<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR306716_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Laren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Larens Journaal 26-7-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2013/24-II</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Afstemmingsverordening WWB 2012 en treedt met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Laren;</al><al/><al>gelezen voorstel 2013/24 van burgemeester en wethouders d.d 14 mei
                        2013;</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18
                        lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>B E S L U I T : </al><al>vast te stellen de AFSTEMMINGSVERORDENING 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><al>1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                werk en bijstand (WWB), het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz), de
                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (IOAW, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen IOAZ), de
                                Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet;</al><al/><al>2. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a. het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                Laren. b. de raad: de gemeenteraad van Laren. c. de uitkering:
                                bijstand op grond van de WWB, alsmede een uitkering op grond van het
                                Bbz, de IOAW en de IOAZ. d. de bijstandsnorm: de toepasselijke
                                bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c WWB, of, voor
                                zover er sprake is van een IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van
                                de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5
                                IOAZ. e. het benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer
                                of tot een te hoog bedrag een beroep op wordt of is gedaan ten
                                gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                                vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het
                                percentage waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd, het bedrag
                                waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd en, indien van toepassing,
                                de reden om af te wijken van een standaard-verlaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><al>1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging
                                indien:</al><al>a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al> b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                gedraging door het college heeft plaatsgevonden ;of </al><al>c. het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al><al> 2. Indien het college afziet van het opleggen of uitvoeren van een
                                verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende
                                daarvan schriftelijk mededeling gedaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van de verlaging</titel></kop><al> 1. De ingangsdatum van de verlaging is met ingang van de eerst
                                volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot
                                het opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                geldende bijstandsnorm 2. In afwijking van het eerste lid kan de
                                verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de
                                bijstandsnorm nog niet is uitbetaald en de ingangsdatum van de
                                verlaging niet voor de te sanctioneren gedraging komt te liggen. 3.
                                Indien geen verlaging opgelegd of uitgevoerd kan worden omdat de
                                uitkering wordt beëindigd, kan alsnog een verlaging worden opgelegd
                                of uitgevoerd indien de belanghebbende binnen een termijn van een
                                jaar opnieuw recht heeft op een uitkering op grond van de WWB, het
                                Bbz, de IOAW of de IOAZ. 4. In afwijking van het eerste lid kan,
                                voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het
                                levens-onderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz
                                hebben ontvangen, de verlaging met terugwerkende kracht worden
                                betrokken bij de definitieve vaststelling van de bijstand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al> 1. De verlaging wordt toegepast op de voor de </al><al> belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm.</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden</al><al> toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><al> a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                toepassing van artikel 12 WWB; of b de verwijtbare gedraging aan
                                belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand
                                daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid,
                                onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening
                                “bijstandsnorm” worden gelezen als “bijstandsnorm plus de op grond
                                van artikel 12 WWB verleende bijstand”. 4. Bij toepassing van het
                                tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2 en 3
                                “bijstandsnorm” worden gelezen als “de verleende bijzondere
                                bijstand”. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van de belanghebbende</titel></kop><al> 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                de gelegenheid gesteld zijn ziens-wijze naar voren te brengen. </al><al> 2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden </al><al> gelaten indien:</al><al> a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al> b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen
                                niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging
                                of de mate van verwijtbaarheid; d. de verlaging wordt opgelegd
                                wegens ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 13 van deze
                                verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al> 1. De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de
                                belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. 2.
                                Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in het
                                eerste lid, wederom schuldig maakt aan een of meerdere verwijtbare
                                gedragingen zoals genoemd in artikel 9, 11,12, of 13 van deze
                                verordening, en die plaatsvinden binnen een periode van 24 maanden
                                na het laatste recidivebesluit, kan het college al individualiserend
                                de hoogte en de duur van de toe te passen verlaging vaststellen. 3.
                                Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 3, tweede lid van de
                                verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al> 1. Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één
                                verlaging opgelegd. 2 Indien voor schending van die verplichtingen
                                verlagingen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                verlaging opgelegd. 3. Indien sprake is van meerdere gedragingen die
                                schending opleveren van één of meerdere in deze verordening genoemde
                                verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd,
                                tenzij dit gelet op artikel 3, tweede lid, van deze verordening niet
                                verantwoord is. 4. Indien het college de uitkering op grond van
                                artikel 20, eerste lid, IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ
                                blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering
                                heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging
                                zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging
                                achterwege. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>NIET OF ONVOLDOENDE NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING
                                TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                                arbeid niet worden behouden of één van de verplichtingen op grond
                                van artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk
                                artikel 37 IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ
                                niet of onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de
                                volgende categorieën:</al><al/><al>1. Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                                werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; </al><al/><al>2. Tweede categorie:</al><al> a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen; b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeids-inschakeling; c. het
                                niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een
                                plan zoals bedoeld in artikel 44a van de WWB, indien van toepassing;
                                d. het uit houding in gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b
                                WWB respectievelijk artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAW en
                                artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel
                                9a, eerste lid, WWB respectievelijk 38, eerste lid, IOAW en artikel
                                38, eerste lid, IOAZ. e. het niet of onvoldoende gebruik maken van
                                een door het college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel
                                9, eerste lid, onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB
                                respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37, eerste lid,
                                onderdeel e IOAW en artikel 36, eerste lid, IOAZ en artikel 37,
                                eerste lid, onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot
                                het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                voorziening; f. het onvoldoende nakomen van de verplichting zoals
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, WWB of artikel 55 WWB, voor zover
                                het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na
                                de melding zoals bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, WWB.
                                g. het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit ’s
                                rijks kas bekostigd onderwijs te onder-zoeken gedurende de termijn,
                                genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet. </al><al>3. Derde categorie:</al><al> a. gedragingen die de inschakeling in arbeid</al><al> belemmeren;</al><al> b. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld
                                in artikel 9, eerste lid onderdeel b WWB en artikel 10, eerste lid,
                                WWB respectievelijk artikel 36, eerste lid, IOAW en artikel 37,
                                eerste lid, onderdeel e IOAW en artikel 36, eerste lid, IOAZ en
                                artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAZ, voor zover dit heeft
                                geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging
                                van die voorziening; c. het niet of niet voldoende verrichten van
                                een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c WWB, artikel 37,
                                eerste lid, onderdeel f IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f,
                                IOAZ; </al><al>4. Vierde categorie:</al><al>a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>1. De verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 9, wordt
                                vastgesteld op:</al><al> a. vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                gedragingen van de eerste categorie; b. tien procent van de
                                bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
                                categorie; c. vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                maand bij gedragingen van de derde categorie; d. honderd procent van
                                de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde
                                categorie </al><al> 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a van dit
                                artikel kan worden volstaan wordt met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet tijdig nakomen
                                van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 24 maanden
                                gerekend vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
                                zodanige waarschuwing is gegeven.</al><al> 3. Met de in het vorige lid genoemde datum wordt bedoeld de datum
                                waarop de schriftelijke waarschuwing is verzonden. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al> 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan zoals
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid WWB, anders dan het niet behouden
                                van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9 van deze
                                verordening of het geen beroep kunnen doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening in verband met verrekening met
                                een bestuurlijke boete, wordt vastgesteld op: a. Honderd procent van
                                de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot €
                                5.000,--; b. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee
                                maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 5.000,-- tot € 10.000,--;
                                c. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij
                                een benadelingsbedrag vanaf € 10.000,--; </al><al> 2. Indien sprake is van een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid in relatie met het recht op bijzondere bijstand
                                van een belanghebbende, wordt de verlaging vastgesteld op het
                                benadelingsbedrag.</al><al> 3. Indien belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een
                                passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een maatregel
                                opgelegd van honderd procent gedurende de eerste drie maanden van de
                                bijstandsverlening gerekend vanaf de start van de verrekening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB niet of onvoldoende
                                nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt
                                vastgesteld op:</al><al> a. twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                                niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen die strekken tot
                                arbeidsinschakeling; b. twintig procent van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                verplichtingen, die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van bijstand; c. veertig procent van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand bij het niet of onvoldoende nakomen van
                                verplichtingen, die strekken tot vermindering van de bijstand; d.
                                honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                                niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                beëindiging van de bijstand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zeer zich ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, personeel van het UWV werkbedrijf of
                                door de gemeente ingehuurde derden onder omstandigheden die
                                rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, het Bbz,
                                de uitvoering van de IOAW en de IOAZ wordt een verlaging opgelegd
                                van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking, onder gelijktijdige intrekking
                                van de Afstemmingsverordening WWB 2012, op de 8e dag na bekendmaking
                                en werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                2013.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 26 juni 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. T.W. Zwemmer drs. E.J. Roest</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al/><al>ALGEMENE TOELICHTING AFSTEMMINGSVERORDENING 2013</al><al/><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking getreden. Voor de Wet werk en bijstand (WWB)
                    introduceert deze wet de bestuurlijke boete bij een schending van de
                    inlichtingenplicht. Vóór inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en
                    sanctiebeleid SZW-wetgeving werd de uitkering bij schending van de
                    inlichtingenplicht verlaagd (opleggen van een maatregel, afstemmen van de
                    uitkering). Dit is geregeld in de Afstemmingsverordening. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving is het college niet langer bevoegd bij schending van de
                    inlichtingenplicht een maatregel op te leggen, maar is het college verplicht een
                    bestuurlijke boete op te leggen en de eventueel te veel verstrekte uitkering
                    terug te vorderen. De bestuurlijke boete is geregeld in artikel 18a WWB.</al><al>Voor schendingen van de inlichtingenplicht, die hebben plaats gevonden vóór de
                    inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving, kan op grond van het overgangsrecht van die wet nog wel een
                    maatregel worden opgelegd.</al><al/><al>Door de inwerkingtreding van de nieuwe wet moet de Afstemmingsverordening
                    hieraan worden aangepast. Dit betreft een noodzakelijke, technische aanpassing.
                    Daarnaast is de maatregel bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                    verzwaard en meer in overeenstemming gebracht met de ernst van de
                    gedraging.</al><al/><al>Tenslotte is de mogelijkheid van een schriftelijke waarschuwing opgenomen in die
                    situatie, dat men is vergeten zich te registreren als werkzoekende of deze
                    registratie tijdig te verlengen (maatregel van de eerste categorie, 5% gedurende
                    een maand). Als de schending van deze verplichting voor de tweede keer binnen 24
                    maanden plaats vindt (recidive), wordt wel een maatregel opgelegd</al><al/><al>Rechten en plichten in de WWB</al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al/><al>Artikel 18, eerste lid, WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de
                    daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen
                    van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van
                    de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, WWB legt een directe koppeling
                    tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de verplichtingen worden nagekomen.</al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    indien het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Is afgezien van
                    een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaar-heid, dan is
                    het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze
                    gedraging mee te tellen.</al><al>Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, WWB van een
                    verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging
                    buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Wordt een verlaging voor een
                    langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de verlaging aan een
                    herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit artikel 18 derde lid, WWB. Bij
                    een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                    waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                    Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk</al><al>heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een
                    zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder
                    opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB 19-04-2011, nr.
                    10/4882 WWB). Een verlaging krachtens de afstemmingsveror-dening moet niet
                    gezien worden als een strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging
                    ook</al><al>een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor
                    vervolgd worden. Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke sanctie
                    is, kunnen de verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar bestaan als
                    sprake is van hetzelfde rechtsfeit (bijvoorbeeld inlichtingenfraude). Het
                    beginsel van ‘ne bis in idem’ staat daaraan in de weg.</al><al/><al/><al/><al>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING AFSTEMMINGSVERORDENING WWB 2013</al><al/><al>Artikel 1. Begripsbepalingen </al><al/><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, IOAW, IOAZ,
                    Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                    voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende
                    wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening verstaan
                    de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de
                    toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen,
                    alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond
                    van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke
                    grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ.</al><al/><al/><al>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging</al><al/><al>De WWB, de IOAW en de IOAZ verbinden aan het recht op een uitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><al>1. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                    het bestaan.</al><al>2. De plicht tot arbeidsinschakeling in de WWB (artikel 9) bestaat uit twee
                    soorten verplichtingen:</al><al> de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze
                    te aanvaarden; en de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                    verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                    verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                    bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening die elke gemeente moet
                    opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                    verplichtingen. Deze verplichtingen moeten in het besluit tot het verlenen van
                    bijstand worden neergelegd. </al><al>3. De informatieplicht. Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan
                    het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                    zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                    bijstand. Sinds 1 januari 2013 geldt dat bij schending van de informatieplicht
                    een boete wordt opgelegd.</al><al>4. De medewerkingsplicht. Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om
                    desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
                    voor de uitvoering van de WWB.</al><al> De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                    zoals:</al><al> het toestaan van huisbezoek; het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al><al/><al>Artikel 18, tweede lid, van de WWB artikel 20, tweede lid, van de IOAW en
                    artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, noemt een gedraging die in ieder geval een
                    schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer
                    ernstig misdragen’.</al><al/><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid van artikel 18 is de hoofdregel neergelegd: het college dient
                    een op te leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
                    Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen.</al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al> Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. Stap 2: vaststellen van de
                    verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                    belanghebbende. </al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstands-norm wordt verlaagd. Matiging van de opgelegde verlaging
                    wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan
                    de orde zijn:</al><al> bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld
                    hoge woon-lasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor
                    geen financiële tegemoet-koming mogelijk is; sociale omstandigheden, gezinnen
                    met kinderen bijvoorbeeld; bij een opeenstapeling van verlaging: de zwaarte van
                    het geheel van verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de
                    mate van verwijtbaarheid. </al><al/><al/><al>Artikel 3. Afzien van het opleggen van een verlaging</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB, artikel
                    20, derde lid, van de IOAW of artikel 20, derde lid, van de IOAZ.</al><al/><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                    verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaats-gevonden.</al><al/><al>In het eerste lid, onder c, is ten slotte geregeld dat het college kan afzien
                    van het opleggen van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen
                    aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete
                    situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.</al><al/><al>Tweede lid </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een</al><al> verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele
                    recidive.</al><al/><al/><al>Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak van de verlaging</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                    bijstandsnorm. Verlaging kan</al><al> in beginsel op twee manieren:</al><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering;
                    of</al><al>2. door middel van verlaging van de bijstandsnorm in de eerstvolgende
                    maand(en).</al><al/><al>Het verlagen van de bijstandsnorm die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is
                    de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de uitkering en het te veel betaalde bedrag aan uitkering. Om die
                    reden is in dit lid vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van
                    de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor</al><al> die maand geldende bijstandsnorm.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Wanneer een uitkering nog niet (volledig) is uitbetaald, kan het praktisch zijn
                    om de verlaging van</al><al> de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In
                    dat geval moet de verstrekte uitkering wel worden herzien en
                    teruggevorderd.</al><al/><al/><al>Artikel 5. De berekeningsgrondslag</al><al/><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd
                    over de bijstandsnorm.</al><al/><al>In artikel 5, tweede lid, onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                    verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een
                    belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12
                    WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die
                    indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                    bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de
                    lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                    opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld
                    dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm +/+ de
                    verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB.</al><al/><al>Artikel 5, tweede lid, onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat
                    het college in inciden-tele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                    belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                    uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                    verstrekt, en de aanvraag bijvoorbeeld niet is afgewezen wegens tekortschietend
                    besef van verantwoordelijkheid.</al><al/><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    langdurigheidstoeslag.</al><al/><al/><al>Artikel 6. Horen van belanghebbende </al><al/><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies.</al><al/><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een verlaging wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal
                    uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in
                    artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al/><al>Artikel 7. Recidive </al><al>De recidivebepaling regelt hoe er gehandeld wordt in het geval de belanghebbende
                    zich binnen 24 maanden schuldig maakt aan verwijtbare gedragingen.</al><al/><al>Wanneer de belanghebbende zich wederom schuldig maakt aan verwijtbare
                    gedragingen en die plaatsvinden binnen een periode van 24 maanden na het laatste
                    verlaging-recidivebesluit, kan het college al individualiserend de hoogte en de
                    duur van de toe te passen verlaging vaststellen.</al><al> De verlaging zal moeten worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de
                    mate van verwijt-baarheid. </al><al/><al>Wanneer sprake is van een verwijtbare gedraging die verband houdt met de
                    arbeidsverplichting is het opschorten en eventueel beëindigen van een uitkering
                    niet mogelijk. Dit kan alleen wanneer er sprake is van het schenden van de
                    inlichtingenplicht.</al><al>In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 5 januari 2010, 09/2625 WWB,
                    LJN: BL0358 wordt dit nog eens uiteengezet. Wanneer er sprake is van het niet
                    leveren van gegevens, is de inlichtingenplicht in het geding en dan is
                    opschorting en intrekking ex. artikel 54 WWB toegestaan. Speelt daarentegen sec
                    de voortgang van een traject of de motivatie van betrokkene bij een te starten
                    of reeds lopend traject dan zijn de arbeidsverplichtingen in het geding en kan
                    niet worden opgeschort.</al><al/><al/><al>Artikel 8. Samenloop</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt.</al><al/><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de verlaging te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste verlaging van toepassing is.</al><al/><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor
                    iedere gedraging afzonderlijk het verlagingpercentage te worden berekend en
                    gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is. In dat geval
                    kan ook worden besloten tot matiging van de verlaging.</al><al/><al>Derde lid</al><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAZ respectievelijk artikel 20 IOAZ
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                    geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                    toegepast. Dit lid is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.</al><al/><al/><al>Artikel 9. Indeling in categorieën</al><al>Bij de indeling in categorieën is ervan uitgegaan dat de ernst van het feit
                    toeneemt naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet
                    verkrijgen of behouden van algemeen geaccep-teerde arbeid, de hoogte van de
                    uitkering of de rechtmatigheid.</al><al/><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het UWV werkbedrijf en ingeschreven te doen
                    blijven.</al><al/><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende
                    om voldoende te solliciteren of de mogelijkheid van onderwijs te
                    onderzoeken.</al><al/><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op bijstand of uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren
                    daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten
                    aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op
                    arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve
                    gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgestelde
                    trajectplan waaronder ook sociale activering verplicht kan worden gesteld.</al><al/><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid, alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand of uitkering
                    deeltijdarbeid niet behouden. Hier is ook uitwerking gegeven aan de binnen de
                    WWB en de IOAW geboden mogelijkheid om ook bij het door eigen toedoen niet
                    verkrijgen of accepteren van algemeen geaccepteerde arbeid de uitkering een
                    verlaging toe te passen. Op grond van de IOAZ is het niet mogelijk een verlaging
                    op te leggen wanneer er sprake is van het verwijtbaar niet aanvaarden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al/><al>Speciale positie: tweede lid, onderdeel f</al><al>Inspanningen jongeren in eerste vier weken na de melding. De plicht tot
                    arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, WWB).
                    Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zii worden beoordeeld op
                    hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en
                    vijfde lid, WWB). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van
                    artikel 13, tweede lid, onderdeel d WWB geen recht op bijstand. Zijn er wel
                    inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan
                    kan het college de uitkering verlagen.</al><al/><al/><al>Artikel 10. De hoogte en duur van de verlaging</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al> De percentages waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd, zijn overgenomen uit
                    het Maatregelen-besluit dat per 1 juli 2011 geheel is komen te vervallen. Het
                    staat gemeenten vrij om lagere of hogere percentages te hanteren.</al><al>Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd,
                    zullen gemeenten twee vragen moeten stellen:</al><al>1. In hoeverre voldoet de beoogde verlaging van de uitkering aan de eisen van
                    proportionaliteit en evenredigheid als de betreffende gedraging in ogenschouw
                    wordt genomen?</al><al>2. In hoeverre zal het opleggen van de verlaging effectief zijn, in de zin dat
                    de verlaging de beoogde gedragsverandering bij de uitkeringsgerechtigde zal
                    bewerkstelligen?</al><al/><al>Tweede en derde lid</al><al>Opgenomen is de mogelijkheid een schriftelijke waarschuwing te geven in die
                    situatie, dat men is vergeten zich te registreren als werkzoekende of deze
                    registratie tijdig te verlengen (maatregel van de eerste categorie, 5% gedurende
                    een maand). Als de schending van deze verplichting voor de tweede keer binnen 24
                    maanden plaats vindt (recidive), wordt wel een maatregel opgelegd. </al><al/><al/><al>Artikel 11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al/><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering of
                    grondslag wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode
                    voorafgaand aan de bijstandaanvraag of de aanvraag voor een uitkering een
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet
                    langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                    als gevolg daarvan een bijstandsuitkering of grondslag aanvraagt, de gemeente
                    bij de toekenning van de uitkering hiermee rekening kan houden door het opleggen
                    van een verlaging.</al><al> Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals:</al><al> een onverantwoorde besteding van vermogen; geen of te late aanvraag doen voor
                    een voorliggende voorziening; </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de indicatieve maatregel. Het
                    benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het vermogen of de voorziening
                    waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere tijd buiten de uitkering zou
                    zijn gebleven.</al><al/><al>Voor de maatregel, die wordt opgelegd, als geen beroep meer kan worden gedaan op
                    een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze wordt verrekend
                    met een recidiveboete in verband met het herhaaldelijk schenden van de
                    inlichtingenplicht, is aansluiting gezocht bij de bevoegdheid van het college om
                    bij een recidiveboete de beslagvrije voet gedurende drie maanden buiten
                    toepassing te stellen.</al><al/><al/><al>Artikel 12 . Niet nakomen van overige verplichtingen</al><al/><al>De WWB geeft het college de bevoegdheid om belanghebbenden verplichtingen op te
                    leggen, die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 WWB biedt daartoe de
                    mogelijkheid en beperkt deze tot een drietal categorieën, te weten:</al><al> verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; verplichtingen, die
                    verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; of
                    verplichtingen, die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. </al><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen, die het college op grond van artikel 55
                    WWB kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de
                    in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele
                    omstandigheden van een belanghebbende. Het is dan ook van belang dat het college
                    altijd rekening houdt met de individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1
                    WWB. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele
                    gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde
                    verlaging.</al><al/><al/><al>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</al><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd.</al><al>Er kan alleen een verlaging worden opgelegd indien er een verband bestaat tussen
                    de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                    vaststellen van het recht op een bijstandsuitkering of uitkering. Vandaar dat in
                    dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdra-gingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van WWB de IOAW of de IOAZ.</al><al/><al>Onder het zich zeer ernstig misdragen wordt verstaan misdragingen door
                    belanghebbende jegens het college, haar ambtenaren, personeel van het UWV
                    werkbedrijf of door de gemeente ingehuurde re-</al><al>integratiebedrijven. Daarbij dient gedacht te worden aan het plegen van geweld,
                    vernielingen, grove beledigingen en bedreigingen.</al><al>Uitgangspunt is dat de misdragingen zo ernstig zijn dat dit reden is om aangifte
                    te doen. Ook moeten de misdragingen of bedreigingen bewezen c.q. aannemelijk
                    gemaakt kunnen worden.</al><al>Naast de verlaging kan uiteraard ook ontzegging van de toegang van het gebouw
                    plaatsvinden. Deze verlaging staat echter los van de uitkeringsrechten.</al><al> Bij elke verlaging geldt dat het van essentieel belang is dat zowel het
                    opleggen van de verlaging als de hoogte en de duur goed wordt gemotiveerd, en
                    dat de cliënt in de gelegenheid wordt gesteld zijn of haar zienswijze naar voren
                    te brengen (hoorplicht).</al><al>Bij zeer ernstig misdragen worden drie agressievormen onderscheiden.
                    Uitgangspunt is dat een verlaging van 100% gedurende een maand wordt
                    opgelegd.</al><al>Uiteraard blijft het mogelijk op grond van artikel 18, eerste lid, WWB te
                    individualiseren.</al><al> Opgemerkt wordt dat afstemming van de uitkering bij agressie niet uitsluit dat
                    aangifte wordt gedaan bij de politie en/of dat de cliënt de toezegging tot het
                    gemeentehuis wordt ontzegd. Voor de visie van</al><al>de afdeling sociale zaken ten aanzien van agressie wordt verwezen naar het
                    agressieprotocol van de afdeling sociale zaken.</al><al/><al>Dit protocol bevat tevens een uitgebreide beschrijving van de handelwijze bij
                    agressie, en de verlagingen, die kunnen worden getroffen. Tot verbaal geweld
                    en/of discriminatie worden onder meer gerekend:</al><al> Alle vormen van verbaal geweld, zoals schelden, beledigen, vernederen, ruzie
                    zoeken; Alle vormen van discriminatie naar sekse, geloofsovertuiging of ras. </al><al>Tot psychische of seksuele intimidatie en stalking worden onder andere
                    gerekend:</al><al> Alle vormen van intimidatie, zoals het bedreigen van een medewerker om iets
                    gedaan te krijgen of om te voorkomen dat iets wordt gedaan; Alle vormen van
                    stalking, zoals achtervolgen, opwachten, lastig vallen en hinderlijk gedrag;
                    Alle vormen van seksuele intimidatie zoals het maken van seksueel getinte
                    opmerkingen of handtastelijkheden; Het dragen van wapens of gevaarlijke
                    voorwerpen binnen de gebouwen van de organisatie; Het zonder vooraf gegeven
                    toestemming meenemen van dieren in de gebouwen. </al><al/><al>Tot fysiek geweld worden onder andere gerekend:</al><al> Alle vormen van geweld, zoals schoppen, spugen, slaan, gooien met voorwerpen,
                    vastpakken, knijpen, haren trekken; Alle vormen van vernieling, zoals het gooien
                    met meubilair of voorwerpen en het vernielen van zaken. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>