<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR305911_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Coordinatieverordening WRO Uden 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Udens Weekblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coordinatieverordening WRO Uden 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 Gemeentewet en artikel 3.30 WRO</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-10-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-10-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/8396</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Coordinatieverordening WRO Uden 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        27 augustus 2013;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3:30 van de Wet
                        ruimtelijke ordening;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>Coördinatieverordening Wro Uden 2013 </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>besluit: besluit als bedoeld in artikel 3:30, lid 1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="b."><al>coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van
                                    besluiten in één procedure volgens de coördinatieregeling van
                                    Afdeling 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c."><al>bestemmingsplan: een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="d."><al>uitwerkingsplan, wijzigingsplan: een uitwerkingsplan
                                    respectievelijk wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de
                                    Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="e."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="f."><al>bouwen: bouwen als bedoeld in artikel 1.1, lid 1 van de
                                    Wabo;</al></li><li nr="g."><al>omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1
                                    of 2.2 van de Wabo of een fase daarvan, als bedoeld in artikel
                                    2.5 van de Wabo;</al></li><li nr="h."><al>aanvrager: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                    aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte van de verordening</titel></kop><al>Deze verordening, gebaseerd op artikel 3.30, lid 1 van de Wet
                            ruimtelijke ordening, is alleen van toepassing op het coördineren van de
                            voorbereiding van een besluit om een bestemmingsplan, uitwerkingsplan of
                            wijzigingsplan vast te stellen met het besluit over één of meer daarmee
                            samenhangende omgevingsvergunningen, al dan niet met aan de
                            omgevingsvergunning en/of aan het bestemmingsplan gerelateerde
                            vergunningen en ontheffingen als bedoeld in artikel 3.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vergunningen en ontheffingen die naast de omgevingsvergunning
                                deel uit kunnen maken van de coördinatie met het besluit om een
                                bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan vast te
                                stellen</titel></kop><al>De voorbereiding van besluiten over onderstaande vergunningen of
                            ontheffingen kunnen gecoördineerd worden met de in artikel 2 genoemde
                            besluiten die de basis vormen voor de toepassing van de
                            coördinatieregeling op grond van deze verordening:</al><lijst><li nr="a."><al>een verkeersbesluit als bedoeld in de artikelen 15 en 18, lid 1
                                    van de Wegenverkeerswet en artikel 12 van de Administratieve
                                    Bepalingen voor het Wegverkeer;</al></li><li nr="b."><al>het besluit tot vaststelling van een hogere waarde
                                    ("ontheffing") als bedoeld in artikel 45, 47, 55, 61, 83, 85 of
                                    100a van de Wet geluidhinder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel></kop><al>In de volgende gevallen en onder de volgende condities bevordert het
                            college van burgemeester en wethouders een gecoördineerde voorbereiding
                            van besluiten als bedoeld in artikel 2 en 3:</al><lijst><li nr="a."><al>het besluit over een aanvraag om een omgevingsvergunning, die op
                                    het moment van indienen op grond van artikel 2.10, lid 1, sub c
                                    of artikel 2.11, lid 1 van de Wabo geweigerd zou moeten worden
                                    en die slechts op grond van artikel 2.12, lid 1 sub a onder 3
                                    van de Wabo kan worden verleend, en het besluit over het
                                    bestemmingsplan, uitwerkingsplan of wijzigingsplan dat de
                                    omgevingsvergunning mogelijk maakt, maken tenminste deel uit van
                                    de te coördineren besluiten, en</al></li><li nr="b."><al>een ander besluit, als dat bij de coördinatie wordt betrokken,
                                    als genoemd in artikel 3 en verband houdt met de aanvraag of met
                                    het bestemmingsplan als bedoeld onder a, en</al></li><li nr="c."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat het besluit als bedoeld onder b gecoördineerd
                                    kan worden voorbereid en</al></li><li nr="d."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat zich geen belemmering als bedoeld in artikel 5
                                    voordoet en</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager heeft verzocht om een wijziging van het
                                    bestemmingsplan en zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met
                                    de gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor
                                    de aanvrager heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Procedureregeling</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een procedureregeling
                                vaststellen ten behoeve van een goede uitvoering van de
                                coördinatieregeling.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De procedureregeling geeft in ieder geval aan binnen welke periode
                                aanvragen ingediend moeten worden om voor coördinatie in aanmerking
                                te kunnen komen; de procedure kan bepalen hoe het college van
                                burgemeester en wethouders toepassing geeft aan artikel 3.20 van de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Zolang het college van burgemeester en wethouders geen regeling als
                                bedoeld onder lid a heeft vastgesteld, is, aanvullend op de
                                artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening en op
                                deze verordening, § 3.5.3 van Afdeling 3.5 "Samenhangende besluiten"
                                van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering
                                van de artikelen 3.28 en 3.29 van die wet.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Bij de toepassing van lid c is het college van burgemeester en
                                wethouders het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel
                                3.22 van de Algemene wet bestuursrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 4 oktober 2013</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening Wro Uden
                            2013.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ondertekening</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3 oktober
                        2013.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. M.A.H. Heffels drs. H.A.G. Hellegers</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>HOOFDSTUK 1: ALGEMENE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>1. Coördinatieregeling ex artikel 3.30 Wro </tussenkop><al>Afdeling 3.6 Wro bevat verschillende coördinatieregelingen voor Rijk, provincie
                    en gemeente. In de coördinatieregeling voor de gemeente (artikel 3.30 e.v. Wro)
                    is het mogelijk gemaakt het verlenen van een omgevingsvergunning (en eventueel
                    andere vergunningen) te coördineren met de vaststelling van een (herziening van
                    een) bestemmingsplan, een uitwerkingsplan of een wijzigingsplan. De
                    omgevingsvergunning volgt dan de procedure van de herziening van een
                    bestemmingsplan. Dit geldt ook voor de rechtsbescherming. </al><tussenkop>1.1 Wettelijk kader </tussenkop><al>Artikel 3.30, lid 1 besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën
                    van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van
                    het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of
                            ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging
                            of uitwerking van een bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning
                            waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°,
                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of
                            de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de
                            voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.</al></li></lijst><al>De wet stelt grenzen aan het toepassen van de coördinatieregeling, omdat het
                    besluit om de regeling toe te passen grote gevolgen heeft voor de procedures van
                    de te coördineren besluiten. Het in artikel 3.30 Wro neergelegde kader bevat
                    twee eisen:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>het moet gaan om de verwezenlijking van "gemeentelijk
                                ruimtelijk beleid" en</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>het moet wenselijk zijn om de gecoördineerde besluitvorming in
                                te zetten voor de verwezenlijking van dat beleid. </cursief></al></li></lijst><al>Om te voldoen aan deze eisen staat de coördinatieverordening alleen coördinatie
                    toe wanneer een bestemmingsplan (of equivalent als een uitwerkingsplan of
                    wijzigingsplan) en een omgevingsvergunning deel uitmaken van de te coördineren
                    besluiten. Het bestemmingsplan is vereist om te waarborgen dat het om de
                    uitvoering van gemeentelijk beleid gaat; het bestemmingsplan is immers – naast
                    de structuurvisie – dé planfiguur waarin de gemeente haar ruimtelijk beleid
                    kenbaar maakt. Als er op uitvoering gerichte elementen in het bestemmingsplan
                    voorkomen, is het wenselijk om in één procedure zowel de planologische wijziging
                    – het bestemmingsplan – als de concrete uitwerking in de vorm van een bouwplan
                    te regelen, waar mogelijk met alle andere benodigde vergunningen. Daarmee is de
                    samenhang tussen te nemen besluiten maximaal zichtbaar en wordt de door de wet
                    beoogde vereenvoudiging van procedures bewerkstelligd, zodat de dienstverlening
                    aan de vergunningaanvrager geoptimaliseerd kan worden. De efficiënte procedure
                    van de coördinatieregeling zorgt ook voor lagere procedurekosten en minder
                    bestuurlijke lasten.</al><tussenkop>1.2 Wat houdt de coördinatieregeling in? </tussenkop><al>Met het coördineren bedoelt de wetgever dat besluiten die met elkaar
                    samenhangen, bijvoorbeeld één project, waarvoor een omgevingsvergunning en een
                    herziening van een bestemmingsplan nodig zijn, in één procedure worden
                    voorbereid. De procedures voor de vergunning(en) en voor het bestemmingsplan
                    worden dus gecombineerd tot één procedure.</al><al>Het vaststellingsbesluit over een bestemmingsplan mag namelijk één van de te
                    coördineren besluiten zijn. Als dat zo is, dan is de bestemmingsplanprocedure
                    (ontwerp 6 weken ter inzage, mogelijkheid om zienswijzen in te dienen,
                    rechtstreeks beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State)
                    ook van toepassing op de besluiten die met het bestemmingsplan gecoördineerd
                    worden voorbereid.</al><al>Tegen de besluiten die ná die gecoördineerde voorbereidingsprocedure worden
                    genomen kan beroep ingesteld worden, maar, anders dan bij het separaat verlenen
                    van de vergunningen, gebeurt de afhandeling van beroepen tegen onderdelen van
                    meerdere besluiten in één keer.</al><al>Het voordeel van één procedure is door de wetgever nog vergroot in artikel 8.3
                    van de Wro: er is slechts één beroepsprocedure bij maar één instantie (alleen de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State), waarbij de wet voorschrijft
                    dat de Afdeling binnen zes maanden (in plaats van binnen één jaar) uitspraak
                    moet doen.</al><tussenkop>1.3 Artikel 3.30, lid 3 Wro </tussenkop><al>Daarnaast heeft de wetgever bepaald dat de omgevingsvergunning voor een bouwplan
                    dat met een bestemmingsplan is voorbereid, verleend kan worden voordat het
                    bestemmingsplan in werking treedt. Als de coördinatieregeling niet wordt
                    toegepast kan een omgevingsvergunning pas verleend worden als het
                    bestemmingsplan in werking is getreden.</al><al>Een tweede belangrijk voordeel van de gecoördineerd voorbereide besluiten is dat
                    de samenhang tussen de te nemen besluiten voor iedereen duidelijk is. Voor alle
                    betrokkenen is dan inzichtelijk welk besluit er wordt genomen en welke
                    rechtsmiddelen er open staan. Het vervallen van de mogelijkheden om bezwaar te
                    maken en beroep bij de rechtbank in te stellen kan risico's met zich meebrengen,
                    omdat een negatieve uitspraak over één van de besluiten, gevolg kan hebben voor
                    daarmee samenhangende besluiten. In het geval van een negatieve uitspraak over
                    het bestemmingsplan zal bijvoorbeeld ook het besluit om een omgevingsvergunning
                    te verlenen vernietigd worden.</al><al>Samenvattend: vergunningverlening via de coördinatieregeling is gunstig en
                    sneller door het beroep in één instantie en met duidelijkheid over de samenhang
                    tussen de genomen besluiten. De procedure is per saldo sneller dan de huidige
                    vergunningverlening via het projectbesluit. De formele procedure (dus exclusief
                    voorbereiding) zal ongeveer één jaar duren (inclusief beroep!). </al><tussenkop>1.4 Welke gevallen lenen zich voor coördinatie? </tussenkop><al>Het is denkbaar dat heel grote projecten niet gecoördineerd zullen worden. Een
                    aanvrager zal bij grote projecten vaak zekerheid willen hebben over de
                    planologische inpassing in een bestemmingsplan, voordat er kosten gemaakt worden
                    om bouwtekeningen te maken. In die grote gevallen is coördinatie mogelijk minder
                    gewenst. De wet geeft echter geen beperkingen aan de omvang van bouwprojecten.
                    De coördinatieverordening kan wel beperkingen bevatten. </al><al>De wet staat een ruime coördinatie toe. De coördinatieverordening beperkt zich
                    echter tot die gevallen waarin naast een omgevingsvergunning ook de wijziging
                    van een bestemmingsplan nodig is of een nieuw bestemmingsplan. Dat is niet
                    alleen om te voldoen aan het wettelijke kader, maar ook omdat het goed is om,
                    aan de hand van de dagelijkse praktijk routine op te doen en de behoefte in
                    beeld te brengen. Mocht het werken met de coördinatieregeling goed bevallen, dan
                    kan het aantal gevallen uitgebreid worden.</al><al>Om de uitvoering van de coördinatieregeling niet te ingewikkeld te maken,
                    bepaalt de verordening dat de voorbereiding niet gecoördineerd mag worden als er
                    complicerende factoren een rol spelen.</al><tussenkop>1.5 De gevolgen voor het gemeentebestuur </tussenkop><al>In vergelijking tot het projectbesluit valt op dat de gemeenteraad de facto
                    besluit over de vergunningverlening voor plannen die niet in het geldende
                    bestemmingsplannen passen. Dat heeft de wetgever zo gewild 2).</al><al>Het bovenstaande is overigens ook het geval bij een niet-gecoördineerde
                    vergunningverlening, omdat de gemeenteraad dan ook een bestemmingsplan moet
                    vaststellen voordat de omgevingsvergunning kan worden afgegeven, danwel een
                    verklaring van geen bedenkingen moet afgeven bij een omgevingsvergunning met
                    toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° Wabo. Er is in de gemeente
                    Uden wel een algemene verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Echter er
                    blijven projecten bestaan waarvoor ook de gemeenteraad een verklaring van geen
                    bedenkingen moet afgeven. </al><al>Enigszins vreemd is dit wel, want de bevoegdheid tot het nemen van
                    uitvoeringsbesluiten zou volgens het duale stelsel bij het uitvoerende
                    bestuursorgaan, het college, behoren te liggen. Met het vaststellen van de
                    verordening wordt voorkomen dat de gemeenteraad belast wordt met besluiten over
                    de toepassing van de coördinatieregeling.</al><al>De verordening verhindert niet dat de gemeenteraad een afzonderlijk besluit
                    neemt om de coördinatieregeling toe te passen in een geval dat niet onder de
                    reikwijdte van de verordening valt. </al><tussenkop>1.6 De gevolgen voor de aanvrager </tussenkop><al>De snelle, overzichtelijke besluitvorming is handig voor de burger, zowel voor
                    de bouwende burger als voor de tegenstander van de bouw. De samenhang tussen de
                    besluiten is goed zichtbaar en men weet snel waar men aan toe is.</al><al>Hoewel de ervaring dat nog moet uitwijzen, mag verwacht worden dat de kosten in
                    geval van gecoördineerde besluiten lager zijn, doordat er minder
                    bestuursadviezen nodig zijn en minder bezwaar- en beroepsprocedures mogelijk
                    zijn.</al><al>De gemeente moet, voordat de coördinatieregeling wordt toegepast, met de
                    aanvrager bespreken of coördinatie gunstig is. De aanvrager is in geen geval
                    verplicht tot coördinatie.</al><tussenkop>1.7 De noodzaak om een coördinatieverordening vast te stellen </tussenkop><al>De coördinatieregeling mag alleen toegepast worden als de gemeenteraad (per
                    geval) daartoe besloten heeft óf als de gemeenteraad (in een verordening) heeft
                    vastgesteld in welke gevallen het wenselijk is om de coördinatieregeling te
                    gebruiken.</al><al>Zonder coördinatieverordening kan de coördinatieregeling dus alleen gebruikt
                    worden als de gemeenteraad daar per geval een besluit over neemt. Dat is
                    natuurlijk mogelijk, maar dat zou betekenen dat de gemeenteraad extra belast
                    wordt en dat de procedure met enige maanden vertraging start. En dat terwijl de
                    coördinatieregeling onder meer bedoeld is om tempo te kunnen maken.</al><tussenkop>1.8 Relatie met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de
                    Algemene Wet bestuursrecht (Awb) </tussenkop><al>In de Wabo worden veel van de huidige aparte vergunningen gezamenlijk
                    afgehandeld. De Wabo biedt echter geen mogelijkheden tot het coördineren van een
                    vergunningbesluit met een wijziging van het bestemmingsplan. De
                    coördinatieregeling is dus een aanvulling op de Wabo. Dat is ook een reden
                    geweest om de coördinatieverordening toe te spitsen op die aanvulling. Op deze
                    wijze bevat de coördinatieverordening geen elementen die straks via de Wabo
                    geregeld zijn.</al><al>Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet samenhangende besluiten Awb, zijnde een
                    aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht, in werking getreden. Daarin zijn,
                    onder meer, procedureregels opgenomen die in acht kunnen worden genomen als
                    besluiten gecoördineerd worden. Over het doel van de wet zegt de Memorie van
                    Toelichting onder meer: “Het is dus van belang een algemene wettelijke
                    mogelijkheid te creëren om samenhang te brengen in verschillende procedures, die
                    kan worden toegepast wanneer de situatie daarom vraagt. </al><al>Dit wetsvoorstel geeft hieraan gestalte, door in de Awb een coördinatieregeling
                    aan te bieden die door de bijzondere wetgever of het bestuur van toepassing kan
                    worden verklaard. Deze regeling zorgt voor een stroomlijning van de procedures
                    bij het voorbereiden en nemen van samenhangende besluiten en van de
                    rechtsbescherming daartegen 3).”</al><al>De coördinatieverordening maakt dankbaar gebruik van de geboden wettelijke
                    mogelijkheid. Zie ook hoofdstuk 2 onder artikel 6.</al><tussenkop>1.9 Relatie met milieuwetgeving </tussenkop><al>De gecoördineerde voorbereiding van besluiten bevat altijd een
                    bestemmingsplanprocedure (zie ook hieronder: artikelsgewijze toelichting over
                    artikel 2). Daarmee is gegarandeerd dat de nodige milieuwetten worden nageleefd.
                    Het bestemmingsplan moet immers onderbouwd worden met de uitkomsten van
                    onderzoeken naar bijvoorbeeld de luchtkwaliteit, de externe veiligheid, de
                    ecologische (hoofd-)structuur, het geluid, etc.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2: ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.</al><tussenkop>Artikel 2 </tussenkop><al>Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling alleen ziet op het coördineren
                    van de omgevingsvergunning met de procedure van een bestemmingsplan,
                    uitwerkingsplan of wijzigingsplan. Daarbij kunnen vergunningen of
                    uitvoeringsbesluiten die een relatie hebben met de omgevingsvergunning en het
                    bestemmingsplan ook betrokken worden bij de coördinatie.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Artikel 3 geeft een opsomming van de vergunningen en ontheffingen die in
                    combinatie met de bestemmingsplanherziening / uitwerkingsplan / wijzigingsplan
                    en de omgevingsvergunning gecoördineerd kunnen worden voorbereid. </al><al>Vergunningen die niet door de gemeente worden verstrekt zijn buiten de
                    verordening gehouden, om de uitvoering van de verordening niet onnodig
                    ingewikkeld te maken. Hierbij kan men denken aan afstemming met het Waterschap
                    of Provincie. Wanneer de coördinatieregeling goedt werkt kunnen deze zaken
                    alsnog worden toegevoegd. </al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>In artikel 4 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het woordje “en”
                    om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als
                    aan alle voorwaarden is voldaan.</al><al>Lid a vormt de basis van de coördinatieverordening: coördinatie op grond van de
                    coördinatieverordening is alleen mogelijk als tenminste het besluit over een
                    bestemmingsplan, een uitwerkingsplan of een wijzigingsplan en het besluit over
                    een omgevingsvergunning tot de te coördineren besluiten behoren. De
                    omgevingsvergunning moet een plan betreffen dat op het moment van indienen op
                    grond van artikel 2.10 lid 1 sub c of 2.11 lid 1 van de Wabo geweigerd zou
                    moeten worden en die slechts op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van
                    de Wabo kan worden verleend (strijd met bestemmingsplan). Het bestemmingsplan
                    dat de coördinatieregeling volgt, moet die strijdigheid opheffen, zodat op grond
                    van artikel 3.30 lid 3 Wro de vergunning verleend kan worden. Voor alle
                    duidelijkheid: de coördinatieregeling mag op grond van deze verordening dus niet
                    toegepast worden als de aanvraag past in het geldende bestemmingsplan. In dat
                    geval zou coördinatie met alleen een nieuw bestemmingsplan neerkomen op het
                    omzeilen van de gewone vergunningprocedure. </al><al>Dat kan anders zijn als naast de omgevingsvergunning ook nog andere vergunningen
                    nodig zijn om het project te realiseren. Als het wenselijk is om in dat geval –
                    er zijn meer vergunningen nodig – de besluiten met de coördinatieregeling voor
                    te bereiden, dan moet de gemeenteraad daartoe apart besluiten.</al><al>Lid b houdt in dat, als aan de voorwaarde van lid a voldaan is, er meer
                    besluiten in de gecoördineerde voorbereiding mogen meedoen. Die besluiten moeten
                    dan wel genoemd zijn in lid 3 van de verordening. Zie ook de toelichting aldaar.
                    Het college van burgemeester en wethouders is het coördinerende orgaan dat
                    controleert of aan de wettelijke voorwaarden en aan de voorwaarden van de
                    verordening voldaan is.</al><al>Lid c moet ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat hier niet alleen om de
                    vaststelling dat aan de eisen van artikel 4 is voldaan, maar het college ziet
                    ook of aan de procedure-eisen voldaan is. Het college kan ook afzien van
                    coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het college constateert dat de gemeente geen
                    bestemmingswijziging wil.</al><al>Uit artikel 3.31 Wro blijkt dat het college niet verplicht is om de
                    coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het college coördinatie
                    “bevordert”. Uitgangspunt is dus dat het college, waar dat op grond van deze
                    verordening mogelijk is, een gecoördineerde besluitvorming voorstaat, Aanvragers
                    zal worden gewezen op de mogelijkheden en risico’s van de coördinatieregeling. </al><al>Een ruime uitleg van lid c kan er niet toe leiden dat het college gevallen
                    coördineert die niet onder de verordening vallen en waartoe de raad niet
                    expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te
                    besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is niet toe.</al><al>Op grond van lid d stelt het college van burgemeester en wethouders vast of
                    artikel 5 geen belemmering is voor het toepassen van de coördinatieregeling. Lid
                    d moet beperkt uitgelegd worden: áls er een belemmering is, dan is een
                    gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk.</al><al>Uit lid e blijkt dat de aanvrager en de gemeente samen de coördinatieregeling
                    moeten willen toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen worden om mee te
                    werken aan een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk inhouden dat de
                    aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een vergunning aan te vragen. De
                    aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af te zien van coördinatie. Het
                    kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker wil weten dat de
                    bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil maken voor het
                    maken van een bouwtekening.</al><al>Lid f beperkt het aantal te coördineren gevallen tot die gevallen waarvan op
                    voorhand gesteld kan worden dat het toepassen van de coördinatieregeling
                    wenselijk is. Gezien de woningnood en het belang van een goede woningvoorraad
                    moet het bouwen of aanpassen van woningen voortvarend opgepakt kunnen worden,
                    ook als er strijd is met de geldende regeling. De overige gevallen spreken voor
                    zich.</al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>De wet geeft geen aanwijzingen over de manier waarop de coördinatieregeling
                    uitgevoerd moet worden. Het is wel wenselijk dat de gemeente duidelijkheid geeft
                    over de uitvoering. Daarom draagt de gemeenteraad het college in dit artikel op
                    om een procedureregeling vast te stellen. Daarin kan bijvoorbeeld worden
                    aangegeven hoeveel tijd de aanvrager heeft om de te coördineren vergunningen aan
                    te vragen.</al><al>Onder 1.8 is al uitgelegd dat de wetgever hulp heeft geboden met de Wet
                    samenhangende besluiten Awb die een coördinatieprocedure toevoegt aan de
                    Algemene wet bestuursrecht. Dit nieuwe onderdeel van de Awb (met name: § 3.5.3)
                    werkt pas als een wet of een gemeentelijke verordening de procedure van
                    toepassing verklaart. Zolang het college nog geen procedureregeling heeft
                    vastgesteld is op grond van lid c de procedure van de Awb van toepassing. Daar
                    is voor gekozen, omdat de regeling van het college nog niet klaar is en het
                    overigens ook aan te bevelen is om die regeling pas op te stellen nadat ervaring
                    is opgedaan met het toepassen van de coördinatieregeling. Als het college een
                    procedureregeling vaststelt en bekend maakt, blijft lid c buiten
                    toepassing.</al><al>De Wet samenhangende besluiten Awb verplicht het college van burgemeester en
                    wethouders om een aanvrager in kennis te stellen van alle vergunningen die de
                    aanvrager voor zijn project nodig heeft. Lid b geeft aan dat het wenselijk is
                    dat het college in de procedureregeling aangeeft hoe aan die verplichting vorm
                    wordt gegeven.</al><al>Lid d is opgenomen voor alle duidelijkheid. Dat het college het “coördinerend
                    orgaan” is, blijkt ook al uit artikel 3.31, eerste lid Wro, dus feitelijk is dit
                    lid overbodig.</al><al>De procedureregeling moet uiteraard ook gelden als de raad in een bepaald geval
                    dat niet onder de coördinatieverordening valt heeft besloten tot coördinatie.
                    Lid e ziet hierop.</al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen toelichting.</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Het is mogelijk om vergunningen van andere bestuursorganen
                                (waterschap, provincie) mee te laten lopen in de coördinatie van de
                                besluiten, maar dat maakt de uitvoering uitermate complex, vooral in
                                geval van beroep.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>2)Ook bij toepassing van het projectbesluit rondt de
                                gemeenteraad de procedure af met de vaststelling van een
                                bestemmingsplan.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>3 TK 2006-2007, 30980, nr. 3, p. 4</tussenkop></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>