<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR306619_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Blaricum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hei en wei 19-7-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 18, lid 1, 2 en 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel b en h </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WET WERK EN BIJSTAND">Wet werk en bijstand, art. 9a, lid 12 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-07-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 2013-33-II</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Afstemmingsverordening WWB 2012 en treedt met terugwerkende kracht per 1 januari 2013 in werking.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2019-5140</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Blaricum;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 mei 2013</al><al/><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18
                        lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al> B E S L U I T : </al><al/><al> vast te stellen de Afstemmingsverordening 2013</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (WWB), het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz), de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers (IOAW, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen IOAZ), de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet;</al><al>2. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a. het college: het college van burgemeester en wethouders van
                            Blaricum.</al><al> b. de raad: de gemeenteraad van Blaricum.</al><al> c. de uitkering: bijstand op grond van de WWB, alsmede een uitkering op
                            grond van het Bbz, de IOAW en de IOAZ.</al><al> d. de bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                            artikel 5 onderdeel c WWB, of, voor zover er sprake is van een IOAW of
                            IOAZ uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5
                            IOAW respectievelijk artikel 5 IOAZ.</al><al> e. het benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of tot een
                            te hoog bedrag een beroep op wordt of is gedaan ten gevolge van
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het
                            percentage waarmee de bijstandsnorm wordt verlaagd, het bedrag waarmee
                            de bijstandsnorm wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om
                            af te wijken van een standaard-verlaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><al>1. Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:</al><al> a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al> b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging
                            door het college heeft plaatsgevonden ;of</al><al> c. het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al><al> 2. Indien het college afziet van het opleggen of uitvoeren van een
                            verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende
                            daarvan schriftelijk mededeling gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van de verlaging</titel></kop><al>1. De ingangsdatum van de verlaging is met ingang van de eerst volgende
                            kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen
                            van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                            uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, voor zover de bijstandsnorm nog niet is
                            uitbetaald en de ingangsdatum van de verlaging niet voor de te
                            sanctioneren gedraging komt te liggen.</al><al> 3. Indien geen verlaging opgelegd of uitgevoerd kan worden omdat de
                            uitkering wordt beëindigd, kan alsnog een verlaging worden opgelegd of
                            uitgevoerd indien de belanghebbende binnen een termijn van een jaar
                            opnieuw recht heeft op een uitkering op grond van de WWB, het Bbz, de
                            IOAW of de IOAZ.</al><al> 4. In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                            betreft die een uitkering voor het levens-onderhoud in de vorm van een
                            geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de verlaging met
                            terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling
                            van de bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>1. De verlaging wordt toegepast op de voor de belanghebbende van
                            toepassing zijnde bijstandsnorm.</al><al> 2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                            toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><al> a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing
                            van artikel 12 WWB; of</al><al> b de verwijtbare gedraging aan belanghebbende in relatie met zijn recht
                            op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al><al> 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                            hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening “bijstandsnorm” worden gelezen
                            als “bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 WWB verleende
                            bijstand”.</al><al> 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                            hoofdstukken 2 en 3 “bijstandsnorm” worden gelezen als “de verleende
                            bijzondere bijstand”. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Horen van de belanghebbende</titel></kop><al>1. Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheid gesteld zijn ziens-wijze naar voren te brengen.</al><al> 2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                            indien:</al><al> a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al> b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                            zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden hebben voorgedaan; </al><al> c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                            ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid;</al><al> d. de verlaging wordt opgelegd wegens ernstige misdragingen als bedoeld
                            in artikel 13 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>1. De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                            zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                            verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                            gedraging van dezelfde of hogere categorie.</al><al> 2. Indien een belanghebbende zich, na een besluit als bedoeld in het
                            eerste lid, wederom schuldig maakt aan een of meerdere verwijtbare
                            gedragingen zoals genoemd in artikel 9, 11,12, of 13 van deze
                            verordening, en die plaatsvinden binnen een periode van 24 maanden na
                            het laatste recidivebesluit, kan het college al individualiserend de
                            hoogte en de duur van de toe te passen verlaging vaststellen.</al><al> 3. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                            gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende
                            redenen, bedoeld in artikel 3, tweede lid van de verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>1. Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                            meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één
                            verlaging opgelegd.</al><al> 2 Indien voor schending van die verplichtingen verlagingen van
                            verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste verlaging opgelegd.</al><al> 3. Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                            van één of meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt
                            voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze
                            verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 3,
                            tweede lid, van deze verordening niet verantwoord is.</al><al> 4. Indien het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid,
                            IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de
                            gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze
                            verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging
                            ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>NIET OF ONVOLDOENDE NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN MET
                            BETREKKING TOT DE ARBEIDSINSCHAKELING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al> Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet worden behouden of één van de verplichtingen op grond van
                            artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37
                            IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ niet of
                            onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën: </al><al>1. Eerste categorie:</al><al> het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV
                            werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; </al><al> 2. Tweede categorie:</al><al> a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen;</al><al> b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeids-inschakeling;</al><al> c. het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een
                            plan zoals bedoeld in artikel 44a van de WWB, indien van
                            toepassing;</al><al> d. het uit houding in gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                            verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b WWB
                            respectievelijk artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAW en artikel 37,
                            eerste lid, onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid
                            tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                            alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid, WWB
                            respectievelijk 38, eerste lid, IOAW en artikel 38, eerste lid,
                            IOAZ.</al><al> e. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel
                            b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAW en artikel 36, eerste lid, IOAZ
                            en artikel 37, eerste lid, onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft
                            geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van
                            die voorziening;</al><al> f. het onvoldoende nakomen van de verplichting zoals bedoeld in artikel
                            9, eerste lid, WWB of artikel 55 WWB, voor zover het gaat om een persoon
                            jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in
                            artikel 43, vierde en vijfde lid, WWB.</al><al> g. het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit ’s rijks
                            kas bekostigd onderwijs te onder-zoeken gedurende de termijn, genoemd in
                            artikel 41, vierde lid, van de wet.</al><al> 3. Derde categorie:</al><al> a. gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al><al> b. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in
                            artikel 9, eerste lid onderdeel b WWB en artikel 10, eerste lid, WWB
                            respectievelijk artikel 36, eerste lid, IOAW en artikel 37, eerste lid,
                            onderdeel e IOAW en artikel 36, eerste lid, IOAZ en artikel 37, eerste
                            lid, onderdeel e IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang
                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al><al> c. het niet of niet voldoende verrichten van een door het college
                            opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9,
                            eerste lid, onderdeel c WWB, artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAW of
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel f, IOAZ;</al><al> 4. Vierde categorie:</al><al> a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al> b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>1. De verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 9, wordt
                            vastgesteld op:</al><al> a. vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de eerste categorie;</al><al> b. tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de tweede categorie;</al><al> c. vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de derde categorie;</al><al> d. honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                            gedragingen van de vierde categorie</al><al> 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a van dit
                            artikel kan worden volstaan wordt met het geven van een schriftelijke
                            waarschuwing, tenzij het niet of niet tijdig nakomen van de verplichting
                            plaatsvindt binnen een periode van 24 maanden gerekend vanaf de datum
                            waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is
                            gegeven.</al><al> 3. Met de in het vorige lid genoemde datum wordt bedoeld de datum
                            waarop de schriftelijke waarschuwing is verzonden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al> 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18, tweede
                            lid WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                            als bedoeld in artikel 9 van deze verordening of het geen beroep kunnen
                            doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening in verband
                            met verrekening met een bestuurlijke boete, wordt vastgesteld op:</al><al> a. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                            benadelingsbedrag tot € 5.000,--;</al><al> b. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een
                            benadelingsbedrag vanaf € 5.000,-- tot € 10.000,--;</al><al> c. Honderd procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een
                            benadelingsbedrag vanaf € 10.000,--;</al><al> 2. Indien sprake is van een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid in relatie met het recht op bijzondere bijstand van
                            een belanghebbende, wordt de verlaging vastgesteld op het
                            benadelingsbedrag.</al><al> 3. Indien belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende
                            en toereikende voorliggende voorziening, omdat deze wordt verrekend met
                            een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van
                            de inlichtingenplicht, wordt een maatregel opgelegd van honderd procent
                            gedurende de eerste drie maanden van de bijstandsverlening gerekend
                            vanaf de start van de verrekening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al> Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB niet of onvoldoende nakomt,
                            wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</al><al> a. twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                            niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen die strekken tot
                            arbeidsinschakeling;</al><al> b. twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                            niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen, die verband houden met
                            de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al><al> c. veertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                            niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen, die strekken tot
                            vermindering van de bijstand;</al><al> d. honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het
                            niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                            beëindiging van de bijstand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zeer zich ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, personeel van het UWV werkbedrijf of door de
                            gemeente ingehuurde derden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                            houden met de uitvoering van de WWB, het Bbz, de uitvoering van de IOAW
                            en de IOAZ wordt een verlaging opgelegd van honderd procent van de
                            bijstandsnorm gedurende een maand</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking, onder gelijktijdige intrekking van
                            de Afstemmingsverordening WWB 2012, op de 8e dag na bekendmaking en
                            werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening 2013.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad in zijn openbare vergadering van 25 juni 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>P.C.M. de Groot mevrouw J.N. de Zwart-Bloch</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Blaricum/i230336.pdf">Algemene toelichting afstemmingsverordening 2013</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>