<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR306717_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Larens Journaal 26-7-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2013/24-III</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Toeslagenverordening WWB 2012-A en treedt met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Laren;</al><al/><al>gelezen voorstel 2013/24 van burgemeester en wethouders d.d. 14 mei
                        2013;</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 onder c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>B E S L U I T : </al><al/><al>vast te stellen de Toeslagenverordening WWB 2013.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving en bereik</titel></kop><al> Alle begrippen, die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet. In deze verordening wordt verstaan onder: a. wet: de
                                Wet werk en bijstand b. toeslag: de toeslag genoemd in artikel 25,
                                lid 2 van de wet c. bijstandsnorm : de op grond van paragraaf 3.2
                                van de wet op de belanghebbende van toepassing zijnde norm,
                                vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf 3.3. van de
                                wet, door het college vastgestelde verhoging of verlaging; d. norm:
                                de normen als bedoeld in artikel 21 van de wet; e. woonkosten:
                                1.Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                huurprijs, bedoeld in artikel 1,onderdeel d, van de Wet op de
                                huurtoeslag; 2.Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente
                                en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag
                                vooronderhoud; </al><al> Deze verordening is van toepassing op belanghebbenden van 21 jaar
                                of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die niet
                                in een inrichting verblijven. In geval van gehuwden gelden de
                                bepalingen van deze verordening uitsluitend indien beide echtgenoten
                                21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd
                                zijn. </al><al> Voor de toepassing van deze verordening wordt niet als "een ander"
                                aangemerkt: a. een inwonend kind tot 21 jaar; b. een inwonend kind
                                vanaf 21 jaar indien dit kind een in aanmerking te nemen inkomen
                                heeft van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van
                                levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de
                                Wet studiefinanciering. Voor de toepassing van deze verordening
                                wordt een gezin beschouwd als “een ander”. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>CATEGORIEËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al> Voor belanghebbenden ten aanzien van wie de bijstand kan worden
                                verhoogd of verlaagd, geldt een categorieaanduiding als nader
                                uitgewerkt in dit artikel. De categorieën worden aangeduid als: a.
                                alleenstaande; b. alleenstaande ouder; c. gehuwden; </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM VOOR EEN
                                ALLEEN-STAANDE OF ALLEENSTAANDE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verhogingen norm alleenstaande of alleenstaande ouder</titel></kop><al> De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn
                                ten laste komende kinderen of met thuisinwonende kinderen als
                                bedoeld in artikel 25 van de wet, in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft, wordt verhoogd met een toeslag van 100 procent.
                                De norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder wordt verhoogd
                                met een toeslag van 100 procent, indien hij zijn kosten niet kan
                                delen met een ander. De norm voor een alleenstaande of alleenstaande
                                ouder wordt verhoogd met een toeslag van 50 procent indien hij zijn
                                kosten met een ander kan delen. De norm voor een alleenstaande of
                                alleenstaande ouder wordt verhoogd met een toeslag van 25 procent,
                                indien hij zijn kosten met twee of meer anderen kan delen. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE
                                TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagingen norm gezin</titel></kop><al> De norm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden hun kosten
                                kunnen delen met één of meer anderen. De verlaging op grond van dit
                                artikel bedraagt 50 procent van de toeslag als de gehuwden hun
                                kosten kunnen delen met één ander. De verlaging op grond van dit
                                artikel bedraagt 75 procent van de toeslag als de gehuwden hun
                                kosten kunnen delen met twee of meer anderen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging bij ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De norm of de toeslag wordt verlaagd met 75 procent van de toeslag
                                als de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin lagere
                                algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                norm of de toeslag voorziet als gevolg van het bewonen van een
                                woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of het niet aanhouden
                                van een woning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaande van 21 en 22 jaar</titel></kop><al> De verlaging bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt: a. 100
                                procent van de toeslag indien het een jongere van 21 jaar betreft;
                                b. 50 procent van de toeslag indien het een jongere van 22 jaar
                                betreft. In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de
                                hoogte van de toeslag, die op grond van artikel 3 van deze
                                verordening zou worden toegekend, indien deze minder bedraagt dan de
                                verlaging, waartoe toepassing van lid 1 van dit artikel zou leiden.
                            </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Anticumulatie</titel></kop><al> De bijstandsnorm van de alleenstaande of alleenstaande ouder
                                bedraagt: minimaal de norm genoemd in artikel 21, sub a of artikel
                                21 sub b van de wet. maximaal de norm genoemd in artikel 21,sub a of
                                artikel 21 sub b van de wet, verhoogd met de maximale toeslag van
                                artikel 25, lid 2 van de wet. De bijstandsnorm voor gehuwden
                                bedraagt: 1. minimaal de norm genoemd in artikel 21 sub c van de
                                wet, verlaagd met de maximale toeslag van artikel 25, lid 2 van de
                                wet. 2. maximaal de norm genoemd in artikel 21 sub c van de wet.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al> Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van deze
                                verordening. In gevallen, waarin deze verordening niet voorziet,
                                beslissen burgemeester en wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeerwijze</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Toeslagenverordening WWB
                                2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De Toeslagenverordening WWB 2013 treedt in werking op de 8e dag na
                                bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2013. Per 1 januari
                                2013 vervalt de Toeslagenverordening WWB 2012-A. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 26 juni 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. T.W. Zwemmer drs. E.J. Roest</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al>ALGEMENE TOELICHTING (Toeslagenverordening WWB 2013)</al><al/><al>De leeftijd waarop men recht krijgt op het AOW-ouderdomspensioen wordt vanaf 1
                    januari 2013 stapsgewijs verhoogd naar 67 jaar in 2023 en vanaf 2024 gekoppeld
                    aan de stijging van de levensverwachting. De Algemene Ouderdomswet (AOW) is een
                    fundamenteel onderdeel van de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. De
                    leeftijdsgrens van 65 jaar is daardoor diep geworteld in het Nederlandse recht
                    en speelt ook op tal van andere terreinen een rol. De verhoging van de
                    AOW-leeftijd vraagt daarom ook om aanpassingen op andere terreinen dan de AOW.
                    Ook de WWB is hierop aangepast met als gevolg dat ook de Toeslagenverordening
                    moet worden veranderd.</al><al/><al>Omdat mensen door het stapsgewijs verhogen van de AOW-leeftijd verschillende
                    AOW-leeftijden kunnen hebben, is er voor gekozen in de wetgeving de
                    leeftijdsgrens van «65 jaar» – daar waar mogelijk – te vervangen door «de
                    pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
                    Ouderdomswet». Hoewel om wetgevingstechnische redenen in artikel 1 van de AOW
                    een definitiebepaling is opgenomen van het begrip «pensioengerechtigde leeftijd»
                    wordt verwezen naar het nieuwe artikel 7a van de AOW omdat in dat artikel de
                    AOW-leeftijd is verwerkt.</al><al/><al>Systeem van toeslagen en verlagingen</al><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf
                    3.2 WWB. Paragraaf 3.3 WWB voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze
                    drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op.
                    Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot en de
                    pensioengerechtigde leeftijd die niet in een inrichting verblijven.</al><al/><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag, die wordt aangegeven in de
                    toeslagenverordening, bedraagt maximaal de volledige toeslag, zoals opgenomen in
                    artikel 25 lid 2 WWB en moet aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag
                    afwijkend worden vastgesteld.</al><al/><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met de pensioengerechtigde leeftij die niet in een inrichting verblijven
                    te verlagen:</al><al> het kunnen delen van kosten met een ander; de woonsituatie; de recente
                    beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding. </al><al/><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te stellen indien de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.</al><al/><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al/><al>Artikel 1 Begripsomschrijving en bereik</al><al/><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van de betreffende definities in de betreffende
                    wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>Norm:</al><al> Omdat de verordening alleen betrekking heeft op belanghebbenden van 21 jaar of
                    ouder, en jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd wordt verwezen naar de
                    normen zoals opgenomen in artikel 21 van de wet. Voor belanghebbenden met de
                    pensioengerechtigde leeftijd gelden aparte normen, zoals vastgelegd in de wet in
                    artikel 22.</al><al/><al>Woonkosten: </al><al> Voor de woonkosten van een huurwoning wordt aangesloten bij de huur, zoals
                    bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. Voor de woonkosten van een koopwoning of
                    eigen woning gaat het om de hypotheek-rente en de zakelijke lasten, die voor de
                    woning zijn verschuldigd. Voor wat betreft de hypotheekrente gaat het om de
                    rente voor dat deel van de hypotheek, die is afgesloten voor de financiering van
                    de woning. Hypotheekrente, die betrekking heeft op bijvoorbeeld de financiering
                    van duurzame gebruiks-goederen, wordt niet meegenomen. Het begrip woonkosten
                    sluit hierdoor aan bij de definitie "woon-kosten" zoals opgenomen in de Algemene
                    Bijstandswet (Abw), die tot 1 januari 1996 van kracht was. Volgens de Centrale
                    Raad van Beroep volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw dat
                    het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden uitgelegd
                    conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit
                    landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak ook onder de
                    WWB nog van betekenis is.</al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan
                    worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende
                    zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten
                    en de erfpachtcanon.</al><al/><al>Doelgroep:</al><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd. Vanwege de lagere
                    jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij
                    belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.</al><al>De jongerennormen zijn laag vastgesteld omdat de ouders nog onderhoudsplichtig
                    zijn jegens kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. De
                    ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij
                    hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou
                    als het ware “dubbel gekort” worden als ook nog krachtens de
                    Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de
                    toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar de uitvoering nodeloos ingewikkeld maken.</al><al/><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager vast te
                    stellen.</al><al/><al>Eén ander: </al><al>Inwonende kinderen worden gezien als "een ander die tevens zijn hoofdverblijf
                    heeft in de woning van de ouder", indien ze 21 jaar of ouder zijn, tenzij het
                    inkomen van het kind lager is dan het normbedrag voor de kosten van
                    levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                    studiefinanciering. Kinderen tot 21 jaar worden, ongeacht de hoogte van hun
                    inkomsten, niet als een ander gezien. Kinderen vanaf 21 jaar worden niet als een
                    ander gezien als hun inkomen lager is dan het bedrag van artikel 3.18 van de Wet
                    studiefinanciering. Op die manier wordt voorkomen dat een bijvoorbeeld een
                    bijbaantje van een studerend/schoolgaand kind direct gevolgen heeft voor de
                    uitkering van de ouders. </al><al>Het bedrag genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering bedraagt €
                    604,15 (bedrag per 1 januari 2012).</al><al>Doordat kinderen tot 21 jaar – ongeacht hun inkomen – nooit als een ander worden
                    gezien, is de verordening hiermee ruimer dan de wettelijke regeling (kosten
                    kunnen niet worden gedeeld met meerderjarige kinderen met een inkomen lager dan
                    het normbedrag van artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering).</al><al/><al>Gezin:</al><al>Een gezin wordt beschouwd als één ander. Deze bepaling is opgenomen om te
                    voorkomen dat de inwoning van een echtpaar tot een ongewenste dubbele verlaging
                    zou leiden. Weliswaar is in die situatie sprake van twee inwonenden, maar het
                    "schaalvoordeel" is niet groter.</al><al/><al/><al>Artikel 2 Categorieën</al><al>Dit artikel verwijst naar de wet. Een nadere toelichting is niet nodig. </al><al/><al/><al>Artikel 3 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm voor een alleenstaande
                    of alleen-staande ouder</al><al>Artikel 3 lid 1 en 2</al><al> De landelijke normen (exclusief toeslagen) gaan er vanuit dat alleenstaanden en
                    alleenstaande ouders hun noodzakelijke kosten van het bestaan volledig kunnen
                    delen. Deze noodzakelijke kosten van het bestaan worden mede bepaald door de
                    mate waarin een belanghebbende deze kosten met een ander kan delen. Met name de
                    woonsituatie speelt hierbij een belangrijke rol. Echter, ook met andere uitgaven
                    waarbij sprake kan zijn van schaalvoordeel door het gezamenlijk voldoen van
                    kosten van huisvesting en huishouding, moet rekening worden gehouden.
                    Voorbeelden hiervan zijn duur-zame gebruiksgoederen (o.a. woninginrichting en
                    huishoudelijke apparatuur), maar ook vaste lasten, abonnementen en andere
                    kosten.</al><al>Doorslaggevend is niet of de kosten feitelijk worden gedeeld, maar of deze
                    gedeeld kunnen worden. Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht om bij de
                    verlening van de toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het is
                    mogelijk om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders de maxi-male toeslag te
                    verstrekken, en geen gebruik te maken van de verlagingsmogelijkheden.</al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld, bepaalt, zoals gezegd,
                    de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 100% van
                    het bedrag genoemd in artikel 25, lid 2. Degene die voor een toeslag in
                    aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van de
                    kosten die kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een
                    toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsnorm
                    uit.</al><al> De algemene inlichtingenverplichting die op aanvrager rust, geldt ook voor het
                    toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens
                    het recht moeten aantonen.</al><al>In artikel 30 lid 2 van de wet is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    moet worden vastgelegd dat de maximale toeslag wordt verstrekt indien geen ander
                    zijn hoofdverblijf heeft in de woning van de alleenstaande of alleenstaande
                    ouder.</al><al/><al>Artikel 3 lid 3 </al><al> Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat diverse kosten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten wordt de toeslag als gevolg van de
                    optredende schaalvoordelen vastgesteld op maximaal 50 procent van de toeslag.
                    Dit geldt ook voor de persoon die een kamer verhuurt, huurt of inwoont. Het kan
                    echter voorkomen dat bijvoorbeeld een kamer-huurder een zodanige huurprijs moet
                    betalen, dat niet meer gesproken kan worden van schaalvoor-delen. De Centrale
                    Raad van Beroep onderzoekt altijd de feitelijke (financiële) situatie. Het kan
                    dus nodig zijn om te individualiseren, indien het resterende inkomen onvoldoende
                    is om de woonlasten te kunnen voldoen. Daarbij wordt ook rekening gehouden met
                    een verlies aan huurtoeslag bij kamer-verhuur.</al><al/><al>Artikel 3 lid 4 </al><al> Als nog een ander zijn hoofdverblijf in de woning heeft kunnen de kosten nog
                    meer gedeeld worden. Daarom is in het derde lid bepaald dat de toeslag 25%
                    bedraagt als er twee of meer medebewoners zijn.</al><al> Als er nog meer anderen in de woning hun hoofdverblijf hebben, kan er niet
                    zonder meer van worden uitgegaan dat het delen van kosten in nog sterkere mate
                    mogelijk is, zodat bijvoorbeeld de toeslag op nihil zou kunnen worden gesteld.
                    Dat is voorbehouden aan de situatie dat alle bestaanskosten gedeeld worden, nl.
                    bij een gezamenlijke huishouding.</al><al>Door de gekozen omschrijving heeft deze bepaling geen invloed op de inwonende
                    zelf. Bijvoorbeeld: de alleenstaande (hoofd)bewoner die kamers verhuurt aan twee
                    alleenstaanden heeft geen recht op een toeslag. De beide onderhuurders vallen
                    onder de omschrijving van lid 3 en hebben ieder dus aanspraak op een toeslag van
                    50 procent van de toeslag.</al><al/><al>Artikel 4 Verlagingen norm gezin</al><al>Artikel 4 lid 1</al><al> De hoogte van de uitkering van alleenstaanden en alleenstaande ouders is
                    afhankelijk van de mate waarin zij de kosten van het bestaan kunnen delen. Hoe
                    meer kan worden gedeeld, hoe lager de toeslag is. Dit kan zich ook bij gehuwden
                    voordoen. Als hiervan sprake is, wordt de norm voor gehuwden verlaagd.</al><al/><al>Artikel 4 lid 2 en 3</al><al>Met mogelijke schaalvoordelen van een gezin wordt op dezelfde manier rekening
                    gehouden als bij alleenstaande en alleenstaande ouders (zie artikel 3 van deze
                    verordening).</al><al/><al>Artikel 5 Verlaging bij ontbreken woonkosten</al><al>Niet alleen doordat de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen
                    worden gedeeld met een ander, maar bijvoorbeeld ook door het ontbreken van
                    woonkosten kan sprake zijn van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan. Bij de bijstandsverlening kan met deze lagere bestaanskosten rekening
                    worden gehouden. Om die reden is artikel 27 in de wet opgenomen, omdat de
                    artikelen 25 en 26 van de wet uitsluitend betrekking hebben op het kunnen delen
                    van kosten met een ander. Dat impliceert dat er sprake is van het gezamenlijk
                    bewonen van een woning. Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie
                    kan in de volgende situaties sprake zijn:</al><al> Krakers; Derden (bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige), die de woonkosten
                    betaalt van de woning, waarin de bijstandsgerechtigde woont (Centrale Raad van
                    Beroep, 20 februari 2001, USZ 2001/107). In dit geval bewoont de
                    bijstandsgerechtigde een woning waaraan voor hem geen woonkosten verbonden zijn.
                    Er wordt geen huur maar een gebruikersvergoeding betaald aan een vereniging, die
                    noch huurder noch eigenaar is van een complex (Centrale Raad van Beroep, 6
                    november 2001, USZ 2002/5). Die daklozen, die niet vallen onder het besluit
                    “Bijstandsbesluit Adreslozen”. Inwonenden, die geen of nauwelijks ( minder dan €
                    195 per maand) kostgeld of een bijdrage in de woonlasten betalen. </al><al>Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht om van deze
                    verlagingsmogelijkheid gebruik te maken. Als wel gebruik wordt gemaakt van deze
                    mogelijkheid is voor de toepassing van doorslag-gevend belang of jegens een
                    derde woonkosten verschuldigd zijn. Voordeel van het gebruik maken van deze
                    verlagingsmogelijkheid is dat ingewikkelde berekeningen achterwege kunnen
                    blijven.</al><al/><al/><al>Artikel 6 Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</al><al/><al>Artikel 29 van de wet geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                    passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het
                    minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt
                    het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan
                    voor een 22-jarige.</al><al/><al/><al>Artikel 7 Anticumulatie</al><al/><al>Om te voorkomen dat er uitkeringsgerechtigden onder het bestaansminimum terecht
                    kunnen komen door een stapeling van verlagingen en/of het niet verstrekken van
                    toeslagen, is ervoor gekozen dat het minimale inkomen van een alleenstaande en
                    alleenstaande ouder niet lager kan worden dan het toepasselijke normbedrag van
                    artikel 21 van de wet, en van gehuwden niet lager dan de norm verminderd met de
                    maximale toeslag.</al><al/><al/><al>Artikel 10 Inwerkingtreding</al><al/><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>