<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR309817_1</dcterms:identifier><dcterms:title>verordening Begraafplaatsrechten 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zandvoortse courant, d.d. 5 december 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=216&amp;g=2013-11-05">Gemeentewet, art. 216</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=229&amp;g=2013-11-05">Gemeentewet, art. 229, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Geen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Zaaknummer 2013-004400, registratienummer 2013/09/001032</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wonen en leefomgeving</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>verordening Begraafplaatsrechten 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort, </al><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 24
                        september 2013, nummer 2013/09/000641, </al><al>gelet op de overwegingen van de Gemeenteraad van 5 november 2013, </al><al>gelet op artikel 216 en 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de
                        Gemeentewet; </al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting en tarieventabel vast
                        te stellen:</al><al>Verordening begraafplaatsrechten 2014</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de begraafplaats: </vet>de algemene begraafplaats van de
                                    gemeente Zandvoort aan de Tollensstraat 67;</al></li><li nr="b."><al><vet>particulier graf: </vet>een graf waarvoor aan een
                                    natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend
                                    tot:</al><lijst><li nr="I."><al>het doen begraven en begraven houden van lijken;</al></li><li nr="II."><al>het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met
                                            of zonder urnen;</al></li><li nr="III."><al>het doen verstrooien van as.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al><vet>algemeen graf: </vet>een graf bij de gemeente in beheer
                                    waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van
                                    lijken;</al></li><li nr="d."><al><vet>particulier urnengraf:</vet> een graf waarvoor aan een
                                    natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is
                                    verleend tot:</al><lijst><li nr="I."><al>het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met
                                            of zonder urnen;</al></li><li nr="II."><al>het doen verstrooien van as.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al><vet>particuliere urnennis: </vet>een nis waarvoor aan een
                                    natuurlijk persoon of rechtspersoon het recht is verleend tot
                                    het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder
                                    urnen;</al></li><li nr="f."><al><vet>asbus</vet>: een bus ter berging van as van een
                                    overledene;</al></li><li nr="g."><al><vet>urn: </vet>een voorwerp ter berging van één of meer
                                    asbussen;</al></li><li nr="h."><al><vet>verstrooiingsplaats: </vet>een plaats waarop as wordt
                                    verstrooid;</al></li><li nr="i."><al><vet>particuliere gedenkplaats</vet>: een plaats waarvoor aan
                                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is
                                    verleend om overledenen te gedenken;</al></li><li nr="j."><al><vet>grafkelder:</vet> betonnen of gemetselde constructie waarin
                                    een of meerdere lijken worden bijgezet; grafkelders kunnen
                                    onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand;</al></li><li nr="k."><al><vet>algemeen kindergraf: </vet>een graf bij de gemeente in
                                    beheer, waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven
                                    van lijken van kinderen tot de leeftijd van 12 jaar;</al></li><li nr="l."><al><vet>algemeen urnengraf: </vet>een graf bij de gemeente in
                                    beheer, waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten
                                    van asbussen met of zonder urnen;</al></li></lijst><lijst><li nr="m."><al><vet>grafbedekking: </vet>gedenkteken en/of grafbeplanting op
                                    een graf, urnennis, gedenkplaats of verstrooiingsplaats;</al></li><li nr="n."><al><vet>het college: </vet>het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="o."><al><vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de gemeenteambtenaar
                                    die door het college is aangewezen als ambtenaar belast met de
                                    heffing van de gemeentelijke belastingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>1.2 NORMSTELLING</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik
                            van de begraafplaats, en voor het door de gemeente verlenen van diensten
                            in verband met de begraafplaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten
                            behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de
                            bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing en belastingtarief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven,
                                opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de
                                tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid
                                aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het
                                belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met betrekking tot de rechten genoemd in hoofdstuk 1 artikel 1.1.1
                                tot en met 1.1.4 en 1.1.9 en hoofdstuk 4 artikel 4.1.2 van de
                                tarieventabel is het belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor
                                wordt afgekocht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De rechten genoemd in de tarieventabel worden geheven bij wege van
                            aanslag, met dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke
                            aanslag kan worden opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor
                                de jaarlijks verschuldigde rechten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>OOnderhoudsrechten, als bedoeld in hoofdstuk 4 artikel 4.1.1, 4.1.3
                                en 4.1.4 van de tarieventabel worden voor een vol kalenderjaar
                                geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak
                                eindigt, bestaat geen aanspraak op ontheffing voor de
                                onderhoudsrechten als bedoeld in hoofdstuk 4 van de
                                tarieventabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten</titel></kop><al>Andere rechten dan die bedoeld in hoofdstuk 4 van de tarieventabel zijn
                            verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van
                            het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van
                                de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
                                van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
                                beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de voorgaande
                                leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de
                            invordering van de begraafplaatsrechten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de begraafplaatsrechten wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>1.3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De “Verordening Begraafplaatsrechten 2013” vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 7 november 2012 wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan;</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van de bekendmaking;</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014;</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening
                                    begraafplaatsrechten 2014”</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 november 2013</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Z2013-004400 reg nr 2013/09/001032</ondertekening><ondertekening>Verordening Begraafplaatsrechten 2014</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>1.4 TARIEVENTABEL BEHORENDE BIJ DE VERORDENING BEGRAAFPLAATSRECHTEN 2014</label></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten </tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry nameend="colB" namest="colA"><al><vet>Hoofdstuk 1: verlenen van rechten</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1.1</al></entry><entry><al>De kosten voor het verlenen van het uitsluitend recht op een
                                        particulier graf,particulier urnengraf en het recht op een
                                        particuliere urnennis bedragen:</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1.1.1</al></entry><entry><al>Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een
                                        particulier graf van 2 x 1 meter voor een periode van 10
                                        jaar of een veelvoud daarvan per periode van 10 jaar
                                        (inclusief onderhoudsbijdrage):</al></entry><entry><al>€1.593,30</al></entry></row><row><entry><al>1.1.2</al></entry><entry><al>Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een
                                        particulier urnengraf van 1 x 1 meter voor een periode van
                                        10 jaar of een veelvoud daarvan per periode van 10 jaar
                                        (inclusief onderhoudsbijdrage):</al></entry><entry><al>€ 749,50</al></entry></row><row><entry><al>1.1.3</al></entry><entry><al>Voor het verlenen van het recht op een particuliere urnennis
                                        (honingraat) voor een periode van 10 jaar of een veelvoud
                                        daarvan per periode van 10 jaar (inclusief
                                        onderhoudsbijdrage):</al></entry><entry><al>€ 677,10</al></entry></row><row><entry><al>1.1.4</al></entry><entry><al>Voor het verlenen van het recht op een particuliere urnennis
                                        (in een zuil) voor een periode van 10 jaar of een veelvoud
                                        daarvan per periode van 10 jaar (inclusief
                                        onderhoudsbijdrage):</al></entry><entry><al>€ 910,00</al></entry></row><row><entry><al>1.1.5</al></entry><entry><al>Voor het tussentijds verlengen van het uitsluitend recht als
                                        bedoeld in 1.1.1 in verband met een bijzetting per
                                        jaar:</al></entry><entry><al>€ 152,00</al></entry></row><row><entry><al>1.1.6</al></entry><entry><al>Voor het tussentijds verlengen van het uitsluitend recht als
                                        bedoeld in 1.1.2 in verband met een bijzetting per
                                        jaar:</al></entry><entry><al>€ 67,60</al></entry></row><row><entry><al>1.1.7</al></entry><entry><al>Voor het tussentijds verlengen van het uitsluitend recht als
                                        bedoeld in 1.1.3 in verband met een bijzetting per
                                        jaar:</al></entry><entry><al>€ 60,30</al></entry></row><row><entry><al>1.1.8</al></entry><entry><al>Voor het tussentijds verlengen van het recht als bedoeld in
                                        1.1.4 in verband met een bijzetting per jaar:</al></entry><entry><al>€ 83,60</al></entry></row><row><entry><al>1.1.9</al></entry><entry><al>De rechten als bedoeld in onderdeel 1.1.1 tot en met 1.1.4
                                        kunnen na het verlopen van de periode van het (uitsluitend)
                                        recht worden verlengd voor een periode van minimaal 10 jaar
                                        of een veelvoud daarvan. De kosten bedragen het vastgestelde
                                        tarief ten tijde van het tijdstip van verlenging.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="colB" namest="colA"><al><vet>Hoofdstuk 2: Begraven, gebruik aula en
                                            condoleanceruimte</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2.1</al></entry><entry><al>In de kosten voor het begraafrecht wordt vanaf aankomst een
                                        eerste uur berekend (uitsluitend op hele en halve
                                        uren).</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2.1.1</al></entry><entry><al>Begraafrecht, overledene 12 jaar en ouder, tijdsduur 1
                                        uur:</al></entry><entry><al>€ 802,40</al></entry></row><row><entry><al>2.1.2</al></entry><entry><al>Begraafrecht, overledene tussen 1 en 12 jaar, tijdsduur 1
                                        uur:</al></entry><entry><al>€ 377,90</al></entry></row><row><entry><al>2.1.3</al></entry><entry><al>Begraafrecht, overledene 1 jaar of jonger, tijdsduur 1
                                        uur:</al></entry><entry><al>€ 160,50</al></entry></row><row><entry><al>2.2</al></entry><entry><al><cursief><onderstreept>Toeslagen
                                            begraven:</onderstreept></cursief></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2.2.1</al></entry><entry><al>Voor verlenging van de in 2.1.1 tot en met 2.1.3 aangegeven
                                        tijdsduur van 1 uur van maandag tot en met zondag van 09.00
                                        uur tot 15.00 uur geldt een toeslag per half uur van:</al></entry><entry><al>€ 90,00</al></entry></row><row><entry><al>2.2.2</al></entry><entry><al>Bij vertrek van de begraafplaats na 15.00 uur van de in
                                        2.1.1 tot en met 2.1.3 aangegeven tijdsduur van maandag tot
                                        en met zondag geldt een toeslag per half uur van:</al></entry><entry><al>€ 135.00</al></entry></row><row><entry><al>2.2.3</al></entry><entry><al>Op zaterdag en zondag geldt voor het begraafrecht genoemd in
                                        2.1.1 tot en met 2.1.3 een toeslag van:</al></entry><entry><al>€ 517,70</al></entry></row><row><entry><al>2.3</al></entry><entry><al><cursief><onderstreept>Gebruik aula en
                                                condoleanceruimte</onderstreept></cursief></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2.3.1</al></entry><entry><al>Het tarief voor het gebruik van de aula en/of de
                                        condoleanceruimte zonder dat er wordt begraven op de
                                        begraafplaats, van maandag tot en met zondag van 9:00 uur
                                        tot 15:00 uur bedraagt per half uur:</al></entry><entry><al>€ 90,00</al></entry></row><row><entry><al>2.3.2</al></entry><entry><al>Bij vertrek van de begraafplaats na 15:00 uur van de in
                                        2.3.1 aangegeven tijdsduur van maandag tot en met zondag
                                        geldt een toeslag per half uur van:</al></entry><entry><al>€ 135,00</al></entry></row><row><entry><al>2.3.3</al></entry><entry><al>Op zaterdag en zondag geldt een toeslag van:</al></entry><entry><al>€ 180,00</al></entry></row><row><entry nameend="colB" namest="colA"><al><vet>Hoofdstuk 3: bijzetten van asbussen, urnen en
                                            verstrooien van as</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3.1</al></entry><entry><al>In de kosten van een bijzetting van een asbus/urn en het
                                        verstrooien van as wordt vanaf aankomst een eerste uur
                                        berekend (uitsluitend op hele en halve uren).</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3.1.1</al></entry><entry><al>Voor bijzetting van een asbus/urn in een urnengraf,
                                        tijdsduur 1 uur:</al></entry><entry><al>€ 284,70</al></entry></row><row><entry><al>3.1.2</al></entry><entry><al>Voor bijzetting van een asbus/urn in een urnennis, tijdsduur
                                        1 uur:</al></entry><entry><al>€ 129,40</al></entry></row><row><entry><al>3.1.3</al></entry><entry><al>Voor het verstrooien van as op de verstrooiingsplaats,
                                        tijdsduur 1 uur:</al></entry><entry><al>€ 100,40</al></entry></row><row><entry><al>3.2</al></entry><entry><al><cursief><onderstreept>Toeslagen bijzetten asbussen, urnen
                                                en verstrooien van as:</onderstreept></cursief></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3.2.1</al></entry><entry><al>Voor verlenging van de in 3.1.1 tot en met 3.1.3 aangegeven
                                        tijdsduur van 1 uur van maandag tot en met zondag van 9.00
                                        uur tot 15.00 uur geldt een toeslag per half uur van:</al></entry><entry><al>€ 90,00</al></entry></row><row><entry><al>3.2.2</al></entry><entry><al>Bij vertrek van de begraafplaats na 15.00 uur van de in 3.11
                                        tot en met 3.1.3 aangegeven tijdsduur van maandag tot en met
                                        zondag geldt een extra toeslag per half uur van:</al></entry><entry><al>€ 135,00</al></entry></row><row><entry><al>3.2.3</al></entry><entry><al>Op zaterdag en zondag geldt voor het bijzetting van een
                                        asbus/urn genoemd in 3.1.1 tot en met 2.1.3 geldt een
                                        toeslag van:</al></entry><entry><al>€ 517,70</al></entry></row><row><entry nameend="colB" namest="colA"><al><vet>Hoofdstuk 4: Grafbedekking en onderhoud</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>4.1</al></entry><entry><al>De onderhoudsbijdrage voor het door of vanwege de gemeente
                                        onderhouden van de graven, ornamenten en de begraafplaats,
                                        als bedoeld in artikel 20 van de “Beheersverordening
                                        algemene begraafplaats van Zandvoort 2014” bedragen:</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>4.1.1</al></entry><entry><al>Voor een particulier graf 90X190 cm, bij voortzetting
                                        voldoen jaarlijkseonderhoudsbijdrage inclusief de algemene
                                        onderhoudbijdrage (niet zijnde eentussentijdse verlenging in
                                        verband met een bijzetting) per jaar:</al></entry><entry><al>€ 80,00</al></entry></row><row><entry><al>4.1.2</al></entry><entry><al>Voor een algemeen graf, algemeen urnengraf, algemeen
                                        urnennis en algemeen kindergraf voor 10 jaar:</al></entry><entry><al>€ 362,30</al></entry></row><row><entry><al>4.1.3</al></entry><entry><al>Voor een particulier urnengraf en een particuliere urnennis
                                        bij voortzetting voldoen jaarlijkse onderhoudsbijdrage
                                        inclusief de algemene onderhoudbijdrage per jaar:</al></entry><entry><al>€ 40,00</al></entry></row><row><entry><al>4.1.4</al></entry><entry><al>Voor een particulier graf als bedoeld in hoofdstuk 1, waarop
                                        geen gedenkteken is aangebracht, bij voortzetting voldoen de
                                        jaarlijkse algemene onderhoudsbijdrage (niet zijnde een
                                        tussentijdse verlenging in verband met bijzetting) per
                                        jaar:</al></entry><entry><al>€ 20,40</al></entry></row><row><entry><al>4.2</al></entry><entry><al>Voor bestaande particuliere graven, particuliere urnengraven
                                        of particuliere urnennissen met een jaarlijks
                                        onderhoudsrecht zoals bedoeld onder 4.1.1; 4.1.3 en 4.1.4
                                        geldt, als er een bijzetting plaatsvindt in het graf of nis,
                                        een automatische afkoop van het onderhoudsrecht voor de
                                        periode van minimaal 10 jaar.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="colB" namest="colA"><al><vet>Hoofdstuk 5: rechten verwijderen en plaatsen
                                            voorwerpen</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>5.1</al></entry><entry><al>Verwijdering en herplaatsing van ornamenten en grafbedekking
                                        op een particulier graf</al></entry><entry><al>€ 207,60</al></entry></row><row><entry nameend="colB" namest="colA"><al><vet>Hoofdstuk 6: Opgraven, ruimen, herbegraven</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>6.1</al></entry><entry><al>Samenvoeging per stoffelijk overschot, voorafgaande aan een
                                        bijzetting:</al></entry><entry><al>€ 310,60</al></entry></row><row><entry><al>6.1.1</al></entry><entry><al>Opgraven / ruiming per stoffelijk overschot, op
                                        verzoek:</al></entry><entry><al>€ 362,30</al></entry></row><row><entry><al>6.1.2</al></entry><entry><al>Opgraven / herbegraven per stoffelijk overschot: </al></entry><entry><al>€ 724,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de verordening</label></kop><divisie><kop><label>2.1 ALGEMEEN</label></kop><al><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening begraafplaatsrechten worden geheven op basis van artikel 229,
                        eerste lid, aanhef en onderdelen a en b en tweede lid van de Gemeentewet. De
                        verschillende rechten dragen zowel kenmerken van gebruik- als
                        genotsretributies in zich en op sommige punten hebben de rechten kenmerken
                        van leges (overigens een begrip dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet
                        materiële belastingbepalingen niet meer in de Gemeentewet voorkomt).
                        Gebruiksretributies worden geheven voor het gebruik overeenkomstig de
                        bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen,
                        -inrichtingen of -werken. Genotsretributies zijn rechten ter zake van het
                        genot van door of vanwege de gemeente verleende diensten. Op grond van de
                        bij de verordening behorende tarieventabel kan bijvoorbeeld voor de volgende
                        diensten worden geheven: begraven, herbegraven, ruimen van graven. Sommige
                        rechten, zoals het recht voor het inschrijven of overboeken van graven,
                        hebben het karakter van leges. Ondanks dat karakter zijn uit een oogpunt van
                        overzichtelijkheid, die rechten opgenomen in deze verordening. Alle
                        heffingen voor het gebruik van de begraafplaats en voor de daarmee
                        samenhangende diensten worden zodoende in één verordening geregeld.</al><al/><al/></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening
                        voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.
                        Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de in de praktijk meest
                        gehanteerde omschrijvingen. Er is bewust gekozen voor een tamelijk
                        uitgebreide opsomming en definiëring van begrippen. Er is bijvoorbeeld
                        onderscheid gemaakt tussen een particulier graf en een particulier
                        urnengraf.</al><al>In de Wet op de lijkbezorging is in artikel 28 een regeling opgenomen over
                        het vestigen van een uitsluitend recht op een graf. Deze wet noemt niet met
                        zoveel woorden de mogelijkheid om een dergelijk recht te vestigen op
                        bijvoorbeeld een urnennis. Dit is de reden dat wij de term 'uitsluitend
                        recht' hebben gereserveerd voor graven. Bij urnennissen wordt slechts
                        gesproken over een 'recht'.</al><al>Veel begrippen zijn ook gedefinieerd in de beheersverordening
                        begraafplaatsen. De omschrijving van gelijkluidende begrippen uit beide
                        verordeningen zijn identiek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor rechten worden
                        geheven. Er is voor gekozen om in artikel 2 een zeer algemene omschrijving
                        van het belastbaar feit op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is gekozen
                        voor een ruime omschrijving van de belastingplicht om te voorkomen dat in
                        bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden.
                        Aannemelijk is dat de aanvrager van het gebruik van de begraafplaats en van
                        de diensten, verleend bij het begraven, belastingplichtig is. De kring van
                        belastingplichtigen omvat onder meer de erfgenamen en andere nabestaanden,
                        uitvaartondernemers en instellingen van weldadigheid welke zich, behoudens
                        vrijstelling ter zake, belasten met lijkbezorging. Ten tweede is er de
                        belastingplicht voor rechten voor het gebruik vande begraafplaats en de
                        diensten verleend na de voltooiing van de begrafenis. Dit zijn met name de
                        jaarlijks terugkerende onderhoudsrechten indien deze rechten niet zijn
                        afgekocht. Belastingplichtig zijn de erfgenamen en andere nabestaanden,
                        omdat ten behoeve van hen de dienst wordt verleend. Echter, omdat het een
                        jaarlijks terugkerend recht is, is het minder eenvoudig steeds een
                        belastingplichtige daarvoor in de heffing te betrekken, omdat zij op den
                        duur in verband met verhuizing, overlijden e.d. moeilijk zijn te traceren.
                        Daarom kan het onderhoudsrecht worden afgekocht. In het arrest van 9
                        februari 1955, nr. 11 932, BNB 1955/125 preciseert de Hoge Raad de
                        aanwijzing van de belastingplichtige voor het onderhoud van eigen
                        (particuliere) graven door te spreken over de rechthebbende. Dat is degene
                        aan wie het recht is verleend om lijken in een eigen (particulier) graf te
                        doen begraven en begraven te houden c.q. zijn rechtsopvolger(s).</al><al>In zijn arrest van 25 oktober 2002, nr. C00/282, Belastingblad 2003, blz.
                        765, besliste de Hoge Raad dat graftekens e.d. door natrekking eigendom van
                        de eigenaar van de grond zijn. De wetgever heeft daarop ingegrepen door
                        invoering van artikel 32a van de Wet op de lijkbezorging per 1 januari 2010.
                        De grafbedekking blijft eigendom van de rechthebbende op het graf. Voor
                        zover de grafbedekking door het arrest was overgegaan op de eigenaar van de
                        grond, herstelt artikel 84b van de wet de oude situatie (ingevoerd bij
                        Reparatiewet BZK 2010, Stb. 2011, 4; artikel XIV, onderdeel F). Overigens
                        had het arrest van de Hoge Raad geen gevolgen voor de belastingplicht voor
                        het onderhoudsrecht, omdat de dienst wordt geleverd aan de genothebbende tot
                        het graf, de rechthebbende in de zin van artikel 28 van de Wet op de
                        lijkbezorging</al><al>Bij de andere rechten die op basis van artikel 229, eerste lid, onderdelen a
                        en b, van de Gemeentewet kunnen worden geheven, dient eveneens de aanvrager
                        als belastingplichtige te worden aangemerkt. Diensten waaraan u in dit
                        verband moet denken zijn bijvoorbeeld het gebruik van de aula.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing en belastingtarief</titel></kop><al>Voor de maatstaf van heffing en de belastingtarieven is verwezen naar de
                        tarieventabel. De reden waarom voor een tarieventabel is gekozen is gelegen
                        in het feit dat het eenvoudiger is om de verordening aan te passen aan de
                        omstandigheden.</al><al/><al><vet>Lijkbezorging op kosten van de gemeente</vet></al><al>In artikel 21 van de Wet op de lijkbezorging is bepaald dat indien niemand
                        voorziet in de lijkschouwing en lijkbezorging, de burgemeester daarvoor zorg
                        draagt. De kosten daarvan komen als gevolg van artikel 22 van de Wet op de
                        lijkbezorging ten laste van de gemeente. De gemeente heeft verschillende
                        mogelijkheden om deze kosten te dekken. Zij kan de opbrengst van de goederen
                        die bij een lijk worden aangetroffen hiervoor aanwenden. Zij heeft ook de
                        mogelijkheid om de kosten te verhalen op de nalatenschap en, bij
                        ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten die op grond van de
                        artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de
                        overledene verplicht zouden zijn geweest. Soms kan op grond van artikel 416
                        van het Wetboek van Koophandel bij uit zee opgehaalde of aangespoelde lijken
                        verhaal op een reder plaatsvinden. Paragraaf 6.5 van de Wet werk en bijstand
                        is voor zover mogelijk met betrekking tot het kostenverhaal van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al/><al><vet>Tariefdifferenti</vet><vet>atie</vet></al><al>Er is tot dusverre voor de lijkbezorgingsrechten geen jurisprudentie gewezen
                        inzake tariefdifferentiatie die betrekking heeft op de periode na de
                        inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995).
                        De jurisprudentie die betrekking heeft op de oude wetgeving is geheel in
                        lijn met de overige jurisprudentie op dit terrein. Zo heeft de Hoge Raad
                        beslist dat tariefdifferentiatie in het recht voor hetalgemene onderhoud van
                        de begraafplaats slechts is toegestaan als er sprake is van verschil in
                        genot bij dat onderhoud. Een tariefdifferentiatie voor het algemene
                        onderhoud van de begraafplaats tussen algemene graven en eigen(particuliere)
                        graven kan volgens de Hoge Raad alleen als de infrastructuur rond de eigen
                        (particuliere) graven uitgebreider is dan rond de algemene graven (Hoge Raad
                        7 mei 1997, nr. 31 920, Belastingblad 1997, blz. 451).</al><al>Zie ook Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37 716, Belastingblad 2003, blz. 462
                        (Zaanstad) In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat een verschil in tarief
                        voor algemeen onderhoud van de begraafplaats tussen eigen (particuliere)
                        graven en algemene graven alleen geoorloofd is als er een
                        rechtvaardigingsgrond is. Na verwijzing oordeelt Hof Den Haag dat aanleiding
                        voor een tariefdifferentiatie bijvoorbeeld kan zijn dat de infrastructuur
                        van de begraafplaats bij eigen (particuliere) graven uitgebreider is dan bij
                        algemene graven. Op de Algemene begraafplaats van Zaandam is dit echter niet
                        het geval. Het Hof oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De
                        tarieven voor eigen (particuliere) graven zijn onverbindend voor zover de in
                        de tarieven begrepen component voor het algemene onderhoud de in de tarieven
                        voor de algemene graven begrepen component voor het algemene onderhoud
                        overtreffen. (Hof Den Haag, 10 december 2003, nr. 03/00687, LJN: AO1414).
                        Daarmee wijkt de Hoge Raad af van uitspraken over andere heffingen (zie
                        bijv. Hoge Raad 25 oktober 2002, nr. 36 638, LJN: AD8499, over
                        rioolrechten). Bedacht moet echter worden dat ook onder de nieuwe wetgeving
                        een tariefdifferentiatie gemotiveerd moet worden (verbod van
                        willekeur).</al><al/><al>Met betrekking tot de verordening lijkbezorgingsrechten van de gemeente
                        Grootegast heeft het Hof Leeuwarden beslist dat voor het afgeven van een
                        vergunning voor het plaatsen van een grafsteen geen gedifferentieerd tarief
                        mag worden geheven, afhankelijk van de aanschafprijs van die steen (Hof
                        Leeuwarden 4 september 1992, nr. 968/90, Belastingblad 1993, blz. 114).</al><al/><al><cursief>Levering</cursief></al><al>In het algemeen moet worden aangenomen dat het niet mogelijk is 'diensten'
                        die in feite de vorm van een privaatrechtelijke levering hebben, onder het
                        bereik van de verordening te brengen. In verband hiermee kan worden gewezen
                        op het Koninklijk besluit van 26 juni 1986, nr. 7, Belastingblad 1986, blz.
                        546, inzake een besluit van het algemeen bestuur van het Openbaar Lichaam
                        Crematorium Twente, waarin wordt gesteld: 'dat het verzorgen van koffie.
                        thee, broodjes en dergelijke niet is aan te merken als een dienst in de zin
                        van artikel 277, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de gemeentewet
                        (oud) maar als een levering (...)'. Het feit dat de levering tegen kostprijs
                        plaatsvindt doet daaraan niet af. Het besluit van het algemeen bestuur van
                        het Openbaar Lichaam Crematorium Twente is derhalve in strijd met artikel
                        272, juncto artikel 277 van de gemeentewet (oud) en kan niet voor
                        goedkeuring in aanmerking komen. Als de vergoeding voor het verstrekken van
                        broodjes, koffie et cetera als een onbenoemd deel in het algemene tarief
                        voor het begraven of cremeren wordt opgenomen, is naar onze mening verhaal
                        van die kosten langs fiscale weg niet bij voorbaat uitgesloten. Het
                        verstrekken van consumpties gaat dan geheel op in de meeromvattende
                        begrafenis- of crematiedienst. Wij geven echter de voorkeur aan verhaal van
                        deze kosten langs privaatrechtelijke weg.</al><al/><al><vet>Kostendekkendheid</vet></al><al>Op grond van artikel 229b Gemeentewet mag de verordening
                        lijkbezorgingsrechten niet meer dan kostendekkend zijn. Een
                        opbrengstoverschrijding leidt echter niet zonder meer tot onverbindendheid
                        van de verordening. Zie daarvoor Hoge Raad 3 november 1999, nr. 34616, LJN:
                        AA2917, Belastingblad 2000, blz. 15) en Hoge Raad 10 april 2009, nr. 43747,
                        LJN: BC3691</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor zover in de verordening tarieven zijn opgenomen die per jaar worden
                        geheven is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Het betreft
                        hier de rechten voor onderhoud van een eigen (particulier) graf, van een
                        eigen (particulier) urnengraf of van een eigen (particuliere) urnennis of
                        van een particuliere gedenk- of verstrooiingsplaats en van
                        grafbedekking.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Indien de onderhoudsrechten worden afgekocht is ingevolge het tweede lid het
                        belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor wordt afgekocht. De regeling
                        heeft daarmee een fiscaal gelegitimeerd karakter. Hier kan immers niet
                        gesproken worden van een vooruitbetaling van onderhoudsrechten, omdat in het
                        fiscale geen betaling mogelijk is voor belastbare feiten die zich kunnen
                        voordoen in belastingtijdvakken die nog niet zijn aangevangen. Derhalve was
                        een regeling noodzakelijk waarin het belastingtijdvak wordt afgestemd op de
                        periode waarvoor wordt afgekocht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte en
                        op andere wijze. In deze verordening is gekozen voor heffing bij wege van
                        aanslag</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de
                            jaarlijks verschuldigde rechten</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid wordt geregeld dat de onderhoudsrechten als bedoeld in
                        hoofdstuk 4 onderdeel 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.4 van de tarieventabel voor een
                        vol kalenderjaar worden geheven.</al><al/><al><cursief>Tweede lid.</cursief></al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat indien de belastingplicht in de loop
                        van het belastingtijdvak eindigt, er geen aanspraak gemaakt kan worden op
                        ontheffing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten</titel></kop><al>De overige rechten van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van
                        de dienstverlening dan wel bij de aanvang van het gebruik van de
                        bezittingen, werken</al><al>of inrichtingen. Dit betekent dat op dat moment tot heffing wordt
                        overgegaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 9 is afgeweken van de wettelijke
                        betalingstermijn om doelmatigheidsredenen ten aanzien van de invordering. Er
                        is voor gekozen dat de aanslagen betaald worden uiterlijk op de laatste dag
                        van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                        aanslagbiljet is vermeld.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                        termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van
                        toepassing. Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is
                        bepaald dat de ATW van toepassing is op in een verordening gestelde
                        termijnen, tenzij in de verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de
                        ATW wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van
                        toepassing op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen,
                        navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor
                        de verschillende belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt,
                        is in artikel 9 derde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet – de ATW buiten toepassing verklaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar.</al><al>De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook bepalingen op grond waarvan de
                        minister van Financiën de bevoegdheid wordt toegekend nadere regels te geven
                        over bepaalde heffings- en invorderingsaangelegenheden. Voor de
                        gemeentelijke belastingen komt die bevoegdheid op grond van artikel 231 toe
                        aan het college. Verder is het college als bestuursverantwoordelijke voor de
                        heffings- en invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen
                        (artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel
                        160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens
                        bevoegd beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te
                        voeren.</al><al>Met het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten.</al><al>Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een
                        aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het
                        college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling
                        opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de
                        heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het
                        voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen
                        gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en
                        ander uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het
                        kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de
                        Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Indien gemeenten niets regelen
                        geldt deze ministeriële regeling automatisch voor alle gemeentelijke
                        belastingen.</al><al>Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om van de
                        ministeriële regeling af te wijken. Omdat geen kwijtschelding bij de
                        invordering van Begraafplaatsrechten wordt verleend is dit expliciet
                        opgenomen in artikel 11.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel Overgangsrecht</titel></kop><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                        vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                        verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken,
                        van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van
                        ingang van de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die
                        belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude
                        verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Een eventuele opgenomen
                        zinsnede ‘laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van &lt;datum&gt;’ is
                        opgenomen als het vaststellen van een ‘basis’ belastingverordening is
                        gevolgd door wijzigingsverordeningen. In dat geval moet worden verwezen naar
                        de laatst vastgestelde wijziging.</al><al>Opgemerkt wordt dat er geen sprake is van het overdragen aan het college
                        van</al><al>burgemeester en wethouders van de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                        belastingverordening of de wijziging daarvan op grond van
                            <onderstreept>artikel 156, tweede lid, </onderstreept>aanhef en
                        onderdeel h, van de Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>Inwerkingtreding</cursief></al><al>Op grond van <onderstreept>artikel 139 van de Gemeentewet</onderstreept>
                        moeten gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van
                        belastingverordeningen bekend maken. Het</al><al>niet voldoen aan de bekendmakingsplicht leidt tot onverbindendheid van de
                        belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034, BNB 1993/182,
                        Belastingblad</al><al>1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33.632, LJN: AA2624). Een
                        belastingverordening treedt dus pas in werking na haar bekendmaking
                        (afgezien van terugwerkende kracht in bijzondere gevallen). In de
                        verordening is de inwerkingtreding bepaald op de eerste dag na die van de
                        bekendmaking. Er is</al><al>afgezien van het noemen van een concrete datum. Voor de gevallen dat de
                        verordening onverhoopt niet zelf in haar inwerkingtreding voorziet, biedt
                            <onderstreept>artikel 142
                            </onderstreept><onderstreept>Gemeentewet</onderstreept> een vangnet: de
                        inwerkingtreding is dan de achtste dag na die van de bekendmaking.</al><al/><al>Zeker als een belasting wordt ingevoerd is een reële termijn tussen
                        bekendmaking</al><al>en inwerkingtreding van de belastingverordening noodzakelijk om een goede
                        uitvoering daarvan mogelijk te maken. De datum van inwerkingtreding moet
                        zodanig worden vastgesteld, dat niet alleen de heffings- en
                        invorderingsambtenaar de nodige voorbereidingshandelingen kunnen treffen,
                        maar ook de toekomstige belastingplichtigen de gelegenheid hebben om tijdig
                        kennis te nemen van de nieuwe verordening.</al><al/><al><cursief>Beken</cursief><cursief>dmaking</cursief></al><al>Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit
                        tot vaststelling of wijziging van de belastingverordening in het
                        gemeenteblad of als een gemeenteblad ontbreekt (sinds 1 januari 2010) door
                        terinzagelegging gedurende twaalf weken op de gemeentesecretarie of een
                        andere door het college bepaalde plaats. Van die terinzagelegging moet
                        mededeling worden gedaan in een plaatselijkverschijnend dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad <onderstreept>(artikel 139, tweede lid,
                            </onderstreept><onderstreept>Gemeentewet</onderstreept> ). Met deze
                        bepaling heeft de wetgever de jurisprudentie van de Hoge Raad over de
                        bekendmaking van belastingverordeningen gecodificeerd. Zie:</al><al/><lijst><li nr="·"><al>Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31643 (Albrandswaard), 32325
                                (Velsen) en 32569, Belastingblad 1998, blz. 146, 148 en 320: de
                                gemeente moet aan de burger, in bijvoorbeeld een huis-aan-huisblad,
                                meedelen dat de tekst van een bepaald besluit tot vaststelling of
                                wijziging van de belastingverordening verkrijgbaar is en (kosteloos)
                                ter inzage ligt bij de gemeente;</al><al/></li><li nr="·"><al>Hoge Raad 28 maart 2001, nr. 35954, LJN:AB0763, Belastingblad 2001,
                                blz. 467, en nr. 35949, LJN:AR5974 (Alkmaar): deze wijze van
                                mededeling/publicatie in bijv. een huis-aan-huisblad geldt niet als
                                de tekst van de belastingverordening in het gemeenteblad is
                                opgenomen. Naar de bedoeling van de wetgever is met opneming van de
                                integrale tekst van verordeningen en besluiten in het gemeenteblad
                                voldaan aan het vereiste van bekendmaking in een externe, met het
                                Staatsblad of Provincieblad vergelijkbare publicatie, hoewel
                                daarnaast bekendmaking via andere media onder omstandigheden door de
                                wetgever wenselijk werd geacht.</al></li></lijst><al/><al>De enige eisen die voor een gemeenteblad gelden, zijn een register en een
                        nummering voor de overzichtelijkheid. Gemeentebesturen zijn voor het overige
                        volledig vrij in de wijze waarop zij het gemeenteblad vormgeven en uitvoeren
                        en in de frequentie van de verschijning ervan. De editie van het
                        gemeenteblad waarin de verordening is geplaatst, moet algemeen verkrijgbaar
                        zijn, dat wil zeggen in het algemeen voor het nemen van inzage en het
                        verkrijgen van een exemplaar of een afschrift voor de burgers beschikbaar
                        zijn. Dit behoeft niet kosteloos te geschieden. Legesheffing is mogelijk ter
                        bestrijding van de kosten voor het maken van een afschrift.</al><al/><al>Het gemeenteblad kan ook elektronisch worden uitgegeven
                            <onderstreept>(artikel 139, derde li</onderstreept><onderstreept>d,
                            </onderstreept><onderstreept>Gemeentewet</onderstreept> ). Vanaf een nog
                        nader te bepalen moment moet bekendmaking plaatsvinden in het gemeenteblad
                        en moet dat gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze
                        worden uitgegeven (Wet elektronische bekendmaking, Stb. 2008, 551). De Wet
                        elektronische bekendmaking geeft niet alleen de mogelijkheid om regelgeving
                        elektronisch bekend te maken, maar zij legt ook de verplichting op om
                        doorlopende (‘geconsolideerde’) teksten van verordeningen en keuren op het
                        internet beschikbaar te stellen (nieuw <onderstreept>artikel 140
                            Gemeentewet</onderstreept> ). Door de beschikbaarstelling van
                        doorlopende teksten van regelgeving krijgt de burger niet alleen toegang tot
                        de bekendmaking van nieuwe regels, maar ook tot een volledig overzicht van
                        alle op enig moment geldende voorschriften. Er is wat dat betreft een
                        belangrijk onderscheid tussen bekendmaking (als voorwaarde voor
                        inwerkingtreding) en andere vormen van kennisgeving, waaronder het
                        beschikbaar houden van geconsolideerde teksten, die niet van belang zijn
                        voor de inwerkingtreding, maar wel voor de verspreiding en de
                        toegankelijkheid van de betrokken teksten. De Regeling elektronische
                        bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden
                        verplicht provincies, gemeenten en</al><al>waterschappen de geconsolideerde teksten op internet beschikbaar te stellen
                        overeenkomstig het Internetpublicatiemodel Decentrale Regelgeving. Dit
                        betekent onder meer dat geconsolideerde regelingen ter beschikking worden
                        gesteld aan de</al><al>door het ministerie van BZK in het leven geroepen Centrale Voorziening voor
                        Decentrale Regelgeving (CVDR).</al><al/><al>Het verdient aanbeveling ook een mededeling in een huis-aan-huisblad op te
                        nemen. Een dergelijke mededeling zou als volgt kunnen luiden:</al><al>Burgemeester en wethouders delen mee dat de raad van de gemeente
                        &lt;gemeentenaam&gt; op &lt;datum&gt; heeft vastgesteld &lt;naam
                        (wijzigings)verordening&gt;. De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; treedt
                        in werking op de &lt;achtste&gt; dag na de datum zoals vermeld op dit blad.
                        [Het besluit is opgenomen in het gemeenteblad op &lt;datum&gt;, onder nummer
                        &lt;getal&gt;.] De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; ligt kosteloos ter
                        inzage op &lt;de gemeentesecretarie of een andere door het college te
                        bepalen plaats&gt;. Een ieder kan op verzoek &lt;tegen betaling van een
                        bedrag aan leges of gratis&gt; een afschrift verkrijgen van het genoemde
                        besluit.</al><al/><al>Als er geen gemeenteblad is en dus bekendmaking in een dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad moet plaatsvinden en de publicatie op verschillende data
                        en/of in meerdere huis-aan-huisbladen geschiedt, moet de tekst hierop
                        aangepast te worden om te vermijden dat er verschillende
                        inwerkingtredingsdata ontstaan. Geadviseerd wordt om in dat geval de
                        hierboven vermelde tekstsuggestie te hanteren voor de eerste publicatie en
                        in latere publicaties de tweede volzin als volgt te herschrijven:</al><al/><al>‘De &lt;naam van de (wijzigings)verordening&gt; treedt in werking (is in
                        werking getreden) op &lt;datum&gt;.’ De datum van inwerkingtreding kan
                        hierbij afgeleid worden uit de eerste publicatie. Voorbeeld: de bekendmaking
                        is voor de eerste keer gepubliceerd in een huis-aan-huisblad d.d. 18 januari
                        2011 en treedt dus in werking op (bijvoorbeeld) de achtste dag daarna, 26
                        januari 2011. In latere publicatie kan 26 januari 2011 als datum van
                        inwerkingtreding worden vermeld.</al><al/><al>Op grond van <onderstreept>artikel 142 van de Gemeentewet</onderstreept>
                        treedt het bekend gemaakte besluit in werking met ingang van de achtste dag
                        na de dag van de bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip
                        is aangegeven (vroeger of later). De datum van inwerkingtreding van een
                        belastingverordening mag echter niet liggen voor de vaststelling én
                        bekendmaking ervan.</al><al/><al>Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking,
                        houdt slechts in dat de gemeente vóór dat tijdstip geen belastingaanslagen
                        kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode
                        vanaf de datum van ingang van de heffing. Een voorbeeld kan dit
                        toelichten.</al><al/><al>Op 4 november 2010 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van
                        ingang van de heffing 1 januari 2011. De verordening wordt door de gemeente
                        bekendgemaakt op 18 januari 2011.</al><al>De verordening treedt in werking op 26 januari 2011 (achtste dag na de dag
                        van bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeente aanslagen opleggen. Deze
                        aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip
                        van ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2011).</al><al/><al><cursief>Datum ingang heffing</cursief></al><al>Artikel 217 van de gemeentewet bepaalt dat een belastingverordening een
                        datum van ingang van de heffing moet vermelden. De datum van ingang van de
                        heffing geeft aan vanaf welke datum de in de belastingverordening genoemde
                        (belastbare) feiten in de heffing worden betrokken. Ook bij het wijzigen van
                        een verordening is het nodig om voor de wijzigingsverordening te bepalen
                        vanaf welk moment de (gewijzigde) heffing wordt toegepast.</al><al/><al><cursief>Citeertitel</cursief></al><al>Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening.
                        Wij hebben in de modelbepaling in de citeertitel een jaartal genoemd. Het
                        lijkt verstandig om als jaartal op te nemen het eerste jaar waarin de
                        gemeente de &lt;naam heffing&gt; op basis van deze verordening heft.</al><al/><al><cursief>Ondertekening</cursief></al><al>Alle stukken die van de raad uitgaan, worden ondertekend door de
                        burgemeester (in zijn hoedanigheid van voorzitter) en mede-ondertekend door
                        de griffier <onderstreept>(artikel 32a
                            </onderstreept><onderstreept>Gemeentewet</onderstreept> ). Bij
                        verhindering of ontstentenis van de burgemeester worden de stukken
                        ondertekend door degene die de burgemeester als voorzitter van de raad
                        vervangt (het langst zittende raadslid; <onderstreept>artikel
                            32a</onderstreept> jo. <onderstreept>77</onderstreept><onderstreept>
                            Gemeentewet</onderstreept> ). Aan het slot van het besluit tot
                        vaststelling van de belastingverordening hebben wij daarom als
                        ondertekenaars ‘de voorzitter’ en ‘de griffier’ genoemd.</al><al/><al>Ten overvloede merken wij nog op dat de stukken die van het college uitgaan
                        worden ondertekend door de burgemeester en mede-ondertekend door de
                        secretaris <onderstreept>(artikel 59a, eerste lid,
                            Gemeentewet</onderstreept> ).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>3 </label><titel>TOELICHTING OP DE TARIEVENTABEL</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten</label></kop><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het verlenen van een
                        uitsluitend recht op graven, urnengraven en dergelijke. Een recht op een
                        graf kan ingevolge artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging gevestigd
                        worden, hetzij voor de tijd van minstens 10 jaren.</al><al>Een voor bepaalde tijd verleend uitsluitend recht op een graf kan worden
                        verlengd. Het verlenen van het recht om met uitsluiting van anderen lijken
                        in een bepaald graf te doen begraven en begraven te houden is de belaste
                        dienst en niet het begraven zelf.</al><al>De Wet op de lijkbezorging noemt niet met zoveel woorden de mogelijkheid om
                        een uitsluitend recht te vestigen op de ruimte waar een asbus is bijgezet of
                        de plaats waarop as wordt verstrooid. Dit is de reden dat wij de term
                        'uitsluitend recht' hebben gereserveerd voor graven. Bij urnennissen wordt
                        gesproken over een 'recht'. Omdat het vestigen van een recht op een
                        urnengraf, urnennis of verstrooiingsplaats niet wettelijk is geregeld,
                        gelden er ook geen eisen voor wat betreft de uitgiftetermijn van een
                        dergelijk recht. De gemeente kan hiervoor zelf een termijn stellen. Het
                        verdient echter aanbeveling om bij een urnengraf en een urnennis te kiezen
                        voor een uitgiftetermijn van 20 jaren. Ingevolge het tweede lid van artikel
                        65 van de Wet op de lijkbezorging mag een asbus zonder toestemming van de
                        rechthebbenden namelijk pas na twintig jaar worden verstrooid. Een gemeente
                        die de uitgiftetermijn van een urnengraf stelt op 10 jaren, kan, als de
                        termijn niet wordt verlengd, de asbus na 10 jaren weliswaar uit het graf
                        halen, maar zij dient de urn dan nog 10 jaren te bewaren alvorens zij de as
                        mag verstrooien.</al><al>Met betrekking tot het verstrooien van as dient te worden opgemerkt dat dit
                        alleen mogelijk is op een permanent daartoe aangewezen terrein of plaats.
                        Het verstrooien van as in een graf is dus alleen mogelijk als dat graf is
                        gelegen op een (deel van een) begraafplaats dat daartoe permanent is
                        aangewezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Begraven, gebruik van aula en/of condoleance</label></kop><al>In dit hoofdstuk zijn regelingen opgenomen voor het begraven van stoffelijk
                        overschotten. Voor het begraven op buitengewone uren is een apart tarief
                        opgenomen. Gezien de extra kosten, zoals gemaakte overuren door het
                        gemeentepersoneel, is het mogelijk hiervoor een hoger recht</al><al>te heffen. In de tarieventabel is ook een apart lager tarief opgenomen voor
                        het begraven van kinderen beneden één jaar en voor kinderen beneden de 12
                        jaar, omdat er sprake is van een kortere arbeidstijd in vergelijking met het
                        begraven van een persoon van 12 jaar of ouder.</al><al>Het komt voor dat er gebruik wordt gemaakt van de aula en/of
                        condoleanceruimte zonder dat er begraven wordt op de begraafplaats. De
                        begrafenis zelf of crematie</al><al>vindt in dit geval elders plaats. Hiervoor is in de tarieventabel een apart
                        tarief opgenomen.</al><al/><al>De heffingen in hoofdstuk 2 kunnen worden gezien als het verstrekken van
                        benodigdheden voor de begraving of crematie vanwege de gemeente.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Bijzetten van asbussen, urenen en verstrooien van as</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Voor het bijzetten van een asbus of een urn is een apart tarief in de tabel
                        opgenomen. Na de crematie kunnen de stoffelijke resten ook worden
                        verstrooid.</al><al/><al><vet>Verstrooien van de as</vet></al><al>Na de verbranding wordt de as geborgen in een bus. Artikel 59, eerste lid
                        van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat de as een maand nadat zij in een
                        bus is geborgen, kan worden verstrooid. De verstrooiing geschiedt ingevolge
                        artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging (Stb. 1991, 252) op een
                        uitsluitend daartoe bestemde verstrooiingsplaats of in open zee uit een
                        vaartuig of uit een luchtvaartuig.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Grafbedekking en onderhoud</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De regeling in dit hoofdstuk maakt het mogelijk om de kosten van het
                        onderhoud van de algemene voorzieningen van de begraafplaats in aanmerking
                        te laten komen voor de heffing van onderhoudsrechten. Deze voorzieningen
                        staan mede ten dienste van de graven, door onder andere bezoek te
                        faciliteren en ongewenst bezoek te weren (Hof Leeuwarden 24-12-1999 nr.
                        391/99).</al><al>Het is volgens de Hoge Raad niet mogelijk om voor het algemene onderhoud aan
                        de begraafplaats alleen te heffen bij particuliere graven en niet bij
                        algemene graven. Het karakter van het Grafrecht laat een differentiatie in
                        het tarief voor het algemene onderhoud van de begraafplaats slechts toe
                        indien die differentiatie zich richt naar het genot dat een rechthebbende
                        tot een graf heeft van dit onderhoud (Hoge Raad 28 februari 2003, nr. 37716,
                        LJN: AF5108, VN 2003/15.31). Dit arrest wijkt af van de uitspraak van de
                        Hoge Raad van 25 oktober 2002, nr. 36638, LJN: AD8499, Belastingblad 2002,
                        blz. 1226 (Spijkenisse), inzake rioolrecht. Daarin heeft de Hoge Raad
                        beslist dat het karakter van een retributie zich niet verzet tegen een
                        differentiatie van het tarief anders dan naar het genot.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Rechten verwijderen en plaatsen voorwerpen</label></kop><al>Voor het afnemen en weer plaatsen van voorwerpen op een graf wordt een apart
                        recht geheven. Ook voor het tijdelijk wegruimen en herplanten van een
                        graftuin of boompje wordt een apart recht geheven.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Opgraven, ruimen, herbegraven</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het opgraven van een
                        stoffelijk overschot, het herbegraven van een stoffelijk overschot en het
                        ruimen van een graf.</al><al/><al><vet>Opgraven</vet></al><al>Voor het opgraven van een lijk wordt een tarief in rekening gebracht. Indien
                        het lijk weer opnieuw begraven wordt, is hiervoor een hoger bedrag
                        verschuldigd.</al><al/><al><vet>Ruimen</vet></al><al>Onder ruimen wordt verstaan het opgraven en naar een andere plaats
                        overbrengen van stoffelijke resten. Het stoffelijk overschot wordt namelijk
                        niet meer in hetzelfde graf begraven. Bij het ruimen wordt een andere
                        bestemming aan het stoffelijk overschot gegeven. De bestemming van het
                        stoffelijk overschot is meestal een speciale beenderverzamelplaats of de
                        stoffelijke resten worden alsnog gecremeerd. Onder samenvoegen wordt
                        verstaan het opgraven van stoffelijke resten en (her)begraven in hetzelfde
                        graf.</al><al>Zowel bij ruimen als bij samenvoegen van stoffelijke resten geldt de
                        wettelijk voorgeschreven grafrusttermijn van 10 jaren, genoemd in artikel
                        31, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>