<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR305685_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Ridderkerk 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-10-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeentejournaal, 10-10-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Ridderkerk 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=12">Monumentenwet 1988, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=15">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeentestukken 2013 - 267</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Monumentenverordening 1997 gemeente Ridderkerk, vastgesteld 29 september 1997 wordt</al><al>ingetrokken op het moment dat de Monumentenverordening Ridderkerk 2013 in werking treedt.</al><al>Er is overgangsrecht van toepassing (zie artikel 20 van deze verordening).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Ridderkerk 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ridderkerk;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 augustus
                        2013;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12 en 15 van de</al><al>Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van Wet algemene
                        bepalingenomgevingsrecht (Wabo);</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al><vet>MONUMENTENVERORDENING RIDDERKERK 2013</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een in overeenstemming met de bepalingen
                                    van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                    aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de in overeenstemming met deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>rijksmonument: beschermd monument, als bedoeld in artikel 1.1,
                                    eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>kerkelijke monumenten: onroerende monumenten die eigendom zijn
                                    van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van
                                    een kerkelijke instelling die uitsluitend of voor een overwegend
                                    deel worden gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="e."><al>beeldbepalende kwaliteiten: kwaliteiten van een onroerende zaak
                                    of terrein die van betekenis zijn voor de directe omgeving van
                                    betreffende onroerende zaak of terrein;</al></li><li nr="f."><al>beeldbepalend pand: door de gemeente Ridderkerk aangewezen
                                    object of pand met beeldbepalende kwaliteiten en/of overige
                                    cultuurhistorische waarden die voorkomt op een door het college
                                    vastgestelde lijst;</al></li><li nr="g."><al>erfgoedcommissie: de op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wabo, de verordening met betrekking tot
                                    het cultureel erfgoed, het cultuurhistorisch beleid en het
                                    archeologiebeleid;</al></li><li nr="h."><al>bouwhistorisch onderzoek: in een schriftelijke rapportage
                                    vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en/of
                                    bouwhistorische waarden van een monument;</al></li><li nr="i."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de
                                    gemeente Ridderkerk;</al></li><li nr="j."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li><li nr="l."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de Erfgoedcommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat al is aangewezen op
                                grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk binnen 4 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 4 weken na ontvangst van het advies van
                                de Erfgoedcommissie, maar in ieder geval binnen 8 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid en artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte
                                betekenis is, dan blijft de toepassing van lid 2 achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid,
                                en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, als toepassing wordt
                                gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 1 en 2, te beschadigen of te
                                    vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1 en 2, te slopen, te verstoren, te
                                            verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                            gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                            of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                    lid, gelden niet als het collegenadere regels stelt met
                                    betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden moeten worden
                                    uitgevoerd.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met
                                    een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het
                                    tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar, als en voor
                                    zover het een vergunning betreft waarbij wezenlijke belangen van
                                    de godsdienstoefening in dat monument in het geding zijn.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                    lid, is niet van toepassing indien deze activiteit betrekking
                                    heeft op:</al><lijst><li nr="a."><al>gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering,
                                            vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en
                                            bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet
                                            wijzigt, of</al></li><li nr="b."><al>een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige
                                            veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit
                                            het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.</al></li><li nr="c."><al>verdere activiteiten zoals genoemd in Bijlage 2,
                                            Hoofdstuk IIIa, artikel 4a van het Besluit
                                            omgevingsrecht (Bor)</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. van het Besluit omgevingsrecht
                            voor een vergunningals bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en stukken worden in 3-voudingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag stuurt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de Erfgoedcommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de Erfgoedcommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in het belang van het behoud van monumentale en
                                bouwhistorische waarden bepalen dat voorafgaande aan de
                                vergunningverlening bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan alleen worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken als:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder moet wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten (rijksmonumenten)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd (rijks)monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag stuurt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de Erfgoedcommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen
                                vier weken als het een reguliere voorbereidingsprocedure betreft en
                                binnen acht weken als het een uitgebreide voorbereidingsprocedure
                                betreft, ingaand de dag na de datum van verzending van het
                                afschrift</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                                zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                                behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar
                                billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, als de schade in
                                relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als
                                        bedoeld in artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                        vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                        artikel 10, derde lid;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van de
                                Procedureverordening Planschade bij toepassing van artikel 6.1 van
                                de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikel 10 van deze verordening,
                            wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een
                            hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast, naast de in artikel 141 van het Wetboek van
                            strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, de bij besluit van het
                            college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening 1997 gemeente Ridderkerk, vastgesteld 29
                            september 1997 wordt ingetrokken op het moment dat de Monumentenverordening Ridderkerk 2013
                            in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 19 ingetrokken
                                Monumentenverordening gemeente Ridderkerk 1997 aangewezen en
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en
                                geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 19 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke monumenten
                            treedt zij de dag na bekendmaking in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Monumentenverordening Ridderkerk
                            2013”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van12 september 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Dhr. J.G. van Straalen Mw. A. Attema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE MONUMENTENVERORDENING RIDDERKERK 2013</titel></kop><tussenkop>A. ALGEMENE TOELICHTING </tussenkop><al>De wijzigingen van ten opzichte van de oude monumentenverordening uit 1997
                    houden verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Mor).</al><al/><al>Hiernaast is aansluiting gezocht bij de vanaf 1 januari 2012 gewijzigde
                    regelgeving voor vergunningsvrijbouwen bij rijksmonumenten (Artikel 3a in
                    Bijlage II van het Bor)</al><al>Hierin is bepaald dat voor geen omgevingsvergunning is vereist voor gewoon
                    onderhoud en een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen
                    van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen
                    waarde heeft.</al><al/><al>In de nieuwe verordening wordt hier voor gemeentelijke monumenten op
                    aangesloten.</al><al/><al>Met uitzondering van enkele kleine aanpassingen is de model Erfgoedverordening
                    van de VNG één op één overgenomen in de Monumentenverordening Ridderkerk 2013.
                    De aanpassingen houden verband met de hierboven genoemde wijzigingen ten aanzien
                    van vergunningsvrijbouwen welke nog niet in de modelverordening waren opgenomen.
                    </al><tussenkop>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN </tussenkop><al/><al>Artikel 1. Begripsbepalingen </al><al/><al>Sub a </al><al/><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is aansluiting
                    gezocht bij de omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. Aan deze
                    omschrijving is het begrip natuurwaarde toegevoegd. Dit met als oogmerk om ook
                    terreinen en landschappelijke structuren met cultuurhistorische waarde aan te
                    wijzen als beschermd gemeentelijk monument. De cultuurhistorische waarde is
                    volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                    waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in
                    de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is
                    een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden
                    met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al/><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk monument
                    te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip. Onder terreinen
                    dient in elk geval ook te worden verstaan water. Het gaat dus om 'cultuurlijke'
                    terreinen die (historisch-geografisch) van belang zijn. Daarbij kan het ook om
                    'natuur' gaan maar dat hoeft helemaal niet.</al><al/><al>Net als voor rijksmonumenten (na wijziging van de Monumentenwet per 1-1-2012)
                    geldt er voor gemeentelijke monumenten geen leeftijdsgrens. Ook gebouwen met van
                    recente datum kunnen als monument worden aangewezen.</al><al/><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al/><al>Sub b </al><al/><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al><al/><al>Sub c </al><al/><al>Voor de begripsomschrijving van een 'rijksmonument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                    Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend
                    monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld
                    register. </al><al/><al>Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo
                    van toepassing.</al><al/><al>Sub g</al><al/><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                    gezag. In de Monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat een
                    monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit
                    voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                    gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die
                    adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                    monumentencommissie door het college moet door middel van een apart
                    collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                    (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij het
                    besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te maken van de
                    VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te downloaden via
                    de databank van de Sdu Uitgevers, www.modelverordeningen.nl .</al><al/><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening
                    de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de monumentencommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te
                    adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel
                    15 van de Monumentenwet 1988.</al><al/><al>Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet
                    in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de monumentencommissie worden
                    gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al/><al>Overige begripsbepalingen</al><al/><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                    behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige
                    gedereguleerde verordening geschrapt.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</tussenkop><al/><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen).</al><al>Hierdoor blijft het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag
                    betreffende de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al><al/><al>Artikel 2. Het gebruik van een monument </al><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker zelf
                    aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al/><al>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument </al><al/><al>Lid 1 </al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. </al><al/><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden
                    wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                    monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10,
                    tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid)
                    worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                    vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist.
                    Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de
                    aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel
                    en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt
                    aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.
                    Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                    bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                    wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                    omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al>Lid 2 </al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub f. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats. In de verordening
                    is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een aanwijzing een
                    besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is
                    namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb).</al><al/><al>Lid 3 </al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk al op een
                    monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al/><al>Artikel 4. Voorbescherming </al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten,
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    12 van deze verordening van toepassing zijn.</al><al/><al>Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot
                    gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.)
                    zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere
                    regels opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is
                    gebonden aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker
                    financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming
                    dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort. Het inroepen van de
                    voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke beperking en een
                    beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1,
                    onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                    zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat
                    betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                    gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                    voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al/><al>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit </al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger. Het bepaalde in lid 2
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch
                    in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                    grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat
                    voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open
                    die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen
                    bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt
                    (afdeling 3.6). Hoewel formeel niet verplicht vraagt het college van
                    burgemeester en wethouders ook advies aan de Monumentenraad. De Monumentenwet
                    1988 erkent echter alleen het advies van de monumentencommissie. De
                    Monumentenwet 1988 kent ook alleen maar de monumentencommissie. </al><al/><al>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit </al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening. Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6).</al><al/><al>Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al/><al>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst </al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al/><al>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing </al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><al>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing </al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst
                    waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins
                    volledig teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald.
                    Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE
                    ZAKEN</tussenkop><al/><al>Artikel 10. Instandhoudingbepaling </al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier.</al><al/><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al/><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. </al><al>Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                    opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld
                    met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden
                    geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan
                    expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft
                    aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote
                    (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in
                    algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve
                    lasten worden geconfronteerd.</al><al/><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al/><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst. </al><al>Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen
                    de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen
                    de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument.
                    Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze
                    bepaling dan ook niet geldt.</al><al/><al>Met lid 5 is voor gemeentelijke monumenten aangesloten op de regelgeving die
                    geldt voor rijksmonumenten. In het kader van de Modernisering van de
                    monumentenzorg is het streven om – waar mogelijk – het aantal regels te
                    verminderen. Dit heeft er in geresulteerd dat met ingang van 1 januari 2012 voor
                    het plegen van gewoon onderhoud van rijksmonumenten geen omgevingsvergunning
                    meer aangevraagd hoeft te worden. Dit op voorwaarde dat er:</al><lijst><li nr="-"><al>geen wijzigingen optreden in materiaalsoort, kleur, vormgeving,
                            detaillering en profilering, detaillering of materiaalgebruik;</al></li><li nr="-"><al>er sprake is van een technische noodzaak voor het vervangen of
                            herstellen van materiaal op beperkte schaal.</al></li></lijst><al>Voor alle overige werkzaamheden – dus ook voor onderhoud met gevolgen voor de
                    monumentale waarde – blijft het aanvragen van een omgevingsvergunning
                    verplicht.</al><al/><al>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</al><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden.</al><al/><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al/><al>Artikel 12. Termijnen van advies en vergunningverlening </al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere activiteiten
                    voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                    de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet
                    worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. </al><al/><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen.</al><al/><al>Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                    kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                    geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8
                    weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd
                    orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te
                    brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van
                    belang is dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te
                    brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                    gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit
                    niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan
                    het bevoegd gezag de procedure vervolgen.</al><al/><al>Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De
                    termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde
                    gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de
                    kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk
                    bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een
                    advies.</al><al/><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet al bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. Het
                    definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd waarbij
                    het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in
                    werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat de
                    termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al/><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen.</al><al/><al>Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de
                    beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist.</al><al/><al>Artikel 13. Weigeringsgronden </al><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg.</al><al/><al>Artikel 14. Intrekken van de vergunning </al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. BESCHERMDE MONUMENTEN (RIJKSMONUMENTEN)</tussenkop><al/><al>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument </al><al/><al>Lid 1 </al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten.</al><al/><al>Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere
                    procedure gevolgd te worden. Door dit onderscheid in procedures is de
                    beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg
                    dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de
                    komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                    termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                    konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al/><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld. </al><al/><al>De verplichte advisering is in verband met onder meer beperking van de
                    ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    monumenten los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van activiteiten die
                    ingrijpende gevolgen (kunnen) hebben voor de monumentale waarden is de
                    adviesplicht van toepassing. Het gaat dan om:</al><lijst><li nr="·"><al>sloop van het monument of een deel daarvan voor zover van ingrijpende
                            aard;</al></li><li nr="·"><al>ingrijpende wijziging van het monument of een belangrijk deel daarvan,
                            voor zover de gevolgen voor de monumentale waarde vergelijkbaar zijn met
                            die van gedeeltelijke sloop van ingrijpende aard; </al></li><li nr="·"><al>reconstructie van het rijksmonument of een belangrijk deel daarvan,
                            waarbij het monument wordt teruggebracht in een (veronderstelde) eerdere
                            staat; of</al></li><li nr="·"><al>wijziging van het monument of een belangrijk deel daarvan als gevolg van
                            een functiewijziging.</al></li></lijst><al>Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen alle
                    gemeenten vanaf 2009 een monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die
                    onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988,
                    waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in diens
                    advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de
                    bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de
                    aanvraag aan GS te zenden.</al><al/><al>GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><al/><al>Lid 2 </al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 5. OVERIGE BEPALINGEN</tussenkop><al/><al>Artikel 16. Tegemoetkoming in schade </al><al>In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de
                    specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk
                    een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen. </al><al/><al>Artikel 17. Strafbepaling </al><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 15, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict. Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat
                    artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om
                    op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 380,-
                    (januari 2010); in de tweede categorie maximaal € 3800,- (januari 2010). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de
                    wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                    tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de
                    nadere regels voor de hand liggend.</al><al/><al>Artikel 18. Toezichthouders </al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.</al><al/><al>Het is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van de
                    ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen van
                    toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college geschieden. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo.</al><al/><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. </al><al/><al>Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die
                    bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht
                    op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift,
                    zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan
                    plaatsvinden. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                    inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor
                    zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN</tussenkop><al/><al>Artikel 19. Intrekken oude regeling </al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de Monumentenverordening gemeente
                    Ridderkerk 1997, zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde
                    onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet
                    achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere
                    regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al><al/><al>Artikel 20. Overgangsrecht</al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10). In het eerste lid worden de op grond
                    van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende
                    monumenten geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe
                    verordening.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze
                    verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een
                    bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. </al><al/><al>Artikel 21. Inwerkingtreding </al><al>Deze verordening treedt in werking één dag na de publicatie hiervan.</al><al/><al>Artikel 22. Citeertitel </al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>