<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR306682_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening gemeente Heumen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-116038.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dsubsidie%2bjeugdhulp%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20151204%26epd%3d20151204%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=1&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening gemeente Heumen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, Titel 4.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-04-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Toevoeging art.2. lid 3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>07 06 B4</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening gemeente Heumen 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien de voorstellen van burgemeester en wethouders d.d. 21 augustus en 25
                        september 2012;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de <vet>Algemene subsidieverordening gemeente Heumen
                            2012</vet></al><al>waarvan de inhoud als volgt luidt:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="b."><al>college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Heumen;</al></li><li nr="c."><al>eenmalige subsidie: subsidie voor een eenmalige activiteit of
                                    een activiteit, waarvoor het college slechts voor een van te
                                    voren bepaalde tijd van maximaal 4 jaar subsidie wil
                                    verstrekken;</al></li><li nr="d."><al>jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar of voor een
                                    bepaald aantal boekjaren aan een instelling voor een periode van
                                    maximaal vier jaar wordt verstrekt;</al></li><li nr="e."><al>raad: raad van de gemeente Heumen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Raad stelt vast dat voor de volgende beleidsterreinen subsidie
                                kan worden verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen bestuur;</al></li><li nr="b."><al>openbare orde en veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>verkeer, vervoer en waterstaat;</al></li><li nr="d."><al>economische zaken;</al></li><li nr="e."><al>onderwijs en educatie;</al></li><li nr="f."><al>cultuur en recreatie;</al></li><li nr="g."><al>sociale voorzieningen en maatschappelijke
                                        dienstverlening;</al></li><li nr="h."><al>volksgezondheid en milieu;</al></li><li nr="i."><al>ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen, waarin de te subsidiëren
                                activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de subsidie per
                                beleidsterrein zoals bedoeld in het eerste lid worden
                                omschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies
                                met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke
                                verordening een uitputtende regeling is getroffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van
                                subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen
                                financiële middelen of het subsidieplafond en - indien de begroting
                                nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder de voorwaarde
                                dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot
                                subsidieverlening te verbinden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>SUBSIDIEPLAFOND EN BEGROTINGSVOORBEHOUD</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten
                                tot het instellen van subsidieplafond(s).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op
                                welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan - met inachtneming van de ingevolge artikel 2, door
                                de raad vastgestelde beleidsterreinen en regels, nadere regels
                                stellen omtrent de verdeling van het beschikbare bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de
                                mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds
                                ingediende aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is
                                vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende
                                middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het
                                college met behulp van een aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende
                                gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor
                                        wordt aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al>de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden
                                        nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel
                                        bijdragen;</al></li><li nr="c."><al>een begroting en dekkingsplan van de kosten van de
                                        activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het
                                        dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen
                                        of private organisaties of personen aangevraagde subsidies
                                        of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder
                                        vermelding van de stand van zaken daarvan;</al></li><li nr="d."><al>bij een jaarlijkse subsidie, de jaarrekening van het jaar
                                        voorafgaand aan de aanvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een aanvrager voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie
                                aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de
                                statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het
                                voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in
                                het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die
                                voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk,
                                respectievelijk voldoende, zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 1
                                juli in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de
                                subsidieaanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan andere termijnen stellen voor het indienen van een
                                aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt ingediend nà de termijnen zoals genoemd in
                                de leden 1 en 2 van dit artikel, kan het college de aanvraag
                                afwijzen, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld hierover
                                zijn zienswijze in te dienen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen
                                13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Het college kan de
                                beslissing op de aanvraag met maximaal 13 weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie
                                uiterlijk vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar
                                waarvoor de subsidie is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan andere beslistermijnen stellen voor daarbij aan te
                                wijzen subsidies.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>WEIGERING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>De subsidieverlening kan naast de in de Awb genoemde situaties in ieder
                            geval worden geweigerd indien het college van oordeel is dat er gegronde
                            redenen bestaan om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten van de aanvrager niet overwegend gericht zullen
                                    zijn op de gemeente en/of niet aanwijsbaar ten goede komen aan
                                    de inwoners van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor
                                    het doel waarvoor de subsidie is aangevraagd;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal
                                    ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of
                                    de openbare orde;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende
                                    gelden – hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van
                                    derden- kan beschikken om de kosten van de activiteiten te
                                    dekken;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan één of meer aan de subsidie
                                    verbonden voorwaarden;</al></li><li nr="f."><al>subsidieverstrekking anderszins niet past binnen het beleid van
                                    de gemeente.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>VERLENING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Verlening subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan
                                op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaats
                                vindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om verplichtingen danwel voorwaarden aan de
                                beschikking tot subsidieverlening te verbinden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra
                            aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend,
                            niet of geheel niet zullen worden verricht of dat niet of geheel niet
                            aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen
                            danwel voorwaarden zal worden voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger verricht de activiteiten, waarvoor de subsidie
                                is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk
                                schriftelijk over:</al><lijst><li nr="a."><al>besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                        van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel
                                        ontbinding van de rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                        verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de
                                        beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden
                                        geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van
                                        de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het
                                        doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger is verplicht een overzichtelijke en doelmatige
                                administratie te voeren en te zorgen voor deugdelijke bewijsstukken
                                van alle ontvangsten en uitgaven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor
                                handelingen als vermeld in artikel 4:71 Awb. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidieontvanger is een vergoeding aan het bestuursorgaan
                                verschuldigd in de gevallen zoals genoemd in artikel 4:41 van de
                                Awb.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verantwoording subsidies tot en met 15.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot en met 15.000 euro worden door het college:</al><lijst><li nr="a."><al>verleend en direct ambtshalve vastgesteld of;</al></li><li nr="b."><al>verleend en ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de
                                        activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door
                                hem egeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de
                                subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de
                                subsidie verbonden verplichtingen danwel voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 15.000 tot en met 25.000
                                euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 15.000 euro, maar
                                minder dan 25.000 euro, dient de subsidieontvanger uiterlijk 13
                                weken na het verricht zijn van de activiteiten een aanvraag tot
                                vaststelling in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                        jaarrekening);</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                belang zijn, worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf 25.000 euro</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 25.000 euro, dient de
                                subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het
                                college:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei
                                        in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk
                                        4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is
                                        verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        uitgaven en inkomsten (financieel verslag);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een
                                        toelichting daarop;</al></li><li nr="d."><al>een accountantsverklaring, waarbij de volgende gradaties
                                        gelden:</al><lijst><li nr="i."><al>bij een subsidie die meer bedraagt dan 25.000 euro,
                                                maar minder dan 50.000 euro een door een account
                                                opgestelde samenstellingsverklaring;</al></li><li nr="ii."><al>bij een subsidie van 50.000 euro en meer een
                                                goedkeurende accountantsverklaring.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van
                                belang zijn, worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling de subsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording
                                daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de
                                subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid
                                genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger
                                daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling. In het bericht wordt de reden van verdaging
                                vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers
                                aanwijzen, waarvoor de verleende subsidie direct ambtshalve wordt
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in de
                                artikelen 12, 13 en 14 genoemde tijdstip is ontvangen, stelt het
                                college binnen 6 weken de subsidie vast. De termijn gaat lopen nadat
                                de subsidieontvanger in de gelegenheid is gesteld de aanvraag alsnog
                                in te dienen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van
                            deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met
                            uitzondering van de artikelen 1, 2, 3 en 8 voor zover toepassing gelet
                            op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot
                            onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit
                            artikel wordt gemotiveerd in het besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Aanvragen om jaarlijkse subsidie die zien op het subsidiejaar 2013
                            dienen, in afwijking van hetgeen staat vermeld in artikel 6, te zijn
                            ingediend voor 1 september 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Bekendmaking, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt bekendgemaakt in de Regiodiek van de
                                    gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                                    bekendmaking, zijnde 14 november 2012, en werkt terug tot 1
                                    januari 2012. Tezelfdertijd wordt de Algemene
                                    subsidieverordening, zoals is vastgesteld door de raad op 29
                                    juni 2006, ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene
                                    subsidieverordening gemeente Heumen 2012.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 1 november 2012</ondertekening><ondertekening>BvdA</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, </ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>De Algemene subsidieverordening is een modelverordening, die de VNG
                            heeft opgesteld vanuit haar adviserende functie om het subsidiebeleid
                            van gemeenten te stroomlijnen en te actualiseren. De Algemene wet
                            bestuursrecht (hierna: Awb) kent in titel 4.2 een uitgebreide regeling
                            voor subsidieverstrekking door bestuursorganen. Deze regeling in de Awb
                            biedt gemeenten veel vrijheid bij de invulling van hun lokale
                            subsidiebeleid. Gemeenten maken dankbaar gebruik van deze autonome
                            bevoegdheid. Uit het toenemend aantal vragen, dat de VNG ontvangt van
                            haar leden over het opstellen en uitvoeren van het gemeentelijke
                            subsidiebeleid, blijkt er desondanks behoefte te bestaan aan enig
                            houvast. Na de uitgave van de ‘VNG Algemene wet bestuursrecht, derde
                            tranche, subsidieverstrekking door gemeenten’ is er vraag naar een
                            raamwerk of modelverordening. Om deze reden heeft de VNG besloten een
                            model Algemene subsidieverordening op te stellen met een uitgebreide
                            toelichting.</al><al>Om de gemeenten te ondersteunen bij het vormgeven van hun regelgeving
                            heeft de VNG, in het kader van het project ‘Minder regels’, de afgelopen
                            jaren hard gewerkt aan de deregulering en vereenvoudiging van al haar
                            modelverordeningen. Bij de ontwikkeling van deze nieuwe modelverordening
                            is nadrukkelijk ook gekeken naar dereguleringsmogelijkheden binnen het
                            subsidieproces. Een belangrijk aspect in het subsidietraject is gelegen
                            in vereenvoudiging van de regels voor de verantwoording van de subsidie.
                            Ter vermindering van de administratieve en bestuurlijke lasten op dit
                            punt is rijksbreed een kader ontwikkeld door het ministerie van
                            Financiën. Bij het opstellen van de modelverordening is ook naar dit
                            kader gekeken voor aanknopingspunten en zijn deze zoveel mogelijk
                            toegespitst op de gemeentelijke praktijk.</al><al>De modelverordening is in overleg met diverse deskundigen op het gebied
                            van (gemeentelijke) subsidieverstrekking tot stand gekomen. Tevens is
                            dankbaar gebruik gemaakt van de ervaringen van gemeenten, die al een
                            Algemene subsidieverordening hebben.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Grondslag verordening</vet></al><al>In de Awb staat dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een
                            wettelijk voorschrift. Deze eis komt voort uit de wens van de wetgever,
                            dat de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en subsidieontvanger
                            voldoende is gewaarborgd. Hiermee wordt tevens een doelmatige besteding
                            van overheidsuitgaven nagestreefd. Mogelijk onzorgvuldig of willekeurig
                            handelen van het overheidsorgaan of nalatigheid van de subsidieontvanger
                            is immers beter te toetsen aan de hand van een wettelijke regeling dan
                            aan de hand van een op zichzelf staand besluit van een
                            bestuursorgaan.</al><al>Voor gemeenten betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn
                            gebaseerd op een verordening van de raad (artikel 4:23, lid 1 Awb). Deze
                            verordening moet de essentiële elementen van het proces van
                            subsidieverstrekking bevatten, zoals een omschrijving of aanduiding van
                            de te subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van
                            een subsidieplafond en de bijbehorende verdelingsmaatstaf. Volgens de
                            Memorie van Toelichting bij de Awb (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar
                            1988-1989, 21221, nr.3)) moet een wettelijk voorschrift, in dit geval
                            een gemeentelijke verordening, aan de twee volgende eisen voldoen om de
                            beoogde doelmatigheid en rechtszekerheid te bereiken. Het moet een
                            omschrijving bevatten van de activiteiten, waarvoor subsidie kan worden
                            verleend en het moet een grondslag bevatten voor de verplichtingen, die
                            het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden (voor zover
                            die grondslag niet reeds in de Awb is neergelegd; zie artikel 4:37
                            Awb).</al><al/><al><vet>Uitzonderingen wettelijke grondslag</vet></al><al>Op de hoofdregel dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een
                            wettelijke grondslag bestaan, op grond van het derde lid van artikel
                            4:23 Awb, vier uitzonderingen:</al><al>de spoedeisende subsidieverstrekking;</al><al>de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost;</al><al>de incidentele subsidieverstrekking;</al><al>de Europese subsidies.</al><al>Deze laatste zijn voor gemeenten minder van belang en worden verder
                            buiten beschouwing gelaten.</al><al/><al><vet>Spoedeisende subsidies</vet></al><al>Wanneer er een wettelijk voorschrift in voorbereiding is, mag het
                            bestuurorgaan, vooruitlopend op de totstandkoming van dit voorschrift,
                            alvast beginnen met het verlenen van de subsidie. Van deze bevoegdheid
                            om zonder grondslag te subsidiëren, kan gedurende maximaal een jaar
                            gebruik worden gemaakt. Het doel van deze uitzondering is te voorkomen,
                            dat de slagvaardigheid van de overheid bij het kunnen inzetten van het
                            subsidie-instrument onnodig wordt belemmerd. Om democratische controle
                            mogelijk te maken, geldt er voor deze vorm van subsidie wel een
                            verslagleggingsplicht voor het bestuursorgaan.</al><al/><al><vet>Subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost</vet></al><al>In bepaalde gevallen is het toegestaan om niet op basis van een
                            verordening, maar op basis van een post op de begroting subsidie te
                            verlenen. Artikel 4:23, derde lid, onder c Awb bepaalt hierover dat er
                            geen verordening is vereist, indien de begroting de subsidieontvanger en
                            het bedrag, waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld,
                            vermeldt. De vermelding van de ontvanger en het bedrag kan overigens ook
                            in de toelichting bij de begroting worden gedaan.</al><al>Subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost kan bijvoorbeeld
                            handig zijn bij subsidies die, veelal structureel, slechts aan één of
                            enkele ontvangers worden verstrekt. Door in de begroting of de
                            toelichting de subsidieontvanger en het bedrag te vermelden, is publieke
                            controle mogelijk en kan een wettelijke subsidieregeling achterwege
                            blijven.</al><al/><al><vet>Incidentele subsidies</vet></al><al>Strikt genomen is voor incidentele subsidies geen wettelijk voorschrift
                            nodig. In artikel 4:23, vierde lid, onderdeel d Awb is neergelegd, dat
                            in incidentele gevallen kan worden afgezien van het basisvereiste dat
                            slechts op grond van een wettelijk voorschrift subsidie kan worden
                            verstrekt. Die situatie doet zich voor, indien er geen beleid is dat
                            voorziet in subsidiëring van de desbetreffende activiteiten en evenmin
                            sprake is van een vaste bestuurspraktijk om dat soort activiteiten te
                            subsidiëren.</al><al>Deze uitzondering in de Awb is bedoeld voor gevallen, waarin zowel het
                            aantal subsidieontvangers als het tijdvak van subsidiëring beperkt is.
                            Een subsidie voor maximaal één jaar, maar met een groot aantal
                            subsidieontvangers, is dus al niet meer incidenteel. Evenmin is een
                            eenmalige subsidie voor alle scholen in het basisonderwijs een
                            incidentele subsidie volgens artikel 4:23, vierde lid, onderdeel d
                            Awb.</al><al>Een messcherpe afbakening tussen incidentele en andere subsidies is dit
                            echter niet. Vandaar dat er bij het opstellen van de onderhavige
                            subsidieverordening voor is gekozen om ook incidentele subsidies op te
                            nemen in de verordening onder de grondslag eenmalige subsidie, zodat ook
                            deze een wettelijke grondslag hebben. Voorts werd dit ingegeven door de
                            wens om te komen tot heldere, voor alle subsidiesoorten geldende regels.
                            Hiermee wordt bereikt, dat door de gemeente niet voor iedere incidentele
                            subsidie een geheel nieuw regime voor de wijze van behandeling,
                            beoordeling en aanvraag moet worden vastgesteld. Dat is er immers nu al.
                            De bestuurlijke en administratieve lasten worden hiermee beperkt.</al><al/><al><vet>Gebruik en benaming nadere regels</vet></al><al>In de praktijk blijkt er veel onduidelijkheid te bestaan over het
                            gebruik van nadere regels in het kader van subsidieverstrekking.
                            Hiervoor gebruiken gemeenten zowel de vorm van deelverordeningen, maar
                            ook vaak beleidsregels of beleidsnota’s. Op grond van artikel 1:3, derde
                            lid Awb wordt onder een beleidsregel verstaan: ”een bij besluit
                            vastgestelde, algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend
                            voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van
                            feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een
                            bevoegdheid van een bestuursorgaan”.</al><al>Subsidieverstrekking op basis van alleen beleidsregels is niet mogelijk
                            vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag. Er is altijd een
                            verordening nodig. In die verordening dienen tenminste de activiteiten
                            globaal te worden omschreven, die voor subsidie in aanmerking kunnen
                            komen. Nu in de Algemene subsidieverordening de activiteiten waarvoor
                            subsidie verkregen kan worden niet staan omschreven zijn er nadere
                            regels nodig voor deze grondslag. Zie hiervoor ook artikel 4:23 lid 1
                            Awb. De opzet van de Algemene subsidieverordening is dusdanig dat alle
                            algemene regels omtrent subsidieverstrekking in de Algemene
                            subsidieverordening zijn opgenomen. Regels die alleen betrekking hebben
                            op een speciaal beleidsterrein worden in nadere regels, zijnde algemeen
                            verbindende voorschriften en dus geen beleidsregels, uitgewerkt.</al><al>Ter bevordering van de duidelijkheid en eenvoud van de regelingen en de
                            onderlinge afstemming van haar regelingen adviseert de VNG de gemeenten
                            zo veel mogelijk gebruik te maken van deze Algemene subsidieverordening
                            en een uniforme benaming en standaardmodel te gebruiken voor nadere
                            regels. Het gebruik van beleidsnota’s dient zoveel mogelijk te worden
                            vermeden, omdat met beleidsnota’s niet rechtstreeks verplichtingen aan
                            burgers kunnen worden opgelegd. Beleidsnota’s binden alleen het
                            bestuursorgaan en werken niet extern. In ieder geval kunnen zaken als
                            termijnen en subsidieverplichtingen niet worden geregeld via een
                            beleidsregel. In jurisprudentie is bepaald dat normstelling alleen kan
                            plaatsvinden in de vorm van algemeen verbindende voorschriften en niet
                            in beleidsregels.</al><al>Het is wel mogelijk om een omschrijving van regels die een uitleg geven
                            aan bepalingen uit de verordening, zoals de afweging van belangen of de
                            vaststelling van feiten, op te stellen in de vorm van beleidsregels.
                            Bijvoorbeeld op welke wijze het begrip “jubileumbijdrage” bij
                            verschillende verenigingen moet worden geïnterpreteerd. Zodra het gaat
                            om normstelling dient de norm te worden verwerkt in de artikelen van de
                            (deel)verordening en niet in de toelichting of in beleidsregels.</al><al>Vooral van belang is dat het voor de subsidieaanvrager helder is onder
                            welke benaming en vorm hij nadere regels moet vinden. De gemeente
                            bevordert verder de eenvoud en duidelijkheid door een algemeen model
                            vast te stellen voor de nadere regels. Dit model bevat bijvoorbeeld de
                            volgende regels:</al><lijst><li nr="1."><al>Doel, beleidsterrein / omschrijving activiteiten / beoogd doel
                                    subsidie.</al></li><li nr="2."><al>Definities.</al></li><li nr="3."><al>Subsidiebudget of subsidieplafond.</al></li><li nr="4."><al>Verdeelcriteria en besluitvorming.</al></li><li nr="5."><al>Ontheffingen / bijzonderheden ten opzichte van de Algemene
                                    subsidieverordening.</al></li><li nr="6."><al>Overgangsbepaling.</al></li><li nr="7."><al>Inwerkingtreding.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 2. Het subsidiebegrip</vet></al><al>Om de subsidietitel uit de Awb op een juiste wijze toe te passen, is het
                            van belang dat helder is wat er onder subsidie wordt verstaan. Subsidie
                            is een materieel begrip en wordt omschreven in artikel 4:21, eerste lid
                            Awb. Voldoet een geldverstrekking aan de daar genoemde voorwaarden, dan
                            is het een subsidie, hoe ook genaamd.</al><al>Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die
                            aan de volgende kenmerken voldoen:</al><al>het betreft een aanspraak op financiële middelen;</al><al>die door een bestuursorgaan worden verstrekt;</al><al>met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;</al><al>anders dan als betaling voor het bestuursorgaan geleverde goederen of
                            diensten.</al><al>In de praktijk kan het voorkomen, dat er afwijkende termen worden
                            gebruikt, zoals bijdrage, uitkering of vergoeding, terwijl het in feite
                            een subsidie betreft. De gekozen benaming is voor de toepasselijkheid
                            van de subsidietitel niet van belang, ze is gewoon van toepassing als
                            aan de voorwaarden is voldaan.</al><al/><al>a.Een aanspraak op financiële middelen</al><al>Het woord ‘aanspraak’ geeft aan dat het niet de daadwerkelijke
                            overhandiging van het geld hoeft te betreffen, maar dat een aanspraak
                            daarop voldoende is. Deze aanspraak is rechtens afdwingbaar. Van belang
                            is niet de daadwerkelijke beschikbaarstelling, maar het besluit van het
                            bestuursorgaan dat de voorgenomen activiteiten worden
                            gesubsidieerd.</al><al>Voor het bestuursorgaan ontstaat na het toekennen van de aanspraak op
                            financiële middelen de verplichting om aan de gesubsidieerde, na
                            uitvoering van de activiteiten en nakoming van zijn overige opgelegde
                            verplichtingen, tot betaling over te gaan.</al><al>Niet alle verstrekkingen van het bestuursorgaan zijn subsidies. Indien
                            er geen financiële middelen worden verstrekt, maar andere zaken, dan is
                            er geen sprake van subsidie.</al><al>Het leveren van goederen of diensten door de gemeente om niet of onder
                            de kostprijs valt niet onder het subsidiebegrip van de Awb. Dit
                            betekent, dat de zogenaamde ‘subsidies’ in natura (de niet-financiële
                            verstrekkingen), zoals het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                            accommodaties voor sportbeoefening of het heffen van een toegangsprijs
                            voor een gemeentelijk museum, die de kosten niet dekken, niet aan de
                            begripsomschrijving voldoen en dus geen subsidie zijn.</al><al>Kredieten en deelnemingen in een vennootschap kunnen zowel wel als niet
                            een subsidie zijn:</al><al>Wel: Kredietverlening door de gemeente zal in de regel gebeuren als de
                            commerciële banken niet of onvoldoende in de behoefte van hun cliënten
                            willen of kunnen voorzien. In de praktijk wordt een dergelijke
                            kredietverlening uitgevoerd door de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). De
                            GKB verschaft in een dergelijke situatie aangepaste, niet-commerciële
                            kredietvormen, die uitsluitend gericht zijn op door de ontvanger te
                            ondernemen activiteiten, zoals schuldsanering. In dat geval is er sprake
                            van een subsidieverhouding.</al><al>Niet: Kredieten, die door de GKB als consumentenkrediet worden
                            verschaft, vallen niet onder het subsidiebegrip. Het bedrag wordt dan
                            immers niet verstrekt ten behoeve van een bepaalde activiteit.
                            Deelneming in het aandelenkapitaal van een vennootschap wordt geacht
                            niet te zijn gericht op bepaalde activiteiten van de onderneming. Het
                            aandelenkapitaal is immers gericht op alle huidige en toekomstige
                            activiteiten van de vennootschap. Daarmee is er geen sprake van een
                            subsidie in de zin van de Awb.</al><al/><al>b.Verstrekt door een bestuursorgaan</al><al>Slechts wanneer de financiële middelen worden verstrekt door een
                            bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb kan er sprake zijn
                            van een subsidie. Geld van particulieren, zoals fondsen, waarmee
                            activiteiten van andere particulieren mogelijk worden gemaakt, vallen
                            niet onder het subsidiebegrip. De rechtsverhouding tussen particuliere
                            en privaatrechtelijke personen valt immers niet onder de Awb.</al><al>De meeste subsidies worden door de ‘reguliere’ bestuursorganen
                            verstrekt. Het is echter van belang om in ogenschouw te nemen, dat ook
                            particuliere fondsen en instellingen, die op grond van een wettelijk
                            voorschrift zijn belast met het geven van subsidies ten laste van
                            openbare middelen, een bestuursorgaan zijn in de zin van artikel 1:1 van
                            de Awb. Dergelijke privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen op grond van
                            art 1:1, lid 1, onder b van de Awb als bestuursorgaan worden
                            aangemerkt.</al><al/><al>c.Met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager</al><al>Een subsidie wordt altijd verstrekt met een bepaald doel, voor bepaalde
                            activiteiten. De wetgever heeft bepaald dat er sprake moet zijn van
                            bepaalde, duidelijk omschreven activiteiten van de ontvanger. De
                            bestedingsrichting van de middelen moet dus duidelijk zijn.</al><al>Om deze reden vallen bijvoorbeeld sociale uitkeringen niet onder de
                            noemer ‘subsidie’. Het verschaffen van financiële middelen om te
                            voorzien in de kosten van het bestaan gebeurt niet met het oog op
                            bepaalde activiteiten van de aanvrager. Het betreft een algehele of
                            aanvullende inkomensvoorziening, bijvoorbeeld op grond van de Wet werk
                            en bijstand (WWB).</al><al>Ook schadevergoedingen, verstrekt door de overheid, vallen buiten het
                            subsidiebegrip. De bestedingsrichting van de ontvanger ligt in dat geval
                            niet vooraf vast, oftewel: een schadevergoeding wordt niet verleend met
                            het oog op bepaalde activiteiten van de ontvanger, maar ter compensatie
                            van schade, veroorzaakt door handelen van de overheid zelf. Het staat de
                            ontvanger vrij te bepalen, waaraan hij het geld besteedt. Ook de
                            algemene uitkeringen aan gemeenten en provincies uit het Gemeente- en
                            Provinciefonds worden gekenmerkt door een bepaalde bestedingsvrijheid en
                            vallen dus ook buiten de subsidiedefinitie.</al><al/><al>d.Anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen
                            of diensten</al><al>Commerciële transacties vallen buiten het subsidiebegrip. Er is geen
                            sprake van subsidie als de overheid een marktconforme vergoeding betaalt
                            voor aangeschafte goederen of aan haar geleverde diensten. Onder
                            betaling wordt verstaan het leveren van een tegenprestatie, die is
                            afgestemd op de waarde van de verkregen goederen of diensten in het
                            economische verkeer. Dit betekent niet dat een marktprijs, die wat aan
                            de hoge kant is, daarom meteen als subsidie zou zijn aan te merken. Dit
                            geldt alleen in die gevallen waar de prijs onmiskenbaar zozeer boven de
                            marktprijs ligt, dat redelijkerwijs niet meer van betaling kan worden
                            gesproken.</al><al>De beperking van deze uitzondering tot aan het bestuursorgaan geleverde
                            goederen of diensten is aangebracht, omdat er subsidies zijn, die kunnen
                            worden opgevat als een betaling voor door de subsidieontvanger aan
                            derden geleverde diensten. Denk bijvoorbeeld aan de door de regionale
                            bureaus voor slachtofferzorg geleverde diensten. De overheid heeft dan
                            ook geen contractuele relatie met deze bureaus, maar een
                            subsidierelatie. Subsidieverlening en commerciële transacties kunnen in
                            de praktijk soms dicht tegen elkaar aan liggen.</al><al/><al><vet>Subsidie versus opdracht: wat is het onderscheid? </vet></al><al>Met de zinsnede ‘anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan
                            geleverde goederen of diensten’, had de wetgever de bedoeling de
                            subsidie te onderscheiden van het begrip ‘opdracht’. Uit de definitie
                            van artikel 4:21 Awb volgt dat, als er sprake is van een betaling voor
                            een opdracht (een financiële tegenprestatie), deze betaling dan niet kan
                            worden aangemerkt als een subsidieverstrekking of omgekeerd. Oftewel:
                            opdracht en subsidie sluiten elkaar uit. Toch blijkt dit onderscheid in
                            de praktijk niet altijd even scherp te maken.</al><al>Neem bijvoorbeeld de uitvoering van de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning (Wmo). Op grond van de Wmo kan aan ondersteuning in het
                            huishouden op verschillende manieren invulling worden gegeven. In de
                            eerste plaats kan de gemeente aan de behoeftige een bedrag toekennen,
                            waarmee huishoudelijke hulp kan worden ingekocht. Dit is zonder twijfel
                            aan te merken als subsidie. Daarentegen kan de gemeente ook de keuze
                            maken om de ondersteuning in het huishouden in natura aan te bieden. De
                            gemeente betaalt dan vervolgens de huishoudelijke hulp of de
                            organisatie, die hiervoor zorg draagt. In dat geval komt al snel de
                            vraag om de hoek kijken of dit is aan te merken als een subsidie of een
                            opdracht. Er is immers geen sprake van een aanspraak op financiële
                            middelen door de behoeftige. In het geval van levering van
                            huishoudelijke hulp aan burgers in het kader van de Wmo, dan is de
                            betaling aan de thuiszorgorganisatie, die deze taak voor de gemeente
                            uitvoert, geen subsidie.</al><al>Als een gemeente op grond van de publieke taak diensten aan derden
                            levert en de gemeente schakelt hiervoor een bedrijf in, dan is de
                            betaling voor de levering van deze diensten door dat bedrijf aan derden
                            eveneens geen subsidie.</al><al>Om diverse redenen is het relevant om helder te hebben of het al dan
                            niet een subsidie betreft. Zo zullen ondernemers over de door aan hen
                            gedane betalingen voor geleverde diensten BTW verschuldigd zijn, terwijl
                            zij over aan hen verstrekte subsidies in beginsel geen BTW hoeven af te
                            dragen. En mocht er zich een geschil voordoen, dan kan men in het geval
                            van subsidieverstrekking naar de bestuursrechter stappen, terwijl men
                            zich bij een opdracht moet wenden tot de civiele rechter. Bij
                            Beleidsgestuurde Contractfinanciering (BCF) wordt vaak gekozen voor een
                            subsidie, waaraan een contract (uitvoeringsovereenkomst) verbonden is.
                            Ook daar is het van belang dat het karakter van de grondslag van de
                            verbintenis, namelijk de subsidierelatie, niet uit het oog wordt
                            verloren. Tenslotte kan een overheid te maken krijgen met
                            aanbestedingsregels (bij een opdracht) of wellicht staatssteun (bij
                            subsidie).</al><al>Het is van belang te beseffen dat de feitelijke situatie bepalend is of
                            iets wordt aangemerkt als een subsidie of een opdracht: het naamkaartje,
                            dat eraan hangt, speelt geen rol. Een gemeente dient daarom waakzaam te
                            zijn bij het opstellen van de subsidiebeschikking en moet voorkomen, dat
                            de verstrekking kan worden aangemerkt als betaling voor een opdracht.
                            Het is daarom raadzaam om terughoudend te zijn met de mogelijkheid om in
                            de aan de subsidiebeschikking gekoppelde uitvoeringsovereenkomst een
                            verplichting tot nakoming op te nemen. Daarnaast is de kans minder
                            groot, dat de subsidie als opdracht wordt aangemerkt, als niet de gehele
                            activiteit wordt gesubsidieerd, maar slechts een gedeelte en er
                            daarnaast een eigen bijdrage van de ontvanger wordt gevraagd.</al><al/><al><vet>Subsidies en Europese staatssteunregels</vet></al><al>Europese regelgeving ten aanzien van staatssteun is niet van toepassing,
                            indien de subsidie aan burgers wordt verstrekt. Ook is geen sprake van
                            staatssteun als de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verleend,
                            geen ondernemingsactiviteiten zijn. Zo is een subsidie aan een
                            (amateur-) sportvereniging geen staatssteun. Als de gesubsidieerde
                            activiteiten wel als onderneming kunnen worden aangemerkt, is er sprake
                            van staatssteun als de subsidie niet open staat voor alle ondernemingen,
                            die deze activiteit uitoefenen. Er moet sprake zijn van een selectief
                            voordeel, wil men kunnen spreken van staatssteun. Staatssteun is
                            toegestaan als deze valt binnen een van de vrijstellingsverordeningen
                            van de Europese staatssteunregels. Zo is er een dé minimis
                            vrijstellingsverordening, die bijdragen aan een onderneming tot 200.000
                            euro in de drie jaar vrij stelt. Valt de subsidie niet binnen de
                            reikwijdte van één van de vrijstellingsverordeningen voor staatssteun,
                            dan is hiervoor eerst toestemming van de Europese Commissie nodig. De
                            steunverlening moet dan vooraf door de Europese Commissie worden
                            genotificeerd. Voor meer informatie over de staatssteunregels kan een
                            gemeente terecht bij het kenniscentrum Europa Decentraal.</al><al>Uitgezonderde en aangewezen beleidsterreinen en onderwerpen</al><al>Het eerste lid van artikel 4:21 Awb geeft een omschrijving van het
                            begrip ‘subsidie’. In het tweede tot en met het vierde lid wordt
                            vervolgens aangegeven welke beleidsterreinen en onderwerpen zijn
                            uitgezonderd van de subsidietitel van de Awb en welke juist worden
                            aangewezen. Overigens kunnen afzonderlijke wetten ook bepalen of de
                            subsidietitel wel of niet van toepassing is.</al><al/><al><vet>Uitgezonderd: fiscale faciliteiten</vet></al><al>Vanuit economisch oogpunt bekeken, zullen veel belastingfaciliteiten
                            zijn aan te merken als subsidies. De Awb bepaalt echter dat de
                            subsidietitel niet van toepassing is op fiscale stimulansen of
                            aftrekposten. De reden hiervan is dat de toepassing van de subsidietitel
                            moeilijk te verenigen is met de systematiek van de belasting- of
                            premieheffing.</al><al/><al><vet>Uitgezonderd: uitkeringen aan doelgroepen</vet></al><al>Sociale zekerheidswetgeving kent veel bepalingen, waarin de toepassing
                            van de subsidietitel op de betreffende uitkering wordt uitgesloten. In
                            beginsel voldoen de uitkeringen of toeslagen met betrekking tot
                            bijzondere bijstand, subsidies voor gehandicapten met het oog op
                            bijvoorbeeld woningaanpassing of (re-)integratie in een
                            arbeidsorganisatie, aan de subsidiedefinitie van artikel 4:21 Awb.
                            Desondanks heeft de wetgever er voor gekozen om dergelijke uitkeringen
                            van de toepasselijkheid van de subsidietitel uit te sluiten.</al><al>Ook financiële tegemoetkomingen als studiefinanciering en huurtoeslag
                            zijn lastig te duiden. Enerzijds zien zij op het verrichten van een
                            bepaalde activiteit (studeren respectievelijk het kunnen bewonen van een
                            bepaalde woning, hoewel de inkomsten daartoe niet toereikend zijn),
                            terwijl zij anderzijds het karakter hebben van een aanvullende
                            inkomensvoorziening. De Awb-wetgever heeft bepaald dat dit laatste
                            element overheerst. Mede om praktische redenen (voor beide voorzieningen
                            bestond al een uitgebreide, wettelijke regeling) is daarop uitdrukkelijk
                            bepaald dat de subsidietitel niet van toepassing is op deze
                            voorzieningen. Er is voor gekozen om voornoemde uitzonderingen niet in
                            de Awb zelf op te nemen, maar in de desbetreffende wetten.</al><al/><al><vet>Aangewezen: bekostiging van het onderwijs en onderzoek</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 4:21 Awb geeft aan dat de subsidietitel van
                            de Awb van overeenkomstige toepassing is op de bekostiging van het
                            onderwijs en onderzoek. Het begrip ‘bekostiging’ bevat volgens de MvT
                            (blz.38, zie noot 2) de reguliere geldstromen voor de instandhouding van
                            de onderscheiden onderwijssoorten, oftewel: de verzuiling. De MvT geeft
                            aan dat, in verband met de eigen aard van de onderwijswetgeving, die
                            samenhangt met de regeling van artikel 23 Grondwet (over de vrijheid van
                            onderwijs), het vierde lid van artikel 4:21 Awb bepaalt dat de
                            subsidietitel niet rechtstreeks, maar van overeenkomstige toepassing is
                            op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek. Volgens de MvT wordt
                            op deze manier zoveel mogelijk recht gedaan aan enerzijds de bijzondere
                            constitutionele positie van het onderwijs en anderzijds aan de
                            doelstelling van de Awb om de bestuurlijke wetgeving zoveel mogelijk te
                            harmoniseren.</al><al/><al><vet>Benaming van subsidies</vet></al><al>Exploitatiesubsidie, structurele subsidie, waarderingssubsidie,
                            projectsubsidie, incidentele subsidie, productsubsidie,
                            instellingssubsidie, budgetsubsidie: in de praktijk verzinnen
                            beleidsmakers allerlei benamingen voor de verschillende soorten
                            subsidies. De juridische betekenis van dergelijke benamingen is echter
                            beperkt. Zoals uit het voorgaande blijkt, is de subsidietitel van de Awb
                            immers materieel: het is afhankelijk van de feitelijke situatie en niet
                            van de benaming of de financiële verstrekking voldoet aan het
                            subsidiebegrip, zoals omschreven in artikel 4:21 Awb.</al><al>De Awb fungeert slechts als basisregeling en biedt veel beleidsvrijheid
                            aan de opstellers van bijzondere subsidieregelingen en
                            subsidiebeschikkingen. Het is echter de vraag of een veelvoud aan
                            benamingen de praktijk ten goede komt. In het model Algemene
                            subsidieverordening is gekozen voor twee benamingen: eenmalige subsidies
                            en jaarlijkse subsidies. Deze benamingen zijn minder strikt dan op het
                            eerste gezicht lijkt en pogen louter het verschil aan te geven tussen de
                            in principe jaarlijks aan instellingen verstrekte subsidies en de
                            overige (eenmalige) subsidies.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Vermindering van administratieve en bestuurlijke
                                lasten</vet></al><al>In de afgelopen jaren heeft deregulering en het daardoor verminderen van
                            de administratieve en bestuurlijke lastendruk hoog in het vaandel
                            gestaan, zowel op rijks- als op decentraal niveau. Bij de ontwikkeling
                            van de onderhavige, nieuwe Modelverordening is nadrukkelijk ook gekeken
                            naar deze dereguleringsaspecten. Met name is gekeken naar het
                            verminderen van de indieningsvereisten, maar ook naar de mogelijkheden
                            van een andere verantwoordingswijze en beter financieel beheer van
                            subsidies. Hierop wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan.</al><al/><al><vet>3.1 Het verminderen van de indieningsvereisten</vet></al><al>Om in aanmerking te komen voor subsidie moet er in de eerste plaats een
                            aanvraag worden ingediend. En veel belangrijker: bij deze aanvraag moet
                            in veel gevallen een grote hoeveelheid begeleidende stukken worden
                            gevoegd. Wanneer dan wordt bedacht, dat in de praktijk veel
                            (vrijwilligers)organisaties gebruik maken van gemeentelijke subsidies,
                            die niet altijd beschikken over deskundige kennis, en dat er daarnaast
                            regelmatig stukken worden opgevraagd, die niet altijd relevant zijn voor
                            de beoordeling van de aanvraag, kan in een aantal gevallen de conclusie
                            worden getrokken dat de administratieve lasten niet altijd in verhouding
                            staan tot het aangevraagde subsidiebedrag.</al><al>Een groot aantal gemeenten heeft inmiddels dereguleringsprojecten
                            uitgevoerd, die hebben geleid tot het afschaffen van overbodige
                            aanvraagvereisten, die ook bij een subsidieverlening een rol
                            spelen.</al><al>Zo kan bijvoorbeeld worden afgezien van het opvragen van een kopie
                            inschrijfbewijs Kamer van Koophandel of een kopie van de statuten. De
                            gemeente kan deze zelf opvragen uit de online database van de Kamer van
                            Koophandel. Daartoe dienen echter intern bij de gemeente enkele
                            belemmeringen te worden opgeheven. Zo kan het zijn dat de gemeente nu
                            nog de beleidslijn hanteert, dat het de verantwoordelijkheid van de
                            aanvrager is om te voldoen aan de indieningsvereisten. Ook dient men
                            rekening te houden met een toename van bestuurlijke lasten voor de
                            gemeente door het zelf opvragen van de gegevens bij de Kamer van
                            Koophandel. Het opvragen kost tijd en geld (2,50 euro per
                            uittreksel).</al><al>Hierbij is ervan uitgegaan dat de gevraagde gegevens op het
                            aanvraagformulier worden vermeld. Het college bepaalt welke gegevens
                            dienen te worden verstrekt en neemt daarbij de proportionaliteit in
                            acht. Hiermee wordt bedoeld dat de aard en hoeveelheid van de gevraagde
                            gegevens in redelijke verhouding dienen te staan tot de omvang van de
                            gevraagde subsidie. Zo zal aan een speeltuinvereniging, die subsidie
                            vraagt voor een nieuw speeltoestel van 1.500 euro, een formulier kunnen
                            worden verstrekt, waarop bij ‘te verstrekken gegevens’ de offerte
                            /rekening van het betreffende speeltoestel als enig te verstrekken
                            gegeven wordt genoemd.</al><al>Het college kan zelf manieren vaststellen om de administratieve en
                            bestuurlijke lasten, samenhangend met subsidies, terug te brengen. Te
                            denken valt aan samenwerking met andere bestuursorganen, waar de
                            aanvrager ook een aanvraag voor subsidie heeft gedaan. Het ligt in de
                            rede om bij de behandeling van de aanvragen, voor wat betreft de te
                            verstrekken gegevens, aan te sluiten bij de procedure van dat
                            bestuursorgaan, aan wie de belangrijkste of grootste subsidie is
                            gevraagd. Dit betekent zowel voor de betrokken bestuursorganen als voor
                            de aanvrager een verlichting van de administratieve lasten. Er wordt
                            immers voorkomen dat de aanvrager aan allerlei verschillende
                            administratieve procedures moet voldoen en daarvoor voor elk
                            bestuursorgaan andere stukken dient op te stellen. In dit kader kan
                            optioneel het volgende artikel ook worden toegevoegd aan de
                            modelverordening, zodat aanvragers de gemeente ook uit eigen beweging
                            kunnen wijzen op mogelijke afstemmingspartners:</al><al/><al><vet>Artikel Subsidiëring mede door andere bestuursorganen</vet></al><al>Indien het college subsidie verstrekt voor activiteiten, die mede door
                            andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan het college afwijken
                            van de bij of krachtens deze Algemene subsidieverordening aan de
                            subsidie te verbinden verplichtingen, voor zover dit wenselijk is met
                            het oog op een goede afstemming met de door die andere bestuursorganen
                            opgelegde of op te leggen verplichtingen, en daardoor het belang met het
                            oog, waarop die verplichtingen zouden moeten worden opgelegd, niet
                            onevenredig wordt geschaad.</al><al>Een andere vorm van vereenvoudiging kan gevonden worden in de gegevens,
                            die bij de eerste subsidieaanvraag van een aanvrager worden gevraagd en
                            welke gegevens redelijkerwijs noodzakelijk zijn bij een volgende
                            subsidieaanvraag of een verlenging van de subsidieverlening van de
                            aanvrager. Tenslotte is dit ook van belang bij de verantwoording van de
                            verstrekte subsidies. Bijvoorbeeld, indien de gemeente een financiële
                            verantwoording vraagt, voorzien van een accountantsverklaring, kan
                            mogelijk een verlichting van de administratieve lasten worden
                            gerealiseerd. Dit kan wanneer de instelling verschillende
                            subsidiestromen vanuit de gemeente ontvangt en/of met meerdere
                            subsidieverstrekkers te maken heeft. Het verdient dan aanbeveling om de
                            mogelijkheid van een verantwoordingsdocument voor alle
                            verantwoordingsverplichtingen, voorzien van één accountantsverklaring,
                            te onderzoeken.</al><al/><al><vet>3.2 Verantwoording en financieel beheer van subsidies</vet></al><al>Naast het terugdringen van indieningvereisten is het ook mogelijk de
                            administratieve en bestuurlijke lasten te verminderen door een
                            aanpassing van de verantwoordingswijze van de subsidies en een aangepast
                            financieel beheer van het subsidieproces.</al><al>Het Rijksbrede subsidiekader</al><al>Door het Rijk is het “Rijksbrede subsidiekader” ontwikkeld met als doel
                            te komen tot een efficiëntere en kleinere overheid. Het ontwikkelde
                            subsidiekader uniformeert en vereenvoudigt de regels voor de
                            verantwoording en het financiële beheer van subsidies. Toepassing van
                            het systeem beoogt een besparing van ongeveer 30% in de administratieve
                            lasten en 20% in de bestuurlijke lasten, terwijl het tegelijkertijd
                            voldoende mogelijkheden biedt om op rijksniveau verantwoording af te
                            leggen over de rechtmatigheid. De toepassing van het kader wordt
                            rijksbreed verplicht en verankerd in de aanwijzingen voor de
                            Rijksdienst. Vanaf 1 januari 2010 is het kader van toepassing op
                            gewijzigde subsidieregelingen en op nieuwe subsidies, die door het Rijk
                            worden verstrekt op basis van (kader)wetten. Voor bestaande
                            subsidieregelingen geldt een overgangstermijn tot 2012, waarbinnen de
                            wet- en regelgeving hierop zal worden aangepast.</al><al>Elementen uit het Rijksbrede subsidiekader kunnen in aangepaste vorm
                            worden toegepast op het gemeentelijke subsidieproces en de gemeentelijke
                            organisatie. Hierna zal worden ingegaan op de hoofdlijnen van dit kader
                            en wordt aangegeven hoe ook gemeenten er voordeel mee kunnen behalen.
                            Het uiteindelijke doel is dat de gemeentelijke procedures, daar waar
                            mogelijk, aansluiten bij die op rijksniveau, zodat het zowel voor de
                            burger als voor de verschillende overheden duidelijker en eenvoudiger
                            wordt. Instellingen, bijvoorbeeld op het terrein van jeugdzorg of
                            welzijn (vgl. Leger des Heils), ontvangen vaak subsidies van meerdere
                            overheden en hebben vaak te maken met verschillende indieningseisen en
                            voorwaarden.</al><al>Uitgangspunten en maatregelen</al><al/><al>Het Rijksbrede subsidiekader is ontwikkeld vanuit de volgende
                            uitgangspunten:</al><al>Het subsidiebedrag en de lasten, die met de subsidieverstrekking gepaard
                            gaan, moeten proportioneel zijn.</al><al>Er moet een betere sturing plaatsvinden op prestaties en hoofdlijnen: zo
                            wordt er meer gewerkt met prestatiesubsidiëring in plaats van de input
                            op basis van werkelijke kosten. Prestatiesubsidiëring houdt in, dat er
                            een vast bedrag wordt gesubsidieerd ten behoeve van een vooraf
                            overeengekomen activiteit of prestatie. Bij subsidies, gebaseerd op
                            verantwoording van de kosten, wordt vaak zekerheid gezocht in de
                            administratieve verplichtingen, zoals facturen en urenadministratie.
                            Hiermee gaan hoge administratieve en bestuurlijke lasten gepaard. Door
                            het afrekenen op basis van prestaties en het vervallen van de financiële
                            verantwoording bij kleine subsidies worden de lasten verminderd.</al><al>Regels en verplichtingen moeten meer worden geüniformeerd en
                            vereenvoudigd. Doordat de Awb zoveel ruimte laat, ontstaat er in de
                            praktijk een veelvoud van subsidieverlening en
                            verantwoordingsverplichtingen. Dit leidt tot een versnippering van
                            regels: het Leger des Heils is genoodzaakt om jaarlijks meer dan 25
                            verschillende jaarrekeningen op te stellen. Het nieuwe subsidiekader
                            bevat uniforme en vereenvoudigde regels voor de aanvraag, uitvoering en
                            verantwoording. Gedacht kan worden aan verplichtingen ten aanzien van
                            termijnen, kostenbegrippen, voorschotten en voorwaarden ten aanzien van
                            tussentijdse rapportages.</al><al>Tenslotte wordt er gewerkt vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen.
                            Er komt meer nadruk te liggen op de eigen verantwoordelijkheid van de
                            subsidieontvanger; er zal niet in alle gevallen meer een uitgebreide
                            verantwoordingsplicht gelden.</al><al>Op basis van deze uitgangspunten zijn de volgende, met elkaar
                            samenhangende maatregelen ontwikkeld:</al><al>Drie standaarduitvoerings- en verantwoordingsarrangementen, waarvan de
                            toepassing wordt bepaald door de hoogte van het subsidiebedrag.</al><al>Uniformering en vereenvoudiging van begrippen en verplichtingen in het
                            subsidieproces (onder andere termijnen, voorschotten, rapportages).</al><al>Rijksbreed beleid om misbruik te voorkomen.</al><al>Hieronder worden enkele elementen uit het Rijksbrede subsidiekader
                            belicht, die ook relevant kunnen zijn voor de gemeentelijke
                            subsidiepraktijk.</al><al>Proportionaliteit tussen subsidiebedrag en lasten</al><al>Het subsidiekader gaat uit van proportionaliteit tussen het
                            subsidiebedrag en de administratieve lasten. Hoe lager het
                            subsidiebedrag per ontvanger is, hoe minder of eenvoudiger voorwaarden
                            worden gesteld en hoe efficiënter de verantwoording wordt ingericht. Dit
                            leidt tot de volgende verdeling:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="70*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tot € 25.000</al></entry><entry colname="col2"><al>direct vaststellen of desgevraagd verantwoording
                                                over de prestatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vanaf € 25.000 tot € 125.000</al></entry><entry colname="col2"><al>verantwoording over de prestatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vanaf € 125.000</al></entry><entry colname="col2"><al>verantwoording over kosten en prestaties</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor subsidiebedragen, kleiner dan 25.000 euro, wordt de subsidie
                            verleend op basis van vertrouwen; er wordt niet meer standaard om een
                            verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve
                            meldingsplicht voor de ontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden.
                            Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de
                            ontvanger. Een meer risicogeoriënteerde aanpak betekent ook een zekere
                            risicoacceptatie. Belangrijk hierbij is dat incidenten niet gelijk tot
                            een systeemaanpassing zouden moeten leiden. De verantwoordingsfocus bij
                            kleine subsidies ligt op het leveren van de prestatie of dienst in
                            plaats van op de kosten. Hierdoor kan het ook voorkomen, dat de
                            werkelijke kosten uiteindelijk lager zijn dan het subsidiebedrag.</al><al/><al><vet>Uniformering en vereenvoudiging van het subsidieproces</vet></al><al>In het Rijkssubsidiekader zijn processtappen, begrippen en
                            verplichtingen, die bij iedere subsidie terugkeren, vereenvoudigd en
                            geüniformeerd. Het gaat hierbij om gestandaardiseerde termijnen voor de
                            subsidieaanvrager en subsidieverstrekker. Daarnaast worden de
                            informatieverplichtingen voor de subsidieontvangers verminderd, doordat
                            bijvoorbeeld de huidige tussentijdse rapportages voor kortlopende
                            subsidies vervallen en doordat de procedure voor het ontvangen van een
                            voorschot fors wordt vereenvoudigd door het invoeren van automatische
                            bevoorschotting in plaats van bevoorschotting op aanvraag. De termijnen
                            worden daarbij zoveel mogelijk gestandaardiseerd. In de tabel is dit
                            verder uitgewerkt.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="70*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Termijn voor subsidieverstrekker</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Termijnen bij afgifte van een beschikking tot
                                                verlening van een subsidie:</al></entry><entry colname="col2"><al>Standaardregel</al><al>Maximaal 13 weken na aanvraag of sluiting
                                                aanvraagtermijn. </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Uitzonderingen</al><al>Maximaal 22 weken na aanvraag of sluiting
                                                aanvraagtermijn bij:</al><al>-subsidieverlening bij EU-cofinanciering;</al><al>-subsidieverlening waarbij advies wordt
                                                ingewonnen;</al><al>-nadere controle.</al><al>Maximaal 40 weken in het geval van internationale
                                                peer reviews en/of internationale
                                                beoordelingscommissies.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Termijnen bij afgifte van een beschikking tot
                                                (ambtshalve) vaststelling van een subsidie:</al></entry><entry colname="col2"><al>Maximaal 13 weken na aanvraag van de subsidie bij
                                                directe vaststelling (zonder vaststellingsaanvraag).
                                                Maximaal 22 weken na aanvraag vaststelling. Voor de
                                                ambtshalve vaststelling gaat de termijn in vanaf het
                                                moment, dat de gesubsidieerde activiteiten moeten
                                                zijn uitgevoerd. Dit wordt opgenomen in de
                                                subsidiebeschikking.</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Termijn voor subsidieontvanger</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Standaardtermijn voor aanvraag van vaststelling van
                                                een (project)subsidie (alleen relevant bij
                                                arrangementen 2 en 3).</al></entry><entry colname="col2"><al>Standaardregel</al><al>Maximaal13 weken na voltooiing van de gesubsidieerde
                                                activiteiten of afgesproken termijn. Indien wordt
                                                verantwoord via de jaarrekening of tesamen met
                                                andere subsidies (volgens SiSa-principe) geldt een
                                                uitzondering op de13-weken termijn voor indiening
                                                van de aanvraag voor vaststelling.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tabel 1.Overzicht standaardtermijnen Rijksbrede subsidiekader</al><al/><al>Het belang van het Rijksbrede subsidiekader voor gemeenten</al><al>Veel van de elementen van het Rijksbrede subsidiekader kunnen ook door
                            gemeenten worden overgenomen zonder dat de beleidsvrijheid van gemeenten
                            wordt aangetast. De voorstellen voor uniformering en vereenvoudiging
                            richten zich op de uitvoering en verantwoording en niet op de
                            beleidsmatige afwegingen inzake de verstrekking van subsidies. Hiermee
                            kan lastenvermindering voor zowel de subsidieontvanger als de
                            subsidieverstrekkende gemeente worden gerealiseerd. Meer uniformiteit en
                            vereenvoudiging in de uitvoering en verantwoording is bovendien van
                            belang voor een groot aantal (vrijwilligers-)organisaties en
                            instellingen, die van meerdere gemeenten (en andere overheden) subsidie
                            ontvangen.</al><al>In deze lverordening is ervoor gekozen om de subsidieverstrekking onder
                            te verdelen in drie vergelijkbare arrangementen, vanzelfsprekend met
                            aangepaste bedragen, om zo te bezien welke verantwoordingsplicht het
                            beste aansluit bij de hoogte van het subsidiebedrag. In de verordening
                            is in de artikelen 12, 13 en 14 aansluiting gezocht bij dit systeem door
                            de omvang van de verantwoordingsverplichting te koppelen aan de hoogte
                            van het subsidiebedrag.</al><al>Bij de verstrekking van kleine subsidies aan bijvoorbeeld
                            toneelverenigingen, muziekkorpsen of ouderenbonden lopen gemeenten
                            slechts een beperkt financieel risico. Het subsidiebedrag is vaak niet
                            zo hoog, terwijl de administratieve en bestuurlijke lasten naar
                            verhouding vaak wel hoog zijn. In dat verband wordt erop gewezen, dat
                            een gemeente ervoor kan kiezen om over te gaan tot directe vaststelling
                            van en/of het verlenen van verantwoordingsvrije subsidies. Daarnaast
                            bestaat de mogelijkheid om de periode, waarvoor de subsidie wordt
                            verstrekt, te verlengen.</al><al>In deze verordening is ervoor gekozen om subsidies tot aan een bedrag
                            tot 15.000 euro direct vast te stellen of te verlenen en later
                            ambtshalve vast te stellen binnen 13 weken na afloop van de activiteit.
                            Kenmerkend voor subsidies van minder dan 15.000 euro is, dat een vast
                            bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf
                            niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de
                            subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor
                            subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de
                            lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden
                            bespaard.</al><al>Een andere wijze om de administratieve lasten te verminderen, is om
                            subsidie voor langere tijd te verlenen; zo hoeft de aanvrager niet
                            jaarlijks een aanvraag in te dienen. Daarnaast levert het de ambtenaar
                            tijd en geld op, doordat hij niet iedere keer opnieuw de aanvragen moet
                            beoordelen. In de beschikking tot verlening kan worden aangegeven aan
                            welke tussentijdse verantwoordingseisen moet worden voldaan. In deze
                            verordening is gekozen voor het principe, dat slechts bij meerjarig
                            verstrekte subsidies jaarlijks een verantwoording moet worden ingediend.
                            Het college kan bepalen welke gegevens zij in een tussentijdse
                            rapportage verlangt. Het ligt voor de hand om hier aan te sluiten bij de
                            principes, zoals die zijn opgesteld voor de eindverantwoording in het
                            algemeen, dus slechts indien noodzakelijk en het subsidiebedrag meer
                            bedraagt dan 50.000 euro naast een inhoudelijk verslag ook een
                            accountantsverklaring. Ook kan veel voordeel worden behaald door het
                            instellen van een automatisch bevoorschottingsregime in plaats van de
                            subsidieontvanger slechts een voorschot op aanvraag te verlenen.</al><al>In deze Algemene subsidieverordening is ervoor gekozen dat de
                            steekproefsgewijze controle zich richt op het aantonen dat de
                            activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is
                            voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.</al><al>Hiertoe hoeft niet een gedetailleerd overzicht van inkomsten en uitgaven
                            (boekhouding) te worden bewaard, maar kan worden volstaan met het
                            bewaren van een bewijs, dat de activiteit heeft plaatsgevonden. Dat kan
                            ook een foto van of een krantenartikel over bijvoorbeeld een
                            gesubsidieerde bijeenkomst zijn. Daardoor hoeft bijvoorbeeld een
                            vrijwilligersorganisatie géén extra documenten te bewaren dan zij ten
                            behoeve van haar reguliere werkzaamheden doet.</al><al>Gemeenten lopen niet zoveel financiële risico’s bij verstrekking van
                            kleine subsidies. Ga eens op bezoek bij subsidieaanvragers en
                            -ontvangers, bekijk welke activiteiten ze ontplooien en waar ze de
                            subsidie voor nodig hebben. Ga er vanuit dat de organisatie met recht en
                            reden om subsidie vraagt.</al><al>Om het risico van verlaging van verantwoordingsplicht voor uw gemeente
                            in kaart te brengen, kijk dan eens naar de verhouding van het aantal
                            kleine subsidies (bijvoorbeeld tot 5.000 euro), die uw gemeente
                            verstrekt en welk percentage dat is van het totaalbedrag aan verstrekte
                            subsidies. Ervaring leert dat vaak 75% van de subsidies wordt verstrekt
                            in kleine bedragen. In veel van de huidige verantwoordingsregimes wordt
                            geen onderscheid gemaakt op grond van de hoogte van het subsidiebedrag.
                            Verantwoordingsregimes in subsidieregelingen zijn ingericht met het oog
                            op de grote verstrekte bedragen (de andere 25%) en de daarmee
                            samenhangende risico’s. Toepassing van deze verantwoording op kleine
                            bedragen leidt tot onevenredig hoge lasten voor ontvangers en gemeenten.
                            Het middel schiet daarmee zijn doel voorbij.</al><al>Voordelen:</al><al>Minder administratieve lasten - in tijd, kosten en ergernis - voor
                            aanvragers, zoals vrijwilligersorganisaties. Op deze manier hebben zij
                            meer tijd te besteden aan hun echte werk.</al><al>Minder bestuurlijke lasten, want de gemeente hoeft niet meer te wachten
                            op de jaarrekening van misschien wel honderden kleine instellingen.
                            Daarnaast hoeft de gemeente niet meer te controleren en
                            vaststellingsbrieven op te stellen. Dit scheelt veel tijd.</al><al>Nog een mogelijkheid om te kijken naar vereenvoudiging is kritisch te
                            kijken naar de vereisten, die aan jaarlijkse subsidies of de zogenaamde
                            per boekjaar verstrekte subsidies worden gesteld. In deze Algemene
                            subsidieverordening is bijvoorbeeld, juist wegens de hoge regeldruk,
                            afgezien van de mogelijkheid om afdeling 4.2.8 van de Awb in zijn geheel
                            van toepassing te verklaren op jaarlijkse subsidies. In plaats daarvan
                            zijn enkele bepalingen eruit gelicht of in vereenvoudigde vorm
                            overgenomen. </al><al>Gemeenten wordt aangeraden bij het bepalen van standaardtermijnen aan te
                            sluiten bij hetgeen in deze Algemene verordening is opgenomen en
                            desgewenst bij wat in de tabel over de door het Rijk gehanteerde
                            termijnen staat beschreven. Deze termijnen zijn feitelijk een nadere
                            invulling van de Awb en dus ook juridisch daarop afgestemd. Als er in
                            een individueel geval niet aan kan worden voldaan, kan op grond van
                            artikel 4:14 Awb een langere termijn worden gehanteerd. Let op: dit zijn
                            maximum termijnen. Een beschikking kan ook sneller worden
                            afgegeven!</al><al>Beslistermijnen en Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen</al><al>Per 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                            beslissen in werking getreden. Hierdoor lopen bestuursorganen, die zich
                            niet aan de termijnen houden, het risico met een dwangsom te worden
                            geconfronteerd. Het doel van de wet is waarborgen dat de overheid een
                            betrouwbare partner is van burgers, bedrijven en maatschappelijke
                            organisaties. In de wet staat dat de overheid dit onder andere moet doen
                            door tijdig te beslissen op een aanvraag. De aanvrager heeft daar recht
                            op. Tijdig betekent: binnen de geldende termijn. Dat kan een wettelijke
                            of een redelijke termijn zijn. Een beslissing moet zonodig kunnen worden
                            afgedwongen. Onder bepaalde voorwaarden kan de gemeente de beslistermijn
                            verlengen. De wet omschrijft de volgende situaties:</al><al>De gemeente verzoekt de aanvrager de aanvraag aan te vullen door meer
                            informatie te verschaffen.</al><al>Als de gemeente wacht op informatie uit het buitenland.</al><al>Als de aanvrager schriftelijk instemt met uitstel.</al><al>Als de vertraging de schuld is van de aanvrager, bijvoorbeeld als hij
                            steeds opnieuw vraagt om uitstel van aan te leveren gegevens of de dag
                            voor de beslistermijn afloopt een dik pak met aanvullende gegevens
                            opstuurt.</al><al>Als de gemeente door overmacht niet in staat is te beslissen. Er moeten
                            dan wel abnormale en onvoorziene omstandigheden zijn, waarop de gemeente
                            geen invloed heeft, zoals het volledig afbranden of onder water lopen
                            van het gemeentehuis.</al><al>In bijna alle gevallen dient de gemeente de aanvrager direct mee te
                            delen, dat de beslistermijn is opgeschort en binnen welke termijn alsnog
                            een beslissing moet worden genomen. Met de in de verordening opgenomen
                            mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen, moet dus niet al te
                            makkelijk worden omgegaan. De in deze Algemene verordening gekozen
                            termijnen voor besluiten zijn met 13 weken aan de ruime kant. Voor de
                            beoordeling van complexe subsidieaanvragen heel redelijk; voor
                            afhandeling van een eenvoudig besluit tot subsidievaststelling zeer
                            ruim. De praktijk leert dat gemeenten wel alert zijn op het verstrijken
                            van de termijn bij een besluit tot aanvraag van een subsidie en minder
                            alert bij besluiten op verzoeken tot vaststellen van een subsidie. De
                            wet biedt voldoende handvatten om pro-actief te reageren. Maak, indien
                            nodig, vooral gebruik van de mogelijkheid om de aanvrager schriftelijk
                            te laten instemmen met onvoorzien uitstel.</al><al/><al><vet>Sanctiebeleid</vet></al><al>In dit model Algemene subsidieverordening zijn geen bepalingen opgenomen
                            over de werkwijze en procedures indien subsidieontvangers zich niet
                            houden aan de procedures en verplichtingen. De Awb geeft hiervoor
                            voldoende handvaten. Bijvoorbeeld, indien aanvragen niet tijdig of
                            onvolledig worden ingediend, dient de subsidieontvanger een termijn
                            gegund te worden waarbinnen de aanvraag kan worden aangevuld, dit volgt
                            uit artikel 4:5 Awb. Voldoet de aanvrager daar niet aan binnen de
                            termijn, dan kan de gemeente de aanvraag op vereenvoudigde wijze afdoen.
                            Dat betekent dat de gemeente niet op de inhoudelijke merites van de
                            aanvraag hoeft in te gaan. Of, indien de aanvrager niet voldoet aan zijn
                            verplichtingen kan de gemeente op grond van de artikelen 4:46 – 4:50 Awb
                            de subsidieverlening intrekken of wijzigen. Aangezien met deze
                            bevoegdheden een inbreuk gemaakt wordt op het vertrouwensbeginsel, dient
                            hiermee terughoudend en in alle redelijkheid te worden omgegaan. Daarbij
                            zijn de ernst van de tekortkoming en de gevolgen van de verlaging voor
                            de subsidieontvanger van belang zijnde factoren.</al><al>Afstemming en uniformering van hoe gemeenten in dit soort situaties
                            zullen handelen is gewenst. Rijksbreed is bijvoorbeeld overeengekomen
                            dat bij onregelmatigheden bij verstrekte subsidies in het eerste
                            arrangement, tot 25.000 euro, de subsidie in zijn geheel kan worden
                            teruggevorderd. Voor wat betreft het tweede en derde arrangement zijn de
                            afspraken over het stroomlijnen van kortingen nog onderwerp van overleg.
                            Voor wat betreft het opleggen van een boete ontbreekt een wettelijke
                            basis.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, dat in de
                            verordening wordt gehanteerd.</al><al>Er is in de definities een onderscheid gemaakt tussen verschillende
                            vormen van subsidie. De jaarlijkse subsidie, die bij voorkeur voor
                            meerdere jaren wordt verleend en veelal op voortdurende activiteiten van
                            een instelling betrekking heeft. Hierbij kan worden gedacht aan
                            exploitatiesubsidies en subsidie in de loonkosten. In de onderhavige
                            verordening is bepaald dat deze voor een periode van ten hoogste vier
                            jaren worden verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan uiteraard
                            opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de
                            periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de
                            zittingstermijn van de raad (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk
                            hoeven te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder
                            vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte
                            subsidies worden gediend. Als deze subsidie voor langer dan drie jaar
                            aan een instelling wordt verstrekt voor de uitvoering van dezelfde
                            activiteit(en), ontstaat er een subsidierelatie, zoals beschreven in
                            artikel 4:51 van de Awb en dient bij weigering van de subsidie voor een
                            nieuw tijdvak een redelijke termijn in acht te worden genomen. </al><al>Eenmalige subsidies zijn subsidies die voor een eenmalige activiteit of
                            een activiteit, waarvoor het college slechts voor een van te voren
                            bepaalde tijd van maximaal 4 jaar subsidie wil verlenen. Te denken valt
                            aan een subsidie ten behoeve van het doorgang doen vinden van de
                            gebruikelijke activiteiten van de subsidieontvanger, terwijl die
                            doorgang door bijzondere, incidentele omstandigheden anders niet
                            gewaarborgd zou zijn. Hierbij kan worden gedacht aan inhuur van
                            uitzendkrachten voor de vervanging van niet-verzekerd, arbeidsongeschikt
                            geworden personeel, het vervangen van een teloor gegaan bedrijfsgebouw
                            en dergelijke. Of aan projectsubsidies die worden gegeven voor door de
                            subsidieontvanger te realiseren bijzondere projecten, zoals bijvoorbeeld
                            een dansvoorstelling of kunstmanifestatie. Eenmalige subsidies hebben
                            een looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen onder
                            omstandigheden dus een looptijd hebben van langer dan een jaar.</al><al/><al>Artikel 2. Reikwijdte verordening</al><al>Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is
                            uiteraard niet te vermijden, dat op onderdelen nadere regels
                            noodzakelijk zullen blijken. Die verscheidenheid onderbrengen in een
                            algemene verordening is mogelijk, maar komt de met een algemene
                            verordening nagestreefde overzichtelijkheid niet ten goede. Daarbij komt
                            dat beleidsdoelen en prioriteiten wijzigen en dit, naar aangenomen mag
                            worden, in een hoger tempo zullen doen dan de Algemene
                            subsidieverordening aan wijziging toe is.</al><al>Wijziging van een alsdan complexe en uitgebreide verordening, die veel
                            beleidsterreinen bestrijkt, gaat gepaard met aanzienlijke bestuurlijke
                            en administratieve lasten. Met deze algemene verordening, die de kaders
                            geeft voor nadere regels, worden deze lasten beperkt in aantal en
                            kwaliteit. Zo zal het bij een eventuele wijziging van de verordening
                            niet noodzakelijk zijn alle beleidsafdelingen van de gemeente daarbij
                            anders dan in informerende zin te betrekken.</al><al/><al>Artikel 3. Bevoegdheid college</al><al>Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de
                            raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en
                            deze Algemene subsidieverordening. Dit betekent dat het college geen
                            subsidies kan verlenen, die niet stroken met de door de raad
                            vastgestelde algemene regels. Met besluiten over het verstrekken van
                            subsidies in plaats van verlenen van subsidies wordt beoogd de
                            bevoegdheid te besluiten over het gehele subsidieproces, dus ook het
                            bevoorschotten, lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke.</al><al>In het eerste lid is bepaald dat het college daarbij de
                            gemeentebegroting en subsidieplafonds in acht neemt. Als de
                            gemeentebegroting nog niet is vastgesteld en er formeel dus nog geen
                            financiële ruimte door de raad beschikbaar is gesteld, wordt subsidie
                            slechts verleend onder de voorwaarde dat de raad daarvoor geld
                            beschikbaar zal stellen, het zogenoemde begrotingsvoorbehoud.</al><al>In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om
                            voorwaarden aan de subsidie te verbinden. Zie hiertoe ook artikel 4:33
                            Awb en voor het verschil met verplichtingen artikel 4:37 Awb.</al><al>N.B.</al><al>Ook de bevoegdheid om aan een subsidiebeschikking een
                            uitvoeringsovereenkomst te verbinden, berust bij het college.</al><al>In beginsel is in afdeling 4.2.4 Awb zeer uitvoerig en nauwgezet bepaald
                            welke verplichtingen onder welke voorwaarden bij een subsidieverlening
                            kunnen worden opgelegd en kunnen alle toegestane verplichtingen in
                            beginsel bij subsidieverlening of subsidiewijziging worden opgelegd.
                            Ingevolge artikel 3:14 BW mogen bepalingen in subsidieovereenkomsten er
                            niet toe leiden, dat een bestuursorgaan handelt in strijd met de Awb, de
                            publiekrechtelijke subsidieregeling, waarop de subsidie berust, of de
                            andere ongeschreven regels van het publiekrecht. Gezien het bovenstaande
                            is het maar de vraag wanneer het opstellen van een
                            uitvoeringsovereenkomst bij de beschikking extra bevoegdheden geeft. In
                            het geval de subsidieontvanger moet worden verplicht bepaalde
                            activiteiten te verrichten, is het de vraag of er niet veeleer sprake is
                            van een opdracht situatie.</al><al>Waar de subsidiebeschikking slechts gericht is op één partij, kan
                            middels een uitvoeringsovereenkomst meerdere partijen aan elkaar worden
                            gebonden. Dat zou een voordeel kunnen zijn. Ook is het mogelijk een
                            derdenbeding ex. art. 6:253 BW op te nemen.</al><al/><al>Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</al><al>In de Awb zijn in de artikel 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste
                            bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond’ gegeven.
                            Ingevolge het eerste lid van artikel 4 kan de raad subsidieplafonds per
                            beleidsterrein vaststellen. In de regel valt dit qua tijdstip samen met
                            de vaststelling van de begroting. De raad stelt subsidieplafonds vast en
                            maakt daarbij de wijze van verdeling van de beschikbare middelen bekend.
                            Eventueel kan het college nadere regels opstellen omtrent de wijze van
                            verdeling van de beschikbare middelen.</al><al>Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb, dat het
                            subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het
                            betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten
                            hoeveel geld beschikbaar is. Maar vooral van belang is, dat
                            subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen op het
                            moment dat het subsidieplafond bereikt is. Indien het voor subsidie
                            beschikbare bedrag enkel op de begroting vermeld staat en de gemeente
                            deze bedragen niet als zijnde subsidieplafonds heeft gepubliceerd, kan
                            de gemeente subsidieaanvragen niet ongemotiveerd weigeren wegens het
                            bereiken van het plafond. Vandaar dat de VNG het publiceren van
                            subsidieplafonds aanbeveelt. Het is aan te bevelen om enige tijd te
                            nemen tussen het vaststellen van de begroting en het publiceren van
                            subsidieplafonds en de wijze van verdeling van de beschikbare
                            middelen.</al><al>Belangrijk is de verplichting om nadere regels te stellen over de
                            verdeling van de beschikbare bedragen. Er zijn twee mogelijkheden. De
                            meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme op volgorde van
                            binnenkomst, “wie het eerst komt, het eerst maalt”, waarbij aanvragen in
                            volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag worden behandeld.</al><al>Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget
                            wordt verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge
                            vergelijking van de aanvragen en dat de beste aanvragen voor subsidie in
                            aanmerking komen. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de
                            aanvrager op basis van welke criteria de aanvragen worden getoetst en in
                            rangorde worden gezet. De criteria, waaraan een aanvraag wordt getoetst,
                            dienen zoveel mogelijk eenduidig te zijn. Ook is het aan te bevelen dat
                            deze regels uniform gelden over alle beleidsterreinen. De gemeente
                            Utrecht heeft bijvoorbeeld als algemene lijn, dat subsidieaanvragen
                            worden beoordeeld op basis van twee criteria: de bijdrage aan
                            gemeentelijke subsidiedoelstellingen en de prijs-/kwaliteitverhouding.
                            Alleen indien het voor het specifieke beleidsterrein noodzakelijk is,
                            kunnen hier andere criteria aan worden toegevoegd. Let op: deze criteria
                            dienen bij het publiceren van de subsidieplafonds bekend te worden
                            gemaakt, niet later. Nogmaals, de criteria worden zo helder mogelijk
                            geformuleerd; toepassing ervan mag niet leiden tot willekeur.
                            Bijvoorbeeld door gebruik van rangschikking met behulp van
                            puntentelling.</al><al>Voorbeelden van prioritering met punten:</al><al>Het college rangschikt alle aanvragen, die voor subsidie in aanmerking
                            komen, zodanig dat een activiteit hoger gerangschikt wordt naarmate de
                            activiteit naar het oordeel van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>doelmatiger of doeltreffender is door een groter effect in
                                    aantal bereikte personen (max. 6 p);</al></li><li nr="b."><al>in verhouding tot de kosten van de activiteiten een grotere
                                    bijdrage levert aan de verbetering van …. uitgedrukt in … (max.
                                    5 p);</al></li><li nr="c."><al>betrekking heeft op beide speerpunten (max. 4 p);</al></li><li nr="d."><al>meer perspectief biedt voor brede toepassing van anderen dan de
                                    subsidieontvanger (max. 2 p).</al></li></lijst><al>Of</al><al>Het college rangschikt de aanvragen op een prioriteitenlijst, zodanig
                            dat een project hoger genoteerd wordt:</al><al>naarmate er bij het project meer partijen betrokken zijn;</al><al>naarmate de aanvrager kan garanderen dat het project gedurende meerdere
                            jaren verzekerd is van een plaats in het activiteitenprogramma van de
                            instelling;</al><al>naarmate naar het oordeel van het college de activiteiten zich richten
                            op een vernieuwend aanbod.</al><al>Een voorbeeld van het systeem ‘wie het eerst komt, het eerst
                            maalt’:</al><al>Het college verdeelt het beschikbare bedrag in volgorde van ontvangst
                            van de complete aanvragen. Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5
                            van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt
                            als datum van ontvangst van de aanvraag de dag, waarop de aanvulling is
                            ontvangen door de gemeente.</al><al>Lid 5. Indien wordt gewerkt met een begrotingsvoorbehoud moet er
                            rekening worden gehouden met het feit dat alleen de Rijksoverheid haar
                            begroting direct kan vaststellen. Gemeenten moeten hun begroting
                            voorleggen aan de provincie ter goedkeuring; pas daarna is er sprake van
                            een definitieve begroting en treedt het vierde lid van dit artikel pas
                            in werking.</al><al/><al>Artikel 5. Bij aanvraag in te dienen gegevens</al><al>De gemeente Heumen stuurtvoorgedrukte aanvraagformulieren naar de bij de
                            gemeente bekende instellingen, die gebruik maken van subsidies.. Deze
                            aanvragers hoeven dan vervolgens alleen nog maar na te gaan of de
                            gegevens op het formulier kloppen en de juiste bijlagen toe te voegen.
                            Vervolgens kan het dan heel eenvoudig, ondertekend, retour worden
                            gezonden. Voor nieuwe aanvragers is informatie te vinden op de website
                            met daarbij de contactgegevens voor het opvragen van een
                            aanvraagformulier.Voor een aanvrager moet duidelijk zijn, waarvoor hij
                            subsidie kan aanvragen en op welke manier dit in zijn werk gaat. Van een
                            burger kan niet worden verwacht dat hij een ingewikkelde
                            subsidieverordening volledig zal begrijpen. Daarom is het van belang om
                            als gemeente duidelijk te communiceren door bijvoorbeeld in een brochure
                            of op de gemeentelijke website de informatie op begrijpelijke wijze weer
                            te geven.</al><al>Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag.
                            Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in
                            afdeling 4.1.1. van de Awb. In het tweede lid is bepaald welke gegevens
                            de aanvrager dient te overleggen bij zijn subsidieaanvraag. De
                            bevoegdheid van het college ter zake nadere regels te stellen, is
                            geregeld in lid 4. Het college kan zo desnoods per geval regelen welke
                            gegevens dienen te worden verstrekt, waarbij het uitgangspunt is dat het
                            college dit doet om de administratieve en bestuurlijke lasten voor alle
                            betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden. Zo kan het college
                            bijvoorbeeld bepalen dat voor duidelijk bepaalde categorieën subsidies -
                            bijvoorbeeld zogenaamde ‘waarderingssubsidies’, eenmalige subsidies
                            waaraan geen verantwoordingseisen worden gesteld - met minder dan de
                            standaard te overleggen gegevens bij aanvraag van een subsidie kan
                            worden volstaan.</al><al>In artikel 5, lid 3, worden meer formele eisen gesteld aan instellingen,
                            die voor de eerste maal subsidie aanvragen. Uit de eisen die worden
                            gesteld kan worden opgemaakt subsidie in beginsel wordt verstrekt aan
                            privaatrechtelijke rechtspersonen. Op grond van het vierde lid kan het
                            college, in dien zij dit wenselijk acht, een subsidie verstrekken aan
                            een natuurlijk persoon. </al><al/><al>Artikel 6. Aanvraagtermijn</al><al>Hier worden de termijnen genoemd, waarbinnen aanvragen voor subsidie
                            dienen te zijn ingediend bij het college. In dit artikel wordt slechts
                            een uiterste indiendatum genoemd voor (meer)jaarlijkse subsidies. </al><al>Als een aanvraag na de sluitingsdatum binnenkomt dan het bestuursorgaan
                            de subsidie op grond van het derde lid weigeren. De aanvraag wordt dan
                            afgewezen, nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn
                            zienswijze over de late indiening kenbaar te maken. Reden hiervoor is
                            dat e aanvrager bij weigering vanwege termijnoverschrijding een beroep
                            kan doen op de hardheidsclausule in artikel 17 van de verordening. Het
                            bestuursorgaan zal in dat geval moeten motiveren waarom daarvan geen
                            gebruik kan worden gemaakt.</al><al>Let op: het is niet mogelijk om de te laat ingediende aanvraag buiten
                            behandeling te stellen conform artikel 4:5 van de Awb. Dit artikel is
                            bij termijnoverschrijding niet aan de orde. Artikel 4:5 van de Awb ziet
                            volgens de Kamerstukken alleen op gevallen waarin de aanvraag niet
                            alleen onvolledig is of niet voldoet aan een uitdrukkelijk wettelijk
                            voorschrift, maar waarin de gebreken ook nog herstelbaar zijn. Dat is
                            bij een gewone termijnoverschrijding uiteraard niet het geval.</al><al/><al>Artikel 7. Beslistermijn</al><al>Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te
                            beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte
                            beslistermijnen op een aanvraag om subsidie</al><al>Nu de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 oktober
                            2009 in werking is getreden, bestaat het risico dat bestuursorganen, die
                            zich niet aan de door zichzelf gestelde termijnen houden, met een
                            dwangsom kunnen worden geconfronteerd. In gevallen, waarin de
                            behandeling van aanvragen (denk aan complexe, omvangrijke subsidies,
                            zoals voor het bouwen van een gebouw en dergelijke) zeker meer tijd zal
                            vergen dan de hiervoor genoemde termijnen, ligt het voor de hand in
                            nadere regels te bepalen hoe en onder welke voorwaarden het risico van
                            de overschrijding van termijnen kan worden beperkt. Onder omstandigheden
                            kan het college zich een termijn van een half jaar gunnen om tot een
                            beslissing te komen. Gezien de complexiteit van bepaalde
                            subsidieaanvragen en de daarmee gemoeide gelden en nagestreefde
                            beleidsdoelen is de termijn genoemd in artikel 7 van de verordening
                            verdedigbaar. Gelet op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                            beslissen verdient het echter aanbeveling een voorzienbare lange
                            beslistermijn in een nadere regels vast te leggen.</al><al>De termijnen lijken redelijk royaal. Uitgangspunt moet zijn, dat
                            afhandelen binnen 13 weken de maximale termijn is, in principe wordt de
                            aanvraag zo servicegericht dus zo snel mogelijk afgehandeld.</al><al/><al>Artikel 8. Weigeringsgronden</al><al>De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb,
                            worden hier met een nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden
                            grond aangevuld. </al><al/><al>Artikel 9. Verlening subsidie</al><al>Ingevolge het eerste lid geeft het college al in het besluit tot
                            verlening van de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de
                            ontvangen subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat
                            degene, aan wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is
                            aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij dient te voldoen. In
                            het tweede lid is geregeld dat het college de ontvanger verplichtingen
                            kan opleggen.</al><al>Bij veel, veelal kleinere subsidies zal het stellen van verplichtingen
                            bij de toekenning niet noodzakelijk zijn. In die gevallen kan het
                            college daarvan eenvoudig afzien. In gevallen, dat het college van
                            oordeel is dat redelijkerwijs nadere verplichtingen dienen te worden
                            gesteld, zal dit veelal op de subsidieontvanger en de door hem te
                            ondernemen activiteiten toegesneden verplichtingen zijn. Een uitputtende
                            opsomming in de verordening van alle mogelijke aan een subsidiënt op te
                            leggen verplichtingen komt de overzichtelijkheid, noch de doelmatigheid
                            van de verordening ten goede. Een bij de beschikking verstrekte bijlage,
                            waarin de verplichtingen zijn opgenomen, is overzichtelijk en
                            klantvriendelijk. In artikel 4:37 Awb staan de standaardverplichtingen
                            vermeld welke het college bij de beschikking tot subsidieverlening aan
                            de subsidieontvanger kan opleggen. Er kan maatwerk worden gevonden door
                            een differentiatie te maken tussen verplichtingen, die worden gesteld
                            aan eenmalige subsidies, en jaarlijkse (boekjaar)subsidies. Voor een
                            selectie uit de verplichtingen, die te stellen zijn bij het verlenen van
                            de jaarlijkse subsidies; zie ook titel 4.2.8 Awb. Denk hier ook aan
                            deregulering.</al><al>Bij de in het tweede lid van artikel 10 te stellen verplichtingen kan
                            worden gedacht aan bijvoorbeeld het verzekeren van de zaken, die voor de
                            uitvoering van de gesubsidieerde activiteit noodzakelijk zijn, de
                            arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de subsidieontvanger,
                            reservevorming, het bestuur, het aanstellen van toezichthouders, de
                            inrichting van de administratie en de benodigde toestemming van het
                            college voor het aangaan van rechtshandelingen als bedoeld in artikel
                            4:71 Awb.</al><al>Het is van belang voor de verantwoording, dat op een heldere manier
                            wordt aangegeven wat met de verlening van de subsidie wordt verlangd.
                            Oftewel: welke indicatoren leiden tot beantwoording van de vraag of de
                            prestatie is geleverd. Als de prestatieverlening te gedetailleerd is
                            geformuleerd, kunnen er onbedoeld problemen ontstaan bij de
                            verantwoording, bijvoorbeeld als er subsidie wordt gegeven voor een
                            natuurlijke erfafscheiding. De subsidieontvanger heeft in zijn plan
                            aangegeven daartoe 50 bomen te willen planten. De erfafscheiding is
                            gerealiseerd; alleen zijn er twee bomen overleden. Afhankelijk van de
                            formulering van de prestatie kan er discussie ontstaan of dit gevolgen
                            heeft voor de subsidievaststelling.</al><al/><al>Artikel 10. Meldingsplicht</al><al>De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer
                            vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard
                            verantwoording afleggen bij subsidies tot 15.000 euro, het vragen van
                            minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting.</al><al>De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop)
                            te melden bij de gemeente als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde
                            activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan
                            verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de
                            subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken
                            worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld
                            het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het
                            niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht
                            blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de
                            subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en
                            behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de
                            subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele subsidiebedrag, kan in
                            zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik
                            maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt aan de
                            onderhavige subsidieverordening.</al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na
                            vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de
                            belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van
                            de verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning
                            uit te voeren.</al><al/><al>Artikel 11. Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</al><al>In artikel 11 zijn de overige verplichtingen van de ontvanger van de
                            subsidie opgenomen, als ook de plicht belangrijke wijzigingen te melden
                            aan het college. Overigens moet “schriftelijk” hier niet al te
                            letterlijk worden opgevat; een melding per e-mail kan ook voldoende
                            zijn. Niets belet de gemeente om bij twijfel direct contact op te nemen
                            met de subsidieontvanger en om nadere stukken te vragen.</al><al/><al>Artikel 12. Verantwoording subsidies tot 15.000 euro</al><al>Kenmerkend voor subsidies tot 15.000 euro is dat een vast bedrag (lump
                            sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard
                            verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De
                            subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling
                            (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de
                            subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al>In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden
                            de bewijsstukken van de prestatie direct met de aanvraag meegestuurd.
                            Ook indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel
                            a worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de
                            aard van de subsidie en risicoafweging van de subsidieverstrekker.
                            Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk, maar leidt
                            alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering.</al><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste
                            lid, onderdeel b), wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de
                            gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt
                            vervolgens, binnen 13 weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk
                            moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld door de
                            subsidieverstrekker. De ambtshalve vaststelling zal in de praktijk
                            veelal al vóór het verstrijken van de termijn gebeuren, namelijk als het
                            vanuit oogpunt van een efficiënte werkwijze wenselijk wordt geacht, dat
                            dergelijke vaststellingsbeschikkingen op een vaste datum worden genomen.
                            Wel dient de gemeente binnen een beperkte termijn, hier is gekozen voor
                            13 weken na afloop van de activiteit, te reageren.</al><al>Door te kiezen voor het systeem van ambtshalve vaststelling is er
                            juridisch meer mogelijkheid om op te treden, indien de gemeente bemerkt
                            dat de activiteit niet (geheel) is gerealiseerd. De subsidie is immers
                            niet bij verstrekking reeds vastgesteld. De subsidieontvanger dient,
                            desgevraagd, op een door het college in de beschikking aangegeven wijze,
                            aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn
                            verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen. De subsidieverstrekker zal steekproefsgewijs van deze
                            bevoegdheid gebruik maken.</al><al>Tip: Neem in de subsidiebeschikking altijd een datum op wanneer de
                            activiteit wordt geacht te zijn verricht of voltooid en koppel deze aan
                            een exacte datum (dertien weken erna) voor de indiening van de
                            vaststelling. De datum van voltooiing van de activiteit is namelijk niet
                            bij alle subsidieaanvragen concreet benoemd.</al><al/><al>Artikel 13. Verantwoording subsidies vanaf 15.000 tot 25.000 euro</al><al>In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidiënt de aan hem
                            verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Ingevolge
                            artikel 10, eerste lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het
                            besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend
                            gemaakt.</al><al>Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de
                            activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij
                            zal vooraf door de subsidieverstrekker al moeten zijn aangegeven op
                            welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij
                            verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en
                            activiteitenverslagen, een managementverklaring, een
                            deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een
                            publicatie) enz.</al><al>Ook hier kan het college bepalen dat bepaalde categorieën van subsidies,
                            dan wel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hun
                            verleende subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan
                            subsidies van een beperkte omvang of subsidies, die aan een vertrouwde
                            ontvanger worden verstrekt, dan wel subsidies die voor een doel worden
                            aangewend, dat nadere verantwoording van de besteding van het geld
                            overbodig maakt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan de huurkosten
                            van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt dan
                            immers al uit het feit, dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de
                            subsidieontvanger.</al><al>Ingevolge het derde lid kan het college bepalen dat het voor de
                            verantwoording daarvan andere stukken en bewijzen verlangt dan
                            gebruikelijk en uit hoofde van de gewone bedrijfsvoering van de
                            subsidieontvanger al worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen,
                            die rechtspersonen uit hoofde van de wet al dienen op te stellen en die
                            natuurlijk naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende
                            rechtspersoon verschillen.</al><al>Waar het hier uiteraard om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers
                            speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan
                            zij gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam
                            blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel, waarvoor
                            de subsidie werd verstrekt. Een mogelijkheid is dan ook nog, dat in de
                            Algemene subsidieverordening een bepaling wordt opgenomen, dat een
                            subsidiedeclaratie achterwege kan blijven, indien de daarmee te verlenen
                            informatie reeds in de in te zenden jaarrekening is opgenomen.</al><al>Voor kleinere subsidies (denk aan een speeltoestel) is de mogelijkheid
                            geopend in het derde lid voor het college om andere bewijsmiddelen te
                            verlangen dan de gebruikelijke. Zo zou in het geval van een speeltoestel
                            kunnen worden volstaan met het mailen van een foto daarvan of iets
                            dergelijks.</al><al/><al>Artikel 14. Verantwoording subsidies vanaf 25.000 euro</al><al>Bij subsidies van 25.000 euro of meer wordt uitgegaan van de
                            traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van
                            gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt -
                            tenzij de voorschriften voor subsidies tot 25.000 euro worden toegepast
                            - plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten.
                            Bij de financiële verantwoording mag de subsidieverstrekker een door een
                            accountant opgesteld stuk vragen. Het is echter niet verplicht daar in
                            alle gevallen om te vragen. Zekerheid kan ook worden verkregen door
                            steekproefsgewijze controles van de uitvoeringsinstanties of door
                            verantwoording in de jaarrekening van een instelling.</al><al>Indien er wordt gekozen voor het opvragen van een accountantsverklaring,
                            is het van belang dat de gemeente en de subsidieontvanger vooraf goede
                            afspraken maken over de wijze van verantwoorden en over de aspecten, die
                            in de controle worden betrokken. </al><al>In de gemeente Heumen hanteren wij een samenstellingsverklaring en een
                            goedkeurende accountantsverklaring. Hieronder wordt verstaan:</al><al>De accountant die een samenstellingsverklaring afgeeft, heeft de
                            jaarrekening opgesteld maar niet gecontroleerd. De opdrachtgever is hier
                            geheel verantwoordelijk voor de juistheid van de cijfers.</al><al>Een accountantsverklaring is een verklaring van een registeraccountant
                            of een certificerend accountant-administratieconsulent over (meestal)
                            een jaarrekening. Soms gaat het om een andere financiële verantwoording.
                            De accountant stelt een accountantsverklaring op naar aanleiding van
                            zijn onderzoek naar de financiële informatie afkomstig van een
                            onderneming die controleplichtig is. Zo’n onderzoek kan vier soorten
                            accountantsverklaringen opleveren, te weten:</al><al>Afkeurende accountantsverklaring (wezenlijke bedenking).</al><al>Goedkeurende accountantsverklaring.</al><al>Oordeelonthouding (als er wezenlijke onzekerheden zijn).</al><al>Accountantsverklaring met beperking (materiële bedenking of
                            onzekerheid)</al><al>In de artikelen 13, 14 en 15 is een ander regime voor de verantwoording
                            van subsidies opgenomen. Hiermee is aansluiting gezocht bij de nota
                            ‘Kaderbeheer financieel beheer rijkssubsidies’ in die zin, dat de wijze
                            van verantwoording afhankelijk is gemaakt van de hoogte van de
                            subsidies.</al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting wordt in lid 3 van de artikelen
                            14 en 15 geregeld dat ook alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen
                            worden gevraagd. Daarmee geven wij invulling aan het uitgangspunt, dat
                            de verantwoordingslasten in verhouding moeten zijn met de hoogte van het
                            subsidiebedrag.</al><al/><al>Artikel 15. Vaststelling subsidie</al><al>In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter
                            zake van de vaststelling van de subsidie. Lid 4 is een nadere uitwerking
                            van artikel 4:44, lid 3 Awb.</al><al>Ingevolge het derde lid kan het college, naast deze Algemene
                            subsidieregeling, categorieën van subsidies of subsidieontvangers
                            aanwijzen voor wie de subsidie wordt vastgesteld zonder dat hiervoor
                            door de subsidieontvanger een aanvraag moet worden ingediend. Hierdoor
                            kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de
                            subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al>Het lager vaststellen van de subsidie is niet meer opgenomen in de ASV
                            omdat de wettelijke grondslag hiervoor geregeld is in artikel 4:46 van
                            de Awb.</al><al/><al>Artikel 16. Hardheidsclausule</al><al>In de hardheidsclausule is zo concreet en nauwkeurig mogelijk (dus door
                            het benoemen van de specifieke artikelen) aangegeven op welke onderdelen
                            van de regeling deze clausule van toepassing is. De te treffen
                            voorziening, die niet in de verordening is voorzien, dient altijd binnen
                            de doelstellingen van de subsidie te passen. De toepassing van de
                            hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele gevallen.
                            Zodra de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen
                            voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor en bestendig karakter heeft
                            gekregen, dient dit beleid in de Algemene subsidieverordening of
                            deelverordening te worden neergelegd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>