<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR307223_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Treasurystatuut gemeente Vlaardingen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlaardingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlaardingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013-62, 25-09-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Treasurystatuut 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=FINANCIËLE VERORDENING GEMEENTE VLAARDINGEN 2013">Financiële verordening gemeente Vlaardingen 2013, art. 17</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-09-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>688179</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiën en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Het Treasurystatuut 2001 wordt hierbij ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Treasurystatuut gemeente Vlaardingen 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Vlaardingen; gelezen het voorstel van het college
                        van 27 augustus 2013, R.nr. ; gelet op de Financiële verordening gemeente
                        Vlaardingen 2013, artikel 17; besluit vast te stellen het volgende:
                        Treasurystatuut gemeente Vlaardingen 2013 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippenkader</titel></kop><al> De treasuryfunctie vormt dat deel van de financiële functie dat zich
                            bezighoudt</al><al> met het sturen en beheersen van, het verantwoording afleggen over en
                            het toezicht houden op de gemeentelijke geldstromen en de daaruit
                            voortvloeiende balansposities en financiële risico’s. De treasuryfunctie
                            kent 3 taakgebieden:</al><al> a. financieel risicobeheer, betreffende renterisico, debiteurenrisico,
                            koersrisico en valutarisico;</al><al> b. gemeentefinanciering, onderverdeeld in financiering en
                            kredietverlening;</al><al> en</al><al> c. cashmanagement, bestaande uit geldstromenbeheer, saldo- en
                            liquiditeiten-beheer en relatiebeheer. Het treasurybeleid bestaat uit de
                            uitgangspunten, de doelstellingen en de richtlijnen ter uitvoering van
                            de treasuryfunctie. Het treasurybeleid is vastgelegd in het
                            treasurystatuut. De uitvoering van het treasurybeleid vindt plaats
                            binnen de in het statuut aangegeven kaders. De uitvoering van het
                            treasurybeleid wordt beschreven in de treasuryparagraaf. De
                            treasuryparagraaf in de begroting geeft een overzicht van de
                            beleidsplannen, de treasuryparagraaf in de jaarrekening belicht de
                            realisatie van deze plannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Wettelijke basis</titel></kop><al> Gemeentewet, art. 212.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Wettelijk kader</titel></kop><al> Het wettelijk kader wordt bepaald door:</al><al> a. de Wet Financiering Decentrale Overheden (Staatsblad 2008, 537; 18
                            december 2008)</al><al> b. het Besluit Leningvoorwaarden Decentrale Overheden (Staatsblad 2000,
                            589; 21 december 2000)</al><al> c. de Uitvoeringsregeling Financiering Decentrale Overheden
                            (Staatscourant 2009, 65; 5 april 2009)</al><al> d. de Regeling Uitzettingen en Derivaten Decentrale Overheden
                            (Staatscourant 2009, 65; 5 april 2009)</al><al> e. het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten
                            (Staatsblad 2003, 27; 17 januari 2003)</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gemeentelijk kader</titel></kop><al> Met inachtneming van het wettelijk kader (art. 3) bepaalt de
                            gemeenteraad door vaststelling van het treasurystatuut de voor de
                            Gemeente Vlaardingen gewenste kaders, waarbinnen het treasurybeleid zal
                            worden uitgevoerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>2</nr><titel>Algemene uitgangspunten, doelstellingen en richtlijnen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitgangspunten</titel></kop><al> 1. De Gemeente Vlaardingen voert, gelet op het primaire belang van een
                            continue gemeentelijke taakuitoefening, een treasurybeleid dat defensief
                            van karakter is. Dit betekent dat financiële risico's zoveel mogelijk
                            beperkt dienen te worden.</al><al> 2. Gelet op de samenhang tussen risico en rendement wordt, gegeven het
                            in artikel 5.1 geformuleerde uitgangspunt, slechts
                            rendementsoptimalisatie (in plaats van rendementsmaximalisatie)
                            nagestreefd, of kostenoptimalisatie (in plaats van
                            kostenminimalisatie).</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doelstellingen</titel></kop><al> Het gemeentelijk treasurybeleid beoogt:</al><al> a. het garanderen van een duurzame toegang tot de financiële markten
                            en</al><al> het beperken van de kosten die daarmee samenhangen;</al><al> b. het beschermen van de gemeentelijke vermogenspositie middels het
                            beheersen van de optredende financiële risico 's; en</al><al> c. het optimaliseren van het extern renteresultaat.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Richtlijnen</titel></kop><al> Zowel bij het opnemen als het uitzetten van geldelijke middelen geldt
                            dat:</al><al> a. rekening wordt gehouden met de actuele en toekomstige omvang van de
                            gemeentelijke financieringsbehoefte (liquiditeitenprognose);</al><al> b. rekening wordt gehouden met de bestaande en verwachte
                            renteverhoudingen op de geld- en kapitaalmarkt (rentevisie);</al><al> c. rekening wordt gehouden met het risicoprofiel, zoals dit in het
                            treasurystatuut impliciet wordt vastgesteld;</al><al> d. voor het afsluiten van langlopende geldleningen (o/g en u/g) altijd
                            meerdere offertes worden aangevraagd die per email bevestigd dienen te
                            worden;</al><al> e. uitsluitend schuldpapier luidende in euro's wordt verstrekt of
                            aangenomen.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>3</nr><titel>Financieel risicobeheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitgangspunten</titel></kop><al> 1. Krediet- en garantieverlening uit hoofde van de publieke taak vindt
                            uitsluitend plaats nadat op zorgvuldige wijze informatie is ingewonnen
                            over de financiële positie van de krediet- of garantieontvangende
                            organisatie.</al><al> 2. Het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie vindt
                            uitsluitend plaats indien deze uitzettingen een prudent karakter dragen.
                            Het prudente karakter wordt gewaarborgd door in achtneming van de
                            richtlijnen in dit statuut.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Doelstellingen</titel></kop><al> Het beheersen van financiële risico 's is gericht op de bescherming van
                            het eigen vermogen van de gemeente. De te beheersen risico’s zijn het
                            rente-, koers-, debiteuren- en valutarisico.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Renterisicobeheer</titel></kop><al> 1. Het renterisico dat voortvloeit uit de netto vlottende schuld wordt
                            beperkt door te voldoen aan de wettelijke bepalingen inzake de
                            kasgeldlimiet. De netto vlottende schuld bestaat uit kortlopende
                            leningen o/g en u/g (met een rentetypische looptijd tot 1 jaar),
                            rekeningcourantsaldi bij banken en kassaldi.</al><al> 2. Het renterisico dat voortvloeit uit de vaste schuld wordt beperkt
                            door te voldoen aan de wettelijke bepalingen inzake de renterisiconorm.
                            De vaste schuld heeft betrekking op geldleningen met een rentetypische
                            looptijd van 1 jaar of langer.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Koersrisicobeheer</titel></kop><al> 1. Koersrisico wordt beperkt door uitsluitend in producten te beleggen
                            met een hoofdsomgarantie. Hierbij wordt het zgn. buy-and-hold-principe
                            toegepast.</al><al> 2. Beleggen in aandelen is uit hoofde van de treasuryfunctie niet
                            toegestaan. Deelnemen in het risicodragend kapitaal van een onderneming
                            is wel mogelijk wanneer dit uit hoofde van de publieke taak
                            gebeurt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Debiteurenrisicobeheer</titel></kop><al> Het debiteurenrisico wordt zoveel mogelijk beperkt door voorkomende
                            liquiditeits-overschotten in te zetten ter aflossing van de bestaande
                            vlottende of vaste schuld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Uitzettingen </titel></kop><al> Bij het uitzetten van geldelijke middelen uit hoofde van de
                            treasuryfunctie gelden naast de richtlijnen van art. 7 en art. 10.1 de
                            volgende richtlijnen:</al><al> a. uitzettingen vinden uitsluitend plaats bij:</al><al> - geldnemers, waarvan aan het schuldpapier een solvabiliteitsvriie
                            status is toegekend, of</al><al> - geldnemers, waarvan het hoofdkantoor In Nederland gevestigd is en die
                            minimaal over een A-rating beschikken, afgegeven door tenminste 2 van de
                            erkende ratingbureau's.</al><al> b. uitzettingen worden defensiever van karakter naarmate de
                            liquiditeitstypische looptijd van de uitzetting langer is:</al><al> - bij een looptijd korter dan 3 maanden : minimaal A-rating,</al><al> - bij een looptijd langer dan 3 maanden : minimaal AA-rating,</al><al> - bij een looptijd van 1 jaar of langer : AAA-rating (triple-A).</al><al> c. uitzettingen worden zoveel mogelijk over verschillende geldnemers
                            gespreid.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Valutarisicobeheer</titel></kop><al> Valutarisico 's worden uitgesloten door uitsluitend geldleningen af te
                            sluiten of te garanderen welke gedenomineerd zijn in de Nederlandse
                            geldeenheid (euro).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>4</nr><titel>Gemeentefinanciering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al> Bij het aantrekken van financieringsmiddelen voor een periode van één
                            jaar of langer gelden naast de richtlijnen van art. 7 en art. 10.2 de
                            volgende richtlijnen:</al><al> a. financiering wordt uitsluitend en alleen aangetrokken ten behoeve
                            van de uitoefening van de publieke taak;</al><al> b. financieringsbeslissingen zijn altijd gebaseerd op de
                            financieringsbehoefte van de gemeente als geheel
                            (totaalfinanciering);</al><al> c. financiering door middel van externe middelen wordt zoveel mogelijk
                            beperkt door eerst de uitgezette middelen te benutten;</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Kredietverlening</titel></kop><al> Bij het uitzetten van geldelijke middelen uit hoofde van de
                            treasuryfunctie voor een periode van één jaar of langer geldt het
                            uitgangspunt van art. 12 en de richtlijnen van art. 7 en art. 13.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>5</nr><titel>Cashmanagement</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Geldstromenbeheer</titel></kop><al> Teneinde de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren:</al><al> a. wordt het liquiditeitsgebruik beperkt door de inkomende en uitgaande
                            geldstromen van de gemeente zoveel mogelijk op elkaar af te
                            stemmen;</al><al> b. worden vorderingen zo snel mogelijk geïnd en schulden, rekening
                            houdend met de betalingscondities en -termijnen, zo laat mogelijk
                            betaald;</al><al> c. wordt het betalingsverkeer zoveel mogelijk middels internetbankieren
                            uitgevoerd bij zo min mogelijk banken; en</al><al> d. worden overigens de meest efficiënte financiële producten
                            benut.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Saldo- en liquiditeitenbeheer</titel></kop><al> Voor het saldo- en liquiditeitenbeheer gelden de volgende
                            richtlijnen:</al><al> a. de gemeente streeft naar concentratie van de liquiditeiten binnen
                            één saldo- en rentecompensabel stelsel (bij de bank met de gunstigste
                            condities);</al><al> b. bij het opnemen en uitzetten van gelden korter dan één jaar geldt
                            het uitgangspunt van art. 12 en de richtlijnen van art. 7, art. 10.1 en
                            art. 13.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Relatiebeheer</titel></kop><al> De gemeente beoogt het realiseren van marktconforme condities met
                            betrekking tot af te nemen financiële producten en diensten. Hiervoor
                            gelden de volgende richtlijnen:</al><al> a. een wijziging in de keuze van de huisbankier is altijd gebaseerd op
                            een vergelijkend onderzoek tussen banken;</al><al> b. banken en overige financiële ondernemingen dienen wat betreft hun
                            krediet-waardigheid te voldoen aan de richtlijnen van artikel 13;</al><al> c. banken en overige financiële ondernemingen dienen onder het toezicht
                            van een Nederlandse of Europese toezichthouder te vallen;</al><al> d. tussenpersonen dienen te handelen in overeenstemming met de regels
                            uit de Wet op het Financieel Toezicht.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Informatievoorziening</titel></kop><al> De uitvoering van het treasurybeleid dient vastgesteld, gecontroleerd
                            en geëvalueerd te worden. Informatie over treasuryonderwerpen wordt
                            daarom opgenomen in de documenten uit de planning- en
                            controlcyclus.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het
                            Gemeenteblad.</al><al> 2. Op dat moment wordt de verordening “Treasurystatuut 2001”
                            ingetrokken.</al><al> 3. Waar in documenten uit de planning- en controlcyclus (na datum
                            inwerkingtreding) wordt verwezen naar het treasurystatuut, daar wordt
                            verwezen naar voorliggende verordening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt aangehaald als “Treasurystatuut 2013”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Vlaardingen in zijn openbare
                        vergadering van 19 september 2013, De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening> drs. E.W.K. Meurs mr. T.P.J. Bruinsma</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><titel>Artikelsgewijze toelichting Treasurystatuut 2013</titel></kop><al> Artikel 1 en 2</al><al> Sinds het van kracht worden van de Wet Financiering Decentrale Overheden (eind
                    2000) is het opstellen van een treasurystatuut een wettelijke verplichting. Het
                    eerste treasurystatuut is door uw raad vastgesteld in september 2001. In de
                    afgelopen 11 jaar is er op het gebied van wet- en regelgeving het nodige
                    veranderd. Daarbij kan o.a. gedacht worden aan de invoering van de Wet
                    Dualisering Gemeenten en de wijzigingen in de Wet Financiering Decentrale
                    Overheden. Een en ander vormt meer dan voldoende aanleiding voor een up-date van
                    het statuut. De belangrijkste wijzigingen zijn het vervallen van de artikelen
                    betreffende de administratieve organisatie en interne controle (geen taak meer
                    van de raad) en een aanscherping van de richtlijnen voor het uitzetten van
                    gelden bij derden (gevolg van de kredietcrisis). Artikel 3 en 4</al><al> Het kader waarbinnen het gemeentelijk treasurybeleid dient te worden
                    uitgevoerd, wordt in eerste instantie bepaald door de landelijke wetgever. In
                    artikel 3 is daarom aangegeven welke wetten en regelingen hierbij een rol
                    spelen. Binnen dit rijkskader staat het de gemeenteraad vrij om eigen keuzes te
                    maken met betrekking tot het treasurybeleid. Deze komen tot uiting in dit
                    statuut. Artikel 5 en 6</al><al> Middels de formulering van uitgangspunten en doelstellingen geeft de
                    gemeenteraad aan welke prioriteiten zij op het gebied van treasury stelt. Zo mag
                    de uitvoering van het treasurybeleid nooit een belemmering vormen voor de
                    uitvoering van gemeentelijke taken. Het treasurybeleid dient dit juist te
                    faciliteren. Om die reden staat het mijden van risico voorop. Risicobeperking
                    heeft echter in het algemeen een lastenverhogend of batenverlagende effect.
                    Artikel 7</al><al> Het opnemen en uitzetten van geldelijke middelen maakt deel uit van de
                    treasurypraktijk. De in dit artikel geformuleerde richtlijnen stellen
                    voorwaarden aan deze activiteiten. Het doel hiervan is om tot een weloverwogen
                    financieringsbeslissing te komen. In de navolgende artikelen komen de meer
                    specifieke richtlijnen aan de orde. Artikel 8 en 9</al><al> Ook de gewijzigde Wet Financiering Decentrale Overheden (2008) stelt nagenoeg
                    geen eisen aan het verstrekken van geldleningen en het verlenen van garanties
                    uit hoofde van de publieke taak. Het is aan het gemeentebestuur zelf om te
                    bepalen wanneer het maatschappelijk belang gediend is en wanneer niet. Het is
                    echter niet toegestaan om geld te lenen met als enig doel het met een voordelige
                    rentemarge weer uit te lenen. Dit zgn. near-banking wordt sinds de Ceteco-affair
                    in 1999 nadrukkelijk niet als publieke taak gezien.</al><al> Voor het uitzetten van gemeenschapsgeld uit hoofde van de treasuryfunctie
                    gelden wel strikte voorwaarden. Het gaat in dit geval om het uitzetten van
                    middelen als gevolg van een tijdelijk liquiditeitsoverschot. De recente
                    geschiedenis (Icesave-affaire 2008) heeft aangetoond hoe lastig het voor een
                    gemeente is om een correcte inschatting te maken van de kredietwaardigheid van
                    een geldnemer. Het afboeken van uitstaande gelden (ten laste van de algemene
                    reserve) is niet gewenst. Daarom is het uitzettingsbeleid zeer prudent. Prudent
                    betekent ‘voorzichtig’ of ‘verstandig’. Hoofdstuk 3 van het statuut geeft aan
                    wat in Vlaardingen precies onder prudent wordt verstaan. Artikel 10</al><al> Renterisicobeheer heeft tot doel het beperken van de invloed van
                    rentewijzigingen op de exploitaitie van de gemeente. Middels de kasgeldlimiet en
                    de renterisiconorm tracht de wetgever te voorkomen dat begrotingen
                    geconfronteerd worden met te grote jaarlijkse fluctuaties in de
                    rentelasten.</al><al> De kasgeldlimiet beperkt het gebruik van kortlopende geldleningen tot een
                    gemiddelde hoofdsom van maximaal 8,50% (anno 2012) van de begrote
                    exploitatielasten, terwijl de renterisiconorm moet zorgen voor spreiding van het
                    renterisico op langlopende geldleningen over toekomstige begrotingsjaren. Het
                    renterisico bestaat uit te herfinancieren aflossingen en renteherzieningen. De
                    blootstelling aan dit risico mag maximaal 20% (anno 2012) van de begrote
                    exploitatielasten bedragen. Artikel 11</al><al> Overtollige liquiditeiten kunnen voor kortere of langere tijd worden uitgezet.
                    Er wordt echter uitsluitend belegd in producten waarvan op het moment van
                    belegging bekend is dat minimaal de belegde hoofdsom retour ontvangen zal
                    worden. Het gedurende de looptijd verkopen van een belegging kan zonder
                    hoofdsomgarantie nadelige consequenties hebben voor de financiële positie van de
                    gemeente. Dit is het geval wanneer op verkoopdatum de marktwaarde van de
                    belegging kleiner is dan de ingelegde hoofdsom.</al><al> Voorbeelden van deelnemingen uit hoofde van de publieke taak zijn de
                    deelnemingen in: NV Bank Nederlandse Gemeenten, NV Waterbedrijf Evides, NV IRADO
                    en BV Stadsgehoorzaal. Artikel 12</al><al> Het uitzetten van gelden uit hoofde van de treasuryfunctie (ten tijde van
                    liquiditeitsoverschotten) is geen kerntaak van de gemeente. Daarom zal ernaar
                    gestreefd worden om tijdelijk overtollige liquiditeiten zoveel als contractueel
                    mogelijk in te zetten ter aflossing van bestaande schulden. In voorkomende
                    gevallen zullen de risico’s van een tijdelijke uitzetting duidelijk in beeld
                    gebracht moeten worden. Zodra schatkistbankieren een wettelijke verplichting is,
                    zullen liquiditeitsover-schotten bij het Rijk worden aangehouden. Artikel
                    13</al><al> Ter beperking van het debiteurenrisico zijn in dit artikel richtlijnen
                    opgenomen met betrekking tot de minimale kredietwaardigheid van geldnemers.
                    Geldnemers kunnen zijn: andere overheden, woningcorporaties, bankinstellingen,
                    pensioenfondsen of verzekeringsmaatschappijen.</al><al> De Nederlandsche Bank (DNB) bepaalt van welke organisaties het schuldpapier
                    solvabiliteitsvrij is. Beleggen in dergelijk papier is risicovrij. De
                    solvabiliteitsvrije status wordt o.a. toegekend aan schuldpapier uitgegeven of
                    gegarandeerd door het Rijk, provincies of gemeenten.</al><al> Een credit-rating is een maatstaf voor de kredietwaardigheid van een
                    organisatie. Een dergelijke rating wordt toegekend door erkende rating-agencies
                    als Standard &amp; Poor's, Moody's en Fitch IBCA. De hoogste kredietwaardigheid
                    wordt aangegeven door AAA, gevolgd door AA en A. Daaronder kent men soortgelijke
                    onderverdelingen van de letters B, C en D. Een A-rating staat nog steeds voor
                    "zeer kredietwaardig". Tijdens de kredietcrisis van 2008 is echter ook de
                    relatieve waarde van credit-ratings aan het licht gekomen.</al><al> Debiteurenrisico kan in het algemeen worden verminderd door spreiding aan te
                    brengen in de uitzettingen, namelijk door het totaal aan uit te zetten middelen
                    onder te brengen bij meerdere geldnemers. Het onverhoopte faillissement van 1
                    debiteur leidt in dergelijke gevallen 'slechts' tot een gedeeltelijke
                    afschrijving van de beleggingsportefeuille. Op dit moment liggen plannen klaar
                    om schatkistbankieren (zie begrippenlijst) verplicht te stellen. Zodra dit een
                    wettelijke verplichting is is dit artikel niet meer van kracht. Artikel 15</al><al> Het aantrekken van financieringsmiddelen gebeurt alleen in functie van de
                    gemeentelijke taakuitoefening. De te nemen financieringsbeslissingen zullen
                    daarbij altijd gebaseerd zijn op de financieringsbehoefte van de gemeente als
                    geheel ("totaal-financiering"). De Icesave-affaire heeft aangetoond dat
                    projectfinanciering risicovol kan zijn wanneer gelden reeds ruim voor de fase
                    van uitvoering van het project worden opgenomen. Dit zorgt immers voor een
                    liquiditeitsoverschot en dus voor een beleggingsprobleem. De wetgever eist in de
                    gewijzigde Wet Financiering Decentrale Overheden om die reden dat overschotten
                    in verband met projectfinanciering belegd worden bij de oorspronkelijke
                    geldgever. In het geval van faillissement van de geldgever kunnen zodoende
                    vorderingen en schulden gesaldeerd worden.</al><al> De Gemeente Vlaardingen trekt tot nu toe alleen financieringsmiddelen aan door
                    het afsluiten van onderhandse geldleningen. Onderhandse geldleningen zijn
                    leningen waarbij het rentetarief en de overige voorwaarden van de lening in
                    overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld
                    ('maatwerk'-product). Middels het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt
                    dat de gemeente een beeld krijgt van de op dat moment geldende tarieven en
                    voorwaarden op de kapitaalmarkt. Zodoende kan een afgewogen keuze worden
                    gemaakt. Artikel 17</al><al> Geldstromenbeheer omvat vooral het zorg dragen voor een efficiënt
                    betalingsverkeer. In dit verband spelen zaken een rol als het gebruik van
                    internetbankieren, het gewenste aantal banken en bankrekeningen, de inzet van
                    acceptgiro en/of incasso, het gebruik van een internetkassa en zo meer.</al><al> Het getuigt van een doelmatig gebruik van middelen wanneer uitgaande
                    geldstromen zoveel mogelijk afgestemd worden op de inkomende geldstromen (het
                    'matching'-principe). Dit beperken van de rentekosten wordt ook bevorderd door
                    rekening te houden met de vervaldata van vorderingen en schulden. Artikel
                    18</al><al> Het saldobeheer betreft het dagelijks beheer van de banksaldi. Omdat de
                    rentecondities op rekeningen van bank tot bank verschillen worden de aanwezige
                    saldi naar die bank overgeboekt die de gunstigste condities kent.</al><al> Het liquiditeitenbeheer heeft betrekking op het totaal van de gemeentelijke
                    banksaldi: een tijdelijk overschot aan middelen wordt uitgezet, een
                    liquiditeitstekort wordt gedekt door het afsluiten van een lening.</al><al> Rekeningcourantfaciliteiten worden in een overeenkomst tussen bank en gemeente
                    vastgelegd. Vlaardingen heeft een dergelijke overeenkomst gesloten met de Bank
                    Nederlandse Gemeenten ING Bank en de RABO Bank. Hierin zijn o.a. afspraken
                    gemaakt over de maximale omvang van het rekening-courantkrediet (“rood staan”)
                    en de te betalen rente. Artikel 19</al><al> De Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) is de gemeentelijke huisbankier. De BNG
                    heeft als geen andere bank kennis van de financiële problematiek die bij
                    gemeenten speelt. Toch kan het voor individuele diensten en producten raadzaam
                    zijn de keuze op een andere bank te laten vallen.</al><al> Tussenpersonen hebben een intermediairsfunctie bij het afsluiten van leningen.
                    Sinds 1 januari 2007 staan zij onder toezicht van de Autoriteit Financiele
                    Markten (AFM). De AFM controleert op deskundigheid, betrouwbaarheid en
                    klantgerichtheid. De gemeente zelf blijft verantwoordelijk voor de keuze van een
                    tussenpersoon. Artikel 20</al><al> Informatie over beleidsplannen wordt door het college verstrekt via de
                    treasuryparagraaf in de begroting. In tussentijdse voortgangsrapportages wordt
                    over de voorlopige uitvoering gerap-porteerd, terwijl in de treasuryparagraaf
                    van het jaarverslag de realisaties in beeld gebracht worden.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>Begrippenlijst Treasurystatuut 2013</titel></kop><al> AANDEEL Bewijs van deelname in het kapitaal van een vennoot-schap (bijv. N.V.
                    of B.V.). BUY-AND-HOLD-PRINCIPE Dit principe houdt in dat aangekochte financiële
                    activa niet gedurende de looptijd worden verkocht. Verkoop vóór het einde van de
                    looptijd leidt tot koersrisico. DEPOSITO Niet-verhandelbare belegging bij een
                    bank, waarbij een bedrag voor een vaste periode tegen een vast rentepercentage
                    wordt weggezet. EIGEN VERMOGEN Het deel van het vermogen dat permanent aanwezig
                    is en als eerste de risico’s draagt die zijn verbonden aan de
                    bedrijfsuitoefening. Bij gemeenten betreft het de algemene reserve. Ook
                    bestemmingsreserves maken delen van het eigen vermogen. FINANCIERING Het
                    aantrekken van financieringsmiddelen ter dekking van een vermogensbehoefte.
                    INTEREST (of rente) De vergoeding die in rekening gebracht wordt voor het
                    beschikbaar stellen van liquide middelen. De interest wordt veelal uitgedrukt in
                    een percentage van de hoofdsom op jaarbasis. KASGELDLIMIET De in de Wet
                    Financiering decentrale overheden vast-gelegde beperking van de netto vlottende
                    schuld. De limiet is een percentage van het begrotingstotaal bij aanvang van het
                    begrotingsjaar. LIQUIDITEITSTYPISCHE LOOPTIJD De totale looptijd van een
                    geldlening of belegging.</al><al> (zie ook: rentetypische looptijd) NEAR-BANKING Het in- en doorlenen van
                    geldelijke middelen met als enige doelstelling het genereren van extra
                    inkomsten. O/G Opgenomen gelden. PROJECTFINANCIERING Kredietverlening op lange
                    termijn ten behoeve van een specifieke zelfstandige economische eenheid (zie
                    ook: Totaalfinanciering). REKENINGCOURANT Bankrekening waarop de lopende
                    inkomsten en uitgaven van een organisatie worden geregistreerd. RENTEHERZIENING
                    Tussentijdse aanpassing van de contractuele rente. RENTERISICONORM De in de Wet
                    Financiering decentrale overheden vastgelegde norm ter beperking van het
                    renterisico verbonden aan de vaste schuld. De norm wordt berekend als percentage
                    van de totale exploitatie-lasten. RENTETYPISCHE LOOPTIJD Looptijd tussen twee
                    momenten van renteherziening.</al><al> (zie ook: Liquiditeitstypische looptijd) SCHATKISTBANKIEREN Het verplicht
                    aanhouden van liquiditeitsoverschotten bij het Rijk TOTAALFINANCIERING
                    Financieringswijze waarbij de vermogensbehoefte van een bedrijf als geheel wordt
                    betrokken (zie ook: Project financiering). U/G Uitstaande gelden.</al><al> VASTE SCHULD Het totaal van de schulden voortvloeiend uit het afsluiten van
                    langlopende geldleningen o/g (d.w.z. met een rentetypische looptijd van minimaal
                    1 jaar). VLOTTENDE SCHULD (Bruto) Het totaal van de schulden voortvloeiend uit
                    het afsluiten van kortlopende geldleningen o/g (d.w.z. met een rentetypische
                    looptijd tot 1 jaar) en de rekening-courantschulden. VLOTTENDE SCHULD (Netto) De
                    netto vlottende schuld is de bruto vlottende schuld minus het totaal van de
                    vorderingen door het afsluiten van kortlopende leningen u/g, de
                    rekeningcourantsaldi en de kassaldi.</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>