<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR308405_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-10-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-11-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-06-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B13.001184</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Dronten,</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van 10 september 2013, No.
                        B13.001184</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 aanhef en onder c WWB;</al><al/><al>gezien het advies van de raadscommissie van oktober 2013;</al><al/><al>overwegende dat de thans geldende verordening een samenvoeging van de
                        WWB en de reeds vervallen WIJ is, dat de thans geldende verordening voor
                        sommige jongeren te grote nadelige gevolgen heeft en dat de thans
                        geldende verordening geen anti-cumulatiebeding bevat;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al>Vast te stellen de volgende <vet>Toeslagenverordening 2013</vet>:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet Werk en Bijstand en
                            de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet:</cursief> de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al><cursief>zorgbehoefte:</cursief> zodanige behoefte aan
                                            zorg dat het zelfstandig wonen van de zorgbehoevende
                                            niet mogelijk is voor zover dit door middel van een
                                            indicatie tot opname of een andere medische indicatie is
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="c."><al><cursief>gehuwdennorm:</cursief> de norm als bedoeld in
                                            artikel 21, onderdeel c van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Leeftijdsbepaling en individualisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden voor de
                                uitkeringsgerechtigden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de
                                pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de
                                bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 21
                                jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 3 en 4 laten de toepassing van artikel
                                18, eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CATEGORIEËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende categorieën worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Toeslagen alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 20%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder
                                in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 10%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder
                                die met één of meerdere anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                woning heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 5%
                                van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder
                                die met één of beide ouders in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt
                                eveneens 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of
                                alleenstaande ouder indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er uitsluitend sprake is van een zorgbehoevende medebewoner,
                                        waarbij als gevolg van die medebewoning beroepsmatige
                                        verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege
                                        blijft;</al></li><li nr="b."><al>er uitsluitend sprake is van één of meerdere thuisinwonende
                                        kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen
                                        inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten
                                        van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel
                                        3.18 van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="c."><al>Voor uitvoering van artikel 4, lid 4 sub b wordt inkomen op
                                        grond van de Wet studiefinanciering 2000 zelf niet gezien
                                        als in aanmerking te nemen inkomen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 15% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één of beide ouders in dezelfde
                                woning hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verlaging van de norm blijft achterwege indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er uitsluitend sprake is van een zorgbehoevende medebewoner,
                                        waarbij als gevolg van die medebewoning beroepsmatige
                                        verzorging volledig of in belangrijke mate achterwege
                                        blijft;</al></li><li nr="b."><al>er uitsluitend sprake is van één of meerdere thuisinwonende
                                        kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen
                                        inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten
                                        van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel
                                        3.18 van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="c."><al>Voor uitvoering van artikel 5, lid 2 sub b wordt inkomen op
                                        grond van de Wet studiefinanciering 2000 zelf niet gezien
                                        als in aanmerking te nemen inkomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                                betrokkene geen woonkosten verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In overige situaties waarin sprake is van lagere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan in verband met de woonsituatie
                                kan de bijstandsnorm of toeslag afwijkend worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging voor een schoolverlater als bedoeld in artikel 28 van
                                de wet bedraagt 20% van de gezinsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging wordt toegepast gedurende zes maanden na het tijdstip
                                van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Toeslag alleenstaande van 21 of 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op basis van artikel 29 van de wet wordt de toeslag afwijkend
                                vastgesteld. De toeslag als bepaald in artikel 25 van de wet wordt
                                lager vastgesteld voor alleenstaanden van 21 of 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor alleenstaanden van 21 jaar blijft een toeslag als
                                        bepaald in artikel 25 van de wet achterwege;</al></li><li nr="b."><al>voor alleenstaanden van 22 jaar in wiens woning geen ander
                                        zijn hoofdverblijf heeft bedraagt de toeslag 10% van de
                                        gehuwdennorm;</al></li><li nr="c."><al>voor alleenstaanden van 22 jaar die met één of meerdere
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft blijft
                                        een toeslag als bepaald in artikel 25 van de wet
                                        achterwege.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging van de toeslag van een alleenstaande van 21 of 22 jaar
                                blijft achterwege als er reeds een verlaging op basis van artikel 7
                                wordt toegepast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Anticumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 4 tot en met 8 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste bedraagt:</al><lijst><li nr="1."><al>35% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="2."><al>55% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="3."><al>65% van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college behoudt zich het recht voor anders te besluiten indien
                                de bepalingen in deze verordening leiden tot onbillijkheden van
                                ernstige aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening toeslagen en verlagingen ingevolge de wet Werk en
                            Bijstand 2010 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Een persoon die op het moment dat de Verordening in werking treedt een
                            uitkering heeft ingevolge de WWB, behoudt de toeslag zoals vermeld in de
                            beschikking waarbij op grond van de WWB een uitkering is verleend,
                            gedurende de looptijd van de beschikking, doch ten hoogste tot 1 januari
                            2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Uitvoering van de verordening</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Toeslagenverordening” van
                            de gemeente Dronten.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Dronten op 31 oktober 2013
                        .</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Dronten, 31 oktober 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raad van Dronten,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>D.Petrusma mr. A.B.L. de Jonge</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>In de Memorie van Toelichting staat vermeld dat burgemeester en
                            wethouders verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Wet werk en
                            bijstand (WWB). Daarbij geeft artikel 8 van deze wet aan dat de
                            gemeenteraad verplicht is om een verordening vast te stellen voor het
                            verhogen of verlagen van de norm. Ook in het kader van het duale stelsel
                            speelt de gemeenteraad een belangrijke rol bij de controle op de
                            uitvoering van deze wet door het College.</al><al>In artikel 30 WWB wordt nader aangegeven, welke onderwerpen deze
                            verordening moet regelen. Uit het eerste lid van artikel 30 WWB blijkt
                            dat dit beleid een categoriaal karakter dient te dragen.</al><al>Uit de verordening moet voorts blijken voor welke categorieën er een
                            verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt en
                            tevens op grond van welke criteria het bedrag van die verhoging of
                            verlaging wordt vastgelegd. De verordening heeft derhalve een zodanig
                            karakter dat een belanghebbende daaruit concreet kan aflezen welke
                            verhoging of verlaging in zijn/haar situatie geldt.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of
                            de Awb niet afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt
                            dat in geval van wijziging van betreffende definities in de WWB of de
                            Awb ook de verordening moet worden gewijzigd. Omdat uit de verordening
                            moet blijken waar belanghebbenden recht op hebben, zijn de
                            begripsomschrijvingen en de daarbij behorende toelichting uit de wet
                            overgenomen en in de verordening opgenomen. In het tweede lid zijn een
                            aantal begripsomschrijvingen opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet:</cursief> als in de verordening gesproken wordt
                                    over de wet, dan wordt de Wet werk en bijstand (WWB)
                                    bedoeld;</al></li><li nr="b."><al><cursief>zorgbehoefte:</cursief> in de wet en de verordening
                                    wordt diverse malen het begrip zorgbehoefte genoemd. In artikel
                                    4 onder a WWB wordt een alleenstaande omschreven als een
                                    ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen
                                    gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft
                                    een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de
                                    tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de
                                    tweede graad sprake is van zorgbehoefte. In de wet is geen
                                    nadere omschrijving van het begrip zorgbehoefte opgenomen.
                                    Daarom is een nadere uitwerking opgenomen in deze verordening.
                                    Deze nadere uitwerking houdt in dat er sprake is van
                                    zorgbehoefte indien de zorgbehoevende bloedverwant zonder de
                                    zorg van de ander opgenomen zou worden in een inrichting. Dit
                                    moet aangetoond worden door een indicatie tot opname of een
                                    andere medische indicatie.</al></li><li nr="c."><al><cursief>gehuwdennorm:</cursief> bij het vaststellen van de
                                    hoogte van toeslagen en verlagingen wordt in deze verordening
                                    gebruik gemaakt van percentages die gerelateerd zijn aan de
                                    gehuwdennorm. Met de gehuwdennorm wordt de norm bedoeld die
                                    geldt voor gehuwden die beiden tot de leeftijdscategorie van 21
                                    tot 65 jaar behoren.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Leeftijdsbepaling en individualisering</titel></kop><al>De toeslagenverordening is van toepassing op burgers vanaf de leeftijd
                            van 21 jaar. Gezien de toelichting op artikel 22 van de wet hebben de
                            ouderen een aparte ouderennorm en is het toeslagen- en verlagingenbeleid
                            niet van toepassing op personen die de pensioengerechtigde leeftijd
                            bereikt hebben.</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo
                            nodig in afwijking van de uit de toeslagenverordening voortvloeiende
                            hoogte van de bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet
                            op de omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende opportuun
                            is, volgt uit artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt
                            evenzeer in situaties waarin de toeslagenverordening niet voorziet. Om
                            hierover bij de uitvoering van de toeslagenverordening geen misverstand
                            te laten bestaan is er voor gekozen om deze plicht expliciet in de
                            toeslagenverordening op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Artikel 30 van de WWB schrijft voor dat de verordening vaststelt voor
                            welke categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. De
                            categorie-indeling is gebaseerd op de systematiek van de WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><al>Op grond van artikel 30, tweede lid, WWB is de gemeenteraad verplicht om
                            te bepalen dat de toeslag van de gehuwdennorm een maximum bedraagt voor
                            de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                            hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm
                            of toeslag op andere gronden). Bij de vaststelling van de basisnorm voor
                            de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever namelijk
                            uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten
                            geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de
                            basisnorm verhoogd met een toeslag zoals in <onderstreept>lid
                                1</onderstreept> van deze verordening staat vermeldt. </al><al>In <onderstreept>lid 2</onderstreept> is vastgelegd dat ingeval in de
                            woning één of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                            dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden
                            (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een
                            gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet
                            alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn
                            plaats.</al><al>In de model-toeslagenverordening WWB is als uitgangspunt gekozen voor de
                            zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de
                            toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de
                            mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte
                            van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten
                            mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat
                            deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst
                            fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant
                            algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In
                            de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10
                            procent van de gehuwdennorm in het geval één of meerdere anderen in
                            dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Dit staat in lid 2
                            verwoord.</al><al>In <onderstreept>lid 3</onderstreept> wordt beschreven dat ingeval een
                            alleenstaande of alleenstaande ouder een woning deelt met een eigen
                            ouder een lagere toeslag – in dit geval 5% - wordt toegekend dan een
                            alleenstaande (ouder) die een woning deelt met een willekeurige ander.
                            Het betreft hier feitelijk alleenstaande of een alleenstaande ouder die
                            hun hoofdverblijf hebben bij (één van de) eigen ouders. In dat geval mag
                            aangenomen worden dat de mogelijkheid om bestaanskosten te delen in het
                            algemeen groter zal zijn dan in andere gevallen (zie ook CRvB 2 maart
                            1999, JABW 1999/61 en 69).</al><al>In een aantal situaties is weliswaar sprake van woningdeling, maar wordt
                            toch geen lagere toeslag toegekend. Dit staat omschreven in
                                <onderstreept>lid 4</onderstreept>. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>Bij echtparen is eveneens sprake van schaalvoordelen als zij de kosten
                            met een ander kunnen delen. <onderstreept>Lid 1</onderstreept> van dit
                            artikel beschrijft daarom dat het consequent is om de bijstandsnorm
                            lager vast te stellen als sprake is van een situatie waarin kosten
                            gedeeld kunnen worden.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept> geeft aan dat de verlaging van de
                            norm voor gehuwden op 15% wordt gesteld indien de persoon in kwestie met
                            één of beide ouders in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Zie
                            hiervoor toelichting artikel 4, lid 3 van voorliggende verordening.</al><al>In een aantal situaties is weliswaar sprake van woningdeling, maar wordt
                            toch geen verlaging van de bijstandsnorm toegekend. Het betreft hier de
                            situatie waarin sprake is van verzorgingsbehoeftigheid of zorgbehoefte.
                            Daarnaast wordt een lagere toeslag achterwege gelaten als er sprake is
                            van één of meerdere kinderen jonger dan 21 jaar die hun hoofdverblijf
                            hebben in dezelfde woning. Deze staan beschreven in <onderstreept>lid
                                3</onderstreept>.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De uitkering in het kader van de WWB dient voldoende te zijn om in de
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De
                            kosten van het wonen maken daar deel van uit. Indien betrokkene geen
                            woonlasten heeft, wordt de uitkering verlaagd. Dit kan zich voordoen bij
                            krakers of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld
                            de ouders. Er is gekozen voor een korting van 20% omdat dit bedrag
                            overeen komt met de minimale woonlasten welke verondersteld worden in de
                            norm te zijn begrepen. Dit staat als zodanig omschreven in artikel 27
                            WWB.</al><al>Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                            betrokkene een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en
                            de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar
                            omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november
                            2001, nrs 99/7 en 99/29 NABW).</al><al>Wordt bijvoorbeeld de norm of toeslag verlaagd omdat de betrokkene geen
                            woonlasten heeft en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook
                            nog eens op die grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver
                            gaande vorm van verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op
                            het totale effect van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN:
                            2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan
                            beperkt moeten worden.</al><al>Het kan ook voorkomen dat als de betrokkene geen woning bewoont. De
                            bepaling in het tweede lid ziet evenals de voorgaande alinea op de
                            mogelijkheid om bijvoorbeeld de uitkering van dak- en thuislozen te
                            verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan betrokkenen die
                            een woning bewonen. Mochten dak- en thuislozen regelmatig gebruik maken
                            van een opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend worden vastgesteld,
                            met toepassing van artikel 30, vierde lid, WWB bij wijze van
                            individualisering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging voor schoolverlaters van artikel 28 WWB is bedoeld om de
                            schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een betere
                            financiële positie te brengen dan toen hij nog aangewezen was op
                            studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de Wtos. Er wordt
                            geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende
                            student. Met deze omstandigheden wordt immers reeds rekening gehouden in
                            artikel 4 en 5 van de toeslagenverordening.</al><al>De verlaging bedraagt 20% van de gehuwdennorm. Hierbij speelt de
                            overweging een rol dat de schoolverlater financieel gestimuleerd wordt
                            richting de arbeidsmarkt (werk boven uitkering).</al><al>Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater zijn,
                            de verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 20%. Wel is
                            denkbaar, dat de periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd
                            wordt, als beide partners na elkaar schoolverlater worden.</al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast
                            i.v.m. medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg hebben dat de totale
                            verlaging te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het
                            individualiseringsbeginsel. Dat kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei
                            2009, LJN: BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de studie
                            studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student,
                            dan moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm worden
                            vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toeslag alleenstaande van 21 of 22 jaar</titel></kop><al>Artikel 29 WWB lid 1 geeft het algemeen bestuur de bevoegdheid om de
                            toeslag voor een </al><al>alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vast te stellen indien het van
                            oordeel is, dat gezien </al><al>de hoogte van het minimum jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om
                            werk te </al><al>aanvaarden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Anticumulatiebepaling</titel></kop><al>De verschillende verlagingen in de toeslagenverordening houden rekening
                            met de verschillende omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk
                            afzonderlijk als redelijk in betreffende omstandigheden worden
                            beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat -met
                            name in situaties waarin de schoolverlatersverlaging in combinatie met
                            één van de andere verlagingsgronden aan de orde is- het college de
                            bijstand vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat
                            er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate bijstandsverlening.
                            In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 18 lid 1
                            WWB de bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om
                            reeds in de toeslagenverordening een minimum bedrag vast te leggen,
                            waarop het college de bijstand (inclusief eventuele toeslag en
                            verlagingen) tenminste moet vaststellen. Dit wordt met lid 1 van artikel
                            8 bedoeld. Dat laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij
                            samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Zie
                            bijv. de hierboven beschreven jurisprudentie t.a.v. de samenloop van een
                            verlaging i.v.m. medebewoning en het ontbreken van woonkosten (CRvB 27
                            mei 2008, LJN: 2698) en de samenloop van een schoolverlatersverlaging en
                            een verlaging i.v.m. medebewoning (CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349). Het
                            individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop
                            ook bij een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde
                            percentages ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te
                            gaan, gelet op alle omstandigheden van de betrokkene. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Hardheidsclausule</vet></al><al>In de dagelijkse uitvoeringspraktijk kan in een incidenteel
                            geval de toepassing van deze verordening leiden tot onbillijkheden van
                            overwegende aard. Het college kan dan afwijken van deze verordening.
                            </al><al/><al><vet>Artikel 11 Intrekken oude verordening</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Overgangsbepaling</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 14 Uitvoering van de verordening</vet></al><al>Artikel 7 van de WWB schrijft voor dat de uitvoering van de
                            wet berust bij het college. Het college kan deze bevoegdheid
                            overeenkomstig hetgeen hierover in de wet is geregeld mandateren aan
                            ambtenaren. </al><al/><al><vet>Artikel 15 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>