<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR310069_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Steenbergse Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20horecawet/article=25a">Drank- en horecawet, art. 25a </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20horecawet/article=25b">Drank- en horecawet, art. 25b </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20horecawet/article=25c">Drank- en horecawet, art. 25c </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Drank-%20en%20horecawet/article=25d">Drank- en horecawet, art. 25d </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-02-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>toevoeging afd 8a, art 2:34a, 2:34b en 2:34c</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BM1302724</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenbergen;</al><al>In behandeling genomen het voorstel van het college d.d. 14 mei 2013</al><al>Gelet op:</al><al>artikel 147 van de Gemeentewet</al><al>Overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving
                        van de openbare orde</al><al>besluit :</al><al>vast te stellen de volgende Algemene plaatselijke verordening 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>INHOUDSOPGAVE</titel></kop><afdeling><kop><titel>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1:1
                                    Begripsbepalingen</al><al>Artikel 1:2
                                    Beslistermijn</al><al>Artikel 1:3 Indiening
                                    aanvraag</al><al>Artikel 1:4
                                    Voorschriften en beperkingen</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                    ontheffing</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                    ontheffing</al><al>Artikel 1:7
                                Termijnen</al><al>Artikel 1:8
                                    Weigeringsgronden</al><al>Artikel 1:9
                                    Toonplicht</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> AFDELING 1. BESTRIJDING VAN WANORDELIJKHEDEN</tussenkop><al>Artikel 2:1 Samenscholing en wanordelijkheden</al><tussenkop> AFDELING 2. BETOGING</tussenkop><al>Artikel 2:2 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare
                                        plaatsen</al><al>Artikel 2:4 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:5 [gereserveerd]</al><tussenkop> AFDELING 3. VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</tussenkop><al>Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van
                                        geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</al><tussenkop> AFDELING 4. VERTONINGEN EN DERGELIJKE OP DE WEG</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> AFDELING 5. BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</tussenkop><al>Artikel
                                        2:10 Voorwerpen op of aan de weg</al><al>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                        weg</al><al>Artikel 2:12 Maken of veranderen van een
                                    uitweg</al><tussenkop> AFDELING 6. VEILIGHEID OP DE WEG</tussenkop><al>Artikel 2:13 Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op
                                        de weg</al><al>Artikel
                                        2:14 Bruikbaar houden van de weg</al><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk
                                        voorwerp</al><al>Artikel 2:16 Openen straatkolken en
                                    dergelijke</al><al>Artikel 2:17 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en op
                                        natuurterreinen</al><al>Artikel 2:19 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:20 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en
                                        verlichting</al><al>Artikel 2:22 Objecten onder
                                    hoogspanningslijnen</al><al>Artikel 2:23
                                        Veiligheid op het ijs</al><tussenkop> AFDELING 7. EVENEMENTEN</tussenkop><al>Artikel 2:24
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 2:25
                                        Evenement</al><al>Artikel 2:25a
                                        Weigeren vergunning</al><al>Artikel 2:26
                                        Ordeverstoring</al><tussenkop> AFDELING 8. TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTNGEN</tussenkop><al>Artikel 2:27
                                        Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:28 Exploiteren en geopend hebben van een openbare
                                        inrichting</al><al>Artikel 2:29 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke
                                        sluiting</al><al>Artikel 2:31
                                        Verboden gedragingen</al><al>Artikel 2:32 Handel binnen openbare
                                    inrichtingen</al><al>Artikel 2:33 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:33a Gebruik van glas- en vaatwerk</al><al>Artikel 2:34 Het college als bevoegd
                                        bestuursorgaan</al><tussenkop> AFDELING 8A. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS
                                    BEDOELD IN DE DRANK- EN HORECAWET</tussenkop><al>Artikel 2:34a
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 2.34b schenktijden paracommerciële
                                        rechtspersonen</al><al>Artikel 2.34c bijeenkomsten bij paracommerciële
                                        rechtspersonen</al><tussenkop> AFDELING 9. TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                                    NACHTVERBLIJF</tussenkop><al>Artikel 2:35
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel
                                        2:36 Kennisgeving exploitatie</al><al>Artikel 2:37 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens
                                    nachtregister</al><tussenkop> AFDELING 10. TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</tussenkop><al>Artikel 2:39
                                        Speelgelegenheden</al><al>Artikel 2:40
                                        Kansspelautomaten</al><tussenkop> AFDELING 10A. TOEZICHT OP WINKELBEDRIJVEN</tussenkop><al>Artikel 2:40a
                                        Begripsbepalingen</al><al>Artikel 2:40b [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:40c
                                        Exploiteren inrichting; beslistermijn</al><al>Artikel 2:40d
                                        Gedragseisen</al><al>Artikel 2:40e
                                        Weigeringsgronden</al><al>Artikel 2:40f Aanwezigheid in gesloten
                                    inrichting</al><al>Artikel
                                        2:40g Aanwezigheid leidinggevende</al><al>Artikel 2:40h
                                        Intrekking vergunning</al><al>Artikel 2:40i
                                        Wijziging vergunning</al><al>Artikel 2:40j
                                        Overgangsbepaling</al><tussenkop> AFDELING 11. MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN
                                    BALDADIGHEID</tussenkop><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of
                                    lokaal</al><al>Artikel 2:42
                                        Plakken en kladden</al><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en
                                    dergelijke</al><al>Artikel
                                        2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde
                                    voorwerpen</al><al>Artikel 2:45 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:46 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare
                                        plaatsen</al><al>Artikel 2:48
                                        Verbod drankgebruik</al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in
                                    gebouwen</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
                                        toegankelijke ruimten</al><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen en
                                    dergelijke</al><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                        kermisterrein en dergelijke</al><al>Artikel 2:53 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:54 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:55 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:56 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:57 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:58 Overlast en verontreiniging door
                                        honden</al><al>Artikel 2:59
                                        Gevaarlijke honden</al><al>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of
                                        schadelijke dieren</al><al>Artikel 2:61 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:62 Loslopend
                                        vee</al><al>Artikel 2:63 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:64
                                    Bijen</al><al>Artikel 2:65
                                        Bedelarij</al><tussenkop> AFDELING 12. BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN
                                    GOEDEREN</tussenkop><al>Artikel 2:66
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                        verkoopregister</al><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van
                                        het Wetboek van Strafrecht</al><al>Artikel 2:69 [gereserveerd]</al><al>Artikel 2:70 [gereserveerd]</al><tussenkop> AFDELING 13. VUURWERK</tussenkop><al>Artikel 2:71
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van
                                        consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</al><al>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                        jaarwisseling</al><tussenkop> AFDELING 14. DRUGSOVERLAST</tussenkop><al>Artikel 2:74
                                        Drugshandel op straat</al><al>Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met
                                        drugs</al><al>Artikel 2:74b
                                        Openlijk drugsgebruik</al><al>Artikel 2:74c Achterlaten van spuiten en
                                        dergelijke</al><al>Artikel 2:74d Verblijfsontzegging/gebiedsverbod in verband
                                        met drugs</al><tussenkop> AFDELING 15. BESTUURLIJKE OPHOUDING /
                                    VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN / CAMERATOEZICHT OP OPENBARE
                                    PLAATSEN</tussenkop><al>Artikel 2:75
                                        Bestuurlijke ophouding</al><al>Artikel
                                        2:76 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare
                                    plaatsen</al><tussenkop> AFDELING 16. VERBLIJFSONTZEGGING / GEBIEDSVERBOD IN VERBAND
                                    MET ORDE EN VEILIGHEID</tussenkop><al>Artikel 2:78 Verblijfsontzegging / gebiedsverbod in verband
                                        met orde en veiligheid</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE EN
                                DERGELIJKE</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> AFDELING 1. BEGRIPSBEPALINGEN</tussenkop><al>Artikel 3:1
                                        Begripsbepalingen</al><al>Artikel 3:2
                                        Bevoegd bestuursorgaan</al><al>Artikel 3:3 Nadere
                                        regels</al><tussenkop> AFDELING 2. SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS
                                    EN DERGELIJKE</tussenkop><al>Artikel 3:4 Exploiteren seksinrichting of
                                        escortbedrijf</al><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en
                                    beheerder</al><al>Artikel 3:6
                                        Sluitingstijden</al><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                        (tijdelijke) sluiting</al><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                        beheerder</al><al>Artikel 3:9
                                        Straatprostitutie</al><al>Artikel 3:10 [gereserveerd]</al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                        dergelijke</al><tussenkop> AFDELING 3. BESLISTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</tussenkop><al>Artikel 3:12
                                        Beslistermijn</al><al>Artikel 3:13
                                        Weigeringsgronden</al><tussenkop> AFDELING 4. BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</tussenkop><al>Artikel 3:14
                                        Beëindiging exploitatie</al><al>Artikel 3:15
                                        Wijziging beheer</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN
                                ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> AFDELING 1. GELUIDHINDER EN VERLICHTING</tussenkop><al>Artikel 4:1
                                        Begripsbepalingen</al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve
                                    festiviteiten</al><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele
                                    festiviteiten</al><al>Artikel 4:4 [gereserveerd]</al><al>Artikel 4:5
                                        Onversterkte muziek</al><al>Artikel 4:6
                                        Overige geluidhinder</al><tussenkop> AFDELING 2. BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</tussenkop><al>Artikel 4:7 [gereserveerd]</al><al>Artikel 4:8
                                        Natuurlijke behoefte doen</al><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                        openbare riolen en putten buiten gebouwen</al><tussenkop> AFDELING 3. HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</tussenkop><al>[geregeld bij afzonderlijke verordening; geen nadere invulling
                                    van de artikelen 4:10, 4:11 en 4:12]</al><tussenkop> AFDELING 4. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN
                                    STANKOVERLAST</tussenkop><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                        afvalstoffen enzovoorts</al><al>Artikel 4:14 [gereserveerd]</al><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                                        reclame</al><al>Artikel 4:16 [gereserveerd]</al><tussenkop> AFDELING 5. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</tussenkop><al>Artikel 4:17
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                                        kampeerterreinen</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE
                                GEMEENTE</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> AFDELING 1. PARKEEREXCESSEN</tussenkop><al>Artikel 5:1
                                        Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en
                                        dergelijke</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>Artikel 5:4
                                        Defecte voertuigen</al><al>Artikel 5:5
                                        Voertuigwrakken</al><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens en
                                        andere</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</al><al>Artikel
                                        5:8 Parkeren van grote voertuigen</al><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                        voertuigen</al><al>Artikel 5:10 [gereserveerd]</al><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                                        voertuigen</al><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</al><tussenkop> AFDELING 2. COLLECTEREN</tussenkop><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</al><tussenkop> AFDELING 3. VENTEN</tussenkop><al>Artikel 5:14
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 5:15
                                        Ventverbod</al><al>Artikel
                                        5:16 Vrijheid van meningsuiting</al><tussenkop> AFDELING 4. STANDPLAATSEN</tussenkop><al>Artikel 5:17
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en
                                        weigeringsgronden</al><al>Artikel
                                        5:19 Toestemming rechthebbende</al><al>Artikel 5:20
                                        Afbakeningsbepalingen</al><al>Artikel 5:21 [gereserveerd]</al><tussenkop> AFDELING 5. SNUFFELMARKTEN</tussenkop><al>Artikel 5:22
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</al><tussenkop> AFDELING 6. OPENBAAR WATER</tussenkop><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar
                                        water</al><al>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                                        vaartuigen</al><al>Artikel 5:26
                                        Aanwijzingen ligplaats</al><al>Artikel
                                        5:27 Verbod innemen ligplaats</al><al>Artikel 5:28 Beschadigen van
                                    waterstaatswerken</al><al>Artikel 5:29
                                        Reddingsmiddelen</al><al>Artikel 5:30
                                        Veiligheid op het water</al><al>Artikel 5:31
                                        Overlast aan vaartuigen</al><tussenkop> AFDELING 7. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER
                                    IN NATUURGEBIEDEN</tussenkop><al>Artikel 5:31a
                                        Begripsbepalingen</al><al>Artikel 5:32
                                        Crossterreinen</al><al>Artikel 5:33 Beperking verkeer in
                                    natuurgebieden</al><tussenkop> AFDELING 8. VERBOD VUUR TE STOKEN</tussenkop><al>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                        inrichtingen of anderszins vuur te stoken</al><tussenkop> AFDELING 9. VERSTROOIEN VAN AS</tussenkop><al>Artikel 5:35
                                        Begripsbepaling</al><al>Artikel 5:36
                                        Verboden plaatsen</al><al>Artikel 5:37
                                        Hinder of overlast</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 6:1
                                    Strafbepaling</al><al>Artikel 6:2
                                    Toezichthouders</al><al>Artikel 6:3
                                    Binnentreden woningen</al><al>Artikel 6:4
                                    Inwerkingtreding</al><al>Artikel 6:5
                                    Overgangsbepaling</al><al>Artikel 6.6
                                    Citeertitel</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Toelichting</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titels algemene plaatselijke verordening 2013
                                (alfabetisch)</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Algemene Plaatselijke Verordening 2013</titel></kop><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 1:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn
                                            vastgesteld op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=20a">artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                                            1994</extref>;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het
                                            nemen van een besluit ten aanzien van een
                                            omgevingsvergunning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WABO/article=2.1">artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht</extref> of ten aanzien van een al
                                            verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>bouwwerk: hetgeen in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Bouwverordening#artikel-1-1-begripsomschrijvingen">artikel 1 van de Bouwverordening</extref> daaronder
                                            wordt verstaan;</al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en
                                            wethouders;</al></li><li nr="e."><al>gebouw: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=1">hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                                Woningwet</extref> daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="f."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen
                                            of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                                            commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="g."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar
                                            of op andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="h."><al>openbare plaats: hetgeen in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbare%20manifestaties/article=1">artikel 1 van de Wet openbare
                                                manifestaties</extref> daaronder wordt
                                            verstaan;</al></li><li nr="i."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap
                                            heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="j."><al>weg: hetgeen in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=1">artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                                Wegenverkeerswet</extref> daaronder wordt
                                            verstaan;</al></li><li nr="k."><al>werkdag: een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of
                                            vrijdag.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 1:2 Beslistermijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor
                                            een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de
                                            datum van ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht
                                            weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wabo/article=3.9">artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht</extref> van toepassing indien
                                            beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als
                                            bedoeld in artikel 2:10, eerste lid, artikel 2:11, eerste lid of artikel 2:12, eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet
                                            voor de beslissing op een aanvraag om een vergunning als
                                            bedoeld in artikel 2:40c, vierde lid en artikel
                                                3:12, eerste lid.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 1:3 Indiening aanvraag</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing
                                            wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip
                                            waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig
                                            heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet
                                            te behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen,
                                            vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid
                                            genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf
                                            weken.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan formulieren vaststellen
                                            voor het aanvragen van vergunningen en ontheffingen of
                                            het doen van kennisgevingen of meldingen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en
                                            beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en
                                            beperkingen strekken slechts tot bescherming van het
                                            belang of de belangen in verband waarmee de vergunning
                                            of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend,
                                            is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en
                                            beperkingen na te komen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                    ontheffing</tussenkop><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of
                                    krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de
                                    vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al><tussenkop> Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                    ontheffing</tussenkop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                    gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige
                                            gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de
                                            omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen
                                            van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging
                                            noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter
                                            bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                                            vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                            voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                            nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik
                                            wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan
                                            wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen
                                            een redelijke termijn; of</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 1:7 Termijnen</tussenkop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij
                                    bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van
                                    de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al><tussenkop> Artikel 1:8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het
                                    bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 1:9 Toonplicht</tussenkop><al>De houder van een vergunning of een ontheffing geeft deze op
                                    eerste vordering van een toezichthouder of opsporingsambtenaar
                                    ter inzage af.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 2. Openbare orde</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Bestrijding van WANORDELIJKHEDEN</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:1 Samenscholing en wanordelijkheden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats op enigerlei
                                            wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen,
                                            personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan
                                            een samenscholing, onnodig op te dringen of door
                                            uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                                            wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Degene die op een openbare plaats </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor
                                                  wanordelijkheden ontstaan of dreigen te
                                                  ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding
                                                  geeft tot toeloop van publiek waardoor
                                                  wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
                                                  of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                                  samenscholing;</al></li></lijst></li><li nr="is"><al>verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                            weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen
                                            richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op
                                            een openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde en
                                            veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden is
                                            afgezet.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of
                                            afsluiting van een gedeelte van een openbare plaats door
                                            of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te
                                            verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het
                                            derde lid gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van
                                            toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige
                                            en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de
                                            Wet openbare manifestaties.</al></li><li nr="7."><al>Op de ontheffing is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht">paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                                bestuursrecht</extref> (positieve fictieve
                                            beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                            toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Betoging</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:2</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare
                                    plaatsen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats
                                            een betoging te houden, waaronder begrepen een
                                            samenkomst als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20openbare%20manifestaties/article=3">artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                                manifestaties</extref>, geeft daarvan vóór de
                                            openbare aankondiging en ten minste achtenveertig uur
                                            voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis
                                            aan de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging
                                                  houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en
                                                  het tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de
                                                  route en de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                                  samenstelling; en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                                  treffen om een regelmatig verloop te
                                                  bevorderen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een
                                            bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is
                                            vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Indien het tijdstip van de betoging valt op een vrijdag
                                            na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                            erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk
                                            op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat
                                            vóór 12.00 uur.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op
                                            verzoek de in het eerste lid genoemde termijn verkorten
                                            en een mondelinge kennisgeving in behandeling
                                            nemen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:4</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:5</tussenkop><al>[gereserveerd]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven
                                    of gedrukte stukken of afbeeldingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                            afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel
                                            openlijk aan te bieden op door het college aangewezen
                                            openbare plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                            bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                            verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of
                                            geschreven stukken en afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in
                                            het eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> (positieve
                                            fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                            toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Afdeling 4. Vertoningen en dergelijke op de weg</tussenkop><al>[gereserveerd]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning
                                            (objectvergunning) van het bevoegde bestuursorgaan de
                                            weg of een weggedeelte of een andere openbare plaats
                                            anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                            functie en bestemming daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel
                                                  2:24;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel
                                                  5:17; en</al></li><li nr="c."><al>overige gevallen waarin krachtens een wettelijke
                                                  regeling het gebruik van een openbare plaats is
                                                  toegestaan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de
                                            volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan het bepaalde
                                            in de nadere regels uit hoofde van het vierde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>terrassen als bedoeld in artikel
                                                  2:27, onder b;</al></li><li nr="b."><al>uitstallingen;</al></li><li nr="c."><al>bouwobjecten;</al></li><li nr="d."><al>reclameborden;</al></li><li nr="e."><al>plantenbakken en banken;</al></li><li nr="f."><al>andere categorieën van voorwerpen die door het
                                                  college zijn aangewezen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien
                                            van de categorieën van voorwerpen als bedoeld in het
                                            derde lid.</al></li><li nr="5."><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen
                                            voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover
                                            dit een activiteit betreft als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WABO/article=2.2">artikel 2.2</extref>, eerste lid, onder j. of onder
                                            k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="6."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatwerken</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wegenverkeerswet%201994/article=5">artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994</extref> of
                                            de Verordening wegen Noord-Brabant.</al></li><li nr="7."><al>Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is
                                            paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                    weg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                            vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan
                                            op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard
                                            of breedte van de wegverharding te veranderen of
                                            anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg
                                            van een weg.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag,
                                                  indien de activiteiten zijn verboden bij een
                                                  bestemmingsplan of de beheersverordening; of</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing
                                            indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar
                                            lichaam publieke taken worden verricht.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties
                                            waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht,
                                            de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20beheer%20rijkswaterstaatswerken">Wet beheer rijkswaterstaatswerken</extref>, de
                                            Verordening wegen Noord-Brabant, de Keur waterschap
                                            Brabantse Delta, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Telecommunicatiewet">Telecommunicatiewet</extref> of de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/AVOI-Steenbergen">Algemene Verordening Ondergrondse
                                                Infrastructuren</extref>.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                            4.1.3.3 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht%20">Algemene wet bestuursrecht</extref> (positieve
                                            fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                            toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                            uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in
                                            een bestaande uitweg naar de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor
                                            categorieën van uitwegen die door het college zijn
                                            aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan,
                                            onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, worden
                                            geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                  omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                                  gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
                                            Rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Brabantse
                                            Delta of de Verordening wegen Noord-Brabant.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                                bestuursrecht</extref> (positieve fictieve
                                            beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                            toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 6. Veiligheid op de weg</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:13 Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de
                                    weg</tussenkop><al>Het is onverminderd de daaromtrent bestaande wettelijke
                                    bepalingen verboden op een weg voorwerpen, modder of stoffen,
                                    die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of
                                    slechte afwatering van de weg, of tot gevaarlijke situaties op
                                    de weg, aldaar in directe of indirecte zin te plaatsen, te
                                    werpen, uit te gieten, over te brengen, los te laten, te laten
                                    afvloeien of te laten vallen.</al><tussenkop> Artikel 2:14 Bruikbaar houden van de weg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In het belang van de orde en netheid van de weg, de
                                            veiligheid van het verkeer, het voorkomen van
                                            beschadiging van het wegdek en de afwatering van de weg
                                            is het degene, door wiens handelen of toe doen een of
                                            meer voorwerpen, modder of stoffen als bedoeld in
                                            artikel 2:13 op een weg zijn geraakt, verboden deze
                                            daarop te laten.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op deze belangen dient de in het eerste lid
                                            bedoelde persoon de weg terstond dan wel op aanwijzing
                                            van politiefunctionarissen of gemeenteambtenaren te
                                            ontdoen of te laten ontdoen van voorwerpen of stoffen
                                            als bedoeld in artikel 2:13.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk
                                    voorwerp</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te
                                            brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het
                                            wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er
                                            op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar
                                            ontstaat.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ten aanzien van het in het eerste lid
                                            bepaalde nadere regels stellen in het belang van de
                                            veiligheid op de weg.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke</tussenkop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, een rioolput, een brandkraan of een andere
                                    afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te
                                    openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><tussenkop> Artikel 2:17</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en op
                                    natuurterreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan
                                            wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig
                                            meter daarvan: </al><lijst><li nr="a."><al>te roken gedurende een door het college
                                                  aangewezen periode;</al></li><li nr="b."><al>voor zover het de open lucht betreft, brandende
                                                  of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te
                                                  werpen of te laten liggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing
                                            op situaties waarin wordt voorzien door <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=429">artikel 429</extref>, aanhef en onder 3, van het
                                            Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover
                                            het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                            erven.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:19</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:20</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en
                                    verlichting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te
                                            laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of
                                            voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare
                                            verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd
                                            of verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                            waarin wordt voorzien door de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterstaatswet%201900">Waterstaatswet 1900</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Onteigeningswet">Onteigeningswet</extref> of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Belemmeringenwet%20Privaatrecht">Belemmeringenwet Privaatrecht</extref>.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijnen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                            weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                            bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                            houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te
                                            merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen
                                            of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen
                                            indien de elektrische spanning van de bovengrondse
                                            hoogspanningslijn dat toelaat.</al></li><li nr="3."><al>Het is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken
                                            van een hoogspanningslijn.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                                bestuursrecht</extref> (positieve fictieve
                                            beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                            toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                  beschadigen, te verontreinigen, te versperren of
                                                  het verkeer daarop op enige andere wijze te
                                                  belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                  veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde
                                                  ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                  beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                  daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                            Verordening Water Noord-Brabant.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 7. Evenementen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:24 Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke
                                            voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met
                                            uitzondering van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                                  onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van
                                                  deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de
                                                  kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en
                                                  Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als
                                                  bedoeld in de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>de activiteit als bedoeld in artikel 2:39 van
                                                  deze verordening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als
                                                  bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de
                                                  weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of
                                                  aan de weg;</al></li><li nr="e."><al>een straatfeest of buurtbarbecue op één
                                                  dag.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:25 Evenement</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                            vergunning van de burgemeester een evenement te
                                            organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Geen vergunning is vereist voor een eendaags evenement,
                                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan
                                                  tweehonderdvijftig personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 09.00 uur en 23.00 uur
                                                  plaats vindt;</al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00
                                                  uur of na 23.00 uur en op zondag voor 13.00 uur of
                                                  na 23.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>het maximaal toelaatbare geluidsniveau van
                                                  zeventig dB(A) en drieëntachtig dB(C) op de gevels
                                                  van omringende woningen niet wordt
                                                  overschreden;</al></li><li nr="e."><al>het evenement naar oordeel van de burgemeester
                                                  geen onoverkomelijke hinder vormt voor het verkeer
                                                  en de hulpdiensten;</al></li><li nr="f."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een
                                                  oppervlakte van minder dan vijftig m² per object
                                                  en zich hier minder dan vijftig personen
                                                  gelijktijdig in/op verblijven;</al></li><li nr="g."><al>er een organisator is; en</al></li><li nr="h."><al>de organisator veertien werkdagen voorafgaand
                                                  aan het evenement daarvan schriftelijk melding
                                                  heeft gedaan aan de burgemeester.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin
                                            voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de
                                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing
                                            op: </al><lijst><li nr="a."><al>vechtsportwedstrijden of -gala’s, waaronder in
                                                  ieder geval wordt begrepen kooigevechten,
                                                  kickboksevenementen, freefightevenementen en
                                                  daarmee vergelijkbare activiteiten en al dan niet
                                                  in wedstrijdverband georganiseerde evenementen
                                                  waarbij de menselijke waardigheid in het geding
                                                  is;</al></li><li nr="b."><al>evenementen waaraan op basis van professionele
                                                  sportbeoefening wordt deelgenomen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor
                                            evenementen die plaatsvinden in een door de burgemeester
                                            aangewezen gebied.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester weigert de vergunning als de organisator
                                            van een evenement als bedoeld in het vierde lid, onder a
                                            van slecht levensgedrag is.</al></li><li nr="7."><al>De burgemeester kan binnen veertien dagen na ontvangst
                                            van de melding als bedoeld in het tweede lid, onder h
                                            besluiten een eendaags evenement te verbieden dan wel
                                            daaraan nadere voorschriften te verbinden, indien er
                                            aanleiding is te vermoeden dat door het evenement de
                                            openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                            volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al></li><li nr="8."><al>De burgemeester kan aan een vergunning het voorschrift
                                            verbinden dat gedurende het evenement en in het gebouw,
                                            dan wel op het terrein waar dat evenement plaatsvindt,
                                            geen gebruik gemaakt mag worden van glas- en vaatwerk,
                                            anders dan van kunststof of karton materiaal, voor het
                                            verstrekken van dranken.</al></li><li nr="9."><al>De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent het
                                            organiseren van periodiek terugkerende evenementen.</al></li><li nr="10."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:25a Weigeren vergunning</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning
                                    zoals bedoeld in artikel 2:25, eerste lid worden geweigerd,
                                    indien door het bevoegd gezag is geconstateerd dat de
                                    organisator van het evenement de vergunningvoorschriften van
                                    hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft
                                    overtreden.</al><tussenkop> Artikel 2:26 Ordeverstoring</tussenkop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:27 Begripsbepalingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>openbare inrichting: </al><lijst><li nr="i."><al>een hotel, restaurant, pension, café,
                                                  cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of
                                                  clubhuis, een daarbij behorend terras
                                                  inbegrepen;</al></li><li nr="ii."><al>elke andere voor het publiek toegankelijke,
                                                  besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een
                                                  omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt
                                                  verstrekt of dranken worden geschonken of
                                                  rookwaren of spijzen voor directe consumptie
                                                  worden verstrekt of bereid, een daarbij behorend
                                                  terras inbegrepen;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>terras:</al></li><li nr="een"><al>buiten de besloten ruimte van de openbare
                                                  inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
                                                  zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen
                                                  vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                                  spijzen voor directe consumptie kunnen worden
                                                  bereid of verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten
                                            de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend
                                            deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden
                                            geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden
                                            geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                            worden bereid of verstrekt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:28 Exploiteren en geopend hebben van een openbare
                                    inrichting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren
                                            en geopend te hebben zonder vergunning van de
                                            burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de
                                            exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met
                                            een geldend bestemmingsplan of de beheersverordening, of
                                            indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met
                                            betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk
                                            drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag
                                            is ingediend, is afgegeven.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                            burgemeester de vergunning slechts geheel of
                                            gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet
                                            worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de
                                            omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde
                                            op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of indien
                                            (een) direct of indirect leidinggevende(n) van de
                                            openbare inrichting, in enig opzicht van slecht
                                            levensgedrag is/zijn.</al></li><li nr="4."><al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting
                                            als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder a, ii die
                                            zich bevindt in: </al><lijst><li nr="a."><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                                  Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
                                                  openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van
                                                  de winkelactiviteit;</al></li><li nr="b."><al>een zorginstelling;</al></li><li nr="c."><al>een museum; of</al></li><li nr="d."><al>een bedrijfskantine of -restaurant;</al></li><li nr="e."><al>een horecabuffet in een verzorgings- of
                                                  verpleegtehuis;</al></li><li nr="f."><al>een schoolkantine waarin uitsluitend
                                                  alcoholvrije drank wordt geschonken.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) is niet van toepassing op de vergunning
                                            bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:29</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke
                                    sluiting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                            veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                            omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                            tijdelijk andere sluitingstijden in afwijking van een
                                            besluit krachtens artikel 2:28, eerste lid vaststellen
                                            of tijdelijk sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                            waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:31 Verboden gedragingen</tussenkop><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd
                                            dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van
                                            een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de
                                            handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                                            maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste
                                            lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe
                                            dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in
                                            die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op
                                            enige andere wijze overdraagt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:33</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:33a Gebruik van glas- en vaatwerk</tussenkop><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of
                                    veiligheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner
                                    beoordeling, voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                    het gebruik van glas- en vaatwerk, anders dan van kunststof of
                                    karton materiaal, voor het verstrekken van dranken,
                                    verbieden.</al><tussenkop> Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van
                                    artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de
                                    toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>AFDELING 8A BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS
                                BEDOELD IN DE DRANK- EN HORECAWET</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:34a Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf,</al></li><li nr="-"><al>horecalokaliteit,</al></li><li nr="-"><al>inrichting,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciële rechtspersonen,</al></li><li nr="-"><al>sterke drank,</al></li><li nr="-"><al>slijtersbedrijf en</al></li><li nr="-"><al>zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt
                                            verstaan in de Drank- en Horecawet</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2.34b schenktijden paracommerciële
                                    rechtspersonen</tussenkop><al>Paracommerciele rechtspersonen verstrekken uitsluitend
                                    alcoholhoudende drank gedurende de periode niet eerder
                                    beginnende één uur voorafgaande aan de activiteit(en) en
                                    eindigende na maximaal twee uren na beëindiging van activiteiten
                                    die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de
                                    desbetreffende paracommerciële rechtspersoon, maar niet later
                                    dan 01:30 uur.</al><tussenkop> Artikel 2.34c bijeenkomsten bij paracommerciële
                                    rechtspersonen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Paracommerciele rechtspersonen verstrekken geen
                                            alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van
                                            persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op
                                            personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                                            activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn
                                            betrokken.</al></li><li nr="2."><al>het verbod in het eerste lid geldt niet voor
                                            gelegenheden die betrekking hebben op een uitvaart
                                            (koffietafel, samenkomst, etcetera) en voor de duur van
                                            deze gelegenheid.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:35 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan
                                    niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of
                                    bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                    gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.</al><tussenkop> Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</tussenkop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                    exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                    verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis
                                    te geven aan de burgemeester.</al><tussenkop> Artikel 2:37</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</tussenkop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of daar
                                    kampeert, is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende
                                    van die inrichting, op wie ingevolge artikel 438 van het Wetboek
                                    van Strafrecht de verplichting rust tot het bijhouden van een
                                    doorlopend register dat op aanvraag dient te worden getoond aan
                                    de burgemeester dan wel de door deze aangewezen ambtenaar,
                                    volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                    geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en
                                    de dag van vertrek te verstrekken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:39 Speelgelegenheden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan:
                                            een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar
                                            bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig
                                            is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen,
                                            waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen
                                            worden gewonnen of verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester
                                            een speelgelegenheid te exploiteren of te doen
                                            exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van
                                                  artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                                                  Kansspelen vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van
                                                  Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is
                                                  vergunning te verlenen; en</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
                                                  geboden om het kleine kansspel als bedoeld in
                                                  artikel 7c van de Wet op de kansspelen te
                                                  beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                                  bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen,
                                                  of de handeling als in artikel l, onder a, van de
                                                  Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen
                                                  dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                                  speelgelegenheid of de openbare orde op
                                                  ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door
                                                  de exploitatie van de speelgelegenheid; of</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in
                                                  strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40 Kansspelautomaten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in
                                                  artikel 30, onder c, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als
                                                  bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als
                                                  bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                            kansspelautomaten toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten
                                            niet toegestaan.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>AFDELING 10A. TOEZICHT OP WINKELBEDRIJVEN</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:40a Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte
                                            waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij
                                            bedrijfsmatig is of anders dan om niet, handelingen
                                            en/of werkzaamheden worden verricht die verband houden
                                            met, dan wel inherent zijn aan het exploiteren van
                                            hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid
                                            als growshop, smartshop, headshop, belshop of
                                            internetcafé;</al></li><li nr="b."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                            rechtspersoon of rechtspersonen voor wiens rekening en
                                            risico een inrichting op grond van artikel 2:40c wordt
                                            geëxploiteerd;</al></li><li nr="c."><al>leidinggevende: de exploitant alsmede een andere
                                            natuurlijke persoon of andere natuurlijke personen die
                                            algemene of onmiddellijke leiding geeft of geven aan een
                                            te exploiteren inrichting op grond van artikel
                                            2:40c;</al></li><li nr="d."><al>vergunning: een niet overdraagbare vergunning als
                                            bedoeld in artikel 2:40c, eerste lid jo. artikel
                                            1:5;</al></li><li nr="e."><al>openbare inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                            artikel 2:27, eerste lid, onder a.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40b Gebiedsaanwijzing</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:40c Exploiteren inrichting; beslistermijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester
                                            een inrichting als bedoeld in artikel 2:40a, onder a te
                                            exploiteren.</al></li><li nr="2."><al>Voor het verkrijgen en behouden van een vergunning moet
                                            een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend.</al></li><li nr="3."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt
                                            in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de leidinggevende;
                                                  en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de inrichting.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De burgemeester beslist binnen twaalf weken op de
                                            vergunningaanvraag.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is
                                            paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
                                            (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                            beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40d Gedragseisen</tussenkop><al>Voor het verkrijgen en behouden van een vergunning dienen
                                    leidinggevenden te voldoen aan de navolgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>zij staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                            bereikt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40e Weigeringsgronden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning wordt geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel
                                                  2:40d gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de inrichting
                                                  in strijd is met een geldend bestemmingsplan of de
                                                  beheersverordening;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager van een vergunning geen verklaring
                                                  omtrent gedrag van hem en alle leidinggevenden
                                                  overlegt, die uiterlijk drie maanden voor de datum
                                                  waarop de aanvraag is ingediend, is
                                                  afgegeven;</al></li><li nr="d."><al>de inrichting binnen een straal van
                                                  tweehonderdvijftig meter van gevoelige objecten
                                                  zoals scholen buurthuizen of jongerencentra
                                                  gevestigd is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat het
                                                  woon- en leefklimaat in de omgeving van de
                                                  inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare
                                                  wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden
                                                  beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                                  inrichting;</al></li><li nr="b."><al>de leidinggevende na inwerkingtreding van dit
                                                  artikel binnen drie jaar voor indiening van de
                                                  vergunningaanvraag een inrichting heeft
                                                  geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven,
                                                  die wegens het aantasten van de openbare orde, de
                                                  aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder
                                                  begrepen, dan wel op basis van artikel 13b
                                                  Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de
                                                  vergunning om die reden is ingetrokken.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40f Aanwezigheid in gesloten inrichting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting
                                            ingevolge de reguliere sluitingstijden voor bezoekers
                                            gesloten dient te zijn zich als bezoeker daarin te
                                            bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is de leidinggevende verboden gedurende de tijd dat
                                            een inrichting ingevolge de reguliere sluitingstijden,
                                            of krachtens een op grond van artikel 2:40f genomen
                                            besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, de
                                            inrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin
                                            één of meer bezoekers toe te laten of te laten
                                            verblijven.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40g Aanwezigheid leidinggevende</tussenkop><al>Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te
                                    hebben indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is
                                    die vermeld staat op de vergunning.</al><tussenkop> Artikel 2:40h Intrekking vergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de
                                            vergunning ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitatie van de inrichting door een andere
                                                  dan de in de vergunning genoemde houder wordt
                                                  overgenomen;</al></li><li nr="b."><al>niet meer wordt voldaan aan de in artikel 2:40d
                                                  onder a en b gestelde eisen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunning ook intrekken, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat de exploitant of andere
                                                  leidinggevenden betrokken zijn of hen ernstige
                                                  nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten
                                                  als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de
                                                  Opiumwet of bij andere activiteiten in of vanuit
                                                  de openbare inrichting die een gevaar voor de
                                                  openbare orde opleveren en/of een bedreiging
                                                  vormen voor het woon- en leefklimaat in de
                                                  omgeving van de openbare inrichting, dan wel
                                                  indien naar zijn oordeel de wijze van
                                                  bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld
                                                  in artikel 2:40d, onder b, een dergelijk gevaar of
                                                  een dergelijke bedreiging vormen;</al></li><li nr="b."><al>dit anderszins noodzakelijk is in het belang van
                                                  de openbare orde, aantasting of bedreiging van het
                                                  woon- en leefklimaat daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>een in de artikelen 2:40g en 2:40h gesteld
                                                  verbod wordt overtreden.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40i Wijziging vergunning</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de vergunning door een verandering van
                                            omstandigheden dient te worden gewijzigd, dient de
                                            exploitant onverwijld een aanvraag om wijziging van de
                                            vergunning in te dienen.</al></li><li nr="2."><al>Indien het verzoek niet binnen een maand na de
                                            verandering van omstandigheden is ingediend, kan de
                                            burgemeester de verleende vergunning intrekken.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:40j Overgangsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Aan de leidinggevende van een op de datum van
                                            inwerkingtreding van deze verordening in bedrijf zijnde
                                            inrichting wordt geacht een tijdelijke vergunning voor
                                            die inrichting te zijn afgegeven voor de duur van zes
                                            maanden.</al></li><li nr="2."><al>Wordt door de leidinggevende van een inrichting als
                                            bedoeld in het eerste lid binnen een termijn van zes
                                            maanden na de inwerkingtreding van deze verordening de
                                            ingevolge artikel 2:40c vereiste vergunning aangevraagd,
                                            dan wordt de tijdelijke vergunning als bedoeld in het
                                            eerste lid geacht te zijn verlengd tot het tijdstip
                                            waarop door het bevoegd orgaan op de aanvraag is
                                            beslist.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de
                                            Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek
                                            toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                            behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de
                                            Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek
                                            toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal
                                            behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal
                                            of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                            aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende
                                            reden noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:42 Plakken en kladden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van
                                            een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te
                                            bekrassen of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                            rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van
                                            een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding
                                                  of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken,
                                                  op andere wijze aan te brengen of te doen
                                                  aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof
                                                  een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te
                                                  brengen of te doen aanbrengen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing,
                                            indien gehandeld wordt krachtens wettelijk
                                            voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het
                                            aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
                                            aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
                                            handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het
                                            aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die
                                            geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de
                                            meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde
                                            schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
                                            opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond
                                            ter inzage af te geven.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water
                                            enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of
                                            verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te
                                            hebben.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                            materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet
                                            zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel
                                            2:42.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water
                                            inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te
                                            hebben.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de bedoelde
                                            werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om
                                            zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                            verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te
                                            verbreken, diefstal door middel van braak te
                                            vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                            voorkomen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats of in de
                                            nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben
                                            een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het
                                            plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                            toepassing, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                                            dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor
                                            de in dat lid bedoelde handelingen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:45</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:46</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                                  monument, overkapping, constructie, openbare
                                                  toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                                  afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet
                                                  bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze die aan andere
                                                  gebruikers of bewoners van nabij die openbare
                                                  plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                                  berokkent.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                            Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel
                                            uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,
                                            alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken
                                            flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank
                                            alsmede al dan niet leeg glaswerk, bij zich te
                                            hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als
                                                  bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
                                                  en</al></li><li nr="b."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als
                                                  bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt
                                                  krachtens artikel 35 van de Drank- en
                                                  Horecawet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt voorts niet voor
                                            alcoholhoudende drank die zodanig is ingepakt dat deze
                                            niet voor dadelijk gebruik kan worden aangewend.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of
                                                  poort op te houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een
                                                  raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten
                                                  of te liggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                            flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                            meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek
                                            toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te
                                            bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
                                            ruimte van dat gebouw.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
                                    toegankelijke ruimten</tussenkop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                    hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                    toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te
                                    gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is
                                    bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen:
                                    portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar
                                    vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.</al><tussenkop> Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen en dergelijke</tussenkop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een
                                    bromfiets te plaatsen of te laten staantegen een raam, een
                                    raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang
                                    van een portiek indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van
                                            de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    kermisterrein en dergelijke</tussenkop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                    burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                    bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                    terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                    plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod
                                    kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al><tussenkop> Artikel 2:53</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:54</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:55</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:56</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:57</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:58 Overlast en verontreiniging door honden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel alsmede in artikel 2:59 wordt verstaan
                                            onder: </al><lijst><li nr="a."><al>eigenaar/geleider van een hond: de eigenaar, de
                                                  geleider, de houder en de verzorger van een hond,
                                                  en ook degene die een hond onder zijn hoede
                                                  heeft;</al></li><li nr="b."><al>doeltreffend hulpmiddel: iedere fysieke
                                                  voorziening die geschikt is om uitwerpselen mee op
                                                  te ruimen zoals een plastic of papieren zakje,
                                                  schepje en dergelijke;</al></li><li nr="c."><al>uitwerpselen: onverteerbare, vaste
                                                  voedselresten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De eigenaar/geleider van een hond is verplicht er voor
                                            te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen
                                            ontdoet op: </al><lijst><li nr="a."><al>een openbare plaats binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>een andere door het college aangewezen
                                                  plaats.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De eigenaar/geleider van een hond is verplicht, indien
                                            hij zich met die hond op een in het tweede lid genoemde
                                            plaats bevindt: </al><lijst><li nr="a."><al>een doeltreffende hulpmiddel bij zich te hebben
                                                  dat geschikt is voor onmiddellijke verwijdering
                                                  van de uitwerpselen van die hond;</al></li><li nr="b."><al>dit hulpmiddel op vordering van een
                                                  toezichthoudende ambtenaar te laten zien.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het
                                            tweede lid gestelde wordt opgeheven indien de
                                            eigenaar/geleider van de hond er zorg voor draagt dat de
                                            uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden
                                            verwijderd.</al></li><li nr="5."><al>De eigenaar/geleider van een hond die zich met die hond
                                            bevindt op een in het tweede lid genoemde plaats dient
                                            ervoor te zorgen dat deze is aangelijnd.</al></li><li nr="6."><al>Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing op
                                            door het college aangewezen plaatsen.</al></li><li nr="7."><al>Het is de eigenaar/geleider van een hond verboden deze
                                            te doen of laten verblijven op een voor publiek
                                            toegankelijk en kennelijk als zodanig ingericht school-
                                            en speelterrein, speelweide, zandbak en op een andere
                                            kennelijk voor sport- en/of speeldoeleinden ingerichte
                                            plaats alsmede op een andere door het college aangewezen
                                            plaats.</al></li><li nr="8."><al>Het bepaalde in het tweede, derde, vijfde en zevende lid
                                            is niet van toepassing voor zover de eigenaar/geleider
                                            van een hond zich vanwege zijn handicap door een
                                            geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig
                                            aantoonbaar gekwalificeerd is of indien de eigenaar van
                                            een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                            gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de
                                            eigenaar/geleider van die hond een aanlijngebod of een
                                            aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond
                                            verblijft of loopt op een openbare plaats of op het
                                            terrein van een ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar/geleider
                                            verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn
                                            met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten
                                            hoogste anderhalve meter.</al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar/geleider
                                            verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf
                                            die: </al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig
                                                  leer of van beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig
                                                  rond de hals is aangebracht dat verwijdering
                                                  zonder fysieke menselijke kracht niet mogelijk is;
                                                  en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan
                                                  bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf
                                                  een geringe opening van de bek toelaat en dat geen
                                                  scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een hond als bedoeld in het eerste lid dient te zijn
                                            voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag
                                            verstrekt uniek identificatienummer door middel van een
                                            microchip die met een chipreader afleesbaar is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of
                                            opheffing van overlast of schade aan de openbare
                                            gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in
                                            de zin van de Wet milieubeheer, bij dat
                                            aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming
                                                  van de door het college gestelde regels;</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in
                                                  die aanwijzing is aangegeven; of</al></li><li nr="d."><al>te voeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                            gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid
                                            is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer
                                            verboden bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:61</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:62 Loslopend vee</tussenkop><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                    (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat
                                    niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering,
                                    is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen
                                    worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al><tussenkop> Artikel 2:63</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:64 Bijen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden: </al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van dertig meter van woningen
                                                  of andere gebouwen waar overdag mensen
                                                  verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van dertig meter van de
                                                  weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing,
                                            indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de
                                            korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee
                                            meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het
                                            laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet
                                            van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is
                                            op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet
                                            van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                            de Verordening wegen Noord-Brabant.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van het verbod in het eerste lid
                                            ontheffing verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:65 Bedelarij</tussenkop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of
                                    aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te
                                    bedelen om geld of andere zaken.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van
                                goederen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:66 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar
                                    als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur
                                    op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al><tussenkop> Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                            gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
                                            andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door
                                            of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en
                                            daarin onverwijld op te nemen: </al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking
                                                  tot het goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het
                                                  goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder
                                                  begrepen - voor dat mogelijk is - soort, merk en
                                                  nummer van het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor
                                                  overdracht van het goed; en</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed
                                                  heeft verkregen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                            verplichtingen.</al></li><li nr="3."><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het
                                    Wetboek van Strafrecht</tussenkop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis
                                            te stellen: </al><lijst><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                  vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                  bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de in lid a, onder 1,
                                                  bedoelde adressen;</al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer
                                                  uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat
                                                  redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of
                                                  voor de rechthebbende verloren is gegaan;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                            register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te
                                            hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming
                                            duidelijk zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                            dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                            verkregen is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                    goederen</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</tussenkop><al>[gereserveerd]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 13. Vuurwerk</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:71 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                    hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari
                                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en
                                    professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).</al><tussenkop> Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                    tijdens de verkoopdagen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                            nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te
                                            stellen dan wel voor het ter beschikking stellen
                                            aanwezig te houden, zonder een vergunning van het
                                            college.</al></li><li nr="2."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een
                                            door het college in het belang van de voorkoming van
                                            gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare
                                            plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast
                                            kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn
                                            niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                            door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                            Strafrecht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 14. Drugsoverlast</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:74 Drugshandel op straat</tussenkop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op
                                    een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om
                                    middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of
                                    daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te
                                    leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te
                                    zijn of daarin te bemiddelen.</al><tussenkop> Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met
                                    drugs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan openbare plaatsen die door de
                                            burgemeester zijn aangewezen, indien de openbare orde
                                            dat in verband met het openlijk gebruik van en/of de
                                            handel in middelen als voornoemd in de artikelen 2 en 3
                                            van de Opiumwet naar zijn oordeel noodzakelijk maakt,
                                            aan een verzameling van meer dan vier personen deel te
                                            nemen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing,
                                            indien de verzameling personen geen verband houdt met
                                            het openlijk gebruik en/of de handel in middelen als
                                            bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.</al></li><li nr="3."><al>Een ieder die zich bevindt in een verzameling van
                                            personen als bedoeld in het eerste lid, is verplicht op
                                            een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar
                                            zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen
                                            richting te verwijderen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik</tussenkop><al>Het is verboden op een openbare plaats, op een voor publiek
                                    toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw,
                                    middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te
                                    gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te
                                    verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of
                                    stoffen voorhanden te hebben.</al><tussenkop> Artikel 2:74c Achterlaten van spuiten en dergelijke</tussenkop><al>Het is verboden injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
                                    naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende
                                    voorwerpen op een openbare plaats dan wel in afvalbakken achter
                                    te laten, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks
                                    geschiedt om daarvan afstand te doen.</al><tussenkop> Artikel 2:74d Verblijfsontzegging/gebiedsverbod in verband
                                    met drugs</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde
                                            aan degene die zich gedraagt in strijd met de artikelen
                                            2:74 tot en met 2:74c een verbod opleggen om zich
                                            gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten
                                            hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod
                                            aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de
                                            genoemde gedragingen hebben plaatsgehad
                                            (verblijfsontzegging).</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde
                                            aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het
                                            eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen een
                                            jaar na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd,
                                            dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het
                                            eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om
                                            zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten
                                            hoogste acht weken te bevinden op in dat verbod
                                            aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de
                                            genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester beperkt het in het eerste en tweede lid
                                            genoemde verbod, indien dat in verband met de
                                            persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk
                                            is.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door
                                            de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het
                                            eerste en tweede lid.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is
                                            eveneens van toepassing op overtredingen van artikel 184
                                            van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 3
                                            van de Opiumwet.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>AFDELING 15. BESTUURLIJKE OPHOUDING / VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN /
                                CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van
                                    door hem aangewezen groepen van personen op een door hem
                                    aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de
                                    artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:22, 2:26, 2:47 tot en met
                                    2:50, 2:73, 2:74b en 5:34 groepsgewijs niet naleven.</al><tussenkop> Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                    Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de
                                    aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het
                                    ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen
                                    voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                                    erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><tussenkop> Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>AFDELING 16. VERBLIJFSONTZEGGING / GEBIEDSVERBOD IN VERBAND MET
                                ORDE EN VEILIGHEID</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 2:78 Verblijfsontzegging / gebiedsverbod in verband
                                    met orde en veiligheid</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde
                                            aan degene die zich gedraagt in strijd met de artikelen
                                            2:1, 2:47 en 2:48 een verbod opleggen om zich gedurende
                                            een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste
                                            veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen
                                            plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde
                                            gedragingen hebben plaatsgehad
                                            (verblijfsontzegging).</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde
                                            aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het
                                            eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen een
                                            jaar na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd,
                                            dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het
                                            eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om
                                            zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten
                                            hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod
                                            aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de
                                            genoemde gedragingen hebben plaatsgehad.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester beperkt het in het eerste en tweede lid
                                            genoemde verbod, indien dat in verband met de
                                            persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk
                                            is.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door
                                            de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het
                                            eerste en tweede lid.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is
                                            eveneens van toepassing op overtredingen op grond van de
                                            artikelen 141, 267, 300 tot en met 306, 311, 350, 426 en
                                            453 van het Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, Straatprostitutie en
                                dergelijke</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het
                                            verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                            vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                            verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                            vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                            besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
                                            alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden
                                            verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
                                            aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in
                                            elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                            sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
                                            waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al
                                            dan niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van
                                            personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een
                                            omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                            die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                            uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                            ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                            erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                            worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                            rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting
                                            of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de
                                            tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                            rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                            personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                            onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                            uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting,
                                            met uitzondering van: </al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                  is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                  artikel 6.2 van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                  seksinrichting wegens dringende redenen
                                                  noodzakelijk is.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan:
                                    het college of, voor zover het betreft voor het publiek
                                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in
                                    artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al><tussenkop> Artikel 3:3 Nadere regels</tussenkop><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                    artikel 3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen
                                    met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in
                                    dit hoofdstuk.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:4 Exploiteren seksinrichting of
                                    escortbedrijf</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                            exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het
                                            bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt
                                            in ieder geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het
                                                  escortbedrijf.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet
                                                  uit de ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht
                                                  levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                                  bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de
                                            exploitant en de beheerder niet: </al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek
                                                  van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis
                                                  geplaatst of met toepassing van artikel 37a van
                                                  het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                                  gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk
                                                  veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                                  vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                                  rechter in Nederland (inclusief de openbare
                                                  lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius), Aruba,
                                                  Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
                                                  rechter wegens een misdrijf waarvoor naar
                                                  Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                                  hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het
                                                  Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                                  rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld
                                                  tot een onvoorwaardelijke geldboete van
                                                  vijfhonderd euro of meer of tot een andere
                                                  hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                                  onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan
                                                  wel mede wegens overtreding van: </al><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank-
                                                  en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en
                                                  de Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot
                                                  en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en
                                                  453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de Kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                            gelijk gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld
                                                  in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek
                                                  van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a
                                                  van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                                  tenzij de geldsom minder dan driehonderd
                                                  vijfenzeventig euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                                  voorwaardelijke straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                            wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning
                                                  teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de
                                                  aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning
                                                  teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van
                                                  deze vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste
                                            vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een
                                            seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een
                                            maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of
                                            waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste
                                            lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter
                                            zake geen verwijt treft.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:6 Sluitingstijden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers
                                            geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te
                                            laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke
                                            seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich
                                            daarin te bevinden gedurende de tijd dat die
                                            seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid,
                                            dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten
                                            dient te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing
                                            op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet
                                            milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                    (tijdelijke) sluiting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd
                                            in artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid
                                            met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
                                            bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6,
                                                  eerste of tweede lid, geldende sluitingstijden
                                                  vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                                  tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                                  bevelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd
                                            bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid
                                            bekend op de voet van artikel 3:42, tweede lid.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers
                                            geopend te hebben, zonder dat de exploitant of de
                                            beheerder bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder a of
                                            b in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe
                                            dat in de seksinrichting: </al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in
                                                  ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                                  (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven
                                                  tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                                  (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling)
                                                  van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                                  Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                                  munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen
                                                  in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                                  vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                                  bepaalde.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:9 Straatprostitutie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar
                                            of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te
                                            maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen
                                            dan wel aan te lokken: </al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen
                                                  wegen of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college
                                                  vastgestelde tijden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het
                                            eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden
                                            gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                            verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd
                                            in artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren
                                            aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden
                                            en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het
                                            bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                            richting te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en
                                            de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid,
                                            personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven
                                            als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende
                                            bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                                            vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en
                                            op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde
                                            lid, indien dat in verband met de persoonlijke
                                            omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:10</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                            daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen,
                                            gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                            erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te
                                            stellen, aan te bieden of aan te brengen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de
                                                  rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                                  tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan,
                                                  de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                                  gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                                  bestuursorgaan in het belang van de openbare orde
                                                  of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van
                                            toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of
                                            aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen,
                                            gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die
                                            dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als
                                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>AFDELING 3. BESLISTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:12 Beslistermijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste
                                            lid, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag
                                            om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen
                                            twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen
                                            is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten
                                            hoogste twaalf weken verdagen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:13 Weigeringsgronden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                            geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan
                                                  de in artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de
                                                  seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is
                                                  met een geldend bestemmingsplan of de
                                                  beheersverordening; of</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of
                                                  het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen
                                                  zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek
                                                  van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet
                                                  arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                                  bepaalde.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde
                                            escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in
                                            artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4,
                                            eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of
                                            vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid,
                                            achterwege worden gelaten, in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het
                                                  woon- en leefklimaat;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>de gezondheid of zedelijkheid; of</al></li><li nr="f."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die
                                            overeenkomstig artikel 3:4 op de vergunning is vermeld,
                                            de exploitatie van de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                            exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk
                                            kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 3:15 Wijziging beheer</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de
                                            exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis
                                            aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe
                                            beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag
                                            van de exploitant besluit de verleende vergunning
                                            overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.
                                            Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en
                                            onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid,
                                            kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe
                                            beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een
                                            aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend,
                                            totdat over de aanvraag is besloten.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en
                                zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in
                                            het Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                            bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                            drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek
                                            aan één of een klein aantal inrichtingen is
                                            verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                            aan één of een klein aantal inrichtingen is
                                            verbonden;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op
                                            grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden
                                            aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen, met
                                            uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                                            inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                            artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                            geluidsgevoelige terreinen, met uitzondering van
                                            terreinen behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                            versterkt.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                            2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening
                                            gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan
                                            te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij
                                            aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten
                                            behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als
                                            bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit
                                            gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan
                                            te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij
                                            aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede
                                            lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts
                                            geldt in een of meer van de volgende delen van de
                                            gemeente: De Heen, Dinteloord, Kruisland,
                                            Nieuw-Vossemeer, Steenbergen of Welberg.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken
                                            voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                            redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                            terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                            eerste lid aanwijzen.</al></li><li nr="6."><al>Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
                                            L<inf>Ar,LT</inf> veroorzaakt door de inrichting,
                                            bedraagt niet meer dan vijfenzestig dB(A) voor de
                                            periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur, zestig dB(A) voor
                                            de periode tussen 19.00 uur en 23.00 uur en veertig
                                            dB(A) voor de periode tussen 23.00 uur en 02.00 uur,
                                            gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
                                            van anderhalve meter.</al></li><li nr="7."><al>De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn
                                            inclusief onversterkte muziek en exclusief tien dB(A)
                                            toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de
                                            bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</al></li><li nr="8."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten
                                            gehore brengen van extra muziek -hoger dan de
                                            geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                            2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening
                                            - uiterlijk om 02.00 uur daaraanvolgend te worden
                                            beëindigd.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                            festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                            geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                            2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening
                                            niet van toepassing zijn, mits de houder van de
                                            inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                            festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                            gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal
                                            twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de
                                            verlichting langer aan te houden ten behoeve van
                                            sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, eerste lid, van
                                            het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van
                                            de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang
                                            van de festiviteit het college daarvan schriftelijk in
                                            kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan
                                            wanneer het college op verzoek van de houder van een
                                            inrichting een incidentele festiviteit, die
                                            redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                            toestaat.</al></li><li nr="4."><al>Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
                                            L<inf>Ar,LT</inf> veroorzaakt door de inrichting
                                            bedraagt niet meer dan vijfenzestig dB(A) voor de
                                            periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur, zestig dB(A) voor
                                            de periode tussen 19.00 uur en 23.00 uur en veertig
                                            dB(A) voor de periode tussen 23.00 uur en 02.00 uur,
                                            gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
                                            van anderhalve meter.</al></li><li nr="5."><al>De geluidswaarden als bedoeld in het vierde lid zijn
                                            inclusief onversterkte muziek en exclusief tien dB(A)
                                            toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de
                                            bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwen gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten
                                            gehore brengen van extra muziek - hoger dan de
                                            geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                            2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening
                                            - uiterlijk om 02.00 uur daaraanvolgend beëindigd.</al></li><li nr="7."><al>De geluidsnormen als bedoeld in het vierde lid gelden
                                            voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet
                                            voor de buitenruimte.</al></li><li nr="8."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven
                                            ramen en deuren gesloten, behoudens voor het
                                            onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 4:4</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 4:5 Onversterkte muziek</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als
                                            bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde
                                            lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e.
                                            opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                                  aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien
                                                  de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                                  toestemming geeft voor het in redelijkheid
                                                  uitvoeren of doen uitvoeren van
                                                  geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel
                                                  ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van
                                                  het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden
                                                  in geluidsgevoelige ruimten en
                                                  verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals
                                                  vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie
                                                  wordt toegepast.</al></li><li nr="e."><al>tabel:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><thead><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>07.00 tot 19.00 uur</al></entry><entry colname="col3"><al>19.00 tot 23.00 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>23.00 tot 07.00 uur</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="2."><al>Voor de duur van drie uur in de week is onversterkte
                                            muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen
                                            zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in
                                            een inrichting gedurende de dag- en avondperiode
                                            uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het
                                            eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                            onversterkte elementen, wordt het hele samenspel
                                            beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van
                                            toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en
                                            incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en
                                            artikel 4:3.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 4:6 Overige geluidhinder</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de
                                            Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige
                                            wijze toestellen, geluids- of knalapparaten of
                                            muziekinstrumenten in werking te hebben of handelingen
                                            te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                            geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet,
                                            de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de
                                            Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties
                                            waarin een geluidswagen wordt ingezet, indien wordt
                                            voldaan aan elk van de volgende voorschriften: </al><lijst><li nr="a."><al>een geluidswagen mag niet worden ingezet op
                                                  zondagen of daarmee gelijkgestelde dagen;</al></li><li nr="b."><al>een geluidswagen mag niet worden ingezet op
                                                  locaties waar al een evenement als bedoeld in
                                                  artikel 2:24 plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een geluidswagen mag niet worden ingezet tussen
                                                  22.00 uur en 09.00 uur daaropvolgend;</al></li><li nr="d."><al>tijdens het inzetten van een geluidswagen moet
                                                  de verkeersveiligheid zijn gewaarborgd.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan in het kader van de bescherming van het
                                            milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk
                                            aanzien van de gemeente nadere regels stellen omtrent de
                                            inzet van geluidswagens en het gebruiken van
                                            knalapparatuur als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="6."><al>De voorschriften in het vierde lid, en het bepaalde in
                                            de nadere regels omtrent de inzet van geluidswagens
                                            gelden niet, indien geluidswagens worden gebruikt voor
                                            het door of namens de overheid alarmeren of informeren
                                            van de bevolking bij calamiteiten.</al></li><li nr="7."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:7</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats
                                    zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde
                                    plaatsen.</al><tussenkop> Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                    openbare riolen en putten buiten gebouwen</tussenkop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten
                                    buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die
                                    gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of
                                    hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><al>[geregeld bij afzonderlijke verordening; geen nadere invulling van
                                de artikelen 4:10, 4:11 en 4:12]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                    afvalstoffen enzovoorts</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college in het belang van
                                            het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                            opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan
                                            de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een
                                            inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                            openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of
                                            stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke
                                                  bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of
                                                  onderdelen daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                                  daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                                  onderdelen daarvan, indien het plaatsen of
                                                  aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                                  verhuur of anderszins voor een commercieel
                                                  doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, voor zover daarbij niet wordt
                                                  voldaan aan het bepaalde in het Besluit en de
                                                  Activiteitenregeling milieubeheer omtrent het
                                                  opslaan van stoffen; of</al></li><li nr="e."><al>gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                                  een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                                  ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en
                                                  oude metalen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels
                                            stellen.</al></li><li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of
                                            door of krachtens de Verordening wegen
                                            Noord-Brabant.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 4:14</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                                    reclame</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak
                                            handelsreclame te maken of te voeren door middel van een
                                            opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het
                                            verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder
                                            ontstaat voor de omgeving.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                            waarin wordt voorzien door het Besluit.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 4:16</tussenkop><al>[gereserveerd]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 4:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een
                                    onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor
                                    het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd
                                    of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt
                                    voor recreatief nachtverblijf.</al><tussenkop> Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                                    kampeerterreinen</tussenkop><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in of krachtens het
                                    bestemmingsplan of de beheersverordening is bestemd of mede
                                    bestemd.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de
                                gemeente</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 1. Parkeerexcessen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder
                                            al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                            (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals:
                                            kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac,
                                            van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                            1990).</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en
                                    dergelijke</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                            verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven
                                                  van lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het
                                                  vervoeren van personen tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                            gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of
                                                  onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
                                                  totaal niet meer dan een uur vergen, en dit
                                                  gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt
                                                  voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in
                                                  het derde lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel
                                            een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te
                                            herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen,
                                            verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of
                                                  zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen
                                                  een cirkel met een straal van vijftig meter rond
                                                  zijn bedrijf;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                                  gebruiken.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke
                                            ordening.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg
                                            een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te
                                            koop aan te bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:4 Defecte voertuigen</tussenkop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                    eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                    langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                    parkeren.</al><tussenkop> Artikel 5:5 Voertuigwrakken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in
                                            onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een
                                            kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te
                                            parkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of
                                            anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                            gebruikt: </al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te
                                                  plaatsen of te hebben op een door het college
                                                  aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel
                                                  buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                                  beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor
                                                  het uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te
                                                  parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is
                                                  voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in
                                            het eerste lid, aanhef en onder a.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door de Verordening
                                            wegen Noord-Brabant.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                            aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met
                                            het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te
                                            maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                            lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een
                                            hoogte van meer dan twee meter en veertig centimeter te
                                            parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar
                                            dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                            aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                            lading, een lengte heeft van meer dan zes meter te
                                            parkeren op een door het college aangewezen weg, waar
                                            dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het
                                            oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op
                                            een werkdag van 08.00 uur tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van
                                            toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en
                                            kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer
                                            dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden
                                            geplaatst of gehouden.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid
                                            gestelde verboden ontheffing verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                    voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van
                                            lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een
                                            hoogte van meer dan twee meter en veertig centimeter, op
                                            de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                            dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat
                                            daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
                                            dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                                            anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die
                                            nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                            werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig
                                            ter plaatse noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:10</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop> Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                                    voertuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park
                                            of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde
                                            beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te
                                            laten staan.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>de weg;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen die worden gebruikt voor
                                                  werkzaamheden door of vanwege de overheid; en</al></li><li nr="c."><al>voertuigen waarmee standplaats wordt of is
                                                  ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn
                                                  bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</tussenkop><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 2. Collecteren</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                            openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                            daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                            verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe
                                            ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan
                                            wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld
                                            of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of
                                            de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten
                                            dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing indien een inzameling
                                            in besloten kring wordt gehouden.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3. Venten</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:14 Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                            uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                            verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op
                                            een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan
                                            huis.</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader
                                                  van de exploitatie van een winkel als bedoeld in
                                                  artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                                  goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                                  jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                                  eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel
                                                  5:22;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                                  goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                                  standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:15 Ventverbod</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college te
                                            venten.</al></li><li nr="Onverminderd"><al>het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                            geweigerd indien als gevolg van bijzondere
                                            omstandigheden in de gemeente of in een deel van de
                                            gemeente, redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                            verlenen van de vergunning voor het verkopen van
                                            goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de
                                            consument ter plaatse in gevaar komt.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet
                                            van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven
                                            stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard
                                            als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                            Grondwet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het
                                            venten van gedrukte en geschreven stukken waarin
                                            gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                            artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare
                                                  plaatsen; of</al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en
                                                  uren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in
                                            het tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 4. Standplaatsen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:17 Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het
                                            vanaf een vaste plaats op een openbare en in de
                                            openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of
                                            afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend
                                            van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een
                                            tafel.</al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als
                                                  bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                                  onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in
                                                  artikel 2:24.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en
                                    weigeringsgronden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                            standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een
                                            geldend bestemmingsplan of de beheersverordening.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                            vergunning worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij
                                                  in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                  redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden
                                                  in de gemeente of in een deel van de gemeente
                                                  redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                                  verlenen van de vergunning voor het innemen of
                                                  hebben van een standplaats voor het verkopen van
                                                  goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de
                                                  consument ter plaatse in gevaar komt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                    daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                    ingenomen.</al><tussenkop> Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van
                                            toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
                                            Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken
                                            of de Verordening wegen Noord-Brabant.</al></li><li nr="2."><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a,
                                            is niet van toepassing op bouwwerken.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:21</tussenkop><al>[gereserveerd]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5. Snuffelmarkten</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:22 Begripsbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een
                                            markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar
                                            hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden
                                            verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een
                                            standplaats.</al></li><li nr="2."><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel
                                                  160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                                  Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester
                                            een snuffelmarkt te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op ruimten die
                                            uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in
                                            gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                            Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met
                                            een geldend bestemmingsplan of de
                                            beheersverordening.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 6. Openbaar water</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar
                                    water</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar
                                            water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig,
                                            op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te
                                            brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of
                                            vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                            oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of
                                            voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een
                                            belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud
                                            van het openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Onder een voorwerp als genoemd in artikel 5:24, eerste
                                            lid wordt mede verstaan een boom, een heg, een struik of
                                            andere beplanting, welke aan het verkeer op een openbaar
                                            water het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op
                                            andere wijze hinder of gevaar oplevert.</al></li><li nr="3."><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of
                                            een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of
                                            boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk
                                            twee weken tevoren een melding aan het college.</al></li><li nr="4."><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en
                                            contactgegevens van de melder, en een beschrijving van
                                            de aard en omvang van het voorwerp.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van
                                            Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                            Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Keur
                                            waterschap Brabantse Delta, de Verordening Water
                                            Noord-Brabant, de Telecommunicatiewet of de Algemene
                                            Verordening Ondergrondse Infrastructuren.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                                    vaartuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te
                                            nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een
                                            vaartuig beschikbaar te stellen op door het college
                                            aangewezen gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
                                            stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig
                                            op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten
                                            van openbaar water: </al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de
                                                  openbare orde, volksgezondheid, veiligheid,
                                                  milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                                  vaartuigen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                            milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                            Waterwet, de Keur waterschap Brabantse Delta, de
                                            Verordening Water Noord-Brabant, de
                                            Woonschepenverordening of de Havenverordening gemeente
                                            Steenbergen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig
                                            aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen,
                                            veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang
                                            van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de
                                            milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door
                                            of vanwege het college gegeven aanwijzingen met
                                            betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van
                                            een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door het
                                            Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Keur
                                            waterschap Brabantse Delta, de Verordening Water
                                            Noord-Brabant, de Woonschepenverordening of de
                                            Havenverordening gemeente Steenbergen.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</tussenkop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of
                                    beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26,
                                    tweede lid bepaalde.</al><tussenkop> Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of
                                            veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare
                                            wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                            beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten,
                                            duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen,
                                            stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in
                                            beheer zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                            Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Keur
                                            waterschap Brabantse Delta of de Verordening Water
                                            Noord-Brabant.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</tussenkop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                    daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                    ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te
                                    maken.</al><tussenkop> Artikel 5:30 Veiligheid op het water</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in
                                            het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te
                                            gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of
                                            gevaar kan ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                            Waterwet, de Keur waterschap Brabantse Delta of de
                                            Verordening Water Noord-Brabant.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden
                                            aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of
                                            zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
                                            een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los
                                            te maken.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:31a Begripsbepalingen</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                            artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                            verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="b."><al>bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                            1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet
                                            1994.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:32 Crossterreinen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met
                                            een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan
                                            wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings-
                                            of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan
                                            deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een
                                            bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te
                                            hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op
                                            door het college aangewezen terreinen. Het college kan
                                            daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze
                                            terreinen in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                  omgeving en ter bescherming van andere
                                                  milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                                  eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                                  het publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer
                                            of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                            natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief
                                            gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te
                                            bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets
                                            of een paard.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op
                                            door het college aangewezen terreinen. Het college kan
                                            daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze
                                            terreinen in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van natuur- of
                                                  milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: </al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en
                                                  geneeskundige hulpverlening en van andere
                                                  krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement
                                                  verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de
                                                  bevoegde minister aangewezen
                                                  hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer,
                                                  onderhoud of exploitatie van de terreinen als in
                                                  het eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die
                                                  krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                                  uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en
                                                  pachters van percelen die gelegen zijn binnen de
                                                  terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van
                                                  de verzorging van de onder d bedoelde
                                                  personen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                            toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het
                                                  eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale
                                                  milieuverordening Noord-Brabant aangewezen
                                                  stiltegebieden ten aanzien van motorvoertuigen,
                                                  die bij of krachtens die verordening zijn
                                                  aangewezen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het
                                            eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                    inrichtingen of anderszins vuur te stoken</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te
                                            verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet
                                            milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken
                                            of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder
                                            voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                  dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven,
                                                  indien geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in eerste
                                            lid gestelde verbod.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                            ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora
                                            en fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin
                                            wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3,
                                            van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                            milieuverordening Noord-Brabant.</al></li></lijst></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 9. VERSTROOIEN van as</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 5:35 Begripsbepaling</tussenkop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele
                                    asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op
                                    de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n)
                                    gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al><tussenkop> Artikel 5:36 Verboden plaatsen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op: </al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en
                                                  crematoriumterreinen;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke sportvelden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod in het tweede lid geldt tevens voor door het
                                            college voor een bepaalde termijn aangewezen andere
                                            plaatsen.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg
                                            draagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                            omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit
                                            het eerste lid, behoudens de gemeentelijke
                                            begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop> Artikel 5:37 Hinder of overlast</tussenkop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                    overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><titel>Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><tussenkop> Artikel 6:1 Strafbepaling</tussenkop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde
                                    en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en
                                    beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                                    maanden of geldboete van de tweede categorie.</al><tussenkop> Artikel 6:2 Toezichthouders</tussenkop><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                    verordening bepaalde zijn belast de door het college dan wel de
                                    burgemeester aan te wijzen personen.</al><tussenkop> Artikel 6:3 Binnentreden woningen</tussenkop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de
                                    opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze
                                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving
                                    van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven
                                    of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden
                                    in een woning zonder toestemming van de bewoner.</al><tussenkop> Artikel 6:4 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die
                                    waarop zij is bekendgemaakt, onder gelijktijdige intrekking van
                                    de Algemene plaatselijke verordening, vastgesteld bij besluit
                                    van de raad, d.d. 5 maart 2009.</al><tussenkop> Artikel 6:5 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel
                                    6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                                    verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige
                                    besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                    verordening.</al><tussenkop> Artikel 6:6 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke
                                    verordening 2013.</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, 20 juni 2013</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting op de Algemene plaatselijke verordening 2013 (APV)</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Karakter toelichting</al></li><li nr="Deze"><al>toelichting is te beschouwen als een gebruiksaanwijzing voor degenen in
                            de interne organisatie die met de APV gaan werken. Het bevat een aantal
                            aanwijzingen voor het uitvoeren van specifieke bepalingen. De
                            toelichting is daarmee vooral een hulpmiddel bij de uitvoering door de
                            bestuursorganen van de gemeente Steenbergen, maar ook gericht op burgers
                            en bedrijven die rechten kunnen ontlenen aan de APV of met bepaalde
                            verplichtingen kunnen worden geconfronteerd.</al></li><li nr="2."><al>Lex Silencio Positivo (LSP)</al></li><li nr="Dit"><al>is de zogenaamde positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                            beslissen. De LSP houdt in dat een vergunning of ontheffing wordt geacht
                            te zijn verleend, indien een beslissing op een aanvraag door het
                            bevoegde bestuursorgaan binnen de wettelijke termijn uitblijft. Dit
                            wordt ook wel het van rechtswege verlenen van vergunningen of
                            ontheffingen genoemd. Voor de vergunning- en ontheffingstelsels die
                            onder de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) en de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (Wabo) vallen, is in beginsel het introduceren van de LSP
                            verplicht, voor overige stelsels geldt dat invoering van de LSP
                            facultatief is. De invoering van de LSP is een van de maatregelen die
                            het kabinet heeft genomen om de administratieve lastendruk voor burgers
                            en bedrijven terug te dringen. Tevens beoogt de LSP tijdige
                            dienstverlening te stimuleren.</al></li><li nr="De"><al>LSP bepaling is opgenomen in een aantal artikelen van de APV. Deze zijn
                            overgenomen uit het VNG model. In tegenstelling tot de vorige model APV
                            is er nu niet meer gekozen voor een opsomming van alle LSP bepalingen,
                            maar voor een toevoeging per artikel. In artikel 2:10 ‘het plaatsen van
                            voorwerpen’ is er voor gekozen om de LSP naar analogie van de artikelen
                            2:11 en 2:12 van toepassing te verklaren.</al></li><li nr="3."><al>Aan te wijzen gebieden door college</al></li><li nr="Door"><al>de tekst “Het college kan gebieden aanwijzen waar het verboden is om …”
                            wordt de indruk gewekt dat het college door de gebiedsaanwijzing een
                            verbod in het leven roept, terwijl het college daartoe niet bevoegd is.
                            Met de formulering: “Het is verboden om in door het college aangewezen
                            gebieden …” is duidelijk dat de raad in haar verordening het verbod
                            creëert.</al></li><li nr="Dit"><al>werd duidelijk nadat de bestuursrechter in Den Haag in januari 2012
                            (zaaknummer AWB 11/5584 BESLU) heeft uitgesproken dat de gemeente Den
                            Haag haar APV-bepaling over het weghalen van buiten de rekken geplaatste
                            fietsen niet mocht handhaven. Vanwege deze uitspraak is een aantal
                            bepalingen in de APV aangepast (de artikelen 2:57, 2:58, 2:60, 4:13,
                            4:19, 5:12, 5:16, 5:32 en 5:33). Het is een kwestie van
                            formulering.</al></li><li nr="4."><al>Geen bezwaar en beroep mogelijk tegen APV</al></li><li nr="Een"><al>algemeen verbindend voorschrift is een naar buiten werkende, voor de
                            daarbij betrokkenen bindende algemene regel, uitgegaan van het openbaar
                            gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Een algemeen
                            verbindend voorschrift onderscheidt zich van andere besluiten doordat
                            het algemene abstracte regels bevat, die zich zonder nadere normering
                            voor herhaalde concrete toepassing lenen.</al></li><li nr="De"><al>APV houdt zelfstandige normen in, leent zich voor herhaalde toepassing
                            en bevat algemene regels. De APV is derhalve aan te merken als een
                            algemeen verbindend voorschrift. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, in
                            samenhang met artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, kan hiertegen
                            geen bezwaar worden gemaakt. Een eventuele omstandigheid van het in
                            bezit zijn van een geldige vergunning maakt dit niet anders, omdat het
                            besluit tot het wijzigen van de APV niet strekt tot intrekking van deze
                            vergunning. Zie LJN: BY7405,Voorzieningenrechter Rechtbank Maastricht,
                            AWB 12 / 2161.</al></li><li nr="5."><al>Regelgeving die op de APV is gebaseerd </al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen uitvoeringsbesluit APV</al></li><li nr="In"><al>eerste instantie kan worden gedacht aan diverse door het college
                                    en de burgemeester te stellen regels en/of aanwijzingsbesluiten.
                                    Dit is gedelegeerde regelgeving. Daarnaast zijn de volgende
                                    beleidsregels van kracht:</al></li><li nr="b."><al>Beleid gebruik Markt Steenbergen</al></li><li nr="c."><al>Beleidsregel aankondigingsborden en lichtmastreclame gemeente
                                    Steenbergen</al></li><li nr="d."><al>Beleidsregels terrassen gemeente Steenbergen 2010</al></li><li nr="e."><al>Beleidsregels venten met consumptie-ijs</al></li><li nr="f."><al>BIBOB-beleidslijn betreffende vergunningen voor horecabedrijven
                                    en seksinrichtingen</al></li><li nr="g."><al>Evenementenbeleid gemeente Steenbergen</al></li><li nr="h."><al>Horecabeleid gemeente Steenbergen</al></li><li nr="i."><al>Standplaatsenbeleid gemeente Steenbergen</al></li><li nr="j."><al>Toelatingsbeleid circussen 2002 e.v.</al></li></lijst></li><li nr="De"><al>geldigheid van reeds vastgestelde uitvoeringsbesluiten en beleidregels
                            wordt ontleend aan artikel 6:5 van de APV.</al></li><li nr="6."><al>Wet Bibob</al></li><li nr="Deze"><al>toelichting is niet de plaats om het lokale Bibob-beleid te beschrijven.
                            Van belang is wel om hier aan de hand van rechterlijke opvatting
                            (jurisprudentie) kort in te gaan op implicaties die de toepassing van de
                            Wet Bibo op APV-onderdelen met zich mee kan brengen. De toelichting
                            beoogt immers bij te dragen aan het toepassen van de APV in de
                            dagelijkse praktijksituatie.</al></li><li nr="Hieronder"><al>wordt een rechterlijke uitspraak besproken die van belang kan zijn voor
                            de uitvoering van de Wet Bibob. Het betreft het arrest van de Hoge Raad
                            van 11 januari 2013 (LJN: BX7579). In dit arrest heeft de Hoge Raad
                            enkele belangrijke zaken opgemerkt over de aansprakelijkheid van het
                            bestuursorgaan dat niet tijdig beslist als gevolg van het afwachten van
                            het advies van het Bureau Bibob (hierna: het Bureau). </al><lijst><li nr="1."><al>De feiten in de zaak luiden, in het kort, als volgt. Op 28
                                    november 2006 ontving de gemeente een aanvraag voor een
                                    exploitatievergunning voor een prostitutiebedrijf. Op 21
                                    februari 2007 liet men de aanvrager weten een advies bij het
                                    Bureau aan te vragen. Op 11 juli 2007 oordeelde de
                                    voorzieningenrechter op verzoek van de ondernemer dat de
                                    beslistermijn uit de APV was verstreken. Aangezien de gemeente
                                    die termijn niet expliciet had opgeschort, moest de gemeente van
                                    de voorzieningenrechter uiterlijk op 27 juli 2007 alsnog een
                                    besluit nemen.</al></li><li nr="De"><al>gemeente liet de ondernemer op 20 juli 2007 weten voornemens te
                                    zijn de aanvraag af te wijzen in verband met slecht levensgedrag
                                    in de zin van de APV. Op 25 juli 2007 ontving de gemeente het
                                    Bibob-advies van het Bureau. De gemeente vond dat er nader
                                    onderzoek moest plaatsvinden maar omdat besluitvorming niet
                                    langer kon uitblijven, werd de vergunning op 4 september 2007
                                    toch verleend. Zij het voor een beperkte periode en onder
                                    voorwaarde dat er nader onderzoek naar het Bibob-advies zou
                                    plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>De ondernemer had, zo meende hij, schade geleden door de
                                    overschrijding van de beslistermijn. Hij vorderde daarom een
                                    schadevergoeding bij de civiele rechter op grond van artikel
                                    6:162 BW. Deze procedure dient uiteraard te worden onderscheiden
                                    van de dwangsom bij niet tijdig beslissen. De rechtbank wees het
                                    verzoek tot schadevergoeding in augustus 2009 toe; in hoger
                                    beroep bekrachtigde het hof in maart 2011 de uitspraak van de
                                    rechtbank. Uiteindelijk stelde de gemeente cassatie in bij de
                                    Hoge Raad.</al></li><li nr="3."><al>De Hoge Raad stelt allereerst dat de enkele overschrijding van
                                    de wettelijke beslistermijn onvoldoende is voor het aannemen van
                                    aansprakelijkheid. Die wettelijke beslistermijn beoogt namelijk
                                    niet zonder meer te beschermen tegen schade als gevolg van het
                                    uitblijven van een tijdige beslissing, maar is in de eerste
                                    plaats bedoeld om de overheid met voortvarendheid te laten
                                    beslissen en duidelijkheid te scheppen voor de betrokkene. Voor
                                    het aannemen van aansprakelijkheid zijn, naast de
                                    termijnoverschrijding, bijkomende omstandigheden nodig. Wat die
                                    bijkomende omstandigheden precies zijn, blijft onbesproken. In
                                    dit geval had de gemeente aangevoerd dat de
                                    termijnoverschrijding niet geheel voor haar rekening mocht komen
                                    omdat de gegevens die nodig waren voor de aanvraag van een
                                    Bibob-advies niet al bij de aanvraag van de vergunning op 28
                                    november 2006 door de ondernemer werden verstrekt maar pas op 13
                                    januari 2007. De Hoge Raad gaf de gemeente op dit punt
                                    gelijk.</al></li><li nr="4."><al>Verder wijdt de Hoge Raad een overweging aan het opschorten van
                                    de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 Wet Bibob. Op grond
                                    van dat artikel wordt de beslistermijn opgeschort zolang de
                                    aanvraag bij het Bureau in behandeling is, met een
                                    maximumperiode van acht weken. Na de inwerkingtreding van de
                                    Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob zal die termijn overigens
                                    twaalf weken bedragen. De Hoge Raad stelt dat de gemeente geen
                                    nadere handeling hoeft te verrichten om de termijn op te
                                    schorten. Het is voldoende om op grond van artikel 32 de
                                    betrokkene op de hoogte te stellen van het feit dát er een
                                    advies wordt aangevraagd. Daar had de gemeente in dit geval aan
                                    voldaan.</al></li><li nr="5."><al>De Hoge Raad gaat ook in op het verdagen van de beslistermijn op
                                    grond van de APV. De gemeente had dat in deze zaak niet
                                    schriftelijk gedaan. Hoewel er geen formele verlenging had
                                    plaatsgevonden, kon de termijnoverschrijding wel (gedeeltelijk)
                                    “gedekt” worden door de bevoegdheid tot verdaging in de APV. Van
                                    belang bij deze beslissing is dat de gemeente wel steeds met de
                                    aanvrager had gecommuniceerd over het moment waarop de
                                    beslissing kon worden verwacht.</al></li><li nr="6."><al>De meest interessante passage - althans vanuit Bibob-perspectief
                                    bezien - gaat over de vraag of de gemeente onzorgvuldig handelt
                                    jegens de betrokkene indien men wacht met het nemen van een
                                    besluit terwijl de beslistermijn verstreken is, omdat het
                                    Bibob-advies nog niet is ontvangen. Het Hof zag in dat geval
                                    reden voor aansprakelijkheid en schadevergoeding. De Hoge Raad
                                    ging daar niet in mee. De gemeente mag, maar is niet verplicht,
                                    zonder Bibob-advies een besluit te nemen. Het feit dat de
                                    burgemeester uiteindelijk (in een stadium nadat het Bibob-advies
                                    was verkregen maar waarin nog niet alle twijfel was weggenomen)
                                    toch een tijdelijk besluit heeft genomen, wil nog niet zeggen
                                    dat dit eerder had moeten gebeuren. Voor deze beoordeling moet
                                    de gemeente het algemeen belang (namelijk het voorkomen dat de
                                    overheid criminele activiteiten faciliteert) afwegen tegen het
                                    belang van de vergunningaanvrager. De Hoge Raad vernietigde het
                                    arrest van het Hof en verwees de zaak terug. Het Hof
                                    ‘s-Gravenhage moet nu over de zaak beslissen. (bron: Nieuwsbrief
                                    nr. 5, januari 2013 van het Landelijk Bureau Bibob).</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1</vet></al><al><vet>1:1 (bebouwde kom)</vet></al><al>Hier wordt de alternatieve bepaling omtrent ‘bebouwde kom’ van het APV-model van
                    de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gevolgd. Dit alternatief brengt
                    namelijk de minste administratieve lasten met zich mee. Bovendien is er de
                    minste kans op een verkeerde uitleg van het begrip.</al><al><vet>1:1 (openbare plaats)</vet></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). De weg maakt
                    daar onderdeel van uit. Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare
                    plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open
                    staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”.</al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al><vet>1:3, lid 2</vet></al><al>Deze bepaling maakt een langere beslistermijn mogelijk voor de door het
                    bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen. Op basis van
                    afspraken met de politie in het kader van het evenementenbeleid is gekozen voor
                    maximaal twaalf weken. Voorkomen dient te worden dat de politie wordt
                    geconfronteerd met grote publiektrekkende evenementen in zalen die dit op grond
                    van een (doorlopende milieu)vergunning mogen. De reden hiervoor is dat de
                    aanvraag van een groot evenement complex is. Hiervoor is beduidend meer overleg
                    nodig. In een nader aanwijzingsbesluit zal deze langere termijn worden toegepast
                    voor bepaalde evenementen, bijv. die van de B-, C-, en D-categorie uit de
                    Regionale Evenementennota. Dit (door de burgemeester) te nemen
                    aanwijzingsbesluit kan ook grote buitenevenementen omvatten.</al><al><vet>1:3, lid 3</vet></al><al>Deze toevoeging geeft het bevoegde bestuursorgaan de mogelijkheid om naar eigen
                    inzichten formulieren te ontwerpen en te gebruiken. Met het toevoegen van dit
                    lid komt de noodzaak tot het verplicht vaststellen van formulieren, daar waar
                    dit nog geregeld is, te vervallen.</al><al>Hoofdstuk 2</al><al><vet>2:1, lid 1</vet></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt,
                    als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”</al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie.” Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het
                    karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare
                    manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel
                    uitgezonderd worden. In het zesde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al><vet>2:1, lid 2</vet></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden.</al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 van de
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid bevat het geven van een bevel in een
                    concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via
                    opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1. Ook in het proces-verbaal en
                    de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd
                    op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. artikel 6:1.</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 blijven uiteraard ook de bevelen van de
                    burgemeester in het kader van diens openbare ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen
                    van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen
                    in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat
                    uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden
                    gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al>Gemeentelijke BOA’s hebben alleen de bevoegdheid voor toepassing van artikel
                    2:1, eerste lid.</al><al><vet>2:1, lid 4</vet></al><al>Deze bepaling biedt de politie echter extra handvatten om op te treden tegen
                    wanordelijkheden. Het is namelijk een zelfstandig strafbaar feit waartegen de
                    politie proces verbaal kan opmaken.</al><al><vet>2:3, lid 1</vet></al><al>De termijn van achtenveertig uur is ook in de vorige APV gebruikt en blijkt in
                    de praktijk hanteerbaar en bruikbaar.</al><al><vet>2:3, lid 4</vet></al><al>Aan deze bepaling is de zinsnede ‘van de betoging’ toegevoegd om de leesbaarheid
                    van de zin te verhogen en verkeerde uitleg te voorkomen.</al><al><vet>2:3, lid 5</vet></al><al>In dit lid is ‘deze termijn’ is veranderd in ‘buiten de in het eerste lid
                    gestelde termijn’. Op die manier is voor iedereen duidelijk welke termijn
                    bedoeld wordt en wordt verkeerde uitleg voorkomen.</al><al><vet>2:10</vet></al><al>In de APV 2009 is de mogelijkheid opgenomen tot het vrijstellen van een
                    vergunningsplicht voor de meest voorkomende objecten. In de praktijk blijkt het
                    goed te werken.</al><al>nieuwe ontwikkelingen</al><al>Tijdens de vergadering van 7 december 2012 hebben Provinciale Staten van
                    Noord-Brabant besloten de Landschapsverordening Noord-Brabant in te trekken, met
                    ingang van zes maanden na de datum van uitgifte van het Provinciaal blad van
                    Noord-Brabant (nr. 304/12). Dit blad is uitgegeven op 21 december 2012. Daarmee
                    verliest deze verordening op 21 juni 2013 haar rechtskracht.</al><al>De Landschapsverordening biedt het Brabantse landschapsschoon in het
                    buitengebied extra bescherming tegen aantasting door borden, vlaggen,
                    containers, reclameobjecten en dergelijke. Door intrekking van die verordening
                    wordt het voor gemeenten mogelijk zelf passend beleid te ontwikkelen met
                    betrekking tot reclameborden in het buitengebied. Vooralsnog wordt het lokale
                    ruimtelijk beleid als afdoende beschouwd om ongewenste ontwikkelingen in het
                    buitengebied tegen te gaan. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant zullen over
                    twee jaar het afschaffen van de Landschapsverordening evalueren.</al><al><vet>2:12</vet></al><al>Het vaste, Steenbergse beleid geeft in combinatie met een vergunningplicht de
                    meeste garanties op een gemeentebrede eenduidige en overzichtelijke uitvoering
                    en realisering van uitwegen. De gemeente Steenbergen wil de aanleg daarvan zelf
                    in de hand kunnen houden.</al><al>Een meldingssysteem of nadere regels waaronder een uitweg is toegestaan wordt
                    daarom niet geïntroduceerd. Het college kan wel categorieën aanwijzen waarvoor
                    de vergunningplicht niet geldt.</al><al><vet>2:13 en 2:14</vet></al><al>Modder op de weg is een dermate probleem dat het effectief daarop kunnen
                    handhaven een must is. De Afvalstoffenverordening regelt andere motieven
                    (voornamelijk milieu) en daar is het modderprobleem zowel juridisch als
                    praktisch niet of nauwelijks op te handhaven.</al><al>Daarnaast neemt voor de gemeente de maatschappelijke druk toe om effectief tegen
                    wegvervuiling op te treden. Daarom voelt de gemeente zich geroepen om
                    beschermende regels te stellen die ondernemers tevens bewust maken tot het nemen
                    van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Op die wijze wil de gemeente
                    inspelen op de tendens tot maatschappelijk verantwoord ondernemen die de laatste
                    jaren veel opgang maakt in het bedrijfsleven. De land- en tuinbouwsector vormt
                    een volwaardig onderdeel daarvan. Door het stimuleren van verantwoordelijkheid
                    om tijdens campagnes maatregelen op de weg te nemen die de risico’s voor andere
                    weggebruikers tot een minimum beperken meent de gemeente op integrale en
                    afgewogen wijze de belangen van alle verkeersdeelnemers, ondernemer of niet, te
                    dienen. Die belangen kunnen maar op één manier gediend worden: door modder die
                    onverhoopt op het wegdek terecht is gekomen, direct te verwijderen. Alleen op
                    die manier kunnen gevaarlijke situaties en bekeuringen worden voorkomen. Daarom
                    is een regeling over dit onderwerp in de Steenbergse APV teruggekeerd.</al><al>Belangrijk is om stil te staan bij de reikwijdte van het begrip ‘ontdoen’ in
                    artikel 2:14. Dit behelst nu ook het schoonspuiten. Het snel en effectief
                    berijdbaar maken van de rijweg in slechte weercondities is het sleutelwoord en
                    dat kan ook in alle redelijkheid worden gevraagd van de vervuiler. Het door het
                    schoonspuiten verdwijnen van modder in de bermen, hetgeen een al dan niet
                    tijdelijke verslechtering van de afwatering van de weg als gevolg kan hebben,
                    wordt als een zeer klein potentieel verkeersgevaar gezien, zeker in vergelijking
                    met het uitvoeren van voor andere verkeersdeelnemers hinderlijke werkzaamheden
                    tot het verzamelen en vervolgens verwijderen van modder (voor zover dat mogelijk
                    is). Overigens wordt door een adequaat bermbeheer (berminspectie) dit soort
                    mogelijke problemen in het algemeen voorkomen.</al><al><vet>2:15</vet></al><al>Dit artikel is opnieuw opgenomen in de APV. De bepaling wordt gezien als een
                    vangnetbepaling. Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt
                    belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op
                    basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125
                    Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te
                    snoeien.</al><al>In de gemeente Steenbergen is er behoefte gebleken aan nadere regels over
                    overhangende begroeiing. Derhalve is in het tweede lid voor het college de
                    mogelijkheid opgenomen om deze nadere regels vast te stellen. Deze nadere regels
                    zijn bedoeld voor handhavingdoeleinden in overlastsituaties. Vanwege effectieve
                    handhaving is bewust gekozen voor deze vorm van concrete normstelling.
                    Beleidsregels maken handhaving moeilijker omdat bij de toepassing daarvan in
                    concrete situaties een algemene afweging op basis van de algemene beginselen van
                    behoorlijk bestuur moet worden gemaakt.</al><al><vet>2:18</vet></al><al>In regionaal verband wordt geadviseerd een eenduidige periode te hanteren van 1
                    maart tot 1 oktober. De periode lijkt lang, maar biedt de mogelijkheid om direct
                    op te treden wanneer er bijvoorbeeld perioden van droogte voorkomen in het
                    vroege voorjaar. Een regionaal eenduidige periode geeft meer duidelijkheid voor
                    controlerende instanties en burgers en leidt bovendien tot administratieve
                    lastenverlichting.</al><al><vet>2:22</vet></al><al>De bepaling fungeert als vangnetbepaling voor wanneer het bestemmingsplan de
                    problematiek onvoldoende regelt.</al><al><vet>2:24 en 2:25</vet></al><al>Belangrijk is vast te stellen dat ook evenementen die plaatsvinden in een gebouw
                    binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen.</al><al>I. Algemeen</al><al>De terminologie ‘klein evenement’ is gewijzigd in ‘eendaags evenement’. De
                    regeling is wat ruimer neergezet dan het VNG model. Het VNG model biedt slechts
                    de mogelijkheid om een vergunningsvrij evenement te organiseren voor
                    kleinschalige evenementen zoals een straat- of buurtfeest. Vanwege deze ruimere
                    bepaling is gekozen voor het opnemen van extra (mogelijkheden tot het stellen
                    van) voorwaarden, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>Beperking van het geluidsniveau conform het model van de gemeente Bergen
                            op Zoom (lid 2, onder d).</al></li><li nr="-"><al>Het eventueel niet mogelijk maken een vergunningsvrij evenement te
                            organiseren in bijvoorbeeld het centrum, een kern of in een ander gebied
                            door middel van een aanwijzingsbesluit (lid 5).</al></li><li nr="-"><al>Voor evenementen waarvoor alleen een meldingsplicht bestaat, is de
                            mogelijkheid ingebouwd extra voorwaarden te stellen (lid 7).</al></li></lijst><al>Op voorstel van met name de politie is de termijn van het melden van een
                    evenement verruimd naar veertien dagen (lid 2, onder h). Dit geeft hulpdiensten
                    de kans een inschatting te maken of nadere voorwaarden of maatregelen nodig zijn
                    voor het evenement of dat het wellicht toch moet worden verboden.</al><al>vechtsportwedstrijden en -gala’s (lid 4, onder a)</al><al>In navolging van incidenten in Amsterdam en Leeuwarden is gekozen om
                    vechtsportwedstrijden of -gala’s, waaronder in ieder geval wordt begrepen
                    kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee
                    vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde
                    evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is expliciet
                    vergunningplichtig te maken. Tevens geldt voor deze evenementen ingevolge het
                    zesde lid dat de organisator niet van slecht levensgedrag mag zijn. De
                    burgemeester weigert de vergunning als deze toets negatief uitvalt. Het is niet
                    relevant of een dergelijk evenement georganiseerd wordt in een gebouw of op een
                    terrein dat voor sportwedstrijden bestemd is of niet.</al><al>De titel of naamgeving van dergelijke evenementen zal niet leidend zijn (de
                    lading hoeft de inhoud niet te dekken). De onderscheidenlijk te organiseren
                    (deel)activiteiten tijdens zo’n evenement zullen steeds inhoudelijk worden
                    beoordeeld. De organisator dient de burgemeester daartoe de gelegenheid te
                    bieden door de gevraagde informatie daarover in de vergunningaanvraag dan wel op
                    verzoek te verstrekken. Het spreekt voor zich dat er een redelijk vermoeden moet
                    zijn, dat het (mede) om onwenselijke activiteiten zou kunnen gaan. Zo zou er bij
                    een lezing over bijvoorbeeld kickboksen naar omstandigheden in principe geen
                    reden tot een nader informatieverzoek hoeven te zijn. Een en ander is echter
                    afhankelijk van wie in welke context voornemens is wat te organiseren.</al><al>De reikwijdte van de Wet Bibob is 24 september 2011 (samen met headshops)
                    uitgebreid naar vechtsportevenementen.</al><al>evenementen in strijd met de menselijke waardigheid (lid 4, onder a)</al><al>Ingevolge het vaste evenementenbeleid zijn naast vechtevenementen ook
                    evenementen die in strijd zijn met de menselijke waardigheid in principe niet
                    toegestaan. De regeling in de APV voorziet er tevens in dat deze evenementen
                    niet vergunningvrij kunnen worden georganiseerd en net als vechtevenementen
                    onder de vergunningplicht vallen alsmede de plicht om een verklaring van goed
                    gedrag van de organisator te overleggen.</al><al>Het bepaalde rond vechtsportevenementen en evenementen in strijd met de
                    menselijke waardigheid is tot stand gekomen als een co-productie met de gemeente
                    Roosendaal. Hiermee loopt het organiseren van deze evenementen in beide
                    gemeenten parallel.</al><al>aanleiding tot de vergunningplicht</al><al>De praktijk in den lande wijst uit dat bij sommige vechtevenementen een
                    verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. De
                    organisator van een evenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken
                    tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, ook in de directe
                    woon- en leefomgeving. De extra eis van het levensgedrag wordt hier gesteld om
                    te kunnen toetsen of deze organisator op grond van zijn levensgedrag kan worden
                    geacht aan die verantwoordelijkheid te kunnen voldoen.</al><al>reikwijdte</al><al>De vechtsportevenementen zijn genoemd in het artikel. Hiermee wordt expliciet
                    een onderscheid gemaakt in reguliere vechtsportwedstrijden en -manifestaties,
                    zoals boksen, karate en dergelijke.</al><al>profsportbeoefening (lid 4, onder b)</al><al>Specifiek in Steenbergen is een evenement waaraan op basis van
                    profsportbeoefening wordt deelgenomen vergunningplichtig.</al><al>Overige aspecten met betrekking tot evenementen zoals dierenwelzijn, circussen
                    met wilde dieren, snelheidswedstrijden met gemotoriseerde voer- en vaartuigen,
                    schuurfeesten, erotische evenementen en evenementen in natuurgebieden zijn
                    genoegzaam geregeld in het vastgestelde evenementenbeleid en in separate
                    beleidslijnen.</al><al>plastic wegwerp glazen (lid 8)</al><al>Het college heeft eerder besloten niet langer het gebruik van duurzaam kunststof
                    te eisen als het gaat om de tijden en locaties waar men geen gebruik mag maken
                    van glas voor het serveren van dranken. Men mag dus naar believen ook wegwerp
                    plastic gebruiken. Dat moet dan wel aansluiten met de regeling in deze APV. Zie
                    ook artikel 2:33.</al><al>II. Reikwijdte besloten feesten</al><al>Een feest wordt op het eerste gezicht als ‘besloten’ gekwalificeerd wanneer het
                    niet vrij voor alle publiek toegankelijk is. Er is dan geen sprake van een
                    evenement als bedoeld in artikel 2:24 APV. Om te kunnen bepalen of de
                    evenementenbepalingen uit de APV van toepassing zijn, zal antwoord moeten worden
                    gekregen op de vraag of het feest een besloten karakter heeft. De beslotenheid
                    moet geobjectiveerd kunnen worden uitgelegd. De volgende beoordelingscriteria
                    zullen daarbij worden gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>Het feest is alleen op uitnodiging bij te wonen;</al></li><li nr="b."><al>Er wordt geen entreegeld gevraagd, ook niet in de vorm van een
                            ‘vrijblijvende’ fooienpot;</al></li><li nr="c."><al>Er is een bepaalde aantoonbare (gemeenschaps)band tussen de gasten;</al></li><li nr="d."><al>De organisator heeft een bepaalde, anders dan commerciële, band met alle
                            gasten;</al></li><li nr="e."><al>De ruimte(n) is/zijn slechts incidenteel voor feesten in gebruik;</al></li><li nr="f."><al>De organisator heeft zicht op het aantal aanwezigen in de ruimte;</al></li><li nr="g."><al>Er wordt geen enkele publiciteit gegeven aan het feest of reclame
                            gemaakt voor het feest;</al></li><li nr="h."><al>Alcohol, frisdrank, etenswaren of andere diensten worden gratis (zonder
                            tussenkomst van geld of vooraf aangeschafte consumptiebonnen) aan
                            bezoekers verstrekt.</al></li></lijst><al>Een voorbeeld van een besloten feest is een bruiloft, verjaardag of
                    personeelsfeest.</al><al>De term ‘besloten’ wordt zeer strikt gehanteerd in de gemeente Steenbergen. In
                    geval van twijfel zijn de evenementenbepalingen uit de APV van toepassing op een
                    activiteit. De voorwaarden in artikel 2:25 APV wijzen vervolgens uit of er
                    sprake is van een vergunningplichtig evenement of van een meldingplichtig
                    eendaags evenement.</al><al>aanvullende beleidsuitwerking</al><al>Om verdere verduidelijking te krijgen rond het begrip besloten feest kan in een
                    evenementenbeleid of in het beleid rond het tegengaan van paracommercie worden
                    bepaald dat het organiseren van een besloten feest op openbaar gebied of tegen
                    vergoeding op andermans terrein niet is toegestaan, met uitzondering van een
                    feest in een daarvoor bestemd commercieel horecabedrijf (openbare inrichting).
                    Ook kunnen de beoordelingscriteria a. t/m h. verder ingevuld en uitgewerkt
                    worden in een evenementennota.</al><al>aandacht voor leefomgeving</al><al>Bij besloten evenementen is het (ook) van belang dat geen overlast wordt
                    veroorzaakt voor de omgeving en dat omwonenden tijdig worden geïnformeerd. Ook
                    daar kan de openbare orde, overlast, (verkeers)veiligheid, zedelijkheid of
                    gezondheid in het geding komen.</al><al>overige vergunningen</al><al>Wanneer een besloten feest op eigen terrein wordt georganiseerd in een tent of
                    gebouw dat anders dan de bestemming daarvan wordt gebruikt, en er vijftig
                    personen of meer tegelijkertijd aanwezig zijn, dan is in verband met de
                    brandveiligheid een tijdelijke gebruiksvergunning vereist.</al><al>Het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank
                    voor gebruik ter plaatse is vergunningplichtig volgens de Drank- en Horecawet.
                    Ook bij tijdelijke, al dan niet besloten evenementen geldt dat. Wanneer er
                    tijdens een feest een vaste bijdrage voor alcoholconsumpties wordt gevraagd is
                    de Drank- en Horecawet van toepassing. Voor het verstrekken van alcohol tijdens
                    bijzondere gelegenheden is dan een ontheffing nodig.</al><al>Zoals eerder gememoreerd brengt het betalen voor alcoholconsumpties de
                    gelegenheid direct onder de werking van de het bepaalde in de APV omtrent het
                    houden van evenementen.</al><al>cateraars</al><al>Een partijencateraar hoeft géén tapontheffing aan te vragen voor het schenken
                    van zwakalcoholische dranken indien dit gebeurt tijdens besloten feesten
                    (artikel 19 Drank- en Horecawet). Besloten feesten met een partijencateraar
                    worden getoetst aan de criteria a. t/m g.</al><al>Wordt de cateraar ingezet bij openbare evenementen zoals een open dag of
                    popconcert, dan is er sprake van een openbare gelegenheid die voor publiek
                    toegankelijk is en waarbij gasten/ bezoekers direct (contante betaling) of
                    indirect (bijv. via consumptiebonnen) voor de genuttigde alcoholhoudende
                    consumpties moeten betalen.</al><al>III. Nader toetsingskader organiseren evenement</al><al>Voor de toetsing van vergunningplichtige evenementen kan de burgemeester de
                    algemene weigeringsgronden uit artikel 1:8 in concrete zin uitwerken conform
                    onderstaand toetsingskader. Aan de hand hiervan kan hij vervolgens het algemene
                    evenementenbeleid op een juridisch sluitende en transparante wijze
                    uitvoeren.</al><al>nader toetsingskader</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren wanneer een evenement naar
                            zijn oordeel: </al><lijst><li nr="a."><al>zal worden bezocht door een onevenredig groot aantal
                                    bezoekers;</al></li><li nr="b."><al>zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de
                                    plaats waar het wordt gehouden;een onevenredig groot beslag legt
                                    op de beschikbare ruimte of tijd dan wel de inzet van
                                    hulpdiensten;</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het weg-, lucht- of het
                                    scheepvaartverkeer;</al></li><li nr="d."><al>een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de
                                    omgeving met zich meebrengt;</al></li><li nr="e."><al>verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk
                                    aanzien van de omgeving dan wel</al></li><li nr="f."><al>schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van
                                    openbaar nut.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunning tevens weigeren ingeval de organisator
                            onvoldoende waarborgen biedt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een veilig en ordelijk verloop van het evenement;</al></li><li nr="b."><al>om schade aan het milieu als gevolg van het evenement te
                                    voorkomen of te beperken.</al></li></lijst></li></lijst><al>IV. Meerjarige vergunning (doorlopende evenementenvergunning)</al><al>De burgemeester is bevoegd om een doorlopende evenementenvergunning te verlenen.
                    Hierbij kan hij nadere regels stellen. Hieronder komen een aantal aanbevelingen
                    aan bod.</al><al>meldingsplicht</al><al>Ondanks dat het om een doorlopende vergunning gaat, dienen periodiek ( doorgaans
                    jaarlijks) terugkerende evenementen steeds opnieuw schriftelijk bij de gemeente
                    te worden gemeld (richtdatum voor jaarlijks terugkerende evenementen uiterlijk 1
                    november). Hierbij doet de organisator melding van de opzet en de organisatie
                    van het te houden evenement. Deze melding maakt vervolgens deel uit van de
                    eerder verleende evenementenvergunning. Op een melding zijn de
                    indieningsvereisten als bedoeld in artikel 1:3 van toepassing.</al><al>meerdere evenementen op één dag</al><al>Er kunnen meerdere evenementen tegelijkertijd plaatsvinden. Wanneer teveel
                    evenementen voor eenzelfde datum aangevraagd worden, kan de burgemeester echter
                    bepalen dat een evenement op een andere datum moet plaatsvinden. Onderlinge
                    afstemming van evenementen en hulpdiensten is essentieel. De gemeente is
                    coördinator in de planning van de evenementen en hoort voor een zorgvuldige
                    afstemming met de hulpdiensten daarom graag zo vroeg mogelijk de beoogde datum
                    van een evenement. In dit kader is het (tijdig) doen van een melding tevens van
                    belang.</al><al>vervallen van de doorlopende vergunning</al><al>Als een evenement niet vóór de uiterlijke datum van melding, zoals verwoord in
                    de nadere regels van de burgemeester, wordt gemeld, dan vervalt de doorlopende
                    vergunning van rechtswege. Dit van rechtswege vervallen dient vervolgens als
                    bepaling aan de doorlopende vergunning te worden verbonden.</al><al>Ook het volgende wordt in de regeling van de burgemeester aanbevolen:</al><al>Als blijkt dat de opzet van een evenement met een doorlopende vergunning zodanig
                    wijzigt dat niet meer kan worden gesproken van een met de oorspronkelijke editie
                    vergelijkbaar evenement of dat een evenement (bij herhaling) overlast
                    veroorzaakt, kan de burgemeester de doorlopende vergunning intrekken. De
                    organisator moet in dat geval een nieuwe (doorlopende) vergunning
                    aanvragen.</al><al>resumé</al><al>Een doorlopende evenementenvergunning blijft dus alleen gelden als er, met
                    uitzondering van de datum, geen naar oordeel van de burgemeester noemenswaardige
                    wijzigingen plaatsvinden ten opzichte van het aanvankelijk ingeleverde
                    aanvraagformulier en de bijbehorende bijlagen. Wordt het evenement niet in een
                    met de oorspronkelijke aanvraag vergelijkbare vorm gehouden, dan dient de
                    organisator een nieuwe (doorlopende) evenementenvergunning aan te vragen.</al><al>keuzevrijheid organisator</al><al>Een organisator heeft de keuze om al dan niet een doorlopende
                    evenementenvergunning aan te vragen. Bij twijfel omtrent de bedoeling van de
                    aanvragende organisator is het uit serviceoverwegingen én met het oog op
                    beperking van toekomstige administratieve lasten raadzaam om contact op te nemen
                    met deze organisator en hem/haar te wijzen op de mogelijkheid tot het aanvragen
                    van een meerjarige evenementenvergunning.</al><al>differentiatie legestarief</al><al>Voor een doorlopende evenementenvergunningen kan in de Legesverordening een
                    apart tarief worden overwogen. Dat tarief mag niet dermate hoog zijn dat geen
                    gebruik wordt gemaakt van de geboden mogelijkheid.</al><al><vet>2:25a</vet></al><al>Dit artikel regelt het preventieve weigeren van een evenementenvergunning,
                    indien is geconstateerd dat de organisator van het evenement de
                    vergunningvoorschriften van hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft
                    overtreden.</al><al><vet>2:28 en 2:29</vet></al><al>Op basis van het model van de VNG is hier zoveel mogelijk vastgehouden aan de
                    eerdere lokale ervaringen. Mogelijkheden tot vrijstelling van horecabedrijven
                    die reeds een Drank- en Horecavergunning hebben, worden niet overgenomen. Wel is
                    het sluitingstijdenartikel 2:29 volledig geïntegreerd in artikel 2:28. De
                    burgemeester volgt hierbij weliswaar het door hem met de horecapartners mede
                    bepaalde horecabeleid, maar kan volledig naar eigen inzichten afwijkende
                    sluitingstijden vaststellen. De noodzaak tot het kunnen toepassen van dergelijk
                    flexibel handelen is in de praktijk gebleken.</al><al>De burgemeester wordt geacht om bij het verlenen van een
                    horeca-exploitatievergunning aan een paracommerciel bedrijf het op die bedrijven
                    van toepassing zijnde sluitingstijdenregime zoals dat gemotiveerd is vastgelegd
                    in het huidige horecabeleid te volgen.</al><al>verklaring omtrent gedrag (VOG)</al><al>De vergunning voor het exploiteren en geopend hebben van een openbare inrichting
                    is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt immers een belangrijke
                    rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie
                    het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Mede daarom is in het
                    tweede lid de verplichting opgenomen voor de vergunningaanvrager om een recente
                    VOG voor de leidinggevende te overleggen. Leidinggevende kan de aanvrager zelf
                    zijn, maar ook iemand die bij hem in dienst is.</al><al>De verplichting is tevens raadzaam in het kader van de Wet Bibob. Indien
                    toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden van de Wet Bibob, zal de gemeente
                    eerst zelf al het mogelijke moeten doen om de integriteit en achtergrond van de
                    vergunningaanvrager te onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de VOG
                    zijn.</al><al>Een VOG wordt aangevraagd bij de gemeente waar men staat ingeschreven in de
                    Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent
                    het Gedrag (COVOG), telefoon 088 - 998 22 00, geeft de verklaring namens de
                    Minister van Veiligheid en Justitie af.</al><al><vet>2:30</vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al><al><vet>2:31</vet></al><al>Onder a: Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te
                    verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al>Onder b: Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker
                    van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de
                    inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt
                    hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet
                    weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek
                    van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</al><al><vet>2:33</vet></al><al>Dit artikel wordt in Steenbergen gehandhaafd omdat het één van speerpunten is in
                    het lokale horecabeleid.</al><al><vet>2:38</vet></al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Dit
                    artikel komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken. Een dergelijke aanvulling van het Wetboek van strafrecht bij
                    plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april
                    1979, NJ 1979, 442.</al><al>Een verwijzing naar artikel 438 is, met het oog op de eenduidigheid en het
                    digitaal kunnen doorlinken hiernaar in de regelingenbank, toegevoegd aan de
                    artikeltekst.</al><al><vet>2:40</vet></al><al>Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever
                    dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te
                    verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een
                    vergunning vooraf wordt geëist. Nu geldt alleen nog een vergunningplicht voor
                    kansspelautomaten en niet meer voor behendigheidsautomaten. Om strijdigheid met
                    hogere regelgeving te voorkomen is artikel 2:40 aangepast.</al><al>Afdeling 10A (artikel 2:40a t/m 2:40i)</al><al>Roosendaal en Bergen op Zoom hebben de afgelopen zeven jaar positieve ervaringen
                    opgedaan met de introductie van de winkel-exploitatievergunning voor grow- en
                    smartshops, belshops en internetcafés. Deze vergunningplicht maakt het in
                    combinatie met de Bibob-toets mogelijk de overlast van deze inrichtingen
                    aanzienlijk te beperken.</al><al>De Wet Bibob biedt nu ook de mogelijkheid om ook headshops aan te wijzen. Het
                    APV-artikel (2:40a, onder a) is daarom aangevuld met headshops. De
                    weigeringsgrond dat de inrichting niet gelegen mag zijn in een straal van
                    tweehonderdvijftig meter van gevoelige objecten zoals buurthuizen, scholen of
                    jongerencentra is bepaald op driehonderd vijftig meter. Hiermee wordt
                    aangesloten op dezelfde voorwaarden die landelijk zijn voorgesteld ten aanzien
                    van coffeeshops.</al><al>Waarom is een regeling in de APV nodig?</al><al>Van de vestiging van een grow-, smart- of headshop kan een nadelige invloed op
                    het woon- en leefklimaat in de directe omgeving uitgaan. Daarnaast hangt om
                    dergelijke shops een zweem van illegaliteit en criminaliteit. Het gaat om
                    winkels waarbij het, gelet op de aard van de verhandelde producten, de relatie
                    met verdovende middelen en de daarbij behorende bezoekersgroep, het wenselijk is
                    vanuit het motief van de openbare orde, woon- en leefomgeving, overlast- en
                    drugsbestrijding, de exploitatie van deze winkels beheersbaar te maken.</al><al>In 2005 heeft het ministerie van Justitie het rapport ‘Preventieve doorlichting
                    Cannabissector c.a.’ uitgebracht. Het rapport geeft voor wat betreft de grow-,
                    smart- en headshops aan dat deze lijken te worden gebruikt om winsten uit de
                    softdrugshandel wit te wassen. Daarnaast blijken de ondernemers van zowel grow-
                    als smartshops veelvuldig verdacht en/of veroordeeld te zijn voor diverse
                    delicten (van soft- en harddrugshandel, vermogensdelicten, ernstige
                    geweldpleging tot het deelnemen aan een criminele organisatie). Een van de
                    thema’s waarin de georganiseerde criminaliteit een verwevenheid van de boven- en
                    onderwereld kent is de softdrugketen. Dit blijkt ook uit het Nationaal
                    dreigingsbeeld dat in 2008 door het Korps Landelijke Politie Dienst (KLPD) is
                    opgesteld. ‘Voorts kan nog worden gewezen op het rapport van het in
                    Zuid-Nederland gehouden onderzoek ‘De wereld achter de wietteelt’.</al><al>Zoals uit bovenstaande blijkt opereren growshops ook onder andere namen, zoals
                    smartshops of headshops. Het volgende onderscheid kan worden gemaakt:</al><al>growshop</al><al>Een winkel welke hoofdzakelijk goederen voor de thuiskweek van hennep verkoopt
                    zoals meststoffen, zaden, groeilampen, lectuur enzovoorts.</al><al>smartshop</al><al>Een winkel die diverse niet-traditionele genotsmiddelen als herbal XTC,
                    frisdranken met guarana en producten met efedrine verkoopt. De producten die in
                    een smartshop verkocht worden, ook wel psychotrope stoffen genoemd, zijn bedoeld
                    als alternatief voor genotsmiddelen als soft- en harddrugs.</al><al>headshop</al><al>Een headshop is een vorm van detailhandel waarbij hoofdzakelijk artikelen die
                    verwant zijn aan de hasjcultuur worden verkocht. Hierbij moet men denken aan
                    artikelen als waterpijpen, vloeipapier, aanstekers, lectuur, maar ook
                    cocaïnedoosjes en versnijdingsmiddelen zoals cafeïne.</al><al>Er zijn nog meer fancy benamingen in omloop als ecoshops en seedshops.
                    Waarschijnlijk bedacht om onder de greep van regelgeving uit te komen.
                    Afhankelijk van de hoofdactiviteit zijn ze te rangschikken onder één van de
                    vorige categorieën.</al><al>Belshops en internetcafés</al><al>De Apv-regeling ziet ook toe op belshops en internetcafés. Internetcafés en
                    belwinkels trekken met name 's avonds veel publiek, hetgeen overlast kan
                    veroorzaken. Het college dient een verantwoord uitvoeringbeleid te voeren ter
                    voorkoming van overlast door vestiging in bepaalde gebieden tegen te gaan of
                    door ten aanzien van de openingstijden vergunningvoorschriften te stellen.
                    Internetcafés en belshops zijn als volgt te duiden:</al><al>internetcafé</al><al>Een internetcafé is een plaats waar men tegen betaling op een computer kan
                    internetten. Soms kan men er ook consumpties gebruiken. Ook varianten in
                    naamgeving, zoals cybercafés, worden hieronder begrepen.</al><al>belshop</al><al>Een gebouw, dat geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt om daarin voor derden
                    tegen vergoeding elektronisch berichtenverkeer, zoals (internationaal)
                    telefoonverkeer, dan wel aanverwante activiteiten te doen plaatsvinden.</al><al>De APV definieert het begrip growshop verder niet. Ook zijn bovenstaande
                    categorie-aanduidingen geen definities, maar geven zij een indicatief beeld van
                    het productaanbod per type. Het zijn verschijningsvormen van growshops.</al><al>Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en
                    een uitspraak van onder andere de rechtbank Breda blijkt echter dat een norm
                    slechts voldoende duidelijk, althans bepaalbaar is, als deze voor de burger
                    toegankelijk is en op basis daarvan gestelde beperkingen voor de burger
                    voorzienbaar zijn. Een norm moet voldoende duidelijk en concreet zijn
                    omschreven, zodat de burger in staat is zijn gedrag op de norm af te
                    stellen.</al><al>jurisprudentie</al><al>Het ging om een bestuursdwangaanschrijving om de overtreding van artikel 2.3.4.3
                    van de APV te beëindigen en beëindigd te houden door de exploitatie van de
                    growshop te beëindigen en beëindigd te houden. De omschrijving van een growshop
                    als “in het maatschappelijk verkeer aangeduid als growshop” in artikel 2:40a,
                    aanhef en onder a, van de APV, voldoet niet aan de vereisten van bepaalbaarheid
                    en duidelijkheid. Verweerder is gekomen tot een nadere invulling en
                    concretisering van het begrip growshop. De criteria die verweerder thans zegt te
                    hanteren, zijn niet vastgelegd in een beleidsregel en zijn niet gepubliceerd.
                    Ook de checklist van de politie voor het ontmantelen van hennepkwekerijen is
                    geen openbaar stuk. Om handhavend te kunnen optreden dient het begrip growshop
                    nader te worden ingevuld en geconcretiseerd. Verweerder kan daartoe
                    beleidsregels opstellen en op de voorgeschreven wijze publiceren. Ook kan de
                    gemeenteraad de bepalingen van de APV uitwerken. Beroep gegrond, het bestreden
                    besluit wordt vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak voorzien en doet
                    wat verweerder in het bestreden besluit had moeten doen, namelijk het bezwaar
                    gegrond verklaren en het primaire besluit herroepen (LJN: BM3401, Rechtbank
                    Breda, 09 / 3287 GEMWT).</al><al>Om de burger de vereiste duidelijkheid en bepaalbaarheid te verschaffen, dient
                    het begrip growshop nader te worden ingevuld en geconcretiseerd. In deze
                    definitiebepaling is rekening gehouden met de huidige wettelijke context.</al><al>Definitie van growshop n.a.v. jurisprudentie</al><al>Onder growshop als bedoeld in artikel 2:40a aanhef en onder a van de APV wordt
                    verstaan: een inrichting waarin in overwegende mate substanties, voorwerpen of
                    gegevens, die gebruikt kunnen worden voor de teelt van hennep, worden bereid,
                    bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt,
                    vervaardigd of voorhanden zijn.</al><al>Wet Bibob</al><al>Het college en de burgemeester (ieder voor zover hun bevoegdheid betreft) kunnen
                    het toepassingsbereik van de Bibob-beleidslijn uitbreiden naar inrichtingen
                    zoals bedoeld in artikel 2:40a, onder a. Op die wijze kunnen zij een effectief
                    en gemotiveerd Bibob-toetsingsbeleid voeren. Bibob-toetsing is niet mogelijk
                    voor internetcafés en belshops.</al><al><vet>Sluiting inrichting als bedoeld in artikel 2:40a, onder a</vet></al><al>Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd
                    tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan
                    wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als
                    bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe
                    aanwezig is. Dit verbod geldt ingevolge lid 2 niet voor het gebruik van
                    woningen, lokalen of erven ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de
                    geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk
                    apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.</al><al>handhavingsbeleid burgemeester</al><al>De burgemeester is als zelfstandig bestuursorgaan op grond van het bepaalde in
                    de Awb (hoofdstuk 5) en de Opiumwet bevoegd om beleidsregels (bijvoorbeeld in de
                    vorm van een handhavingsmatrix o.i.d.) vast te stellen rond handhaving bij
                    overtredingen van de Opiumwet (zie ook ABRS, nr. 201200206/1/A3, d.d. 9 januari
                    2013).</al><al>Overige relevante jurisprudentie</al><al>Verwezen wordt naar LJN: AU2980, Raad van State, 200503313/1, d.d. 21 september
                    2005 waarin met name casuïstiek met betrekking tot het bepaalde in artikel 2:40i
                    is terug te vinden.</al><al><vet>2:40b</vet></al><al>Dit artikel is gereserveerd ten behoeve van het stellen van nadere regels met
                    betrekking tot het exploiteren van (een maximaal aantal) inrichtingen als
                    bedoeld in artikel 2:40a, onder a in een aan te wijzen gebied.</al><al><vet>2:44a</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen als facultatieve bepaling in de model APV van de VNG.
                    Het biedt de politie een aanvullend handvat om op te treden bij (dreigende)
                    diefstal.</al><al><vet>2:47</vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al>afbakening</al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling
                    in de APV vormt hierop een aanvulling.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1.1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al>specifieke vormen van baldadigdheid; schijnvechten</al><al>Schijnvechten is een verschijnsel dat zich zo nu en dan voordoet op openbare
                    plaatsen in de gemeente Steenbergen. Dit fenomeen kan in sommige gevallen een
                    aanleiding zijn waardoor situaties flink uit de hand kunnen lopen. Op basis van
                    de verkregen informatie van de politie wordt gesteld dat het schijnvechten
                    beperkt plaatsvindt in de omgeving van Steenbergse uitgaansgelegenheden. Met
                    artikel 2:47 in samenhang met het Wetboek van strafrecht kan in voldoende mate
                    worden opgetreden tegen hinderlijk gedrag met een verhoogd risico op verstoring
                    van de openbare orde. Inhoudelijke aanpassing van de Apv op dit punt wordt dan
                    ook, mede in het kader van deregulering, niet noodzakelijk en ook niet wenselijk
                    geacht.</al><al><vet>2:48</vet></al><al>Dit artikel wordt in Steenbergen gehandhaafd omdat het één van speerpunten is in
                    het lokale horecabeleid.</al><al><vet>2:58</vet></al><al>Gelet op de specifieke plaatselijke omstandigheden is er voor gekozen om lokale
                    bepalingen op te nemen. In Steenbergen is dat gebeurd. Het artikel 2:58 is
                    integraal overgenomen uit de vorige APV. Onder eigenaar wordt ook de geleider
                    verstaan. Het begrip ‘uitwerpsel’ is om juridische redenen gedefinieerd.</al><al>hondenbeleid en opruimplicht</al><al>In de voorbereiding van de APV is stil gestaan bij het huidige hondenbeleid en
                    de opruimplicht. De conclusie is dat het huidige beleid en het merendeel van de
                    definities daarbinnen volstaan, zowel juridisch als praktisch met het oog op een
                    adequate handhaving en het met het beleid te bereiken maatschappelijk doel.</al><al>jurisprudentie opruimplicht/opruimmiddel</al><al>Uit jurisprudentie is gebleken dat enige begrenzing van wat onder een
                    opruimhulpmiddel kan worden verstaan wel degelijk wenselijk is, maar dat daar
                    goed over moet worden nagedacht. De huidige APV-definitie voorziet daar al in
                    omdat die is gedefinieerd ten tijde van die jurisprudentie. Door de huidige
                    omschrijving in de APV zijn lichaamsdelen zoals een hand (daar ging de
                    jurisprudentie over), maar ook zakdoekjes, handschoenen, slippers, sokken,
                    mouwen en dergelijke uitgesloten door het feit dat die ‘middelen’ of niet
                    doeltreffend zijn of niet tot het rijtje van ‘plastic / papieren zakje, schepje
                    en dergelijke’ horen.</al><al>bebouwde kom, artikel 2:58, tweede lid, onder a</al><al>In vorige APV werd in artikel 2:58 het begrip bebouwde kom uit de Wegenwet
                    gehanteerd (de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen
                    hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet).
                    Thans wordt het begrip bebouwde kom uit de Wegenverkeerswet 1994 toegepast op de
                    hele APV. Dit betreft het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond
                    van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Voor de praktijk betekent dit een
                    nuanceverschil, met het voordeel dat handhaving van artikel 2:58 eenvoudiger
                    wordt doordat het de algemene definitie uit de Wegenverkeerswet 1994 eenduidiger
                    is en direct zichtbaar is in het straatbeeld.</al><al>aangifte honden; hondenbelasting</al><al>De verordening hondenbelasting 2012 biedt geen ruimte voor het opleggen van een
                    boete bij het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van aangifte wanneer
                    sprake is van het houden van een hond. De APV is juridisch gezien niet bedoeld
                    om daarin boetebedingen op te nemen.</al><al>Een beleidsregel inzake het opleggen van een bestuurlijke boete voor niet bij de
                    gemeente aangegeven hondenbezit is wel mogelijk. De gemeente Steenbergen kent
                    een dergelijk boetebeleid momenteel niet. De reikwijdte van eventueel op te
                    stellen beleidsregels kan ook andere gemeentelijke heffingen betreffen dan
                    hondenbelasting. Het instrument kan functioneren als stok achter de deur, ook
                    als een gemeente in de praktijk nooit een boete oplegt.</al><al>Hoofdstuk VIIIA (paragraaf 1, verzuimboeten en paragraaf. 2, vergrijpboeten) en
                    artikel 62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vormen tezamen met
                    artikel 231, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet
                    de juridische basis voor het opstellen van lokale beleidsregels bestuurlijke
                    boete(n) gemeentelijke belastingen. Het Besluit Bestuurlijke Boeten
                    Belastingdienst van 20 december 2011 (rijksbeleid voor het opleggen van
                    bestuurlijke boeten bij de heffing van (rijks)belastingen) kan daar ook bij
                    worden betrokken.</al><al><vet>2:60</vet></al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt.
                    Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat
                    het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn
                    oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt.</al><al>het voeren van bepaalde dieren</al><al>Er kan behoefte zijn om het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven op
                    bepaalde plaatsen te verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen
                    optreden. Het college kan daartoe plaatsen aanwijzen waar dit voeren is
                    verboden.</al><al>lex silencio positivo</al><al>Als er eenmaal eisen en beperkingen zijn gesteld middels een aanwijzingsbesluit
                    is niet eenvoudig aan te geven wanneer en waarom daar met een ontheffing weer
                    van zou worden afgeweken. Doorgaans zal vrij snel (en dan naar alle
                    waarschijnlijkheid negatief) op een aanvraag om deze ontheffing kunnen worden
                    beschikt. Toch is hier van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien.
                    Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig
                    ongenoegen leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege
                    ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten
                    goede komen.</al><al>relevante jurisprudentie</al><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast
                    veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 02-1991, Gst.
                    1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz. ARRS
                    02 06 1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college
                    gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04 1992, JG
                    92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt RMvM, TMR 1994,
                    9 m.nt. RJdH.</al><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22 12
                    1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht.
                    Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en proces-verbaal
                    van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS 03-07-1999, JG 99.0003
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al>Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden voor
                    de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, JG 02.0025, art. 2-4-20-, art.
                    4-1-7b- m.nt. M. Geertsema.</al><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20 oud).
                    Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b model-APV). Ernstige
                    geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht bijvullen
                    van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk bevorderen, maar dit
                    is onvoldoende om te concluderen dat de buurman kikkers houdt (op grond van
                    artikel 2.4.20 oud) en er de zorg voor heeft. Bij de besluitvorming is terecht
                    rekening gehouden met het feit dat de eiser in het buitengebied woont en het
                    gekwaak van kikkers tot gebiedseigen geluiden moet worden gerekend. Rb.
                    ’s-Hertogenbosch, nr. AWB 99/6873 GEMWT, LJN AD4783.</al><al><vet>2:73</vet></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen
                    op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht
                    (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in
                    winkelstraten, bij dierenasiels enzovoorts). Dit artikel geeft het college via
                    het eerste lid de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op
                    te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een
                    promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</al><al><vet>2:74</vet></al><al>In het model van de VNG is nog geen rekening gehouden met recente jurisprudentie
                    van de afdeling bestuursrechtspraak die aangeeft dat ten aanzien van de Opiumwet
                    geen eigen lokale bepalingen kunnen worden vastgesteld. Over de gevolgen van
                    deze jurisprudentie wordt op dit moment overleg gevoerd tussen VNG en het
                    Ministerie van Veiligheid en Justitie. De uitkomsten van dit overleg worden
                    afgewacht.</al><al><vet>2:75</vet></al><al>In dit artikel zijn de meest relevante APV-artikelen genoemd. Met name die
                    artikelen waarbij het groepsgewijs niet naleven daarvan een risico vormt voor de
                    openbare orde.</al><al>2:77</al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde en daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich
                    uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag
                    geschieden. De gemeenteraad bepaalt hoe ver de bevoegdheid van de burgemeester
                    reikt. De volgende varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:</al><lijst><li nr="-"><al>De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen
                            cameratoezicht toe te passen.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag
                            besluiten tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen,
                            bijvoorbeeld in de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de
                            plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden.</al></li><li nr="-"><al>De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de
                            bevoegdheid aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve
                            van de handhaving van de openbare orde op openbare plaatsen.</al></li></lijst><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. De
                    eigenaren van panden waarvan beelden worden gemaakt zijn aan te merken als
                    belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n
                    pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n
                    pand zijn.</al><al>doel van het cameratoezicht</al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c, lid 7, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden
                    te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast
                    mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter
                    en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><al>kenbaarheid</al><al>In artikel 151c, lid 4, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van
                    camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld
                    van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied
                    betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het
                    kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden
                    vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden. In artikel 441b van het Wetboek van
                    Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor het publiek
                    toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De straf kan hechtenis van ten hoogste
                    twee maanden inhouden of een geldboete van vierduizend vijfhonderd euro.</al><al><vet>2:78</vet></al><al>Roosendaal en Bergen op Zoom hebben in de afgelopen jaren veelvuldig gebruik
                    gemaakt van deze specifieke bepalingen. Ervaringen hiermee zijn positief en
                    voorgesteld wordt deze voorschriften ook voor Steenbergen in te voeren.</al><al>Artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht is overeenkomstig Roosendaal
                    toegevoegd aan de opsomming van het vijfde lid. Het betreft de bepaling over
                    belediging van een ambtenaar in functie.</al><al><vet>3:12</vet></al><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in
                    artikel 3:4 kan complex van aard zijn. Een langere beslistermijn dan de in
                    artikel 1:2 genoemde wordt wenselijk geacht.</al><al><vet>4:2 t/m 4:5</vet></al><al>In deze bepalingen zijn de lokale bepalingen van de vorige Steenbergse APV,
                    aangevuld met die uit het horecabeleid gemeente Steenbergen overgenomen (zie de
                    tabellen in paragraaf 8.2 van het horecabeleid gemeente Steenbergen). De normen
                    die in het beleid gesteld worden, zijn overgenomen. In het zevende en achtste
                    lid van artikel 4:3 wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een
                    festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben
                    over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn
                    minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat
                    de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport- en
                    recreatie-inrichtingen maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen, wat
                    met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de
                    omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor
                    muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij
                    evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</al><al><vet>4:6</vet></al><al>Tot een ‘toestel’ als bedoeld in het eerste lid, kan onder andere worden
                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>airgun- en andere knalapparatuur;</al></li><li nr="b."><al>een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen,
                            te gebruiken in het kader van seismologisch onderzoek en
                            opsporingsonderzoek naar of ontginning van de in de bodem aanwezige
                            stoffen;</al></li><li nr="c."><al>een motorisch aangedreven werktuig, te gebruiken in het kader van de
                            aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;</al></li><li nr="d."><al>een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar
                            toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;</al></li><li nr="e."><al>een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt
                            aangedreven door een verbrandingsmotor;</al></li><li nr="f."><al>een met een muziekinstrument vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet
                            gekoppeld aan een geluidsversterker;</al></li><li nr="g."><al>een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;</al></li><li nr="h."><al>een schietwapen;</al></li><li nr="i."><al>een hei-installatie.</al></li></lijst><al><vet>4:18</vet></al><al>In of krachtens bestemmingsplan is al geregeld waar ten behoeve van recreatief
                    nachtverblijf kampeermiddelen wel of niet geplaatst mogen worden.</al><al><vet>5:2 lid 3</vet></al><al>Voorgesteld wordt om dit artikel strenger te formuleren dan in de huidige APV.
                    Daarin was het autobedrijven, taxibedrijven, autorijscholen en dergelijke
                    verboden om drie of meer voertuigen binnen een cirkel met een straal van vijftig
                    meter met als middelpunt een van deze voertuigen te parkeren op de weg. In het
                    nieuwe subartikel a. wordt uitgegaan van het bedrijf als middelpunt. Deze
                    wijziging was wenselijk vanwege de overlast in woonbuurten en ter voorkoming van
                    excessief, oneigenlijk parkeergedrag. Het vereenvoudigt voorts de
                    handhaving.</al><al>Wat wordt onder bedrijf verstaan?</al><al>De locatie van waar degene als bedoeld in artikel 5:2, derde lid opereert, omdat
                    deze ruimtelijk relevant is. De beheersaspecten in de APV zien toe om overlast
                    te voorkomen, hetgeen een ruimtelijke aspect is.</al><al>Bestemmingsplan</al><al>Het bestemmingsplan ziet wat betreft de parkeernormen alleen toe op nieuwe
                    situaties. Nieuwe ontwikkelingen of functies dienen aan de parkeernormen te
                    voldoen. Vaak zijn dat parkeervoorzieningen op eigen terrein. Concentratie wordt
                    dus wel bevorderd, maar dan alleen bij nieuwe situaties. Bestaande situaties
                    dienen te worden gereguleerd door de APV.</al><al><vet>5:7</vet></al><al>Het komt voor dat bedrijven een aanhangwagen of iets dergelijks met daarop de
                    bedrijfsgegevens parkeren op een parkeerplaats of in de berm van een openbare
                    weg om daarmee de aandacht van het publiek te trekken. Ook worden voertuigen
                    gebruikt om evenementen aan te kondigen. Door middel van dit artikel wordt
                    toegezien op het maken van handelsreclame via voertuigen. Uit jurisprudentie en
                    uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt dat de gemeentelijke wetgever
                    in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag
                    onderwerpen.</al><al>Artikel 5:7 van de APV bepaalt dat het parkeren van voertuigen met het
                    kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken verboden is. Hiervoor dient
                    er sprake te zijn van een parkeerexces. Dit betekent dat het gebruik van de weg
                    als parkeerplaats op zichzelf niet ongeoorloofd is, maar wel dat de aard van het
                    voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen
                    relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan
                    parkeerruimte van anderen. Ook kan het excessieve gelegen zijn in het motief van
                    het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.
                    Ingevolge lid 2 kan het college ontheffing van het verbod verlenen.</al><al>Als handelsreclame in de zin van deze bepaling wordt niet gezien de vermelding
                    op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is
                    en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan
                    te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruik “met het
                    kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als
                    vervoersmiddel.</al><al>jurisprudentie</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van Zierikzee
                    geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen binnen de
                    bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De
                    bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een
                    belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen terecht een
                    dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste
                    riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de toepassing van deze
                    bepaling is de aanwezigheid van een verkeersgevaarlijke situatie niet vereist.
                    ABRS 5-12-2001, nr. 200103426.</al><al><vet>5:15</vet></al><al>Het is verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. De terminologie
                    sluit aan bij de Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven
                    van overlast (in de meeste gevallen) en verkeersveiligheid, geregeld in artikel
                    1:8.</al><al>Tot het afschaffen van het vergunningstelsel zou kunnen worden besloten, omdat
                    venten in de meeste gevallen geen (overmatige) overlast oplevert. De praktijk
                    van het verlenen van ventvergunningen is dat deze vrijwel altijd worden verleend
                    onder dezelfde voorschriften en bepalingen. Er is dan ingevolge de
                    Dienstenrichtlijn geen directe reden waarom een vergunningstelsel nog
                    noodzakelijk en proportioneel is. Overlast kan ook achteraf worden
                    aangepakt.</al><al>Het vierde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat
                    gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
                    op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><al><vet>5:18, lid 3, onder b</vet></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De
                    gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</al><al>Afdeling 6 Openbaar vaarwater</al><al>De provincie Noord-Brabant kent geen provinciale vaarwegenverordening. De
                    bepalingen over vaarwegbeheer staan in de artikelen 3.2 t/m 3.5 van de
                    Verordening Water Noord-Brabant. In artikel 3.4, eerste lid is opgenomen dat
                    'regels in het belang van instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van
                    provinciale vaarwegen, evenals daartoe behorende werken' worden gesteld bij
                    verordening van het algemeen bestuur van waterschap Brabantse Delta (= de keur
                    van waterschap Brabantse Delta). Daarom wordt in deze afdeling ook de Keur
                    Brabantse Delta genoemd.</al><al><vet>5:24</vet></al><al>Voor een effectieve en juridisch sluitende handhaving is een tweede lid
                    geïntroduceerd, op basis waarvan onder een voorwerp als bedoeld in het eerste
                    lid mede wordt verstaan: een boom, een heg, een struik of andere beplanting,
                    welke aan het verkeer op een openbaar water het vrije uitzicht kan belemmeren of
                    daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.</al><al>5:25 en 5:26</al><al>De Woonschepenverordening en de op 20 december 2012 vastgestelde
                    Havenverordening gemeente Steenbergen dienen te worden uitgezonderd van de
                    artikelen 5:25 en 5:26 middels vermelding daarvan in artikel 5:25, derde lid en
                    artikel 5:26, derde lid.</al><al><vet>6:1</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. De Gemeentewet
                    heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van verordeningen
                    geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie voor de zwaardere
                    overtredingen.</al><al>Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan als algemene lijn worden
                    gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede categorie wordt gesteld.
                    Op de overtredingen die de gemeenteraad minder ernstig acht, kan een boete van
                    de eerste categorie worden gesteld. Gekozen is om voor alle overtredingen de
                    maximale strafbepaling te hanteren overeenkomstig het bepaalde in de vorige
                    APV.</al><al><vet>6:5</vet></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande besluiten al
                    dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze
                    verordening. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="-"><al>vergunningen;</al></li><li nr="-"><al>ontheffingen;</al></li><li nr="-"><al>vrijstellingen;</al></li><li nr="-"><al>voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 1:4;</al></li><li nr="-"><al>nadere regels;</al></li><li nr="-"><al>aanwijzingsbesluiten;</al></li><li nr="-"><al>beleidsregels en beleidslijnen.</al></li></lijst><al>toetsing ex tunc</al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>geen nadelige positie</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening, met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).</al><al><vet>Titels Algemene plaatselijke verordening 2013 (alfabetisch)</vet></al><al>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:11</al><al>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 5:11</al><al>Aanwezigheid in gesloten inrichting Artikel 2:40f</al><al>Aanwezigheid leidinggevende Artikel 2:40g</al><al>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Artikel 3:8</al><al>Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4:2</al><al>Aanwijzingen ligplaats Artikel 5:26</al><al>Achterlaten van spuiten en dergelijke Artikel 2:74c</al><al>Afbakeningsbepalingen Artikel 5:20</al><al>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:30</al><al>Algemene bepalingen Hst 1</al><al>Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Hst 5</al><al>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Hst 2, afd 12</al><al>Bedelarij Artikel 2:65</al><al>Beëindiging exploitatie Artikel 3:14</al><al>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Hst 3, afd 4</al><al>Begripsbepaling Artikel 2:24</al><al>Begripsbepaling Artikel 2:35</al><al>Begripsbepaling Artikel 2:66</al><al>Begripsbepaling Artikel 2:71</al><al>Begripsbepaling Artikel 4:17</al><al>Begripsbepaling Artikel 5:14</al><al>Begripsbepaling Artikel 5:17</al><al>Begripsbepaling Artikel 5:22</al><al>Begripsbepaling Artikel 5:35</al><al>Begripsbepalingen Artikel 1:1</al><al>Begripsbepalingen Artikel 2:27</al><al>Begripsbepalingen Artikel 3:1</al><al>Begripsbepalingen Artikel 4:1</al><al>Begripsbepalingen Artikel 5:1</al><al>Begripsbepalingen Artikel 5:31a</al><al>Begripsbepalingen Hst 3, afd 1</al><al>Begripsbepalingen Artikel 2:40a</al><al>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
                    Artikel 2:6</al><al>Beperking verkeer in natuurgebieden Artikel 5:33</al><al>Beschadigen van waterstaatswerken Artikel 5:28</al><al>Bescherming milieu, natuurschoon en zorg voor uiterlijk aanzien Hst 4</al><al>Beslistermijn Artikel 1:2</al><al>Beslistermijn Artikel 3:12</al><al>Beslistermijn; weigeringsgronden Hst 3, afd 3</al><al>Bestrijding van wanordelijkheden Hst 2, afd 1</al><al>Bestuurlijke ophouding / veiligheidsrisicogebieden / cameratoezicht Hst 2, afd
                    15</al><al>Bestuurlijke ophouding Artikel 2:75</al><al>Betoging Hst 2, afd 2</al><al>Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:41</al><al>Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3:2</al><al>Bijen Artikel 2:64</al><al>Binnentreden woningen Artikel 6:3</al><al>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Hst 4, afd 2</al><al>Bruikbaar houden van de weg Artikel 2:14</al><al>Bruikbaarheid en aanzien van de weg Hst 2, afd 5 Voorwerpen op of aan de weg
                    Artikel 2:10</al><al>Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:77</al><al>Citeertitel Artikel 6.6</al><al>Collecteren Hst 5, afd 2</al><al>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Hst 5, afd
                    7</al><al>Crossterreinen Artikel 5:32</al><al>Defecte voertuigen Artikel 5:4</al><al>Drugshandel op straat Artikel 2:74</al><al>Drugsoverlast Hst 2, afd 14</al><al>Evenement Artikel 2:25</al><al>Evenementen Hst 2, afd 7</al><al>Exploiteren en geopend hebben van een openbare inrichting Artikel 2:28</al><al>Exploiteren inrichting; beslistermijn Artikel 2:40c</al><al>Exploiteren seksinrichting of escortbedrijf Artikel 3:4</al><al>Gebiedsverbod in verband met orde en veiligheid Artikel 2:78</al><al>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Artikel 2:73</al><al>Gebruik van glas- en vaatwerk Artikel 2:33a</al><al>Gedragseisen exploitant en beheerder Artikel 3:5</al><al>Gedragseisen Artikel 2:40d</al><al>Geluidhinder en verlichting Hst 4, afd 1</al><al>Gevaarlijke honden Artikel 2:59</al><al>Handel binnen openbare inrichtingen Artikel 2:32</al><al>Het bewaren van houtopstanden Hst 4, afd 3</al><al>Het college als bevoegd bestuursorgaan Artikel 2:34</al><al>Hinder of overlast Artikel 5:37</al><al>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:50</al><al>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:47</al><al>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Artikel 2:15</al><al>Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg Artikel 2:13</al><al>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 2:60</al><al>Indiening aanvraag Artikel 1:3</al><al>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1:6</al><al>Intrekking vergunning Artikel 2:40h</al><al>Inwerkingtreding Artikel 6:4</al><al>Inzameling van geld of goederen Artikel 5:13</al><al>Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere Artikel 5:6</al><al>Kamperen buiten kampeerterreinen Hst 4, afd 5</al><al>Kansspelautomaten Artikel 2:40</al><al>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Artikel 2:3</al><al>Kennisgeving exploitatie Artikel 2:36</al><al>Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel 4:3</al><al>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Artikel 5:25</al><al>Loslopend vee Artikel 2:62</al><al>Maatregelen tegen baldadigheid Hst 2, afd 11</al><al>Maatregelen tegen ontsiering en overlast Hst 4, afd 4</al><al>Maken of veranderen van een uitweg Artikel 2:12</al><al>Nadere regels Artikel 3:3</al><al>Natuurlijke behoefte doen Artikel 4:8</al><al>Neerzetten van fietsen en dergelijke Artikel 2:51</al><al>Objecten onder hoogspanningslijnen Artikel 2:22</al><al>Onversterkte muziek Artikel 4:5</al><al>Openbaar water Hst 5, afd 6</al><al>Openbare orde Hst 2</al><al>Openen straatkolken en dergelijke Artikel 2:16</al><al>Openlijk drugsgebruik Artikel 2:74b</al><al>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enzovoorts Artikel 4:13</al><al>Ordeverstoring Artikel 2:26</al><al>Organiseren van een snuffelmarkt Artikel 5:23</al><al>Overgangsbepaling Artikel 2:40j</al><al>Overgangsbepaling Artikel 6:5</al><al>Overige geluidhinder Artikel 4:6</al><al>Overlast aan vaartuigen Artikel 5:31</al><al>Overlast en verontreiniging door honden Artikel 2:58</al><al>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Artikel
                    2:52</al><al>Overlast van fiets of bromfiets Artikel 5:12</al><al>Parkeerexcessen Hst 5, afd 1</al><al>Parkeren van grote voertuigen Artikel 5:8</al><al>Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5:7</al><al>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel 5:9</al><al>Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke Artikel 5:2</al><al>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:5</al><al>Plakken en kladden Artikel 2:42</al><al>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 4:18</al><al>Reddingsmiddelen Artikel 5:29</al><al>Rookverbod in bossen en op natuurterreinen Artikel 2:18</al><al>Samenscholing en wanordelijkheden Artikel 2:1</al><al>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie Hst 3</al><al>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie Hst 3, afd 2</al><al>Sluitingstijden Artikel 3:6</al><al>Snuffelmarkten Hst 5, afd 5</al><al>Speelgelegenheden Artikel 2:39</al><al>Standplaatsen Hst 5, afd 4</al><al>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 5:18</al><al>Straatprostitutie Artikel 3:9</al><al>Straf-, overgangs- en slotbepalingen Hst 6</al><al>Strafbepaling Artikel 6:1</al><al>Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:3</al><al>Tentoonstellen erotisch-pornografische goederen en dergelijke Artikel 3:11</al><al>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Artikel
                    2:72</al><al>Termijnen Artikel 1:7</al><al>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Artikel 3:7</al><al>Toelichting op de Algemene plaatselijke verordening 2013 Toelichting</al><al>Toestand sloten, andere wateren en niet openbare riolen en putten Artikel
                    4:9</al><al>Toestemming rechthebbende Artikel 5:19</al><al>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Hst 2, afd 9</al><al>Toezicht op openbare inrichtingen Hst 2, afd 8</al><al>Toezicht op speelgelegenheden Hst 2, afd 10</al><al>Toezicht op winkelbedrijven Hst 2, afd 10A</al><al>Toezichthouders Artikel 6:2</al><al>Toonplicht Artikel 1:9</al><al>Veiligheid op de weg Hst 2, afd 6</al><al>Veiligheid op het ijs Artikel 2:23</al><al>Veiligheid op het water Artikel 5:30</al><al>Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:76</al><al>Venten Hst 5, afd 3</al><al>Ventverbod Artikel 5:15</al><al>Verblijfsontzegging Artikel 2:78</al><al>Verblijfsontzegging / gebiedsverbod in verband met orde en veiligheid Hst 2, afd
                    16</al><al>Verblijfsontzegging/gebiedsverbod in verband met drugs Artikel 2:74d</al><al>Verbod afvalstoffen te verbranden of anderszins vuur te stoken Artikel 5:34</al><al>Verbod drankgebruik Artikel 2:48</al><al>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Artikel 4:15</al><al>Verbod innemen ligplaats Artikel 5:27</al><al>Verbod vuur te stoken Hst 5, afd 8</al><al>Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:49</al><al>Verboden gedragingen Artikel 2:31</al><al>Verboden plaatsen Artikel 5:36</al><al>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:67</al><al>Verschaffing gegevens nachtregister Artikel 2:38</al><al>Verspreiden van gedrukte stukken Hst 2, afd 3</al><al>Verstrooien van as Hst 5, afd 9</al><al>Vertoningen en dergelijke op de weg Hst 2, afd 4</al><al>Vervoer geprepareerde voorwerpen Artikel 2:44a</al><al>Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:44</al><al>Vervoer plakgereedschap en dergelijke Artikel 2:43</al><al>Verzamelingen van personen in verband met drugs Artikel 2:74a</al><al>Voertuigwrakken Artikel 5:5</al><al>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Artikel
                    2:68</al><al>Voorschriften en beperkingen Artikel 1:4</al><al>Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 5:24</al><al>Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 2:21</al><al>Vrijheid van meningsuiting Artikel 5:16</al><al>Vuurwerk Hst 2, afd 13</al><al>Weigeren vergunning Artikel 2:25a</al><al>Weigeringsgronden Artikel 1:8</al><al>Weigeringsgronden Artikel 2:40e</al><al>Weigeringsgronden Artikel 3:13</al><al>Wijziging beheer Artikel 3:15</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>