<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR307213_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraak- en participatieverordening gemeente Zandvoort 2013.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoortsecourant.nl">Zadvoortse Courant, d.d. 7 november 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraak- en participatieverordening gemeente Zandvoort 2013.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=150&amp;g=2013-10-29">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=2013-10-29">Algemene wet bestuursrecht, art. 3:2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:4&amp;g=2013-10-29">Algemene wet bestuursrecht, art. 3:4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-10-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-06-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Zaaknummer Z2013-004087, registratienummer 2013/08/001691</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Inspraak- en participatieverordening gemeente Zandvoort 2013.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort, </al><al>Gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d., nr. , </al><al>gelet op de overwegingen van de gemeenteraad van 29 oktober 2013 overwegende
                        dat de raad invulling wil geven aan de wettelijke plicht tot het verlenen
                        van inspraak en aan een zorgvuldige voorbereiding van besluitvorming door
                        middel van participatie, </al><al>gelet op de Gemeentewet, artikel 150 en de Algemene Wet Bestuursrecht,
                        artikel 3:2 en afdeling 3.4, </al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al/><al><vet>INSPRAAK- EN PARTICIPATIEVERORDENING GEMEENTE ZANDVOORT
                        2013.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1.1 Begripsbepalingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colwidth="73*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>inspraak: </vet></al></entry><entry colname="col3"><al>inspraakgerechtigden de mogelijkheid geven om hun
                                                mening over een gemeentelijk beleidsvoornemen
                                                kenbaar te maken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>inspraakprocedure: </vet></al></entry><entry colname="col3"><al>de wijze waarop aan de inspraak gestalte wordt
                                                gegeven;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>beleidsvoornemen: </vet></al></entry><entry colname="col3"><al>het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                                vaststellen of wijzigen van beleid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>participatie: </vet></al></entry><entry colname="col3"><al>het op interactieve wijze betrekken van
                                                belanghebbenden en/of belangstellendenbij
                                                de ontwikkeling van gemeentelijk beleid, in de vorm
                                                van raadplegen, adviseren, coproduceren of
                                                meebeslissen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>raadplegen: </vet></al></entry><entry colname="col3"><al>het gelegenheid geven aan belanghebbenden
                                                en/ofbelangstellenden om ideeën, wensen en
                                                meningen naar voren te brengen of voorkeuren aan te
                                                geven die bij de beleidsvorming worden
                                                betrokken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>adviseren:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>het vragen aan belanghebbenden om binnen vooraf
                                                gestelde kaders een gezamenlijk antwoord te geven op
                                                een door een bestuursorgaan geformuleerde
                                                vraag;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>coproduceren: </vet></al></entry><entry colname="col3"><al>het door gemeente en belanghebbenden in gezamenlijk
                                                overleg ontwikkelen van een plan of beleid met
                                                inachtneming van vooraf meegegeven kaders;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>meebeslissen: </vet></al></entry><entry colname="col3"><al>het gelegenheid geven aan belanghebbenden om binnen
                                                een vooraf aangegeven kader een bindende keuze te
                                                maken uit ten minste twee alternatieven;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>belanghebbende:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                                                betrokken is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>belangstellende:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>eenieder die aan een participatieproces wil
                                                deelnemen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>deskundige:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>een persoon die op uitnodiging van een
                                                bestuursorgaan deelneemt aan een door dat
                                                bestuursorgaan geïnitieerd participatieproces
                                                vanwege zijn specifieke kennis van het onderwerp
                                                waarop dat participatieproces betrekking heeft;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>deelnemers:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>belanghebbenden, belangstellenden en deskundigen die
                                                deelnemen of hebben deelgenomen aan een bepaald
                                                participatieproces:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>de raad:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>de gemeenteraad van Zandvoort;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>n.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>het college:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente Zandvoort;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>o. </al></entry><entry colname="col2"><al><vet>de burgemeester:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>de burgemeester van Zandvoort </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>p.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>bestuursorgaan:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>de raad, het college of de burgemeester.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.2 Inspraak </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verantwoordelijke bestuursorgaan besluit t.a.v. zijn eigen
                                bevoegdheden of inspraak wordt verleend; over inspraak ter
                                voorbereiding van een raadsvoorstel van het college of de
                                burgemeester besluit het college dan wel de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet of een verordening
                                daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="d."><al>betreffende de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>Ten aanzien van voorgenomen benoemings- en
                                        aanstellingsbesluiten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Inspraak wordt verleend aan belanghebbenden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan bepalen dat ook aan anderen dan
                                belanghebbenden de gelegenheid wordt geboden hun zienswijze naar
                                voren te brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4. van de Algemene wet
                                bestuursrecht (Awb) van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een beleidsvoornemen een andere
                                inspraak-procedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                        mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                        wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing
                                        van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.3 Participatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Bevoegdheid tot het starten van een participatieproces</titel></kop><al>Elk bestuursorgaan besluit binnen zijn eigen bevoegdheden of zo ja, welk
                            participatieproces wordt aangegaan. Over het participatieproces ter
                            voorbereiding van een raadsvoorstel doet het college of de burgemeester
                            een voorstel aan de raad. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Deelnemers aan een participatieproces</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het participatieproces “raadplegen” als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, onder e, kan eenieder deelnemen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het participatieproces “adviseren” als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, onder f, kunnen belanghebbenden en deskundigen
                                deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de participatieprocessen “coproduceren” en “meebeslissen’ als
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g respectievelijk h, kan
                                worden deelgenomen door daartoe uitgenodigde belanghebbenden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan bepalen dat ook anderen dan belanghebbenden
                                kunnen deelnemen aan de participatieprocessen bedoeld in het derde
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inrichting van het participatieproces</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan stelt bij de start van elk
                                participatieproces een kaderstellende startnotitie vast. Daarin
                                wordt expliciet besloten over in ieder geval de volgende
                                punten:</al><lijst><li nr="a."><al>het exacte onderwerp van het participatieproces;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de participatie;</al></li><li nr="c."><al>het niveau van de participatie, waarbij een gemotiveerde
                                        keuze wordt gemaakt uit: raadplegen, adviseren, coproduceren
                                        of meebeslissen;</al></li><li nr="d."><al>de inhoudelijke, financiële, procedurele en overige kaders
                                        voor de participatie en de wijze waarop deze kaders vooraf
                                        met de deelnemers worden gecommuniceerd;</al></li><li nr="e."><al>de schaal waarop het participatieproces speelt;</al></li><li nr="f."><al>wie de belanghebbenden zijn;</al></li><li nr="g."><al>of ook anderen dan belanghebbenden aan het proces kunnen
                                        deelnemen;</al></li><li nr="h."><al>de wijze en het tijdstip waarop de deelnemers hun inbreng
                                        kunnen leveren;</al></li><li nr="i."><al>de wijze waarop het bestuursorgaan communiceert over de
                                        inrichting en inhoud van het participatieproces;</al></li><li nr="j."><al>de wijze en het tijdstip waarop het bestuursorgaan reageert
                                        op de uitkomsten van het participatieproces;</al></li><li nr="k."><al>de begroting van de kosten van het participatieproces.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voor de uitvoering verantwoordelijke bestuursorgaan maakt
                                voorafgaand aan de start van het participatieproces het voornemen
                                hiertoe bekend op de voor dat proces gepaste wijze. In deze
                                kennisgeving wordt ingegaan op de in het eerste lid, onder a tot en
                                met i, bedoelde punten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien omstandigheden het noodzakelijk maken om de kaders bedoeld in
                                het eerste lid onder d of de inrichting van het proces als bedoeld
                                in het eerste lid onder h aan te passen, draagt het
                                verantwoordelijke bestuursorgaan er zorg voor dat dit onverwijld
                                bekend wordt gemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Eindverslag van het participatieproces</titel></kop><lid><lidnr/><al/></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van het participatieproces maakt het voor de
                                uitvoering verantwoordelijke bestuursorgaan een eindverslag op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde procedure;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="b."><al>een weergave van de inbreng van degenen die hebben
                                        deelgenomen aan het participatieproces;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr/><lijst><li nr="c."><al>een overzicht van de afspraken die op basis van het
                                        participatieproces zijn gemaakt.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het participatieproces het karakter heeft van raadplegen,
                                adviseren of coproduceren geeft het bestuursorgaan een inhoudelijke
                                reactie op de geleverde inbreng.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover geleverde inbreng niet wordt gevolgd, geeft het
                                bestuursorgaan de redenen daarvoor aan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bestuursorgaan draagt er zorg voor dat het eindverslag openbaar
                                wordt gemaakt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.4 Algemene en slotbepalingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De Ronde Tafel</titel></kop><al>Een Ronde Tafelbijeenkomst over een onderwerp kan worden gehouden
                            voorafgaand aan het participatietraject zoals bedoeld in deze
                            verordening, maar is geen vervanging van het participatieproces. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014.</al></li><li nr="2."><al>De Inspraakverordening 2006 wordt ingetrokken op de in lid 1
                                    genoemde datum.</al></li><li nr="3."><al>De Nota Participatiebeleid 2013 wordt gehanteerd als kader en
                                    uitvoeringsinstrument van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Citeertitel</label></kop><al>De verordening wordt aangehaald als:</al><al>Inspraak- en participatieverordening gemeente Zandvoort 2013.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 oktober 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><al><vet>2.1.ALGEMEEN</vet></al><al/><al>Versterking van burgerbetrokkenheid is een speerpunt in het beleid van de
                    gemeente Zandvoort. Bij goede burgerparticipatie horen duidelijke regels,
                    eenvoudige en doelmatige procedures en goed 'verwachtingsmanagement". Deze
                    verordening voorziet daarin. Gekozen is voor een raamregeling die veel ruimte
                    laat voor maatwerk. Inspraak en participatie kunnen alleen goed uit de verf
                    komen als de zorgvuldigheid, de redelijkheid en de billijkheid steeds voorop
                    staan. Dat verdraagt zich slecht met een al te gedetailleerde regeling. De
                    verordening behandelt twee vormen van burgerbetrokkenheid die goed van elkaar
                    ge- en onderscheiden moeten worden: inspraak en participatie. De gemeente
                    Zandvoort hecht veel waarde aan participatie, als het instrument bij uitstek om
                    burgers en eventueel maatschappelijke organisaties aan te spreken op hun
                    medeverantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen van de
                    kustplaatsgemeente.</al><al>Participatie doet een beroep op hun oplossingsgerichtheid en creativiteit. De
                    Zandvoortse participatiepraktijk zoals deze zich de laatste jaren heeft
                    ontwikkeld krijgt een formele basis in deze verordening.</al><al/><al><vet>Inspraak</vet></al><al/><al>Belanghebbenden kunnen via inspraak hun mening geven over een plan dat gereed is
                    voor bestuurlijke besluitvorming, zodat het eventueel nog kan worden aangepast
                    voordat het betreffende bestuursorgaan erover beslist. Of inspraak wordt
                    verleend, beslist elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden.
                    Inspraak wordt altijd verleend indien de wet of een gemeentelijke verordening
                    daartoe verplicht. Het betreffende bestuursorgaan kan ook anderen dan
                    belanghebbenden aan de inspraak laten deelnemen als het bestuursorgaan
                    veronderstelt dat daardoor een kwalitatief beter en/of een breder gedragen
                    beleid tot stand komt.</al><al>Inspraak moet worden onderscheiden van de andere mogelijkheden die men heeft om
                    zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken valt hierbij aan het
                    inspreekrecht bij de gemeenteraad. Andere mogelijkheden die buiten de
                    verordening vallen zijn: het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren,
                    het houden van informatiebijeenkomsten enz.</al><al/><al><vet>Participatie</vet></al><tussenkop>Daarnaast moet inspraak ook worden onderscheiden van participatie, ook
                    wel interactieve beleidsvorming genoemd. Het uitwisselen van ideeën tussen
                    burgers en gemeente (tweerichtingsverkeer) is het belangrijkste kenmerk van
                    participatie. Participatie is een werkwijze waarbij het bestuursorgaan, veelal
                    vóórdat er sprake is van een concreet beleidsvoornemen, relevante partijen
                    (zoals burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven, deskundigen of andere
                    overheden) bij de beleidsontwikkeling betrekt. In een participatieproces wordt
                    getracht om in een open en evenwichtige samenwerking met hen tot de
                    voorbereiding, bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen.
                    Participatie mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan het bestuursorgaan op voorhand niet weet - of nog niet
                    wil bepalen - hoe deze opgelost zullen worden. Bij participatie wordt vaak een
                    aantal keren van gedachten gewisseld. Het bevoegde bestuursorgaan kan ook
                    anderen dan belanghebbenden aan een participatieproces laten deelnemen als het
                    bestuursorgaan veronderstelt dat daardoor een kwalitatief beter en/of een breder
                    gedragen beleid tot stand komt.</tussenkop><al/><al><vet>In beginsel geen dubbeling inspraak en participatie</vet></al><tussenkop>Om nodeloze vertraging in beleidsprocessen te voorkomen geldt als
                    hoofdregel dat er in beginsel geen dubbeling van inspraak en participatie
                    plaatsvindt. Dit houdt in dat als inspraak (wettelijk voorgeschreven of niet)
                    wordt toegepast, er in beginsel geen participatie wordt gehouden. Bij grote en
                    complexe dossiers kan van deze regel worden afgeweken.</tussenkop><al/><al><vet>Andere vormen van burgerbetrokkenheid</vet></al><tussenkop>Naast participatie en inspraak zijn er nog andere momenten waarop de
                    gemeente de Zandvoortse ingezetenen bij beleid betrekt. Het gaat om min of meer
                    reguliere vormen, via bijvoorbeeld de Ronde Tafel bijeenkomsten. Deze vormen van
                    burgerbetrokkenheid vallen buiten het bereik van deze verordening. </tussenkop><al/><al><vet>Internet als nieuw instrument</vet></al><tussenkop>Bij zowel inspraak als participatie kunnen verschillende middelen worden
                    ingezet om mensen te bereiken. Internet is daarbij een belangrijk nieuw medium.
                    Het vormt, naast de gebruikelijke manier van publiceren, een extra service voor
                    de Zandvoortse bevolking, omdat burgers aan inspraak of participatie kunnen
                    deelnemen op momenten die hen uitkomen. Daarnaast bereikt de gemeente met
                    internet ook doelgroepen die niet zo gauw naar een bijeenkomst gaan, zoals
                    jongeren. Beide aspecten dragen bij aan de toegankelijkheid van inspraak en
                    participatie.</tussenkop><al/><al><vet>Klachten</vet></al><tussenkop>Indien een deelnemer aan een participatieproces het niet eens is met de
                    wijze waarop het bestuursorgaan hem/haar heeft bejegend, kan hij/zij ingevolge
                    artikel 9.1 van de Awb hiertegen een klacht indienen. Een dergelijke klacht kan
                    bijvoorbeeld betrekking hebben op de wijze waarop het betrokken bestuursorgaan
                    op zijn/haar inbreng heeft gereageerd. Maar er kan ook worden geklaagd over het
                    feit dat de gemeente geen participatie geeft terwijl een burger vindt dat dit
                    wel gemoeten had, over het gekozen participatieniveau, over vormfouten tijdens
                    het proces of over onvoldoende onderbouwing van gemaakte keuzes. De klacht wordt
                    ingediend bij het bestuursorgaan dat de participatie heeft georganiseerd of
                    (volgens de klager) had moeten organiseren.</tussenkop><al>Als de klager zich niet kan vinden in die reactie kan hij zich vervoegen bij de
                    Nationale Ombudsman.</al><al>Een en ander staat geregeld in de Verordening Klachtenbehandeling 2006. </al><al/><al><vet>Juridisch kader</vet></al><tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. </al><tussenkop>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</tussenkop><al>Deze verordening is ook een nadere invulling van de uniforme
                    voorbereidingsprocedure Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), afdeling 3.4. </al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><tussenkop>a.</tussenkop><al>Inspraak: Bij de formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van
                    het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                    belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                    kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk
                    hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                    belangenafweging. </al><al>b. </al><al>Inspraakprocedure: De wijze waarop inspraak gestalte wordt gegeven. De
                    verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt
                    ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Artikel 4, tweede lid, van
                    de verordening geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te
                    volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere
                    regeling en organisatie van de inspraak.</al><al>c. </al><al>Beleidsvoornemen: Het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of
                    wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de
                    vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het
                    beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.</al><al>d. </al><al>Participatie: zie algemene toelichting.</al><al>e tot en met h.</al><al>De definities zijn anders geformuleerd dan in het participatiemodel 2004, maar
                    hebben nog wel dezelfde strekking. Door de aangepaste formuleringen zijn ze
                    beter te begrijpen en te onderscheiden. </al><al>e. </al><al>Raadplegen: Onder raadplegen wordt in deze verordening verstaan: het gelegenheid
                    geven aan belangstellenden om ideeën, wensen en meningen naar voren te brengen
                    of voorkeuren aan te geven die bij de beleidsvorming kunnen worden betrokken.
                    Voor deze variant wordt gekozen als het gemeentebestuur wil weten hoe personen
                    en organisaties tegen een bepaald vraagstuk aankijken, maar zelf wil kunnen
                    bepalen hoe het die inbreng wil wegen, zonder zich daarbij vooraf vast te leggen
                    aan een uitkomst. Deze variant past bij situaties waarin veel personen en
                    organisaties betrokken zijn, er veel en ongelijksoortige belangen spelen en er
                    voldoende ruimte is om keuzes te maken. Doel van het proces is primair het
                    benutten van de kennis, kunde en creativiteit van de stad. Iedereen die aan de
                    discussie meedoet, kan rekenen op een gemotiveerd antwoord, waaruit blijkt
                    waarom het ingebrachte idee wel of niet wordt gevolgd. Duidelijk moet zijn dat
                    alle ideeën op hun merites zullen worden bezien. Ideeën kunnen niet uitvoerbaar
                    zijn, niet betaalbaar of elkaar tegenspreken. Het meedoen aan</al><al>een raadpleging biedt daarom geen waarborg vooraf of en hoe de geleverde inbreng
                    terug te vinden zal zijn in de uiteindelijke beleidskeuze. Indien sprake is van
                    een groot aantal betrokkenen en uiteenlopende belangen, is het bereiken van
                    consensus doorgaans geen realistisch procesdoel. Aan het eind van het traject
                    bepaalt de gemeente wat er met de geleverde inbreng gebeurt. Dat wordt
                    teruggekoppeld naar degenen die aan het traject hebben meegedaan. Wel kan het
                    proces zich (mede) richten op het inventariseren van het draagvlak voor
                    verschillende oplossingsrichtingen. Daarbij zal wel steeds duidelijk moeten
                    worden aangegeven welk gewicht daaraan gegeven wordt.</al><al>f. </al><al>Adviseren: onder adviseren wordt in deze verordening verstaan: het vragen aan
                    belanghebbenden en/of deskundigen om een gezamenlijk antwoord te geven op een
                    door een bestuursorgaan geformuleerde vraag. Adviseren is in tegenstelling tot
                    raadplegen geen open proces waaraan iedereen kan deelnemen. Een advies wordt
                    gegeven door een afgebakende kring van personen die daartoe uitdrukkelijk door
                    de gemeente is uitgenodigd. De gemeente legt aan de deelnemers aan het
                    adviestraject een zo helder mogelijk geformuleerde vraag voor. Anders dan bij
                    raadplegen wordt van de deelnemers aan een adviestraject verwacht dat zij een
                    standpunt formuleren dat door alle deelnemers, of door een meerderheid, wordt
                    gedragen. Toegevoegde waarde is dus dat de deelnemers aan een adviestraject niet
                    alleen ideeën verzamelen, maar die ook tot een synthese (proberen te)
                    brengen.</al><al>De mate waarin het lukt om consensus te bereiken zal in de praktijk een
                    belangrijke rol spelen bij de bepaling van het bestuursorgaan hoe zwaar zij het
                    advies laat wegen. Het verschil met raadplegen is verder dat de gemeente zich in
                    principe wil verbinden aan de resultaten van het proces, maar zich het recht
                    voorbehoudt om bij de uiteindelijke besluitvorming (beargumenteerd) daarvan af
                    te wijken. Bij raadplegen houdt de gemeente de handen vrij om de uitkomsten naar
                    eigen inzicht te wegen, bij adviseren is de grondhouding van de gemeente
                    “honoreren tenzij”. Afwijkingen van een advies zullen goed moeten worden
                    gemotiveerd. Adviseren kan een goed instrument zijn als verwacht mag worden dat
                    de betrokkenen er samen uit kunnen en willen komen. Adviseren ligt minder voor
                    de hand in complexe situaties met veel (en soms vooraf moeilijk in kaart te
                    brengen) belanghebbenden, sterk</al><al>uiteenlopende belangen en belangrijke beperkingen in de manoeuvreerruimte van de
                    gemeente zelf.</al><al>g. </al><al>Coproduceren: onder coproduceren wordt in deze verordening verstaan: het door
                    gemeente en belanghebbenden in gezamenlijk overleg ontwikkelen van een plan met
                    inachtneming van vooraf meegegeven kaders. De gemeente conformeert zich aan
                    oplossingen die passen binnen de gestelde kaders. Bij het zoeken naar die
                    oplossingen werken gemeente en belanghebbenden samen.</al><al>Deze variant is geschikt voor situaties waarin een beperkte kring betrokkenen
                    een keuze moet maken over iets waarover de gemeente zelf geen eigen
                    doorslaggevende voorkeur heeft en waarbij geen (noemenswaardige) belangen van
                    derden in het geding zijn. Denk aan het inrichten van een groenstrook voor een
                    rijtje huizen of het geven van een bestemming aan een klein buurtplein dat geen
                    functie heeft voor anderen dan de direct omwonenden. De keuze om daar
                    spelvoorzieningen te realiseren voor (kleine) kinderen, een voetbalkooi voor de
                    oudere jeugd of bankjes voor de volwassenen wordt dan aan de omwonenden gelaten,
                    op voorwaarde dat de gekozen oplossing past in het vooraf bekend gemaakte
                    budget, niet in strijd is met wet-en regelgeving, geen hinder veroorzaakt voor
                    derden, enz.</al><al>h. </al><al>Meebeslissen: onder meebeslissen wordt in deze verordening verstaan: het
                    gelegenheid geven aan belanghebbenden om binnen een vooraf aangegeven kader een
                    bindende keuze te maken uit tenminste twee alternatieven. Als zo’n proces wordt
                    gestart moet de uitslag ook worden gevolgd. De gemeente doet daarmee in feite
                    afstand van het recht op een eigenstandige afweging. Als de gemeente toch zelf
                    de finale keuze wil maken, zal zij moeten kiezen voor een lichtere
                    participatievariant, zoals adviseren.</al><al>i. </al><al>Belanghebbende: het begrip belanghebbende is gedefinieerd in artikel 1: 2,
                    eerste lid, van de Awb.</al><al>j. </al><al>Belangstellende: in sommige gevallen kan eenieder deelnemen aan een inspraak-
                    of</al><al>participatieproces. Belangstellenden hoeven niet aan te tonen dat zij een direct
                    belang hebben.</al><al>k.</al><al>Deskundige: een deskundige is iemand die vanwege zijn of haar
                    materiedeskundigheid op het gebied van het onderwerp waarop het
                    participatieproces zich richt door het bestuursorgaan wordt uitgenodigd om deel
                    te nemen aan een participatieproces. Het participatieniveau zal dan</al><al>doorgaans “adviseren” zijn.</al><al>De overige begrippen spreken voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Uit de Gemeentewet vloeit voort dat het college of de
                    burgemeester de bevoegdheid hebben raadsvoorstellen voor te bereiden. </al><al>Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1, eerste lid, van de
                    Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester. Doorgaans zal het
                    college of de burgemeester het bevoegde orgaan zijn. </al><al>Elk bestuursorgaan van de gemeente <cursief>kan</cursief> zijn eigen
                    beleidsvoornemens aan inspraak onderwerpen. Meestal zal hiertoe worden besloten
                    indien het een politiek gevoelig beleidsvoornemen betreft of indien het
                    beleidsstuk veel belanghebbenden en/of ingezetenen aangaat. Overigens staat in
                    de Memorie van Toelichting vermeld dat het uiteindelijk ter volledige
                    beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens
                    inspraak wordt verleend.</al><al>Het besluit om inspraak te verlenen (op grond van het eerste lid ) is een
                    besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan bezwaar worden gemaakt. Ook kan het
                    voorkomen dat wordt besloten om geen inspraak te verlenen. Hierbij moet
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan de mogelijkheid dat hierom is verzocht en wordt
                    besloten om het verzoek niet in te willigen. Ook tegen dit besluit kan dan
                    bezwaar worden gemaakt.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Er is afgezien om dit op te nemen in de
                    tekst van artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke
                    verplichting direct de verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats
                    het een dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee
                    onoverzichtelijk wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</vet></al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Inspraakprocedure</vet></al><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb is
                    de inspraakprocedure te vinden. Hierin staat onder meer weergegeven dat na
                    terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen belanghebbenden
                    gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren kunnen
                    brengen. </al><al>Verwacht wordt dat in de meeste gevallen de procedure als weergegeven in
                    afdeling 3:4 Awb passend zal zijn voor de inspraak. Mocht dit niet zo zijn, dan
                    kan op grond van het tweede lid van artikel 4 de inspraakprocedure bij besluit
                    van het bestuursorgaan worden aangepast. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de
                    mogelijkheid dat de genoemde zes weken termijn door het bestuursorgaan te lang
                    wordt bevonden. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Eindverslag</vet></al><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van
                    hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht. </al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.? </al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze bekend maakt. Benadrukt wordt dat de bekendmaking van de
                    resultaten van de inspraak belangrijk is. Het ligt voor de hand om degenen die
                    hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Als het aantal
                    insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene
                    bekendmaking in de plaatselijke krant en bijvoorbeeld de website van de
                    gemeente. Ook kan voor publicatie worden gekozen indien het aantal insprekers
                    niet omvangrijk is. Het is aan te bevelen om tijdens de (eventuele)
                    inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>In dit artikel is bepaald wie besluit tot het houden van het participatieproces
                    en op welk niveau.</al><al>De bevoegdheid tot het besluiten over de participatie is hier gekoppeld aan de
                    wettelijke bevoegdheid tot het nemen van het uiteindelijke besluit over het
                    betreffende beleidsstuk, regeling of plan. </al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>In dit artikel wordt de deelnemers aan een participatieniveau gekoppeld. De
                    gedachtegang is: hoe zwaarder de positie van de participanten, des te meer eisen
                    aan hun betrokkenheid.</al><al/><al><vet>Artikel 8, inrichting van het participatieproces</vet></al><tussenkop>eerste lid</tussenkop><al>De contouren van elk participatieproces dat op initiatief van de gemeente wordt
                    gestart worden</al><al>vastgelegd in een kaderstellen startnotitie, waarin de punten a tot en met i
                    expliciet worden langsgelopen. Dat hoeft geen afzonderlijk document te zijn,
                    maar kan ook een onderdeel zijn van bijvoorbeeld een nota van uitgangspunten.
                    Ter voorbereiding van het startnotitie kan een omgevingsanalyse worden gemaakt,
                    met name om vast te stellen welke belangen een rol spelen, wie (minimaal) bij
                    het proces moeten betrokken, welke kaders gesteld moeten worden en waaraan die
                    kaders zijn ontleend: wet- en regelgeving, eerdere raadsbesluiten, vast beleid
                    van de gemeente, financiële en overige belangen van de gemeente enz.</al><al>Het kaderstellende startnotitie wordt vastgesteld door het gemeentelijk
                        <cursief>bestuursorgaan </cursief>dat de bevoegdheid heeft later ook het
                    besluit te nemen over het betreffende beleidsstuk, regeling of plan. </al><al>Het <cursief>exacte onderwerp </cursief>verwijst naar de vraagstelling. Zo
                    helder mogelijk moet worden geformuleerd wat het bestuursorgaan aan de
                    deelnemers aan het participatieproces vraagt.</al><al>Het <cursief>doel </cursief>verwijst naar de reden waarom het bestuursorgaan die
                    vraag stelt. Is het proces gericht op het aanboren van de creativiteit van het
                    deelnemersveld, of op het peilen van het draagvlak voor bepaalde
                    beleidsopties?</al><al>Het <cursief>niveau </cursief>verwijst naar de treden van de participatieladder.
                    Door helder te benoemen voor welke trede van de participatieladder het
                    bestuursorgaan kiest, wordt duidelijk welke verwachtingen de deelnemers aan het
                    proces mogen hebben van de status van hun inbreng. De keuze die wordt gemaakt
                    over het participatieniveau moet gemotiveerd zijn.</al><al>Bij het maken van die keuze kan onder meer rekening worden gehouden met de
                    volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>Het schaalniveau: gaat het om iets stedelijks of iets dat
                            wijk/buurtgericht is? In de rede ligt dat de invloed van burgers groter
                            is naar mate de schaal kleiner is.</al></li><li nr="-"><al>Hoe groot is het (vermoede) effect op de leefbaarheid, de veiligheid of
                            de sociale kwaliteit?</al></li><li nr="-"><al>Als een project een groot effect heeft op de leefbaarheid, de veiligheid
                            en/of de sociale kwaliteit in de buurt, ligt in de rede om aan
                            belanghebbenden meer invloed te geven dan bij een kleiner effect.</al></li><li nr="-"><al>Is de input (van kennis) vanuit de doelgroepen nodig? Sommige projecten
                            kunnen nauwelijks Gerealiseerd worden zonder daarbij de kennis van
                            verschillende betrokkenen te gebruiken. Bij die projecten ligt een
                            verdergaande vorm van participatie voor de hand.</al></li><li nr="-"><al>Hoe groot is de beïnvloedingsruimte? Wat ligt al vast in wettelijke of
                            gemeentelijke kaders of beleid?</al></li><li nr="-"><al>Zijn er factoren die participatie belemmeren, bijvoorbeeld tijd of
                            geld?</al></li></lijst><al>De <cursief>kaders </cursief>verwijzen naar de randvoorwaarden waarbinnen de
                    participatie plaatsvindt. Deze kaders kunnen mede criteria omvatten aan de hand
                    waarvan de inbreng van de deelnemers wordt getoetst. Zo kan bijvoorbeeld worden
                    afgesproken dat de inbreng van een belanghebbende zwaarder weegt dan die van een
                    belangstellende. Een zo exact mogelijke beschrijving van de kaders is essentieel
                    voor een goed participatieproces. Uit deze beschrijving moet helder naar voren
                    komen wat er al vaststaat, wat nog bespreekbaar is en aan welke voorwaarden
                    (financieel, juridisch of anderszins) oplossingen moeten voldoen om voor het
                    bestuursorgaan acceptabel te kunnen zijn. Uit de beschrijving moet ook blijken
                    hoe ‘hard’ de kaders zijn.</al><al>De <cursief>schaal </cursief>verwijst naar het gebied waarop het
                    participatieproces betrekking heeft (de hele stad of een deel daarvan:
                    stadsdeel, wijk, buurt). Dit is mede van belang voor de beantwoording van de
                    vraag wie als belanghebbende kan worden aangemerkt.</al><al>De <cursief>deelnemers </cursief>kunnen alleen belanghebbenden zijn,
                    belanghebbenden en/of deskundigen, of</al><al>belangstellenden, d.w.z. alle geïnteresseerden. De keuze wordt gemaakt door het
                    bestuursorgaan (zie artikel 7) en hangt af van het karakter van het proces
                    (exacte onderwerp, niveau en schaal van het proces).</al><al>De <cursief>wijze en het tijdstip waarop de deelnemers hun inbreng kunnen
                        leveren </cursief>verwijst naar de inrichting van het proces. Duidelijk moet
                    worden gemaakt hoe gereageerd kan worden (mondeling, schriftelijk, per e-mail,
                    enz.), op basis waarvan en binnen welke termijn.</al><al>De <cursief>wijze waarop het bestuursorgaan reageert </cursief>wordt nader
                    uitgewerkt in artikel 9. Bij participatie in de vorm van raadplegen, adviseren
                    en coproduceren zal deze reactie de vorm krijgen van een verslag waarin
                    inhoudelijk op de geleverde inbreng wordt ingegaan. Als inbreng niet wordt
                    overgenomen wordt aangegeven wat daarvoor de reden is. Bij meebeslissen kan
                    worden volstaan met een korte beschrijving van het gevolgde proces en van de
                    uitkomst daarvan. </al><al>Vermelding van het <cursief>tijdstip waarop het bestuursorgaan reageert op de
                        geleverde inbreng </cursief>is van belang om de deelnemers aan het
                    participatieproces duidelijkheid te verschaffen over het verloop van het proces,
                    maar ook om de tweezijdigheid van het proces te onderstrepen: termijnen gelden
                    niet alleen voor burgers, maar ook voor de gemeente.</al><al>De <cursief>inrichting </cursief>van het proces verwijst onder meer naar
                    termijnen, doorlooptijden en andere kwaliteitsaspecten.</al><al/><tussenkop>tweede lid</tussenkop><al>Hier wordt de aanduiding “het voor de uitvoering verantwoordelijke
                    bestuursorgaan”gebruikt. Het college of de burgemeester voeren raadsbesluiten
                    uit. Dit betekent dat een participatieproces waartoe de raad heeft besloten ter
                    uitvoering in handen van het college of de burgemeester wordt gelegd, als
                    onderdeel van de voorbereiding op het uiteindelijke raadsvoorstel en raadbesluit
                    over dat onderwerp.</al><al>In het tweede lid staat voorts dat het voornemen om een participatieproces te
                    starten op gepaste wijze bekend wordt gemaakt. Wat "gepast" is, is afhankelijk
                    van doelgroep, schaal en reikwijdte van het participatieproces. De wijze van
                    bekendmaking kan variëren van publicatie in een krant, een huis-aan-huisblad of
                    bijvoorbeeld een persoonlijke brief. Daarbij moet er rekening mee worden
                    gehouden dat in veel gevallen niet zal kunnen worden volstaan met alleen een
                    publicatie op de gemeentelijke website.</al><al/><tussenkop>derde lid</tussenkop><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de kaders of de procesinrichting in de
                    loop van het proces bijstelling behoeven, bijvoorbeeld door onvoorziene
                    omstandigheden, dit zo snel mogelijk met de deelnemers aan het proces moet
                    worden gecommuniceerd.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Eindverslag van het participatieproces</vet></al><tussenkop>tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid worden minimumeisen geformuleerd voor alle procesvormen.</al><al>In het verslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt aangegeven hoe de
                    procedure feitelijk is verlopen. Bij het overzicht bedoeld onder b van het
                    tweede lid, volstaat een korte zakelijke weergave van de inbreng van de
                    deelnemers aan de samenspraak. Onderdeel c van het tweede lid schrijft voor dat
                    het bestuursorgaan aangeeft wat met de inbreng in de samenspraakprocedure wordt
                    gedaan</al><al/><tussenkop>derde lid</tussenkop><al>In het derde lid worden extra eisen geformuleerd voor de procesvormen
                    raadplegen, adviseren en coproduceren. Bij deze vormen kan het voorkomen dat de
                    gemeente afwijkt van de uitkomsten van het proces.</al><al>Daarom is het van belang te regelen dat gemotiveerd wordt ingegaan op de
                    geleverde inbreng. Informeren leidt niet tot een ander besluit. Daarom kan
                    daarbij worden volstaan met een kort feitelijk verslag van de
                    informatiebijeenkomst en een weergave van eventuele nadere afspraken die daar
                    zijn gemaakt. Bij “meebeslissen” kiezen de deelnemers uit twee of meer varianten
                    en kan worden volstaan met een korte schets van het gevolgde proces en
                    vermelding van de uitslag.</al><al/><tussenkop>vijfde lid</tussenkop><al>In het vijfde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. Degenen die hebben deelgenomen aan het
                    participatieproces ontvangen in beginsel een exemplaar van het eindverslag. Als
                    het aantal deelnemers zeer groot is kan eventueel worden volstaan met een
                    algemene bekendmaking in de periodiek waarin het participatieproces werd
                    aangekondigd.</al><al/><al><vet>Artikel 10 De Ronde Tafel</vet></al><al>De Ronde Tafelbijeenkomst kan dienen als een voortraject van het
                    participatieproces zoals bedoeld in deze verordening maar dient geenszins als
                    vervanging van het participatieproces. Wel dient te worden voorkomen dat er twee
                    trajecten separaat worden gevolgd. Aanvullend heeft het een toegevoegde waarde,
                    overlappend is ongewenst.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>