<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR305610_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-11-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Liemers Lantaren, 17 oktober
                2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wwb, IOAW en IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>13-049</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en Ioaz 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de Wwb</cursief>: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al><cursief>de Awb</cursief>: de Algemene Wet
                                            bestuursrecht;</al></li><li nr="c."><al><cursief>de Ioaw</cursief>: de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze</al><al> werknemers;</al></li><li nr="d."><al><cursief>de Ioaz</cursief>: de Wet inkomensvoorziening
                                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen</al><al> zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al><cursief>de Wet Suwi</cursief>: de Wet structuur
                                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="f."><al><cursief>verlaging</cursief>: verlaging van de
                                            bijstandsnorm of de grondslag;</al></li><li nr="g."><al><cursief>de uitkeringsnorm</cursief><cursief>:
                                            </cursief>de bijstandsnorm op grond van de Wwb,
                                            inclusief gemeentelijke toeslagen</al><al> en verlagingen en vakantietoeslag, dan wel de grondslag
                                            op grond van de Ioaw en de Ioaz; </al></li><li nr="h."><al><cursief>de </cursief><cursief>uitkering</cursief>:
                                            algemene bijstand op grond van de Wwb, alsmede een
                                            uitkering op grond van de</al><al> Ioaw en de Ioaz;</al></li><li nr="i."><al><cursief>re-integratietraject: </cursief>door de
                                            gemeente aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling,</al><al> waaronder begrepen sociale activering;</al></li><li nr="j."><al><cursief>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                                in de voorziening van het bestaan</cursief>:
                                            het</al><al> verrichten van handelingen door belanghebbende dan wel
                                            het nalaten daarvan waardoor </al><al> eerder een beroep op uitkering wordt gedaan dan wel de
                                            uitkeringsverstrekking langer </al><al> voortduurt;</al></li><li nr="k."><al><cursief>belanghebbende</cursief>: de alleenstaande, de
                                            alleenstaande ouder of ieder van de meerderjarige</al><al> rechthebbende gezinsleden hier te lande die in zodanige
                                            omstandigheden verkeren of dreigen </al><al> te geraken dat zij recht hebben op een uitkering.</al></li><li nr="l."><al><cursief>het college</cursief>: het college van
                                            burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="m."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>voor zover er begrippen in deze verordening niet nader worden
                                    omschreven, hebben deze</al><al> dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand, de wet
                                    inkomensvoorziening oudere en </al><al> gedeeltelijk arbeidsongeschikt werkloze werknemers, de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en </al><al> gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de
                                    Algemene bestuurswet en de </al><al> Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer belanghebbende naar het oordeel van het college de
                                verplichtingen die de Wwb, de Ioaw, de Ioaz en de Wet Suwi aan het
                                recht op uitkering verbinden niet of niet voldoende nakomt,
                                waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                                college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor
                                de voorziening in het bestaan wordt overeenkomstig deze verordening
                                een verlaging opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12
                                Wwb; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid moet in de hoofdstukken 2 en 3
                                ‘uitkeringsnorm’ worden gelezen als ‘uitkeringsnorm’ plus de op
                                grond van artikel 12 Wwb verleende bijzondere bijstand’;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verlaging kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop
                                belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode waarop de
                                verlaging betrekking heeft, indien er geen grond voor verlaging zou
                                zijn geweest. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot toepassen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage dan wel het bedrag van de verlaging waarmee de
                                    uitkering wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Schriftelijke waarschuwing</titel></kop><al>Bij elke verwijtbare gedraging genoemd in deze verordening kan worden
                            afgezien van het</al><al>toepassen van de verlaging. Er kan worden volstaan met het geven van een
                            schriftelijke</al><al>waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            verplichting plaatsvindt binnen een</al><al>periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                            belanghebbende een</al><al>schriftelijke waarschuwing bekend is gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>De duur van de verlaging, zoals omschreven in deze verordening, wordt
                            verdubbeld indien de</al><al>belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit
                            waarbij een verlaging is</al><al>opgelegd, zich opnieuw schuldig maakt aan dezelfde of hogere verwijtbare
                            gedraging.</al><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld
                            het besluit om daarvan af te</al><al>zien op grond van dringende redenen, zoals bedoeld in artikel 8 lid 2
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt toegepast wordt de belanghebbende
                                    eerst in de gelegenheid gesteld</al><al> zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren</al><al> te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                                            omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan</al><al> wie het college met toepassing van artikel 7 van de Wwb
                                            of artikel 34 van zowel de Ioaw en </al><al> Ioaz werkzaamheden in het kader van deze wetten heeft
                                            uitbesteed, om binnen een gestelde </al><al> termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in
                                            artikel 17 van de Wwb, de Ioaw en ioaz.</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de</al><al> mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
                                            gedraging door het college heeft</al><al> plaatsgevonden. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor
                                    dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van
                                    dringende redenen, wordt een</al></li></lijst><al> belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de
                                bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12
                                Wwb over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot
                                het toepassen van de verlaging aan een belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor
                                die belanghebbende geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat
                                de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met
                                terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de
                                periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. Het recht op
                                uitkering wordt over deze kalendermaand herzien of ingetrokken en
                                als gevolg daarvan wordt de ten onrechte verstrekte of tot een te
                                hoog bedrag aan verstrekte uitkering teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich in één kalendermaand schuldig maakt aan
                            verschillende</al><al>gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in
                            artikel 2, eerste lid,</al><al>inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging
                            uitgegaan van de</al><al>gedraging waarop de zwaarste verlaging is gesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van
                            artikel 9 Wwb, artikel 9a Wwb, artikel 55 Wwb, respectievelijk artikel
                            37 Ioaw, artikel 38 Ioaw, artikel 37 Ioaz en artikel 38 Ioaz niet of
                            onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën: </al><al>1.Eerste categorie: </al><al>Bij de volgende gedraging wordt de uitkering gedurende één maand met 10%
                            van de uitkeringsnorm verlaagd: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    UWV Werkbedrijf of het niet tijdig verlengen van de
                                    registratie.</al><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
                            30% van de uitkeringsnorm verlaagd: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot</al><al> arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar de
                                    geschiktheid voor scholing of </al><al> opleiding.</al><lijst><li nr="3."><al>Derde categorie</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
                            50% van de uitkeringsnorm verlaagd: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening</al><al> zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b Wwb en artikel 10
                                    lid 1 Wwb, respectievelijk</al><al> artikel 36 lid 1 Ioaw en artikel 37 lid 1 onderdeel e Ioaz en
                                    artikel 36 lid 1 Ioaz en</al><al> artikel 37 lid 1 onderdeel e Ioaz, voor zover dit <cursief>niet
                                    </cursief>heeft geleid tot het geen doorgang</al><al> vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;
                                </al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van
                                    een plan van aanpak zoals</al><al> bedoeld in artikel 44a Wwb, indien van toepassing. </al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen zoals bedoeld in</al><al> artikel 9 lid 1 onderdeel b Wwb respectievelijk artikel 37 lid
                                    1 onderdeel e Ioaw en artikel 37 </al><al> lid 1 onderdeel e Ioaz niet te willen nakomen, wat heeft geleid
                                    tot het intrekken van de </al><al> ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
                                    zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 </al><al> Wwb respectievelijk 38 lid 1 Ioaw en artikel 38 lid 1
                                    Ioaz.</al></li><li nr="d."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in
                                    artikel 9 lid 1 Wwb of</al><al> artikel 55 Wwb, voor zover het gaat om een persoon jonger dan
                                    27 jaar, gedurende vier </al><al> weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 Wwb.
                                </al></li><li nr="e."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar</al><al> vermogen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c Wwb,
                                    artikel 37 lid 1 onderdeel f Ioaw </al><al> of artikel 37 lid 1 onderdeel f Ioaz. </al><lijst><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij de volgende gedragingen wordt de uitkering gedurende één maand met
                            100% van de uitkeringsnorm verlaagd: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening</al><al> gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                    onderdeel b Wwb en artikel 10 </al><al> lid 1 Wwb respectievelijk artikel 36 lid 1 Ioaw en artikel 37
                                    lid 1 onderdeel e Ioaz en artikel </al><al> 36 lid 1 Ioaz en artikel 37 lid 1 onderdeel e Ioaz, voor zover
                                    dit heeft geleid tot het geen </al><al> doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                    voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Belanghebbende jonger dan 27 jaar</titel></kop><al>Onder de gedragingen, bedoeld in artikel 10 wordt niet begrepen houding
                            en gedragingen van een belanghebbende jonger dan 27 jaar waaruit
                            ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9,
                            eerste lid van de Wwb niet wil nakomen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt, indien een belanghebbende een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan heeft betoond, anders dan door gedragingen als bedoeld in
                            artikel 9 Wwb en artikel 37 Ioaw en Ioaz, de uitkering verlaagd:</al><al>a.met 100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand, indien
                            belanghebbende verwijtbaar</al><al> geen of geen volledig recht heeft op een uitkering krachtens een
                            sociale verzekering of daarmee </al><al> naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private
                            verzekering, dan wel</al><al> het verwijtbaar verliezen van een zodanig recht;</al><al>b.met 10% van de uitkeringsnorm per maand gedurende de periode waarop
                            belanghebbende niet</al><al> op uitkering zou zijn aangewezen indien hij op verantwoorde wijze de
                            middelen waarover hij</al><al> beschikte of redelijkerwijze kon beschikken zou hebben aangewend;</al><al>c.met 50% van de uitkeringsnorm gedurende twee maanden, indien een
                            voorliggende voorziening</al><al> in verband met verrekening van de recidiveboete niet tot uitbetaling
                            komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de Wwb, Ioaw of Ioaz, wordt
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, een verlaging opgelegd van 100% van
                            de uitkeringsnorm gedurende één maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>1.Indien belanghebbende één van de overige aan de uitkering verbonden
                            verplichtingen schendt,</al><al> wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een
                            verlaging toegepast van 20% van </al><al> de uitkeringsnorm gedurende één maand;</al><al>2.In afwijking van het eerste lid wordt de bijstand geweigerd, indien de
                            belanghebbende</al><al> geen medewerking verleent aan het stellen van zekerheid als bedoeld in
                            artikel 48, derde lid, </al><al> Wwb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Belanghebbende jonger dan 27 jaar</titel></kop><al>Onder de gedragingen van artikel 14, eerste lid, wordt niet begrepen
                            houding en gedragingen van</al><al>een belanghebbende jonger dan 27 jaar waaruit blijkt dat hij de
                            verplichtingen, bedoeld in artikel 55</al><al>Wwb niet wil nakomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van
                            de belanghebbende</al><al>afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot</al><al>onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van de Afstemmingsverordening ligt bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw
                            en Ioaz 2013”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De geldende “Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en de Ioaz”, die met
                            ingang van 1 januari 2012 in werking is getreden, wordt ingetrokken met
                            ingang van 1 november 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en Ioaz
                        2013</titel></kop><al><vet>Rechten en plichten in de Wwb</vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de Wwb een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. </al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                    bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering. </al><al>Artikel 18 lid 1 Wwb spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 Wwb legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                    worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    indien het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. </al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18 lid 1 Wwb van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive. </al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 Wwb. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                    besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                    belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                    uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake
                    is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de
                    eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB). Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening
                    moet niet gezien worden als een strafrechtelijke sanctie. </al><al><vet>Afstemmen in de Ioaw en de Ioaw</vet></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een Ioaw of Ioaz uitkering
                    te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 Ioaw
                    en artikel 20 Ioaz). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een
                    verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b Ioaw en artikel 35 lid 1 onderdeel b
                    Ioaz). </al><al><vet>Schenden van de inlichtingenplicht </vet></al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wwb, Ioaw en
                    Ioaz. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en
                    komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en Ioaz
                        2013</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen Eerste lid</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen Eerste lid</titel></kop><al>Een groot aantal begrippen in deze verordeningen worden hier nader
                        verklaard. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Voor zover er begrippen in deze verordeningen niet in het eerste lid zijn
                        omschreven, hebben deze dezelfde betekenis als de omschrijving in de Wwb,
                        Ioaw, Ioaz, de Awb en de gemeentewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De Wwb, Ioaw en de Ioaz verbinden aan het recht op een uitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening in het bestaan ( bijv. artikel 18, tweede lid, Wwb).</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 en artikel 9a Wwb en
                        artikel 37 van zowel de Ioaw als</al><al>de Ioaz). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen:</al><al>·de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                        deze te</al><al>aanvaarden; en</al><al>·de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening
                        gericht op</al><al>ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al><al>Het re-integratie- en activeringsbeleid vormen de basis voor het toepassen
                        van de specifieke re-integratieverplichtingen. Deze verplichtingen worden in
                        een besluit vastgelegd.</al><al>Artikel 18, tweede lid, Wwb, noemt als een gedraging die in ieder geval een
                        schending van de</al><al>medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen’.</al><al>Daarnaast dient er een verlaging te worden toegepast wanneer er ongenoegzaam
                        besef van verantwoordelijkheid is getoond voor de voorziening in het
                        bestaan. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In de Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting</al><al>betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste
                        (percentuele) verlaging van</al><al>de uitkeringsnorm.</al><al>In het tweede lid is de volgende hoofdregel neergelegd: het college dient
                        een op te leggen</al><al>verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende en de mate</al><al>van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij
                        elke op te leggen</al><al>verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de
                        betrokken</al><al>belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                        standaardverlaging</al><al>geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als
                        een matiging</al><al>betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                        toegepast er sprake is van verwijtbaar gedrag, en zo ja dan moeten de
                        volgende drie stappen worden doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        (artikelen 10, 12, 13 en 14 van deze verordening) waarmee de uitkering wordt
                        verlaagd.</al><al>Matiging van de toegepaste verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de</al><al>volgende gevallen aan de orde zijn:</al><al>uitzonderlijke financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                        extreem hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere
                        aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming</al><al>mogelijk is;</al><al>bijzondere sociale omstandigheden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In artikel 3 lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat
                        een verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm
                        wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of
                        verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de
                        Ioaw of de Ioaz wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5
                        Ioaw / Ioaz. <cursief>Tweede</cursief><cursief> en </cursief><cursief>derde
                            </cursief><cursief>lid</cursief></al><al>In artikel 3 lid 2 van deze verordening is bepaald dat een verlaging ook kan
                        worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende
                        bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 Wwb.
                        Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                        noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand
                        in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage
                        jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                        opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid, onderdeel a,
                        geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de
                        bijstandsnorm +/+ de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12
                        Wwb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats
                        door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende
                        bezwaar en beroep indienen. In artikel 4 van deze verordening is aangegeven
                        wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                        rechtstreeks voort uit de Awb en dan met name uit het motiveringsvereiste.
                        Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                        van een deugdelijke motivering is voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Schriftelijke waarschuwing</titel></kop><al>De verlaging wordt afgestemd op de omstandigheden van de belanghebbende.
                        Indien daartoe een</al><al>dringende reden aanwezig is, kan het college afzien van de verlaging.</al><al>Daarnaast houdt het college rekening met de ernst van de gedraging in
                        relatie tot de verlaging. Het</al><al>college kan, indien het van mening is dat dit meer in verhouding staat met
                        de ernst van de</al><al>gedraging, besluiten geen verlaging toe te passen, maar te volstaan met een
                        waarschuwing.</al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen verlaging. Dit wil zeggen dat bij
                        herhaling van de gedraging</al><al>in principe een verlaging wordt toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan 100%. Daarom is bij
                        gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een
                        verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de
                        eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die
                        aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien wegens dringende redenen
                        is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid
                        van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het
                        niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen.
                        Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het
                        tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd is verzonden.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van het besluit. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). Wanneer
                        betrokkene geen gebruik maakt van het aangeboden hoorrecht, vindt het
                        besluit plaats zonder dat betrokkene wordt gehoord. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18 lid 2 Wwb
                        (respectievelijk artikel 20 lid 3 Ioaw en artikel 20 lid 3 Ioaz). Aangenomen
                        moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van
                        verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is
                        aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan
                        het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                        verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                        toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 6 van deze
                        verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1 Wwb van
                        een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende
                        gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel
                        7 lid 1 onderdeel b van deze verordening dat het college geen verlagingen
                        oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde
                        niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente
                        overgaat tot het opleggen van een verlaging. </al><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In artikel 7 lid 2 van deze verordening is geregeld dat kan worden afzien
                        van het opleggen van een verlaging indien daarvoor dringende redenen
                        aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het
                        opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk
                        zijn indien voor de belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden
                        optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                        uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                        principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk
                        van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er
                        kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten
                        aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen
                        voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat
                        ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een
                        verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen van een
                        uitkering. </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive (artikel 7 lid 3 van deze verordening). Het opleggen
                        van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 6 van deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvlak van de verlaging</titel></kop><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot
                        herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde
                        bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt
                        opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de
                        kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van
                        de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand
                        geldende bijstandsnorm. </al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan de</al><al>verlaging van de uitkering worden verrekend met het bedrag dat nog moet
                        worden uitbetaald. Dit</al><al>kan zich onder andere voordoen wanneer de aanvraag om een uitkering een
                        gevolg is van</al><al>verwijtbare werkloosheid. In zo’n geval wordt op grond van het 2<sup>e</sup>
                        lid de verlaging vanaf de ingangsdatum van uitkering toegepast</al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                        gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast
                        (zie lid 3). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een
                        bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk
                        tot teveel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het
                        afstemmingsbesluit teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid
                        2 onderdeel a Wwb, respectievelijk artikel 25 lid 2 Ioaw en Ioaz, worden
                        teruggevorderd. Hierbij moet wel worden bedacht dat afstemming met
                        terugwerkende kracht niet altijd mogelijk is. Als de gehele uitkering over
                        de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets
                        meer om af te stemmen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen</al><al>van een belanghebbende die in een kalendermaand plaatsvinden. Indien hiervan
                        sprake is, dan</al><al>dient voor het toepassen van de verlaging te worden uitgegaan van de
                        gedraging waarop de</al><al>zwaarste verlaging van toepassing is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 10, zijn
                        ondergebracht in 4 categorieën. Aan die categorieën wordt een gewicht
                        toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                        gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                        naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen
                        of behouden van betaalde arbeid. </al><al><cursief>Eerste lid: </cursief><cursief>Eerste</cursief><cursief> categorie</cursief></al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende
                        in te schrijven bij het</al><al>UWV WERKbedrijf en ingeschreven te blijven staan. Er is gekozen voor een
                        verlaging van 10%</al><al>gedurende één maand, omdat het hier gaat om een administratieve verplichting
                        welke niet direct</al><al>gevolgen heeft voor de uitstroomverplichting.</al><al><cursief>Tweede lid: Tweede categorie</cursief></al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling
                        gericht op de arbeidsmarkt, de</al><al>eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende
                        te solliciteren, te</al><al>voldoen aan een oproep. Er is gekozen voor een verlaging van 30% gedurende
                        één maand, omdat</al><al>het hier gaat om een mentaliteitsverandering met betrekking tot de
                        medewerkingsverplichting.</al><al><cursief>Derde lid: Derde categorie</cursief></al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                        vormen tot een beroep op</al><al>uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Voorbeelden van
                        deze categorie zijn</al><al>negatieve gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het
                        opgestelde plan van</al><al>aanpak voor jongeren tot 27 jaar waarin ook sociale activering verplicht kan
                        worden gesteld. Er is gekozen voor een verlaging van 50% gedurende één
                        maand, omdat het hier gaat om een</al><al>negatieve houding van belanghebbende en het opwerpen van belemmeringen ten
                        aanzien van het</al><al>aanvaarden van arbeid c.q. re-integratietraject en om gedragingen die de
                        kansen op arbeidsinschakeling verminderen.</al><al><cursief>Lid 3 onderdeel d</cursief><cursief>: Inspanningen jongeren in eerste vier weken na de melding
                        </cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9
                        lid 1 Wwb). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden
                        beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding
                        (artikel 43 lid 4 en 5 Wwb), de zogenaamde zoektijd. Is geen enkele
                        inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13 lid 2 onderdeel d
                        Wwb geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het
                        oordeel van het college onvoldoende, dan kan het college de uitkering
                        verlagen. </al><al><cursief>Vierde lid: </cursief><cursief>Vierde categorie</cursief></al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid dan wel het</al><al>door eigen toedoen -voorafgaand aan de aanvraag- niet behouden van algemeen
                        geaccepteerde</al><al>arbeid dan wel het niet behouden van deeltijdarbeid tijdens de bijstand en
                        van het niet doorgaan</al><al>van een re-integratietraject. Er is gekozen voor een verlaging van 100%
                        gedurende één maand,</al><al>omdat door het eigen toedoen van belanghebbende uitkering moet worden
                        verstrekt terwijl er</al><al>mogelijkheden dan wel kansen aanwezig zijn om uit te stromen naar de
                        arbeidsmarkt. Dan een door de gemeente noodzakelijk geacht
                        re-integratietraject door toedoen van belanghebbende niet is
                        doorgegaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Belanghebbende jonger dan 27 jaar</titel></kop><al>Indien uit de houding en gedragingen van een belanghebbende jonger dan 27
                        jaar ondubbelzinnig</al><al>blijkt dat hij de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, of
                        artikel 55 van de wet niet wil</al><al>nakomen, dan verbindt de wet daar zelf gevolgen aan. De bijstand wordt
                        geweigerd (art. 13,</al><al>tweede lid, onderdeel d, Wwb). Een dergelijke gedraging valt dus niet onder
                        het afstemmingsbeleid</al><al>van de gemeente.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                        iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                        voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of
                        voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van
                        een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                        het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen
                        (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger
                        bedrag is aangewezen op bijstand): </al><al>• het te snel interen van vermogen; </al><al>• het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; </al><al>• het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende
                        voorziening;</al><al>• wanneer door verrekening van de recidiveboete de uitbetaling van een
                        andere sociale </al><al> zekerheidsuitkering niet tot uitbetaling komt;</al><al>• het niet nakomen van de verplichting tot instellen van een
                        alimentatievordering;</al><al>• onvoldoende of geen inzet getoond om een uitkeringsaanvraag te
                        voorkomen.</al><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is
                        een gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                        bestaan. Vanwege de samenhang met de arbeidsverplichtingen is er echter voor
                        gekozen deze gedraging onder te brengen in artikel 10 van deze verordening
                        (zie artikel 10 lid 4 onderdeel b). </al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Voor wat betreft het op reguliere wijze interen van het vermogen wordt
                        uitgegaan van een bedrag</al><al>dat gelijk is aan anderhalf maal de van toepassing zijnde
                        bijstandsuitkering. Eventuele inkomsten</al><al>dienen hierop in mindering te worden gebracht. Verder dient rekening te
                        worden gehouden met een</al><al>eventuele noodzaak tot (her)inrichting. Wanneer de noodzaak hiervoor
                        aanwezig is mag een bedrag van anderhalf maal het bedrag dat hiervoor wordt
                        genoemd in de Nibudnormen, worden meegenomen voor deze (her)inrichting. De
                        verlaging bedraagt 10% per maand gedurende de periode dat betrokkene eerder
                        is aangewezen op bijstandsverlening.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>De Ioaw, Ioaz, maar ook de Ziektewet, Wao, Aow en Ww, kennen een afwijkende
                        regeling ten opzichte van de Wwb als het gaat om verrekening van de
                        recidiveboete. Er ligt een verplichting om de recidiveboete gedurende
                        maximaal vijf jaar te verrekenen met de uitkering zonder inachtneming van de
                        beslavrije voet. Uitkeringsgerechtigden die door volledige verrekening van
                        de recidiveboete geen inkomen hebben, kunnen zonodig een beroep doen op de
                        Wwb. De desbetreffende wet wordt dan niet meer als een passende voorliggende
                        voorziening aangemerkt. Wanneer in zo geval een beroep wordt gedaan op een
                        Wwb-uitkering dient een maatregel te worden opgelegd van 50% gedurende twee
                        maanden wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening in het bestaand (artikel 18, lid 2 Wwb). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>De toelichting bij artikel 18, tweede lid, Wwb stelt dat het zich zeer
                        ernstig misdragen een</al><al>bijzondere vorm is van het niet nakomen van aan de uitkering bevonden
                        verplichtingen. De</al><al>Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat de Wwb geen
                        afzonderlijke plicht bevat tot</al><al>het nalaten van zeer ernstige misdraging. Het recht op bijstand kan daarom
                        alleen worden</al><al>afgestemd wegens het zich zeer ernstig misdragen als dit “zeer ernstig
                        misdragen” heeft</al><al>plaatsgevonden bij het (niet) nakomen van een (andere) aan de bijstand
                        verbonden verplichting.</al><al>De Rechtbank Rotterdam heeft een uitspraak gedaan waarin wordt gesteld dat
                        de bijstand verlaagd</al><al>zou kunnen worden als belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens
                        medewerkers van het:</al><al>UWV, omdat belanghebbende hier ook de inlichtingenplicht heeft;</al><al>re-integratiebedrijf, omdat deze personen werken in opdracht van het
                        college en de misdraging</al><al>van negatieve invloed is op de, op belanghebbende op grond van de Wwb
                        rustende,</al><al>verplichting tot arbeidsinschakeling.</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan,</al><al>zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het
                        normale menselijke</al><al>verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband
                        bestaat tussen de</al><al>ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                        vaststellen van het</al><al>recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer
                        ernstige misdragingen</al><al>moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                        houden met de</al><al>uitvoering van Wwb.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van</al><al>agressief gedrag in een oplopende (steeds ernstiger) reeks worden
                        onderscheiden:</al><al>verbaal geweld (schelden), bedreigingen;</al><al>discriminatie;</al><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al><al>mensgericht fysiek geweld;</al><al>combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de</al><al>omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgevonden.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en</al><al>frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                        toepassen van geweld bewust</al><al>gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van
                        een uitkering).</al><al>Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                        dergelijke kan worden</al><al>aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                        verwijtbaarheid bij</al><al>instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. Het
                        toepassen van een verlaging</al><al>staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt
                        een verlaging op, terwijl de</al><al>functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                        politie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan de bijstand kunnen aanvullende verplichtingen worden gekoppeld.
                        Specifiek moet dan worden</al><al>gedacht aan:</al><al>artikel 55 Wwb: artikel 55 Wwb: het college kan vanaf de dag van melding als
                        bedoeld in artikel 44, tweede lid, Wwb verplichtingen opleggen die strekken
                        tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een
                        bepaalde vorm van bijstand en die strekken tot zijn vermindering of
                        beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich
                        onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard. Wanneer dit
                        zich voordoet bij een jongeren tot 27 jaar binnen de zogenaamde zoektijd,
                        binnen 4 weken na de datum van melding voor het verkrijgen van de uitkering,
                        wordt er een verlaging opgelegd op grond van artikel 10, lid 3 onderdeel
                        d.</al><al>·artikel 56, eerste lid, Wwb: Het instellen van een verzoek tot toekenning
                        van een uitkering tot</al><al>levensonderhoud voor kinderen verschuldigd krachtens Boek 1 van het
                        Burgerlijk Wetboek (alimentatie) kan door het college als verplichting aan
                        de bijstand worden verbonden, indien de belanghebbende hierop aanspraak
                        heeft;</al><al>·Bijstandsbesluit zelfstandigen: Het college kan aan bijstandsverlening op
                        grond van het Bbz</al><al>verplichtingen verbinden gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                        beroepsuitoefening.</al><al>De verlaging die wordt toegepast bedraagt 20% van de uitkeringsnorm
                        gedurende één maand.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Wanneer betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het stellen van
                        zekerheid, zoals staat vermeld in artikel 48, lid 3 Wwb, wordt in afwijking
                        van het 1<sup>e</sup> lid, de uitkering geweigerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Belanghebbende jonger dan 27 jaar</titel></kop><al>Zie toelichting bij artikel 11.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Om de mogelijkheid te hebben om in zeer uitzonderlijke gevallen in het
                        voordeel van de</al><al>belanghebbende af te wijken van de bepalingen van deze verordening is er een
                        hardheidsclausule</al><al>opgenomen.</al><al>Indien hiervan gebruik wordt gemaakt, moet dit gemotiveerd worden
                        toegelicht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van de Wwb, Ioaw en Ioaz en de uitvoering van de
                        Afstemmingsverordening ligt bij het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>In dit artikel is de intrekking van de nu geldende Afstemmingsverordening
                        Wwb, Ioaw en Ioaz opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>In dit artikel is de inwerkingtreding van deze verordening opgenomen.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>