<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR309745_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Rioolheffing 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zandvoortse Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Rioolheffing 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening Rioolheffing 2014</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking door nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z2013-004400(2013/09/000667)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>art. 216 en 228a van de Gemeentewet;</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Rioolheffing 2014</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24
                        september 2013, nummer 2013/09/000641;</al><al/><al>gelet op de overwegingen van de gemeenteraad van 6 november 2013;</al><al/><al>gelet op artikel 216 en 228a van de Gemeentewet;</al><al/><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al/><al>Verordening rioolheffing 2014. </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><al>a.<vet>het college:</vet> het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Zandvoort;</al><al>b<vet>. de raad:</vet> de gemeenteraad van Zandvoort.</al><al>c.<vet>ambtenaar belast met de heffing:</vet> de gemeenteambtenaar die door
                        het college is aangewezen als de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b,
                        van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar belast met de heffing van de
                        gemeentelijke belastingen.</al><al>d.<vet>perceel:</vet> een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig
                        gedeelte daarvan; </al><al>e.<vet>gemeentelijke riolering:</vet> een voorziening of combinatie van
                        voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van
                        afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud
                        bij de gemeente; </al><al>f.<vet>verbruiksperiode:</vet> de periode waarop de afrekening van het
                        waterbedrijf betrekking heeft; </al><al>g.<vet>water:</vet> huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater
                        of grondwater. </al><al/><al/><al>1.2 NORMSTELLING</al><al/><al><vet>Artikel 2 Aard van de belasting</vet></al><al>Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter
                        bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:</al><al>a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en
                        bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en </al><al>b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het
                        ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde
                        structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond
                        gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht</vet></al><al>1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit
                        water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd;</al><al>2. Met betrekking tot de belasting, wordt als gebruiker aangemerkt:</al><al>a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet
                        krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; </al><al>b. ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in
                        artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik
                        heeft afgestaan. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Zelfstandige gedeelten</vet></al><al>Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling
                        bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de
                        belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien
                        verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel
                        worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.</al><al/><al><vet>Artikel 5 </vet><vet>Maatstaf van heffing</vet></al><al>1. De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat
                        vanuit het perceel wordt afgevoerd. </al><al>2. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op 90% van het aantal
                        kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin
                        van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is
                        toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een
                        periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar
                        tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een
                        kalendermaand voor een volle maand gerekend.</al><al>3. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
                        pompinstallatie zijn voorzien van een: </al><al>a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen,
                        of </al><al>b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met
                        vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. </al><al>De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de
                        hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke
                        bepaling. </al><al>4. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of
                        opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is
                        afgevoerd.</al><al>5. Indien de in het tweede lid vermelde berekeningswijze niet mogelijk is of
                        de verbruikgegevens niet bekend zijn, wordt het waterverbruik van
                        gemeentewege geschat, met dien verstande dat voor de berekening een minimum
                        wordt aangehouden van 500 m3.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet><vet> Belastingtarieven</vet></al><al>De belasting bedraagt:</al><al/><al>1. behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel per eigendom</al><al> € 192,60</al><al/><al/><al>2.in afwijking van het bepaalde in lid 1. van dit artikel per eigendom van
                        waaruit meer dan 200m³ afvalwater per jaar wordt afgevoerd:</al><al/><al>bij een waterverbruik van</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><tbody><row><entry><al>a. van 201 t/m 500 m3</al><al>vermeerderd met een bedrag van</al></entry><entry><al/><al/><al>€1,50</al></entry><entry><al>€</al><al/><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry><al>192,60</al></entry><entry><al/><al/><al/><al>200m3</al></entry></row><row><entry><al>b. van 501 t/m 1.000 m3</al><al>vermeerderd met een bedrag van</al></entry><entry><al/><al/><al>€1,20</al></entry><entry><al>€</al><al/><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry><al>642,60</al></entry><entry><al/><al/><al/><al>500m3</al></entry></row><row><entry><al>c. van 1.001 t/m 5.000m3 </al><al>vermeerderd met een bedrag van </al></entry><entry><al/><al/><al>€1,00</al></entry><entry><al>€</al><al/><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry><al>1.242,60</al></entry><entry><al/><al/><al/><al>1.000m3</al></entry></row><row><entry><al>d. van 5.001 t/m10.000m3</al><al>vermeerd met een </al><al>bedrag van</al></entry><entry><al/><al/><al>€0,80</al></entry><entry><al>€</al><al/><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry><al>5.242,60</al></entry><entry><al/><al/><al/><al>5.000m3</al></entry></row><row><entry><al>e. van 10.001t/m20.000m3</al><al>vermeerderd met een bedag van</al></entry><entry><al/><al/><al>€0,50</al></entry><entry><al>€</al><al/><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry><al>9.242,60</al></entry><entry><al/><al/><al/><al>10.000m3</al></entry></row><row><entry><al>f. boven 20.000m3</al><al>vermeerderd met een bedrag van</al></entry><entry><al/><al/><al>€0.30</al></entry><entry><al>€</al><al/><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry><al>14.242,50</al></entry><entry><al/><al/><al/><al>20.000m3</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>2. Als het bedrag van de belasting beneden € 10,- blijft, wordt geen
                        belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal
                        van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aan belastingen of
                        andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Belastingjaar</vet></al><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Wijze van heffing</vet></al><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsgelang</vet></al><al>De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit
                        later is, bij de aanvang van de belastingplicht. </al><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het
                        belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde
                        gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat
                        jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden
                        overblijven. </al><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het
                        belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde
                        gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat
                        jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden
                        overblijven. </al><al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                        belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander eigendom
                        in gebruik neemt </al><al/><al><vet>Artikel 10 Termijnen van betaling</vet></al><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet de
                        aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand
                        volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                        vermeld.</al><al>In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op
                        één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan € 70,-, en zolang de
                        verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen
                        worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in 7 gelijke
                        termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend
                        op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van
                        de volgende termijnen telkens op de laatste dag van de daarop volgende
                        maand.</al><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de
                        Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking
                        inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige
                        toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling
                        van de aanslag.</al><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden
                        gestelde termijnen </al><al/><al><vet>Artikel 11 Nadere regels door het college</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Kwijtschelding</vet></al><al>Bij de invordering van rioolheffing van gebruikers van eigendommen, niet
                        zijnde eigendommen die bestemd zijn om als particuliere huishouding te
                        worden gebruikt en ook als zodanig worden gebruikt, wordt geen
                        kwijtschelding verleend.</al><al/><al>1.3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</al><al/><al><vet>Artikel 13 Bevoegdheden</vet></al><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van deze
                        verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>De ‘Verordening rioolheffing 2013”, vastgesteld bij raadsbesluit van 7
                        november 2012, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde
                        datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing
                        blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan.</al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van
                        de bekendmaking.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2014.</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing 2014”.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van november 2013</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>2. TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><al/><al>2.1 ALGEMEEN</al><al/><al><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening rioolheffing is gebaseerd op de tekst van artikel 228a van de
                    Gemeentewet. Gekozen is voor een zogenaamd 'aangekleed' model, dat wil zeggen
                    dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid,
                    is overgenomen. De rioolheffing is in de plaats gekomen van de rioolrechten.
                    Vanaf 1 januari 2010 is de mogelijkheid tot het heffen van rioolrechten
                    vervallen (behalve het eenmalig rioolaansluitrecht) en kan de gemeente enkel de
                    rioolheffing in rekening brengen.</al><al/><al>De Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken (Stb. 2007, 276
                    en 277) introduceert in artikel 228a van de Gemeentewet een nieuwe rioolheffing.
                    Deze rioolheffing treedt in de plaats van het rioolrecht dat is gebaseerd op
                    artikel 229 van de Gemeentewet. De nieuwe rioolheffing heeft het karakter van
                    een bestemmingsheffing waarmee kosten kunnen worden verhaald om maatregelen te
                    treffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een doelmatig werkende riolering
                    en overige maatregelen ten aanzien van hemelwater en grondwater. Dit betekent
                    dat het individuele profijt van de heffing door de gemeente niet meer hoeft te
                    worden aangetoond. De gemeente kan de kosten verhalen die ze maakt voor het
                    nakomen van de zorgplichten uit de Wet verankering en bekostiging van
                    gemeentelijke watertaken.</al><al/><al>De voorzieningen waarvan de kosten kunnen worden verhaald sluiten aan bij de
                    maatregelen die de gemeente in het kader van het gemeentelijke rioleringsplan
                    (GRP) onderneemt. Dit kunnen maatregelen met een collectief of individueel
                    karakter zijn. Van belang is dat de gemeente aannemelijk kan maken dat de
                    maatregelen van belang zijn voor het nakomen van de zorgplichten. Het
                    wetsvoorstel kent naast de introductie van de rioolheffing ook een verbreding
                    van het GRP.</al><al/><al>De meer taakgerichte insteek leidt er bijvoorbeeld toe dat er geen onzekerheid
                    meer bestaat over de mogelijkheid om bijvoorbeeld de kosten van een voorziening
                    voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA) te verhalen. Indien de IBA
                    wordt geplaatst ter nakoming van de zorgplicht van de gemeente kunnen de kosten
                    worden meegenomen in de rioolheffing.</al><al/><al>Naast de rioolheffing van artikel 228a van de Gemeentewet kan een gemeente op
                    basis van artikel 229, derde lid, van de Gemeentewet alleen nog een eenmalig
                    rioolaansluitrecht heffen of een eenmalig recht heffen voor de kosten van een
                    IBA die de gemeente voor een eigenaar aanlegt. Ook de baatbelasting voor aanleg
                    van nieuwe riolering blijft gehandhaafd.</al><al/><al><vet>Zorgplichten</vet></al><al>In artikel 228a van de Gemeentewet worden de verschillende zorgplichten van de
                    gemeente op het terrein van water opgesomd. Het betreft de zorgplicht voor
                    afvalwater en de zorgplicht voor hemel- en grondwater. Het resultaat en de
                    doelmatigheid van de maatregelen staat voorop, niet meer de wijze waarop de
                    gemeente haar zorgplicht nakomt.</al><al/><al>De opbrengsten van de rioolheffing dienen te worden aangewend voor de nakoming
                    van deze zorgplichten. De reikwijdte van de verschillende zorgplichten is in de
                    Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken vastgelegd. Dat de
                    gemeente de zorgplichten heeft, betekent niet dat de gemeente steeds aan zet is
                    om alle problemen op te lossen. De afvalwaterzorgplicht kent een mogelijkheid
                    tot het vragen van ontheffing bij de provincie als maatregelen niet doelmatig
                    zijn. De zorgplicht voor hemel- en grondwater kent een voorkeursvolgorde. In
                    eerste instantie is de particulier verantwoordelijk op eigen terrein. Pas indien
                    het redelijkerwijs niet van de particulier kan worden verwacht dat hij zelf
                    maatregelen neemt kan het water ter nadere verwerking worden aangeboden bij de
                    gemeente. </al><al/><al>Ook het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) wijzigt. Nieuw vast te stellen GRP’s
                    dienen naast de reeds bestaande planverplichting voor de riolering ook expliciet
                    aandacht te besteden aan de nieuwe zorgplichten voor hemel- en grondwater. Het
                    GRP zal ook ten minste een overzicht bevatten van de in de gemeente aanwezige
                    voorzieningen voor de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en de
                    voorgenomen maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen van de
                    grondwaterstand. Dat laatste uiteraard alleen als er zich in de gemeente
                    daadwerkelijk grondwaterproblemen voordoen.</al><al/><al>Centraal staat bij de uitvoering van de zorgplichten dat een doelmatige
                    oplossing dient te worden gekozen. Gemeenten zijn dus vrij in de keuze welke
                    maatregelen worden getroffen als het beoogde doel maar wordt bereikt. Als een
                    IBA het beoogde milieurendement oplevert, is het een goede oplossing. Normen
                    waarbinnen verplicht riolering dient te worden opgelegd zijn niet meer van
                    toepassing. Voor de bestrijding van water dat in de huizen stroomt bij hevige
                    regenval kan vanzelfsprekend een regenwaterriool worden aangelegd. De gemeente
                    mag er echter ook voor kiezen om de stoepranden langs de straat te verhogen.
                    Zodoende blijft het water op straat staan en loopt het niet meer de huizen
                    in.</al><al/><al><vet>Kostenverhaal</vet></al><al>Hoofdregel bij het kostenverhaal is dat de kosten via de heffing mogen worden
                    verhaald die worden gemaakt ter nakoming van de zorgplichten. Omdat de aard van
                    de voorzieningen niet meer doorslaggevend is dient de gemeente enkel aannemelijk
                    te maken dat de kosten gemaakt zijn in het kader van de zorgplicht. De
                    onderstaande driedeling kan worden gemaakt:</al><al/><al>1. De voorziening is volledig dienstbaar aan het nakomen van de zorgplichten. De
                    integrale kosten van de voorziening kunnen worden verhaald via de heffing. Voor
                    de bepaling van de integrale kosten zijn de uitgangspunten van de begroting
                    leidend. </al><al>2. De voorziening is niet dienstbaar aan het nakomen van de zorgplichten. De
                    kosten van de voorziening kunnen niet worden verhaald via de heffing. </al><al>3. De voorziening is dienstbaar aan het nakomen van de zorgplichten maar dient
                    tevens andere doelen. Het gedeelte van de kosten dat redelijkerwijs kan worden
                    toegerekend aan het nakomen van de zorgplichten kan via de heffing worden
                    verhaald. Is de voorziening slechts zijdelings (&lt; 10%) dienstbaar aan het
                    nakomen van de zorgplichten dan kunnen de kosten niet worden verhaald via de
                    heffing. </al><al/><al>Als voorbeeld de kosten voor baggeren. Als het baggeren samenhangt met het
                    onderhoud van gemeentelijk oppervlaktewateren en vaarwegen, dan kunnen de kosten
                    niet uit de Rioolheffing worden bekostigd. Vindt het baggeren plaats vanwege de
                    ruiming van slib voor een van de zorgplichten, dan mogen de kosten wel uit de
                    heffing worden bekostigd. Onder de oude Rioolrechten heeft Hof Arnhem deze
                    insteek goedgekeurd. Deze uitspraak was de uitwerking van de verwijzing van de
                    Hoge Raad waarin moest worden onderzocht of het baggeren niet of slechts
                    zijdelings de rioleringsfunctie diende. Slechts zijdelings moet daarbij worden
                    uitgelegd als voor minder dan 10% (Hof Arnhem 10 december 2007, LJN: BC0240). De
                    toelichting bij de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken
                    wekt de indruk dat de kosten van baggeren niet kunnen worden meegenomen. Wij
                    denken dat bij de wetgever destijds de indruk leefde dat baggeren geen relatie
                    met de zorgplichten kon hebben. Dat beeld moet dus worden genuanceerd.</al><al/><al>Indien het baggeren deels plaatsvindt vanwege een van de zorgplichten, maar
                    tegelijkertijd ook andere doelen dient, moet de gemeente een kostenverdeling
                    opstellen. De meest praktische wijze hiervoor is de totale kosten te nemen en –
                    op basis van deskundigheid of ervaringsgegevens – een redelijke verdeling vast
                    te stellen voor de verschillende doeleinden van het baggeren. Het verdient
                    aanbeveling om de beargumenteerde toedeling vooraf controleerbaar vast te
                    leggen.</al><al/><al/><al><vet>Begrip aansluiting</vet></al><al>Net als in de oude verordening rioolrechten is het belastbare feit het hebben
                    van een directe of indirecte aansluiting op de riolering. Met het begrip
                    aansluiting wordt echter niet hetzelfde bedoeld.</al><al>Nu de zorgplichten zijn verruimd naar het hemel- en grondwater zal de aard van
                    de gemeentelijke voorzieningen ook wijzigen. De voorzieningen zullen meer op het
                    publieke domein komen te liggen. Als de gemeente de grondwaterstand wil
                    reguleren kan het drainageriool worden aangelegd op openbaar terrein. Alle
                    omliggende percelen profiteren van drainageriool, omdat het grondwater van hun
                    perceel afvloeit richting het drainageriool. In de zin van de verordening hebben
                    deze percelen een aansluiting op de gemeentelijke riolering omdat ze hun
                    grondwater ter nadere verwerking aanbieden bij de gemeente en de gemeente een
                    voorziening heeft waar dat water daadwerkelijk wordt verwerkt. Een aansluiting
                    in de zin van een buis is dus geen voorwaarde. Dat er vanaf het perceel water
                    ter nadere verwerking wordt aangeboden en dat de gemeente daar ook wat mee doet
                    is voldoende voor het hebben van een aansluiting.</al><al>De verbreding van het begrip aansluiting heeft voor het overgrote deel van de
                    percelen geen consequenties. Deze percelen hebben sowieso al een aansluiting op
                    het rioleringsstelsel. Wij verwachten dat een kleine minderheid van de percelen
                    geen aansluiting op het buizenstelsel heeft maar wel water ter nadere verwerking
                    aanbiedt bij de gemeente. Te denken valt aan garageboxen, loodsen en dergelijke.
                    De grote groep belastingplichtigen zal echter niet wijzigen.</al><al/><al><vet>Keuze voor model A of model B</vet></al><al>De gemeente heeft de mogelijkheid om de rioolheffing voor alle taken in zijn
                    geheel te heffen (model A) maar ook om de heffing te splitsen (model B). De
                    keuze tussen de modellen is primair een politieke. Uiteindelijk beslist de raad
                    op welke wijze de rioolheffing wordt vormgegeven. Gekozen is voor bestendiging
                    van de tot heden gevoerde heffing via model A.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Vanzelfsprekend is er op het moment van schrijven van deze toelichting nog
                    weinig jurisprudentie gewezen op basis van de nieuwe rioolheffing. Toch wordt in
                    deze toelichting verwezen naar jurisprudentie. Daarbij moet wel worden bedacht
                    dat de jurisprudentie is gewezen voor de oude rioolrechten of andere (lokale)
                    belastingen. Daar waar in de toelichting bij de artikelen verwijzingen naar
                    jurisprudentie staan, zijn wij van mening dat deze jurisprudentie haar betekenis
                    in het licht van de nieuwe rioolheffing niet heeft verloren. Voor de exacte
                    interpretatie van de individuele uitspraken moeten echter steeds de verschillen
                    tussen de betreffende heffing en de rioolheffing worden meegewogen. Het
                    belangrijkste verschil tussen de rioolrechten en de rioolheffing is dat er geen
                    sprake meer is van een retributie maar van een bestemmingsbelasting. De link
                    tussen het individuele profijt en de heffing is hierdoor belangrijk minder
                    stringent geworden. Dit element zal met name spelen bij de gewijzigde
                    interpretatie van het begrip aansluiting, dat hierboven is toegelicht.</al><al/><al><vet>Kwijtschelding van belastingen</vet></al><al>Van de rioolheffing kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend,
                    indien de belasting niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan worden betaald.
                    De mogelijkheid van kwijtschelding is beperkt tot de particuliere
                    huishoudens.</al><al/><al/><al>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al/><al><vet>Aanhef</vet></al><al>De aanhef van de verordening rioolheffing geeft aan dat de rioolheffing is
                    gebaseerd op artikel 228a van de Gemeentewet, zowel voor de heffing wegens het
                    hebben van een aansluiting op de gemeentelijke riolering als voor de heffing
                    wegens het afvoeren van water.</al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In de opzet van de verordening is gekozen voor het opnemen van een artikel dat
                    begripsomschrijvingen bevat.</al><al/><al><cursief>Ad. c</cursief></al><al>Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en
                    verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig
                    gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                    belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van de
                    Gemeentewet aangewezen door het college.</al><al/><al><cursief>Ad d</cursief></al><al>In onderdeel d is aangegeven dat onder perceel wordt verstaan een roerende of
                    een onroerende zaak. In de verordening rioolrechten wordt hiervoor de term
                    eigendom gebruikt. Met de wijziging naar de term perceel is geen inhoudelijke
                    wijziging beoogd. De reden voor de keuze van de term perceel is gelegen in het
                    feit dat deze term ook wordt gebruikt in de Wet verankering en bekostiging van
                    gemeentelijke watertaken.</al><al>In de meerderheid van de gevallen zal onder het begrip perceel een onroerende
                    zaak vallen. De verordening beoogt echter ook roerende percelen die op de
                    gemeentelijke riolering zijn aangesloten in de heffing te betrekken. Bij
                    roerende percelen die op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan caravans, woonboten en niet-onroerende
                    zomerhuisjes.</al><al>Dat ook een zelfstandig gedeelte van een onroerende of roerende zaak een perceel
                    is hangt samen met het bepaalde in artikel 4. Door een zelfstandig gedeelte ook
                    te omschrijven als een zelfstandig perceel vindt het belastbaar feit plaats per
                    zelfstandig gedeelte.</al><al/><al>Ad e</al><al>In onderdeel e is aangegeven dat onder gemeentelijke riolering in feite alle
                    voorzieningen vallen die worden getroffen ter nakoming van de zorgplichten. De
                    mogelijke voorzieningen zijn legio en bevatten een veel ruimer scala dan het
                    klassieke rioleringsbegrip. Dat toch voor de term gemeentelijke riolering is
                    gekozen hangt samen met de naamgeving die de formele wetgever heeft gekozen voor
                    de heffing: Rioolheffing.</al><al/><al>Ad f</al><al>Onderdeel f behelst een definitie van het begrip verbruiksperiode. De uit de
                    afrekening blijkende hoeveelheid van het waterleidingbedrijf afgenomen water is
                    van belang voor de vaststelling van de afgevoerde hoeveelheid afvalwater,
                    waarvoor in artikel 5 regels zijn gegeven</al><al/><al>Ad g</al><al>Onderdeel g van dit artikel bepaalt dat onder het begrip water alle
                    verschillende soorten water vallen. In de zorgplichten van artikel 228a worden
                    meerdere waterbegrippen gebruikt die gebaseerd zijn op de herkomst van het
                    water. De definities van de specifieke waterbegrippen zijn opgenomen in de Wet
                    milieubeheer en behoeven in de verordening rioolheffing geen nadere
                    toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Aard van de belasting</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen om er geen misverstand over te laten bestaan dat de
                    heffing bedoeld is om de kosten van de zorgplichten te verhalen die zijn
                    opgesomd in artikel 228a van de Gemeentewet. Tevens blijkt uit dit artikel dat
                    het gaat om de totale kosten van de beide zorgplichten (model A).</al><al/><al><vet>Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht</vet></al><al>De rioolheffing kan worden geheven van zowel de eigenaren als de gebruikers van
                    percelen. In de toelichting bij de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke
                    watertaken staat dat de wetgever de bestaande praktijk dat de belasting zowel
                    van de eigenaar als de gebruiker kan worden geheven wil voortzetten.</al><al>Voor de oude rioolrechten heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 maart 1980,
                    nr. 19 441, BNB 1980/103 (Rotterdam) beslist dat onder gebruik van de riolering
                    mede het genot van de aansluiting voor de eigenaar kan worden begrepen, nu de
                    aansluiting de gebruikswaarde van het eigendom voor de eigenaar verhoogt. Ook in
                    latere arresten heeft de Hoge Raad in gelijke zin beslist (HR 24 oktober 1984,
                    nr. 22 429, BNB 1985/58, Belastingblad 1985, blz. 6 (Havelte), HR 15 juli 1986,
                    nr. 23 881, BNB 1986/263, Belastingblad 1986, blz. 583 (Zutphen) en HR 12
                    januari 1994, nr. 29 597, BNB 1994/84, Belastingblad 1994, blz. 270
                    (Bussum).</al><al>Hof Arnhem heeft uitgebreid gemotiveerd beslist dat alleen van eigenaren kan
                    worden geheven. De andersluidende beslissing van rechtbank Arnhem is door het
                    hof van tafel geveegd (Hof Arnhem 9 oktober 2007, LJN: BB5160 (Nijmegen)). Tegen
                    deze uitspraak is overigens wel beroep in cassatie ingesteld.</al><al>De Hoge Raad heeft in een aantal zaken geoordeeld dat de heffing van een
                    afvoerrecht van enkel de grote lozers is toegestaan. Daarbij moet het aandeel
                    van de te verhalen kosten bij de grote lozers evenredig zijn met hun aandeel in
                    de totale hoeveelheid geloosd afvalwater. Zie hiervoor de uitspraken van de Hoge
                    Raad van 10 december 2004, nr. 36804, LJN: AF7508 (Delft) en LJN: AF7510
                    (Delft); AF7505 (Zoetermeer); AF7514, AF7516, Af7517 (Eindhoven); AF7523 en
                    AF7524 (Leiden); AF7336 (Rotterdam). Bij deze uitspraken moet wel bedacht worden
                    dat het oude rioolrecht gericht was op het verhalen van de kosten van het
                    transport van afvalwater. Indien de gemeente in meer dan bijkomende mate kosten
                    verhaalt die gepaard gaan met hemel- en grondwater kan het minder gewenst zijn
                    deze kosten enkel te verhalen op de grote lozers van (bedrijfs)afvalwater. De
                    gemeente wil uitsluitend een heffing van de gebruiker van een perceel. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het gaat om de belasting die wordt geheven van de gebruiker van een perceel
                    wegens het afvoeren van water vanuit dat perceel op de gemeentelijke riolering.
                    Ook hier zijn de woorden ‘direct of indirect’ voor de duidelijkheid opgenomen.
                    Het direct of indirect afvoeren van water hangt samen met het direct of indirect
                    aangesloten zijn van het perceel op de gemeentelijke riolering.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De belasting bedoeld in het eerste lid, wordt geheven van de gebruiker van het
                    perceel. In dit lid zijn regels opgenomen om aan te geven wie als gebruiker van
                    het perceel moet worden aangemerkt.</al><al>Er doen zich hier twee mogelijkheden voor die zich van elkaar laten
                    onderscheiden door het gebruik van een al dan niet zelfstandig gedeelte van een
                    perceel.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onderdeel a</cursief></al><al>In onderdeel a gaat het om het gebruik van een zelfstandig perceel, een
                    zelfstandig gedeelte van een perceel of verschillende zelfstandige gedeelten van
                    een perceel, die tezamen, met toepassing van artikel 4, als één perceel moeten
                    worden aangemerkt. De gebruiker is dan degene die - naar de omstandigheden
                    beoordeeld - het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                    persoonlijk recht gebruikt. Niet van belang is dus op welke rechtsgrond van het
                    perceel gebruik wordt gemaakt. Ook bij wederrechtelijk gebruik (krakers) is
                    sprake van gebruik. Degene die het perceel voor zich zelf bezigt, moet als
                    gebruiker worden aangemerkt (HR 5 september 1979, nr. 19420, BNB 1979/268
                    (Uitgeest) waarin werd beslist dat het doen bouwen op een ongebouwd eigendom
                    moet worden aangemerkt als gebruik van het perceel door de opdrachtgever).</al><al>De belasting wegen het afvoeren van water op de gemeentelijke riolering kan
                    alleen worden geheven van degenen die de op die riolering aangesloten percelen
                    feitelijk gebruiken. Niet als feitelijk gebruiker wordt aangemerkt diegene die
                    verantwoordelijk is voor het gebruik (bijvoorbeeld de verhuurder), zonder het
                    perceel zelf te gebruiken (HR 23 mei 1990, nr. 26328, BNB 1990/239,
                    Belastingblad 1990, blz. 470 (Tegelen). Na de inwerkingtreding van de Wet
                    materiële belastingbepalingen Gemeentewet (1 januari 1995) is bij de
                    onroerende-zaakbelastingen in bepaalde gevallen een ander dan de feitelijke
                    gebruiker als belastingplichtige van de gebruikersbelasting aangewezen. Het is
                    evenwel verdedigbaar ook bij de rioolheffing bij verhuur voor korte perioden de
                    verhuurder als feitelijk gebruiker aan te merken. Voor de reinigingsrechten en
                    de afvalstoffenheffing heeft de Hoge Raad dat beslist in zijn arresten van 26
                    februari 1992, nr. 27935, Belastingblad 1992, blz. 389 en van 1 december 1999,
                    nr. 34301, Belastingblad 2000, blz. 57. Hof Arnhem heeft in de uitspraak van 7
                    mei 2002, nr. 99/00504, LJN: AE4937 (Gramsbergen) voor het rioolrecht in gelijke
                    zin beslist. Bij het volgtijdig ter beschikking stellen aan een
                    huurbemiddelingsbureau dat recreatiebungalows voor rekening en risico van de
                    eigenaar verhuurt aan derden, wordt de eigenaar als gebruiker aangemerkt.
                    Daaraan doet niet af dat de eigenaar zelf geen verblijf kan houden (zie ook Hoge
                    Raad 22 november 2002, nr. 37361, LJN: AF0960, BNB 2003/36, m.n. Snoijink
                    (Oostburg) voor de onroerende-zaakbelastingen). De Hoge Raad heeft omtrent een
                    overeenkomst waarbij vakantiewoningen voor rekening en risico van een
                    huurbemiddelingsbureau werden verhuurd geoordeeld dat de eigenaar in dat geval
                    niet als gebruiker voor het rioolrecht kan worden aangemerkt (Hoge Raad 7
                    februari 2001, nr. 35865, LJN: AA9843, BNB 2001/113, m.n. Snoijink
                    (Wierden)).</al><al>Wie de belastingplichtige gebruiker van een woning is, zal veelal kunnen worden
                    bepaald aan de hand van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                    (GBA). Bij bedrijfsgebouwen en andere niet-woningen is dit uiteraard niet
                    mogelijk. Daar - maar ook bij woningen - kan bijvoorbeeld de administratie van
                    nutsbedrijven een hulpmiddel zijn. Ook het handelsregister kan uitkomst
                    bieden.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onderdeel b</cursief></al><al>In onderdeel b gaat het om het gebruik van een niet-zelfstandig gedeelte van een
                    perceel, waarop het bepaalde in artikel 4 van de verordening geen toepassing
                    vindt. In artikel 4 gaat het om de kleinste zelfstandig bruikbare eenheid,
                    terwijl hier sprake is van een niet-zelfstandig gedeelte van een perceel. De
                    uitsluiting van het bepaalde in artikel 4 is alleen voor de duidelijkheid in de
                    onderhavige bepaling opgenomen. Onderdeel b ziet op de situatie dat de degene
                    die één of meer gedeelten van het perceel voor gebruik afstaat, maar, naar de
                    omstandigheden beoordeeld, zelf wel van het perceel gebruik blijft maken. Te
                    denken valt aan de situatie waarin de kamers van een studentenhuis in gebruik
                    worden afgestaan. Iedere kamer heeft een aansluiting op de riolering zodat
                    vanuit iedere kamer afvoer van afvalwater mogelijk is en die afvoer ook
                    feitelijk geschiedt. Omdat geen kamer als zelfstandig gedeelte kan worden
                    aangewezen (artikel 4) wordt het gebruik nu toegerekend aan de gebruiker van een
                    gedeelte van het studentenhuis die de andere kamers in gebruik heeft afgestaan.
                    Indien de verhuurder van de kamers zelf geen gebruik maakt van een gedeelte van
                    het studentenhuis, kan hij niet worden aangemerkt als gebruiker van het
                    studentenhuis, maar moet één van de studenten worden aangewezen op grond van
                    vastgestelde beleidsregels.</al><al>De gemeente heeft hiertoe de beleidsregels voor het aanwijzen van een
                    belastingplichtige in een keuzesituatie vastgesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Zelfstandige gedeelten</vet></al><al>In dit artikel is bepaald dat, indien gedeelten van een perceel zelfstandig
                    kunnen worden gebruikt, de rechten ter zake van ieder afzonderlijk gedeelte
                    worden geheven. Bedoeld worden dan gedeelten die ieder als zelfstandige en
                    onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld de woning in een
                    flatgebouw). De Hoge Raad oordeelde dat zelfstandige gedeelten die geen directe
                    of indirecte aansluiting op de riolering hebben omdat de sanitaire voorzieningen
                    zich bijvoorbeeld in een gemeenschappelijk deel bevinden niet in de heffing
                    kunnen worden betrokken (Hoge Raad 29 juni 2007, nr. 40932, LJN: BA8046,
                    (Alblasserdam)).</al><al>Wanneer dergelijke gedeelten, die naar indeling zijn bestemd om ieder als
                    afzonderlijk geheel te worden gebruikt, toch gezamenlijk als een geheel worden
                    gebruikt, dan wordt de belasting ter zake van de gezamenlijke gedeelten geheven,
                    waarbij die gezamenlijke gedeelten dan als één perceel worden aangemerkt. Een
                    dergelijk geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij woonhuizen die vroeger in
                    twee of meer zelfstandige gedeelten werden gebruikt, maar nu, zonder dat de
                    indeling is gewijzigd, als één geheel worden gebruikt.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Maatstaf van heffing</vet></al><al>De belasting van de gebruiker wordt geheven naar het aantal kubieke meters water
                    dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Hoe deze hoeveelheid wordt berekend is
                    bepaald in het vierde lid van artikel 5. Indien niet alle percelen in de
                    gemeente individueel van een watermeter zijn voorzien zal ten aanzien van deze
                    percelen met aannames moeten worden gewerkt. Daarbij valt te denken aan een
                    forfaitaire benadering. Er kan rekening worden gehouden met de aanwezigheid van
                    een één- of meerpersoonshuishouden of andere differentiaties die een relatie met
                    het verbruik hebben. Hof ‘s-Hertogenbosch vond een forfait waarbij de niet
                    bemeterde percelen een verbruiksklasse hoger ingedeeld werden dan ze gemiddeld
                    verbruikten, leiden tot een willekeurige en onredelijke heffing (Hof
                    ‘s-Hertogenbosch 3 februari 2004, nr. 96/01941, LJN: AQ4652). Hieruit kan de
                    conclusie worden getrokken dat de gemeente het forfait wel in enige mate
                    cijfermatig moet kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met het gemiddelde
                    waterverbruik.</al><al>Deze afgevoerde hoeveelheid water wordt gesteld op de hoeveelheid water die in
                    een bepaalde periode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. De gemeente
                    heeft een keuze in de vaststelling van deze periode. </al><al>Op grond van het 'Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing’
                    (Stb. 1995, 346) kunnen gemeenten de waterbedrijven verplichten de
                    waterverbruikgegevens ter beschikking te stellen. De VNG heeft hierover met de
                    Vereniging van waterbedrijven in Nederland (VEWIN) een convenant gesloten</al><al>Behalve door toevoer van water kan het eigendom ook van water worden voorzien
                    door het oppompen van water. De hoeveelheid opgepompt water kan worden berekend
                    aan de hand van de gegevens van de pompinstallatie, waarover in het vierde lid
                    nog een bepaling is opgenomen.</al><al>Als periode waarover de hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water bepalend is
                    voor de afgevoerde hoeveelheid afvalwater geldt de laatste verbruiksperiode,
                    beoordeeld aan het begin van het belastingjaar.</al><al>Er is tevens een herleidbepaling opgenomen. Deze bepaling dient er toe om vast
                    te kunnen stellen hoeveel water naar een perceel is toegevoerd of is opgepompt
                    in een periode van twaalf maanden indien de verbruiksperiode van het
                    waterbedrijf niet gelijk is aan twaalf maanden. Bij die herleiding wordt een
                    gedeelte van een maand voor een volle maand gerekend. Een dergelijke bepaling
                    werkt in het voordeel van de belastingplichtige. De noemer in de breuk is altijd
                    één groter dan wanneer een gedeelte van een maand niet meegerekend zou worden.
                    De teller in de breuk wordt bij de herleiding naar tijdsgelang gesteld op 12
                    (maanden). Voorbeeld: de verbruiksperiode van het waterleidingbedrijf is 14,5
                    maand. Deze periode wordt afgerond op 15 maanden omdat een gedeelte van een
                    maand voor een volle maand wordt gerekend. De herleidingsformule luidt: (12:15)
                    x afgenomen hoeveelheid water in de verbruiksperiode van 14,5 maand. De formule
                    ziet er dan zo uit: afgenomen hoeveelheid water x 12 = herleide hoeveelheid
                    15</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Grondwaterwet
                    (Stb. 1981, 392), is degene die grondwater onttrekt verplicht de hoeveelheid
                    onttrokken grondwater te meten en daarvan aantekening te houden. Daarmee is een
                    deel van de hoeveelheid opgepompt water bekend en kunnen deze gegevens mede
                    worden gebruikt voor de berekening van de hoeveelheid afgevoerd water. Tevens
                    kan water worden opgepompt waarop of wel het bepaalde in artikel 11 van de
                    Grondwaterwet niet van toepassing is (bijvoorbeeld bij het oppompen van
                    oppervlaktewater), of wel de in dat artikel verplicht gestelde meting niet wordt
                    uitgevoerd.</al><al>Voor die gevallen is artikel 5, vierde lid, eerste volzin van de verordening
                    geschreven. In een dergelijke situatie kan de hoeveelheid opgepompt water worden
                    berekend aan de hand van een watermeter of een bedrijfsurenteller.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Indien de belastingplichtige niet al het toegevoerde of opgepompte water als
                    afvalwater afvoert op de gemeentelijke riolering, dient de op andere wijze
                    afgevoerde hoeveelheid in mindering gebracht te worden op de in het derde lid
                    berekende hoeveelheid. Het gaat in dit artikellid om berekenbare hoeveelheden
                    die op andere wijze worden afgevoerd. Hierbij kan het met name gaan om
                    waterverwerkende industrieën (bierbrouwerij, limonadefabriek) of afvoer van
                    water op niet openbaar gemeentewater. Tevens kan zich de situatie voordoen dat
                    water wordt geïnfiltreerd. In dat geval geldt ook de verplichting dat deze
                    hoeveelheid dient te worden gemeten en dat daarvan aantekening wordt gehouden
                    (artikel 11, tweede lid, van de Grondwaterwet).</al><al/><al><vet>Artikel 6 Belastingtarieven</vet></al><al>De belasting van de gebruiker is afhankelijk van de hoeveelheid afgevoerd water.
                    De belasting wordt berekend per volle eenheid kubieke meters water, omwille van
                    een eenvoudiger uitvoerbaarheid van de verordening. Het bedrag waarop de aanslag
                    wordt vastgesteld wordt daarmee in feite door afronding bepaald. De hoeveelheid
                    afgevoerd water is op grond van artikel 5 bepaald. </al><al>In artikel 6 is het tarief afhankelijk van de geloosde hoeveelheid water. In de
                    verordening is hiertoe een aantal schijven opgenomen. Per schijf wordt een ander
                    tarief toegepast voor elke volle eenheid van een bepaald aantal kubieke meters
                    afgevoerd water. Naar de mening van de Werkgroep gemeentelijke belastingen zal
                    de tariefopbouw hierbij in veel gevallen degressief van structuur zijn, zodat
                    voor de afvoer van grote hoeveelheden water een lager tarief per eenheid zal
                    worden berekend. Door de schijven ruim te stellen wordt bereikt dat alleen voor
                    de afvoer van grote of zeer grote hoeveelheden water een reductie op het tarief
                    wordt verleend.</al><al>De hier bedoelde reductie laat zich rechtvaardigen als een zogenaamde
                    'kwantumkorting'. De belastingplichtige geniet derhalve een reductie omdat hij
                    veel water afvoert. Een lineair opgebouwd tariefstelsel is echter uitdrukkelijk
                    toegestaan in Hoge Raad 24 september 2004, nr. 36874, LJN: AF7511 (Vught).</al><al>Overigens kan in dit verband worden gewezen op een beslissing van het Hof
                    's-Hertogenbosch over de verordening Rioolrechten van de gemeente Woensdrecht.
                    Het tarief in de onderhavige verordening was degressief. De hoeveelheid werd
                    vastgesteld aan de hand van een opgave van het waterbedrijf over het voorgaande
                    abonnementsjaar. Het Hof besliste hier dat de huidige gebruiker in de heffing
                    kon worden betrokken met als maatstaf het gebruik van de vorige bewoner (Hof
                    's-Hertogenbosch 2 november 1974, nr. 298/1974, BNB 1975/219). </al><al/><al><vet>Artikel 7 Belastingjaar</vet></al><al>Het belastingjaar loopt gelijk met het kalenderjaar. Er kan uiteraard gekozen
                    worden voor een belastingjaar dat niet gelijk loopt met het kalenderjaar. Voor
                    de belasting dat van de gebruiker wordt geheven zal het weinig verschil maken of
                    het belastingjaar en het kalenderjaar samenvallen. In deze toelichting is steeds
                    uitgegaan van een belastingjaar dat samenvalt met het kalenderjaar.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Wijze van heffing</vet></al><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden
                    geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere
                    wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Op grond van het eerste lid is de belasting verschuldigd bij het begin van het
                    belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij het begin van de
                    belastingplicht. Aangezien de materiële belastingschuld in beginsel ontstaat bij
                    het begin van het belastingjaar, zijn tariefverhogingen in de loop van het
                    belastingjaar niet mogelijk.</al><al/><al>Het gebruikersdeel van de rioolheffing staat in beginsel ook aan het begin van
                    het kalenderjaar (belastingjaar) vast. Omdat voor het gebruikersdeel niet de
                    toestand op 1 januari beslissend is, is daarvoor de regeling naar tijdsgelang
                    opgenomen. Bij ingebruikneming van het perceel in de loop van het belastingjaar,
                    ontstaat de belastingschuld op het moment van ingebruikneming.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In de leden twee en drie zijn regels gegeven met betrekking tot de
                    gebruikersheffing. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar
                    aanvangt of eindigt dient een tijdsevenredige herleiding plaats te vinden,
                    waarbij gedeelten van een maand niet worden meegerekend. Op deze wijze wordt
                    bereikt dat iedere gebruiker voor de door hem afgevoerde hoeveelheid afvalwater
                    in de heffing wordt betrokken. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Termijnen van betaling</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is opgenomen
                    in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250 van de
                    Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken. In het
                    eerste lid van artikel 10 is aangegeven dat er is afgeweken van de wettelijke
                    betalingstermijn.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden om de belasting door middel van
                    automatische incasso te voldoen. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt
                    gemaakt gelden andere betaaltermijnen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te leggen
                    boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de belastingaanslag, ook
                    indien in de belastingverordening van artikel 9 van de Invorderingswet 1990
                    afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 9, derde lid,
                    van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig om in de belastingverordening
                    betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te nemen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                    termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel 9,
                    tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet van
                    toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen. Indien
                    gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben opgenomen en
                    dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet geldt, is voor de
                    betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van toepassing.</al><al>Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de ATW
                    van toepassing is op in een verordening gestelde termijnen, tenzij in de
                    verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                    belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                    naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                    aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de ATW
                    wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van toepassing
                    op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen en
                    naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor de verschillende
                    belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt, is in artikel 10
                    vierde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet – de
                    ATW buiten toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Nadere regels door het college</vet></al><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                    invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                    heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar en de
                    invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen invorderingsambtenaar. De AWR
                    en de Invorderingswet 1990 kennen ook bepalingen op grond waarvan de minister
                    van Financiën de bevoegdheid wordt toegekend nadere regels te geven over
                    bepaalde heffings- en invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke
                    belastingen komt die bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college.
                    Verder is het college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                    invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                    Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste lid,
                    onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd beslissingen van
                    de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met het oog hierop kan het
                    college over uitvoeringsaangelegenheden regels stellen. Te denken valt hierbij
                    aan het vaststellen van de modellen voor het formulier van de onderscheiden
                    aangiftebiljetten.</al><al>Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een aantal
                    bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het college. In
                    verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling opgenomen dat het
                    college nadere regels kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van
                    de betreffende belasting.</al><al>Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere
                    regels kunnen gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is
                    een en ander uitgewerkt.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Kwijtschelding</vet></al><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het
                    kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de
                    Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.</al><al>Indien gemeenten niets regelen geldt deze ministeriële regeling automatisch voor
                    alle gemeentelijke belastingen.</al><al>Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om van de
                    ministeriële regeling af te wijken. Omdat geen kwijtschelding bij de invordering
                    van Rioolrecht van gebruikers van eigendommen, niet zijnde eigendommen die
                    bestemd zijn om als particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als
                    zodanig worden gebruikt is dit expliciet opgenomen in artikel 12.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al/><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al/><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                    vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                    verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken, van
                    toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van ingang van
                    de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die belastbare
                    feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is
                    die verordening ingetrokken. Een eventuele opgenomen zinsnede ‘laatstelijk
                    gewijzigd bij raadsbesluit van &lt;datum&gt;’ is opgenomen als het vaststellen
                    van een ‘basis’ belastingverordening is gevolgd door wijzigingsverordeningen. In
                    dat geval moet worden verwezen naar de laatst vastgestelde wijziging. </al><al>Opgemerkt wordt dat er geen sprake is van het overdragen aan het college van
                    burgemeester en wethouders van de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                    belastingverordening of de wijziging daarvan op grond van <onderstreept>artikel
                        156, tweede lid, aanhef en onderdeel h, van de
                    Gemeentewet</onderstreept>.</al><al/><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>Op grond van <onderstreept>artikel 139 van de Gemeentewet</onderstreept> moeten
                    gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van
                    belastingverordeningen bekend maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht
                    leidt tot onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr.
                    28.034, BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998,
                    nr. 33.632, LJN: AA2624). Een belastingverordening treedt dus pas in werking na
                    haar bekendmaking (afgezien van terugwerkende kracht in bijzondere gevallen). In
                    de verordening is de inwerkingtreding bepaald op de eerste dag na die van de
                    bekendmaking. Er is afgezien van het noemen van een concrete datum. Voor de
                    gevallen dat de verordening onverhoopt niet zelf in haar inwerkingtreding
                    voorziet, biedt <onderstreept>artikel 142 Gemeentewet</onderstreept> een
                    vangnet: de inwerkingtreding is dan de achtste dag na die van de
                    bekendmaking.</al><al/><al>Zeker als een belasting wordt ingevoerd is een reële termijn tussen bekendmaking
                    en inwerkingtreding van de belastingverordening noodzakelijk om een goede
                    uitvoering daarvan mogelijk te maken. De datum van inwerkingtreding moet zodanig
                    worden vastgesteld, dat niet alleen de heffings- en invorderingsambtenaar de
                    nodige voorbereidingshandelingen kunnen treffen, maar ook de toekomstige
                    belastingplichtigen de gelegenheid hebben om tijdig kennis te nemen van de
                    nieuwe verordening.</al><al/><al><vet>Bekendmaking</vet></al><al/><al>Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit tot
                    vaststelling of wijziging van de belastingverordening in het gemeenteblad of als
                    een gemeenteblad ontbreekt (sinds 1 januari 2010) door terinzagelegging
                    gedurende twaalf weken op de gemeentesecretarie of een andere door het college
                    bepaalde plaats. Van die terinzagelegging moet mededeling worden gedaan in een
                    plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad
                        (<onderstreept>artikel 139, tweede lid, Gemeentewet</onderstreept> ). Met
                    deze bepaling heeft de wetgever de jurisprudentie van de Hoge Raad over de
                    bekendmaking van belastingverordeningen gecodificeerd. Zie:</al><al>• Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31643 (Albrandswaard), 32325 (Velsen) en
                    32569, Belastingblad 1998, blz. 146, 148 en 320: de gemeente moet aan de burger,
                    in bijvoorbeeld een huis-aan-huisblad, meedelen dat de tekst van een bepaald
                    besluit tot vaststelling of wijziging van de belastingverordening verkrijgbaar
                    is en (kosteloos) ter inzage ligt bij de gemeente;</al><al/><al>• Hoge Raad 28 maart 2001, nr. 35954, LJN:AB0763, Belastingblad 2001, blz. 467,
                    en nr. 35949, LJN:AR5974 (Alkmaar): deze wijze van mededeling/publicatie in
                    bijv. een huis-aan-huisblad geldt niet als de tekst van de belastingverordening
                    in het gemeenteblad is opgenomen. Naar de bedoeling van de wetgever is met
                    opneming van de integrale tekst van verordeningen en besluiten in het
                    gemeenteblad voldaan aan het vereiste van bekendmaking in een externe, met het
                    Staatsblad of Provincieblad vergelijkbare publicatie, hoewel daarnaast
                    bekendmaking via andere media onder omstandigheden door de wetgever wenselijk
                    werd geacht.</al><al/><al>De enige eisen die voor een gemeenteblad gelden, zijn een register en een
                    nummering voor de overzichtelijkheid. Gemeentebesturen zijn voor het overige
                    volledig vrij in de wijze waarop zij het gemeenteblad vormgeven en uitvoeren en
                    in de frequentie van de verschijning ervan. De editie van het gemeenteblad
                    waarin de verordening is geplaatst, moet algemeen verkrijgbaar zijn, dat wil
                    zeggen in het algemeen voor het nemen van inzage en het verkrijgen van een
                    exemplaar of een afschrift voor de burgers beschikbaar zijn. Dit behoeft niet
                    kosteloos te geschieden. Legesheffing is mogelijk ter bestrijding van de kosten
                    voor het maken van een afschrift.</al><al/><al>Het gemeenteblad kan ook elektronisch worden uitgegeven (<onderstreept>artikel
                        139, derde lid, Gemeentewet</onderstreept> ). Vanaf een nog nader te bepalen
                    moment moet bekendmaking plaatsvinden in het gemeenteblad en moet dat
                    gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze worden uitgegeven
                    (Wet elektronische bekendmaking, Stb. 2008, 551). De Wet elektronische
                    bekendmaking geeft niet alleen de mogelijkheid om regelgeving elektronisch
                    bekend te maken, maar zij legt ook de verplichting op om doorlopende
                    (‘geconsolideerde’) teksten van verordeningen en keuren op het internet
                    beschikbaar te stellen (nieuw <onderstreept>artikel 140
                        Gemeentewet</onderstreept> ). Door de beschikbaarstelling van doorlopende
                    teksten van regelgeving krijgt de burger niet alleen toegang tot de bekendmaking
                    van nieuwe regels, maar ook tot een volledig overzicht van alle op enig moment
                    geldende voorschriften. Er is wat dat betreft een belangrijk onderscheid tussen
                    bekendmaking (als voorwaarde voor inwerkingtreding) en andere vormen van
                    kennisgeving, waaronder het beschikbaar houden van geconsolideerde teksten, die
                    niet van belang zijn voor de inwerkingtreding, maar wel voor de verspreiding en
                    de toegankelijkheid van de betrokken teksten. De Regeling elektronische
                    bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden verplicht
                    provincies, gemeenten en waterschappen de geconsolideerde teksten op internet
                    beschikbaar te stellen overeenkomstig het Internetpublicatiemodel Decentrale
                    Regelgeving. Dit betekent onder meer dat geconsolideerde regelingen ter
                    beschikking worden gesteld aan de door het ministerie van BZK in het leven
                    geroepen Centrale Voorziening voor Decentrale Regelgeving (CVDR).</al><al/><al>Het verdient aanbeveling ook een mededeling in een huis-aan-huisblad op te
                    nemen. Een dergelijke mededeling zou als volgt kunnen luiden:</al><al/><al>Burgemeester en wethouders delen mee dat de raad van de gemeente
                    &lt;gemeentenaam&gt; op &lt;datum&gt; heeft vastgesteld &lt;naam
                    (wijzigings)verordening&gt;. De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; treedt in
                    werking op de &lt;achtste&gt; dag na de datum zoals vermeld op dit blad. [Het
                    besluit is opgenomen in het gemeenteblad op &lt;datum&gt;, onder nummer
                    &lt;getal&gt;.] De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; ligt kosteloos ter
                    inzage op &lt;de gemeentesecretarie of een andere door het college te bepalen
                    plaats&gt;. Een ieder kan op verzoek &lt;tegen betaling van een bedrag aan leges
                    of gratis&gt; een afschrift verkrijgen van het genoemde besluit.</al><al/><al>Als er geen gemeenteblad is en dus bekendmaking in een dag-, nieuws- of
                    huis-aan-huisblad moet plaatsvinden en de publicatie op verschillende data en/of
                    in meerdere huis-aan-huisbladen geschiedt, moet de tekst hierop aangepast te
                    worden om te vermijden dat er verschillende inwerkingtredingsdata ontstaan.
                    Geadviseerd wordt om in dat geval de hierboven vermelde tekstsuggestie te
                    hanteren voor de eerste publicatie en in latere publicaties de tweede volzin als
                    volgt te herschrijven:</al><al/><al>‘De &lt;naam van de (wijzigings)verordening&gt; treedt in werking (is in werking
                    getreden) op &lt;datum&gt;.’ De datum van inwerkingtreding kan hierbij afgeleid
                    worden uit de eerste publicatie. Voorbeeld: de bekendmaking is voor de eerste
                    keer gepubliceerd in een huis-aan-huisblad d.d. 18 januari 2011 en treedt dus in
                    werking op (bijvoorbeeld) de achtste dag daarna, 26 januari 2011. In latere
                    publicatie kan 26 januari 2011 als datum van inwerkingtreding worden
                    vermeld.</al><al/><al>Op grond van <onderstreept>artikel 142 van de Gemeentewet </onderstreept>treedt
                    het bekend gemaakte besluit in werking met ingang van de achtste dag na de dag
                    van de bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is aangegeven
                    (vroeger of later). De datum van inwerkingtreding van een belastingverordening
                    mag echter niet liggen voor de vaststelling én bekendmaking ervan.</al><al/><al>Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking,
                    houdt slechts in dat de gemeente vóór dat tijdstip geen belastingaanslagen kan
                    opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode vanaf
                    de datum van ingang van de heffing. Een voorbeeld kan dit toelichten.</al><al/><al>Op 4 november 2010 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum van
                    inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van ingang
                    van de heffing 1 januari 2011. De verordening wordt door de gemeente
                    bekendgemaakt op 18 januari 2011.</al><al/><al>De verordening treedt in werking op 26 januari 2011 (achtste dag na de dag van
                    bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeente aanslagen opleggen. Deze
                    aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip van
                    ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2011).</al><al/><al><vet>Datum ingang heffing</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 217 van de Gemeentewet</onderstreept> bepaalt dat een
                    belastingverordening een datum van ingang van de heffing moet vermelden. De
                    datum van ingang van de heffing geeft aan vanaf welke datum de in de
                    belastingverordening genoemde (belastbare) feiten in de heffing worden
                    betrokken. Ook bij het wijzigen van een verordening is het nodig om voor de
                    wijzigingsverordening te bepalen vanaf welk moment de (gewijzigde) heffing wordt
                    toegepast.</al><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al><al/><al>Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening. Wij
                    hebben in de modelbepaling in de citeertitel een jaartal genoemd. Het lijkt
                    verstandig om als jaartal op te nemen het eerste jaar waarin de gemeente de
                    &lt;naam heffing&gt; op basis van deze verordening heft.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al/><al>Alle stukken die van de raad uitgaan, worden ondertekend door de burgemeester
                    (in zijn hoedanigheid van voorzitter) en medeondertekend door de griffier
                        (<onderstreept>artikel 32a Gemeentewet</onderstreept> ). Bij verhindering of
                    ontstentenis van de burgemeester worden de stukken ondertekend door degene die
                    de burgemeester als voorzitter van de raad vervangt (het langst zittende
                    raadslid; <onderstreept>artikel 32a</onderstreept> jo. <onderstreept>77
                        Gemeentewet</onderstreept> ). Aan het slot van het besluit tot vaststelling
                    van de belastingverordening hebben wij daarom als ondertekenaars ‘de voorzitter’
                    en ‘de griffier’ genoemd.</al><al>Ten overvloede merken wij nog op dat de stukken die van het college uitgaan
                    worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de secretaris
                        (<onderstreept>artikel 59a, eerste lid, Gemeentewet</onderstreept> ).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>