<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR30967_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening wet investeren in jongeren Gemeente Capelle aan den IJssel 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJssel- en Lekstreek van 30 juni 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening wet investeren in jongeren Gemeente Capelle aan den IJssel 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verzameling 2010, nummer 53 / a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Geen.</al><al>2. Deze verordening is van rechtswege komen te vervallen in verband met de intrekking van de Wet investeren in jongeren per 01-01-2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet investeren in jongeren Gemeente Capelle aan den IJssel
            2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPPEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van arbeid in
                                        dienstbetrekking, niet zijnde werk in het kader van de Wet
                                        sociale werkvoorziening (Wsw), die algemeen maatschappelijk
                                        aanvaard is en niet indruist tegen de openbare orde of goede
                                        zeden; </al></li><li nr="b."><al>bijzondere bijstand<cursief>:</cursief> de bijstand bedoeld
                                        in artikel 5, onderdeel d, van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Capelle aan den IJssel; </al></li><li nr="d."><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid,
                                        onderdeel c van de wet;</al></li><li nr="e."><al>inkomensvoorzieningsnorm: de op grond van de artikelen 26
                                        tot en met 29 van de wet op de belanghebbende van toepassing
                                        zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van
                                        de artikelen 30 tot en met 35 van de wet door het college
                                        vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="f."><al>jongere: een hier te lande woonachtige Nederlander van 16
                                        jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar; </al></li><li nr="g."><al>netto-inkomensvoorzieningsnorm: de inkomensvoorzieningsnorm
                                        zonder de verhoging op grond van artikel 36, derde lid, van
                                        de wet;</al></li><li nr="h."><al>sociale activering: het verrichten van onbeloonde
                                        maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                        arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                        mogelijk is, op zelfstandig maatschappelijke
                                        participatie;</al></li><li nr="i."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld
                                        in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van
                                        de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger
                                        algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
                                        wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7
                                        onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet
                                        onderwijs;</al></li><li nr="j."><al>verlaging<cursief>:</cursief> het verlagen van de
                                        inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, van
                                        de wet;</al></li><li nr="k."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                        verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                        verzorgingstehuis;</al></li><li nr="l."><al>werkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling,
                                        waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale
                                        activering, alsmede ondersteuning bij arbeidsinschakeling;
                                    </al></li><li nr="m."><al>wet: de Wet investeren in jongeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor zover niet anders is bepaald, worden de begrippen in deze
                                verordening gebruikt in dezelfde</al></li></lijst><al>betekenis als in de wet, tenzij daarvan wordt afgeweken in het eerste
                        lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>HET WERKLEERAANBOD</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Algemene
                                bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college doet jongeren die hierom verzoeken een werkleeraanbod
                                als bedoeld in artikel 5 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Het college doet ten behoeve van het vaststellen van het
                                werkleeraanbod een onderzoek naar de omstandigheden, krachten en
                                bekwaamheden van de jongere.</al></li><li nr="3."><al>Het college beziet in hoeverre de wensen van de jongere bij de
                                invulling van het werkleeraanbod kunnen worden betrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatwerk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op basis van de resultaten van het onderzoek genoemd in artikel 2,
                                tweede lid, wordt met in achtneming van artikel 2, derde lid het
                                werkleeraanbod opgesteld dat moet leiden tot het behalen van een
                                startkwalificatie of het vinden van reguliere arbeid.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan het werkleeraanbod invullen met een combinatie van
                                algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij arbeidsinschakeling
                                dan wel één of meerdere voorzieningen.</al></li><li nr="3."><al>Voor jongeren waarvoor het volgen van een opleiding of reguliere
                                arbeid (nog) niet mogelijk is, zal het doel van het werkleeraanbod
                                in eerste instantie sociale activering zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking
                                tot de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen als bedoeld in
                                paragraaf 2.2, met inachtneming van hetgeen daarover in de wet en
                                dit hoofdstuk is bepaald, nadere regels stellen met betrekking
                                tot:</al><lijst><li nr="a."><al>De voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgronden bij het aanvragen van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>De aanvraag van en de besluitvorming over
                                        loonkostensubsidies;</al></li><li nr="d."><al>De betaling van loonkostensubsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="e."><al>De intrekking of wijziging van de beschikking inzake de
                                        subsidieverlening of –vaststelling;</al></li><li nr="f."><al>Overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van dit hoofdstuk een
                                beleidsplan vast en brengt dit ter kennis van de gemeenteraad.</al></li><li nr="2."><al>Dit beleidsplan omvat in elk geval een omschrijving van het beleid
                                ten aanzien van het werkleeraanbod aan jongeren en de wijze waarop
                                aandacht wordt besteed aan de verschillende doelgroepen
                                daarbinnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking voor
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het
                        college noodzakelijk geachte en beschikbare voorzieningen gericht op
                        arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te
                                voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet
                                structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dit hoofdstuk,
                                alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden
                                voorziening heeft verbonden.</al></li><li nr="2."><al>Indien een jongere die gebruik maakt van ondersteuning of een
                                voorziening verwijtbaar niet voldoet aan het gestelde in het eerste
                                lid, kan het college de kosten van de ondersteuning of de
                                voorziening bij de jongere geheel of gedeeltelijk in rekening
                                brengen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Herziening en intrekking
                            werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien een
                        wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de
                        jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem
                        rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit te
                        verwijten valt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beëindigen van een voorziening</titel></kop><al>Het college kan een voorziening in ieder geval beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de jongere die gebruik maakt van een voorziening zijn
                                verplichting als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet niet nakomt en
                                hem dit te verwijten valt;</al></li><li nr="b."><al>Indien de jongere die gebruik maakt van een voorziening niet meer
                                behoort tot de doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>Indien de jongere algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij
                                geen gebruik gemaakt</al><al> wordt van een voorziening;</al></li><li nr="d."><al>Indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Soorten
                                voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Voorzieningen gericht op zorg en
                            hulpverlening</titel></kop><al>Het college kan aan jongeren voorzieningen aanbieden die zijn gericht op het
                        bieden van ondersteuning bij het verkrijgen van intensieve hulpverlening om
                        problemen die een belemmering vormen voor arbeidsinschakeling op te
                        heffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Het college kan aan jongeren voorzieningen aanbieden die zijn gericht op
                        maatschappelijk functioneren of participeren ter voorbereiding op
                        arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
                        zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Persoonsgebonden re-integratiebudget</titel></kop><al>Het college kan aan jongeren een persoonsgebonden re-integratiebudget
                        toekennen te besteden aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan jongeren een vorm van scholing aanbieden gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het college biedt aan jongeren die niet beschikken over een
                                startkwalificatie bij voorkeur een vorm van scholing die moet leiden
                                tot het behalen van een startkwalificatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Leerwerkplek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een jongere een leerwerkplek aanbieden, gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de leerwerkplek is het opdoen van werkervaring dan wel
                                het leren functioneren in een arbeidsrelatie, voor zover van
                                toepassing met behoud van de inkomensvoorziening.</al></li><li nr="3."><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen werkgever en de jongere
                                worden tenminste vastgelegd het doel en de duur van de leerwerkplek,
                                alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een organisatie aanwijzen die jongeren een
                                dienstverband aanbiedt, gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een inlenende organisatie. </al></li><li nr="3."><al>De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                tussen de partijen.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels over het dienstverband, de
                                inleenvergoeding, inlenende organisatie en de van toepassing zijnde
                                rechtspositie van de werknemer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een jongere een
                        arbeidsovereenkomst sluiten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Voorziening gericht op nazorg</titel></kop><al>Het college kan aan de werkgever bij wie een jongere algemeen geaccepteerde
                        arbeid heeft aanvaard, gedurende maximaal de periode van zes maanden een
                        voorziening bieden gericht op het in stand houden van de
                        dienstbetrekking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan in de vorm van een experiment of een project andere vormen
                        van voorzieningen </al><al>gericht op arbeidsinschakeling aanbieden aan jongeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering
                                van een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding
                                voor die kosten verstrekken.</al></li><li nr="2."><al>Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoedingen bestaat
                                indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening
                                die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de jongere toereikend
                                en passend te zijn.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>AFSTEMMING</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene
                                bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verlaging van de
                        inkomensvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig dit hoofdstuk, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.</al></li><li nr="2."><al>Bij het opleggen van een verlaging als bedoeld in het eerste lid,
                                wordt deze verordening in acht genomen, met dien verstande dat een
                                verlaging voor wat betreft de hoogte en de duur te allen tijde wordt
                                afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                                waarin hij verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt toegepast op de inkomensvoorzieningsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Het besluit tot het opleggen van een
                            verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                        vermeld de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage
                        waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                        inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af
                        te wijken van een standaardverlaging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Horen van de belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college, of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 11, vierde lid, van de wet werkzaamheden in het
                                        kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                        44 van de wet;</al></li><li nr="d."><al>het horen van de belanghebbende redelijkerwijs niet
                                        noodzakelijk is voor het vaststellen van de ernst van de
                                        gedraging, van de mate van verwijtbaarheid en van de
                                        persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt met het
                                niet binnen de gestelde termijn verstrekken van inlichtingen
                                gelijkgesteld, het geen gevolg geven aan een oproep voor een
                                onderzoek dat in het kader van de wet noodzakelijk geacht kan
                                worden, waaronder begrepen de medewerking aan een huisbezoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Afzien van het opleggen van een
                            verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college legt geen verlaging op, indien elke vorm van
                                verwijtbaarheid ontbreekt. </al></li><li nr="2."><al>Het college legt geen verlaging op, indien de gedraging meer dan
                                drie jaar vóór constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden.
                            </al></li><li nr="3."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging, indien
                                het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></li><li nr="4."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Ingangsdatum en tijdsvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In geval van een lopende inkomensvoorziening wordt de verlaging
                                opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende inkomensvoorzieningsnorm. </al></li><li nr="2."><al>Indien het recht op inkomensvoorziening werd opgeschort in verband
                                met nader onderzoek wegens schending van de inlichtingenplicht zoals
                                bedoeld in paragraaf 3.3 van deze verordening, kan, bij voortzetting
                                van de inkomensvoorziening, in afwijking van het eerste lid, de
                                verlaging vanaf de datum van opschorting worden opgelegd. </al></li><li nr="3."><al>Indien, als gevolg van het beëindigen van het recht op de
                                inkomensvoorziening, er geen besluit tot verlaging meer kan worden
                                genomen, kan, als aan de belanghebbende binnen drie jaar na de
                                beëindiging opnieuw een inkomensvoorziening wordt toegekend, dit
                                besluit alsnog genomen worden.</al></li><li nr="4."><al>Als het recht op inkomensvoorziening eindigt, wordt, voor zover het
                                tijdvak waarover de verlaging is opgelegd nog niet is verstreken,
                                het resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd als de
                                belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw aanspraak
                                op inkomensvoorziening maakt. </al></li><li nr="5."><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. </al></li><li nr="6."><al>Een verlaging die voor een periode van meer dan
                                driemaanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie
                                maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Eéndaadse en meerdaadse
                        samenloop</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende door één gedraging zich schuldig maakt aan
                                schending van meerdere verplichtingen die elk op zich tot een
                                verlaging op grond van deze verordening dienen te leiden, wordt voor
                                het bepalen van de hoogte en de duur van de op te leggen verlaging
                                uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is
                                gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die elk op zich tot het opleggen van een
                                verlaging dienen te leiden, wordt de hoogte en de duur van de op te
                                leggen verlaging bepaald met inachtneming van artikel 21, tweede lid
                                en artikel 26, zesde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Het niet
                                nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                        artikel 45 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden
                        in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen
                                        van een plan met betrekking tot</al><al> zijn arbeidsinschakeling;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een
                                        onderzoek (door een derde) naar zijn mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke, door een
                                        arts geadviseerde, behandeling van medische aard;</al></li><li nr="c."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door hem te
                                        verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden
                                        of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                        bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                        werkzaamheden, gericht op zijn</al><al> arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het nalaten opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                        beste vermogen te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet behouden van, bij wijze van werkleeraanbod
                                        aangeboden, algemeen geaccepteerde</al><al> arbeid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>De hoogte en de duur van de
                        verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 21, tweede lid, bedraagt de
                                verlaging:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één
                                        maand bij een gedraging van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>vijfentwintig procent van de inkomensvoorzieningsnorm
                                        gedurende één maand bij gedragingen van de tweede
                                        categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende
                                        één maand bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende
                                        één maand bij gedragingen van de vierde categorie;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen zes maanden na
                                bekendmaking van het besluit waarbij de verlaging is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als genoemd in
                                artikel 28. </al></li><li nr="3."><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 25, derde lid.</al></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende zich binnen drie maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan het tweede lid,
                                wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als genoemd in
                                artikel 28, wordt een verlaging opgelegd waarbij de hoogte en de
                                duur nader wordt bepaald met inachtneming van artikel 21, tweede lid
                                en artikel 26, zesde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.3</nr><titel>Niet nakomen
                                van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                        artikel 44 van de wet niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden
                        onderscheiden in de volgende drie categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn
                                        verstrekken van informatie die van belang is voor het
                                        (voortgezet) recht op het werkleeraanbod of de
                                        inkomensvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot het ten
                                        onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de
                                        inkomensvoorziening;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om, in
                                        verband met het werkleeraanbod, op een aangegeven plaats en
                                        tijd te verschijnen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht dat heeft geleid tot het ten onrechte
                                        of</al></li></lijst></li></lijst><al>tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>De hoogte en de duur van de
                        verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 21, tweede lid, bedragen de
                                verlagingen genoemd in artikel 30, eerste en tweede lid als
                                volgt:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één
                                        maand bij een gedraging van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één
                                        maand bij een gedraging van de tweede categorie;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 21, tweede lid, wordt de
                                verlaging genoemd in artikel 30, derde lid afgestemd op de hoogte
                                van het benadelingsbedrag gerelateerd aan de
                                netto-inkomensvoorziening en op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de
                                        inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20%
                                        van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40%
                                        van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 6.000,-: 100%
                                        van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="e."><al>bij een benadelingsbedrag van € 6.000,- tot € 8.000,-: 100%
                                        van de inkomensvoorzieningsnorm gedurende twee maanden;</al></li><li nr="f."><al>bij een benadelingsbedrag vanaf € 8.000,-: 100% van de
                                        inkomensvoorzieningsnorm gedurende twee maanden plus één
                                        maand voor elke € 2.000,- waarmee het benadelingsbedrag
                                        boven € 8.000,- uitstijgt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste en tweede lid
                                wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van het besluit waarbij de verlaging wordt
                                opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te
                                merken gedraging.</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 25, derde lid.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan het derde lid,
                                wederom schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken
                                gedraging, wordt een verlaging opgelegd, waarbij de hoogte en de
                                duur nader wordt bepaald met inachtneming van artikel 21, tweede lid
                                en artikel 26, zesde lid.</al></li><li nr="6."><al>Van het opleggen van de verlaging als bedoeld in het eerste lid
                                onderdeel a kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van
                                een schriftelijke waarschuwing, tenzij voor de betreffende
                                verwijtbare gedraging binnen een periode van twee jaar eerder een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overige bepalingen schending
                            inlichtingenplicht</titel></kop><al>De verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd
                        zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie en blijft
                        definitief achterwege indien ter zake een strafvervolging is ingesteld en
                        het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht
                        tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van
                        Strafrecht.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.4</nr><titel>Zeer ernstige
                                misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Het zich jegens het college zeer ernstig
                            misdragen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                        of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                        de uitvoering van de wet, wordt op grond van artikel 41, eerste lid van de
                        wet en onverminderd het bepaalde in artikel 21, tweede lid, een verlaging
                        opgelegd van vijftig procent van de inkomensvoorziening gedurende één
                        maand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.5</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Op gedragingen die vóór inwerkingtreding van deze verordening hebben
                        plaatsgevonden, is de</al><al>Verordening tijdelijke regels Wet investeren in jongeren van toepassing,
                        voor zover deze zou leiden tot een minder zware verlaging.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>TOESLAGEN EN VERLAGINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Algemene
                                bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 21
                        jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                        bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar of
                        ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de belanghebbende aan wie een inkomensvoorziening kan worden
                                verleend, geldt een categorieaanduiding.</al></li><li nr="2."><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder; </al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Criteria voor
                                het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Verhoging norm alleenstaande en alleenstaande ouder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De norm wordt verhoogd met een toeslag voor zover de alleenstaande
                                of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van
                                het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het
                                niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm voor in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt als volgt als de
                                belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                                heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of
                                gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de gehuwdennorm als de kosten met een ander kunnen
                                        worden gedeeld;</al></li><li nr="b."><al>0% van de gehuwdennorm als de kosten met twee anderen kunnen
                                        worden gedeeld.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                aangemerkt als een ander waarmee de algemeen noodzakelijke kosten
                                van het bestaan kunnen worden gedeeld: </al><lijst><li nr="a."><al>verzorgingsbehoevenden die door de belanghebbende worden
                                        verzorgd;</al></li><li nr="b."><al>verzorgers van de verzorgingsbehoevende belanghebbende.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Criteria voor het
                                verlagen van de norm of de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Verlaging norm gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De norm wordt verlaagd voor zover de gehuwden lagere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm
                                voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van
                                deze kosten met een ander.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de gehuwdennorm als de kosten met een ander kunnen
                                        worden gedeeld;</al></li><li nr="b."><al>20% van de gehuwdennorm als de kosten met twee anderen
                                        kunnen worden gedeeld.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het vierde lid van artikel 37 is van overeenkomstige toepassing op
                                dit artikel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De norm of de toeslag wordt met 20% van de gehuwdennorm verlaagd bij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bewonen van een woning waaraan voor de belanghebbende geen
                                kosten van huur of hypotheeklasten zijn verbonden;</al></li><li nr="b."><al>het niet bewonen van een woning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De norm of de toeslag van de belanghebbende wordt verlaagd gedurende
                                zes maanden na beëindiging van de deelname aan onderwijs of een
                                beroepsopleiding, indien voor het onderwijs of de beroepsopleiding
                                aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
                                onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de
                                Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt als volgt:</al></li><li nr="a."><al>20% van de gehuwdennorm voor een thuisinwonende;</al></li><li nr="b."><al>10% van de gehuwdennorm voor een uitwonende.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 jaar</titel></kop><al>De toeslag wordt met 10% van de gehuwdennorm verlaagd, indien de
                        belanghebbende een alleenstaande van 21 jaar is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verlaging genoemd in artikel 41 vindt niet gelijktijdig plaats met de
                        verlaging als bedoeld in artikel 40.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Wet investeren in
                        jongeren Gemeente Capelle aan den IJssel 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>44</label><nr/><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking de dag na de bekendmaking zoals bedoeld
                        in artikel 139 van de Gemeentewet.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 28 juni 2010</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>TOELICHTING VERORDENING WET INVESTEREN IN JONGEREN </vet><vet>
                            GEMEENTE CAPELLE AAN DEN IJSSEL 2010</vet></al><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (verder: wet of WIJ) in
                        werking getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame
                        arbeidsparticipatie van jongeren tot 27 jaar. </al><al>Op grond van artikel 12 van de WIJ moet de gemeenteraad bij verordening
                        regels stellen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>De inhoud van een werkleeraanbod; b. Het verhogen en verlagen van de
                                norm, bedoeld in artikel 35 van de wet; c. Het verlagen van het
                                bedrag van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 41, eerste
                                lid, van de</al><al> wet; d. De wijze waarop jongeren, of hun vertegenwoordigers worden
                                betrokken bij de uitvoering van </al><al> deze wet;</al></li><li nr="e."><al>Het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De
                                Verordening Wet investeringen in jongeren Gemeente Capelle aan den
                                IJssel 2010 (verder: de Verordening) is het resultaat van die
                                opdracht. Gelet op de nauwe verwantschap met de Wet werk en bijstand
                                (verder: WWB) sluit deze verordening zoveel mogelijk aan op de
                                verordeningen die in het kader van de WWB zijn vastgesteld. Daarbij
                                gaat het onder meer om de re-integratie-instrumenten, het verhogen
                                of verlagen van de uitkeringsnormen, de toeslagen en het
                                sanctiebeleid bij het niet nakomen van verplichtingen.</al></li></lijst><al>Onderdeel d (de cliëntenparticipatie van jongeren) is niet in deze
                        verordening geregeld, maar in de Verordening Cliëntenparticipatie Sociale
                        Zaken. Gelet op de ervaringen die in de WWB met cliëntenparticipatie zijn
                        opgedaan en de nauwe verwantschap tussen WWB en WIJ is er geen noodzaak om
                        een afzonderlijke cliëntenraad voor jongeren in het leven te roepen. Daarom
                        is de bestaande Verordening Cliëntenparticipatie WWB en Wsw ingetrokken en
                        vervangen door de Verordening Cliëntenparticipatie Sociale Zaken. In de
                        nieuwe verordening is expliciet opgenomen dat jongeren in de Cliëntenraad
                        zijn vertegenwoordigd.</al><al>Ook voor onderdeel e (het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                        de wet) is er voor gekozen dit onderdeel niet in de Verordening op te nemen
                        maar te regelen in de Handhavingsverordening Wet werk en bijstand.</al><al><cursief>De WIJ in relatie tot de WWB</cursief></al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan
                        in de WWB en vormt een</al><al>bepalend element in de WIJ. Met de WIJ wordt een paradigmawisseling beoogd:
                        is het uitgangspunt in</al><al>de WWB ‘een uitkering, mits”, in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als
                        uitgangspunt ‘geen uitkering,</al><al>tenzij’. Alleen als de jongere het werkleeraanbod heeft aanvaard én daaraan
                        meewerkt én voor zover</al><al>dit een inkomen genereert dat lager is dan de van toepassing zijnde
                        inkomensvoorzieningsnorm en de jongere niet over een ander inkomen of
                        vermogen beschikt, bestaat recht op de inkomensvoorziening. Een
                        inkomensvoorziening wordt dus niet verstrekt als de jongere het
                        werkleeraanbod weigert, de jongere overduidelijk de verplichtingen uit
                        hoofdstuk 5 van de wet niet wil nakomen dan wel het werkleeraanbod op grond
                        van artikel 21 van de wet is ingetrokken.</al><al><cursief>Procedurele opzet verordening</cursief></al><al>De verordening bestaat uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat een
                        omschrijving van de gebruikte begrippen. Hoofdstuk 2 bevat de verschillende
                        voorzieningen die het college ter beschikking staan bij een werkleeraanbod.
                        Het sanctiebeleid is opgenomen in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 regelt het
                        verhogen en verlagen van de norm van de inkomensvoorziening. Hoofdstuk 5
                        bevat de slotbepalingen. In het onderstaande wordt een aantal hoofdstukken
                        op hoofdlijnen toegelicht. In aanvulling daarop volgt de artikelsgewijze
                        toelichting. </al><al><vet>Hoofdstuk 2</vet><vet> Werkleeraanbod
                            </vet><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van
                        alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Het recht op
                        een werkleeraanbod komt toe aan iedere jongere die er niet op eigen
                        gelegenheid in slaagt om te werken of te leren. Daartoe moet het college
                        jongeren van 16 tot 27 jaar in beginsel een werkleeraanbod doen, om te komen
                        tot duurzame arbeidsparticipatie. Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt
                        verstaan de arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd en
                        op eigen kracht aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten
                        die past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden
                        bevordert (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 11). Tot dat punt is
                        bereikt is de gemeente verplicht de jongere (bij herhaling) een
                        werkleeraanbod te doen gericht op arbeidsinschakeling. De jongere dient op
                        het punt gebracht te worden dat hij geen ondersteuning van het college meer
                        nodig heeft.</al><al>Het gaat niet om een eenmalig aanbod, zo nodig is het een recht op een reeks
                        van voorzieningen. </al><al><cursief>Maatwerk</cursief></al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Uitgangspunt is dat
                        maatwerk wordt geleverd:</al><al>het werkleeraanbod dient te worden afgestemd op de omstandigheden, krachten
                        en capaciteiten van</al><al>de jongere. Wel dient hierbij zoveel mogelijk rekening te worden gehouden
                        met de wensen van</al><al>de jongere. Dat geldt ook voor de vraag of het accent komt te ligt op werken
                        of leren. Het college is</al><al>verplicht die wensen vast te leggen in de rapportage die ten grondslag ligt
                        aan een werkleeraanbod en</al><al>dient daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen bij het
                        werkleeraanbod betrokken zijn.</al><al>Gelet op de duurzame arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste
                        prioriteit hebben als de</al><al>jongere daartoe in staat is. Zijn er echter belemmeringen op de weg daar
                        naartoe, dan kunnen allerlei</al><al>voorzieningen worden ingezet om dat einddoel te bereiken. Van belang daarbij
                        is dat de</al><al>startkwalificatie binnen het werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat deze in
                        belangrijke mate kan</al><al>bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie.</al><al>Wanneer het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren
                        niet direct mogelijk is,</al><al>dient een aanbod gedaan te worden dat op termijn perspectief biedt op
                        arbeidsinschakeling. Dit kan</al><al>betekenen dat voorzieningen worden ingezet in de vorm van zorg- en/of
                        hulpverlening, waarbij ook</al><al>aandacht kan worden besteed aan belemmerende factoren, zoals psychische,
                        sociale en cognitieve</al><al>problemen. Het werkleeraanbod omvat immers het geheel van
                        re-integratievoorzieningen, dat gericht</al><al>is op duurzame arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van het
                        college geheel niet in staat</al><al>vanwege lichamelijke, sociale of psychische omstandigheden om uitvoering te
                        geven aan een</al><al>werkleeraanbod, dan kan het college besluiten daar vooralsnog van af te
                        zien. In dat geval kan wel</al><al>aanspraak op een inkomensvoorziening bestaan.</al><al><cursief>De inkomensvoorziening</cursief></al><al>Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren
                        vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze
                        inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in
                        de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden
                        zijnerzijds geen optie is, dit aanbod onvoldoende inkomsten genereert of er
                        nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. </al><al><cursief>Relatie Re-integratieverordening Wet werk en bijstand en het
                            werkleeraanbod</cursief></al><al>In de Re-integratieverordening wordt het re-integratiebeleid geregeld voor
                        de WWB, de Ioaw en de Ioaz. Het gaat daarbij om dezelfde onderwerpen als met
                        betrekking tot het werkleeraanbod. Echter niet alle voorzieningen die in de
                        Re-integratieverordening WWB worden aangeboden zijn ook voor jongeren
                        beschikbaar. Dit is bijvoorbeeld niet het geval t.a.v. participatieplaatsen
                        zoals bedoeld in de Wet Stap en t.a.v. vrijlating van inkomsten uit arbeid
                        en premies. Die passen namelijk niet bij het uitgangspunt van de wet dat
                        jongeren die in staat zijn om te werken en/of te leren, dat ook moeten doen.
                        Dit impliceert dat er geen aanleiding is om werken en/of leren in het kader
                        van de wet met een extra financiële incentive te belonen. </al><al>In de Re-integratieverordening WWB moet uitdrukking gegeven worden aan een
                        evenwichtige benadering van de doelgroepen van de WWB (artikel 8, tweede lid
                        onderdeel a WWB),</al><al>terwijl in de WIJ geldt, dat <cursief>alle</cursief> jongeren een recht
                        krijgen op een werkleeraanbod en de gemeente een</al><al>plicht heeft hen zo’n aanbod te doen. Het re-integratie-instrumentarium zal
                        dus met voorrang aan</al><al>jongeren ter beschikking moeten worden gesteld. Daarnaast kan blijken dat er
                        specifiek beleid</al><al>voor bepaalde groepen jongeren wenselijk is. </al><al><vet>Hoofdstuk 3</vet><vet> Afstemming</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten.
                        De gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een
                        inkomensvoorziening aan te bieden. De jongere is daartegenover verplicht
                        zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen
                        geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41,
                        eerste lid, WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels die in een
                        gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid,
                        onderdeel b, WIJ). Dat wordt in dit hoofdstuk van deze verordening
                        geregeld.</al><al>Bij het opstellen van het hoofdstuk over het toepassen van een verlaging is
                        zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Afstemmingsverordening WWB, die
                        per 1 maart 2009 in werking is getreden. Dit geldt ook voor de
                        categorisering en de zwaarte van de verlagingen.</al><al><cursief>Reikwijdte</cursief></al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                        WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                        gemeentelijke afstemmingsverordening beperkter van aard dan die in de WWB.
                        Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                        verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter
                        van aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                        gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en
                        identificatieplicht (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde
                        verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en
                        tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening
                        niet verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het
                        bestaan, anders dan in de vorm van schending van één van de in artikel 41
                        WIJ genoemde verplichtingen. Dat heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening
                        niet verlaagd kan worden in geval van het onverantwoord interen van vermogen
                        en bij verwijtbare werkloosheid, als deze gedragingen leiden tot het
                        indienen van een aanvraag voor een werkleeraanbod.</al><al>Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft in deze
                        geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de bovengenoemde
                        gedragingen.</al><al>De afstemming op grond van de WIJ heeft al met al dus een beperkter
                        strekking en reikwijdte dan de Afstemmingsverordening WWB en wijkt daarom af
                        waar het de omschreven gedragingen betreft waarbij een verlaging wordt
                        toegepast. Desalniettemin zijn er wel overeenkomsten tussen de verwijtbare
                        gedragingen in de WWB en de WIJ.</al><al><cursief>Berekeningsgrondslag </cursief></al><al>De verlaging wordt toegepast op de toepasselijke inkomensvoorzieningsnorm
                        (artikel 5, eerste lid, van de wet). Dit is de norm vermeerderd of
                        verminderd met de op grond van de artikelen 30 tot en met 35 van de wet door
                        het college vastgestelde verhoging of verlaging. </al><al><cursief>Zwaarte en duur van de verlagingen</cursief></al><al>Verlagingen moeten in een redelijke en evenwichtige verhouding staan tot de
                        ernst van de bij omschreven verwijtbare gedragingen. Er moet geen sprake
                        zijn van een disproportionele verlaging. </al><al>Daarom is er - net als bij de Afstemmingsverordening WWB - voor gekozen om
                        categorieën verwijtbare gedragingen te onderscheiden met een daaraan
                        gekoppelde standaardverlaging. </al><al>Bij de categorie-indeling is bepalend de ernst van de betreffende
                        verwijtbare gedragingen in relatie tot de gevolgen daarvan voor het
                        werkleeraanbod van de belanghebbende. </al><al>Bij recidive geldt als regel dat de duur van de verlaging wordt verdubbeld.
                        Bij schending van de verplichtingen op grond van artikel 45 van de wet geldt
                        dat recidive al na zes maanden aan de orde is. Dit in tegenstelling tot de
                        WWB, waarbij pas na twaalf maanden sprake is van recidive. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is in de WIJ fundamenteel
                        anders dan in de WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als
                        afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Indien de belanghebbende daarna
                        na drie maanden wederom een dergelijke verwijtbare gedraging begaat, wordt
                        de hoogte van de verlaging individueel bepaald.</al><al><cursief>Verlagen is maatwerk</cursief></al><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                        inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                        maatwerk, waarmee het college is belast. Evenals dat binnen de kaders van de
                        WWB het geval is, dient de verlaging afgestemd te worden op de ernst van de
                        gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere.
                        Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder
                        meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid,
                        WIJ).</al><al><cursief>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening?</cursief></al><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                        verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en
                        eventuele inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te
                        werken aan de totstandkoming daarvan, bijvoorbeeld door mee te werken aan
                        een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste
                        vermogen mee te werken aan het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is.
                        Daarnaast geldt een inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht.
                        Deze verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45 van de
                        WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting
                        verwijtbaar niet na, dan staat de gemeente diverse instrumenten ter
                        beschikking. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende fasen
                        waarop de verplichtingen betrekking hebben. </al><al>De gemeente dient te kiezen in welke situatie welke weg bewandeld wordt,
                        hetzij de intrekking van werkleeraanbod en inkomensvoorziening, hetzij het
                        handhaven van het werkleeraanbod en verlaging van die voorziening. </al><al>Het past echter in het systeem van de WIJ om bij minder ernstige gedragingen
                        tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en bij ernstiger
                        gedrag, bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere
                        verplichtingen of van herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het
                        is immers in de geest van de regeling om, met het oog op duurzame
                        arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel in te trekken. Dit is
                        in de wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging van de
                        inkomensvoorziening bij schending van de verplichtingen
                            <cursief>imperatief</cursief> is voorgeschreven, waar intrekking van het
                        werkleeraanbod (artikel 21 WIJ) een <cursief>bevoegdheid</cursief> is, juist
                        vanwege de verstrekkende gevolgen daarvan. Bedacht moet daarbij immers
                        worden dat intrekking van het werkleeraanbod tevens intrekking van de
                        inkomensvoorziening tot gevolg heeft (indien toegekend) en dus het effect
                        van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het is daarom raadzaam om niet
                        lichtvaardig tot intrekking van het werkleeraanbod over te gaan. Een beleid
                        waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking van het
                        werkleeraanbod wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen van
                        de wetgever worden geacht. </al><al>Daarom is er voor gekozen het werkleeraanbod niet altijd direct in te
                        trekken. Het moment van niet meewerken aan het werkleeraanbod is bepalend of
                        wordt overgegaan tot intrekking van het werkleeraanbod dan wel tot verlaging
                        van de inkomensvoorziening. Hieronder komen de verschillende fasen aan
                        bod.</al><al><cursief>Aanvraagfase</cursief></al><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                        aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het geheel
                        niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling
                        en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het college de jongere
                        geen werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Bijgevolg heeft de
                        jongere, zolang hij niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht
                        op inkomensvoorziening. Uit artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit
                        immers voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere
                        ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van
                        de wet niet wil nakomen, geen recht op inkomensvoorziening bestaat. </al><al>Wanneer de belanghebbende het aangeboden werkleeraanbod weigert, bestaat op
                        grond van artikel 42, eerste lid, onderdeel a, WIJ, geen recht op de
                        inkomensvoorziening. </al><al>Bedacht moet altijd worden dat de wetgever terughoudendheid bepleit bij het
                        weigeren of intrekken van een werkleeraanbod. Dit betekent dat als de
                        jongere zich een eerste keer niet aan verplichtingen houdt, dit niet direct
                        zondermeer tot weigeren of intrekken van het werkleeraanbod moet leiden.
                        Komt het werkleeraanbod dan alsnog tot stand, zou de eerste verwijtbare
                        gedraging vergeven kunnen worden dan wel een verlaging aan de orde zijn. </al><al>Is sprake van een minder ernstige schending van de verplichtingen met
                        betrekking tot de totstandkoming van het werkleeraanbod, dan kan na
                        toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening verlaagd
                        worden conform deze verordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Zo is het
                        denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat de medewerking
                        onvoldoende is. In dat geval zou een verlaging aan de orde kunnen komen. De
                        hoogte van de verlaging is afhankelijk van het type verwijtbare
                        gedraging.</al><al><cursief>Van toekenning tot tenuitvoerlegging</cursief></al><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                        weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan
                            <cursief>kan</cursief>het werkleeraanbod worden ingetrokken
                        (artikel 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering bestaat geen recht op een
                        inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel a WIJ). Uiteraard
                        moet ook in deze fase bedacht worden dat de wetgever terughoudendheid
                        bepleit bij het intrekken van een werkleeraanbod.</al><al>Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht op een inkomensvoorziening evenmin
                        als uit houding en gedrag van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid
                        dat hij de verplichtingen die verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het
                        geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). </al><al>Het werkleeraanbod kan daarnaast ook worden herzien of ingetrokken als de
                        jongere één of meerdere verplichtingen schendt die specifiek betrekking
                        hebben op de voorbereiding op en uitvoering van het werkleeraanbod (artikel
                        21, onderdeel b, WIJ). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het nalaten een
                        behandeling van medische aard te ondergaan, of het stellen van onredelijke
                        eisen met betrekking tot de te verrichten werkzaamheden. Met de intrekking
                        van het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op inkomensvoorziening
                        (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). </al><al>Bij een herziening blijft de inkomensvoorziening in stand.</al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in
                        stand blijft <cursief>maar </cursief>de inkomensvoorziening verlaagd wordt,
                        conform deze verordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><al>Wanneer de jongere het werkleeraanbod aanvaardt, maar de uitvoering van het
                        werkleeraanbod voortijdig wordt beëindigd en is dat de klant te verwijten,
                        dan wordt een verlaging opgelegd.</al><al>Pas als voor de tweede keer de uitvoering van het werkleeraanbod door
                        verwijtbaar gedrag van de belanghebbende niet tot uitvoering komt, wordt
                        geen verlaging opgelegd, maar wordt het werkleeraanbod en het daaraan
                        gekoppelde recht op een inkomensvoorziening ingetrokken.</al><al>Is echter bij een voortijdige beëindiging van het werkleeraanbod sprake van
                        kwade opzet (diefstal, geweld, etc.), dan volgt er geen verlaging, maar
                        wordt het werkleeraanbod, evenals het daaraan gekoppelde recht op een
                        inkomensvoorziening, in z’n geheel ingetrokken.</al><al>Doet belanghebbende later opnieuw een aanvraag voor een werkleeraanbod en
                        hij gaat in deze fase wederom over tot verwijtbaar gedrag, dan is als eerste
                        weer een verlaging aan de orde. Bij de hoogte van de verlaging dient
                        eventueel toepassing gegeven te worden aan de recidivebepalingen.</al><al><cursief>Vanaf de tenuitvoerlegging</cursief></al><al>Ook in deze fase geldt dat terughoudendheid moet worden betracht bij het
                        intrekken van een werkleeraanbod.</al><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                        werkleeraanbod, dan kan de eventuele inkomensvoorziening worden verlaagd,
                        conform deze verordening (artikel 41, eerste lid WIJ). </al><al>Uiteraard kan ook in deze fase herziening of intrekking van werkleeraanbod
                        aan de orde zijn. Bij een intrekking vervalt dan ook het recht op de
                        inkomensvoorziening. Bij een herziening blijft de inkomensvoorziening in
                        stand.</al><al>Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de inkomensvoorziening
                        en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt onverkort ook voor deze
                        fase. </al><al><cursief>Verplichting tot heroverweging</cursief></al><al>Het derde lid van artikel 41 WIJ houdt in dat, indien een verlaging wordt
                        opgelegd met een duur van meer dan 3 maanden, het college verplicht is om
                        het verlagingsbesluit uiterlijk binnen 3 maanden nadat dit is genomen, te
                        heroverwegen. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd
                        blijft op de omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang
                        over een te laag inkomen blijft beschikken. </al><al><cursief>Relatie met het werkleeraanbod</cursief></al><al>Het hoofdstuk over het werkleeraanbod in deze verordening en het hoofdstuk
                        over de afstemming van de inkomensvoorziening vormen twee kanten van
                        dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college de plicht op om jongeren
                        een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt ook in deze verordening
                        gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere verplicht
                        is om mee te werken aan de totstandkoming van een werkleeraanbod en
                        vervolgens de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te
                        leven. Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt deze
                        verordening het kader voor verlaging van de inkomensvoorziening. Beide
                        hoofdstukken sluiten dus op elkaar aan.</al><al><cursief>Relatie met handhavingsbeleid</cursief></al><al>De afdeling Sociale Zaken voert sinds eind 2003 het concept Hoogwaardig
                        Handhaven uit. Dit omvat een samenstel van activiteiten gericht op het
                        voorkomen en bestrijden van fraude en het verhogen van de bereidheid van
                        klanten om verplichtingen na te komen die aan het ontvangen van een
                        uitkering zijn verbonden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van vier
                        uitgangspunten: vroegtijdig informeren, optimaliseren van de
                        dienstverlening, controleren op maat en daadwerkelijk sanctioneren. </al><al>Dit concept wordt - op identieke wijze als bij de WWB - ook op de WIJ
                        toegepast.</al><al><cursief>Relatie met strafrechtelijke sanctie</cursief></al><al>Gemeenten moeten proces-verbaal opmaken en aangifte doen bij het Openbaar
                        Ministerie, indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is
                        dan € 10.000,- bruto. Bij witte fraude geldt een aangiftegrens van €
                        35.000,- bruto. Als de klant die fraude heeft gepleegd geen recht meer op
                        een inkomensvoorziening heeft, waardoor geen verlaging kan worden toegepast
                        en de fraude lager is dan genoemde bedragen, bestaat in sommige gevallen
                        toch de mogelijkheid om aangifte te doen bij het OM. Hierover zijn met het
                        OM afspraken gemaakt.</al><al><cursief>Overgangsregeling</cursief></al><al>Jongeren vallen tot op heden via de Verordening tijdelijke regels Wet
                        investeren in jongeren onder het regime van de Afstemmingsverordening WWB.
                        Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich mee dat bij een wijziging van
                        het sanctieregime de voor de belanghebbende meest gunstige regeling dient te
                        worden toegepast. Daarom is in de verordening in een overgangsbepaling
                        voorzien. Deze houdt in dat op gedragingen die vóór inwerkingtreding van
                        deze verordening hebben plaatsgevonden, de Afstemmingsverordening WWB van
                        toepassing is, voor zover deze zou leiden tot een minder zware
                        verlaging.</al><al>In deze verordening zijn bijna alle standaardverlagingen gelijk aan de
                        Afstemmingsverordening WWB, behalve als sprake is van recidive bij
                        schendingen van de verplichtingen van artikel 45 van de wet. In de praktijk
                        betekent dit dat nauwelijks toepassing behoeft te worden gegeven aan de
                        overgangsbepaling.</al><al><vet>Hoofdstuk 4</vet><vet> Toeslagen en verlagingen </vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel
                        (de norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op
                        grond van gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). </al><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB afgesloten voor jongeren tot 27
                        jaar en kunnen deze jongeren dus geen beroep meer doen op algemene bijstand.
                        Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en is de Verordening
                        toeslagen en verlagingen WWB navenant gewijzigd. </al><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                        inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                        aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                        verordening aansluiting gezocht bij de Verordening toeslagen en verlagingen
                        Wet werk en bijstand.</al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat
                        voor categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                        verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven.</al><al><cursief>Relatie met WWB</cursief></al><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                        normensystematiek die is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te nemen
                        in de WIJ. Dat betekent dat onderscheid is gemaakt tussen de normen die
                        gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en oudere
                        jongeren (21 tot 27 jaar). De normen voor beide leeftijdsgroepen zijn gelijk
                        aan de normen die in de WWB voor beide groepen gelden. De overgang naar de
                        WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot een wijziging van de financiële
                        positie van de jongeren die afhankelijk worden van een inkomensvoorziening
                        op grond van de WIJ. </al><al><cursief>Normen</cursief></al><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensvoorziening’) zijn de normen
                        vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 tot
                        en met 29 WIJ). Net als bij de WWB bestaan er basisnormen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de
                                gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De basisnormen voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar zijn ook
                        gelijk aan de WWB-normering en afgestemd op de kinderbijslag. Deze normen
                        kunnen - net als bij de uitvoering van de WWB - eventueel worden aangevuld
                        met bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet
                        toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde
                        gemaakt kan worden.</al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot
                        21 jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden identieke
                        normen als thans in de WWB. Hier verandert inhoudelijk dus niets.</al><al>Is er sprake van een “jonge” partner (18 tot 27 jaar) en een “oudere”
                        partner (27 jaar of ouder), dan bepaalt artikel 28, derde lid van de WIJ dat
                        de jongere als alleenstaande dan wel alleenstaande ouder moet worden gezien.
                        Het gezamenlijke gezinsinkomen wordt dan afgezet tegen de
                        inkomensvoorzieningsnorm (norm na toepassing toeslagen en verlagingen) die
                        voor het echtpaar zou gelden als zij gezamenlijk recht hadden op een
                        inkomensvoorziening.</al><al><cursief>Toeslagen en verlagingen</cursief></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                        en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB
                        is vastgelegd. Dit betekent ondermeer dat de norm voor alleenstaanden en
                        alleenstaande ouders met een toeslag van 20% moet worden verhoogd als een
                        woning zonder medebewoner wordt bewoont. </al><al>Kunnen de bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag
                        lager worden vastgesteld. Bij gehuwden kan de uitkering ook worden verlaagd
                        bij medebewoning. </al><al>Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de woonsituatie (gericht
                        op woonkosten), los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich
                        meebrengt. Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de
                        jongere een schoolverlater is. Tenslotte kan bij een 21- of 22-jarige
                        alleenstaande de toeslag worden verlaagd om de uitkering zo in de pas te
                        laten lopen met het wettelijk minimumjeugdloon. De zogenaamde
                        schoolverlaters- en leeftijdsverlaging kunnen niet in combinatie met elkaar
                        worden toegepast. </al><al>Bij de keuzes in deze verordening is aangesloten bij de keuzes die destijds
                        in de Verordening toeslagen en verlagingen WWB zijn gemaakt. </al><al><cursief>Gehuwde jongeren met niet-rechthebbende partner </cursief></al><al>Voor jongeren van 18 tot 27 jaar die onder de WIJ vallen met een partner van
                        27 jaar of ouder, geldt dat de norm gelijk is aan de norm die voor een
                        alleenstaande of alleenstaande ouder geldt (artikel 28, derde lid WIJ).
                        Personen van 27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een
                        inkomensvoorziening in het kader van de WIJ. De norm alleenstaande of
                        alleenstaande ouder geldt ook als de andere partner om andere redenen
                        (bijvoorbeeld in geval van detentie) geen recht heeft op een
                        inkomensvoorziening. </al><al>In de toelichting op artikel 2 is beschreven welke situaties zich bij
                        gehuwden voor kunnen doen, en een toeslag en/of verlaging toch aan de orde
                        zou kunnen zijn als er sprake is van een niet-rechthebbende partner,
                        bijvoorbeeld omdat hij ouder is dan 27 jaar.</al><al><cursief>Berekening toepasselijke uitkering</cursief></al><al>In de WIJ is net als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel
                        de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op
                        de toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen van de
                        verlaging op de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde. </al><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>Artikel 1 Begripbepalingen</al><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis
                        als in de WIJ. Om de verordening zelfstandig leesbaar te maken is ervoor
                        gekozen een aantal begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’ en ‘jongere’ hier toch
                        op te nemen. Daarnaast zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en ‘algemeen
                        geaccepteerde arbeid’ vermeld, omdat deze in de WIJ niet nader zijn
                        omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is afkomstig uit de Wet educatie
                        en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB gedefinieerd (artikel 6, eerste
                        lid, onderdeel d, WWB). De omschrijving van ‘algemeen geaccepteerde arbeid’
                        is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II
                        2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28).</al><al>De WIJ kent het begrip netto-inkomensvoorzieningsnorm niet. Dit begrip is
                        gedefinieerd met het oog op het opleggen van verlagingen in situaties waarin
                        sprake is van financiële benadeling. Vanwege de uitvoerbaarheid is in deze
                        verordening geregeld dat de hoogte van een verlaging wordt gerelateerd aan
                        het bedrag dat ten onrechte als netto inkomensvoorziening is uitgekeerd. Dit
                        is het bedrag aan inkomensvoorziening zonder dat rekening wordt gehouden met
                        de daarover af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en de
                        vergoeding zoals bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.</al><al>Artikel 2 Opdracht college</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                        voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ. Hoewel
                        deze opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en artikel 5, eerste
                        lid, WIJ kan worden afgeleid, is uit een oogpunt van duidelijkheid ervoor
                        gekozen de opdracht aan het college hier te benoemen. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het werkleeraanbod is bedoeld om de jongere te ondersteunen bij het vinden
                        van regulier werk of als de jongere nog geen startkwalificatie heeft, terug
                        te keren naar school. Met dit lid is vastgelegd dat om goede ondersteuning
                        te kunnen bieden eerst de situatie van de jongere in kaart gebracht wordt
                        voordat een werkleeraanbod wordt gedaan. Dit kan gebeuren met behulp van een
                        diagnose-instrument.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Met het oog op motivering en kansbenutting betrekt het college de wensen van
                        de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod. Dit sluit aan bij het
                        bepaalde in artikel 17, eerste lid, WIJ..</al><al><vet>Artikel 3 </vet><vet> Maatwerk</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In dit lid wordt bepaald dat het werkleeraanbod tot stand komt op basis van
                        het uitgevoerde onderzoek naar de mogelijkheden, omstandigheden en
                        bekwaamheden van de jongere en met inachtneming van zijn wensen. De inhoud
                        van het werkleeraanbod kan derhalve per jongere verschillen. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook
                        samengesteld kan zijn uit een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        ondersteuning bij arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen.
                        Onder een voorziening wordt verstaan een instrument dat wordt ingezet om de
                        jongere dichter bij de arbeidsmarkt te brengen. Dit kan allerlei vormen
                        hebben, variërend van schuldhulpverlening tot training in
                        werknemersvaardigheden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In de WIJ is bepaald, dat voor jongeren voor wie regulier werk of scholing
                        nog niet haalbaar is het doel sociale activering kan zijn. Het gaat dan om
                        jongeren die wel in staat zijn activiteiten te verrichten.</al><al><vet>Artikel 4 </vet><vet> Nadere regels</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Voor de uitvoering van hoofdstuk 2 van deze verordening kan het noodzakelijk
                        zijn dat nadere regels worden vastgesteld. Dit lid geeft het college de
                        bevoegdheid om dergelijke regels vast te stellen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid geeft het college de bevoegdheid om ten aanzien van voorzieningen
                        nadere regels te stellen. Deze kunnen van diverse aard zijn.</al><al>Artikel 5 Beleidsplan</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, vraagt de WIJ aan de
                        gemeenteraad om het beleid over het werkleeraanbod in een verordening vast
                        te leggen. Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de
                        verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en
                        uitvoeringsbeleid.</al><al>Het eerste lid geeft aan dat het college, ter uitvoering van de verordening,
                        periodiek een beleidsplan maakt. Door vaststelling en bekendmaking wordt de
                        kenbaarheid en rechtszekerheid van jongeren gewaarborgd. Zij kunnen uit het
                        beleidsplan afleiden welk beleid de gemeente voert. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In dit lid is geregeld dat in ieder geval het beleid ten aanzien van
                        arbeidsinschakeling van jongeren in het beleidsplan wordt opgenomen.</al><al>Artikel 6 Aanspraak op ondersteuning</al><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in artikel
                        2, tweede lid, komen jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod in
                        aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor
                        voorzieningen. Dit vloeit reeds voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar
                        is omwille van de herkenbaarheid en eenduidigheid hier nader
                        geconcretiseerd. Wat de vorm van de ondersteuning is, bepaalt het college
                        zelf (bijv. Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan
                        die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in de
                        zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want daaronder wordt
                        verstaan de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar. Artikel 13, eerste
                        lid, WIJ kadert de doelgroep af.</al><al>Artikel 7 Verplichtingen van de jongere</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op
                        een werkleeraanbod (de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is toegevoegd dat de
                        jongere de verplichtingen dient na te komen die voortvloeien uit hoofdstuk 2
                        van de verordening of die in concreto aan een voorziening zijn verbonden.
                        Dit kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn, die een
                        concretisering vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen. Zo kan
                        bepaald worden dat de consulent gedurende het traject op gezette tijden met
                        de jongere de voortgang bespreekt en laatstegenoemde aan uitnodigingen
                        gevolg geeft. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid legt vast wat de gevolgen kunnen zijn als niet aan de verplichtingen
                        wordt voldaan. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot het in rekening brengen van
                        kosten bij de jongere. Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7 van de
                        Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2009.</al><al><vet>Artikel 8 </vet><vet> Herziening en intrekking
                            werkleeraanbod</vet></al><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname
                        van deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de
                        overweging dat intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het
                        voeren van beleid m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar het
                        recht op werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden
                        ingetrokken, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Het intrekken
                        van het werkleeraanbod dient met terughoudendheid plaats te vinden.
                        Intrekking is in feite slechts aan de orde als er een situatie is ontstaan
                        dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod wordt voortgezet
                        en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin soelaas
                        biedt. </al><al>Met betrekking tot de verschillende procedurele fasen in de toepassing van
                        de WIJ wordt verwezen naar hetgeen onder het kopje “Verlaging of intrekking
                        inkomensvoorziening?” in Hoofdstuk 3 van de algemene toelichting is
                        beschreven. Daar wordt uiteengezet wanneer het werkleeraanbod moet worden
                        ingetrokken dan wel een verlaging van de inkomensvoorziening aan de orde
                        is.</al><al><vet>Artikel 9</vet><vet> Beëindigen van een voorziening </vet></al><al>Dit artikel geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                        welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt ook verstaan het
                        stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                        arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                        beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                        arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te
                        worden genomen.</al><al><vet>Artikel 10 </vet><vet> Budgetplafond</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                        verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan of de begroting
                        gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden
                        zijn om geen werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is immers
                        vastgelegd in artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling van het
                        werkleeraanbod beïnvloed worden door budgettaire beperkingen. Zijn er
                        vanwege die beperkingen voor bepaalde voorzieningen geen middelen meer dan
                        dient te worden nagegaan welke andere instrumenten beschikbaar zijn. Dit
                        houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan
                        is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid
                        open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken om tot duurzame
                        arbeidsparticipatie te komen. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid creëert de mogelijkheid om ook een plafond in te stellen voor het
                        aantal personen dat in aanmerking komt voor een voorziening.</al><al><vet>Artikel 11 </vet><vet>Voorzieningen gericht op zorg en
                            hulpverlening</vet></al><al>Een jongere is niet in staat tot arbeidsinschakeling wanneer er sprake is
                        van ernstige beperkingen, waarbij er een zorgvraag is. Indien er beperkingen
                        zijn om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden dan kunnen er
                        voorzieningen worden aangeboden die deze beperkingen verminderen of
                        oplossen. Een voorziening gericht op zorg of hulpverlening kan worden
                        ingezet wanneer door het college aan de hand van onderzoek is vastgesteld
                        dat een jongere geen perspectief of pas op (middel)lange termijn een reëel
                        perspectief heeft op arbeidsinschakeling en dat inzet van de voorzieningen
                        wenselijk is. De voorzieningen worden opgenomen in een zogenaamd zorgplan. </al><al>Artikel 45 van de wet biedt de mogelijkheid om de verplichting op te leggen
                        aan de jongere om op advies van een arts zich te onderwerpen aan een
                        noodzakelijke behandeling van medische aard.</al><al><vet>Artikel 12</vet><vet> Sociale activering</vet></al><al>Een jongere kan een voorziening in de vorm van sociale activering worden
                        aangeboden indien hij niet in staat is tot re-integratie door beperkingen of
                        het ontbreken van basale arbeidsvaardigheden. Deze voorziening kan ook
                        zelfstandige maatschappelijke participatie tot doel hebben. Onder sociale
                        activering kan vrijwilligerswerk worden verstaan.</al><al>Artikel 13 Persoonsgebonden re-integratiebudget</al><al>Een uitgangspunt van het re-integratiebeleid van de gemeente is
                        zelfredzaamheid van de jongere. Het kan voorkomen dat de jongere zelf
                        duidelijke ideeën heeft hoe het snelste kan worden gere-integreerd. Met een
                        persoonsgebonden re-integratiebudget kan de jongere zelf de meest geschikte
                        voorziening inkopen. Het college toetst of de voorziening de snelste weg
                        naar arbeid is.</al><al>In een individuele re-integratieovereenkomst worden de afspraken (rechten en
                        plichten) verbonden aan het persoonsgebonden budget vastgelegd.</al><al>Artikel 14 Scholing</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het kader van de trajecten gericht op arbeidsinschakeling kan scholing
                        noodzakelijk zijn. Daar het aanbod van scholing bijzonder divers is en
                        daarbij ook de duur en kosten erg variabel zijn, is het noodzakelijk om voor
                        het aanbod hiervan nadere randvoorwaarden vast te stellen.</al><al>Artikel 17, vierde lid, van de wet regelt dat de alleenstaande ouder die de
                        volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn laste komende kinderen tot
                        vijf jaar desgevraagd een werkleeraanbod kan worden gedaan gericht op een
                        dergelijke scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
                        bevordert. Een soortgelijke bepaling is ook in de WWB opgenomen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Van belang is dat een startkwalificatie binnen het werkleeraanbod een
                        ijkpunt vormt, omdat deze in belangrijke mate zal bijdragen aan duurzame
                        arbeidsparticipatie. De betekenis van een startkwalificatie staat in artikel
                        1, eerste lid, onderdeel i.</al><al>Artikel 15 Leerwerkplek</al><al>In deze voorziening staat het leren werken centraal. Het is belangrijk in de
                        gaten te houden onder welke voorwaarden deze voorziening wordt geboden. Dit
                        vanwege het gevaar dat de leerwerkplek beschouwd kan worden als een gewone
                        dienstbetrekking. Het college zal hierover dan ook nadere regels
                        vaststellen.</al><al><vet>Artikel 16</vet><vet> Detacheringsbaan</vet></al><al>Een detacheringsbaan heeft tot doel de jongere met een grote afstand tot de
                        arbeidsmarkt geschikt te maken voor regulier werk door het aanbieden van een
                        arbeidsovereenkomst, in combinatie met begeleiding. De jongere komt niet in
                        dienst van de gemeente maar bij een door het college aangewezen organisatie.
                        De aangewezen organisatie neemt het werkgeverschap op zich. Voor
                        daadwerkelijk opdoen van werkervaring wordt de jongere geplaatst bij een
                        inlenende organisatie. Een detacheringsbaan is altijd tijdelijk.</al><al>Artikel 17 Loonkostensubsidie </al><al>Voor het verstrekken van subsidies is een wettelijke basis in een
                        verordening vereist. Daarin is, in lijn met het procedurele karakter van
                        deze verordening, alleen het minimale geregeld. Het college zal hiervoor
                        nadere regels vaststellen..</al><al>Artikel 18 Voorziening gericht op nazorg</al><al>Het is belangrijk ervoor te zorgen dat jongeren na uitstroom niet na een
                        korte periode terugvallen in de uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten
                        veel aandacht te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame
                        plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg
                        geboden kan worden ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ongeacht
                        of daarbij loonkostensubsidie is verleend aan de werkgever.</al><al><vet>Artikel 19</vet><vet> Overige voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om een bepaalde voorziening
                        die nog niet nader omschreven is, maar gericht op arbeidsinschakeling,
                        tijdelijk of als experiment in te zetten.</al><al><vet>Artikel 20</vet><vet> Overige vergoedingen</vet></al><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                        besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen.
                        Het kan hierbij gaan om de volgende kosten:</al><lijst><li nr="a."><al>Verhuiskosten</al></li><li nr="b."><al>Reiskosten</al></li><li nr="c."><al>Kosten voor kinderopvang</al></li><li nr="d."><al>Kosten van werkaanvaarding</al></li></lijst><al><vet>Artikel 21</vet><vet>Verlaging van de
                            inkomensvoorziening</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een verlaging
                        (artikel 41, eerste lid, WIJ). Dit omwille van de leesbaarheid,
                        duidelijkheid en consistentie. Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te
                        geven dat een voorgeschreven verlaging niets afdoet aan de mogelijkheid om
                        de inkomensvoorziening in te trekken. Als daartoe wordt besloten, dan komt
                        verlaging niet meer aan de orde. </al><al>Met betrekking tot de verschillende procedurele fasen in de toepassing van
                        de WIJ wordt verwezen naar hetgeen onder het kopje “Verlaging of intrekking
                        inkomensvoorziening?” in Hoofdstuk 3 van de algemene toelichting is
                        beschreven. Daar wordt uiteengezet wanneer het werkleeraanbod moet worden
                        ingetrokken dan wel een verlaging van de inkomensvoorziening aan de orde
                        is.</al><al>De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                        gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en
                        identificatieplicht (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde
                        verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling en de
                        totstandkoming en tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel 45
                        WIJ).</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In deze verordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een
                        verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een
                        vaste (procentuele) verlaging van de inkomensvoorzieningsnorm. In dit lid is
                        de regel neergelegd dat bij een op te leggen verlaging altijd dient te
                        worden geïndividualiseerd c.q. maatwerk moet worden geleverd. Dit betekent
                        dat de op te leggen verlaging dient te worden afgestemd op de ernst van de
                        gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van
                        de belanghebbende.</al><al>Bij elke op te leggen verlaging zal dan ook moeten worden nagaan of gelet op
                        de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
                        afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging
                        geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als
                        een matiging betekenen. </al><al>Het vorenstaande betekent dat bij het beoordelen of een verlaging moet
                        worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moeten
                        worden doorlopen:</al><lijst><li nr="·"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="·"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="·"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. </al><al>De duur en zwaarte van de gedraging, de omvang van de gevolgen en de mate
                        van opzet zouden aanleiding kunnen zijn voor het toepassen van een hogere of
                        een lagere verlaging. Toepassing van het evenredigheidsbeginsel houdt in dat
                        er evenredigheid dient te bestaan tussen de verlaging en de (ernst van) de
                        gedraging.</al><al>Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt gewezen op
                        het volgende:</al><al>De mate van verwijtbaarheid dient te allen tijde in de beoordeling te worden
                        meegenomen. Hierbij dient de vraag te worden gesteld of en in hoeverre de
                        belanghebbende op de hoogte was c.q. kon zijn van zijn verplichtingen. Ook
                        de psychische gesteldheid van de belanghebbende dient in ogenschouw te
                        worden genomen. </al><al>In artikel 41, tweede lid WIJ is expliciet bepaald dat, wanneer de gedraging
                        de belanghebbende in het geheel niet kan worden verweten, er geen verlaging
                        dient te worden toegepast. In een dergelijke situatie komt men derhalve niet
                        eens aan individualisering toe. Hierbij moet met name aan duidelijke
                        overmachtsituaties worden gedacht. Ter zake wordt ook verwezen naar de
                        toelichting bij artikel 25, eerste lid.</al><al>Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden:
                        hiermee worden bedoeld die persoonlijke omstandigheden die los staan van de
                        gedraging, maar die individualisering rechtvaardigen. </al><al>Door het in aanmerking nemen van de persoonlijke omstandigheden van
                        belanghebbende (en zijn gezin) wordt recht gedaan aan het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 17, eerste lid, WIJ. Het is overigens
                        aan de belanghebbende om deze verzachtende omstandigheden aannemelijk te
                        maken.</al><al>Financiële omstandigheden spelen hierbij een grote rol.</al><al>In bijvoorbeeld de navolgende gevallen kan matiging wegens persoonlijke
                        omstandigheden aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is.</al></li><li nr="·"><al>deelname aan een schuldhulpverleningstraject dan wel aan het
                                wettelijk schuldsaneringstraject ingevolge de WSNP.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 22</vet><vet> Berekeningsgrondslag</vet></al><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                        opgelegd over de toepasselijke inkomensvoorzieningsnorm. Zie artikel 1,
                        eerste lid, onderdeel e, voor de begripsomschrijving. </al><al>De inkomensvoorzieningsnorm is inclusief vakantietoeslag (artikel 36, tweede
                        lid, WIJ).</al><al>18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm op grond van de WIJ, die -
                        indien noodzakelijk - wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                        bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Deze aanvulling vindt dan
                        plaats op grond van artikel 12 van de WWB. </al><al>Indien een verlaging alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit
                        leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van belanghebbende van 21 jaar en
                        ouder.</al><al>Daarom wordt de verlaging ook toegepast op de eventueel toegekende
                        bijzondere bijstand voor levensonderhoud. Daarbij wordt dan toepassing
                        gegeven aan de Afstemmingsverordening WWB. </al><al>De verlaging wordt dan toegepast op de totale uitkering (WIJ-norm en
                        aanvullende bijzondere bijstand op grond van de WWB). </al><al>In een dergelijke situatie ligt het voor de hand dat bij toepassing van
                        beide verordeningen één verlagingspercentage over de totale uitkering zal
                        worden toegepast door middel van de individualiseringsbepaling in de
                        Afstemmingsverordening WWB (artikel 2, tweede lid). Het verlagingspercentage
                        in dit hoofdstuk zal derhalve leidend zijn. </al><al><vet>Artikel 23</vet><vet> Het besluit tot het opleggen van een
                            verlaging</vet></al><al>Dit artikel schrijft voor wat in het besluit in ieder geval moet worden
                        vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het motiveringsbeginsel. Het
                        motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                        een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al><al><vet>Artikel 24</vet><vet> Horen van de belanghebbende</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In afdeling 4.1.2. van de Awb zijn bepalingen opgenomen over het horen van
                        belanghebbenden in het kader van de voorbereiding van een besluit. Een van
                        de uitgangspunten is dat een belanghebbende de gelegenheid wordt geboden
                        zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat een beschikking wordt gegeven
                        die niet op aanvraag wordt genomen en waartegen een belanghebbende naar
                        verwachting bedenkingen zal hebben.</al><al>Op grond van artikel 4:12 Awb kan een bestuursorgaan ervan afzien om de
                        belanghebbende te horen onder meer als het gaat om een financiële
                        verplichting of aanspraak waartegen bezwaar kan worden aangetekend en de
                        nadelige gevolgen in bezwaar volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Dat is
                        bij het opleggen van een verlaging het geval. Dit betekent dat de klant
                        formeel niet gehoord behoeft te worden voordat een verlaging wordt
                        opgelegd.</al><al>Niettemin is in deze verordening, die mede beoogt een zorgvuldige
                        behandeling te waarborgen, het horen van de klant als uitgangspunt genomen,
                        hetgeen overeenkomt met het bestaande beleid bij uitvoering van de WWB.
                        Daarbij speelt ook een rol dat, in het bijzonder met het oog op de
                        vaststelling van de verwijtbaarheid, het vaak al noodzakelijk is de klant te
                        horen. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In dit lid zijn de aan de Awb ontleende uitzonderingen op deze hoorplicht
                        opgesomd.</al><al>Hoewel de uitzonderingen ruim en in algemene termen zijn geformuleerd,
                        betekent dit geenszins dat het uitgangspunt dat de klant gehoord wordt
                        voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt verlaten. In gevallen waarin
                        daarvan wordt afgezien, zal dat steeds op één of meer van de genoemde
                        gronden gemotiveerd moeten kunnen worden. Bovendien zal er ook uit
                        bedrijfsmatige overwegingen een terughoudend gebruik van gemaakt worden,
                        omdat anders de kans groot is dat het horen zich verplaatst naar de
                        arbeidsintensieve bezwaarfase.</al><al>De in onderdeel a genoemde uitzonderingsgrond doet zich zelden voor, omdat
                        bij een ernstige schending van verplichtingen, in het bijzonder van de
                        inlichtingenplicht, het recht op inkomensvoorziening wordt opgeschort. Het
                        opleggen van de verlaging kan dan direct worden betrokken bij het
                        noodzakelijk onderzoek voor het herstellen van de uitkering.</al><al>De in onderdeel b al dan niet in combinatie met onderdeel d genoemde
                        uitzondering kan bij een opschorting of een ingesteld
                        rechtmatigheidsonderzoek goede diensten bewijzen. Het is mogelijk dat in die
                        situatie het voornemen om een verlaging op te leggen niet expliciet aan de
                        orde is geweest, terwijl wel alle relevante aspecten voor het opleggen van
                        een verlaging de revue zijn gepasseerd. Het is dan niet noodzakelijk de
                        klant nogmaals te horen voordat een verlaging wordt opgelegd.</al><al>In onderdeel c is, conform artikel 4:8, tweede lid, Awb geregeld dat een
                        klant ook niet gehoord behoeft te worden als vaststaat dat hij zijn
                        inlichtingenplicht niet is nagekomen. Ook dan zal overigens vaak tot
                        opschorting van het recht op inkomensvoorziening overgegaan worden.</al><al><vet>Artikel 25</vet><vet> Afzien van het opleggen van een
                            verlaging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief>Het afzien van het opleggen van een
                        verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in
                        artikel 41, tweede lid, WIJ. Hierbij moet met name worden gedacht aan
                        situaties waarin de klant door overmacht niet in staat is geweest om
                        verplichtingen na te komen. Overigens kan daarbij het tijdstip waarop de
                        klant het college daarover geïnformeerd heeft nog wel een rol spelen. Zo kan
                        verlangd worden dat een klant die vanwege ziekte niet in staat is om op een
                        afspraak te komen, dat doorgeeft of laat geven zodra dat redelijkerwijs
                        mogelijk is.</al><al><cursief>Lid 2</cursief> Een andere reden om af te zien van het opleggen van
                        een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden
                        (verjaring). Met het oog op de effectiviteit van een verlaging, is het
                        vereist dat deze zo spoedig mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                        wordt opgelegd (‘lik op stuk’). </al><al>Uit oogpunt van redelijkheid is dan ook in het tweede lid bepaald dat niet
                        tot het toepassen van een verlaging wordt overgegaan, indien de gedraging
                        langer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief>Hierin wordt bepaald dat het college kan
                        afzien van het opleggen van een verlaging, indien het daarvoor dringende
                        redenen aanwezig acht. </al><al>In artikel 14, vierde lid, Abw, alsmede in artikel 14a, vierde lid, Abw was
                        bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig waren, het college
                        kon besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel respectievelijk
                        een boete. Ondanks het feit dat de WWB een dergelijke bepaling niet kent, is
                        bij de uitvoering van de WWB aangenomen dat een dergelijke bevoegdheid wel
                        bestaat. Gelet hierop moet worden aangenomen dat deze bepaling ook op de WIJ
                        van toepassing is.</al><al>Voor alle duidelijkheid dient te worden opgemerkt dat toetsing aan het
                        criterium ‘dringende redenen’’ eerst aan de orde kan zijn, nadat
                        individualisering zoals hierboven omschreven erin geresulteerd heeft dat tot
                        het toepassen van een verlaging zou moeten worden overgegaan.</al><al>Dringende redenen om van het toepassen van een verlaging af te zien, kunnen
                        worden gevonden in bijzondere omstandigheden van financiële of sociale aard.
                        Het moet dan gaan om zeer ernstige gevolgen voor de belanghebbende of diens
                        gezin. Dat een belanghebbende financieel zwaar getroffen wordt door een
                        verlaging is op zichzelf nog geen dringende reden, omdat dit voor elke
                        uitkeringsgerechtigde geldt.</al><al><cursief>Lid 4</cursief>Indien wegens een dringende reden het
                        toepassen van een verlaging achterwege gelaten wordt, moet dit wel in een
                        beschikking aan de belanghebbende worden medegedeeld, opdat de betreffende
                        gedraging wel kan meetellen in het kader van recidive.</al><al><vet>Artikel 26</vet><vet>Ingangsdatum en tijdsvak</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief>Op grond van dit lid wordt een verlaging
                        in beginsel alleen toegepast op toekomstige nog niet uitbetaalde
                        inkomensvoorzieningen. Hiermee wordt aangesloten bij het beleid dat voor de
                        WWB geldt. Dit houdt in dat bij een lopende inkomensvoorziening de verlaging
                        wordt toegepast ingaande de eerste van de maand volgend op die waarin de
                        beschikking wordt verzonden. </al><al>Indien bij een nieuwe aanvraag - wat overigens in de WIJ zelden tot niet zal
                        voorkomen (zie terzake het onderwerp “<cursief>Reikwijdte”</cursief> van de
                        algemene toelichting) - blijkt dat er aanleiding is om een verlaging op te
                        leggen, wordt de verlaging uiteraard direct vanaf de ingangsdatum van de
                        inkomensvoorziening toegepast.</al><al><cursief>Lid 2</cursief>Dit lid voorziet in de mogelijkheid om een
                        verlaging met terugwerkende kracht op te leggen als het recht op
                        inkomensvoorziening is opgeschort. In dat geval kan de verlaging, bij
                        voortzetting van de inkomensvoorziening, direct worden toegepast.</al><al>Daarbij geldt wel dat een verlaging niet verder mag terugwerken dan vanaf
                        het moment waarop het recht op inkomensvoorziening is opgeschort. Een en
                        ander betekent derhalve dat de verlaging van de inkomensvoorziening in dat
                        geval kan worden verrekend met het bedrag dat nog aan de klant moet worden
                        uitbetaald. Daarvoor is wel een herzieningsbesluit vereist.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een verlaging van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid
                        WIJ kan niet los worden gezien van het recht op werkleeraanbod en
                        inkomensvoorziening.</al><al>Dit heeft tot gevolg dat bij beëindiging van de inkomensvoorziening niet
                        tevens een besluit tot verlaging kan worden genomen met de aankondiging dat
                        deze ten uitvoer wordt gelegd als de klant in de toekomst weer recht op een
                        inkomensvoorziening krijgt. Er is namelijk geen sprake van een besluit als
                        het beoogde rechtsgevolg, in dit geval een verlaging van de
                        inkomensvoorziening, afhankelijk is van een onzekere in de toekomst gelegen
                        gebeurtenis. </al><al>Wel heeft het college de bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe toekenning
                        van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening alsnog een besluit te nemen
                        naar aanleiding van de eerdere verlagingswaardige gedraging.</al><al>Met het oog hierop biedt dit lid de mogelijkheid om, als belanghebbende
                        binnen drie jaar weer een inkomensvoorziening wordt toegekend, alsnog een
                        besluit tot verlaging te nemen. In het betreffende beëindigingbesluit zal de
                        klant hierover dienen te worden geïnformeerd.</al><al><cursief>Lid 4</cursief>Voor het geval tot het toepassen van een
                        verlaging van langere duur is besloten en de inkomensvoorziening van de
                        klant wordt beëindigd nog voordat de duur van de verlaging is verstreken, is
                        bepaald dat de resterende periode van de verlaging zal worden ten uitvoer
                        gelegd, indien de klant binnen drie jaar na de beëindiging van de
                        inkomensvoorziening opnieuw aanspraak op inkomensvoorziening maakt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief>Dit lid regelt dat een verlaging voor
                        bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een verlaging voor een bepaalde periode
                        op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt
                        geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode
                        waarvoor de verlaging is getroffen, opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor
                        is dan wel weer een apart besluit nodig.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 41, derde lid WIJ.</al><al>De herbeoordeling dient plaats te vinden uiterlijk binnen drie maanden nadat
                        het besluit genomen is. Bij zo’n herbeoordeling behoeft niet opnieuw een
                        besluit te worden genomen waarbij alle relevante feiten en omstandigheden
                        opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat:
                        het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde verlaging
                        wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden
                        waarin de belanghebbende verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende
                        persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al><vet>Artikel 27</vet><vet> Eéndaadse en meerdaadse
                        samenloop</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief>Dit lid ziet op de situatie dat de
                        belanghebbende door één gedraging zich schuldig heeft gemaakt aan schending
                        van meerdere verplichtingen die elk op zich tot een verlaging op grond van
                        de verordening dienen te leiden.</al><al>Bepaald is dat bij een dergelijke samenloop geen stapeling van verlagingen
                        dient plaats te vinden, maar dat voor het toepassen van de verlaging dient
                        te worden uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is
                        gesteld.</al><al><cursief>Lid 2</cursief>Dit lid heeft betrekking op de situatie
                        dat de belanghebbende verschillende verwijtbare gedragingen begaat die (min
                        of meer) gelijktijdig plaatsvinden. Voor een dergelijke situatie is bepaald
                        dat de hoogte en de duur van op te leggen verlaging zal worden afgestemd op
                        de individuele situatie van de betreffende klant. </al><al><vet>Artikel 28</vet><vet> Indeling in categorieën</vet></al><al>Allereerst wordt verwezen naar het kopje “Verlaging of intrekking
                        inkomensvoorziening?” in de algemene toelichting bij hoofdstuk 3. Daarbij
                        wordt aangegeven wanneer intrekking van het werkleeraanbod aan de orde is en
                        wanneer de keuze gemaakt moet worden voor het verlagen van de
                        inkomensvoorziening. </al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven
                        die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                        tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van
                        rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt
                        ingediend. Schending van één van deze verplichtingen dient in beginsel te
                        leiden tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. Voor het
                        categoriseren van de gedragingen die tot een verlaging van de
                        inkomensvoorziening leiden bij schending van de verplichtingen met
                        betrekking tot de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod als bedoeld in
                        artikel 45 WIJ zijn verschillende mogelijkheden denkbaar. In deze
                        verordening is aansluiting gezocht bij de Afstemmingsverordening WWB.</al><al>Dit betekent dat er gekozen is voor verschillende categorieën verwijtbare
                        gedragingen met daaraan gekoppeld standaard verlagingspercentages. Hiermee
                        wordt gehandeld in overeenstemming met de wens om bijstandsgerechtigden op
                        grond van de WWB en jongeren op grond van de WIJ zoveel mogelijk gelijk te
                        behandelen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid spreekt voor zich.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Ten aanzien van de verplichting in onderdeel c van dit lid wordt in de
                        memorie van toelichting als voorbeeld genoemd: het belemmeren van een
                        bemiddelingspoging door afwijkend gedrag, het stellen van irreële eisen of
                        ongebruikelijke werktijden. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Deze verplichtingen kunnen worden gerangschikt onder de verplichting
                        ‘gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling’: het werkleeraanbod. Verplichtingen uit deze categorie
                        hebben te maken met een laatste stap naar de arbeidsmarkt. </al><al>Onder dit lid moeten ook gedragingen worden begrepen die betrekking hebben
                        op het niet nakomen van voorzieningen uit het werkleeraanbod. Hierbij wordt
                        niet gedoeld op het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit valt
                        onder het vierde lid.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In deze categorie gaat het om het niet behouden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid, dat onderdeel uitmaakt van het werkleeraanbod. </al><al>Ook (parttime) werkzaamheden die buiten het werkleeraanbod om worden
                        verricht, en waaruit de belanghebbende verwijtbaar werkloos wordt, vallen
                        onder deze categorie. Daarbij geldt wel dat het (blijven) verrichten van de
                        betreffende werkzaamheden in het voor de jongere geldende trajectplan is
                        aangemerkt als belangrijk voor de arbeidsinschakeling. </al><al>Voor de duidelijkheid wordt nogmaals opgemerkt dat verwijtbare werkloosheid
                        vóór de datum van aanvraag van het werkleeraanbod op grond van de wet niet
                        tot een verlaging kan leiden. Zie terzake het onderwerp
                            “<cursief>Reikwijdte”</cursief> van de algemene toelichting. </al><al><vet>Artikel 29</vet><vet>De hoogte en de duur van de
                            verlaging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief>Deze bepaling bevat de
                        standaardverlagingen voor de vier categorieën van gedragingen, zoals
                        opgenomen in artikel 28. Bij het bepalen van de hoogte en de duur van de
                        vier categorieën verlagingen zijn de uitgangspunten van de WIJ en de
                        Afstemmingsverordening WWB leidend geweest. </al><al><cursief>Lid 2</cursief>Indien binnen zes maanden na bekendmaking
                        van het besluit waarmee een eerdere verlaging is opgelegd sprake is van een
                        herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de verlaging.</al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van zes maanden, geldt het
                        tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, bekend is
                        gemaakt. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid kan slechts één keer worden toegepast. Indien de belanghebbende na
                        een tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de
                        hoogte en de duur van de op te leggen verlaging individueel moeten worden
                        vastgesteld. Daarvoor is een regeling getroffen in het vierde lid. </al><al><cursief>Lid 4</cursief>Dit lid heeft betrekking op de situatie
                        dat de belanghebbende binnen drie maanden na toepassing van de
                        recidivebepaling, zich wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.
                        In dergelijke gevallen dient een verlaging te worden opgelegd waarbij de
                        hoogte en de duur van de verlaging individueel wordt bepaald. Met betrekking
                        tot de duur van de op te leggen verlaging dient het bepaalde in artikel 26,
                        zesde lid in acht te worden genomen.</al><al><vet>Artikel 30</vet><vet>Indeling in categorieën</vet></al><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in
                        beginsel tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde
                        verplichtingen betreffen de inlichtingen- medewerkings- en
                        identificatieplicht. Voor de twee laatstgenoemde verplichtingen geldt dat
                        schending van deze verplichtingen er in beginsel toe leidt dat het recht op
                        werkleeraanbod en op inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld en
                        daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan worden.</al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                        inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                        informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook het UWV
                        WERKbedrijf. In dit artikel is ervoor gekozen om de hoogte van de verlaging
                        te relateren aan de mate van benadeling van de gemeente. Hoe hoger de
                        benadeling, hoe zwaarder de verlaging.</al><al><cursief>Lid 1</cursief><cursief> Onder a.</cursief></al><al>Hierbij gaat het om het geen (of niet op tijd) gevolg geven aan een
                        uitnodiging van Sociale Zaken in verband met een onderzoek waarvoor
                        mondelinge dan wel schriftelijke informatie van de belanghebbende
                        noodzakelijk is. Het onderzoek kan zowel betrekking hebben op
                        (her)beoordeling van het recht op inkomensvoorziening (of de hoogte daarvan)
                        als op zaken die van belang zijn voor de arbeidsinschakeling
                        (werkleeraanbod). Bij dit laatste kan het bijvoorbeeld gaan om gegevens over
                        verrichte sollicitaties. Het onderhavige artikel heeft voorts betrekking
                        ophet niet vóór een bepaalde datum voldoen aan een schriftelijk
                        verzoek van Sociale Zaken om bepaalde (aanvullende of nog ontbrekende)
                        gegevens te overleggen.</al><al><cursief>Onder b.</cursief></al><al>Hierbij gaat het om zogeheten “nulfraude”. Hieronder wordt verstaan het
                        verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze
                        gedraging gevolgen heeft voor het recht op c.q. de hoogte van de
                        inkomensvoorziening. Voorbeelden hiervan zijn het niet opgeven van een
                        vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens, het niet doorgeven van het
                        vertrek van een kind zonder gevolgen voor de inkomensvoorzieningsnorm of het
                        niet melden van vrijwilligerswerk. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het gaat hierbij om het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep van
                        Sociale Zaken voor een gesprek met het oog op een onderzoek naar de
                        arbeidsmogelijkheden. In dit gesprek dient de belanghebbende op grond van
                        het bepaalde in artikel 44, eerste en tweede lid van de WIJ inlichtingen te
                        verstrekken. </al><al>Deze verwijtbare gedraging wordt niet aangemerkt als het niet meewerken aan
                        een aangeboden voorziening in het kader van de wet (als onderdeel van
                        werkleeraanbod). </al><al>Als de jongere niet is verschenen, wordt de inkomensvoorziening formeel
                        opgeschort en tegelijkertijd een officiële hersteltermijn gegeven in de vorm
                        van een nieuwe schriftelijke oproep. Bij het voldoen aan deze oproep wordt
                        de inkomensvoorziening voortgezet en tegelijkertijd besloten om de
                        voorgeschreven verlaging op de inkomensvoorziening toe te passen.</al><al>Indien de jongere aan de nieuwe schriftelijke oproep geen gevolg geeft,
                        wordt de inkomensvoorziening vanaf datum opschorting beëindigd.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Artikel 44, eerste lid WIJ bepaalt dat de belanghebbende op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling dient te doen van alle feiten en
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn recht op een werkleeraanbod of zijn recht op
                        inkomensvoorziening.</al><al>Voorbeelden van deze informatieverplichting die zowel betrekking hebben op
                        zijn werkleeraanbod als het recht op inkomensvoorziening zijn het gaan
                        werken als zelfstandige en tijdelijk verblijf in het buitenland. De
                        belanghebbende dient Sociale Zaken hiervan vooraf in kennis te stellen dan
                        wel hiervoor toestemming te vragen. Vervolgens zal worden beoordeeld welke
                        consequenties dit heeft voor het recht op inkomensvoorziening en voor het
                        werkleeraanbod. </al><al>Op grond van de door het college van burgemeester en wethouders op 19
                        oktober 2004 vastgestelde beleidsregel moet onder “onverwijld” worden
                        verstaan: ‘’binnen één week nadat de klant het statusoverzicht (en de
                        betaalspecificatie) heeft ontvangen of binnen één week na het ontstaan van
                        c.q. het bekend worden met de voor het werkleeraanbod of inkomensvoorziening
                        relevante wijziging”. De klant kan daarbij gebruik maken van het toegezonden
                        wijzigingformulier.</al><al>Het vorenstaande betekent derhalve dat, indien de klant heeft nagelaten om
                        de relevante informatie vóór de gestelde uiterste termijn(en) via het
                        wijzigingsformulier of op andere wijze aan Sociale Zaken door te geven,
                        sprake is van schending van de informatieplicht en derhalve
                        uitkeringsfraude.</al><al><vet>Artikel 31</vet><vet> De hoogte en de duur van de
                        verlaging</vet></al><al>Dit artikel bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
                        gedragingen, zoals opgenomen in artikel 30. </al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al><cursief>Onder a.</cursief></al><al>Bij deze verwijtbare gedragingen wordt een verlaging van de
                        inkomensvoorzieningsnorm met 5% gedurende één maand vastgesteld.</al><al>Bij het voldoen aan de verplichting binnen de hersteltermijn wordt de
                        inkomensvoorziening voortgezet en tegelijkertijd besloten om de
                        voorgeschreven verlaging op de inkomensvoorziening toe te passen.</al><al>Indien de klant de informatieplicht niet binnen de hersteltermijn nakomt,
                        wordt de inkomensvoorziening vanaf datum opschorting beëindigd. </al><al><cursief>Onder b.</cursief></al><al>Voor deze verwijtbare gedraging is een verlaging van de
                        inkomensvoorzieningsnorm met 10% gedurende één maand vastgesteld. </al><al>Het niet nakomen van de inlichtingenplicht met betrekking tot het
                        werkleeraanbod wordt zwaarder gestraft dan het niet (voldoende) nakomen van
                        de informatieverplichting over een ander onderwerp. In de
                        Afstemmingsverordening WWB is dit identiek geregeld.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als de schending van de inlichtingenplicht tot gevolg heeft gehad dat de
                        inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend,
                        wordt de hoogte van de toe te passen verlaging vastgesteld aan de hand van
                        het tariefstelsel, gerelateerd aan het bedrag van de
                        netto-inkomensvoorziening. Om de uitvoering te vereenvoudigen, is er voor
                        gekozen om de hoogte van de verlaging te relateren aan de hoogte van de
                        netto-inkomensvoorzieningsnorm.</al><al>Zie het gestelde bij het onderwerp “Relatie met strafrechtelijke sanctie”
                        van de algemene toelichting.</al><al>Volgens de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude kan ook bij lagere
                        fraudebedragen dan</al><al>€ 10.000,- strafvervolging plaatsvinden. Dit is aan de orde als de
                        uitkeringsfraude is gecombineerd met een of meer (andersoortige) strafbare
                        feiten, zoals handel in drugs. Voorts kan tot strafvervolging worden
                        overgegaan, als de betreffende persoon een voorbeeldfunctie heeft. Hierbij
                        kan worden gedacht aan een regionaal of landelijk maatschappelijk
                        aansprekend persoon of iemand die een openbaar ambt bekleedt.</al><al>In gevallen waarin er fraude is gepleegd met medewerking en/of medeweten van
                        een medewerk(st)er van Sociale Zaken kan altijd tot strafrechtelijke
                        vervolging worden overgegaan, ongeacht de hoogte van het fraudebedrag.
                        Daarbij geldt wel als voorwaarde om te kunnen afwijken van de aangiftegrens
                        van € 10.000,-, dat ook tegenover de betreffende medeplichtige medewerker
                        sanctionerend wordt opgetreden.</al><al>Het gehanteerde tariefstelsel is overeenkomstig hetgeen hierover is
                        opgenomen in de Afstemmingsverordening WWB.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Indien de uitkeringsgerechtigde binnen één jaar nadat een verlaging is
                        opgelegd met toepassing van het eerste en tweede lid, wederom een
                        verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie begaat, wordt de grotere mate
                        van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                        van de verlaging. Ter zake wordt verwezen naar de toelichting op artikel 29,
                        tweede lid van deze verordening.</al><al>In de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude is bepaald dat, wanneer een
                        bepaald persoon zich binnen een periode van vijf jaar voor de tweede maal
                        schuldig heeft gemaakt aan sociale zekerheidsfraude, proces-verbaal
                        opgemaakt en strafrechtelijk vervolg kan worden. In deze gevallen is de
                        datum van de eerste sanctionering startpunt voor de termijn van vijf jaren
                        en dienen de benadelingsbedragen tezamen tenminste € 10.000,- te bedragen. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Dit lid kan slechts één keer worden toegepast. Indien de belanghebbende na
                        een tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de
                        hoogte en de duur van de op te leggen verlaging individueel moeten worden
                        vastgesteld. Daarvoor is een regeling getroffen in het vijfde lid. </al><al><cursief>Lid 5</cursief>Dit lid heeft betrekking op de situatie
                        dat de belanghebbende binnen twaalf maanden na toepassing van de
                        recidivebepaling (van lid 3), zich wederom schuldig maakt aan een
                        verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie. In dergelijke gevallen dient
                        een verlaging te worden opgelegd waarbij de hoogte en de duur van de
                        verlaging individueel wordt bepaald. Met betrekking tot de duur van de op te
                        leggen verlaging dient het bepaalde in artikel 26, zesde lid in acht te
                        worden genomen. </al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Een schriftelijke waarschuwing geldt niet voor de verlagingen genoemd in het
                        eerste lid, onderdeel b en het tweede en derde lid van artikel 30. De ernst
                        van deze gedragingen kunnen geen waarschuwing rechtvaardigen.</al><al><vet>Artikel 32</vet><vet>Overige bepalingen schending
                            inlichtingenplicht</vet></al><al>Op grond van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude dient bij fraude met een
                        benadelingsbedrag vanaf € 10.000,- (brutobedrag inclusief de af te dragen of
                        afgedragen loonheffing en premies) aangifte te worden gedaan bij het
                        Openbaar Ministerie en dient er een proces-verbaal te worden opgemaakt. In
                        de overige gevallen waarin aangifte aan de orde is, wordt verwezen naar de
                        toelichting bij artikel 31.</al><al>Een verlaging die verband houdt met schending van de informatieverplichting
                        moet eveneens als een punitieve (= bestraffende) sanctie worden aangemerkt. </al><al>Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde
                        onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van een enkel overheidsorgaan) en
                        het standpunt van de Centrale Raad van Beroep op het punt van ‘dubbele
                        bestraffing’, zijn aanleiding geweest om in de verordening te bepalen dat,
                        indien aangifte bij het OM is gedaan, geen verlaging wordt toegepast, tenzij
                        het OM de gemeente in een later stadium schriftelijk laat weten dat zij om
                        formele redenen geen aanleiding ziet om de belanghebbende een transactie aan
                        te bieden of tot strafvervolging over te gaan. In dat geval zal de gemeente
                        alsnog tot verlaging van de inkomensvoorziening overgaan.</al><al><vet>Artikel 33</vet><vet>Het zich jegens het college zeer
                            ernstig misdragen</vet></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een
                        verlaging opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                        misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen
                        van het recht op een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening. Vandaar dat
                        in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van de WIJ. In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over
                        'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. </al><al>Er kan dus geen verlaging worden toegepast, als een klant zich agressief
                        heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die
                        belast is met de uitvoering van de WIJ (bijvoorbeeld een medewerker van het
                        UWV WERKbedrijf of een re-integratiebedrijf). Indien de agressie tegenover
                        een medewerker van een re-integratiebedrijf heeft geleid tot beëindiging van
                        de begeleiding, is het wel mogelijk om een verlaging toe te passen wegens
                        het niet gebruikmaken van een voorziening.</al><al>Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie dat een jongere zich
                        ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst
                        van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                        omstandigheden van de jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst van
                        de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                        oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In
                        dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een inkomensvoorziening). Agressie die
                        ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan
                        worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate
                        van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een verlaging op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al>Het toepassen van een verlaging dient aan te sluiten bij het
                        agressieprotocol van de gemeente. Indien ook aan de in dit protocol gestelde
                        vereisten wordt voldaan, dient een verlaging op de inkomensvoorziening te
                        worden toegepast van 50% gedurende één maand.</al><al>In dit verband wordt nog het volgende opgemerkt. Indien de jongere zich
                            <cursief>herhaaldelijk</cursief> zeer ernstig misdraagt en hem dit te
                        verwijten valt, is artikel 22 van de wet van toepassing. Dit artikel bepaalt
                        dat de jongere dan kan worden uitgesloten van het recht op een
                        werkleeraanbod. In het tweede lid is geregeld dat besluit tot uitsluiting
                        uiterlijk na een maand moet worden heroverwogen.</al><al>Deze uitsluiting lijdt niet van rechtswege tot beëindiging van de
                        inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij herhaling zeer ernstig
                        misdragen kan worden aangemerkt als houding en gedragingen van de jongere
                        waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in
                        hoofdstuk 5 van de wet, niet wil nakomen. Artikel 42, eerste lid, onderdeel
                        c van de wet bepaalt dat er dan niet langer recht bestaat op de
                        inkomensvoorziening.</al><al><vet>Artikel 34</vet><vet> Overgangsrecht</vet></al><al>Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich mee dat bij een wijziging van
                        het sanctieregime de voor de belanghebbende meest gunstige regeling dient te
                        worden toegepast. Daarom is in de verordening in een overgangsbepaling
                        voorzien. Deze houdt in dat op gedragingen die vóór inwerkingtreding van
                        deze verordening hebben plaatsgevonden, de Verordening tijdelijke regels Wet
                        investeren in jongeren van toepassing is, voor zover deze zou leiden tot een
                        minder zware verlaging.</al><al>In de nieuwe verordening zijn alle standaardverlagingen gelijk aan de
                        huidige toepasselijke verordening. Slechts bij recidive van de
                        verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet is sprake van een zwaardere
                        sanctie, in die zin dat de periode waarbinnen sprake is van recidive korter
                        is dan bij de huidige verordening.</al><al>Artikel 35 Reikwijdte</al><al>Het verlenen van een toeslag is wettelijk beperkt tot alleenstaanden en
                        alleenstaande ouders van 21 tot 27 jaar. Een verlaging van de
                        inkomensvoorziening is wel mogelijk bij personen vanaf 18 jaar. </al><al>Evenals bij de Verordening toeslagen en verlagingen WWB is er voor gekozen
                        te bepalen dat hoofdstuk 4 van deze verordening niet van toepassing is op
                        jongmeerderjarigen van 18 tot 21 jaar. In theorie is het mogelijk om bij
                        deze groep de geldende normen verder te verlagen. Aangezien deze normen al
                        aanzienlijk lager zijn vastgesteld dan de normen voor personen van 21 jaar
                        of ouder, is van die bevoegdheid geen gebruik gemaakt. Daarmee zou immers de
                        voldoening van bestaanskosten niet meer gewaarborgd zijn.</al><al>Voor een jongere die gehuwd is met een partner die geen recht heeft op een
                        inkomensvoorziening, geldt dat deze als alleenstaande of als alleenstaande
                        ouder wordt aangemerkt (artikel 28, derde lid WIJ). </al><al>De mogelijkheid om de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met
                        een toeslag is in de WIJ evenwel beperkt tot de jongere die feitelijk
                        alleenstaande (ouder) is (artikel 30, eerste lid, in verbinding met artikel
                        26, onderdeel b en artikel 27, onderdeel b van de WIJ). Naar de letter
                        bestaat dus voor de gehuwde met niet-rechthebbende partner geen recht op
                        toeslag. Niettemin mag, gegeven de wens van de wetgever om een en ander
                        zoveel mogelijk conform de WWB te regelen en met een beroep op de
                        jurisprudentie die gevormd is onder de WWB en Abw, worden aangenomen dat ook
                        gehuwde jongeren die voor de normering worden gelijkgesteld met een
                        alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht kunnen hebben op een
                        toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat binnen de WIJ
                        klaarblijkelijk ook een rol speelt op het punt van normen, toeslagen en
                        verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ; zie met betrekking tot de bijstand
                        bijvoorbeeld CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). Heeft de
                        niet-rechthebbende partner geen of een zeer laag inkomen en is geen sprake
                        van medebewoning, dan zal de toeslag, naar analogie van de WWB, in beginsel
                        zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN:
                        AF6326). </al><al>Het totale gezinsinkomen moet afgezet worden tegen de
                        inkomensvoorzieningsnorm die voor de gehuwden tezamen zou gelden als zij
                        beiden aanspraak op de inkomensvoorziening zouden hebben gehad (artikel 36,
                        vierde lid WIJ).</al><al>Dit betekent dat zowel toeslagen als verlagingen van hoofdstuk 4 van deze
                        verordening toegepast kunnen worden. </al><al>Als de niet-rechthebbende partner (van 27 jaar of ouder) een WWB-uitkering
                        ontvangt, is er geen aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt ook
                        voor de partner met een WIJ-uitkering. Beiden kunnen immers nimmer een
                        uitkering ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm
                        / inkomensvoorzieningsnorm voor gehuwden. </al><al>Artikel 31 van de WIJ regelt dat het college in bepaalde gevallen de norm
                        voor gehuwden kan verlagen. Hierin is ook verwijzing opgenomen naar artikel
                        28, derde lid, van de WIJ. Dit geeft de mogelijkheid om in het geval één
                        partner WIJ-gerechtigde is en de andere partner niet, de norm toch te
                        verlagen als er bijvoorbeeld sprake is van medebewoning. </al><al>Voor de situatie dat gehuwden ten laste komende kinderen hebben en de
                        “jonge” partner ontvangt een inkomensvoorziening op grond van de WIJ en de
                        andere partner ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB, is er in
                        artikel 28, vierde lid van de WIJ een specifieke regeling getroffen. Dan
                        geldt voor de jongere partner de gehuwdennorm die bij zijn leeftijd past.
                        Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is verlaging van die
                        norm wegens medebewoning, van rechtswege mogelijk. De algemene bijstand die
                        de bijstandsgerechtigde partner op grond van de WWB ontvangt, moet
                        vervolgens daarop in mindering worden gebracht.</al><al><vet>Artikel</vet><vet> 36</vet><vet> Categorieën</vet></al><al><onderstreept>Artikel 35</onderstreept>, eerste lid van de wet schrijft voor
                        dat de verordening vaststelt voor welke categorieën de norm wordt verhoogd
                        of verlaagd. De definities van een alleenstaande, een alleenstaande ouder en
                        gehuwden zijn te vinden in de <onderstreept>artikelen 3</onderstreept> en 4
                        van de wet.</al><al>Uit <onderstreept>artikel 12 en artikel 35 van de wet</onderstreept> vloeit
                        voort, dat toeslagen en verlagingen slechts aan de orde zijn, als er recht
                        op een inkomensvoorziening bestaat.</al><al>Artikel 37 Verhoging norm alleenstaande en alleenstaande ouder</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Artikel 30 van de wet schrijft voor dat de verordening vaststelt wanneer de
                        norm uit artikel 26, onderdeel b en artikel 27, onderdeel b, van de WIJ
                        verhoogd wordt, indien de jongere hogere algemeen noodzakelijke kosten van
                        het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als het gevolg van het niet
                        kunnen delen van deze kosten met een ander. </al><al>Bij de vaststelling van de norm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                        ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat de jongere de
                        bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                        wordt de norm verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de hoogte van
                        de toeslag worden alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in
                        aanmerking genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten
                        opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding
                        voert.</al><al>Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin),
                        maar ook om alle andere uitgaven waarbij partners een schaalvoordeel hebben
                        omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen.
                        Bij de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden
                        geconfronteerd, kan met name gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen,
                        zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste
                        lasten, zoals abonnementen en diverse andere kosten. De toeslag dient
                        zodanig te zijn dat de belanghebbende daaruit op dezelfde wijze zijn
                        algemene bestaanskosten kan voldoen.</al><al>Bij de beoordeling of de jongere inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is
                        in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met
                        een ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden - redelijk is ervan
                        uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. In bijvoorbeeld de
                        situatie dat een hoofdbewoner de woning met anderen bewoont, zou een
                        ongewenst gebruik van de inkomensvoorziening ontstaan als de hoogte van de
                        toeslag afhankelijk zou zijn of de medebewoner ook feitelijk een bijdrage
                        levert in de woonkosten. Hiertoe wordt gesproken van het "kunnen delen" van
                        de kosten (CRvB 16-12-2008, nr. 07/6151 WWB). </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals
                        gezegd, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en
                        maximaal 20% van de gehuwdennorm. Degene die voor een toeslag in aanmerking
                        wenst te komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die
                        kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag
                        wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de
                        inkomensvoorziening uit.</al><al>De inlichtingenplicht die op de belanghebbende rust, geldt ook voor het
                        toeslagendeel. De belanghebbende zal dan ook door middel van het overleggen
                        van gegevens het recht moeten aantonen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, onderdeel a, WIJ is de gemeenteraad
                        verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm
                        bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen
                        ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging
                        van norm of toeslag op andere gronden). </al><al>Lid 3Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen
                        op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de (woon)lasten kunnen worden
                        gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen,
                        vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning
                        delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden
                        gebracht. De omvang van de schaalvoordelen is afhankelijk van het aantal
                        personen waarmee de kosten kunnen worden gedeeld. Daarbij wordt onderscheid
                        gemaakt tussen de situatie waarin de belanghebbende wel of geen hoofdbewoner
                        is. </al><al>Als de belanghebbende hoofdbewoner is en de kosten met anderen kan delen,
                        dan is een lagere toeslag aan de orde dan genoemd in het tweede lid. Kan de
                        belanghebbende de kosten met één persoon delen, dan bedraagt de toeslag 10%
                        van de gehuwdennorm. Is sprake van twee inwonenden, dan bedraagt de toeslag
                        0%. </al><al>Doet zich de situatie voor dat de belanghebbende geen hoofdbewoner is van
                        een woning, maar inwonend is, dan wordt hij geacht de algemeen noodzakelijke
                        kosten van het bestaan met één ander persoon (de hoofdbewoner) te kunnen
                        delen. Een toeslag van 10%, conform het onderdeel a. van dit lid, is dan van
                        toepassing.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In dit lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden niet worden meegeteld als
                        personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt
                        daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                        verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. De verzorging moet
                        wel door de belanghebbende plaatsvinden.</al><al>In artikel 1, eerste lid, onderdeel k van deze verordening is bij de
                        begripsbepalingen geregeld dat de verzorgingsbehoevende aangewezen is op
                        verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis.
                        Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond waarvan de
                        verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur een verklaring
                        van deze strekking die is afgegeven door een arts. </al><al>Dit uitgangspunt geldt ook voor de verzorgingsbehoevende belanghebbende; ook
                        in deze situatie wordt het niet wenselijk geacht om belanghebbende vanwege
                        zijn zorgbehoevendheid te confronteren met een lagere toeslag.</al><al>Het feit dat een belanghebbende als verzorger van een verzorgingsbehoevende
                        is aan te merken is</al><al>overigens geen reden om hem te ontheffen van de verplichting om algemeen
                        geaccepteerde arbeid</al><al>te zoeken en te aanvaarden. Uiteraard geldt wel het staande beleid met
                        betrekking tot mantelzorg. Bij het opstellen van deze verordening was de
                        beleidsregel van toepassing dat alleen (tijdelijk) ontheffing van de
                        arbeidsverplichtingen aan de orde is als de mantelzorg wordt verleend door
                        de echtgenoot, een inwonend (pleeg)kind, een ouder of een inwonende
                        bloedverwant in de tweede graad.</al><al>Mocht sprake zijn van een situatie als genoemd in artikel 28, derde lid,
                        WIJ, dan wordt de niet-rechthebbende partner niet aangemerkt als een ander
                        die zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. Immers, met de hoogte van
                        het inkomen van deze partner wordt al rekening gehouden bij de vaststelling
                        van de hoogte van de inkomensvoorziening van de rechthebbende partner.</al><al>Artikel 38 Verlaging norm gehuwden</al><al>Lid 1De hoogte van de inkomensvoorzieningsnorm van alleenstaanden
                        en alleenstaande ouders is afhankelijk van de mate waarin zij de kosten van
                        het bestaan kunnen delen. Hoe meer kosten kunnen worden gedeeld, hoe lager
                        de toeslag is. Ook gehuwden kunnen schaalvoordelen genieten aangezien zij de
                        kosten van het bestaan kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning
                        niet alleen bewonen. Deze schaalvoordelen leiden ertoe dat de norm voor
                        gehuwden wordt verlaagd. De omvang van de schaalvoordelen is afhankelijk van
                        het aantal personen waarmee de kosten kunnen worden gedeeld. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Zie de toelichting op artikel 37, derde lid. In tegenstelling tot artikel
                        37, is er in dit artikel sprake van een verlaging in plaats van een toeslag.
                        Dit betekent dat als de gehuwden hoofdbewoner zijn en zij met één persoon de
                        kosten kunnen delen, de verlaging 10% bedraagt. Bij twee inwonende personen
                        is deze verlaging 20%.</al><al>Zijn de gehuwden geen hoofdbewoner, maar inwonend, dan is de verlaging 10%.
                        Zij kunnen de kosten dan met één ander persoon (de hoofdbewoner) delen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Zie de toelichting op artikel 37, vierde lid. </al><al>Artikel 39 Verlaging woonsituatie</al><al>Artikel 32 van de wet geeft de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                        verlagen in zoverre een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 32 WIJ is
                        bedoeld als aanvulling op de artikelen 26, 27, 28 en 30 van de WIJ. Blijkens
                        artikel 32 WIJ is een verlaging mogelijk in het geval aan de door
                        belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten zijn verbonden, maar ook in
                        het geval er helemaal geen woning wordt bewoond.</al><al>In dit artikel is onder a een verlaging opgenomen ingeval aan de woning voor
                        de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten zijn verbonden.
                        Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>krakers, personen die gratis in een bedrijfspand wonen, een kind dat
                                gratis in een woning van zijn ouder(s) woont, een hypotheek die
                                volledig is afgelost; </al></li><li nr="·"><al>het, na een verlating, (tijdelijk) doorbetalen van de vaste lasten
                                (zowel bij een koop- als een huurwoning) door de andere
                                partner.</al></li></lijst><al>Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken
                        naar de mate waarin deze kosten ontbreken. Indien een belanghebbende
                        uitzonderlijk lage kosten van huur of hypotheeklasten heeft, kan dat
                        uiteraard wel aanleiding zijn de inkomensvoorziening afwijkend vast te
                        stellen. In de verordening wordt overigens niet het begrip 'woonkosten'
                        gehanteerd, maar 'kosten van huur of hypotheeklasten'. Daarmee wordt
                        duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke
                        (gebruikerskosten voor het bewoonbaar houden van de woning), voor
                        belanghebbende niet voldoende is om een verlaging van de norm en/of de
                        toeslag krachtens dit artikel te voorkomen.</al><al>Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep
                        heeft gegeven aan het begrip woonkosten in de zin van artikel 35, eerste lid
                        Abw en artikel 27 van de WWB (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW
                        en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW, CRvB 03-01-2006, nr. 05/5952 WWB)</al><al>Ook is een verlaging mogelijk ingeval er door belanghebbende in het geheel
                        geen woning wordt bewoond. Hierbij kan gedacht worden aan dak- en
                        thuislozen. Overigens geschiedt de verlening van inkomensvoorziening aan
                        belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                        gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op grond van artikel 13,
                        derde lid van de wet door bij amvb aan te wijzen centrumgemeenten (in casu
                        de gemeente Rotterdam). Maar niet elke belanghebbende zonder woning is
                        (direct) een adresloze in de zin van aangehaalde wet. Vandaar dat het
                        belangrijk is om deze bepaling op te nemen in de verordening. In de regel
                        zal een dak- en thuisloze geen kosten hebben voor het aanhouden van
                        woonruimte. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt
                        aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten
                        maken voor dak- en thuislozenopvang. Deze kosten kunnen bij de vaststelling
                        van de uitkeringshoogte worden betrokken. </al><al>Ook ten aanzien van deze verlaging voert de gemeente een categoriaal beleid.
                        Als de situatie zich voordoet, is het niveau van de verlaging 20%, ongeacht
                        de werkelijke besparing van kosten.</al><al>Artikel 40 Verlaging schoolverlaters</al><al>Degene die recentelijk de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding, op
                        grond waarvan er recht bestond op studiefinanciering op grond van de Wet
                        studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en
                        de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                        onderwijsbijdrage en schoolkosten, heeft beëindigd, ontvangt overeenkomstig
                        het bepaalde in artikel 33 van de wet een lagere uitkering. Van belang is
                        dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op studiefinanciering of een
                        tegemoetkoming en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in theorie
                        recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt
                        uit de toelichting op artikel 33 van de wet.</al><al>De reden van de verlaging is dat de omstandigheden en mogelijkheden van
                        degenen die recentelijk de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding
                        hebben beëindigd gedurende een zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met
                        die van studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in
                        beginsel op hetzelfde niveau worden gesteld als dat voor hen tijdens de
                        studieperiode op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet
                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten was gegarandeerd.</al><al>Bij de vaststelling van de verlaging wordt echter wel rekening gehouden met
                        het feit dat de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan stijgen in
                        verband met een wijziging in het uitgavenpatroon, in verband met
                        activiteiten in het kader van arbeidsmarktinschakeling (aanschaf extra
                        kleding en dergelijke).</al><al>De zogenaamde schoolverlaterskorting wordt toegepast bij álle categorieën
                        die recht hebben op een inkomensvoorziening, ongeacht hun woonsituatie. Dit
                        betekent dat de periodieke inkomensvoorziening van zowel uitwonende als
                        thuiswonende schoolverlaters (tijdelijk) wordt verlaagd.</al><al>De verlaagde uitkering geldt voor een periode van zes maanden, aansluitend
                        op de datum waarop de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding is
                        beëindigd. Vanaf de 7e maand na de datum waarop de deelname aan onderwijs of
                        een beroepsopleiding is beëindigd, vervalt de mogelijkheid tot verlaging.
                        Dit valt te herleiden uit artikel 33 van de wet.</al><al>Uitgangspunt van de verlaging is de relatie met het bedrag dat in de toelage
                        studiefinanciering zit voor de kosten van levensonderhoud. Omgerekend naar
                        een percentage van de uitkering bedraagt deze verlaging, afgerond, 25% van
                        het netto minimumloon.</al><al>Omdat de kosten van het bestaan stijgen, onder meer als gevolg van de
                        activiteiten die de belanghebbende dient te verrichten in het kader van
                        arbeidsmarktinschakeling (sollicitaties, aanschaf kleding en dergelijke),
                        wordt de verlaging voor de thuiswonende schoolverlaters vastgesteld op 20%
                        van de gehuwdennorm. </al><al>Voor de categorie uitwonende schoolverlaters wordt de verlaging vastgesteld
                        op 10% van de gehuwdennorm. Dit houdt verband met het feit dat deze groep
                        hogere bestaanskosten heeft.</al><al>Een thuiswonende schoolverlater is een persoon die woonachtig is bij zijn of
                        haar ouders of bij één van beide ouders. Bij een uitwonende schoolverlater
                        is sprake van geen inwoning bij de ouder(s). Woont de belanghebbende
                        bijvoorbeeld bij een tante, oom, oma, zus, broer, vriend, etc. dan is
                        hij/zij een uitwonende schoolverlater. </al><al>Artikel 41 Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 jaar</al><al>Artikel 34 van de wet biedt de mogelijkheid om de toeslag voor
                        alleenstaanden van 21 of 22 jaar lager vast te stellen. De gemeente kan
                        hiertoe overgaan als zij van mening is dat, gezien de hoogte van het
                        minimumjeugdloon, de hoogte van de toeslag een belemmering kan vormen voor
                        de aanvaarding van arbeid.</al><al>Er is aansluiting gezocht bij het minimumloon. Voorkomen moet worden dat
                        voor met name de groep 21-jarigen de inkomensvoorziening hoger uitvalt dan
                        het loon dat men verdient met een baan. Het toepassen van deze verlaging
                        voorkomt dit. Dit bevordert de uitstroom naar de arbeidsmarkt. Het te
                        hanteren kortingspercentage van 10% voor de 21-jarige thuis- en uitwonenden
                        wordt reëel en voldoende geacht om dit gewenste doel te bereiken. Bij de
                        categorie 22-jarigen is er - in vergelijking tot het minimumloon - geen
                        sprake van een hogere inkomensvoorziening. Daarom is er vanaf gezien om bij
                        de 22-jarigen een leeftijdskorting toe te passen.</al><al>Artikel 34 van de wet biedt alléén de mogelijkheid om de toeslag te
                        verlagen. Dit betekent dat, indien een 21-jarige alleenstaande bovenop de
                        norm een toeslag ontvangt, deze toeslag lager kan worden gesteld. Echter, in
                        het geval een 21-jarige alleenstaande slechts de norm van 50% ontvangt (hij
                        woont zelfstandig en er wonen 2 personen bij hem in), dan kan de
                        leeftijdskorting niet worden toegepast! Verlaat in dat laatste geval één
                        inwoner de woning, en de belanghebbende is nog steeds 21 jaar, dan dient de
                        te verlenen toeslag (+ 10%) te worden verrekend met de toe te passen
                        leeftijdskorting (- 10%).</al><al>Artikel 42 Anti-cumulatiebepaling</al><al>In artikel 35, tweede lid, onderdeel b WIJ is expliciet opgenomen dat de
                        gemeente in de verordening inzake het verhogen en verlagen van de norm en de
                        toeslag een anti-cumulatiebepaling moet opnemen voor de categorie
                        alleenstaanden van 21/22 jaar en schoolverlaters. De wetgever beoogt hiermee
                        te bereiken dat het tegelijkertijd verlagen van de norm en/of de toeslag op
                        grond van leeftijd én op grond van schoolverlaterschap niet mogelijk
                        is.</al><al>Er is voor gekozen om voor de categorie alleenstaande schoolverlaters van 21
                        jaar van beide verlagingsmogelijkheden (schoolverlating en leeftijd) gebruik
                        te maken. De verlagingen mogen echter niet gelijktijdig worden toegepast.
                        Dat neemt niet weg dat, waar de schoolverlaterskorting slechts een half jaar
                        mag worden toegepast, bij een 21-jarige alleenstaande schoolverlater de
                        eerdergenoemde leeftijdskorting aansluitend op de schoolverlaterskorting
                        dient te worden toegepast. Dit is derhalve niet in strijd met de
                        anticumulatie-bepaling.</al><al><vet>Artikel </vet><vet> 43</vet><vet> Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel </vet><vet> 44</vet><vet> Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>