<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR306269_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cuijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maasdriehoek 11 december 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.1:CVDR305833_1">Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk 2012</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van Cuijk;</al><al/><al>gelet op de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                        gemeente Cuijk 2012</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is nadere regels te stellen voor het
                        verlenen van voorzieningen op het gebied van maatschappelijke
                        ondersteuning;</al><al/><al>Besluiten vast te stellen het </al><al/><al><vet>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk
                            2012</vet></al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsomschrijvingen:</titel></kop><structuurtekst><al/><al>1. <cursief>Wet:</cursief> wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al/><al>2. <cursief>College: </cursief>college van burgemeester en
                            wethouders.</al><al/><al> 3.<cursief>Verordening:</cursief> verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk 2012.</al><al/><al><cursief> 4. Persoon met beperkingen:</cursief> een persoon die ten
                            gevolge van een beperking en/of chronische psychische en psychosociale
                            problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij de normale deelname
                            aan het maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                            huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om de
                            woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt
                            gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen;
                            het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van
                            sociale verbanden. </al><al/><al><cursief>5. Belanghebbende: </cursief>een persoon die voor zichzelf, of
                            met behulp van een machtiging door een ander, een aanmelding of een
                            aanvraag doet.</al><al/><al><cursief> 6. Individuele voorziening: </cursief>een voorziening die door
                            het college ten behoeve van één persoon op basis van artikel 4 van de
                            Wet wordt verstrekt. </al><al/><al><cursief> 7. Voorziening in natura:</cursief> een voorziening in te
                            zetten om het resultaat te bereiken, in de vorm van goederen in (bruik-)
                            leen of in eigendom, of als persoonlijke dienstverlening.</al><al/><al>8. <cursief>Financiële tegemoetkoming: </cursief>een geldbedrag, al dan
                            niet afgestemd op de situatie van belanghebbende, dan wel forfaitair of
                            gemaximeerd, bedoeld om een voorziening aan te schaffen voor het te
                            bereiken resultaat.</al><al/><al>9. <cursief>Persoonsgebonden budget: </cursief>een geldbedrag om te
                            gebruiken voor het te bereiken resultaat, als alternatief voor een
                            voorziening in natura.</al><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Vormen van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Diverse individuele voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Individuele voorzieningen kunnen op grond van de Verordening als
                                voorzieningen in natura, als financiële tegemoetkoming of als
                                persoonsgebonden budget (Pgb) worden verstrekt. </al><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Individuele voorzieningen die in natura verstrekt kunnen worden
                                betreffen:</al><lijst><li nr="a."><al>Hulp bij het huishouden;</al></li><li nr="b."><al>Hulp- en vervoermiddelen;</al></li><li nr="c."><al>Rolstoelen;</al></li><li nr="d."><al>Woonvoorzieningen.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De individuele voorziening in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming kan bestaan uit een afgestemd bedrag, dan wel een
                                gemaximeerde forfaitaire bijdrage.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Kostensoorten die voor een financiële tegemoetkoming in de vorm van
                                een gemaximeerde forfaitaire bijdrage in aanmerking komen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuis- en inrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>sportrolstoel.</al></li></lijst><al/><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Verantwoording van de financiële tegemoetkoming dient als volgt
                                plaats te vinden:</al><lijst><li nr="a"><al>Bij de verstrekking van een afgestemd bedrag, zoals bedoeld
                                        in lid 3, dient de belanghebbende uiterlijk binnen 2 maanden
                                        nadat het bedrag verstrekt is, verantwoording aan het
                                        college af te leggen door het overleggen van
                                        betalingsbewijzen;</al></li><li nr="b."><al>In afwijking van het onder a gestelde dient in geval van
                                        verstrekking van een afgestemd bedrag voor een
                                        woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing, de
                                        belanghebbende verantwoording aan het college af te leggen
                                        door terstond na realisatie van de woningaanpassing, maar
                                        uiterlijk binnen 15 maanden na toestemming, gespecificeerde
                                        facturen te overleggen. </al></li><li nr="c."><al>Bij de verstrekking van een gemaximeerde bijdrage, zoals
                                        bedoeld in lid 4 sub b dient belanghebbende uiterlijk binnen
                                        2 maanden nadat het bedrag verstrekt is, verantwoording aan
                                        het college af te leggen door het overleggen van
                                        betalingsbewijzen.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Individuele voorziening in de vorm van een Persoonsgebonden
                                budget (Pgb)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de verstrekking van een individuele voorziening heeft
                                belanghebbende de keuze tussen een voorziening in natura of een
                                persoonsgebonden budget (Pgb). </al><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een Pgb kan worden verstrekt voor: </al><lijst><li nr=""><al>hulp bij het huishouden </al></li><li nr=""><al>een hulp- of vervoermiddel</al></li><li nr=""><al>een rolstoel</al></li><li nr=""><al>een woonvoorziening</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Regels rond verstrekking van het Persoonsgebonden budget </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm
                                van een persoonsgebonden budget (Pgb) vindt plaats op verzoek van de
                                belanghebbende.</al><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een Pgb wordt alleen verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de belanghebbende die recht heeft op een individuele
                                        voorziening;</al></li><li nr="b."><al>voor een individuele voorziening waarvoor ook een natura
                                        verstrekking mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>indien hiertegen geen overwegende bezwaren bestaan.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een Pgb wordt niet verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college belanghebbende gelet
                                        op in de persoon gelegen factoren, niet in staat is het
                                        budget op een verantwoorde wijze te beheren.</al></li><li nr="b."><al>indien belanghebbende in staat van faillissement verkeert
                                        als bedoeld in de Faillissementswet;</al></li><li nr="c."><al>indien belanghebbende twee of meer schulden heeft waarvoor
                                        geen betalingsregeling is getroffen;</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende wegens schuldenproblematiek wordt begeleid
                                        door een dienstverlenende instantie op het terrein van de
                                        Schuldhulpverlening;</al></li><li nr="e."><al>indien door de rechter ten aanzien van belanghebbende een
                                        schuldsanering is vastgesteld op grond van de Wet
                                        Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP);</al></li><li nr="f."><al>belanghebbende onder curatele is gesteld, tenzij de curator
                                        zich bereid verklaart het persoonsgebonden budget te
                                        beheren;</al></li><li nr="g."><al>indien de goederen van belanghebbende onder bewind zijn
                                        gesteld, tenzij de bewindvoerder zich bereid verklaart het
                                        persoonsgebonden budget te beheren;</al></li><li nr="h."><al>indien op grond van een onderzoek duidelijk is geworden het
                                        ernstige vermoeden bestaat dat de belanghebbende het Pgb
                                        niet besteedt aan datgene waarvoor het bestemd is;</al></li><li nr="i."><al>ten aanzien van een belanghebbende van wie misbruik of
                                        oneigenlijk gebruik van het persoonsgebonden budget is
                                        vastgesteld.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een Pgb wordt geweigerd, maar overigens aan de criteria voor
                                een individuele voorziening is voldaan, wordt een voorziening in
                                natura verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De omvang van het Pgb is gelijk aan de werkelijke kosten van die
                                voorziening, doch niet hoger dan de tegenwaarde van de in de
                                betreffende situatie goedkoopst adequate compenserende te
                                verstrekken voorziening in natura. </al><al/><al/></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget (Pgb) wordt in de beschikking in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor welk te bereiken resultaat het Pgb gebruikt wordt,
                                        eventueel aangevuld met een program van eisen waaraan bij de
                                        besteding voldaan moet worden;</al></li><li nr="b."><al>Wat de omvang van het Pgb is en hoe deze tot stand is
                                        gekomen;</al></li><li nr="c."><al>De voorwaarden voor uitbetaling van het Pgb en de wijze van
                                        uitbetaling daarvan;</al></li><li nr="d."><al>Wat de duur van de verstrekking is waarvoor het Pgb bedoeld
                                        is;</al><al/></li><li nr="e."><al>Welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van de
                                        besteding van het Pgb.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verantwoording van Pgb bij aanschaf van een voorziening en
                                woningaanpassing </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een Pgb wordt aangewend voor de koop van een voorziening dient
                                belanghebbende (budgethouder) uiterlijk binnen 2 maanden nadat het
                                Pgb is verstrekt verantwoording aan het college af te leggen door
                                bewijsstukken te overleggen over de besteding van het
                                persoonsgebonden budget. De bewijsstukken dienen op naam van de
                                belanghebbende (budgethouder) te zijn gesteld en duidelijk aan te
                                geven op welke voorziening deze betrekking hebben.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een Pgb wordt aangewend voor een woonvoorziening, bestaande uit
                                een aanpassing van (niet-) bouwkundige of woontechnische aard van de
                                woning, dient belanghebbende (budgethouder) als volgt verantwoording
                                af te leggen aan het college:</al><lijst><li nr="a."><al>Na de voltooiing van de werkzaamheden, maar uiterlijk binnen
                                        15 maanden na het verlenen van het toekenningbesluit,
                                        verklaart de woningeigenaar aan het college dat de bedoelde
                                        werkzaamheden zijn voltooid. Deze gereed melding zal
                                        vergezeld gaan van een verklaring, dat bij het treffen van
                                        de woningaanpassing is voldaan aan de voorwaarden waaronder
                                        het Pgb is verleend;</al></li><li nr="b."><al>De gereed melding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                        uitbetaling van het definitieve bedrag van het Pgb;</al></li><li nr="c."><al>De vergoeding in de kosten wordt uitbetaald aan de eigenaar
                                        van de woonruimte;</al></li><li nr="d."><al>Degene aan wie het Pgb ten behoeve van de woningaanpassing
                                        wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar
                                        alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de
                                        werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</al></li></lijst><al/><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voldoet de budgethouder niet of onvoldoende aan de in lid 1 en 2
                                vermelde verantwoordingsplicht dan kan het college het recht op het
                                Pgb opschorten. </al><al>In afwachting van een nader onderzoek naar de besteding van het Pgb
                                worden vanaf het moment van de opschorting geen betalingen meer
                                verricht.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na ontvangst van de in lid 1 en 2 bedoelde bewijsstukken wordt door
                                het college beoordeeld of het Pgb besteedt is voor het doel waarvoor
                                het is verstrekt. </al><al>Indien blijkt dat het Pgb niet besteedt is voor het doel waarvoor
                                het verstrekt is, wordt het Pgb geheel of ten dele teruggevorderd of
                                verrekend. Het besluit waarbij het Pgb is toegekend wordt in dat
                                geval geheel of gedeeltelijk ingetrokken. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verantwoording van Pgb bij de hulp bij het huishouden. </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het Pgb wordt aangewend voor hulp bij het huishouden dient de
                                belanghebbende (budgethouder) uiterlijk binnen 3 maanden na het
                                verstrijken van het kalenderjaar waarin het Pgb is verstrekt,
                                verantwoording af te leggen aan het college via een daartoe bestemd
                                verantwoordingsformulier. Belanghebbende (budgethouder) dient
                                hierbij in ieder geval de volgende stukken te kunnenoverleggen:</al><lijst><li nr="*"><al>kopieën van de betalingsbewijzen; c.q. relevante
                                        bankafschriften over het desbetreffende kalenderjaar;</al></li><li nr="*"><al>een kopie van de overeenkomst met de hulp of
                                        zorgaanbieder.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verantwoording heeft betrekking op de in de toekenningbeschikking
                                aangegeven besteding van het Pgb. </al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voldoet de belanghebbende (budgethouder) niet of onvoldoende aan de
                                in lid 1 vermelde verantwoordingsplicht dan kan het college het
                                recht op Pgb opschorten en na belanghebbende daartoe tevergeefs
                                aangemaand te hebben, het Pgb geheel of ten dele terugvorderen of
                                verrekenen. Het besluit waarbij het Pgb is toegekend wordt in dat
                                geval geheel of gedeeltelijk ingetrokken. </al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na ontvangst van de in lid 1 bedoelde bewijsstukken wordt door het
                                college beoordeeld of het Pgb besteedt is voor het doel waarvoor het
                                is verstrekt. Indien blijkt dat het Pgb niet besteedt is voor het
                                doel waarvoor het verstrekt is, wordt het Pgb geheel of ten dele
                                teruggevorderd of verrekend. Het besluit waarbij het Pgb is
                                toegekend wordt in dat geval geheel of gedeeltelijk ingetrokken. </al><al/><al/><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk </label><nr>2</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>Hulp bij het huishouden in natura;</al></li></lijst><al> b. Een Persoonsgebonden budget (Pgb) te besteden aan hulp bij het
                                huishouden</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de beoordeling van de aard en de omvang van eventuele aanspraak
                                op hulp bij het huishouden (o.a. in relatie tot gebruikelijke zorg)
                                wordt het Protocol Indicatiestelling Hulp bij het huishouden
                                gemeente Cuijk 2012 gehanteerd.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Vaststelling hoogte Pgb voor hulp bij het huishouden </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van artikel 17 lid 2 van de Verordening wordt de
                                vaststelling van het Pgb voor hulp bij het huishouden afgestemd op
                                het werkelijk aantal geïndiceerde uren en minuten.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vaststelling van het Pgb voor hulp bij het huishouden vindt als
                                volgt plaats. </al><al> Bij inkoop van zorg door de belanghebbende (budgethouder) via:</al><lijst><li nr="a."><al>een particuliere hulp voor uitvoering van een indicatie HH1,
                                        wordt het normbedrag / uurtarief Pgb berekend op basis van
                                        125% van de geldende salarisschaal FWG 15 (met 4
                                        periodieken, en inclusief 8% vakantietoeslag) van de CAO
                                        voor de Verpleeg, Verzorgingshuizen en Thuiszorg Kraam- en
                                        Jeugdgezondheidszorg.</al></li><li nr="b."><al>een particuliere hulp voor uitvoering van een indicatie HH2,
                                        wordt het normbedrag / uurtarief Pgb berekend op basis van
                                        125% van de geldende salarisschaal FWG 20 (met 4 periodieken
                                        en inclusief 8% vakantietoeslag) van de CAO voor de
                                        Verpleeg, Verzorgingshuizen en Thuiszorg Kraam- en
                                        Jeugdgezondheidszorg.</al></li><li nr="c."><al>een erkende zorgaanbieder, wordt het normbedrag Pgb
                                        vastgesteld op het laagste uurtarief dat bij aanbesteding en
                                        gunning aan de zorgaanbieders tot stand is gekomen voor de
                                        betreffende geïndiceerde categorie.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bovengenoemde normbedragen Pgb worden jaarlijks vastgesteld op 1
                                januari op basis van 125% van de dan geldende salarisschalen FWG 15
                                (met 4 periodieken plus 8% vakantietoeslag) en FWG 20 (met 4
                                periodieken plus 8% vakantietoeslag) van de CAO voor de Verpleeg,
                                Verzorgingshuizen en Thuiszorg Kraam- en Jeugdgezondheidszorg. </al><al> De normbedragen gelden vervolgens voor het volledige
                                kalenderjaar.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Woonvoorzieningen in natura of Persoonsgebonden budget </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening kan bestaan uit een voorziening in natura, of
                                een te verstrekken Pgb in de kosten van: </al><lijst><li nr="a."><al>woningaanpassing van (niet-) bouwkundige- of woontechnische
                                        aard</al></li><li nr="b."><al>een uitraasruimte, te betalen aan de eigenaar van de
                                        woonruimte.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een Pgb voor (niet) bouwkundige of (niet) woontechnische
                                woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van
                                de goedkoopst compenserende voorziening.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alleen de kosten van de navolgende bouwkundige- of woontechnische
                                voorzieningen komen voor vergoeding in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten)
                                        voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening
                                        in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post
                                        loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed.</al></li><li nr="b."><al>De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met
                                        inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning-
                                        en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in
                                        zelfwerkzaamheid wordt getroffen dan vervalt de post
                                        loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een
                                        financiële tegemoetkoming in aanmerking.</al></li><li nr="c."><al>Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de
                                        aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het
                                        maximale honorarium als bepaald in SR 1997 van de BNA.
                                        Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een
                                        architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld
                                        worden deze kosten subsidiabel geacht.</al></li><li nr="d."><al>De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit
                                        noodzakelijk is, tot een maximum van 2 procent van de
                                        aanneemsom.</al></li><li nr="e."><al>De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen
                                        van de voorziening.</al></li><li nr="f."><al>De verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare
                                        omzetbelasting.</al></li><li nr="g."><al>De door het college (schriftelijk) goedgekeurde
                                        kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten
                                        redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn.</al></li><li nr="h."><al>De kosten van noodzakelijk technisch onderzoek en voor
                                        advisering over de te treffen aanpassing.</al></li><li nr="i."><al>De kosten van heraansluiting op de openbare
                                        nutsvoorziening.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Financiële tegemoetkoming woonvoorzieningen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in
                                de kosten van: </al><lijst><li nr="a."><al>verhuizing en (her) inrichting;</al></li><li nr="b."><al>tijdelijke huisvesting, te betalen aan de hoofdbewoner van
                                        de woonruimte of de leverancier van de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>huurderving, te betalen aan de eigenaar van de
                                        woonruimte;</al></li><li nr="d."><al>woningsanering, te betalen aan de eigenaar van de
                                        woonruimte</al></li><li nr="e."><al>het bezoekbaar maken van een woning</al></li></lijst><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten als genoemd in
                                artikel 10 lid 5 van de Verordening bedraagt € 5.000,-.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                tijdelijke huisvesting is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten,
                                met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a
                                van de Wet op de Huurtoeslag. </al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                huurderving is gelijk aan de kale huur van de woonruimte, met een
                                maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de
                                Wet op de Huurtoeslag. </al><al/><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De maximale duur gedurende welke een financiële tegemoetkoming, in
                                verband met tijdelijke huisvesting dan wel in verband met derving
                                van huurinkomsten, kan worden verstrekt bedraagt 6 maanden.</al><al/></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Géén financiële tegemoetkoming voor derving van huurinkomsten wordt
                                verstrekt ter zake van huurderving over de 1<sup>e</sup> maand
                                aansluitend aan de datum waarop de huurovereenkomst is verstreken,
                                tenzij anders overeengekomen tussen gemeente en verhuurder.</al><al/></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een vergoeding voor woningsanering wordt alleen verstrekt in die
                                gevallen dat de betreffende te vervangen stoffering nog niet is
                                afgeschreven.</al><al/></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De maximale financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken als
                                genoemd in artikel 10 lid 6 van de Verordening bedraagt € 5.000,-.
                                Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de
                                belanghebbende de woonruimte, de woonkamer, één toilet en de
                                buitenruimte behorende bij het hoofdverblijf kan bereiken.</al><al/><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verstrekking van een vervoermiddel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover belanghebbende gebruik kan maken van een systeem van
                                aanwezig collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur (Cvv)
                                die kan leiden tot het te bereiken resultaat, wordt géén individuele
                                (vervoer) voorziening, verstrekt.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op basis van een onderzoek, met daarin opgenomen een medisch
                                advies, is vastgesteld dat belanghebbende géén gebruik kan maken van
                                een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (Cvv) kan een
                                individuele vervoersvoorziening worden verstrekt</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verstrekking van een vervoersvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="*"><al>de verstrekking van een vervoermiddel in natura</al></li><li nr="*"><al>de verstrekking van een Pgb</al></li><li nr="*"><al>de verstrekking van een financiële tegemoetkoming</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget (Pgb) voor een vervoermiddel wordt
                                vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst
                                compenserende voorziening. Hierbij wordt in principe een gemiddelde
                                afschrijvingstermijn van 7 jaar in acht genomen. Voorts wordt, op
                                declaratiebasis, jaarlijks een financiële tegemoetkoming verstrekt
                                voor de kosten van verzekering, onderhoud en reparatie van het
                                vervoermiddel. </al><al/><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de kosten van
                                verzekering, onderhoud en reparatie, zoals bedoeld in lid 4,
                                bedraagt per jaar maximaal 5% van de (bruto) aanschafwaarde van het
                                vervoermiddel gerekend over de afschrijvingstermijn van </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Gemaximeerde Financiële tegemoetkoming vervoerskosten</titel></kop><al>De gemaximeerde financiële tegemoetkoming voor een individuele
                            vervoersvoorziening voor lokale en regionale verplaatsingen bedraagt €
                            1.100,- per jaar op declaratiebasis met een kilometerprijs van € 0,22
                            tot een maximaal bedrag van € 275,00 per kwartaal.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5</label><nr>5</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Persoonsgebonden budget rolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget (Pgb) voor een rolstoel wordt
                                vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst
                                compenserende voorziening. Hierbij wordt in principe een gemiddelde
                                afschrijvingstermijn van 7 jaar in acht genomen. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarnaast wordt, op declaratiebasis, jaarlijks een financiële
                                tegemoetkoming verstrekt voor de kosten van verzekering, onderhoud
                                en reparatie.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de kosten van
                                verzekering, onderhoud en reparatie bedraagt per jaar maximaal 5%
                                van de (bruto) aanschafwaarde van het vervoermiddel gerekend over de
                                gehele afschrijvingstermijn van 7 jaar. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als een gemaximeerde
                                vastgestelde forfaitaire financiële tegemoetkoming.</al><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze financiële tegemoetkoming bedraagt € 3.000, en is bedoeld als
                                tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor
                                een periode van drie jaar.</al><al/><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de sportrolstoel 3 jaar na verstrekking nog adequaat is, kan
                                op declaratiebasis een forfaitaire tegemoetkoming voor het onderhoud
                                van de sportrolstoel verstrekt worden</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Eigen bijdragen, eigen aandeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Omvang van eigen bijdragen en eigen aandeel </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoon aan wie een individuele voorziening in natura of in de
                                vorm van een persoonsgebonden budget is verleend is een eigen
                                bijdrage verschuldigd.</al><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon aan wie een individuele voorziening in de vorm van een
                                financiële tegemoetkoming is verleend is een eigen aandeel
                                verschuldigd.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 en lid 2 blijft buiten toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening bestaat uit een rolstoel of een
                                        sportrolstoel;</al></li><li nr="b."><al>de voorziening een verhuiskostenvergoeding betreft;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening een vergoeding voor huurderving betreft;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening een financiële tegemoetkoming voor
                                        individueel vervoer per auto betreft;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening een verstrekking van een vervoerspas in het
                                        kader van een systeem van collectief vraagafhankelijk
                                        vervoer (Cvv) betreft.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de eigen bijdrage en het eigen aandeel wordt
                                vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1 lid 1 van het
                                (landelijke) Besluit maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2006, 450;
                                bijgewerkt t/m Staatscourant 2011, nr. 20236) en bedraagt nooit meer
                                dan:</al><lijst><li nr="a."><al>de kostprijs van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van het verstrekte persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>de hoogte van de verstrekte financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst><al/><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De termijn van de inning van de eigen bijdrage is:</al><lijst><li nr="a."><al>39 periodes van 4 weken bij de verstrekking van een roerende
                                        zaak in eigendom;</al></li><li nr="b."><al>39 periodes van 4 weken bij de verstrekking van een
                                        bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning die
                                        in eigendom is van de belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>gelijk aan de verstrekkingduur van een voorziening in
                                        natura;</al></li><li nr="d."><al>gelijk aan de verstrekkingduur van een periodiek
                                        persoonsgebonden budget;</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vaststelling en inning van de eigen bijdrage geschiedt door het
                                Centraal Administratie Kantoor (CAK). </al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verstrekking van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de belanghebbende wordt bij het onderzoek en
                            de advisering voldoende aandacht besteed aan de te bereiken resultaten
                            zoals vermeld in artikel 2 van de Verordening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van dit besluit, indien toepassing van het
                            besluit tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsbepaling </titel></kop><al>Dit Besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na publicatie
                            en werkt terug tot 1 januari 2012.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking Financieel Besluit 2008 </titel></kop><al>Het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk
                            2008 en de Beleidsregels Wet Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente
                            Cuijk 2008 worden ingetrokken met ingang van de eerste dag na publicatie
                            van dit Besluit.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als: </al><al>Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk
                            2012.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de
                        gemeente Cuijk op 4 december 2012</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> Burgemeester en wethouders van Cuijk,</ondertekening><ondertekening> de secretaris, de burgemeester, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>BESLUIT VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE CUIJK
                        2012</titel></kop><al><vet>Inleiding </vet></al><al>Gelet op de kostenontwikkeling binnen de gemeentelijke uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en het Kantelingproces is in december 2011
                    een nieuwe verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning door de
                    Gemeenteraad vastgesteld. Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep d.d. 18 januari 2012 betreffende het (verbod op het) hanteren van
                    inkomensgrenzen in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is deze
                    verordening in juni 2012 gewijzigd en opnieuw vastgesteld. De wijziging ziet
                    overigens alleen op het schrappen van de in de verordening opgenomen bepalingen
                    met betrekking tot het hanteren van inkomensgrenzen. </al><al>In de nieuwe verordening ligt het zwaartepunt op de te behalen resultaten en op
                    het zogenaamde “gesprek”. Dit is een open gesprek waarin samen met de burger die
                    compensatie behoeft een zo volledig mogelijke inventarisatie gemaakt wordt van
                    zijn situatie, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zijn wensen en individuele
                    specifieke kenmerken en de problemen die om een oplossing vragen. Op basis
                    hiervan wordt nagegaan welke mogelijkheden er zijn om een resultaat te bereiken
                    met oplossingen die al voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden, (wettelijk)
                    voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen en/of collectieve voorzieningen. Daarna wordt duidelijk op welke
                    punten nog individuele voorzieningen nodig zijn. </al><al/><al>Omdat de nieuwe verordening qua vorm en inhoud ingrijpend gewijzigd is, dient
                    ook het “Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk 2008”
                    aangepast te worden. Dit Besluit betreft immers een nadere uitwerking van de in
                    de verordening opgenomen algemene kaders. In het Besluit zijn vooral regels
                    opgenomen over de vormen van de te verstrekken individuele voorzieningen, de
                    financiële tegemoetkoming, het Persoongebonden budget (Pgb), alsmede de
                    verantwoording daarvan en de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel. </al><al/><al><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Hierin wordt een nadere omschrijving gegeven van de in het Besluit gebruikte
                    begrippen. De omschrijving van de diverse begrippen sluit overigens aan bij die
                    van de verordening. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Vormen van de te ver</vet>strekken individuele voorzieningen </al><al/><al>In dit hoofdstuk wordt ingegaan op welke wijze individuele voorzieningen
                    verstrekt kunnen worden. De Wmo kent diverse vormen van verstrekking van
                    voorzieningen om het beoogde resultaat te bereiken.</al><lijst><li nr="1."><al>De eerste mogelijkheid is de <vet>voorziening in natura.</vet> Daarmee
                            wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt,
                            die hij of zij kant en klaar krijgt en waarmee het probleem voldoende
                            gecompenseerd wordt.</al></li><li nr="2."><al>De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 Wmo verplicht gestelde
                            mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een
                                <vet>persoonsgebonden budget (Pgb). </vet></al></li><li nr="3."><al>De derde mogelijkheid van verstrekking is de <vet>financiële
                                tegemoetkoming.</vet></al></li></lijst><al/><al>In lid 2 van artikel 1 is aangegeven welken individuele voorzieningen in natura
                    kunnen worden verstrekt. </al><al/><al>In lid 3 wordt ingegaan op de wijze waarop een financiële tegemoetkoming kan
                    worden toegekend. Hierbij kan het gaan om een tegemoetkoming in de kosten van de
                    voorziening, welke wordt afgestemd op de individuele situatie van de
                    belanghebbende, ofwel een forfaitaire of gemaximeerde vergoeding in de kosten
                    van een voorziening. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat
                    los van de werkelijke kosten en meestal los van het inkomen wordt vastgesteld.
                    Het is dus geen kostendekkend bedrag en zal meestal niet op het inkomen van de
                    aanvrager worden afgestemd. In artikel 1 lid 4 is aangegeven dat een dergelijke
                    financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor een verhuiskostenvergoeding en
                    sportrolstoel. De wijze waarop een financiële tegemoetkoming dient te worden
                    verantwoord is geregeld in lid 5. </al><al/><al>Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele
                    voorziening mee te realiseren. In artikel 7 lid 2 Wmo wordt gesproken over een
                    financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of
                    aan een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan afhankelijk worden gesteld
                    van het inkomen van de aanvrager. De aanvrager betaalt dan mee en dat wordt een
                    eigen aandeel genoemd. Samen met dit eigen aandeel zal een financiële
                    tegemoetkoming kostendekkend kunnen zijn.</al><al>Als het gaat om bouwkundige woonvoorzieningen is de gemeente, op grond van
                    genoemd artikel 7 lid 2 Wmo, verplicht om een financiële tegemoetkoming uit te
                    betalen aan de <vet>eigenaar </vet>van de woning. Een dergelijke financiële
                    tegemoetkoming kan in het geval de belanghebbende geen eigenaar van de woning
                    is, dus géén persoonsgebonden budget zijn.</al><al> In artikel 2 wordt aangegeven voor welke voorzieningen een Persoonsgebonden
                    budget (Pgb) kan worden verstrekt. </al><al/><al>In de parlementaire behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen
                    mogelijk zijn op de keuzevrijheid, zoals vermeld in artikel 6 van de Wmo, met
                    name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het
                    beschikbare geld kunnen omgaan. In artikel 3 lid 3 is aangegeven om welke
                    uitzonderingssituaties het gaat en wanneer dus géén Pgb wordt verstrekt. </al><al/><al>In artikel 3 lid 5 is bepaald dat de omvang van het Pgb gelijk is aan de
                    werkelijke kosten, maar niet hoger dan de tegenwaarde van de in de betreffende
                    situatie goedkoopst adequate compenserende voorziening in natura. Het als Pgb te
                    verstrekken bedrag moet dus voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en
                    dus voldoende te compenseren. </al><al>De kosten van de voorziening als die in natura zou worden verstrekt zijn daarbij
                    uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. De kosten
                    van onderhoud en reparaties van de voorziening kunnen daarbij worden
                    opgeteld.</al><al/><al>In artikel 4 zijn regels opgenomen voor de verantwoording van een verstrekt Pgb
                    bij aanschaf van een bepaalde individuele voorziening en in geval van een
                    woningaanpassing. Uitgangspunt is dat het Pgb wordt aangewend voor het doel
                    waarvoor het is verstrekt. Bij beschikking maakt het college zijn besluit aan de
                    aanvrager bekend. In deze beschikking vermeldt het college wat de omvang van het
                    Pgb is, waarvoor het Pgb bestemd is en (indien van toepassing) voor hoeveel jaar
                    dit bedoeld is. Bij de verantwoording in geval van een Pgb voor een
                    woonvoorziening bestaande uit een aanpassing van (niet-) bouwkundige of
                    woontechnische aard (woningaanpassing) is de zogeheten gereed melding van
                    belang. </al><al>De gereed melding dient binnen een bepaalde termijn na het toekennen van het Pgb
                    plaats te vinden. Hierbij is gekozen voor een periode van 15 maanden. De
                    gemeente controleert of aan de voorwaarden is voldaan. Om te voorkomen dat
                    iedere voorwaarde daadwerkelijk apart moet worden gecontroleerd is er voor
                    gekozen om een verklaring te vragen. Indien later alsnog zou blijken, dat niet
                    aan alle voorwaarden is voldaan, kan het Pgb alsnog worden ingetrokken en
                    eventueel worden teruggevorderd. </al><al/><al>In artikel 5 wordt de wijze van verantwoording van het Pgb bij de hulp bij het
                    huishouden geregeld. Deze verantwoording geschiedt via een daarvoor bestemd
                    verantwoordingsformulier. Dit formulier wordt aan de belanghebbende toegezonden
                    met het verzoek de daarop vermelde gegevens in te vullen (onder bijvoeging van
                    de relevante bewijsstukken) en vervolgens ondertekend retour te zenden. </al><al>Indien de belanghebbende niet of niet geheel voldoet aan de
                    verantwoordingsplicht dan kan het recht op het Pgb opgeschort worden. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Hulp bij het huishouden </vet></al><al/><al>Hoofdstuk 2 geeft nadere regels met betrekking tot de hulp bij het huishouden.
                    De hulp bij het huishouden kan zowel in de natura (zin) als in de vorm van een
                    Persoonsgebonden budget (Pgb) verstrekt worden. </al><al/><al>In lid 2 van artikel 6 wordt nadrukkelijk aangegeven dat voor de beoordeling van
                    de aard en omvang van een eventuele aanspraak op hulp bij het huishouden het
                    Protocol Indicatiestelling Hulp bij het Huishouden gemeente Cuijk 2012
                    gehanteerd wordt. </al><al>Ten behoeve van de beoordeling of er sprake is van een plicht tot compensatie
                    voor wat betreft het in staat zijn om een huishouden te voeren (hulp bij het
                    huishouden) is tot nu toe gebruik gemaakt van het (door het CIZ opgestelde)
                    Protocol gebruikelijke zorg bij hulp bij het huishouden. Gelet op de inhoud van
                    de nieuwe verordening en het besluit, waarin de Kantelinggedachte en de eigen
                    kracht van burgers centraal staat, is geconcludeerd dat het “oude” protocol aan
                    herziening toe is. Om die reden is er nu een geactualiseerd Protocol opgesteld,
                    geheel in de lijn van het nieuwe gemeentelijke Wmo beleid. </al><al>In het Protocol wordt nader ingegaan op de gebruikelijke zorg, mantelzorg en
                    aanverwante begrippen. Tevens zijn daarin richtlijnen opgenomen voor het
                    vaststellen van het recht op hulp bij het huishouden. Zo zal bijvoorbeeld de
                    beoordeling of er sprake is van gebruikelijke zorg plaatsvinden aan de hand van
                    het Protocol. Het Protocol maakt integraal onderdeel uit van de Beleidsregels
                    uitvoering maatschappelijke ondersteuning gemeente Cuijk 2012. </al><al/><al>In artikel 7 van het Besluit is de vaststelling van de hoogte van het Pgb voor
                    de hulp bij het huishouden nader geregeld. Dit artikel behelst een uitwerking
                    van artikel 17 lid 2 van de verordening, waarin algemene regels zijn gesteld ten
                    aanzien van de hoogte van het Pgb. </al><al/><al>Feitelijk zijn er drie tarieven te onderscheiden. In het geval dat de
                    budgethouder gebruik maakt van een particuliere hulp is het normbedrag/uurtarief
                    van het Pgb gebaseerd op de CAO voor de Verpleeg, Verzorgingshuizen en Thuiszorg
                    Kraam- en Jeugdgezondheidszorg. Door uit te gaan van 125% van het geldende
                    gemiddelde salarisniveau van een werknemer op grond van deze CAO is een reëel
                    uurtarief vastgesteld, waarmee een Pgb gebruiker voldoende kwalitatieve zorg kan
                    inkopen. Dit is geregeld in artikel 7 lid 2 sub a en b. </al><al>Hierbij wordt een verschil gemaakt tussen het tarief voor de Hulp bij het
                    huishouden 1 (HH1) ten opzichte van Hulp bij het huishouden 2 (HH2). </al><al>In de toelichting op artikel 9 van de verordening is de volgende definitie
                    gegeven van de werkzaamheden in het kader van HHI en in het kader van HH2:</al><al/><al><vet>Hulp bij het huishouden 1 (HH1):</vet></al><al>De uit te voeren werkzaamheden in deze categorie bestaan o.a. uit de volgende
                    onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Licht poetswerk in huis, kamers opruimen;</al></li><li nr="-"><al> Huishoudelijke werkzaamheden stofzuigen, wc/badkamer schoonmaken;</al></li><li nr="-"><al>Boodschappen voor het dagelijkse leven doen;</al></li><li nr="-"><al>Maaltijdverzorging, bereiding broodmaaltijd / warme maaltijd;</al></li><li nr="-"><al>Verzorging kleding / linnengoed/ de was doen;</al></li></lijst><al/><al><vet>Hulp bij het huishouden 2 (HH2):</vet></al><al>De uit te voeren werkzaamheden in deze categorie bestaan naast de in HH 1
                    genoemde werkzaamheden, uit de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen
                            helpen met zelfverzorging);</al></li><li nr="-"><al>Anderen helpen bij het bereiden van de maaltijden;</al></li><li nr="-"><al>Dagelijkse organisatie van het huishouden.</al></li></lijst><al/><al>Gelet op de verschillen in zwaarte van de werkzaamheden tussen HHI en HH2 is ook
                    een verschil in het tarief/normbedrag gemaakt. De bij artikel 7 lid 2 sub a en
                    sub b genoemde tarieven bedragen per 1 januari 2012 respectievelijk: </al><al>€ 14,80 voor HH1 (uurloon van salarisschaal FWG 15 met 4 periodieken x 125% + 8%
                    vt)</al><al>€ 15,67 voor HH2 (uurloon van salarisschaal FWG 20 met 4 periodieken x 125% + 8%
                    vt)</al><al/><al>In artikel 7 lid 2 sub c is aangegeven dat indien een Pgb gebruiker er voor
                    kiest om de huishoudelijke hulp in te kopen bij een officiële zorgleverancier,
                    hij in aanmerking komt voor het (laagste) uurtarief dat met de, door de gemeente
                    gecontracteerde, Zorgleverancier (s) van de zorg in natura is afgesproken. De
                    budgethouder moet dan wel aantonen dat de zorg op deze wijze wordt ingekocht.
                    Deze bepaling is nadrukkelijk in het Besluit opgenomen, omdat de budgethouder in
                    staat moet worden gesteld om hulp in te kunnen kopen die gelijkwaardig is aan de
                    zorg in natura. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Woonvoorzieningen </vet></al><al/><al>In dit hoofdstuk zijn specifieke regels ten aanzien van woonvoorzieningen
                    opgenomen. </al><al>In artikel 8 worden de woonvoorzieningen benoemd welke in de vorm van een
                    voorziening in natura dan wel via een Pgb kunnen worden verstrekt. </al><al>Hierbij moet wel nadrukkelijk aangegeven worden dat alvorens een woonvoorziening
                    verstrekt kan worden in eerste instantie nagegaan dient te worden in hoeverre
                    het zogenaamde primaat van verhuizen kan worden toegepast. In artikel 10 lid 4
                    van de verordening wordt immers gesteld dat voor zover belanghebbende kan
                    verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken
                    woning en de verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, er géén
                    individuele woonvoorziening verstrekt wordt, indien de aanpassing van de woning,
                    hoger is dan het bedrag zoals vermeld in artikel 9 van het Besluit (ad €
                    5.000).</al><al/><al>Voorts dient vermeld te worden dat in geval van bouwkundige of woontechnische
                    ingrepen in of aan de woonruimte niet in alle gevallen een Pgb kan worden
                    verstrekt. Immers op grond van artikel 7 lid 2 van de Wet is de gemeente
                    verplicht de tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de woning. </al><al/><al>In artikel 9 wordt nader ingegaan op de woonvoorzieningen welke in de vorm van
                    een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Als eerste wordt de
                    verhuiskostenvergoeding genoemd. Dit is logisch gelet op het hierboven vermelde
                    uitgangspunt van primaat van verhuizen. Bij het onderzoek naar de mogelijke
                    toepassing van het primaat van verhuizen </al><al>zullen alle aspecten van het individuele geval worden meegewogen: financiële
                    consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt
                    (i.v.m. de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra
                    verhuizing t.a.v. de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige
                    mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten dient aan het
                    besluit ten grondslag worden gelegd. </al><al/><al>Indien op basis van deze afweging besloten wordt tot het toepassen van het
                    primaat van verhuizen kan aan belanghebbende een verhuiskostenvergoeding worden
                    toegekend tot een bedrag van € 5.000 (artikel 9 lid 2). </al><al>In lid 4 tot en met lid 8 wordt ingegaan op de kosten die voor vergoeding in
                    aanmerking komen en de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                    tijdelijke huisvesting, huurderving, woningsanering en het bezoekbaar maken van
                    een woning. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel </vet></al><al/><al>Ten aanzien van het verstrekken van individuele vervoersvoorzieningen wordt in
                    artikel 10 lid 1 aangegeven dat voor zover belanghebbende gebruik kan maken van
                    een systeem van aanwezig collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur
                    (Cvv) dat kan leiden tot het te bereiken resultaat, er géén individuele
                    (vervoer) voorziening, verstrekt wordt.</al><al>Mocht belanghebbende aangeven dat het niet mogelijk is om zodanig gebruik te
                    kunnen maken van het Cvv dat daarmede het resultaat bereikt kan worden, dan
                    dient dit nader onderzocht te worden. Als op basis van dit onderzoek, met daarin
                    opgenomen een medisch advies, vastgesteld wordt dat belanghebbende (op medische
                    redenen) inderdaad géén of in onvoldoende mate gebruik kan maken van het Cvv,
                    dan kan een individuele vervoersvoorziening worden verstrekt (artikel 10 lid 2). </al><al>De wens van een belanghebbende voor een andere vervoersvoorziening dan het Cvv
                    is overigens op zichzelf dus onvoldoende reden om een andere vervoersvoorziening
                    dan de Cvv (vervoerspas) te verstrekken.</al><al/><al>De verschillende vormen waarin een vervoersvoorziening kan worden verstrekt
                    wordt geregeld in artikel 10 lid 3. </al><al/><al>In artikel 10 lid 4 is bepaald dat een Pgb kan worden verstrekt voor een
                    vervoermiddel. Voor het vervoermiddel geldt in principe een afschrijvingsduur
                    van 7 jaar. </al><al>Voor de kosten van onderhoud, verzekering en reparatie van het vervoermiddel
                    wordt op declaratiebasis jaarlijks een vergoeding verstrekt. </al><al>Deze jaarlijkse vergoeding is wel aan een maximum gebonden. Dit maximum is
                    gesteld op 5% van de bruto aanschafwaarde van het vervoermiddel per jaar,
                    gedurende maximaal 7 jaar. In dit (totaal) bedrag zijn alle componenten van
                    zowel het onderhoud, verzekering als reparatie begrepen. Op grond van informatie
                    uit de branche van leveranciers van hulp- en vervoermiddelen is gebleken dat een
                    dergelijk percentage reëel is. </al><al>Bovenstaande betekent concreet dat men per jaar de kosten van onderhoud,
                    verzekering en reparatie kan declareren tot een maximum van 5% van de bruto
                    aanschafwaarde van het vervoermiddel. Uiteraard moeten er feitelijk wel kosten
                    gemaakt zijn. </al><al/><al>In artikel 11 is aangegeven dat een financiële tegemoetkoming kan worden
                    verstrekt voor de vervoerskosten. Tevens is daarbij de maximale vergoeding
                    aangegeven (€ 1.100 per jaar).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Verplaatsen in en rond de woning</vet></al><al/><al>In de artikelen 12 en 13 worden regels gesteld met betrekking tot de
                    verstrekking van de rolstoel en de sportrolstoel. Ten aanzien van de jaarlijkse
                    declaratie van de kosten van verzekering, onderhoud en reparatie van een
                    rolstoel wordt dezelfde systematiek gehanteerd als bij het Pgb betreffende de
                    vervoermiddelen zoals aangegeven in artikel 10. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Eigen bijdragen, eigen aande</vet>el </al><al/><al>Ten aanzien van de eigen bijdrage is in de Verordening het uitgangspunt
                    neergelegd dat in principe voor alle voorzieningen een eigen bijdrage
                    verschuldigd is. Hierop zijn een aantal uitzonderingen gemaakt. Deze
                    uitzonderingen zijn in artikel 14 lid 3 vermeld. </al><al/><al>In lid 4 is bepaald dat de hoogte van de eigen bijdrage (en het eigen aandeel)
                    vastgesteld worden conform artikel 4 van het (landelijke) Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Hiermee blijft de hoogte van de eigen bijdrage binnen de daarvoor gestelde
                    wettelijke landelijke kaders. </al><al>In lid 5 wordt aangegeven dat bij de verstrekking van een voorziening in de vorm
                    van een roerende zaak in eigendom dan wel een bouwkundige of woontechnische
                    aanpassing van een woning die in eigendom is van de aanvrager de termijn van
                    inning van de eigen bijdrage 39 periodes van 4 weken bedraagt. Deze bepaling is
                    geheel in overeenstemming met artikel 4.1 lid 5 van het (landelijk) besluit
                    maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Voor de niet in artikel 4.1 lid 5 (landelijk) Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning genoemde voorzieningen, zoals een scootmobiel die in bruikleen
                    wordt verstrekt, geldt geen wettelijke maximumperiode. Vandaar dat ervoor
                    gekozen is om voor de overige voorzieningen de duur van de inning van de eigen
                    bijdrage te koppelen aan de duur van de verstrekking. </al><al>Dat is op zich ook wel reëel. Men betaalt een eigen bijdrage zolang gebruik
                    wordt gemaakt van de voorziening.</al><al/><al>De vaststelling van en inning van de eigen bijdrage geschiedt door het Centraal
                    Administratiekantoor (CAK). Dit is bepaald in artikel 14 lid 6. </al><al>De hoogte van de eigen bijdrage wordt door het CAK bij afzonderlijke beschikking
                    aan de belanghebbende medegedeeld. Het CAK zorgt er tevens voor dat indien reeds
                    de maximale eigen bijdrage is opgelegd er bij een eventuele nieuw te verstrekken
                    voorziening de maximale eigen bijdrage niet wordt overschreden. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen </vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 16. Hardheidsclausule</onderstreept></al><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal na een zorgvuldige afweging
                    gemaakt, beoordeeld moeten worden of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden
                    van overwegende aard. Als sprake is van een niet billijke situatie is de
                    hardheidsclausule een vangnet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>