<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR305673_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Archeologieverordening Ridderkerk 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeentejournaal, 10-10-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Archeologieverordening Ridderkerk 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=38">Monumentenwet 1988, art. 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeentestukken 2013 - 267</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Archeologieverordening Ridderkerk 2013
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad der gemeente Ridderkerk;</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 augustus
                        2013;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 149 Gemeentewet en artikel 38 Monumentenwet; </al>
          <al/>
          <al>b e s l u i t :</al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de: </al>
          <al/>
          <al>
            <vet>ARCHEOLOGIEVERORDENING RIDDERKERK 2013</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Monumentenwet: de Monumentenwet 1988;</al></li>
              <li nr="b."><al>beschermd archeologisch monument:</al><al>1.beschermd monument als bedoeld in artikel 1, onderdeel d van
                                    de Monumentenwet, voor zover het betreft een beschermd
                                    archeologisch monument als bedoeld in artikel 1, onderdeel c van
                                    die wet;</al></li>
              <li nr="c."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologisch belangrijke plaatsen en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangewezen;</al></li>
              <li nr="d."><al>archeologisch belangrijke plaats: terrein, aangewezen op de
                                    gemeentelijke archeologische waardenkaart, dat van algemeen
                                    belang is wegens daar aanwezige archeologische vondsten en
                                    sporen, niet zijnde een beschermd archeologisch monument;</al></li>
              <li nr="e."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangewezen op de
                                    gemeentelijke archeologische waardenkaart, waarin sprake is van
                                    een lage, redelijk hoge of hoge verwachting; </al></li>
              <li nr="f."><al>lage archeologische verwachting: kleine kans op archeologische
                                    vondsten, sporen of informatie;</al></li>
              <li nr="g."><al>redelijk hoge archeologische verwachting; gemiddelde kans op
                                    archeologische vondsten, sporen of informatie;</al></li>
              <li nr="h."><al>hoge archeologische verwachting: grote kans op archeologische
                                    vondsten, sporen of informatie.</al></li>
              <li nr="i."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li>
              <li nr="j."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE WAARDENKAART</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Vaststelling gemeentelijke archeologische waardenkaart</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college stelt voor het grondgebied van de gemeente de
                                gemeentelijke archeologische waardenkaart vast.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De gemeentelijke archeologische waardenkaart bevat tenminste
                                plaatselijke aanduidingen, kadastrale aanduidingen, eventuele
                                archeologisch belangrijke plaatsen en archeologische
                                verwachtingsgebieden. Tevens wordt op de kaart het voor deze
                                plaatsen en gebieden te volgen beleid met betrekking tot
                                grondroerende werkzaamheden vermeld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De gemeentelijke archeologische waardenkaart is digitaal voor ieder
                                ter inzage beschikbaar.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Aanwijzing als archeologisch belangrijke plaats</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                terrein - niet zijnde een beschermd archeologisch rijksmonument -
                                voorlopig aanwijzen als archeologisch belangrijke plaats.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Met ingang van het tijdstip waarop een besluit tot voorlopige
                                aanwijzing aan de eigenaar en anderszins rechthebbenden is
                                bekendgemaakt, geniet de plaats voorbescherming doordat het bepaalde
                                in artikel 4 van overeenkomstige toepassing is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Op de voorbereiding van een aanwijzingsbesluit is afdeling 3.4 van
                                de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het college neemt zo
                                spoedig mogelijk na het doorlopen van de uniforme openbare
                                voorbereidingsprocedure een definitief besluit omtrent het al dan
                                niet aanwijzen van het terrein.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De aanwijzing vervalt indien een archeologisch belangrijke plaats
                                onherroepelijk wordt aangewezen als beschermd archeologisch
                                rijksmonument op grond van de Monumentenwet 1988.</al>
              <al>Artikel 4 Verbodsbepaling verstoring</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het is verboden om in een archeologisch belangrijke plaats
                                        of in een archeologisch verwachtingsgebied de bodem dieper
                                        dan de op de gemeentelijke archeologische waardenkaart
                                        aangegeven verstoringsdiepten te verstoren.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch
                                                verwachtingsgebied en waarbij die verstoring
                                                plaatsvindt:</al><lijst>
                        <li nr="-"><al>in een gebied met een lage tot redelijk hoge
                                                  archeologische verwachting en het te verstoren
                                                  gebied kleiner is dan 200 m2;</al></li>
                        <li nr="-"><al>in een gebied met een hoge archeologische
                                                  verwachting en het te verstoren gebied kleiner is
                                                  dan 100 m2;</al></li>
                      </lijst></li>
                    <li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn
                                                opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;
                                            </al></li>
                    <li nr="c."><al>bij een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6,
                                                eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet
                                                ruimtelijke ordening of bij een projectbesluit als
                                                bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die
                                                wet, verplichtingen zijn opgelegd of voorschriften
                                                zijn opgenomen in het belang van de archeologische
                                                monumentenzorg;</al></li>
                    <li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot
                                                de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
                                                verstoring van een archeologisch belangrijke plaats
                                                of archeologisch verwachtingsgebied, zoals: </al><lijst>
                        <li nr="-"><al>het treffen van maatregelen om de aanwezige
                                                  archeologische overblijfselen in de bodem te
                                                  behouden; </al></li>
                        <li nr="-"><al>het verrichten van archeologisch veldonderzoek
                                                  ten einde de archeologische overblijfselen te
                                                  documenteren;</al></li>
                        <li nr="-"><al>begeleiding van de werkzaamheden door een
                                                  gekwalificeerd archeoloog.</al></li>
                      </lijst></li>
                    <li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische
                                                waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel
                                                van het college in voldoende mate is vastgesteld en
                                                waaruit blijkt dat: </al><lijst>
                        <li nr="-"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                  voldoende mate kan worden geborgd; of </al></li>
                        <li nr="-"><al>de archeologische waarden door de verstoring
                                                  niet onevenredig worden geschaad; of </al></li>
                        <li nr="-"><al>in het geheel geen archeologische waarden
                                                  aanwezig zijn. </al></li>
                      </lijst></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al/>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Verbodsbepaling verstoring bij ontwerpbesluit</titel>
            </kop>
            <al>Vanaf het moment dat het ontwerp van het te nemen besluit tot
                                vaststelling van een gemeentelijke archeologische waardenkaart als
                                bedoeld in artikel 2, eerste lid ter inzage ligt overeenkomstig
                                artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, en tot het moment
                                dat het besluit genomen is, is artikel 3 op de daarin opgenomen
                                archeologisch belangrijke plaatsen en archeologische
                                verwachtingsgebieden van overeenkomstige toepassing. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Opgravingen en begeleiding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Ridderkerk onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen
                                als bedoeld in artikel 1 onder i van deze verordening, waarbij
                                nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li>
                <li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een
                                plan van aanpak als bedoel in artikel 1 onder n van deze verordening
                                ter goedkeuring aan het college te overleggen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al> Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                archeologische monumentenzorg.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Strafbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Overtreding van artikel 4, eerste lid en artikel 5 van deze verordening,
                            wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een
                            geldboete van de tweede categorie.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Toezicht</titel>
            </kop>
            <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            regeling zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen
                            personen. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt de dag na bekendmaking in werking.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Archeologieverordening
                            Ridderkerk 2013’.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van</ondertekening>
        <ondertekening>12 september 2013</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>Dhr. J.G. van Straalen Mw. A. Attema</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>TOELICHTING OP DE ARCHEOLOGIEVERORDENING RIDDERKERK 2013</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>A. </vet>
          <vet>ALGEMENE TOELICHTING OP
                            ARCHEOLOGIEVERORDENING</vet>
        </al>
        <al>In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa
                            aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de
                            bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. De afspraken van
                            Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (een
                            wijziging van de Monumentenwet 1988), die op 1 september 2007 in werking
                            is getreden. </al>
        <al>Deze wet verplicht de raad om, bij vaststelling van een bestemmingsplan
                            rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten
                            archeologische monumenten. </al>
        <al/>
        <al>Door artikel 38 van de Monumentenwet 1988 heeft de gemeenteraad de
                            mogelijkheid gekregen om enkele aspecten van de archeologische
                            uitvoeringspraktijk reeds bij verordening te regelen. Onderhavige
                            verordening beschermt het archeologische erfgoed tot het moment dat de
                            bestemmingsplannen zijn aangepast in het belang van de archeologische
                            monumentenzorg en vervolgens, voor zover nog van toepassing, in
                            aanvulling op de bestemmingsplannen. In artikel 38, tweede lid van de
                            Monumentenwet 1988 is namelijk geregeld, dat een verordening slechts van
                            kracht blijft, voor zover zij niet in strijd is met een nieuw van kracht
                            geworden bestemmingsplan, dat op dezelfde wijze als de verordening het
                            archeologisch erfgoed beschermt. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>B. </vet>
          <vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING OP
                                </vet>
          <vet>ARCHEOLOGIE</vet>
          <vet>VERORDENING</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 1</vet>
          <vet> ALGEMENE BEPALING</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>Onderscheid dient te worden gemaakt tussen een archeologisch belangrijke
                            plaats en een beschermd archeologisch monument. In de Monumentenwet 1988
                            is reeds geregeld dat het verstoren van een archeologisch
                            (rijks)monument verboden is. Ook is in die regelgeving aangegeven, dat
                            dit verbod niet geldt op het moment dat er vergunning is verleend. </al>
        <al/>
        <al>De overige begripsbepalingen behoeven geen nadere toelichting.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 2</vet>
          <vet> GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE
                                WAARDENKAART</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 2 Vaststelling gemeentelijke archeologische
                                waardenkaart</vet>
        </al>
        <al>Op grond van het eerste lid stelt het college een gemeentelijke
                            archeologische waardenkaart vast voor het grondgebied van de gemeente.
                            Een dergelijk besluit tot vaststelling is, vanwege de daarbij aangewezen
                            archeologisch belangrijke plaatsen en archeologische
                            verwachtingsgebieden, een besluit van algemene strekking. Op grond van
                            het vierde lid is op de voorbereiding van zo’n besluit afdeling 3.4 van
                            de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In deze afdeling is de
                            uniforme openbare voorbereidingsprocedure geregeld. </al>
        <al/>
        <al>Onder de bevoegdheid tot vaststelling dient eveneens de bevoegdheid tot
                            wijziging en intrekking te worden verstaan.</al>
        <al/>
        <al>In het tweede lid is opgenomen wat de gemeentelijke archeologische
                            waardenkaart zoal dient te vermelden. Op de gemeentelijke archeologische
                            waardenkaart dienen de toegstane verstoringsdiepten te worden
                            aangegeven. Zo kan per archeologisch belangrijke plaats en per
                            archeologisch verwachtingsgebied worden aangegeven binnen welke diepten
                            het is toegestaan de bodem te verstoren. Als de bodem dieper dan de
                            aangegeven verstoringsdiepten wordt verstoord, dan treedt het verbod van
                            artikel 4, eerste lid in werking.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 3 Aanwijzing als archeologisch belangrijke
                            plaats</vet>
        </al>
        <al>In het vierde lid is geregeld dat het onderscheid tussen een
                            archeologisch belangrijke plaats en een beschermd archeologisch monument
                            tot gevolg heeft dat de aanwijzing van een archeologisch belangrijke
                            plaats komt te vervallen op het moment dat die plaats onherroepelijk is
                            aangewezen als een beschermd archeologisch (rijks)monument. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 4 Verbodsbepaling verstoring</vet>
        </al>
        <al>Het eerste lid bevat het verbod om de bodem te verstoren in geval van
                            een archeologisch belangrijke plaats of in een archeologisch
                            verwachtingsgebied. Bodemverstoring treedt op ten gevolge van
                            grondingrepen die direct samenhangen met de aanleg of het onderhoud van
                            bouwwerken en infrastructuur zoals woningbouw, sloop, ontgraving, heien,
                            ophogen, saneren, de aanleg of het verleggen van kabels en leidingen,
                            het rooien van bomen, de aanleg van kelders, waterpartijen en
                            parkeergarages, grondwaterverlaging of -verhoging en baggeren.</al>
        <al/>
        <al>In het tweede lid is aangegeven in welke gevallen het verbod uit het
                            eerste lid niet van toepassing is. In het gestelde onder a is de
                            verwachting gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren archeologisch
                            verwachtingsgebied. Onderdeel b ziet op de situatie dat het
                            bestemmingsplan wel al overeenkomstig artikel 38a, artikel 39 en/of
                            artikel 40 van de Monumentenwet 1988 is aangepast. Onderdeel c is
                            afgeleid van het bepaalde in artikel 41 van de Monumentenwet 1988. </al>
        <al/>
        <al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van
                            dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen
                            aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                            archeologisch belangrijke plaats of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op
                            een ´Malta-proof’ bestemmingsplan kunnen deze nadere regels inhoudelijk
                            aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een
                            archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden
                            worden uitgevoerd aan de hand van een omgevingsvergunning, waarin
                            vereisten omtrent de bescherming van archeologische waarden zijn
                            opgenomen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 5 Verbodsbepaling verstoring bij ontwerpbesluit</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat archeologische waarden
                            worden verstoord voordat het definitieve besluit tot vaststelling van de
                            gemeentelijke archeologische waardenkaart is genomen. De verboden, de
                            uitzonderingen en de ontheffingsmogelijkheid van artikel 5 zijn
                            gedurende het ontwerpbesluit van overeenkomstige toepassing. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 6 Opgravingen en begeleiding</vet>
        </al>
        <al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                            functioneren indien een gemeente hierover actief de archeologische
                            onderzoekers informeert. Om de bedoelde regierol goed te kunnen
                            uitoefenen dient het college een programma van eisen op te stellen
                            waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                            archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de
                            opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij
                            specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma van eisen
                            denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de leden 2 en 3
                            kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
                            feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het
                            plan van aanpak.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 3</vet>
          <vet> SLOTBEPALINGEN</vet>
        </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 7 Strafbepaling</vet>
        </al>
        <al>Op grond van artikel 154 Gemeentewet is de raad bevoegd op overtreding
                            van zijn verordeningen straf te stellen. In onderhavige verordening is
                            overtreding van de verboden van artikel 4, eerste lid en artikel 5
                            strafbaar gesteld. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 8 Toezicht</vet>
        </al>
        <al>De burgemeester is bevoegd toezichthouders aan te wijzen. De
                            bevoegdheden van de toezichthouders zijn geregeld in Afdeling 5.2. van
                            de Algemene wet bestuursrecht.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 9 Inwerkingtreding</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikel 10 Citeertitel</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>