<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR306706_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Weert 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weert</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 26-08-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Weert 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2013-06-26">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RAD-001039</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervallen vanwege de inwerkingtreding van de Participatiewet.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Weert 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>-</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>WWB: Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21 aanhef sub c van
                                    WWB;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                    verzorgingtehuis;</al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 3, zesde lid, WWB;</al></li><li nr="e."><al>woonkosten:</al><al>1. Indien een huurwoning wordt bewoond, de verschuldigde
                                    huur;</al><al>2. Indien een eigen woning wordt bewoond, de verschuldigde
                                    hypotheekrente;</al></li><li nr="f."><al>een ander: een andere persoon dan de belanghebbende(n), voor wie
                                    de toepassing van een verhoging en/of verlaging op grond van
                                    deze verordening bepaald dient te worden;</al></li><li nr="g."><al>toeslag: de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid
                                    WWB</al></li><li nr="h."><al>studerend: diegene die uit 's rijks kas bekostigd onderwijs
                                    volgt, of aanspraak heeft op studiefinanciering, of aanspraak
                                    heeft op WTOS.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Werking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde
                            leeftijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                            indien beide gehuwden 21 jaar of ouder, doch jonger dan de
                            pensioengerechtigde leeftijd zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande
                            of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                            heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm als de alleenstaande
                            of alleenstaande ouder in een woning woont waar tevens een ander zijn
                            hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen toeslag wordt verleend als de alleenstaande of alleenstaande ouder
                            met twee of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                            heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van lid 3 wordt bij een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder, die naar het oordeel van het college aantoonbaar op commerciële
                            wijze een kamer huurt, de toeslag vastgesteld op 10 procent van de
                            gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als een ander
                            beschouwd:</al><lijst><li nr="a."><al>diegene die de verzorgingsbehoevende alleenstaande of
                                    alleenstaande ouder verzorgt, danwel de inwonende
                                    verzorgingsbehoevende die door de alleenstaande of alleenstaande
                                    ouder wordt verzorgd;</al></li><li nr="b."><al>een meerderjarig studerend inwonend kind met een inkomen dat
                                    minder is dan 80% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10 procent van de
                            gehuwdennorm voor gehuwden die in een woning wonen waar een ander zijn
                            hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 20 procent van de
                            gehuwdennorm voor gehuwden die in een woning wonen waar twee of meer
                            anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 2 wordt bij gehuwden die naar het oordeel van het
                            college aantoonbaar op commerciële wijze een kamer huren, de verlaging
                            vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als een ander
                            beschouwd;</al><lijst><li nr="a."><al>diegene die de verzorgingsbehoevende gehuwde verzorgt, danwel de
                                    inwonende verzorgingsbehoevende die door de gehuwde wordt
                                    verzorgd;</al></li><li nr="b."><al>een meerderjarig studerend inwonend kind met een inkomen dat
                                    minder is dan 80% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Niet-rechthebbende partner</titel></kop><al>Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 24 WWB wordt geen toeslag
                        verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 27 WWB bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning bewoond wordt
                                waarvoor geen woonkosten verschuldigd zijn of waarvoor de woonkosten
                                door een ander worden voldaan;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning wordt
                                bewoond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 WWB bedraagt 20 procent van de
                        gehuwdennorm indien het een alleenstaande van 21 en 22 jaar betreft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>-Verlaging schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 28 WWB bedraagt 20 procent van de
                            gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen verlaging vindt plaats bij een gezin waartoe een ten laste komend
                            kind van één van de gezinsleden behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen verlaging vindt plaats bij alleenstaanden van 21 of 22 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 8 geschiedt zodanig, dat de
                        toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende(n) tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>40 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>60 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gezinnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester
                        en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Toeslagenverordening Weert
                            2012'.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt, met terugwerkende kracht, in werking met ingang
                            van 1 januari 2012.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking bestaande verordening</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de 'Toeslagenverordening
                        Weert 2010', zoals deze is vastgesteld door de raad op 15 december 2010
                        ingetrokken.</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>In de WWB is geregeld dat de gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen
                    voor welke categorieën de bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond
                    van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al/><al><vet>Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al/><al><cursief>Normen</cursief></al><al/><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.</al><al>De basisnormen zijn geregeld in paragraaf 2, de toeslagen en verlagingen in
                    paragraaf 3.</al><al>Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden.</al><al/><al><cursief>Basisnormen</cursief></al><al/><al>Voor personen van 21 jaar tot en met de pensioengerechtigde leeftijd bestaan er
                    een drietal basisnormen, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaande: 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>Met ingang van 1 januari 2012 werd het gezinsbegrip in de bijstand verruimd.
                    Waar voor deze datum gehuwden een uitkering kregen van 100% van het sociaal
                    minimum (gelijk aan het wettelijk minimum loon) werd dat nu uitgebreid naar alle
                    familieleden achter de voordeur. </al><al>Met de 'Wet afschaffing huishoudinkomenstoets' is het per 1 januari 2012
                    geïntroduceerde verruimde gezinsbegrip (de huishoudtoets) met terugwerkende
                    kracht vanaf dezelfde 1 januari 2012 komen te vervallen.</al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt een normering die is
                    afgestemd op de kinderbijslag. Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met
                    bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn,
                    dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden.</al><al/><al><cursief>Toeslagen</cursief></al><al/><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden.</al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening Weert
                    2012. Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen.</al><al/><al><cursief>Verlagingen</cursief></al><al/><al>De WWB noemt de volgende verlagingen:</al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden ;
                        </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie; </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie;
                        </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                            alleenstaanden.</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 8 van deze
                    verordening.</al><al/><al><vet>Categorieën</vet></al><al/><al>De WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening Weert 2012 een categoriaal karakter
                    moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot
                    in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering.</al><al>In de Toeslagenverordening Weert 2012 wordt, naast de toeslagen, invulling
                    gegeven aan de verlagingen die de WWB mogelijk maakt.</al><al>Eenvoudigheidshalve is de werking van deze verordening beperkt tot
                    belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde
                    leeftijd, hoewel de mogelijkheid bestaat om de verlagingen ook toe te passen op
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar.</al><al>Uitgangspunten bij de verordening</al><al>Deze verordening is in overeenstemming met de wet- en regelgeving, en
                    jurisprudentie. Deze verordening is rechtvaardig en een (aangepaste)
                    voortzetting van al eerder door de gemeente ingezet beleid.</al><al>De verordening moet duidelijk, eenvoudig uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Het
                    verdient mede daarom aanbeveling het toeslagenbeleid niet te ingewikkeld te
                    maken.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB niet
                    afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB ook deze verordening moet worden
                    gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte van
                    deze norm in de WWB zelf wordt gegeven. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het
                    netto minimumloon.</al><al>In deze verordening is het begrip 'verzorgingsbehoevende' opgenomen omdat in de
                    wet niet een dergelijke bepaling was opgenomen. Daardoor is het mogelijk om aan
                    een alleenstaande (ouder) een volledige toeslag te verlenen in geval deze zelf,
                    dan wel een andere inwonende persoon zorgbehoevend is. De
                    verzorgingsbehoevendheid dient wel aantoonbaar zijn, bij voorkeur met een
                    verklaring die was afgegeven door een arts. </al><al>Het begrip 'woonkosten' is nader gedefinieerd omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 6 van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De toeslagenverordening Weert 2012 is van toepassing op belanghebbende van 21
                    tot de pensioengerechtigde leeftijd.</al><al>Hoewel de tekst van de WWB ook categoriale verlagingen mogelijk maakt voor
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, is dit niet reëel. De normen voor deze
                    groep zijn laag vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van
                    belanghebbenden. Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun
                    onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te
                    betalen.</al><al>In dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als hierdoor ook
                    nog op grond van de verordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou
                    de toepassing van de categoriale verlaging op belanghebbenden van 18, 19 en 20
                    jaar de uitvoering van de verordening nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Mocht het niet toepassen van verlagingen op de jongerennorm onredelijke
                    uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om op grond van de WWB de norm
                    aan te passen.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van de WWB. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. </al><al>Zolang er geen sprake is van gehuwden moet er echter van worden uitgegaan dat
                    niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft in beginsel op zijn
                    plaats. </al><al>In deze verordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de
                    gehuwdennorm in het geval een ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.
                    Ingeval dat twee of meer anderen in de zelfde woning als de belanghebbende hun
                    hoofdverblijf hebben wordt geen toeslag verleend. Verondersteld mag worden dat
                    in een dergelijke situatie het schaalvoordeel zo groot is dat de woonlasten
                    maximaal gedeeld kunnen worden. </al><al>Hierop wordt een uitzondering gemaakt ten aanzien van kamerbewoners die op
                    commerciële basis een kamer huren; zij krijgen een toeslag van 10% van de
                    gehuwdennorm, ongeacht het aantal kamerbewoners dat in de woning verblijft.</al><al>Soms is er sprake van situatie waarbij de belanghebbende woonruimte aanbiedt aan
                    een zorgbehoevende persoon of een ander persoon en verzorgingsbehoevende
                    belanghebbende verzorgt. In deze situatie wordt deze persoon niet in aanmerking
                    genomen als een ander die in de zelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.
                    Uitgangspunt van deze is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege
                    deze verzorging taken te confronteren met een lagere toeslag (of verlaging) en
                    ook aan de belanghebbende verzorging te ontkennen.</al><al>Daarnaast wordt ook een uitzondering gecreërd voor een meerderjarig studerend
                    kind niet als 'een ander' beschouwd. Dit om studerende jongeren niet negatief
                    financieel te prikkelen om hun studie te beëindigen. Het gaat hier om jongeren
                    die een inkomen hebben boven € 604,15 per maand, maar minder dan 80% van de
                    gehuwdennorm. </al><al>Voor deze grens is gekozen vanwege het feit dat die grens bij de toepassing van
                    de huishoudtoets werd gebruikt voor studerende kinderen (die behoorden tot die
                    grens niet tot het verruimde gezinsbegrip).</al><al>Is het inkomen boven die grens, dan wordt de jongere beschouwd als een 'ander'.
                    En wordt de bijstandsgerechtigde geacht met die jongere woonlasten te kunnen
                    delen. </al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Artikel 4 vormt een spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor de
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10 procent van de gehuwdennorm als een
                    woning gedeeld wordt met een ander, is dit ook gerealiseerd voor gezinnen in de
                    zelfde situatie. De belanghebbenden kunnen in dat geval namelijk ook kosten
                    delen met een ander en daarom is een verlaging op zijn plaats. </al><al>Zijn er twee of meer personen met wie de gehuwden hun bestaanskosten kunnen
                    delen wordt een verlaging van 20 procent van de gehuwdennorm toegepast. </al><al>Hierop wordt een uitzondering gemaakt ten aanzien van kamerbewoners die op
                    commerciële basis een kamer huren; zij krijgen een verlaging van 10% van de
                    gehuwdennorm, ongeacht het aantal kamerbewoners dat in de woning verblijft.</al><al>De bepaling rondom het niet aanmerken als een 'ander' in het geval van een
                    verzorgingsbehoevende en studerend inwonend meerderjarig kind geldt ook voor
                    gehuwden.</al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Wanneer er sprake is van een zogenaamd 'niet-rechthebbend gezinslid of partner'
                    dient een uitkering verstrekt te worden als ware de rechthebbende een
                    alleenstaande of alleenstaande ouder. Zo'n situatie kan zich voordoen wanneer er
                    bijvoorbeeld een gezinslid of partner wordt uitgesloten van het recht op
                    uitkering in verband met een te lang verblijf buiten Nederland. </al><al>Het eventuele inkomen en vermogen van dit niet-rechthebbend gezinslid moet
                    overigens in die gevallen (deels) in aanmerking worden genomen.</al><al>De mogelijkheid om de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een
                    toeslag is strikt bezien vanuit de WWB beperkt tot diegene die feitelijk
                    alleenstaande (ouder) is. Er bestaat dus voor de gehuwde met een
                    niet-rechthebbende partner of voor de alleenstaande (ouder) met een
                    niet-rechthebbend gezinslid geen recht op toeslag.</al><al>Niettemin dient op basis van constante jurisprudentie die gevormd is onder de
                    WWB en voorafgaande Algemene bijstandswet, een toeslag worden verstrekt wanneer
                    de niet-rechthebbende partner geen inkomen kan verkrijgen heeft. In zo'n
                    situatie dient de toeslag er volgens de jurisprudentie in beginsel zelfs 20
                    procent van de gehuwdennorm moeten bedragen. Als de niet-rechthebbende partner
                    echter wel inkomsten kan krijgen, maar zich door eigen toedoen in deze positie
                    manouvreert, is er geen aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dit kan zich
                    bijvoorbeeld voordoen bij een te lang verblijf buiten Nederland. </al><al>Een verlaging in verband met medebewoning zou in een dergelijke situatie formeel
                    gezien niet mogelijk zijn, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm . In
                    voorkomende gevallen is het in dat geval mogelijk de bijstandsnorm van de
                    bijstandsgerechtigde partner op grond van het individualiseringsbeginsel te
                    verlagen, zodat de toepasselijke gehuwdennorm bereikt wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Als aan een woning voor de belanghebbende geen woonkosten zoals bedoeld in
                    artikel 1 onder e van deze verordening zijn verbonden, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in gevallen dat er wel woonkosten bestaan. De WWB opent om
                    die reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. </al><al>De norm of de toeslag wordt met 20 procent van de gehuwdennorm verlaagd als de
                    belanghebbende geen woonkosten heeft. Dat kan zich voordoen bij krakers of in
                    het geval dat de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld door
                    elders wonende ouders of ex-partner.</al><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel
                    geen woning bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Dit is in
                    overeenstemming met de toelichting de WWB. </al><al>Een belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                    woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor
                    een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt immers
                    geconfronteerd met de hogere kosten van het op straat leven, zoals de kosten van
                    nachtopvang.</al><al>De hoogte van een verlaging op basis van dit artikel heeft geen invloed op de
                    wijze waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt
                    aan daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                    budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van
                    opvang) te verlenen.</al><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres
                    op grond van de WWB door bij AMvB (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen
                    centrumgemeenten. Maar niet elke belanghebbende zonder woning is een adresloze
                    in de zin van aangehaalde wet.</al><al>Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij
                    familie of een instantie.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>De schoolverlaterverlaging is volgens de toelichting van de WWB bedoeld om de
                    schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een veel betere financiële
                    positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming op grond van de WTOS.</al><al>Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of
                    thuiswonende student.</al><al>Met deze omstandigheden wordt immers al rekening gehouden in artikel 4 en 6 van
                    deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>De WWB geeft het College de bevoegdheid om de toeslag te verlagen, indien het
                    van oordeel is dat, gezien de hoogte van het toepasselijke minimumjeugdloon er
                    voor de alleenstaande van 21 of 22 jaar een drempel zou kunnen zijn om werk te
                    aanvaarden.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De verschillende verlagingen in deze verordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk in
                    betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter
                    kunnen betekenen, dat -met name in situaties waarin de schoolverlaterverlaging
                    in combinatie met een van de andere verlagingsgronden aan de orde is- het
                    college de bijstand vanwege deze samenloop zo laag zou moeten vaststellen, dat
                    er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate bijstandsverlening. </al><al>In voorkomende gevallen zou het college de bijstand hoger moeten vaststellen.
                    Daarom is er voor gekozen om al in deze verordening een minimum bedrag vast te
                    leggen, waarop het college de bijstand (inclusief eventuele toeslag en
                    verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al/><al><vet>Artikel 10, 11 en 12</vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>