<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR308721_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Notitie toezicht en handhaving kinderopvang en peuterspeelzaalwerk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reusel-De Mierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">D’n Uitkijk, 25-10-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Notitie toezicht en handhaving kinderopvang en peuterspeelzaalwerk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-10-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B&amp;W 13-465</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregel handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Het betreft een regionale beleidsnotitie.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Notitie Toezicht en handhaving kinderopvang en peuterspeelzaalwerk
            </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Voorwoord </label></kop><structuurtekst><al>Het doel van deze beleidsnotitie is, om met de 21 gemeenten in Zuidoost
                            Brabant te komen tot een zo uniform mogelijke werkwijze met betrekking
                            tot toezicht en handhaving kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.</al><al>In hoofdstuk 1 worden een aantal definities en kaders beschreven. In
                            hoofdstuk 2 wordt dieper ingegaan op de rol van het toezicht en de wijze
                            waarop deze plaatsvindt. Hoofdstuk 3 gaat specifiek in op een relatief
                            jong onderdeel van dit toezicht: overleg en overreding. Hoofdstuk 4, tot
                            slot, gaat kort in op handhaving.</al><al>Samen met deze beleidsnotitie zijn de Beleidsregels handhaving Wet
                            kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen vastgesteld. In deze
                            Beleidsregels is de handhaving verder uitgewerkt en is een
                            afwegingsoverzicht opgenomen. In dit afwegingsoverzicht wordt aan de
                            verschillende overtredingen een prioriteit toegekend en een daarmee
                            samenhangend boetebedrag. De Beleidsregels vormen de concrete uitwerking
                            van de in de beleidsnotitie omschreven werkwijze. Ook bevatten zij de
                            voorwaarden waaronder in de regio Brabant-Zuidoost niet handhavend wordt
                            opgetreden wanneer een oudercommissie ontbreekt.</al><al>In een tweede bijlage zijn de werkafspraken tussen de GGD en de 21
                            gemeenten opgenomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>1</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Deze beleidsnotitie gaat over toezicht en handhaving kinderopvang en
                            peuterspeelzalen op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                            peuterspeelzalen (Wko).</al><al>Onder <onderstreept>kinderopvang </onderstreept>wordt hierbij verstaan,
                            het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen
                            aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop
                            het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint (artikel 1.1 lid 1
                            Wko).</al><al>Er zijn verschillende soorten kinderopvang:</al><lijst><li nr="-"><al>kinderdagverblijven</al></li><li nr="-"><al>buitenschoolse opvang</al></li><li nr="-"><al>gastouderopvang (geregistreerd bij een gastouderbureau)</al></li></lijst><al>Daarnaast vallen ook gastouderbureaus, die zelf geen opvang bieden maar
                            gastouderopvang tot stand brengen en begeleiden, onder toezicht en
                            handhaving kinderopvang.</al><al>Onder <onderstreept>peuterspeelzaal</onderstreept> wordt verstaan, een
                            voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan
                            gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum. Een
                            peuterspeelzaal is gericht op verzorging, opvoeding en het bijdragen aan
                            de ontwikkeling van kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het
                            tijdstip waarop zij kunnen deelnemen aan het basisonderwijs (artikel 2.1
                            lid 1 Wko).</al><al>Een<onderstreept> kindercentrum</onderstreept> is een voorziening waar
                            kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang (artikel 1.1 lid 1
                            Wko).</al><al>In de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen worden twee
                            zaken geregeld:</al><lijst><li nr="-"><al>de financiering van de kosten van de kinderopvang en</al></li><li nr="-"><al>de kwaliteit van de kinderopvang en peuterspeelzalen en toezicht
                                    en handhaving daarop.</al></li></lijst><al>De kwaliteitseisen zijn nader uitgewerkt in</al><lijst><li nr="-"><al>Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
                                    (Besluit)</al></li><li nr="-"><al>Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012
                                    (Regeling)</al></li><li nr="-"><al>Regeling Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                                    peuterspeelzalen</al></li><li nr="-"><al>Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie</al></li><li nr="-"><al>Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk</al></li></lijst><al>Deze wet- en regelgeving vormt het wettelijke kader voor toezicht en
                            handhaving van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk.</al><al>Ondernemers zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun
                            kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal. De gemeente i.c. het
                            college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) is belast
                            met het toezicht op de kwaliteit en met de handhaving en sanctionering
                            van overtredingen op het gebied van deze kwaliteit. Het toezicht wordt
                            namens het college uitgevoerd door de GGD Brabant-Zuidoost (GGD).
                            Handhaving en sanctionering kan door het college gemandateerd zijn
                            binnen de gemeentelijke organisatie.</al><al>Elk jaar stelt het college een jaarverslag omtrent toezicht en
                            handhaving Wko op. Dit jaarverslag wordt aangeboden aan de gemeenteraad
                            en digitaal aangeleverd bij de Inspectie van het Onderwijs.</al><al/><al><vet>Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en de wet OKE</vet></al><al>Per 1 augustus 2010 is de wet Ontwikkelingskansen door kwaliteit en
                            educatie (wet OKE) in werking getreden. Deze wet regelt harmonisering
                            van de regelgeving van kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en voor- en
                            vroegschoolse educatie. Met ingang van deze datum is de Wet kinderopvang
                            daarmee gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                            peuterspeelzalen. Nadere eisen voor de voor- en vroegschoolse educatie
                            liggen vast in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse
                            educatie en worden door de GGD getoetst binnen het kader van toezicht en
                            handhaving Wko. </al><al>Doelstelling van de wet OKE is, om voor jonge kinderen in
                            peuterspeelzalen en kinderdagverblijven een veilige, stimulerende
                            omgeving te creëren waarbij medewerkers in staat zijn om een risico op
                            een taalachterstand in het Nederlands te signaleren en effectief aan te
                            pakken. </al><al>De belangrijkste elementen van de wet OKE zijn, dat</al><lijst><li nr="-"><al>er kwaliteitseisen zijn voor peuterspeelzalen,</al></li><li nr="-"><al>de regierol van gemeenten ten aanzien van het
                                    onderwijsachterstandenbeleid is verstevigd en</al></li><li nr="-"><al>gemeenten de verantwoordelijkheid hebben gekregen voor het
                                    aanbod en de toegankelijkheid van de voorschoolse educatie
                                    (VVE).</al></li></lijst><al>De kwaliteit van de peuterspeelzalen en het toezicht en handhaving
                            hierop valt onder de Wko. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid voor
                            de peuterspeelzalen en hebben met ingang van 1 augustus 2010 de
                            wettelijke taak om toezicht en handhaving op de kwaliteit van het
                            peuterspeelzaalwerk uit te voeren. De Inspectie van het Onderwijs houdt
                            toezicht op de educatieve kwaliteit van de voorschoolse educatie.</al><al>Binnen sommige gemeenten heeft een volledige harmonisatie van
                            kinderopvang en peuterspeelzalen plaatsgevonden. Hierbij zijn de
                            peuterspeelzalen opgeheven en volledig geïntegreerd binnen de
                            kinderopvang in de vorm van peuterprogramma’s voor kinderen tussen de
                            2,5 en 4 jaar. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>2 </nr><titel>Toezicht kinderopvang en peuterspeelzalen</titel></kop><structuurtekst><al>In de Wko, het Besluit en de Regeling staan de basisvoorwaarden waaraan
                            kinderopvang en peuterspeelzaalwerk moeten voldoen. Ook het toezicht
                            hierop is in deze wet- en regelgeving geregeld. In dit hoofdstuk wordt
                            beschreven hoe aan dit toezicht in de 21 gemeenten in Zuidoost Brabant
                            vorm wordt gegeven. Hierbij is een uitsplitsing gemaakt tussen toezicht
                            op kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang (kindercentra),
                            gastouderbureaus en peuterspeelzalen enerzijds en gastouders
                            anderzijds.</al><al>Naast eisen op basis van de Wko zijn er ook eisen vanuit andere
                            wetgeving zoals bijvoorbeeld brandveiligheid en Bouwbesluit. Deze liggen
                            niet vast in de Wko; ook toezicht en handhaving hierop vallen niet onder
                            de Wko. In deze beleidsnotitie wordt alleen toezicht met betrekking tot
                            de Wko beschreven.</al><al>Toezicht gebeurt door middel van een inspectie op basis van een
                            toetsingskader. Het resultaat van een inspectie wordt vastgelegd in een
                            inspectierapport dat na de hoor- en wederhoorfase en eventuele
                            zienswijze openbaar wordt. Als uit een inspectierapport blijkt dat
                            overtredingen zijn geconstateerd, kan de gemeente handhavend
                            optreden.</al></structuurtekst><paragraaf><kop><nr>2.1 </nr><titel>Kindercentra, gastouderbureaus en peuterspeelzalen </titel></kop><structuurtekst><al>Ieder jaar worden tussen de GGD en de 21 gemeenten in Zuidoost
                                Brabant afspraken gemaakt over de inspecties van de kindercentra,
                                gastouderbureaus en peuterspeelzalen. De volgende inspectievormen
                                kunnen daarbij onderscheiden worden:</al><tussenkop> 2.1.1 Onderzoek voor registratie (OVR) </tussenkop><al>De houder die van plan is een voorziening voor kinderopvang, een
                                    gastouderbureau of peuterspeelzaal te gaan exploiteren dient
                                    hiertoe bij het college middels een aanvraagformulier een
                                    aanvraag in voor registratie in het Landelijk Register
                                    Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP). </al><al>Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag controleert de
                                    gemeente of deze volledig is. Als deze aanvraag, eventueel na
                                    een hersteltermijn van 14 dagen, volledig is, stuurt de gemeente
                                    een kopie van het aanvraagformulier samen met een opdracht tot
                                    ‘onderzoek voor registratie’ naar de GGD. </al><al>Uiterlijk 6 weken na ontvangst van de opdracht meldt de
                                    toezichthouder middels een inspectierapport aan het college of
                                    de exploitatie redelijkerwijs in overeenstemming met de Wko kan
                                    plaatsvinden. De GGD stuurt een afschrift van het
                                    inspectierapport naar de houder.</al><al>Binnen een termijn van tien weken na ontvangst van de volledige
                                    aanvraag bericht het college de houder of de locatie wel of niet
                                    in exploitatie mag worden genomen. Als de locatie in exploitatie
                                    kan worden genomen, wordt in dit besluit tevens het
                                    registratienummer uit het LRKP vermeld. Een afschrift van het
                                    besluit wordt door de gemeente naar de GGD verstuurd.</al><al>Als het college niet binnen de gestelde tien weken een besluit
                                    heeft genomen, wordt de locatie, in verband met de Lex Silencio
                                    Positivo, van rechtswege ingeschreven in het LRKP – ook indien
                                    het advies tot opname in dit register negatief was.</al><al>De gemeente overlegt met de GGD als:</al><lijst><li nr="-"><al>een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal in
                                            exploitatie wordt genomen voordat dit formeel is
                                            gemeld;</al></li><li nr="-"><al>een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal in
                                            exploitatie wordt genomen voordat de in de wet genoemde
                                            termijn van tien weken na aanvraag is verstreken en er
                                            nog geen positief besluit van de gemeente is
                                            ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal kindplaatsen is uitgebreid zonder dat dit is
                                            gemeld bij de gemeente.</al></li></lijst><al>Als het vermoeden bestaat dat het kindercentrum, gastouderbureau
                                    of peuterspeelzaal niet zal voldoen aan de kwaliteitseisen,
                                    genoemd in de Wko, kan een sanctie worden opgelegd of wordt het
                                    kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal niet opgenomen
                                    in het LRKP. </al><tussenkop> 2.1.2  Onderzoek na registratie (ONR) </tussenkop><al>Binnen drie maanden nadat een kindercentrum, gastouderbureau of
                                    peuterspeelzaal in exploitatie is genomen, voert de GGD een
                                    onderzoek na registratie uit. De opdracht hiertoe is door de
                                    gemeente aan de GGD verstrekt bij het verzoek tot inspectie van
                                    de locatie voor registratie. </al><al>Het onderzoek na registratie richt zich op dezelfde onderdelen
                                    als een reguliere inspectie.</al><tussenkop> 2.1.3  Reguliere inspectie </tussenkop><al><vet>Risicoprofielen voor risicogestuurd toezicht</vet></al><al>Het toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang is vanaf 2012
                                    in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en
                                    Werkgelegenheid (SZW) nog meer risicogestuurd ingezet. Alle
                                    GGD-en zijn gaan werken met risicoprofielen (zie tabel
                                    hieronder). Toezichthouders stellen aan de hand van een
                                    landelijk risicoprofiel van iedere locatie een risicoprofiel op.
                                    Bij het opstellen van het profiel wordt vanuit het opgebouwde
                                    inspectie- en handhavingsverleden nagegaan of er een verhoogde
                                    kans bestaat op niet-naleving van de kwaliteitseisen. De
                                    uitkomsten worden hiermee dus gebruikt voor het bepalen van de
                                    vorm en mate van een volgende inspectie. </al><al>Het risicoprofiel is daarmee geen inspectierapport. Een
                                    inspectie met bijbehorend inspectierapport geeft een oordeel
                                    over de kwaliteit op een bepaald moment. Dit geldt niet voor de
                                    uitkomst van het risicoprofiel. Aan een inspectierapport is
                                    eventueel een handhavingsadvies aan de gemeente gekoppeld. Aan
                                    het risicoprofiel is alleen de vorm en mate van inspectie
                                    gekoppeld.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="57*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Risicogestuurd toezicht </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Soort inspectie</al></entry><entry colname="col2"><al>Betekenis van de indicatorkleur</al></entry><entry colname="col3"><al>Gemiddelde inspectietijd *</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>GROEN</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen reden tot zorg, noch over de actuele
                                                  situatie noch over de nabije toekomst</al></entry><entry colname="col3"><al>6 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>GEEL</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen reden tot zorg over actuele situatie,
                                                  lichte zorg over nabije toekomst</al></entry><entry colname="col3"><al>10 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ORANJE</al></entry><entry colname="col2"><al>Lichte zorg over actuele situatie, zorg over
                                                  nabije toekomst</al></entry><entry colname="col3"><al>16 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>ROOD</al></entry><entry colname="col2"><al>Zorg of serieuze zorg over actuele situatie,
                                                  serieuze zorg over nabije toekomst</al></entry><entry colname="col3"><al>30 uur</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Dit is het totaal aan inspectie-uren dat per locatie
                                        per jaar gemiddeld nodig is (indicatief). Het omvat alle
                                        inspectieactiviteiten. Bij rode en oranje locaties is dit
                                        inclusief een nader onderzoek op de tijdens de vorige
                                        inspectie geconstateerde overtredingen.</cursief></al><al>De invoering van risicogestuurd toezicht op peuterspeelzalen
                                    start in 2014. De locaties hebben dan twee jaar volledige
                                    inspecties gehad op de eisen uit de Wko. De GGD maakt in 2014
                                    voor alle peuterspeelzalen een risicoprofiel. De inspecties
                                    worden vanaf januari 2015 op basis van het risicoprofiel
                                    vormgegeven. </al><al/><al><vet>Inspectiecyclus</vet></al><al>Jaarlijks vindt toezicht plaats op alle locaties inclusief de
                                    gastouderbureaus. Op basis van het opgestelde risicoprofiel
                                    werkt de toezichthouder de benodigde inspectieactiviteit voor de
                                    locatie uit. Dit gebeurt binnen de kaders van de gemeentelijke
                                    afspraken met de GGD. De toezichthouder stelt de omvang,
                                    diepgang, frequentie en type van onderzoek vast. Dit leidt tot
                                    een inspectie op maat voor iedere locatie. </al><al>Locaties waarvan op basis van de risico-inschatting wordt
                                    verwacht dat geen zorg bestaat over de kwaliteit, noch nu noch
                                    in de nabije toekomst, worden tijdens het inspectiebezoek
                                    minstens getoetst op de belangrijkste kwaliteitseisen, de
                                    zogeheten ‘kernelementen’ (personeel, groepsgrootte en
                                    beroepskracht/kind ratio, pedagogisch praktijk). </al><al>Het bepalen van de inspectieactiviteit is een voortdurend proces
                                    zonder start of eindpunt. Een inspectie levert namelijk veel
                                    informatie op die van invloed kan zijn op de risico-inschatting.
                                    In de perioden tussen de locatie-inspecties kan het
                                    risicoprofiel en daarmee de inspectieactiviteit bijgesteld
                                    worden als daarvoor aanleiding is. Bijvoorbeeld na melding van
                                    een klacht of signaal of omdat een handhavingsmaatregel van de
                                    gemeente niet tot verbetering heeft geleid. Uiteraard vindt ook
                                    positieve bijstelling plaats – bijvoorbeeld wanneer blijkt, dat
                                    er wél verbetering is opgetreden en overtredingen zijn
                                    opgelost.</al><tussenkop> 2.1.4  Nader onderzoek </tussenkop><al>Naar aanleiding van het inspectierapport kan het college de
                                    houder een sanctie opleggen. Het kan hierbij gaan om een
                                    herstellende of een bestraffende sanctie (zie hoofdstuk 4 en
                                    Beleidsregels). </al><al>Als een herstellende sanctie is opgelegd en gebleken is, dat de
                                    houder van het kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal
                                    binnen de gestelde termijn daarop heeft gereageerd, stelt de
                                    gemeente de GGD hiervan in kennis. Indien noodzakelijk geeft de
                                    gemeente de GGD opdracht tot het uitvoeren van een nader
                                    onderzoek. De GGD bepaalt aan de hand van deze opdracht in
                                    overleg met de gemeente of een inspectiebezoek noodzakelijk is
                                    of dat volstaan kan worden met een papieren controle
                                    (documentenonderzoek). </al><al> Bij locaties met een rood of oranje risicoprofiel is het eerste
                                    onderzoek een reguliere inspectie met een toets op de tijdens de
                                    vorige inspectie geconstateerde overtredingen. Hiervoor hoeft
                                    geen afzonderlijke opdracht tot nader onderzoek te worden
                                    gegeven.</al><al>Ook als de houder niet heeft gereageerd op de opgelegde sanctie
                                    kan de gemeente de GGD opdracht geven tot het uitvoeren van een
                                    nader onderzoek. Met dit nader onderzoek wordt gecontroleerd of
                                    de houder de geconstateerde overtredingen ondanks het uitblijven
                                    van een reactie afdoende heeft opgelost. Afhankelijk van de
                                    urgentie en aard van de overtreding(en) kan dit onderzoek
                                    onaangekondigd worden uitgevoerd.</al><al>Een houder kan en mag de gemeente (niet de GGD) verzoeken
                                    opdracht te geven tot een nader onderzoek om de tekortkomingen
                                    opnieuw te beoordelen.</al><tussenkop> 2.1.5  Incidenteel onderzoek </tussenkop><al>Naar aanleiding van een melding over onvoldoende kwaliteit,
                                    klachten van derden of berichten uit de media kan de GGD
                                    incidenteel onderzoek verrichten. Afhankelijk van de urgentie en
                                    aard van de melding of klacht kan dit onderzoek onaangekondigd
                                    worden uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek vindt echter pas
                                    plaats nádat de GGD hiervoor een schriftelijke opdracht van de
                                    gemeente heeft ontvangen. De uitkomst van een dergelijk
                                    onderzoek zal door de GGD via een inspectierapport zowel aan de
                                    gemeente als aan de direct betrokkene(n) (houder en/of klager)
                                    meegedeeld worden. </al><al>Ook kan de GGD op de hoogte raken of gebracht worden van
                                    niet-geregistreerde kinderopvang. Na overleg met de gemeente en
                                    na ontvangst van een schriftelijke opdracht, vindt onderzoek
                                    plaats door de GGD.</al><tussenkop> 2.1.6 Wijzigingen kindercentra/gastouderbureaus/peuterspeelzalen
                                </tussenkop><al>Een houder is verplicht alle wijzigingen direct door te geven
                                    aan het college. Het college is verantwoordelijk voor de inhoud
                                    en kwaliteit van het LRKP. In overleg met de GGD wordt bepaald
                                    of de wijzigingen kunnen worden doorgevoerd in het LRKP danwel
                                    aanleiding geven tot een inspectie.</al><al/><al><vet>Voorziening niet in exploitatie</vet></al><al>Als op een geregistreerde voorziening geen kinderen (meer)
                                    worden opgevangen, wordt deze voorziening uit het LRKP
                                    uitgeschreven. Dit gebeurt op grond van artikel 8, lid 1b van
                                    het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Aan
                                    een uitschrijving uit het register gaat altijd een voornemen tot
                                    uitschrijving vooraf. De houder wordt daarbij in de gelegenheid
                                    gesteld om binnen 2 weken een zienswijze in te dienen op de
                                    voorgenomen uitschrijving.</al><al>In de regio Brabant-Zuidoost wordt tot deze uitschrijving
                                    overgegaan als de opvangvoorziening drie maanden niet in
                                    exploitatie is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>2.2</nr><titel>Gastouders </titel></kop><structuurtekst><al>Vanaf 2010 moeten ook gastouders geïnspecteerd worden en moeten zij
                                geregistreerd worden in het LKRP. Om dit toezicht beter te laten
                                aansluiten bij de verantwoordelijkheid van het gastouderbureau
                                controleert de GGD vanaf 2012 jaarlijks een selectie van gastouders.
                                Deze steekproef bedraagt tussen de 5% en 20% van het totaal aantal
                                voorzieningen voor gastouderopvang in de gemeente. Elke gemeente
                                bepaalt zelf, in overleg met de GGD, de selectiecriteria voor deze
                                steekproef. Het risicoprofiel van het gastouderbureau dient hierbij
                                als basis. </al><tussenkop> 2.2.1  Inspectie gastouders </tussenkop><al>Bij een nieuwe aanvraag voor een voorziening voor
                                    gastouderopvang wordt geen onderscheid gemaakt tussen de
                                    gastouderlocatie en de vraagouderlocatie. Dit betekent, dat bij
                                    een nieuwe aanvraag voor opname in het LRKP een inspectie wordt
                                    uitgevoerd op het volledige toetsingskader, óók als de opvang
                                    plaatsvindt in de woning van de vraagouder. Voorafgaand aan deze
                                    inspectie controleert de gemeente of de aanvraag volledig is
                                    (zie ook 2.1.1).</al><al>Een inspectie start met een documentenonderzoek. De GGD
                                    controleert of de gastouder beschikt over de vereiste papieren:
                                    een getuigschrift of diploma van een opleiding zoals opgenomen
                                    in het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen, een
                                    geregistreerd en geldig EHBO-diploma en een Verklaring Omtrent
                                    het Gedrag (VOG) die bij overlegging aan het gastouderbureau
                                    niet ouder is dan twee maanden. </al><al>Als aan dit eerste deel van het onderzoek niet wordt voldaan,
                                    kan de GGD besluiten geen onderzoek op locatie uit te voeren
                                    (het tweede deel van het onderzoek) omdat de aanvraag al op
                                    grond van onjuiste documenten afgewezen kan worden. Als wél
                                    wordt voldaan, vindt een onderzoek op locatie plaats
                                    (huisbezoek).</al><al>Zowel het documentenonderzoek, het onderzoek op locatie als het
                                    besluit op de aanvraag tot registratie moeten plaatsvinden
                                    binnen tien weken na ontvangst van de (volledige) aanvraag. Ook
                                    hier geldt, dat wanneer het besluit op de aanvraag niet binnen
                                    deze gestelde tien weken is genomen, inschrijving in het LRKP
                                    van rechtswege plaatsvindt – ongeacht de uitkomst van het
                                    onderzoek. </al><tussenkop> 2.2.2 Wijzigingen gastouders</tussenkop><al>In de Wko is in artikel 1.47 bepaald, dat een houder van een
                                    gastouderbureau onmiddellijk mededeling moet doen van wijzingen
                                    in de gegevens die bij de aanvraag zijn verstrekt. In overleg
                                    met de GGD wordt bepaald, of deze wijzigingen aanleiding geven
                                    tot inspectie. </al><al/><al><vet>Gastouderopvang is niet in exploitatie</vet></al><al>Als op een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang geen
                                    kinderen worden opgevangen, wordt deze voorziening uit het LRKP
                                    uitgeschreven. Dit gebeurt op grond van artikel 8, lid 1b van
                                    het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Aan
                                    een uitschrijving uit het register gaat altijd een voornemen tot
                                    uitschrijving vooraf. De gastouder wordt daarbij in de
                                    gelegenheid gesteld om binnen 2 weken een zienswijze in te
                                    dienen op de voorgenomen uitschrijving.</al><al>In de regio Brabant-Zuidoost wordt tot deze uitschrijving
                                    overgegaan als de opvangvoorziening drie maanden niet in
                                    exploitatie is.</al><al>Wanneer sprake is van tijdelijke onderbreking (bijvoorbeeld door
                                    ziekte of zwangerschap van de gastouder), waarbij een duidelijk
                                    perspectief is op het binnen afzienbare tijd hervatten van de
                                    opvang, kan de registratie gehandhaafd blijven. Dit is ter
                                    beoordeling aan de gemeente. </al><al/><al><vet>Tijdelijke vervanging gastouder</vet></al><al>Het is toegestaan, dat een geregistreerde gastouder een andere
                                    gastouder vervangt tijdens (kortdurende) ziekte of vakantie op
                                    het adres van die andere gastouder. Wel is belangrijk, dat deze
                                    gastouder door hetzelfde gastouderbureau bemiddeld wordt. </al><al/><al><vet>Verzoek tot uitschrijving zonder handtekening</vet></al><al>Wijzigingsformulieren die namens de gastouder worden ingediend
                                    door het gastouderbureau dienen voorzien te zijn van een
                                    handtekening van die gastouder. Als een wijzigingsformulier met
                                    verzoek tot uitschrijving uit het LRKP wordt ingediend zonder
                                    handtekening, wordt eerst aan het gastouderbureau gevraagd om
                                    alsnog aan de gastouder een handtekening te vragen. De
                                    behandeling van het verzoek tot wijziging wordt dan maximaal
                                    twee weken opgeschort. Mocht het gastouderbureau niet in staat
                                    zijn de handtekening te verkrijgen, moet worden aangetoond dat
                                    dit wel geprobeerd is. Als aanvullende informatie moet in dit
                                    geval een kopie van het bewijsstuk opgestuurd worden waaruit
                                    blijkt, dat de bemiddelingsrelatie tussen het gastouderbureau en
                                    de gastouder is opgezegd. Het college stuurt ook in dit geval
                                    voorafgaand aan de uitschrijving uit het register, aan de
                                    gastouder een voornemen tot uitschrijving. De gastouder heeft
                                    twee weken om te reageren op het voornemen middels een
                                    zienswijze.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>2.3</nr><titel>Continue screening</titel></kop><structuurtekst><al>Op 1 maart 2013 is de continue screening in de kinderopvang gestart.
                                Met de invoering van dit systeem is de screening van medewerkers in
                                de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk aangescherpt. Voorheen
                                werd er alleen gescreend bij aanvang van de werkzaamheden en daarna
                                niet meer. Bij continue screening wordt vanuit een bestand van
                                werknemers in de kinderopvang voortdurend bijgehouden of iemand die
                                in de kinderopvang werkt in aanraking komt met Justitie. Wanneer
                                sprake is van strafbare feiten, wordt door de Dienst Justis van het
                                Ministerie van Veiligheid en Justitie beoordeeld of de betrokken
                                medewerker nog aan de eisen voor een Verklaring omtrent Gedrag (VOG)
                                voldoet. Als dit niet het geval is, gaat er een signaal naar GGD en
                                college die actie zullen ondernemen.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>3</nr><titel>Overleg en overreding</titel></kop><structuurtekst><al>De VNG heeft het initiatief genomen om overleg en overreding procedureel
                            te ontwikkelen. Het gaat hierbij om een methode die de toezichthouder
                            kan inzetten in de periode vóór het opstellen van het concept
                            inspectierapport. De houder krijgt de mogelijkheid om een lichte
                            overtreding op korte termijn op te lossen.</al><al>Overleg houdt een gesprek in tussen de toezichthouder en de houder om
                            een geconstateerde overtreding op te lossen. Overreding houdt in, het
                            beïnvloeden van de houder door de toezichthouder om iets te doen
                            (oplossen van een geconstateerde overtreding, de houder overtuigen de
                            tekortkoming op te lossen). </al></structuurtekst><paragraaf><kop><nr>3.1</nr><titel>Doel </titel></kop><structuurtekst><al>Het doel van overleg en overreding is, overtredingen vroegtijdig en
                                informeel op te lossen met de houder. Hiermee wordt de kwaliteit van
                                de opvang bevorderd en kan handhaving in sommige gevallen voorkomen
                                worden. Het is de professionele afweging van de toezichthouder om te
                                bepalen of overleg en overreding mogelijk is.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>3.2</nr><titel>Toepassen overleg en overreding </titel></kop><structuurtekst><al>In principe is overleg en overreding toe te passen bij elke vorm van
                                inspectie met uitzondering van het nader onderzoek, omdat hierbij
                                sprake is van een herinspectie op overtredingen van een vorige
                                inspectie. Overleg en overreding kan alleen worden toegepast op
                                lichte overtredingen waarbij praktijkcontrole op locatie niet
                                noodzakelijk is.</al><al>Overleg en overreding vallen binnen de gebruikelijk inspectie-uren.
                                In een incidentele situatie kan het voorkomen dat, na overleg met de
                                gemeente, extra uren in rekening worden gebracht.</al><al>Overleg en overreding kan alleen plaatsvinden in de ‘conceptfase’.
                                Met ‘conceptfase’ wordt bedoeld: het moment tussen het
                                inspectiebezoek en de hoor- en wederhoor. Ondanks dat overleg en
                                overreding plaatsvindt, wordt wel direct na het inspectiebezoek een
                                conceptrapport opgesteld en verstuurd naar de houder. Het uitwerken
                                van het conceptrapport wordt niet uitgesteld omdat dit te veel
                                vertraging teweeg zou brengen. </al><al>In het conceptrapport geeft de toezichthouder in de ‘Beschouwing’
                                een nadere uitleg over het inzetten van overleg en overreding. In
                                het definitieve rapport worden de resultaten hiervan weergegeven in
                                ‘Advies aan de gemeente’. De toezichthouder verandert zijn
                                handhavingsadvies niet na overleg en overreding. De resultaten
                                worden echter wel meegenomen in het handhavingsbesluit. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>4</nr><titel>Handhaving kinderopvang en peuterspeelzalen</titel></kop><structuurtekst><al>De kwaliteitseisen waaraan de houder van een kindercentrum,
                            peuterspeelzaal, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang
                            moet voldoen, worden geregeld in de Wko en bijbehorende wetgeving zoals
                            genoemd in het wettelijk kader in hoofdstuk 1. De ‘Beleidsregels
                            handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen’ en het
                            afwegingsoverzicht (Bijlage 1) geven hieraan verder vorm. </al><al>Als de houder niet voldoet aan één of meerdere kwaliteitseisen, begint
                            na ontvangst van het inspectierapport van de GGD het handhavingstraject.
                            De gemeente streeft ernaar dit handhavingstraject binnen vier weken in
                            te zetten. </al><al>Handhaving is maatwerk en zal, met de Beleidsregels als uitgangspunt, in
                            elke situatie apart afgewogen moeten worden. Proportionaliteit is
                            daarbij van belang. Hierdoor zijn niet automatisch alle hierna genoemde
                            stappen onverkort van toepassing op een geconstateerde overtreding.
                            Telkens zal afgewogen moeten worden of toepassing in dit geval
                            proportioneel is. Het college kan in alle gevallen gemotiveerd afwijken
                            van het GGD-advies.</al></structuurtekst><paragraaf><kop><nr>4.1 </nr><titel>Prioriteitstelling </titel></kop><structuurtekst><al>Prioriteitstelling is nodig, omdat niet elke overtreding in dezelfde
                                mate gesanctioneerd kan/moet worden. Prioriteitstelling maakt het
                                daarnaast gemakkelijker om consequent op te treden. Voor de
                                prioritering van de geconstateerde overtredingen en de termijn
                                waarbinnen een overtreding hersteld kan worden, maakt het college
                                gebruik van de bovengenoemde Beleidsregels (artikel 4). In
                                specifieke gevallen kan het college gemotiveerd afwijken van deze
                                hersteltermijnen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>4.2 </label><titel>Juridische sancties </titel></kop><structuurtekst><al>Binnen de handhaving kunnen twee verschillende typen sancties
                                onderscheiden worden, te weten herstellende en bestraffende
                                sancties. Beide bestaan naast elkaar en kunnen daarom tegelijkertijd
                                worden opgelegd. De verschillende sancties worden nader beschreven
                                in de algemene toelichting in de Beleidsregels. Hieronder volgt een
                                korte opsomming van de verschillende sancties.</al><al/><al><vet>Herstellende sancties</vet></al><al>Het college kan op grond van de Wko en de Algemene wet bestuursrecht
                                de volgende herstellende sancties opleggen:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijke aanwijzing</al></li><li nr="-"><al>last onder dwangsom</al></li><li nr="-"><al>last onder bestuursdwang</al></li><li nr="-"><al>exploitatieverbod</al></li><li nr="-"><al>verwijdering uit het LRKP</al></li></lijst><al>Ook de GGD kan bij constatering van een ernstige overtreding een
                                herstellende sanctie opleggen:</al><al>-schriftelijk bevel</al><al>Het schriftelijk bevel is een handhavingsmiddel dat in spoedeisende
                                gevallen door de GGD-inspecteur direct tijdens een inspectie ingezet
                                kan worden. De toezichthouder geeft een bevel indien hij/zij van
                                mening is dat de kwaliteit bij een kindercentrum, gastouderbureau,
                                peuterspeelzaal of gastouderopvang zodanig tekortschiet dat het
                                nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. In
                                geval van overtredingen met een lage of gemiddelde prioritering zal
                                hier niet snel sprake van zijn. De inzet van dit middel wordt door
                                de toezichthouder bepaald en niet door het college. Daarom wordt
                                deze sanctie in de Beleidsregels niet nader genoemd.</al><al/><al><vet>Bestraffende sanctie</vet></al><al>Op grond van de Wko kan het college als bestraffende sanctie
                                opleggen:</al><al>-bestuurlijke boete</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><nr>4.3</nr><titel>Overige handhavingsacties </titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente kan ervoor kiezen om bij de start van het
                                handhavingstraject gebruik te maken van een schriftelijke
                                waarschuwing of overleg en overreding. Beide middelen maken wel
                                onderdeel uit van het handhavingstraject maar hebben geen juridische
                                gevolgen.</al><al/><al><vet>Schriftelijke waarschuwing </vet></al><al>Bij lichte overtredingen kan de gemeente ervoor kiezen om
                                voorafgaand aan het opleggen van een sanctie een schriftelijke
                                waarschuwing te geven aan de houder. Hierin wordt de houder erop
                                gewezen, dat een overtreding is geconstateerd en wordt hij verzocht
                                deze overtreding binnen een gestelde termijn te herstellen. </al><al>Over het algemeen kan gesteld worden, dat een gemeente bij lichte
                                overtredingen eerder gebruik zal maken van een schriftelijke
                                waarschuwing dan bij zwaardere of herhaalde overtredingen. In dit
                                laatste geval zal eerder direct gebruik worden gemaakt van het
                                juridische traject.</al><al/><al><vet>Overleg en overreding door de gemeente</vet></al><al>De gemeente kan na ontvangst van het (definitieve) inspectierapport
                                besluiten, om als eerste stap binnen het handhavingsproces de houder
                                te benaderen middels overleg en overreding. Het doel hiervan is
                                vergelijkbaar met overleg en overreding door de GGD.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen</titel></kop><al>niet opgenomen</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Werkafspraken GGD en gemeenten regio Zuidoost Brabant</titel></kop><al>Onlosmakelijk verbonden met een uniforme werkwijze in de 21 regiogemeenten zijn
                    de werkafspraken tussen GGD en deze gemeenten. Gedeeltelijk gaat het hierbij om
                    landelijke afspraken, soms volgend uit wet- en regelgeving. De termijnverdeling
                    bij de afhandeling van een aanvraag voor registratie (hoofdstuk 2.1.1) en het
                    gebruik van risicoprofielen (hoofdstuk 2.1.3) zijn hier voorbeeld van. Een
                    aantal andere afspraken vloeien voort uit de dagelijkse praktijk van toezicht en
                    handhaving in Zuidoost Brabant en worden hieronder expliciet benoemd.</al><al><vet>Planning en jaarprogramma</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Jaarlijks, in het najaar, wordt het uurtarief door het algemeen bestuur
                            van de GGD vastgelegd.</al></li><li nr="·"><al>Jaarlijks bepaalt de gemeente welk percentage gastouders in de
                            steekproef worden opgenomen. Dit moet minimaal 5% zijn.</al></li><li nr="·"><al>In het 4<sup>e</sup> kwartaal, maar uiterlijk vóór 1 december, heeft de
                            GGD per gemeente een prognoseplanning voor het daaropvolgende
                            kalenderjaar opgesteld. In het overzicht zijn ook de desbetreffende
                            risicoprofielen opgenomen. </al></li><li nr="·"><al>Vóór 1 februari stelt de gemeente aan de hand van de prognoseplanning
                            een jaarlijkse overeenkomst op. </al></li><li nr="·"><al>Minimaal 1 maal per halfjaar vindt overleg plaats tussen iedere gemeente
                            afzonderlijk en de GGD. Vast agendapunt van dit overleg is de realisatie
                            van de planning en de mogelijk noodzakelijke bijstelling van de
                            oorspronkelijke planning.</al></li><li nr="·"><al>Minimaal 1 maal per halfjaar vindt overleg plaats tussen de gezamenlijke
                            regio-gemeenten en de GGD. Vast agendapunt van dit overleg zijn de
                            prognose en tarieven voor het komende jaar en landelijke ontwikkelingen
                            die hun weerslag hebben op uitvoering in de regio. </al></li><li nr="·"><al>De planning van de afhandeling van een aanvraag tot registeropname – het
                            zogeheten OVR-onderzoek - door de GGD is zodanig, dat de gemeente na
                            ontvangst van het definitieve rapport minimaal 1 week heeft om een
                            besluit op te stellen en te verzenden naar aanleiding van het , in het
                            rapport, opgenomen advies.</al></li><li nr="·"><al>De inspectietijd kan vanwege een extra onderzoek op een deelaspect meer
                            dan de afgesproken tijd van de jaarplanning zijn. Bij locaties met een
                            groen of geel profiel hoeft voor uitbreiding van maximaal 1 uur vooraf
                            geen toestemming gevraagd te worden. De toezichthouder informeert de
                            gemeente zo spoedig mogelijk over de reden van de uitbreiding van
                            uren.</al></li><li nr="·"><al>Wanneer tijdens een nader onderzoek een nieuwe overtreding wordt
                            geconstateerd, wordt met betrekking tot deze nieuwe overtreding een
                            rapport ‘ incidenteel onderzoek’ opgesteld.</al></li></lijst><al><vet>Verklaring omtrent het gedrag/ continue screening</vet></al><al>·De GGD hoeft niet eerst contact op te nemen met de gemeente wanneer een signaal
                    binnen het kader van de continue screening komt, maar gaat direct over tot
                    actie. De gemeente wordt hierover op zo kort mogelijke termijn
                    geïnformeerd.</al><al><vet>Risicoprofielen</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Bij een locatie met een groen risicoprofiel wordt slechts een beperkte
                            inspectie op enkele kernelementen uitgevoerd. Om te voorkomen dat er te
                            weinig controle is op deze locaties, worden deze locaties in het
                            daaropvolgende kalenderjaar bezocht als locatie met een geel
                            risicoprofiel.</al></li><li nr="·"><al>Bij een locatie met een rood of oranje risicoprofiel worden in principe
                            meerdere onderzoeken uitgevoerd (een reguliere inspectie en één of meer
                            nadere onderzoeken). Het eerste onderzoek is een regulier onderzoek.
                            Wanneer uit dit onderzoek blijkt, dat er geen overtredingen zijn
                            geconstateerd, zal geen verder onderzoek meer volgen in dat
                            kalenderjaar. Wanneer er wel overtredingen worden geconstateerd, zal een
                            nader onderzoek volgen. Voor dit nader onderzoek hoeft de gemeente geen
                            expliciete opdracht te geven. De kosten voor dit onderzoek zijn
                            integraal opgenomen in de kosten behorend bij het betreffende
                            risicoprofiel.</al></li><li nr="·"><al>Na een reguliere inspectie (ook bij de rode of oranje locaties)
                            informeert de GGD de gemeente of, en zo ja hoeveel,van de oorspronkelijk
                            voor deze inspectie begrote uren niet zijn benut en brengt alleen de
                            uren in rekening die daadwerkelijk zijn besteed. De gemeente heeft
                            hierdoor zicht op het aantal uren dat hiermee binnen de vastgestelde
                            begroting extra beschikbaar komt voor onder andere nadere of incidentele
                            onderzoeken.</al></li></lijst><al><vet>Risicocentra</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Als sprake is van een of meerdere overtredingen met een hoge prioriteit
                            neemt de GGD direct na het opstellen van het conceptrapport contact op
                            met de gemeente. Dit geeft de gemeente de mogelijkheid om de benodigde
                            handhavingsactie voor te bereiden. De gemeente kan hierdoor na ontvangst
                            van het definitieve rapport onmiddellijk tot actie overgaan. </al></li><li nr="·"><al>Als de GGD een schriftelijk bevel oplegt, wordt onmiddellijk contact
                            opgenomen met de gemeente.</al></li></lijst><al><vet>Overleg en overreding</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Daar waar mogelijk maakt de GGD consequent gebruik van overleg en
                            overreding. Dit dient in het rapport in de “Beschouwing” opgenomen te
                            zijn. In het “Advies aan de gemeente” wordt een toelichting gegeven over
                            de mate waarin de houder gevolg heeft gegeven aan overleg en
                            overreding.</al></li><li nr="·"><al>Overleg en overreding door de GGD of de gemeente vindt niet plaats als
                            het gaat om steeds terugkerende overtredingen op dezelfde domeinen of
                            overtredingen op domein 4 (accommodatie) en domein 5 (groepsgrootte en
                            beroepskracht/kind-ratio). </al></li></lijst><al><vet>GIR Handhaven</vet></al><lijst><li nr="·"><al>De inspectierapporten worden in GIR aangemaakt door de GGD. De GGD
                            levert het definitieve inspectierapport digitaal aan bij de gemeente.
                            Zodra de GIR wordt uitgebreid met een waarschuwingssysteem vervalt deze
                            afspraak voor de gemeenten die gebruik maken van de GIR.</al></li><li nr="·"><al>Als een handhavingsbrief in GIR Handhaven wordt gezet, informeert de
                            gemeente de GGD en levert de handhavingsbrief digitaal aan bij de GGD.
                            Op het moment dat het GIR wordt uitgebreid met een waarschuwingssysteem
                            vervalt deze afspraak.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>