over administratie, arbeidsrecht en
                                werkgeversverplichtingen</al><al>• Vergoeding van loonkosten</al><al>• Arbo-begeleiding bij ziekte van de zorgverlener</al><al>• Modelovereenkomsten</al><al>• Collectieve verzekeringen voor wettelijke aansprakelijkheid,
                                schade en rechtsbijstand</al><al>• Hulp bij de salarisadministratie (de SVB stuurt loonstroken en
                                zorgt ervoor dat de zorgverlener netto uitbetaald wordt)</al><al>• MijnPGB (met behulp van MijnPGB regelen budgethouders digitaal
                                persoonlijke zaken met de SVB).</al><al/><al/><al>6.3.7 Verantwoording pgb </al><al>Het college kan steekproefsgewijs een controle uitvoeren naar een
                                rechtmatige besteding van het pgb. Hierbij wordt willekeurig een
                                aantal belanghebbenden geselecteerd die een aantal voor het
                                onderzoek relevante documenten moeten aanleveren (zie hieronder).
                                Als belanghebbende geselecteerd wordt, dan moet hij de administratie
                                binnen zes weken nadat het college hierom gevraagd heeft overleggen.
                                Belanghebbenden aan wie een pgb is verstrekt moeten in ieder geval
                                de volgende stukken bewaren:</al><al/><al>Pgb voor de inkoop van diensten:</al><al> een overzicht van de loonadministratie met bewijsmiddelen
                                (declaraties van de persoon of instantie bij wie belanghebbende de
                                ondersteuning betrekt en bewijsstukken van betalingen aan de persoon
                                of instantie bij wie belanghebbende de ondersteuning betrekt). de
                                overeenkomst met de persoon of instantie bij wie belanghebbende de
                                ondersteuning betrekt. </al><al/><al>Pgb voor de inkoop van goederen:</al><al> de originele nota/factuur van de aangeschafte voorziening; het
                                betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening </al><al/><al>Het college kan tot vijf jaar nadat het pgb is besteed de gegevens
                                opvragen en controleren. Belanghebbende moet de administratie voor
                                een looptijd van minimaal vijf jaar bewaren. Is het pgb anders
                                besteed dan bedoeld, of kan belanghebbende de nodige stukken niet
                                overleggen, dan kan het college overwegen het pgb geheel of
                                gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij is leidend of er sprake was
                                van opzet of onwetendheid. Bij opzet moet afgewogen worden of
                                terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is
                                gedaan</al><al/><al> 6.4 De financiële tegemoetkoming en het eigen aandeel. </al><al>Naast in natura of in de vorm van een pgb kan het college de
                                compenserende maatregel ook als financiële tegemoetkoming
                                verstrekken. Het aantal mogelijkheden voor een financiële
                                tegemoetkoming is beperkt. Het gaat vooral om een bouwkundige
                                voorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de woning, een
                                verhuiskostenvergoeding, of een financiële tegemoetkoming voor het
                                gebruik van een taxi of rolstoeltaxi. De financiële tegemoetkoming
                                is groot genoeg om de aan te schaffen voorziening daadwerkelijk aan
                                te schaffen. Belanghebbende betaalt een eigen aandeel, dat op
                                dezelfde manier als de eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd
                                (zie 6.3.5). Wanneer het een niet forfaitaire financiële
                                tegemoetkoming betreft (zie hieronder) gelden voor het eigen aandeel
                                dezelfde regels als die voor de eigen bijdrage.</al><al>Een financiële tegemoetkoming kan forfaitair zijn. Hierbij geldt dat
                                het bedrag waarmee belanghebbende gecompenseerd wordt, los van het
                                inkomen wordt vastgesteld. De forfaitaire financiële tegemoetkoming
                                staat los van de werkelijke kosten en is niet per se een
                                kostendekkend bedrag. In de nadere regels behorende bij de
                                Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013
                                staan de maximale bedragen voor de forfaitaire financiële
                                tegemoetkomingen opgenomen.</al><al/><al>Ook ten aanzien van een financiële tegemoetkoming kan het college
                                steekproefsgewijs een controle uitvoeren naar de rechtmatige
                                besteding. Hierbij gelden dezelfde regels als voor een controle van
                                een rechtmatige besteding van het pgb (zie 6.3.7), Belanghebbende
                                moet dezelfde stukken binnen hetzelfde termijn kunnen overleggen.
                                Ook ten aanzien van de financiële tegemoetkoming geldt dat college
                                tot vijf jaar nadat de financiële tegemoetkoming is besteed, de
                                gegevens kan opvragen en controleren. Belanghebbende moet de
                                administratie voor een looptijd van minimaal vijf jaar bewaren. Is
                                de financiële tegemoetkoming anders besteed dan bedoeld, of kan
                                belanghebbende de nodige stukken niet overleggen, dan kan het
                                college overwegen de financiële tegemoetkoming geheel of
                                gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij is leidend of er sprake was
                                van opzet of onwetendheid. Bij opzet moet afgewogen worden of
                                terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is
                                gedaan.</al><al/><al/><al>6.5 Afschrijftermijn en opnieuw compenseren</al><al>Wanneer belanghebbende een pgb of financiële tegemoetkoming
                                ontvangen heeft en de ingekochte voorziening wenst te vervangen, dan
                                moet de voorziening aan vervanging toe zijn. Er wordt uitgegaan van
                                een gebruikelijke afschrijftermijn van minimaal zeven jaar. Een
                                dergelijke termijn geldt ook voor voorzieningen in natura. De
                                actuele voorziening moet minimaal zeven jaar oud voordat het college
                                opnieuw compenserende maatregelen treft. Als de voorziening na zeven
                                jaar niet versleten is, niet aan vervanging toe is en nog voldoende
                                compensatie biedt, gaat het college niet over tot het opnieuw
                                compenseren.</al><al/><al>Om goed rekening te houden met de persoonlijke situatie van
                                belanghebbende wordt bij de overweging om binnen de afschrijftermijn
                                opnieuw te compenseren onderzocht:</al><al> Of de voorziening is gebruikt met als doel het resultaat te
                                bereiken. Of de voorziening (aantoonbaar) goed en conform de
                                afspraken onderhouden is en de reguliere periodieke service en
                                onderhoudsbeurten heeft gehad. Hoe intensief de voorziening is
                                gebruikt. </al><al>Wanneer belanghebbende goed is omgegaan met de voorziening, de
                                voorziening voor de juiste doeleinden gebruikt heeft en zich heeft
                                gehouden aan de verantwoordelijkheden ten aanzien van het onderhoud,
                                dan kan als de situatie van belanghebbende zich daartoe leent,
                                opnieuw een compenserende maatregel worden getroffen en eventueel
                                opnieuw een pgb worden verstrekt.</al><al/><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Procedurele bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>7.1 Inwerkingtreding</al><al>De Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2011
                                worden ingetrokken per datum inwerkintreding van de Verordening wet
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2013. De
                                Beleidsregels behorende bij de Verordening wet maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Eemnes 2013 treden in werking per datum
                                inwerkintreding van de Verordening wet maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Eemnes 2013.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Eemnes
                        in de vergadering van 5 februari 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>ing. P.H. van Dijk R. van Benthem RA</ondertekening><ondertekening> secretaris burgemeester</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i231784.pdf">Bijlage 1 De ICF - Functies</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i231785.pdf">Bijlage 2 De ICF - Activiteiten en participatie</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Eemnes/i231786.pdf">Bijlage 3 Het normenkader ten aanzien van de resultaten</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>