<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR307612_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-76960.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dWijziging%2bverordening%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dCuijk%26orgt%3dgemeente%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10%26_page%3d2%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=17&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad d.d. 18 december 2014, nr. 76960</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening reclamebelasting Cuijk 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Cuijk;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30
                        oktober 2012;</al><al/><al>gelet op artikel 227 van de Gemeentewet;</al><al/><al/><al><vet><onderstreept>b e s</onderstreept></vet><vet><onderstreept> l u i
                                t:</onderstreept></vet></al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet><cursief>“Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting
                                2013” (Verordening reclamebelasting Cuijk 2013)</cursief></vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>reclameobject</vet>: een openbare aankondiging in letters,
                                symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de
                                openbare weg;</al></li><li nr="b."><al><vet>bouwwerk</vet>: elke constructie van enige omvang van hout,
                                steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming
                                hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij directe
                                of indirecte steun vindt in of op de grond;</al></li><li nr="c."><al><vet>vestiging</vet>: </al></li><li nr="1."><al>een onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet
                                waardering onroerende zaken of een deel daarvan, dat door één
                                organisatie of bedrijf wordt gebruikt;</al></li><li nr="2."><al>verschillende onroerende zaken, als bedoeld in artikel 16 van de Wet
                                waardering onroerende zaken, die direct naast elkaar gelegen zijn en
                                door één organisatie of bedrijf tezamen voor één doel worden
                                gebruikt;.</al></li><li nr="d."><al><vet>voorziening</vet>: specifiek hulpmiddel bestemd voor het
                                aanbrengen van één of meer (al dan niet wisselende) openbare
                                aankondigingen;</al></li><li nr="e."><al><vet>jaar</vet>: een kalenderjaar.</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Gebiedsomschrijving</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing binnen het gebied van de gemeente Cuijk,
                        zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en daarvan deel
                        uitmakende kaart (Bijlage 1).</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de titel ‘reclamebelasting’ wordt, onder de bij deze verordening
                        gestelde voorwaarden, binnen het gebied als bedoeld in artikel 2 een directe
                        belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de
                        openbare weg.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de vestiging, waarop
                        en/of waarbij één of meer reclameobjecten zijn aangebracht.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Grondslag van heffing en belastingtarief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De reclamebelasting wordt geheven per vestiging.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de vestiging gelijk is aan de onroerende zaak, als bedoeld in
                            artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, bedraagt de
                            heffingsmaatstaf een vast bedrag, vermeerderd met een bedrag dat
                            afhankelijk is van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                            onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde WOZ-waarde voor
                            het betreffende kalenderjaar.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid, bedraagt de heffingsmaatstaf, indien de
                            vestiging deel uitmaakt van één onroerende zaak, als bedoeld in artikel
                            16 van de Wet waardering onroerende zaken, een vast bedrag vermeerderd
                            met een bedrag dat afhankelijk is van het deel van de WOZ-waarde van de
                            onroerende zaak dat aan de vestiging voor het betreffende kalenderjaar
                            kan worden toegerekend.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid, bedraagt de heffingsmaatstaf voor een
                            vestiging als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, sub 2, een vast bedrag
                            vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van de gezamenlijke
                            WOZ-waarde zoals deze op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                            onroerende zaken voor de onroerende zaken die samen de vestiging vormen,
                            is vastgesteld voor het betreffende kalenderjaar.</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van delen van de vestiging die in hoofdzaak tot woning dienen
                            dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al><al/></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen WOZ-waarde is
                            vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
                            zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
                            overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de
                            artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende
                            zaken.</al><al/></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het tarief voor de reclamebelasting bedraagt € 200,00 per
                            vestiging.</al><al/></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien de WOZ-waarde van de vestiging meer bedraagt dan € 50.000,00,
                            wordt het in het vorige lid genoemde tarief vermeerderd met een bedrag
                            ad € 2,18 per € 1.000,00 WOZ-waarde boven de € 50.000,00 tot een maximum
                            van € 581,00. </al><al/></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar naar beneden
                            wordt bijgesteld, wordt de aanslag ambtshalve verminderd indien de
                            lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de
                            reclamebelasting.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtijdvak</titel></kop><al>Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ontstaan van belastingschuld en heffing naar tijdsgelang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak
                            aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de
                            belastingplicht.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt,
                            is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van
                            de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na
                            het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle
                            kalendermaanden overblijven. </al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt,
                            wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel
                            twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting
                            als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de
                            belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De reclamebelasting wordt geheven bij wege van aanslag. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: </al><lijst><li nr="a."><al>die korter dan 13 weken aanwezig zijn, tenzij deze openbare
                                aankondigingen zijn aangebracht in een voorziening waarin, waaraan
                                of waarop wisselende openbare aankondigingen worden aangebracht, die
                                individueel korter dan 13 weken aanwezig zijn, maar waarbij de
                                verschillende openbare aankondigingen gezamenlijk 13 weken of meer
                                aanwezig zijn;</al></li><li nr="b."><al>die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt
                                gediend, kunnen worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of
                                aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt
                                ter uitvoering van de publieke taak; </al></li><li nr="d."><al>die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee
                                gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn
                                aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een
                                cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang
                                dienen;</al></li><li nr="e."><al>aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of
                                centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit
                                een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of
                                het centrummanagement;</al></li><li nr="f."><al>aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften
                                rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering
                                zijnde bouwwerkzaamheden;</al></li><li nr="g."><al>die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel
                                belang dienen;</al></li><li nr="h."><al>die onderdeel uitmaken van voor de verkoop of verhuur bestemde
                                artikelen en producten in een etalage of in de winkel;</al></li><li nr="i."><al>bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze
                                aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te
                                verhuren zaak;</al></li><li nr="j."><al>aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en
                                moskeeën, en die uitsluitend betrekking hebben op de functie van het
                                gebouw. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de
                            maand volgende op de maand die in de dagte­kening van het aanslagbiljet
                            is vermeld.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het
                            totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                            aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan €
                            4.000,00 dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke
                            maandelijkse termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste
                            dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het
                            aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een
                            maand later. </al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In gevallen bedoeld in het tweede lid geldt in afwijking in zoverre van
                            het aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van
                            automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de
                            belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten
                            worden betaald in elf gelijke termijnen waarvan de eerste termijn
                            vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Van deze belasting wordt geen kwijtschelding verleend.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de reclamebelasting.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2013.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening reclamebelasting Cuijk
                        2013'. </al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Cuijk van 17 december 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>R.M. van der Weegen Mr. W.A.G. Hillenaar</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>bij de Verordening reclamebelasting Cuijk 2013</titel></kop><al>Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 2 van de verordening, geldt het op de
                    bijgevoegde kaart gearceerde gedeelte. </al><al>De afbakening is gebaseerd op de bezoekersstromen. Het argument is dat
                    ondernemers met een reclame-uiting profiteren van de toenemende bezoekersstromen
                    vanuit de parkeervoorzieningen én het station Cuijk. Het verhogen van het aantal
                    bezoekers is een van de doelstellingen van het centrummanagement.</al><al>De belangrijkste parkeervoorzieningen (buiten de straten zelf) zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Stationsomgeving</al></li><li nr="2."><al>Zwaanplein</al></li><li nr="3."><al>Maasburg Parkeergarage</al></li><li nr="4."><al>Deken van den Ackerhof</al></li><li nr="5."><al>Maasboulevard</al></li><li nr="6."><al>Markt</al></li></lijst><al/><al/><al>Behoort bij raadsbesluit van 17 december 2012</al><al>De griffier van de gemeente Cuijk</al><al/><al/></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/></kop><al><vet>Toelichting op de Verordening reclamebelasting Cuijk 2013</vet></al><al/><al><vet>A Algemeen</vet></al><al>De verordening is gebaseerd op de tekst van artikel 227van de Gemeentewet.</al><al>Omdat sprake is van een belasting, hoeft er tegenover het heffen van de
                    reclamebelasting geen individuele tegenprestatie of kostenpost te staan van de
                    gemeente. Het vereiste van maximaal 100% kostendekkendheid, zoals dat van
                    toepassing is bij de legesheffing, geldt hier niet.</al><al>De opbrengst vloeit in de algemene middelen en de gemeente kan die aanwenden
                    naar eigen inzicht. De reclamebelasting wordt dan ook primair als een algemeen
                    dekkingsmiddel opgevat. </al><al>Over de besteding van de opbrengst van de reclamebelasting oordeelde rechtbank
                    Zutphen (20 januari 2010, nr. 09/334, Doetinchem, LJN: BL8525), dat het
                    gerechtvaardigd is dat die wordt gebruikt ten behoeve van de ontwikkeling (van
                    het centrummanagement) van het centrum van de gemeente. Het staat de raad vrij
                    om de opbrengst uit de reclamebelasting aan te wenden op de wijze die het beste
                    past bij het gemeentelijk beleid. In dit geval is het de bedoeling dat de
                    opbrengst van de reclamebelasting in de vorm van een subsidie aan de stichting
                    wordt verstrekt ten behoeve van het financieren van activiteiten en
                    voorzieningen voor de promotie en verbetering van het verblijfsklimaat in het
                    centrum van de gemeente. De reclamebelasting is dus niet bedoeld om openbare
                    aankondigingen terug te dringen. Naar het oordeel van de rechtbank is de
                    gemeentelijke wetgever hiermee niet buiten zijn bevoegdheden getreden. De
                    reclamebelasting is een objectieve belasting. Dat houdt onder andere in dat in
                    beginsel alle openbare aankondigingen in de reclamebelasting moeten worden
                    betrokken. Maar om de heffing in de praktijk uitvoerbaar te houden zijn in
                    artikel 9 vrijstellingen opgenomen. Zie hiervoor de toelichting op artikel 9. </al><al>Heffing van reclamebelasting in een beperkt gebied van de gemeente is onder
                    voorwaarden toegestaan. Omdat slechts in een deel van de gemeente wordt geheven
                    is een kaart als bijlage bij de verordening opgenomen. Zie bijlage 1. Daarin
                    staat de begrenzing gedetailleerd beschreven.</al><al>In de verordening is gekozen voor heffing op basis van de waarde die is
                    vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (de WOZ-waarde). De
                    gemeente mag volgens de Gemeentewet de heffingsmaatstaf voor een belasting
                    namelijk zelf bepalen. </al><al>Het bedrag van een gemeentelijke belasting mag echter niet afhankelijk worden
                    gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Zowel de WOZ-waarde als het
                    hebben van een reclame-uiting voldoen hieraan en zijn objectief vast te stellen.
                    De WOZ-waarde als heffingsgrondslag voor de reclameheffing is eerlijk en
                    verdedigbaar. De ‘normale’ reclameheffing is op basis van de grootte van de
                    reclame-uiting. Het is denkbaar dat een grote winkel relatief veel omzet en
                    weinig reclame-uitingen heeft. Andersom kan een kleine winkel veel
                    reclame-uitingen hebben terwijl deze relatief veel minder omzet heeft. Een
                    reclameheffing met als grondslag de WOZ-waarde is daarom veel billijker omdat de
                    bijdrage is gekoppeld aan de waarde van het pand. </al><al>In het geval van de WOZ-waarde als grondslag hoeft er alleen gecontroleerd te
                    worden of er een openbare aankondiging gedaan wordt. Daarnaast wordt gebruik
                    gemaakt van een bestaand bestand dat tot stand is gebracht en wordt bijgehouden
                    in het kader van de heffing van onroerende-zaakbelastingen (OZB). Het aantal
                    administratieve handelingen wordt hierdoor verder beperkt omdat kan worden
                    aangesloten bij de inning van de OZB-aanslagen. </al><al>Er is in de verordening gekozen voor een tweedeling in de opbouw van het
                    heffingsbedrag. Een vast bedrag van € 200,00 wordt bij alle panden geheven
                    indien er een openbare aankondiging zichtbaar is. Dat geldt voor alle panden met
                    een WOZ-waarde van maximaal € 50.000. De onderneming waarvan de WOZ-waarde meer
                    dan € 50.000 aan WOZ-waarde vertegenwoordigt, betaalt boven dit vaste bedrag een
                    tarief van € 2,18 per € 1.000 WOZ-waarde. Daar is wel een maximum aan verbonden.
                    Het maximum te heffen bedrag is vastgesteld op € 581,00. Dat geldt dan met name
                    voor WOZ-waarden vanaf 225.000. Van de in de heffing te betrekken panden zijn 77
                    WOZ-waarden lager dan € 225.000. Van 90 panden ligt de waarde daarboven. Die
                    betalen dus dat maximumbedrag.</al><al/><al/><al><vet>B Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud en toepassing van in de verordening
                    voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Gebiedsomschrijving</vet></al><al/><al><onderstreept>Heffing binnen een beperkt gebied</onderstreept></al><al>Reclamebelasting kan worden ingevoerd in slechts een deel van de gemeente.
                    Daarbij geldt wel als voorwaarde dat de gemeente hiervoor een objectieve en
                    redelijke grond heeft. </al><al>In verband met haar bewijspositie in een eventuele beroepsprocedure, doet de
                    gemeente er goed aan om er voor te zorgen dat die objectieve en redelijke grond
                    uit gemeentelijke stukken duidelijk blijkt. Denk hierbij aan beleidsregels,
                    collegevoorstellen of raadsvoorstellen. Zie in dit verband Rechtbank Middelburg
                    30 januari 2008, 07/443, LJN: BC7882. De rechter keurde de invoering van de
                    reclamebelasting in de binnenstad van Middelburg goed op grond van de extra
                    investeringen in de binnenstad die de gemeente deed en de door de gemeente
                    gewenste regulering van het uiterlijk van de binnenstad. </al><al>Met betrekking tot de heffing in alleen het centrum van de gemeente oordeelt
                    Rechtbank Zutphen (20 januari 2010, nr. 09/334 Doetinchem, LJN: BL8525) dat de
                    gemeentelijke autonomie ten aanzien van het invoeren van lokale belastingen het
                    mogelijk maakt dat de reclamebelasting slechts in een deel van de gemeente wordt
                    ingevoerd, mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
                    Daarvoor kan dienen de wens (beleid) van de gemeente om de opbrengst van de
                    reclamebelasting in de vorm van een subsidie te verstrekken aan een stichting
                    (centrummanagement) waarbij die subsidie uitsluitend wordt ingezet ter
                    versterking van het centrum van de gemeente. </al><al>Ook onze gemeente zet de opbrengsten uit reclamebelasting, na aftrek van de
                    perceptiekosten in ten behoeve van het centrummanagement. Dat betekent dat
                    heffing in een beperkt gebied is toegestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Belastbaar feit</vet></al><al>Geheven wordt voor openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg.
                    Uiteraard onder de voorwaarden die in deze verordening zijn bepaald.</al><al/><al><onderstreept>Openbare aankondiging</onderstreept></al><al>Artikel 227 van de Gemeentewet, noch enige andere (fiscale) wet geeft een
                    definitie van het begrip openbare aankondiging. Daardoor moet aansluiting worden
                    gezocht bij het spraakgebruik. In beginsel vallen alle openbare aankondigingen
                    zichtbaar vanaf de openbare weg onder de reclamebelasting. Het gaat overigens om
                    de openbare aankondiging zelf en niet om het voorwerp waarop die aankondiging
                    zich bevindt. Bij een reclametekst op een gevelbord bijvoorbeeld is de
                    aankondiging op het bord belast en niet het bord zelf. </al><al>Bij openbare aankondigingen kan gedacht worden aan schriftelijke aankondigingen,
                    foto’s, tekeningen, logo’s, stickers, raam- en aanplakbiljetten, teksten en
                    figuren op gevelborden, etalageruiten, lichtbakken, vlaggen, neonreclames,
                    merken, emblemen en andere beeldbepalende kenmerken. De belastingrechter
                    oordeelde dat een muurschildering met daarnaast een logo van een bedrijf en een
                    op het bedrijf slaande tekst, een openbare aankondiging is in de zin van de
                    reclamebelasting (Hoge Raad 30 maart 2007, nr 42353, LJN: AX2154 en de
                    samenhangende verwijzingsprocedure Hof Amsterdam, 6 maart 2009, nr. 0700180,
                    LJN: BH6990).</al><al>De rechtbank Utrecht (11 november 2009, nr. SBR 09/581,Veenendaal, niet
                    gepubliceerd) oordeelde dat onder het wettelijk begrip ‘openbare aankondiging’
                    niet slechts reclame in engere zin valt, maar meer in het algemeen elke tot het
                    publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de
                    aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. Hieruit
                    valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat het niet gaat om de
                    vraag welk (commercieel of ideëel) belang beoogd wordt met het betreffende
                    opschrift, maar louter om de vraag of het opschrift tot doel heeft de aandacht
                    van het publiek te trekken voor dit object of onderwerp. Ook ideële uitingen
                    voor een bepaalde boodschap vallen volgens de jurisprudentie onder het begrip
                    ‘openbare aankondiging’. In die zin is voor de vraag of een opschrift al dan
                    niet als openbare aankondiging belastingplichtig is, niet relevant wat de
                    achterliggende gedachte is voor het trekken van aandacht van het publiek. Het is
                    dus ook niet relevant of er met een opschrift al dan niet beoogd wordt reclame
                    te maken. Het opschrift “huisartsenpraktijk X” is volgens de rechtbank aan te
                    merken als een openbare aankondiging, omdat het opschrift duidelijk maakt aan
                    mensen die de praktijk zoeken dat de huisartsenpraktijk in een bepaald pand is
                    gevestigd. Daarmee richt het opschrift zich tevens tot het publiek in het
                    algemeen.</al><al/><al>Echter, openbare aankondigingen zoals de vermelding van openings- en
                    sluitingstijden en aanduidingen die aangeven waar de hoofdingang van een gebouw
                    zich bevindt, zijn geen openbare aankondiging in de zin van de reclamebelasting.
                    Hof Amsterdam oordeelde dat dergelijke aankondigingen slechts bijkomstig de
                    aandacht vestigen op het gebouw ten einde deel te nemen aan het economische
                    verkeer en daarmee zakelijke belangen te bevorderen (Hof Amsterdam 30 januari
                    1998, nr. 96/1387, Belastingblad 1998 blz. 530, LJN: AA4190).</al><al>Een aankondiging is openbaar indien het publiek vanaf de openbare weg de
                    aankondigingen visueel kan waarnemen. Aankondigingen in gebouwen zijn meestal
                    niet zichtbaar vanaf de openbare weg en in dat geval daardoor niet belastbaar.
                    Rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat openbare aankondigingen die door de
                    bladeren van bomen tijdelijk slecht zichtbaar zijn, wel onder de
                    reclamebelasting vallen (Rb. ’s-Gravenhage 16 augustus 2006, nr. 05/8066, LJN:
                    AY8441).</al><al>In artikel 9 is via de vrijstellingen geregeld welke openbare aankondigingen
                    niet in de heffing worden betrokken omdat het doel en de strekking van deze
                    reclamebelasting daarvoor aanleiding geeft. Het is immers een heffing waarvan de
                    middelen na aftrek van de perceptiekosten uitsluitend worden ingezet voor
                    centrummanagement.</al><al/><al><onderstreept>Het begrip openbare weg</onderstreept></al><al>De Gemeentewet geeft geen definitie van het begrip openbare weg. De
                    belastingrechter knoopt voor het begrip ‘openbare weg’ aan bij de definitie uit
                    de Wegenwet (Hof Leeuwarden 30 </al><al>oktober 1967, BNB 1968/214 inzake de straatbelasting en Hoge Raad 21 september
                    2001, nr. 35502, Belastingblad 2001, blz. 996 inzake de OZB). Volgens artikel 1
                    van de Wegenwet moet onder weg mede worden verstaan: voetpad, rijwielpad,
                    jaagpad, dreef, molenweg, kerkweg en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik.
                    Ook een brug wordt aangemerkt als weg.</al><al>Volgens artikel 4 van de Wegenwet is een weg openbaar:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden
                            van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder
                            toegankelijk is geweest; </al></li><li nr="2."><al>wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden
                            van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder
                            toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door
                            het rijk, provincie, gemeente of een waterschap; </al></li><li nr="3."><al>wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft
                            gegeven. </al></li></lijst><al>Samenvattend geldt dat een weg openbaar is wanneer deze daadwerkelijk voor
                    iedereen toegankelijk is. Het is daarbij niet van belang wie eigenaar is van de
                    weg. Een weg is niet openbaar als deze alleen op verzoek voor een ieder
                    toegankelijk is.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4 Belastingplicht</vet></al><al>De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de vestiging, waarop
                    en/of waarbij één of meer reclameobjecten zijn aangebracht.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5 Grondslag van heffing en belastingtarief </vet></al><al>Via met name dit artikel wordt de keuze voor de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf
                    geregeld. </al><al>Verder is in dit artikel geregeld hoe om te gaan met de berekening van de
                    aanslag voor verschillende onroerende zaken die direct naast elkaar gelegen zijn
                    en door één organisatie of bedrijf tezamen voor één doel worden gebruik. De
                    gezamenlijke WOZ-waarde vormt dan de basis voor de heffing. Als er sprake van
                    een woongedeelte in de WOZ-waarde, wordt deze waarde buiten de berekening van de
                    aanslag gelaten. Over de wijze waarop de tarieven tot stand zijn gekomen, wordt
                    kortheidshalve verwezen naar het raadsvoorstel.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsgelang</vet></al><al>De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of zo dit
                    later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Hiermee kunnen de aanslagen
                    tezamen op één aanslagbiljet worden opgelegd met de overige gemeentelijke
                    jaarheffingen. Wel is het mogelijk dat de belastingplicht in de loop van het
                    belastingjaar aanvangt of eindigt. Daarvoor zijn bepalingen opgenomen zodat er
                    alsnog een aanslag kan worden opgelegd of eventueel ontheffing worden verleend. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Vrijstellingen</vet></al><al>De Gemeentewet kent voor de reclamebelasting geen verplichte vrijstellingen. Wel
                    kan de gemeenteraad in de verordening reclamebelasting zogenoemde facultatieve
                    vrijstellingen opnemen. De raad heeft daarvoor een ruime bevoegdheid. Een
                    beperking bij het opnemen van vrijstellingen in de verordening is, dat een
                    vrijstelling objectief moet zijn om te voorkomen dat toepassing van de
                    vrijstelling leidt tot strijdigheid met de algemene beginselen van behoorlijk
                    bestuur, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Het is wenselijk om de heffing in de
                    praktijk uitvoerbaar te houden en daarom een aantal objectieve vrijstellingen op
                    te nemen. Het gaat om de volgende de vrijstellingen die voor zich spreken. De
                    belasting wordt niet geheven voor reclameobjecten:</al><al>die korter dan 13 weken aanwezig zijn, tenzij deze openbare aankondigingen zijn
                    aangebracht in een voorziening waarin, waaraan of waarop wisselende openbare
                    aankondigingen worden aangebracht, die individueel korter dan 13 weken aanwezig
                    zijn,</al><lijst><li nr="*"><al>maar waarbij de verschillende openbare aankondigingen gezamenlijk 13
                            weken of meer aanwezig zijn;</al></li><li nr="*"><al>die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt
                            gediend, kunnen worden aangemerkt;</al></li><li nr="*"><al>die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of
                            aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter
                            uitvoering van de publieke taak; </al></li><li nr="*"><al>die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee
                            gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en
                            betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel,
                            maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen;</al></li><li nr="*"><al>aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement,
                            waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of
                            zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het
                            centrummanagement;</al></li><li nr="*"><al>aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks
                            betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde
                            bouwwerkzaamheden;</al></li><li nr="*"><al>die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang
                            dienen;</al></li><li nr="*"><al>die onderdeel uitmaken van voor de verkoop of verhuur bestemde artikelen
                            en producten in een etalage of in de winkel;</al></li><li nr="*"><al>bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze
                            aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te
                            verhuren zaak;</al></li><li nr="*"><al>aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en
                            moskeeën, en die uitsluitend betrekking hebben op de functie van het
                            gebouw. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 10 Termijnen van betaling</vet></al><al>Deze bepaling is identiek aan die in de verordeningen van alle gemeentelijke
                    jaarheffingen zoals de onroerende-zaakbelastingen en rioolheffing die
                    gecombineerd op één aanslagbiljet worden opgelegd. Hiermee kan de aanslag
                    reclamebelasting op ditzelfde biljet worden opgelegd. </al><al/><al><vet>Artikelen 6, 8, 11, 12 13 en 14</vet></al><al>Deze (standaard)bepalingen spreken voor zich en behoeven geen nadere
                    toelichting.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>