<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR306740_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eemnes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Rotonde 26-7-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel i</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2013-25</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Eemnes;</al><al/><al>gelezen het voorstel d.d. 7 mei 2013 van burgemeester en wethouders;</al><al/><al>gelet op gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel i, van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al> B E S L U I T : </al><al/><al/><al>vast te stellen de VERORDENING VERREKENING BESTUURLIJKE BOETE BIJ
                        RECIDIVE</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definitiebepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt onder:</al><al> beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen475c tot
                            en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
                            recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde
                            lid, van de Wet werk en bijstand; verrekenen:verrekening als bedoeld in
                            artikel 60, vierde lid, van de Wet werk en bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening</titel></kop><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag met de algemene
                            bijstand gedurende de eerste drie maanden na dagtekening van het besluit
                            tot oplegging van een recidiveboete zonder dat het bepaalde in artikel
                            4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in acht wordt
                            genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van
                            de Algemene wet bestuursrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 2 verrekent het college de openstaande
                            recidiveboete met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid, van de
                            Algemene wet bestuursrecht voor zover:</al><al> toepassing van artikel 2 onaanvaardbare consequenties heeft voor de
                            eventuele minderjarige belanghebbende(n), dan wel dat huisuitzetting
                            dreigt ten gevolge van verrekening van de boete. De gezondheidstoestand
                            van (een van de) belanghebbende(n) naar het oordeel van het college
                            ernstig wordt bedreigd doordat mogelijkheden ontbreken om de
                            noodzakelijke medicatie of behandeling te financieren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verzoek tot aanpassen verrekening bestuurlijke boete:</titel></kop><al> Belanghebbende kan het college verzoeken indien sprake is van het
                            bepaalde in artikel 3 lid a en /of b de buitenwerking stelling van de
                            beslagvrije voet niet toe te passen. Het is aan belanghebbende(n) om aan
                            te tonen dat de situatie van artikel 3 lid a of b zich voordoet. Een
                            verzoek zoals bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval afgewezen
                            indien belanghebbende(n) redelijkerwijs over voldoende gelden kan
                            beschikken om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud te
                            voorzien dan wel redelijkerwijs deze gelden op korte termijn kan
                            verwerven. Indien het college van oordeel is dat er sprake is van het
                            bepaalde in het eerste lid wordt de beslagvrije voet toegepast met
                            inachtneming van de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                            Burgerlijke Rechtsvordering </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 24 juni 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>J.A. de Bruijn R. van Benthem RA</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al>Algemene Toelichting: Verordening bestuurlijke boete bij recidive</al><al/><al>Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving in werking. Met deze wet krijgt het college de plicht om een boete
                    op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De plicht
                    een boete op te leggen is geregeld in artikel 18a van de WWB. De eerdere
                    bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen verdwijnt. De hoogte
                    van de boete is daarbij in beginsel gelijk aan het bedrag dat belanghebbende te
                    veel aan bijstand heeft ontvangen.</al><al/><al>Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht (recidive)
                    dan wordt deze boete in beginsel verhoogd tot 150% van het te veel ontvangen
                    bedrag. Naast deze verhoging krijgt het college daarbij ook de bevoegdheid om in
                    de eerste drie maanden na oplegging van de boete de bijstand volledig te
                    verrekenen met de openstaande boetevordering.</al><al/><al>In eerste instantie had de wetgever voorzien in een plicht tot volledige
                    verrekening van de boetevordering. Bij amendement is deze verplichting echter
                    omgezet in een bevoegdheid, zodat de gemeente de mogelijkheid heeft om daar waar
                    volledige verrekening onwenselijke effecten heeft (denk b.v. aan hogere
                    maatschappelijke kosten vanwege uithuisplaatsing) de verrekening aan te passen,
                    dan wel bij de verrekening de beslagvrije voet volledig te respecteren. Artikel
                    8 lid 1 onderdeel i van de Wet werk en bijstand verplicht de gemeenteraad in dit
                    kader bij verordening nadere regels te stellen met betrekking tot het gebruik
                    van deze bevoegdheid.</al><al/><al>Opgemerkt zij nog dat de verordening enkel de verrekening regelt van
                    bijstandsafhankelijken die te maken krijgen met een door het college zelf
                    opgelegde recidiveboete. Is de recidiveboete opgelegd op het moment dat
                    belanghebbende elders bijstand ontvangt, dan kan het boete opleggende college
                    het bijstandsverstrekkende college verzoeken om conform de regels van het boete
                    opleggende college tot verrekening over te gaan. Mocht belanghebbende
                    tussentijds het bijstandsverstrekkende college verzoeken de beslagvrije voet
                    alsnog te respecteren, dan is dit college bij de verrekening daaraan
                    gehouden.</al><al/><al/><al>Artikelsgewijze toelichting: Verordening bestuurlijke boete bij recidive</al><al/><al>Artikel 1</al><al>Behoeft geen nadere toelichting</al><al/><al>Artikel 2</al><al>Artikel 4:93, vierde lid, van Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat verrekening
                    niet mogelijk is voorzover beslag op de vordering nietig zou zijn. Concreet
                    houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening moet worden gehouden met
                    de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling vindt in artikel 475c tot en met
                    475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals reeds aangegeven
                    geeft de Wet werk en bijstand het college de bevoegdheid om deze bepaling in de
                    eerste drie maanden na oplegging van de boete buiten toepassing te laten. Het
                    college mag dus de openstaande boetevordering (zowel de recidiveboete als een
                    wellicht nog openstaand bedrag in verband met de eerdere boete) in deze eerste
                    drie maanden volledig met een eventueel bijstandsrecht verrekenen.</al><al/><al>In eerste instantie was deze verrekening – zoals nog steeds in de IOAW en IOAZ –
                    als een verplichting opgenomen in de wet. De Kamer achtte echter - juist bij
                    bijstandsverlening – het risico reëel dat zich situaties zouden kunnen voordoen
                    waarbij de uiteindelijke totale maatschappelijke kosten beduidend hoger lagen
                    dan het met deze invorderingsmethodiek bereikte resultaat. Reden voor de Kamer
                    om de gemeente in dit kader meer handelingsvrijheid te geven, om juist in deze
                    individuele situaties af te kunnen wijken van het principe. Vandaar dat bij de
                    verrekening met de bijstand niet gesproken wordt over een plicht, maar over een
                    bij verordening nader in te kaderen bevoegdheid.</al><al/><al>In deze verordening is er voor gekozen om in lijn met deze bedoeling uit te gaan
                    van het principe van volledige verrekening, om vervolgens in artikel 3 en 4 de
                    mogelijkheden te benoemen om van dit principe af te wijken.</al><al/><al>Het hier gaat om een maximum bedrag. Mocht belanghebbende’s recht op bijstand
                    beperkter zijn dan bedraagt de inhouding natuurlijk dit beperktere recht. Een
                    bepaling zoals hier opgenomen in artikel 3 is in dit geval niet nodig.</al><al/><al>Artikel 3</al><al>Zoals in de toelichting is aangegeven, zijn in artikel 3 en 4 de mogelijkheden
                    om van het in artikel 2 benoemde principe af te wijken nader uitgewerkt. In
                    artikel 3 zijn een tweetal situaties benoemd waarin het college ondanks de in de
                    wet opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij verrekening in acht
                    neemt. De genoemde omstandigheden betreffen situaties die ook tijdens de
                    parlementaire behandeling expliciet zijn benoemd.</al><al/><al>Artikel 3 onderdeel a voorziet daarbij in de mogelijkheid voor belanghebbende om
                    het college te verzoeken af te zien van het buiten werking stellen van de
                    beslagvrije voet indien door verrekening van de boete uithuiszetting dreigt dan
                    wel onaanvaardbare consequenties ontstaan voor eventuele minderjarigen binnen
                    het huishouden.</al><al/><al>Gedachte hierachter is dat met name moet worden gevreesd dat belanghebbende
                    wanneer hij drie maanden van bijstand verstoken blijft het risico loopt dat hij
                    vanwege de ontstane achterstand in de woonlasten uit huis wordt geplaatst met
                    allerlei eventuele extra kosten voor de maatschappij. Om dit te voorkomen
                    voorziet deze bepaling in de mogelijkheid dat het college af kan zien van het
                    buitenwerking stellen van de beslagvrije voet.</al><al/><al>Artikel 3b voorziet daar ook in indien de gezondheidstoestand van (een van de )
                    belanghebbenden naar het oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat
                    mogelijkheden ontbreken om de noodzakelijk medicatie of behandeling te
                    financieren.</al><al/><al>Artikel 4</al><al>In artikel 4, lid 1 wordt gesproken over een verzoek. Dit houdt in dat
                    belanghebbende zelf in actie moet komen als hij de verrekening wil laten
                    aanpassen. Dat houdt tevens in dat zo’n verzoek ook lopende de drie maanden van
                    verrekening kan worden gedaan, mocht bijvoorbeeld plots blijken dat
                    uithuiszetting dreigt of dat verwachte inkomsten uitblijven.</al><al/><al>In artikel 4 lid 2 is bepaald dat een verzoek tot toepassing van de beslagvrije
                    voet zonder meer wordt geweigerd indien belanghebbende in redelijkheid over
                    voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn
                    levensonderhoud te voorzien dan wel in redelijkheid deze gelden op korte termijn
                    kan verwerven.</al><al/><al>Gesproken wordt over gelden, niet over middelen. Van het in de Wet werk en
                    bijstand gedefinieerde middelen begrip zijn immers een aantal posten
                    uitgesloten. Denk dan bijvoorbeeld aan bedragen die belanghebbende heeft
                    ontvangen in het kader van een immateriële schadevergoeding of bedragen waarover
                    belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met de openstaande schulden
                    geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn echter wel gelden die
                    belanghebbende in deze situatie kan aanspreken voor zijn levensonderhoud, voor
                    zover hij er in ieder geval in redelijkheid over kan (gaan) beschikken.</al><al/><al>Iemand kan onder andere redelijkerwijs over gelden gaan beschikken, indien het
                    redelijk is dat hij ofwel binnen afzienbare tijd vermogensbestanddelen te gelde
                    weet te maken ofwel op korte termijn werk weet te aanvaarden.</al><al/><al>Belanghebbende kan natuurlijk altijd al zijn bezittingen verkopen en op die
                    wijze over gelden gaan beschikken, maar het is niet redelijk dat het college in
                    deze van belanghebbende verlangt dat hij bezittingen verkoopt die naar hun aard
                    en waarde algemeen gebruikelijk zijn (denk aan z’n meubels of bed). En
                    natuurlijk kunnen inkomsten worden verworven door werk te aanvaarden, maar
                    indien belanghebbende’s afstand tot de arbeidsmarkt heel groot is, is het niet
                    reëel om te verwachten dat hem dit op zeer korte termijn zal lukken. In dit
                    soort situaties kan dus niet met een beroep op het tweede lid een verzoek tot
                    buiten werking stellen van de beslagvrije voet zonder meer worden
                    afgewezen.</al><al/><al>Artikel 5 en 6</al><al>Behoeven geen nadere bespreking.</al><al/><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>