<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR304822_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den IJssel 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJssel- en Lekstreek van 09--2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den IJssel 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149, 154,</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-10-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verseonnr. 536466</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit Spandoekplaatsen</al><al>Aanwijzingsbesluiten</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Capelle aan den IJssel 2009.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den IJssel 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 27 augustus 2013;</al><al>gelet op artikel 149, 154 en 174 van de Gemeentewet;</al><al>gezien het advies van de commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van 17
                        september 2013;</al><al>overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving
                        van de openbare orde;</al><al>b e s l u i t :</al><lijst><li nr="1."><al>in te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening 2009;</al></li><li nr="2."><al>vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den
                                IJssel 2013.</al></li></lijst><al><vet>Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel
                        2013</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening 2009.</al></li><li nr="2."><al>Vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den
                                IJssel 2013.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van</al><al>een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet
                                    algemene bepalingen</al><al>omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende
                                    omgevingsvergunning;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder
                                    wordt verstaan;</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="d."><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="e."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk</al><al>beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="f."><al>openbare plaats: plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                    juncto tweede lid, van de Wet</al><al>openbare manifestaties;</al></li><li nr="g."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="h."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of</al><al>persoonlijk recht;</al></li><li nr="i."><al>weg:</al><al>1°. voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met
                                    inbegrip van de daarin liggende</al><al>bruggen en duikers en de tot die wegen of paden behorende bermen
                                    of zijkanten, alsmede</al><al>de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide
                                    parkeerterreinen;</al><al>2°. voor het publiek - al dan niet met enige beperking -
                                    toegankelijke pleinen en open plaatsen,</al><al>parken, plantsoenen, kennelijk als zodanig ingerichte
                                    kinderspeelplaatsen, zandbakken of</al><al>speelweiden, bossen, en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                    aanlegplaatsen voor</al><al>vaartuigen;</al><al>3°. voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                                    gangen, passages, arcades en</al><al>galerijen,die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde
                                    ruimte toegang geven en niet</al><al>afsluitbaar zijn;</al><al>4°. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                    afsluitbare stoepen, trappen, portieken,</al><al>gangen, passages, arcades, nissen en galerijen; de afsluitbare
                                    alleen gedurende de tijd dat</al><al>zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk
                                    recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning
                            of ontheffing binnen acht</al><al>weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is, tenzij in deze
                            verordening anders is bepaald.</al><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen,
                            tenzij in deze</al><al>verordening anders is bepaald.</al><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht van</al><al>toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als
                            bedoeld in artikel 2:10 of een</al><al>vergunning als bedoeld in artikel 2:11.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                            minder dan drie weken</al><al>vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig
                            heeft, kan het</al><al>bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2.Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                            ontheffingen kan de in</al><al>het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht
                            weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                            worden verbonden.</al><al>Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van
                            het belang of de belangen</al><al>in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de
                            daaraan verbonden</al><al>voorschriften en beperkingen na te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is</al><al>bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                    verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                                    opgetreden na het verlenen</al></li></lijst><al>van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is
                            vanwege het belang of de</al><al>belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                            vereist;</al><al>c.de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden</al><al>nagekomen;</al><al>d.van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een
                            daarin gestelde termijn</al><al>dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een
                            redelijke termijn;</al><al>e.de houder dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is</al><al>bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen
                            verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                            geweigerd in het belang</al><al>van de:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing,
                                onnodig op te dringen of door</al><al>uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al><lijst><li nr="2."><al>Degene die op een de weg:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                                ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft
                                                tot toeloop van publiek waardoor</al></li></lijst></li></lijst><al>ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of</al><al>c.zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;</al><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                vervolgen of zich in de door hem</al><al>aangewezen richting te verwijderen.</al><al>3.Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op wegen die
                                door of vanwege het bevoegd</al><al>bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter
                                voorkoming van ongeregeldheden</al><al>zijn afgezet.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing
                                        op betogingen, vergaderingen en</al></li></lijst><al>godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de
                                Wet openbare</al><al>manifestaties.</al><al>6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                te houden, waaronder</al><al>begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de
                                Wet openbare anifestaties,</al><al>geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 4 maal 24
                                uur voordat de betoging</al><al>wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al><lijst><li nr="2."><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                                en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoginghoudt zal
                                                treffen om een regelmatig verloop te</al></li></lijst></li></lijst><al>bevorderen.</al><lijst><li nr="3."><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt
                                        op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag,</al></li></lijst><al>een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving
                                gedaan uiterlijk op de</al><al>werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00
                                uur.</al><al>5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking verspreiden van voorwerpen voor
                                    handelsreclamedoeleinden</titel></kop><al>1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen aan
                                te bieden, aan te bevelen of</al><al>bekend te maken, leden of donateurs te werven, producten of monsters
                                uit te delen, personen</al><al>staande te houden ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of
                                een onderzoek met het</al><al>kennelijke doel handelsreclame te maken op of aan door het college
                                aangewezen wegen of</al><al>weggedeelten daarvan.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen of uren.</al></li><li nr="3."><al>De verspreider is verplicht de gedrukte stukken of
                                        afbeeldingen direct op te ruimen of te laten</al></li></lijst><al>opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op
                                de weg of een andere voor</al><al>het publiek toegankelijk plaats door het publiek worden weggeworpen
                                of achterblijven.</al><al>4.Het verbod geldt niet voor het huis aan huis verspreiden of het
                                aan huis bezorgen van gedrukte</al><al>of geschreven stukken of afbeeldingen.</al><lijst><li nr="5."><al>De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Afspraken met evenementenorganisatoren kunnen het nodig
                                        maken beperkingen aan</al></li></lijst><al>grootschalige reclame-uitingen op te leggen.</al><al>7.Het college zal de raad vooraf in kennis stellen van een besluit
                                tot het in werking stellen van het</al><al>in het eerste lid gestelde verbod.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><al>1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur</al><al>of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de
                                openbare orde, de openbare</al><al>veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare
                                plaatsen.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></li></lijst><al>Behorende bij raadsvoorstel, nummer 536466</al><al>12</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Bruikbaarheid ten aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, in, aan of boven de weg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college de weg anders te
                                gebruiken dan</al><al>overeenkomstig de publieke functie daarvan.</al><al>2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan, onverminderd het
                                bepaalde in artikel 1:8,</al><al>worden geweigerd:</al><al>a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                oplevert voor de</al><al>bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                daarvan, dan wel een</al><al>belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                weg;</al><al>b.indien het beoogde gebruik, hetzij op zichzelf, hetzij in verband
                                met de omgeving niet voldoet</al><al>aan redelijke eisen van welstand;</al><al>c.in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers van de in de</al><al>nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><lijst><li nr="3."><al>De weigeringgrond als genoemd in het vorige lid:</al><lijst><li nr="a."><al>onder a, geldt niet voor zover in het daarin
                                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                                5</al></li></lijst></li></lijst><al>van de Wegenverkeerswet;</al><lijst><li nr="b."><al>onder b, geldt niet voor vergunningplichtige
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door de Wet</al></li></lijst><al>milieubeheer.</al><al>4.Geen vergunning is vereist voor door het college aangewezen
                                categorieën, waarvan minimaal</al><al>één week van tevoren melding is gedaan bij het college en wordt
                                voldaan aan de algemene</al><al>regels die voor die specifieke categorieën gelden.</al><lijst><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen;</al></li><li nr="b."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:29e;</al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;</al></li><li nr="d."><al>door het college aangewezen categorieën, mits wordt
                                                voldaan aan de algemene regels die</al></li></lijst></li></lijst><al>voor die specifieke categorieën gelden.</al><al>6.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                Rijkswegenreglement of het</al><al>Provinciaal wegenverkeersreglement Zuid-Holland.</al><al>7.Op het verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen</titel></kop><al><vet>van een weg</vet></al><al>1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
                                aan te leggen, de verharding</al><al>daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of
                                breedte van de wegverharding</al><al>te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al><lijst><li nr="2."><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag,
                                                indien de activiteiten zijn verboden bij</al></li></lijst></li></lijst><al>een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit; of</al><lijst><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing
                                                indien in opdracht van een bestuursorgaan of</al></li></lijst></li></lijst><al>openbaar lichaam publieke taken worden verricht.</al><al>4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het Wetboek</al><al>van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale
                                wegenverordening, de</al><al>waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde</al><al>5.Telecommunicatieverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd
                                        gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar een weg in de zin van
                                                artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>van een zodanige weg gebruik te maken voor het
                                                hebben van een uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar
                                                een zodanige weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                                gemeente.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                        geregelde onderwerp wordt voorzien bij</al></li></lijst><al>of krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                Wegenverkeerswet 1994,</al><al>een keur van het betrokken waterschap of de Wegenverordening
                                Zuid-Holland.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1.Het is verboden zich met een winkelwagentje te bevinden buiten de
                                door het college</al><al>aangewezen weg of weggedeelten.</al><al>2.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                beschikking stelt, mede ten behoeve</al><al>van het vervoer van winkelwaren, is verplicht ze te voorzien van de
                                naam van het bedrijf of een</al><al>ander herkenningsteken.</al><al>3.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                beschikking stelt is verplicht</al><al>achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                verwijderen binnen een door</al><al>het college aangewezen weg of weggedeelte in de directe omgeving van
                                de winkel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan</al><al>het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op
                                andere wijze voor het wegverkeer</al><al>hinder of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een</al><al>andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te
                                openen, onzichtbaar te maken of</al><al>af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>1.Het is verboden op, aan of boven het voor het verkeer bestemde
                                deel van de weg op enigerlei</al><al>wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                voorwerpen aan te brengen of te</al><al>hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de
                                weg.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of</al><al>andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit
                                de uiterste boord van de</al><al>weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
                                aangebracht.</al><al>3.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien</al><al>door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23a</nr><titel>(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in
                                    kampeermiddelen</titel></kop><al>Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te
                                slapen, dan wel op of aan de weg een</al><al>voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander
                                onderkomen te plaatsen met het</al><al>kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen
                                dan wel gelegenheid daartoe te</al><al>bieden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder
                                evenement verstaan:</al><al>een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in de
                                openbare ruimte, met</al><al>uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare
                                        inrichting, waarvoor een</al></li></lijst><al>vergunning krachtens artikel 2:28 geldt, mits die vergunning mede
                                betrekking heeft op deze</al><al>verrichting van vermaak;</al><lijst><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder evenement wordt in deze verordening en de
                                                daarop berustende bepalingen mede</al></li></lijst></li></lijst><al>verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>braderie;</al></li><li nr="b."><al>feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                        weg;</al></li><li nr="c."><al>optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                        2:3, op of aan de weg;</al></li><li nr="d."><al>iedere markt met uitzondering van markten als bedoeld in
                                        artikel 160, eerste lid, onder h, van</al></li></lijst><al>de Gemeentewet;</al><al>e.sportwedstrijden, sporttoernooien of sportgala’s die niet worden
                                georganiseerd door een bij</al><al>NOC*NSF aangesloten sportbond of een bij een dergelijke bond
                                aangesloten vereniging.</al><lijst><li nr="3."><al>In deze afdeling worden de volgende evenementen
                                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel,
                                                waarvoor geen vergunning hoeft te</al></li></lijst></li></lijst><al>worden aangevraagd.Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 250
                                mensen;</al><al>b.A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een
                                beperkte impact op de</al><al>omgeving en het verkeer;</al><al>c.B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een
                                grote impact op de</al><al>directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;</al><al>d.C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een
                                grote impact op de stad</al><al>en/of regionale gevolgen voor het verkeer.</al><al>4.Onder evenementenoverzicht wordt in deze afdeling verstaan een
                                lijst met evenementen zoals</al><al>die voor het daarop volgende kalenderjaar door het college is
                                vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenementenvergunning</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, B of
                                C-evenement te</al><al>organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te
                                nemen.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunningaanvraag buiten behandeling
                                        stellen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een A-evenement niet ten minste vier weken voor
                                                aanvang van het evenement is</al></li></lijst></li></lijst><al>aangevraagd;</al><al>b.de vooraankondiging van een B- of een C-evenement niet voor 1
                                november van het jaar</al><al>voorafgaand aan het jaar waarin het evenementenoverzicht wordt
                                vastgesteld, is ingediend;</al><al>c.het B- of C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd
                                niet is opgenomen op het</al><al>evenementenoverzicht welke is vastgesteld voor het jaar waarin het
                                evenement waarvoor de</al><al>vergunning wordt aangevraagd plaats zal vinden;</al><al>3.Voor B- en C-evenmenten die niet zijn aangemeld voor 1 november of
                                niet zijn opgenomen in het</al><al>evenmentenoverzicht geldt dat de burgemeester de vergunningaanvraag
                                buiten behandeling stelt</al><al>indien niet ten minste zestien weken voor aanvang van het evenement
                                is aangevraagd.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester weigert de vergunning voor een B- of
                                        C-evenement indien de organisator:</al><lijst><li nr="a."><al>onder curatele staat,</al></li><li nr="b."><al>in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of</al></li><li nr="c."><al>de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft
                                                bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de
                                        evenementenvergunning geheel</al></li></lijst><al>of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd
                                intrekken of wijzigen indien naar zijn</al><al>oordeel:</al><al>a.dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de
                                bescherming van het woon- en</al><al>leefklimaat in de omgeving van het evenement;</al><al>b.de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen
                                niet kan worden</al><al>gewaarborgd;</al><lijst><li nr="c."><al>de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden
                                        gewaarborgd;</al></li><li nr="d."><al>het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag
                                        van het evenement of daags</al></li></lijst><al>voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven
                                niet wenselijk is dat</al><al>de activiteiten worden verricht of voortgezet;</al><lijst><li nr="e."><al>de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde
                                        markt nodig is;</al></li><li nr="f."><al>de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid
                                        noodzakelijke politie- en betreffende</al></li></lijst><al>hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare
                                bezetting doet;</al><lijst><li nr="g."><al>tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een
                                        bestuurlijke sanctie is genomen;</al></li><li nr="h."><al>de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het
                                        evenementenbeleid, het imago of</al></li></lijst><al>de belangen van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al>6.De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter
                                regulering van het</al><al>evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaats en het tijdstip van het evenement;</al></li><li nr="b."><al>de benodigde technische voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de inrichting van het evenemententerrein;</al></li><li nr="d."><al>het activiteitenprogramma;</al></li><li nr="e."><al>een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;</al></li><li nr="f."><al>het verkeersplan.</al><lijst><li nr="7."><al>De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten
                                                minste:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>de plaats waar het evenement wordt gehouden;</al></li><li nr="b."><al>de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt
                                        gehouden;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van het verwachte aantal deelnemers en
                                        toeschouwers;</al></li><li nr="d."><al>de inrichting van het evenemententerrein;</al></li><li nr="e."><al>het activiteitenprogramma;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde
                                        en veiligheid;</al></li><li nr="g."><al>het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;</al></li><li nr="h."><al>de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om
                                        wanordelijkheden zoveel mogelijk te</al></li></lijst><al>voorkomen.</al><al>8.Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de
                                aanvraag is gebleken, dienen</al><al>door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden
                                gemeld.</al><al>9.Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de
                                weg, voor zover in het onderwerp</al><al>wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de
                                Wegenverkeerswet 1994.</al><al>10.Op het verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25a</nr><titel>0-evenementen</titel></kop><al>1.Behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, is het
                                verboden zonder</al><al>kennisgeving aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe
                                te laten, feitelijk te</al><al>leiden of daaraan deel te nemen.</al><lijst><li nr="2."><al>Van een 0-evenement is sprake indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een feest op eigen terrein of straatfeest in de
                                                openlucht betreft;</al></li><li nr="b."><al>het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250
                                                personen;</al></li><li nr="c."><al>het een evenement is dat plaatsvindt tussen 09.00 en
                                                23.00 uur of op een zon- of feestdag</al></li></lijst></li></lijst><al>tussen 13.00 uur en 23.00 uur;</al><al>d.het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige
                                geluidsbron niet meer bedraagt</al><al>dan 80 dB(A);</al><al>e.het niet plaatsvindt op de rijbaan, een fiets-, bromfiets- of
                                parkeergelegenheid of anderszins</al><al>een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;</al><lijst><li nr="f."><al>het geen extra politiecapaciteit vergt;</al></li><li nr="g."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                        van maximaal 25 m² per</al></li></lijst><al>object;</al><lijst><li nr="h."><al>er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;</al></li><li nr="i."><al>er een organisator is.</al><lijst><li nr="3."><al>De organisator stelt de burgemeester ten minste vijf
                                                werkdagen voorafgaand aan het</al></li></lijst></li></lijst><al>0-evenement in kennis van het evenement door middel van het door de
                                burgemeester</al><al>vastgestelde kennisgevingformulier.</al><lijst><li nr="4."><al>Toestemming voor het evenement is verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de
                                                burgemeester geen tegenbericht is</al></li></lijst></li></lijst><al>verzonden, en</al><al>b.de organisator een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een
                                kennisgeving heeft gedaan,</al><al>kan tonen.</al><al>5.Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of
                                omstandigheden na de</al><al>kennisgeving er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde
                                kan de burgemeester</al><al>alsnog bepalen dat het verbod ingevolge artikel 2:25, eerste lid,
                                onverkort geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Openbare orde en veiligheid</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een
                                evenement alle aanwijzingen geven</al><al>die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De
                                burgemeester bedient zich</al><al>daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en
                                hulpverlening.</al><lijst><li nr="2."><al>De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop
                                        naar, tijdens, en na het evenement:</al><lijst><li nr="a."><al>alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de
                                                verstoring van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het evenement onverwijld te beëindigen bij
                                                verstoring van de openbare orde of de vrees</al></li></lijst></li></lijst><al>daarvoor;</al><lijst><li nr="c."><al>een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te
                                        volgen;</al></li><li nr="d."><al>ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde
                                        na een aanwijzing van de</al></li></lijst><al>burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen
                                publiek meer tot het</al><al>evenement wordt toegelaten.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het
                                        evenement:</al><lijst><li nr="a."><al>verboden zich op het evenemententerrein te gedragen
                                                met het kennelijke doel om de</al></li></lijst></li></lijst><al>openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;</al><al>b.verboden al dan niet op het evenemententerrein, op of aan de weg
                                of op voor het publiek</al><al>toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te
                                dragen of te vervoeren die</al><al>kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te
                                verstoren;</al><al>c.verboden zich op een evenemententerrein te begeven indien
                                overeenkomstig het eerste, dan</al><al>wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het
                                evenemententerrein te verlaten;</al><al>d.verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig
                                voorval, waardoor</al><al>wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan een daartoe
                                strekkende aanwijzing van</al><al>een ambtenaar van de politie of brandweer zijn weg te vervolgen of
                                aanwijzingen van andere</al><al>aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen
                                en goederen, dan wel ter</al><al>beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Toezicht op horecagelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt begrepen onder:</al><al>a.openbare inrichting</al><al>1° een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drank- en Horecawet, waarin het</al><al>horecabedrijf wordt uitgeoefend, alsmede de daarbij horende
                                terrassen;</al><al>2° alle voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen
                                of gedeelten daarvan,</al><al>alsmede de daarbij horende terrassen en de daarmee gemeenschap
                                hebbende vertrekken</al><al>die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede
                                de niet voor publiek</al><al>toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg
                                bereikbaar zijn – uitgezonderd</al><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 van deze verordening, voor
                                zover daar regelmatig of</al><al>op gezette tijden:</al><al>i.gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of
                                drinkwaren te</al><al>verkrijgen, af te halen of te verbruiken, dan wel</al><al>ii. amusement of ontspanning wordt aangeboden, dan wel</al><al>iii. voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard worden
                                gegeven dan wel door</al><al>middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen
                                worden</al><al>gegeven;</al><al>b.bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met
                                uitzondering van de:</al><al>1° levenspartner en kinderen van de exploitant van de inrichting,
                                alsmede diens elders wonende</al><al>bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner;</al><al>2° personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438
                                van het Wetboek van</al><al>Strafrecht;</al><al>3° personen wier tegenwoordigheid in de inrichting wegens dringende
                                omstandigheden vereist</al><al>wordt.</al><al>c.exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een</al><al>inrichting exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging
                                van die rechtspersoon of</al><al>rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen.</al><al>d.beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding uitoefent</al><al>of uitoefenen in een inrichting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning / proefvergunning horecabedrijf</titel></kop><al>1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2:29, verboden zonder
                                (voorlopige) vergunning van de</al><al>burgemeester een inrichting als bedoeld in deze paragraaf te
                                exploiteren.</al><al>2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat
                                of wordt voldaan aan het</al><al>gestelde in artikel 2:28a, kan door de burgemeester een vergunning
                                worden afgegeven voor een</al><al>proefperiode van ten hoogste een jaar.</al><al>3.Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het vorige lid
                                blijkt dat niet voldaan wordt aan</al><al>het gestelde in artikel 2:28a, kunnen door de burgemeester nadere
                                voorschriften worden gesteld</al><al>of kan de burgemeester de proefvergunning intrekken.</al><al>4.Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken,
                                deelt de burgemeester de</al><al>exploitant schriftelijk mede, dat de proefvergunning met ingang van
                                een nader door hem te</al><al>bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning, als
                                bedoeld in het eerste lid.</al><al>5.Bij het onherroepelijk worden van een nieuwe vergunning vervalt de
                                oude vergunning van</al><al>rechtswege.</al><al>6.Op het verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Eisen exploitant en beheerder</titel></kop><al>De exploitant en de beheerder(s):</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="c."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;</al></li><li nr="d."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28b</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1.Het is verboden een inrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de ingevolge</al><al>artikel 2:29a op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in
                                de inrichting aanwezig is.</al><al>2.De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe
                                te zien dat in de inrichting geen</al><al>strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten
                                genoemd in de titels XIV</al><al>(misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                (heling) van het Tweede</al><al>Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                wapens en munitie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Categorale vrijstelling</titel></kop><al>De burgemeester kan bij openbare bekendmaking:</al><al>a.bepalen dat het exploiteren van categorieën inrichtingen, genoemd
                                in artikel 2:27 onder a, al dan</al><al>niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van
                                vergunningplicht is vrijgesteld;</al><al>b.voorschriften stellen aan de onder a. genoemde vrijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29a</nr><titel>Vergunningaanvraag</titel></kop><al>1.De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en
                                bescheiden die bij de</al><al>vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.</al><lijst><li nr="2."><al>Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in
                                        behandeling genomen.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant
                                        en op naam gezet van de exploitant</al></li></lijst><al>en de beheerder van de inrichting; de vergunning is niet
                                overdraagbaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29b</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij
                                de aanvraag met de</al><al>bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen.</al><al>2.De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden
                                verdaagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29c</nr><titel>Weigerings- en intrekkingsgronden</titel></kop><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester
                                de vergunning indien de</al><al>vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een
                                geldend bestemmingsplan</al><al>2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren,
                                als naar zijn oordeel het</al><al>woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting door de
                                aanwezigheid van de inrichting</al><al>nadelig wordt beïnvloed.</al><al>3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde
                                weigeringsgrond houdt de burgemeester</al><al>rekening met:</al><al>a.het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is
                                gelegen of zal komen te</al><al>liggen;</al><lijst><li nr="b."><al>de aard van de inrichting;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse
                                        reeds blootstaat of bloot zal komen</al></li></lijst><al>te staan door de exploitatie van de inrichting;</al><al>d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de
                                inrichting in deze of in</al><al>andere inrichtingen;</al><lijst><li nr="e."><al>de intrekkingsgronden als bedoeld in artikel 2:29c, vierde
                                        lid, onder b tot en met i.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor
                                                onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk</al></li></lijst></li></lijst><al>intrekken of wijzigen indien:</al><al>a.blijkt dat de vergunning tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                gegevens en bescheiden is</al><al>verleend;</al><al>b.de exploitant of de beheerder de bepalingen in deze paragraaf, dan
                                wel de voorschriften,</al><al>behorende bij de vergunning, overtreedt;</al><al>c.aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder betrokken is, of
                                hem ernstige nalatigheid kan</al><al>worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een
                                gevaar opleveren voor de</al><al>openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat
                                in de omgeving van</al><al>de inrichting;</al><al>d.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
                                inrichting, dan wel toestaat of gedoogt</al><al>dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd;</al><al>e.de exploitant of beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie
                                naar ras, geslacht of</al><al>seksuele geaardheid;</al><al>f.zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben
                                voorgedaan, die de vrees wettigen,</al><al>dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de
                                openbare orde of een</al><al>bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
                                inrichting;</al><al>g.er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe
                                vergunning is</al><al>aangevraagd;</al><al>h.op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten,
                                opgetreden na het verlenen</al><al>van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt
                                gevorderd door de</al><al>belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;</al><lijst><li nr="i."><al>de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        2:28a gestelde eisen.</al></li><li nr="j."><al>er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen
                                        werkzaam zijn of zullen zijn in</al></li></lijst><al>strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                Vreemdelingenwet 2000</al><al>bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29d</nr><titel>Sluiting van inrichtingen</titel></kop><al>1.De burgemeester kan een inrichting - al dan niet voor een bepaalde
                                duur - gesloten verklaren</al><al>indien:</al><lijst><li nr="a."><al>die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning;</al></li><li nr="b."><al>die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de
                                        vergunning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2:29a,
                                        vierde lid, genoemde situaties</al></li></lijst><al>waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.</al><al>2.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt
                                zodra een besluit tot sluiting op,</al><al>in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is
                                aangebracht.</al><al>3.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door de</al><al>burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
                                en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                plaatsvinden.</al><al>4.Het is de exploitant of beheerder van de inrichting verboden na
                                het van kracht worden van de</al><al>sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting
                                toe te laten of daarin te laten</al><al>verblijven.</al><al>5.Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester
                                gesloten inrichting als bezoeker</al><al>te verblijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29e</nr><titel>Terrassen</titel></kop><al>1.Bij vergunningaanvragen voor een of meer bij de inrichting
                                behorende terrassen, beslist de</al><al>burgemeester - gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse -
                                tevens over de</al><al>ingebruikneming van de openbare weg.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:29c, tweede lid, kan de
                                burgemeester de in het eerste lid</al><al>bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren als:</al><al>a.het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                                oplevert voor de</al><al>bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                daarvan;</al><al>b.dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer
                                en onderhoud van de</al><al>weg;</al><al>c.dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de
                                openbare ruimte, inclusief de</al><al>bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.</al><al>3.Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere
                                reden verwijdering van het</al><al>terras noodzakelijk is, is de houder van de inrichting verplicht dit
                                terstond of binnen de door het</al><al>bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, te verwijderen.</al><al>4.Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken of
                                eetwaren voor gebruik ter</al><al>plaatse te verstrekken:</al><al>a.buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het
                                bepaalde in het eerste lid is</al><al>toegestaan;</al><lijst><li nr="b."><al>aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras
                                        aanwezige zitplaatsen.</al><lijst><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is verplicht te zorgen
                                                dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting
                                                van</al></li></lijst></li></lijst><al>de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van
                                een ambtenaar, belast met</al><al>het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de
                                nabijheid van het terras op de</al><al>weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit
                                of van dat terras afkomstig,</al><al>worden verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Openings- en sluitingstijden</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het
                                woon- of leefklimaat voor een</al><al>of meer inrichtingen of de daarbij behorende terrassen - al dan niet
                                tijdelijk - openings-en</al><al>sluitingstijden vaststellen.</al><al>2.Het is verboden zich als bezoeker in een inrichting te bevinden op
                                tijden waarop de inrichting</al><al>voor het publiek gesloten moet zijn.</al><al>3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover op
                                de Wet milieubeheer</al><al>gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van
                                        de inrichting feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van
                                        de exploitatie, geeft de exploitant</al></li></lijst><al>daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31a</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 2:27 onder d, het
                                beheer in de inrichting feitelijk heeft</al><al>beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                feitelijke beëindiging van het</al><al>beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al><al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien de burgemeester</al><al>op aanvraag van de exploitant heeft besloten een nieuwe vergunning
                                te verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare richtingen</titel></kop><al>1.In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de</al><al>algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid,
                                van het Wetboek van</al><al>Strafrecht.</al><al>2.De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                handelaar of een voor hem</al><al>handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt
                                of op enige andere wijze</al><al>overdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>College als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel
                                174 van de Gemeentewet, treedt niet</al><al>de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan voor
                                de toepassing van het</al><al>bepaalde in deze afdeling met uitzondering van artikel 2:30.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><al>1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het
                                publiek toegankelijke</al><al>gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                                bedrijfsmatig is de mogelijkheid</al><al>wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                inwisselbare voorwerpen kunnen</al><al>worden gewonnen of verloren.</al><al>2.Het is verboden een speelgelegenheid te exploiteren of te doen
                                exploiteren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen ;</al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c. van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                    kansspelautomaten toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><al>1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor</al><al>publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                behorend erf te betreden.</al><al>2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                woning, een niet voor het</al><al>publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal
                                behorend erf, een voor het publiek</al><al>toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                aanwezigheid in de woning of het</al><al>lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><al>1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
                                vanaf de weg zichtbaar is</al><al>te bekrassen of te bekladden.</al><al>2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de weg, op dat</al><al>gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is of op
                                een op de weg staande</al><al>roerende zaak:</al><al>a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding,
                                aan te plakken of aan te doen</al><al>plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen
                                aanbrengen;</al><al>b.op een andere wijze enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan
                                te brengen of te doen</al><al>aanbrengen.</al><al>3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                degene die krachtens wettelijk</al><al>voorschrift bevoegd is tot het verrichten van de betrokken handeling
                                of voor degene die handelt</al><al>bij het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak.</al><al>4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen</al><al>van handelsreclame.</al><al>6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een</al><al>opsporingsambtenaar op diens eerste vordering onverwijld ter inzage
                                af te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                zich te hebben enig</al><al>aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                                verfgereedschap.</al><al>2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                of gereedschappen niet zijn</al><al>gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in
                                artikel 2:42.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg of een openbare plaats
                                inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te</al><al>hebben.</al><al>2.Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                niet zijn gebruikt of niet zijn</al><al>bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                verschaffen, onrechtmatig</al><al>sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak
                                te vergemakkelijken of het</al><al>maken van sporen te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a</nr><titel>Vervoer geprepareerde voorwerpen</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                vervoeren of bij zich te hebben een</al><al>voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                                winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                indien redelijkerwijs kan worden</al><al>aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor
                                de in dat lid bedoelde</al><al>handelingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich
                                                anderszins te bevinden op een beeld,</al></li></lijst></li></lijst><al>monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                voertuig, tram,</al><al>b.metro, abri, hek, omheining of andere afsluiting,
                                verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd</al><al>straatmeubilair;</al><al>c.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                of gebruikers van nabij</al><al>de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt
                                wordt;</al><al>d.zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen te
                                bevinden nadat een of</al><al>meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een
                                afsluiting voor een brug te</al><al>openen.</al><al>2.Een ieder, die op een openbare plaats klimt, ligt of zich
                                anderszins bevindt op een beeld,</al><al>monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                voertuig, tram, metro, abri,</al><al>hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor
                                niet bestemd straatmeubilair,</al><al>zich op of aan de weg zodanig ophoudt dat aan weggebruikers of
                                gebruikers van nabij de weg</al><al>gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt, of
                                zich op de weg binnen de</al><al>voor een brug geplaatste afsluitingen bevindt nadat een of meer van
                                die afsluitingen zijn of</al><al>worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug opent, is
                                verplicht op een daartoe</al><al>strekkend bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of
                                zich in de door hem</al><al>aangewezen richting te verwijderen.</al><al>3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                degene die bevoegd is tot het</al><al>verrichten van de betrokken handeling of voor degene die handelt bij
                                het uitvoeren van een</al><al>publiekrechtelijke taak.</al><al>4.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien</al><al>door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht,
                                of artikel 5 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Openlijk drankgebruik</titel></kop><al>1.Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te
                                nuttigen indien dit gepaard</al><al>gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en
                                leefklimaat aantasten of</al><al>anderszins overlast veroorzaken.</al><al>2.Het is verboden op speelweiden en speelplaatsen, in overdekte
                                winkelcentra en op overige door</al><al>de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, alcoholhoudende drank
                                te nuttigen of</al><al>aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank
                                bij zich te hebben.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat deel uit maakt van een inrichting,
                                                als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en</al></li></lijst></li></lijst><al>Horecawet;</al><al>b.de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a,
                                waarvoor een ontheffing geldt</al><al>krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><al>1.Het is verboden hinder of overlast te veroorzaken, dan wel zich
                                zonder redelijk doel op te</al><al>houden:</al><lijst><li nr="a."><al>in een portiek, nis, trap, poort of op een bordes op te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                                        gebouw;</al></li><li nr="c."><al>in of op een voor het publiek toegankelijk portaal,
                                        telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar</al></li></lijst><al>vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling, winkelcentrum, abri
                                of een andere soortgelijke,</al><al>voor het publiek toegankelijke ruimte.</al><al>2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw,
                                appartementsgebouw of</al><al>een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek
                                toegankelijk is, verboden</al><al>zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                gebruik bestemde ruimte</al><al>van dat gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of</al><al>op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te
                                verontreinigen of te gebruiken voor een</al><al>ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten
                                worden in elk geval begrepen:</al><al>portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer,
                                parkeergarages en rijwielstallingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50a</nr><titel>Messen en andere voorwerpen als wapen</titel></kop><al>1.Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke
                                gebouwen messen of andere</al><al>voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich
                                te hebben.</al><al>2.Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig
                                zijn ingepakt, dat zij niet</al><al>voordadelijk gebruik gereed zijn.</al><al>3.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp
                                daarvan wordt voorzien bij of</al><al>krachtens de Wet wapens en munitie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50b</nr><titel>Glaswerk op speelplaatsen</titel></kop><al>Het is verboden op speelweiden of speelplaatsen glaswerk te
                                gebruiken of voorhanden te hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen, zich</al><al>met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de
                                burgemeester aangewezen</al><al>terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid wordt gehouden die publiek</al><al>trekt, of andere openbare plaatsen, mits dit verbod kenbaar is aan
                                de bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al>1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten</al><al>lopen:</al><al>a.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats,</al><al>zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                plaats;</al><lijst><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                        aangelijnd; of</al></li><li nr="c."><al>op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband
                                        of een ander identificatiemerk</al></li></lijst><al>dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al><al>2.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van
                                toepassing op door het college</al><al>aangewezen plaatsen.</al><al>3.De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van
                                toepassing op de eigenaar of</al><al>houder van een hond:</al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                        sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                        geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><al>1.Degene die zich met een hond op de weg begeeft is verplicht ervoor
                                te zorgen dat de</al><al>uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.</al><lijst><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of
                                        houder van een hond</al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                                of sociale hulphond laat begeleiden; of</al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                                geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        door het college aangewezen plaatsen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><al>1.Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk
                                of hinderlijk acht, kan het de</al><al>eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en
                                muilkorfgebod opleggen</al><al>voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op
                                het terrein van een ander.</al><al>2.Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                de hond aangelijnd te houden</al><al>met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten
                                hoogste 1,50 meter.</al><al>3.Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                de hond voorzien te houden</al><al>van een muilkorf die:</al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                        beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
                                        is aangebracht dat verwijdering</al></li></lijst><al>zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en</al><al>c.zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                afgesloten ruimte binnen de korf een</al><al>geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen
                                de korf aanwezig zijn.</al><al>4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                dient een hond als bedoeld in het</al><al>eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op
                                aanvraag verstrekt uniek</al><al>identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                chipreader afleesbaar is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                                    dieren</titel></kop><al>1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                van overlast of schade aan de</al><al>openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de
                                zin van de Wet</al><al>milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        het college in het</al></li></lijst><al>aanwijzingsbesluit gestelde regels;</al><lijst><li nr="c."><al>te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                        aangegeven; of</al></li><li nr="d."><al>te voeren.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende
                                                zaak gelegen binnen een plaats die</al></li></lijst></li></lijst><al>krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een
                                of meer verboden bedoeld</al><al>in het eerste lid.</al><al>3.Degene die zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor
                                een omwonende of overigens</al><al>voor de omgeving hinder veroorzaakt.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het</al><al>publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de</al><al>algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid,
                                van het Wetboek van</al><al>Strafrecht</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><al>1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte
                                of ongeregelde goederen die</al><al>hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een
                                door of namens de</al><al>burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                nemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                        goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor dat
                                        mogelijk is - soort, merk en</al></li></lijst><al>nummer van het goed;</al><lijst><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                        het goed; en</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                        verkregen.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                                verplichtingen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het
                                    Wetboek</titel></kop><al><vet>van Strafrecht</vet></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al>a.de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                stellen:</al><al>1°. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van
                                zijn woonadres en het</al><al>adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;</al><al>2°. van een verandering van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde
                                adressen;</al><al>3°. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al><al>4°. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                misdrijf afkomstig is of voor</al><al>de rechthebbende verloren is gegaan;</al><lijst><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard</al></li></lijst><al>van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;</al><al>d.een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in
                                bewaring te houden in de</al><al>staat waarin het goed verkregen is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(Verplaatst naar afdeling 8)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk in de zin van het
                                        Vuurwerkbesluit;</al></li><li nr="b."><al>exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens
                                        rekening en risico het</al></li></lijst><al>vuurwerkverkooppunt wordt gedreven, en de bestuurders van de
                                rechtspersoon of hun</al><al>gevolmachtigden;</al><al>c.beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke
                                leiding uitoefent in het</al><al>vuurwerkverkooppunt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                    tijdens</titel></kop><al><vet>de verkoopdagen</vet></al><al>1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter</al><al>beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen
                                aanwezig te houden, zonder een</al><al>vergunning van de burgemeester.</al><lijst><li nr="2."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend
                                        voor de duur van een jaar.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de
                                        exploitatievergunning geheel of</al></li></lijst><al>gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk
                                intrekken, tijdelijk opschorten</al><al>of wijzigen, indien:</al><al>a.in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of
                                zich feiten hebben voorgedaan</al><al>of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan
                                voordoen waardoor de</al><al>openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de
                                omgeving van het</al><al>vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed;</al><al>b.de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid
                                kan worden verweten bij</al><al>activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het
                                vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of</al><al>gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of
                                activiteiten worden gepleegd,</al><al>waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt
                                beïnvloed;</al><lijst><li nr="c."><al>de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht
                                        levensgedrag is;</al></li><li nr="d."><al>de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt
                                        in strijd is met een geldend</al></li></lijst><al>bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een
                                geldende</al><al>beheersverordening,een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet
                                milieubeheer;</al><lijst><li nr="e."><al>de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat
                                        kan zijn;</al></li><li nr="f."><al>geen melding is gedaan op grond van het
                                        Vuurwerkbesluit.</al><lijst><li nr="4."><al>De vergunningaanvraag wordt ingediend door de
                                                exploitant van de inrichting.</al></li><li nr="5."><al>De vergunning is in de inrichting aanwezig.</al></li><li nr="6."><al>De vergunning vervalt:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>indien de beslissing op een aanvraag om een nieuwe
                                        vergunning in werking is getreden;</al></li><li nr="b."><al>zodra de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk wordt
                                        beëindigd.</al><lijst><li nr="7."><al>Op het verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                                wet bestuursrecht niet van toepassing.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    Jaarwisseling</titel></kop><al>1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                college in het belang van de</al><al>voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.</al><al>2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                gebruiken als dat gevaar,</al><al>schade of overlast kan veroorzaken.</al><al>3.De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                toepassing op situaties waarin</al><al>wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek
                                van Strafrecht.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te</al><al>houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2
                                en 3 van de Opiumwet, of</al><al>daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren,
                                aan te bieden of te verwerven,</al><al>daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74a</nr><titel>Weggooien van spuiten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals
                                naalden, reservoirs, zuigers e.d. of</al><al>daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in
                                afvalbakken achter te laten met</al><al>het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74b</nr><titel>Coffeeshopverbod</titel></kop><al>1.Onder coffeeshop wordt verstaan: een inrichting waar handel
                                plaatsvindt in middelen als bedoeld</al><al>in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.</al><al>2.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het, in het belang van
                                de openbare orde en het</al><al>woon- en leefklimaat, verboden om in de gemeente een coffeeshop te
                                vestigen en/of te</al><al>exploiteren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht
                                op</titel></kop><structuurtekst><al><vet>openbare plaatsen</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 154a van
                                de Gemeentewet, besluiten</al><al>tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van
                                personen op een door hem</al><al>aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de volgende
                                artikelen groepsgewijs niet</al><al>naleven: artikel 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19, 2:23a, 2:26, lid 3,
                                2:47, 2:48, 2:50a en 2:73.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet,
                                bij verstoring van de</al><al>openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige
                                vrees voor het ontstaan</al><al>daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het
                                publiek openstaande gebouwen</al><al>en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing</al><al>van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het
                                toezicht op een openbare</al><al>plaats.</al><al>2.De burgemeester heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,
                                eveneens ten aanzien van</al><al>voor een ieder toegankelijke parkeerterreinen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>16</nr><titel>Omgevingsverbod</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Omgevingsverbod</titel></kop><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en
                                veiligheid, het voorkomen of</al><al>beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen
                                van het woon- of</al><al>leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid
                                of de zedelijkheid aan</al><al>degene die strafbare feiten of openbare orde verstoren de
                                handelingen verricht een verbod</al><al>opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied
                                gedurende een in het verbod</al><al>neergelegde periode.</al><al>2.Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                burgemeester aan degene aan</al><al>wie eerder een omgevingsverbod als bedoeld in het eerste lid is
                                opgelegd en ten aanzien van wie</al><al>wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare
                                orde verstorende handelingen</al><al>verricht, een omgevingsverbod opleggen om zich gedurende een in dat
                                verbod genoemd tijdvak</al><al>van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen
                                gebied.</al><al>3.Een omgevingsverbod krachtens het tweede lid kan slechts worden
                                opgelegd indien strafbare</al><al>feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes
                                maanden na het opleggen</al><al>van een eerder omgevingsverbod, opgelegd op grond van het eerste of
                                tweede lid, zijn</al><al>geconstateerd.</al><al>4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde
                                omgevingsverboden, indien dat</al><al>in het verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                noodzakelijk is.</al><al>5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd</al><al>omgevingsverbod.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1.beheerder: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke
                                leiding uitoefent in de inrichting of</al><al>het bedrijf;</al><al>2.escortbedrijf: bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was, aanbieden van prostitutie</al><al>die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                uitgeoefend;</al><al>3.exploitant: natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens
                                rekening en risico de inrichting,</al><al>onderscheidenlijk het bedrijf wordt gedreven, en de bestuurders van
                                die rechtspersoon of hun</al><al>gevolmachtigden;</al><al>4.prostituee: persoon die zich beschikbaar stelt voor het verrichten
                                van seksuele handelingen met</al><al>een ander tegen vergoeding;</al><al>5.prostitutie: zich beschikbaar stellen voor het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander</al><al>tegen vergoeding;</al><al>6.seksinrichting: voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig, of in een</al><al>omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden
                                verricht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het</al><al>betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                                erven als bedoeld in artikel 174</al><al>van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de inrichting en
                                bedrijfsvoering van seksinrichtingen en</al><al>escortbedrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning</al><al>van het bevoegde bestuursorgaan.</al><lijst><li nr="2."><al>Per seksinrichting of escortbedrijf wordt één aanvraag
                                        tegelijk in behandeling genomen.</al></li><li nr="3."><al>De vergunningaanvraag wordt ingediend door de exploitant en
                                        op diens naam gesteld.</al></li><li nr="4."><al>De vergunning is in de seksinrichting aanwezig.</al></li><li nr="5."><al>De vergunning wordt verleend voor de duur van vijf
                                        jaar.</al></li><li nr="6."><al>Op het verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Eisen exploitant en beheerder</titel></kop><al>(vervallen, geregeld in artikel 3:13 f)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe</al><al>te staan of te laten verblijven tussen 01.00 en 7.00 uur en in het
                                weekeinde (zaterdagochtend en</al><al>zondagochtend) tussen 02.00 en 7.00 uur.</al><al>2.Het bevoegde bestuursorgaan kan bij voorschrift van de vergunning,
                                bedoeld in artikel 3:4, eerste</al><al>lid, afwijken van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden voor
                                een seksinrichting, waarvan de</al><al>exploitant ten genoegen van het bevoegde bestuursorgaan heeft
                                aangetoond, dat de exploitatie</al><al>van die seksinrichting geen nadelige invloed heeft op de openbare
                                orde of het woon- of</al><al>leefklimaat in de naaste omgeving van die seksinrichting.</al><al>3.Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde
                                en het woon- of</al><al>leefklimaat voor een bepaald gebied voor een of meer
                                seksinrichtingen de in het eerste lid</al><al>genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel
                                andere sluitingstijden vaststellen.</al><al>4.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat</al><al>die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel
                                krachtens artikel 3:7, gesloten</al><al>moet zijn.</al><al>5.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien bij</al><al>of krachtens de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Sluiting van de seksinrichting</titel></kop><al>1.Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting tijdelijk of
                                voor onbepaalde tijd gesloten</al><al>verklaren, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning;</al></li><li nr="b."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan
                                        de vergunning verbonden</al></li></lijst><al>voorschriften;</al><lijst><li nr="c."><al>een van de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde situaties
                                        zich voordoet.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend
                                                door het aanbrengen van een afschrift</al></li></lijst></li></lijst><al>van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de
                                seksinrichting. De sluiting treedt in</al><al>werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</al><al>3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid
                                bedoelde afschrift wordt aangebracht</al><al>en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.</al><al>4.Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting, verboden
                                daarin bezoekers toe te laten</al><al>of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.</al><al>5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid
                                gesloten seksinrichting te bezoeken</al><al>of als bezoeker daarin te verblijven.</al><al>6.Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door het bevoegde</al><al>bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden
                                feiten en omstandigheden</al><al>hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
                                aanwezig zijn, dat geen</al><al>herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
                                plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben zonder dat de exploitant</al><al>of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al><lijst><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend
                                        op toe te zien dat in de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                                strijd met het bij of krachtens de Wet</al></li></lijst></li></lijst><al>arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.</al><al>3.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen jonger dan
                                18 jaar toegang te verlenen</al><al>tot de seksinrichting.</al><al>4.De exploitant en beheerder van een escortbedrijf treft maatregelen
                                ter waarborging van de</al><al>veiligheid van de prostituee en ter voorkoming van gedragingen als
                                bedoeld in het tweede lid.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Straat- en raamprostitutie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Prostitutie</titel></kop><al>Het is verboden:</al><al>a.door woorden, houding, gebaren of andere feitelijke gedragingen,
                                op of aan de weg, op of in voor</al><al>het publiek toegankelijke plaatsen, in deuropeningen, dan wel
                                binnenshuis zichtbaar voor het</al><al>publiek, iemand tot prostitutie uit te nodigen of uit te lokken, dan
                                wel op deze uitnodiging of</al><al>uitlokking in te gaan;</al><al>b.op de weg ontuchtige handelingen te verrichten, indien dit
                                kennelijk geschiedt in het kader van</al><al>prostitutie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><vet>goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al>1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen,</al><al>opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen van erotischpornografische</al><al>aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te
                                brengen:</al><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijzevan</al><al>tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of
                                de woon- en</al><al>leefomgeving in gevaar brengt;</al><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het
                                belang van de openbare</al><al>orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of</al><al>aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                geschreven stukken dan</al><al>wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                gevoelens als bedoeld in</al><al>artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn en weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist
                                het bevoegd bestuursorgaan op de</al><al>aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen
                                twaalf weken na de dag waarop</al><al>de aanvraag ontvangen is.</al><al>2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                twaalf weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan weigert of trekt de vergunning
                                        in, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting
                                                in strijd is met een geldend</al></li></lijst></li></lijst><al>bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een
                                geldende beheersverordening,</al><al>of een geldend voorbereidingsbesluit;</al><al>b.de vestiging of de exploitatie in strijd is met de krachtens
                                artikel 3:3 gestelde regels omtrent</al><al>inrichting en bedrijfsvoering;</al><lijst><li nr="c."><al>de exploitant of de beheerder onder curatele staat;</al></li><li nr="d."><al>de exploitant of de beheerder is ontzet uit de ouderlijke
                                        macht of de voogdij;</al></li><li nr="e."><al>de exploitant of de beheerder niet de leeftijd van
                                        eenentwintig jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="f."><al>de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht
                                        levensgedrag is.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan de vergunning geheel
                                                of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor</al></li></lijst></li></lijst><al>onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen,
                                indien:</al><al>a.naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of
                                leefklimaat in de omgeving</al><al>van de seksinrichting nadelig wordt beïnvloed;</al><lijst><li nr="b."><al>dit in het belang van de veiligheid van personen of goederen
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>dit in het belang van de gezondheid of zedelijkheid is;</al></li><li nr="d."><al>dit in het belang van de arbeidsomstandigheden van de in de
                                        seksinrichting werkzame</al></li></lijst><al>prostituees is;</al><al>e.er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn
                                getroffen in het belang van</al><al>de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de
                                in de seksinrichting</al><al>of voor het escortbedrijf werkzame personen, alsmede ter bescherming
                                van de</al><al>volksgezondheid;</al><al>f.in de seksinrichting een minderjarige prostituee wordt
                                aangetroffen dan wel indien een</al><al>escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige
                                prostituee;</al><al>g.de exploitant of beheerder de bepalingen in deze paragraaf dan wel
                                de krachtens artikel 3:3</al><al>gestelde regels overtreedt;</al><al>h.aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem
                                ernstige nalatigheid kan</al><al>worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die
                                gevaar kunnen veroorzaken</al><al>voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of
                                leefklimaat;</al><al>i.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de
                                seksinrichting, dan wel toestaat of</al><al>gedoogt dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden
                                gepleegd;</al><al>j.zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening van het
                                escortbedrijf anderszins feiten</al><al>hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de
                                seksinrichting of het</al><al>escortbedrijf gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een
                                bedreiging vormt voor</al><al>het woon- of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf;</al><al>k.er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een wijziging in de
                                exploitant, waarvoor geen</al><al>nieuwe vergunning is aangevraagd;</al><lijst><li nr="l."><al>ten behoeve van de vergunningverlening onjuiste gegevens
                                        zijn verstrekt;</al></li><li nr="m."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of voor het
                                        escortbureau personen werkzaam</al></li></lijst><al>(zullen) zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van
                                Strafrecht, of met het bij of</al><al>krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000
                                bepaalde;</al><lijst><li nr="n."><al>er voor de exploitatie van een seksinrichting al een
                                        vergunning is verstrekt.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde
                                                weigeringsgronden houdt het bevoegde</al></li></lijst></li></lijst><al>bestuursorgaan rekening met:</al><al>a.het karakter van de straat en de wijk waarin de seksinrichting is
                                gelegen of zal komen te</al><al>liggen;</al><lijst><li nr="b."><al>de aard van de seksinrichting;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse
                                        reeds blootstaat of bloot zal komen</al></li></lijst><al>te staan door de exploitatie van de seksinrichting;</al><al>d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of beheerder van de
                                seksinrichting in deze of in</al><al>andere seksinrichtingen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beeindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1.De vergunning vervalt zodra de exploitant dan wel de exploitanten
                                de exploitatie van de</al><al>seksinrichting of het escortbedrijf heeft dan wel hebben
                                beëindigd.</al><al>2.Binnen een week na de beëindiging van de exploitatie door de
                                exploitant, de exploitanten dan</al><al>wel een van de exploitanten, geeft deze daarvan schriftelijk kennis
                                aan het bevoegde</al><al>bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, zesde lid, het
                                beheer in de seksinrichting feitelijk</al><al>heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                feitelijke beëindiging van het</al><al>beheer schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.</al><al>2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien het bevoegde</al><al>bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant, met in achtneming van
                                artikel 3:13, de verleende</al><al>vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer heeft
                                gewijzigd.</al><al>3.In afwijking van het tweede lid, kan het beheer tot op de aanvraag
                                is beslist, tijdelijk worden</al><al>uitgeoefend door een nieuwe beheerder,indien de exploitant of
                                beheerder een bevestiging van de</al><al>burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat een nieuwe beheerder ten
                                behoeve van bijschrijving op</al><al>de exploitatievergunning is aangemeld.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN</titel></kop><structuurtekst><al><vet>ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een</al></li></lijst><al>inrichting drijft;</al><al>d.collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of
                                een klein aantal inrichtingen is</al><al>verbonden;</al><al>e.incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is
                                aan één of een klein aantal</al><al>inrichtingen;</al><al>f.geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van
                                artikel 1 van de Wet</al><al>geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met
                                uitzondering van</al><al>gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;</al><al>g.geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1
                                van de Wet geluidhinder worden</al><al>aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van
                                terreinen behorende bij de</al><al>betreffende inrichting;</al><al>h.onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                versterkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><al>1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                het Besluit en artikel 4:4 van</al><al>deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar
                                aan te wijzen collectieve</al><al>festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                dagdelen.</al><al>2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                sportbeoefening in de</al><al>buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het
                                Besluit gelden niet voor door het</al><al>college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                gedurende de daarbij aan te wijzen</al><al>dagen of dagdelen.</al><al>3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het
                                college bepalen dat de</al><al>aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen:</al><al>4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                begin van een nieuw</al><al>kalenderjaar bekend.</al><al>5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was, een</al><al>festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                eerste lid aanwijzen.</al><al>6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting,
                                bedraagt niet meer dan</al><al>75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
                                van 1,5 meter.</al><al>7.De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                onversterkte muziek en exclusief</al><al>10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de
                                bedrijfsduurcorrectie buiten</al><al>beschouwing gelaten.</al><al>8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                brengen van extra muziek -hoger</al><al>dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                van het Besluit en artikel 4:4</al><al>van deze verordening- uiterlijk om 23.00 uur te worden
                                beëindigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al>1.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te</al><al>houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 ,
                                2.19 en 2.20 van het Besluit</al><al>en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits
                                de houder van de inrichting ten</al><al>minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                daarvan in kennis heeft</al><al>gesteld.</al><al>2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf
                                incidentele festiviteiten per</al><al>kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van
                                sportactiviteiten waarbij</al><al>artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is,
                                mits de houder van de inrichting</al><al>ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het
                                college daarvan in kennis heeft</al><al>gesteld.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                        kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                        formulier, volledig en naar waarheid</al></li></lijst><al>ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier
                                vermeld.</al><al>5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                college op verzoek van de</al><al>houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die
                                redelijkerwijs niet te voorzien was,</al><al>terstond toestaat.</al><lijst><li nr="6."><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                        inrichting bedraagt niet meer dan</al><lijst><li nr="a."><al>65 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur</al></li><li nr="b."><al>60 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur</al></li><li nr="c."><al>55 dB(A) tussen 23.00 en 01.00 uur</al></li></lijst></li></lijst><al>gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van
                                1,5 meter.</al><al>7.De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                onversterkte muziek en exclusief</al><al>10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de
                                bedrijfsduurcorrectie buiten</al><al>beschouwen gelaten.</al><al>8.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                brengen van extra muziek - hoger</al><al>dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                van het Besluit en artikel 4:4</al><al>van deze verordening - uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.</al><al>9.De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                bebouwde gedeelte van de inrichting</al><al>en niet voor de buitenruimte.</al><al>10.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                deuren gesloten, behoudens voor</al><al>het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al>1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld
                                in artikel 2.18, eerste lid</al><al>onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de
                                onder e. van dit lid opgenomen tabel</al><al>van toepassing, met dien verstande dat:</al><al>a.de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                gevoelige gebouwen niet</al><al>gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                toestemming geeft voor het</al><al>in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                geluidsmetingen;</al><al>b.de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                gevoelige terreinen op de</al><al>grens van het terrein;</al><al>c.de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het
                                woningen betreft,</al><al>gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;</al><al>d.bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel
                                geen bedrijfsduurcorrectie</al><al>wordt toegepast.</al><al>e.Tabel:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Tabel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte
                                elementen, wordt het hele</al><al>samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van
                                toepassing.</al><al>3.Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van
                                toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><al>1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer of van het Besluit op een</al><al>zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben
                                of handelingen te verrichten</al><al>dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt
                                veroorzaakt.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door de Wet geluidhinder,</al></li></lijst><al>de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties , het Vuurwerkbesluit
                                of de Provinciale</al><al>milieuverordening.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5a</nr><titel>Mosquito</titel></kop><al>1.In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat
                                een slechts voor jongeren</al><al>hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen
                                jongeren weg te houden</al><al>van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</al><al>2.In afwijking van het bepaalde in artikel 4:5 kan de burgemeester
                                in het belang van de openbare</al><al>orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen
                                bij gebleken ernstige</al><al>overlast door jongeren op die plaats.</al><al>3.De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt
                                op de plaats waar deze is</al><al>aangebracht.</al><lijst><li nr="4."><al>Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat
                                        overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></li><li nr="5."><al>Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten
                                        hoogste 6 maanden. De</al></li></lijst><al>burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste
                                6 maanden verlengen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is een ieder verboden op een openbare plaats zijn of haar
                                natuurlijke behoefte te doen buiten de</al><al>daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Verontreiniging op openbare plaatsen</titel></kop><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of
                                voorwerpen dan wel bij andere activiteiten</al><al>een openbare plaats wordt verontreinigd, is degene die genoemde
                                werkzaamheden verricht,</al><al>alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever
                                verplicht de weg terstond na het</al><al>ontstaan van de verontreiniging te (doen) reinigen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest,
                                    ingekuilde</titel></kop><al><vet>landbouwproducten e.d.</vet></al><al>1.Het is verboden op een door het college in het belang van het
                                uiterlijk aanzien van de gemeente,</al><al>ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van
                                schade aan de</al><al>volksgezondheid aangewezen plaats die is gelegen buiten een
                                inrichting als aangewezen</al><al>krachtens artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer in de
                                openlucht en buiten de weg, een</al><al>of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of
                                stoffen op te slaan, te</al><al>paatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de
                                door het college gestelde</al><al>regels:</al><al>a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
                                of vaartuigen of</al><al>onderdelen daarvan;</al><lijst><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen, vaartuigen, of andere dergelijke,
                                        gewoonlijk voor recreatieve doeleinden</al></li></lijst><al>gebruikte voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                geschiedt voor</al><al>verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al><al>d.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                verzamelingen ingekuild gras,</al><al>loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en
                                oude metalen.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels
                                        stellen.</al></li><li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                        geregelde onderwerp wordt voorzien bij</al></li></lijst><al>of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Verordening
                                Bescherming Landschap en</al><al>Natuur Zuid- Holland of de Grondwaterbeschermingsverordening
                                Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Vergunningplicht handelsreclame</titel></kop><al>1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de
                                hoofdgebruiker van die zaak</al><al>verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en
                                wethouders deze zaak of een</al><al>daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te
                                laten voor het maken van</al><al>handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding in welke vorm dan ook,</al><al>die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke
                                plaats zichtbaar is.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte opschriften,
                                        aankondigingen of afbeeldingen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak
                                                die niet kennelijk gericht zijn op</al></li></lijst></li></lijst><al>zichtbaarheid vanaf de weg;</al><lijst><li nr="b."><al>op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de
                                        overheid;</al></li><li nr="c."><al>kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter
                                        die betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter
                                                verkoop, verhuur of verpachting van een</al></li></lijst></li></lijst><al>onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                hebben;</al><al>-het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende
                                zaak wordt uitgeoefend of</al><al>waarvoor die zaak is bestemd;</al><al>d.die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde
                                bouwwerken of op de</al><al>namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het
                                bouwwerk betrokken zijn,</al><al>mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                uitvoering zijnde</al><al>bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                hebben;</al><al>e.op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer,
                                indien deze zijn</al><al>aangebracht ten dienste van dat vervoer.</al><al>3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de</al><al>Provinciale landschapsverordening.</al><lijst><li nr="4."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij
                                                in verband met de omgeving niet voldoet</al></li></lijst></li></lijst><al>aan redelijke eisen van welstand;</al><lijst><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van een in de</al></li></lijst><al>nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><al>5.De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor
                                bouwvergunningplichtige</al><al>bouwwerken.</al><al>6.De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde</al><al>onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al><al>7.Geen vergunning is vereist voor door het college aangewezen
                                categorieën van reclame-uitingen</al><al>mits de rechthebbende, alsmede de hoofdgebruiker van de onroerende
                                zaak waaraan de</al><al>reclame bevestigd dient te worden, daarvan minimaal twee weken van
                                tevoren melding doet bij</al><al>het college en wordt voldaan aan de algemene regels die hiervoor
                                gelden.</al><al>8.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren</al><al>door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor
                                het verkeer in gevaar</al><al>wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al><al>9.Op het verbod is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1,
                                eerste lid onder a van de Wet</al><al>algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of
                                opgericht is dan wel gebruikt wordt</al><al>of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><al>1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen of</al><al>geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het
                                bestemmingsplan, de</al><al>beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is
                                bestemd of mede bestemd.</al><al>2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                eigen gebruik door de</al><al>rechthebbende op een terrein.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als
                                        bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                        worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap; of</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><al>1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op
                                door het college aangewezen</al><al>plaatsen.</al><al>2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van
                                de belangen genoemd</al><al>artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER</titel></kop><structuurtekst><al><vet>GEMEENTE</vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. parkeren:</vet></al><al>parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens</al><al>1990 (RVV 1990).</al><al><vet>b. voertuigen:</vet></al><al>voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement
                                verkeersregels en</al><al>verkeerstekens 19990 (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens
                                zoals: kruiwagens,</al><al>kinderwagens en rolstoelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                        verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                                lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren
                                                van personen tegen betaling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                        gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of
                                                onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in
                                                totaal niet</al></li></lijst></li></lijst><al>meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                gebruikt wordt voor deze</al><al>werkzaamheden;</al><lijst><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                        bedoelde persoon.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan
                                                wel een gewoonte van maakt voertuigen te</al></li></lijst></li></lijst><al>stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen,
                                verboden:</al><al>a.drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren</al><al>binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt
                                een van deze voertuigen;</al><lijst><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><lijst><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod
                                                verlenen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                voertuig te parkeren met het</al><al>kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken</al><al>niet kan of mag worden gereden, langer dan op zeven
                                achtereenvolgende dagen op de weg te</al><al>parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat
                                van onderhoud en tevens in</al><al>een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te
                                parkeren.</al><al>2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Recreatievoertuigen, aanhangwagens e.a.</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor
                                andere dan</al><al>verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie
                                achtereenvolgende dagen te plaatsen of te</al><al>hebben anders dan op een door het college aangewezen weg.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        in het daarin geregelde onderwerp</al></li></lijst><al>wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                landschapsverordening.</al><al>4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                van handelsreclame, op de weg</al><al>te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te
                                maken.</al><al>2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan</al><al>6 meter te parkeren, met uitzondering van op door het college
                                aangewezen plaatsen.</al><al>2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag,</al><al>dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al><al>3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter</al><al>of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een
                                voor bewoning of ander</al><al>dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners of</al><al>gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of
                                hun anderszins hinder of</al><al>overlast wordt aangedaan.</al><al>2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                gebruikt wordt voor het uitvoeren van</al><al>werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse
                                noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                plantsoen of een van gemeentewege</al><al>aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te
                                laten staan.</al><lijst><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                                door of vanwege de overheid; en</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen waarmee standplaats wordt of is
                                                ingenomen op terreinen die voor dit doel</al></li><li nr="d."><al>zijn bestemd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Overlastgevend parkeren van voertuigen</titel></kop><al>1.Het is verboden een voertuig te parkeren daar, waar bewoners of
                                gebruikers van nabijgelegen</al><al>gebouwen of terreinen daarvan geluidshinder of stankoverlast
                                ondervinden.</al><al>2.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien bij</al><al>of krachtens de Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter</al><al>voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade
                                aan de openbare gezondheid</al><al>aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de
                                daarvoor bestemde ruimten of</al><al>plaatsen te laten staan.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of</al><al>goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al><al>2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van</al><al>goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte
                                stukken, dan wel bij het</al><al>aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien
                                daarbij te kennen wordt</al><al>gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten
                                dele voor een liefdadig of</al><al>ideëel doel is bestemd.</al><lijst><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten
                                        kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan onder door het college te stellen
                                        voorschriften vrijstelling verlenen van het in het</al></li></lijst><al>eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden
                                door daarbij aangewezen</al><al>instellingen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                uitoefening van de ambulante handel te</al><al>koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten
                                aan te bieden op een</al><al>openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al><lijst><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                                degene die dit doet ter exploitatie van</al></li></lijst></li></lijst><al>zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al>b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                het aanbieden van</al><al>diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                eerste lid, onder h, van de</al><al>Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 2:24, lid 2,
                                onder d;</al><al>c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                het aanbieden van</al><al>diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college te
                                        venten.</al></li><li nr="2."><al>Geen vergunning is vereist voor het venten met door het
                                        college aangewezen goederen of</al></li></lijst><al>diensten, wanneer dit uitsluitend op de weg plaats vindt en de
                                venter daarvan minimaal twee</al><al>weken van tevoren melding heeft gedaan bij het college en voldoet
                                aan de hiervoor geldende</al><al>algemene regels.</al><lijst><li nr="3."><al>Voor huis-aan-huis-venten wordt alleen aan natuurlijke
                                        personen vergunning verleend.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan binnen zeven dagen na ontvangst van de
                                        melding besluiten het venten als</al></li></lijst><al>bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare
                                orde, de openbare</al><al>veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al><al>5.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>1.Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                toepassing op het venten met gedrukte of</al><al>geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard
                                als bedoeld in artikel</al><al>7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van
                                gedrukte en geschreven stukken</al><al>waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                artikel 7, eerste lid van de</al><al>Grondwet verboden indien het venten plaatsvindt in overdekte
                                winkelcentra of binnen een straal</al><al>van 15 meter bij de ingang van deze winkelcentra, of op overige door
                                het college aangewezen</al><al>openbare plaatsen.</al><al>3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                                lid.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op een openbare</al><al>en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of
                                afleveren van goederen dan</al><al>wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam,
                                een wagen of een tafel.</al><lijst><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als
                                                bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en</al></li></lijst></li></lijst><al>onder h, van de Gemeentewet ;</al><al>b.een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                2:24.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een
                                        geldend bestemmingsplan,</al></li></lijst><al>beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</al><lijst><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan</al></li></lijst></li></lijst><al>redelijke eisen van welstand;</al><al>b.indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of
                                in een deel van de</al><al>gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van
                                de vergunning voor een</al><al>standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                verzorgingsniveau voor de</al><al>consument ter plaatse in gevaar komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het</al><al>college standplaats wordt of is ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><structuurtekst><al>(Het begrip snuffelmarkt valt op grond van deze verordening onder
                                het begrip evenement)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><structuurtekst><al>(gereserveerd)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><structuurtekst><al>(gereserveerd)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te</titel></kop><al><vet>Stoken</vet></al><al>1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de</al><al>Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te
                                hebben.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                                dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                                geen afvalstoffen worden verbrand</al></li></lijst></li></lijst><al>voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                oplevert;</al><al>c.vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar,
                                overlast of hinder voor de</al><al>omgeving oplevert.</al><lijst><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                        worden geweigerd ter bescherming</al></li></lijst><al>van de flora en fauna.</al><al>5.Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt
                                voorzien door artikel 429,</al><al>aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de
                                Provinciale milieuverordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld</al><al>in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of
                                nabestaande(n) gewenste plek buiten</al><al>een permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>opgemeentelijke begraafplaatsen en
                                                crematoriumterreinen;</al></li><li nr="b."><al>op verharde delen van de weg;</al></li><li nr="c."><al>op kinderspeelplaatsen, ligweiden en openbare sport-
                                                en spelterreinen;</al></li><li nr="d."><al>op of vanaf bruggen, sluiscomplexen, steigers en
                                                remmingwerken;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan regels stellen, inhoudende een verbod as te
                                        verstrooien gedurende een daarbij</al></li></lijst><al>aangegeven termijn op daarbij aangegeven andere plaatsen dan bedoeld
                                in het eerste lid.</al><al>3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor
                                de asbus, op grond van</al><al>bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in het eerste
                                lid, onder a tot en met d,</al><al>gestelde verboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast</al><al>wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAFBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de hieronder vermelde
                            artikelen wordt gestraft met</al><al>hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                            categorie en kan bovendien</al><al>worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak:</al><al>artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al><al>artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden;</al><al>artikel 2:6 Beperking verspreiden van voorwerpen voor
                            handelsreclamedoeleinden;</al><al>artikel 2:9 Straatartiest</al><al>artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen op, in, aan of boven de weg;</al><al>artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                            veranderen van</al><al>een weg</al><al>artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</al><al>artikel 2:14 Winkelwagentjes</al><al>artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</al><al>artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</al><al>artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al><al>artikel 2:23a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in
                            kampeermiddelen</al><al>artikel 2:25 Evenementenvergunning</al><al>artikel 2:25a 0-evenementen</al><al>artikel 2:26 Openbare orde en veiligheid</al><al>artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting</al><al>Artikel 2:28b Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            beheerder;</al><al>Artikel 2:29d Sluiting van inrichtingen</al><al>Artikel 2:29e Terrassen</al><al>Artikel 2:29f Openings- en sluitingstijden</al><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</al><al>Artikel 2:31a Wijziging beheer</al><al>Artikel 2:34 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen</al><al>Artikel 2:34a Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</al><al>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</al><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</al><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden</al><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</al><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</al><al>Artikel 2:44 a Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:48 Openlijk drankgebruik</al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                            ruimten</al><al>Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen</al><al>Artikel 2:50b Glaswerk op speelplaatsen</al><al>Artikel 2:57 Loslopende honden</al><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</al><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</al><al>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</al><al>Artikel 2:65 Bedelarij</al><al>artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                            verkoopdagen</al><al>artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                            jaarwisseling</al><al>artikel 2:74 Drugshandel op straat</al><al>Artikel 2:74a Weggooien van spuiten e.d.</al><al>Artikel 2:74b Coffeeshopverbod</al><al>Artikel 2:77b Omgevingsverbod</al><al>artikel 3:3 Nadere regels</al><al>artikel 3:4 Vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf</al><al>artikel 3:6 Sluitingstijden</al><al>artikel 3:7 Sluiting van de seksinrichting</al><al>artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            beheerder</al><al>artikel 3:9 Prostitutie</al><al>artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotische-pornografische</al><al>goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><al>artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</al><al>artikel 3:15 Wijziging beheer</al><al>Artikel 3:16 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotisch-pornografische</al><al>goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><al>Artikel 4:5 Overige geluidhinder</al><al>Artikel 4:6 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest, ingekuilde
                            landbouwproducten</al><al>e.d.</al><al>Artikel 4:15 Vergunningplicht handelsreclame</al><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al><al>Artikel 5:6 Recreatievoertuigen, aanhangwagens e.a.</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</al><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</al><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</al><al>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al><al>Artikel 5:11 Overlastgevend parkeren van voertuigen</al><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</al><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</al><al>Artikel 5:15 Ventverbod</al><al>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</al><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</al><al>Artikel 5:21 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                            anderszins vuur te</al><al>stoken</al><al>Artikel 5:36 Verboden plaatsen voor incidentele asverstrooiing</al><al>Artikel 5:37 Hinder of overlast</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezicht en opsporing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>de door het college of de burgemeester aangewezen
                                            personen;</al></li><li nr="b."><al>ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, eerste
                                            lid, onderdeel a en onderdeel c, van de</al></li></lijst></li></lijst><al>Politiewet 2012.</al><al>2.Ambtenaren genoemd in het eerste lid onder b zijn bevoegd bij
                            overtreding van het bepaalde bij</al><al>of krachtens deze verordening en bij verstoring van de openbare orde of
                            bij ernstige vrees voor</al><al>het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk worden geacht
                            voor de handhaving</al><al>van de openbare orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of</al><al>krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot
                            handhaving van de openbare</al><al>orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                            personen, zijn bevoegd tot het</al><al>binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:1</nr><titel>Intrekking Algemene plaatselijke verordening 2009</titel></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening 2009 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening 2009
                            die golden op het</al><al>moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze
                            verordening</al><al>overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:3</nr><titel>Overgangsbepaling vergunningen en ontheffingen</titel></kop><al>1.Op een aanvraag om een vergunning of ontheffing krachtens de Algemene
                            Plaatselijke</al><al>Verordening 2009, die is gedaan voor het tijdstip van inwerkingtreding
                            van deze verordening,</al><al>wordt, totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist
                            overeenkomstig het ten</al><al>tijde van de indiening van de aanvraag geldende recht.</al><al>2.Op een bezwaarschrift of beroep tegen een besluit, krachtens de
                            Algemene Plaatselijke</al><al>Verordening 2009 genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                            verordening, wordt,</al><al>totdat de beslissing daarop onherroepelijk is geworden, beslist
                            overeenkomstig het ten tijde van</al><al>het nemen van dat besluit geldende recht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: APV Capelle aan den IJssel
                            2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 30 september 2013,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Apv Capelle aan den IJssel 2013</titel></kop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd.</al><al>Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald
                    onderdeel</al><al>van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling
                    definities</al><al>opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</al><al>a.bevoegd gezag</al><al>Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene
                    bepalingen</al><al>omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of
                    veranderen van</al><al>een weg (artikel 2:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een
                    weg is</al><al>aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo.. De Wabo kan ook van
                    toepassing</al><al>zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie
                    daarvan, namelijk</al><al>als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing
                    voor het opslaan</al><al>van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de
                    Wabo. Zie verder</al><al>de toelichting bij artikel 2:10.</al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt
                    één</al><al>procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het</al><al>bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de</al><al>gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt
                    aantal gevallen</al><al>berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van
                    burgemeester en</al><al>wethouders, maar bij het college van gedeputeerde staten en in enkele gevallen
                    bij een Minister.</al><al>Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast</al><al>met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de
                    artikelen 2:10 en 2:11</al><al>van deze verordening.</al><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor.</al><al>Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders,
                    ofwel de</al><al>burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</al><al>b.bouwwerk</al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder d, van de bouwverordening:
                    “elke constructie van</al><al>enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                    bestemming hetzij</al><al>direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                    steun vindt in of op de</al><al>grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.</al><al>c.college</al><al>Behoeft geen toelichting.</al><al>d.gebouw</al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een</al><al>voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten
                    ruimte vormt”.</al><al>e.handelsreclame</al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt</al><al>handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van
                    dit artikel</al><al>geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste
                    lid van artikel 7, dat</al><al>zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de
                    verspreiding van</al><al>gedrukte stukken e.d.</al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg.</al><al>Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare
                    aanprijzing van</al><al>goederen en diensten.</al><al>Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid
                    geformuleerde uitzondering</al><al>slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des
                    woords en omvat</al><al>zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op
                    reclame voor ideële</al><al>doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt.
                    Voorschriften</al><al>voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten
                    kunnen</al><al>doorstaan.</al><al>Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een
                    vergunningsstelsel.</al><al>f.openbare plaats</al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1,
                    eerste lid, WOM</al><al>bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming
                    of vast</al><al>gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van</al><al>toelichting zeggen “dat in beginsel een ieder vrij is om er te komen, te
                    vertoeven en te gaan; dit</al><al>houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald
                    doel gebonden</al><al>mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is
                    van een</al><al>meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een
                    toegangsprijs voor het</al><al>betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions,
                    postkantoren, warenhuizen,</al><al>restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het</al><al>gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of</al><al>vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de
                    plaats is</al><al>gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats
                    sprekende bedoeling.</al><al>Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende
                    zekere tijd</al><al>wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke
                    toestand</al><al>gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare</al><al>wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van
                    overdekte</al><al>passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare
                    waterwegen en</al><al>recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als</al><al>bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede
                    lid, WOM expliciet</al><al>aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of
                    besloten plaats</al><al>als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr.
                    5, p. 11-13, en</al><al>nr. 6).</al><al>g.openbaar water</al><al>Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open</al><al>staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het
                    publiek</al><al>toegankelijk”.</al><al>h.rechthebbende</al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al>i.weg</al><al>Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar
                    onderdeel van uitmaakt.</al><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:</al><al>a.de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever
                    heeft gecreëerd</al><al>in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet
                    is dat het</al><al>verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar
                    recht van vrij</al><al>gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);</al><al>b.de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor
                    het</al><al>openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak
                    om met</al><al>betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te
                    grijpen.</al><al>Op of aan de weg</al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op</al><al>of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid
                    ten opzichte</al><al>van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open
                    ruimtes die</al><al>aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt
                    of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27
                    van de Spoorwegwet</al><al>en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag
                    inzake</al><al>veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations
                    echter ook een</al><al>doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze
                    doorgangen in</al><al>stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Beslistermijn</tussenkop><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn</al><al>aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan
                    worden</al><al>nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In artikel 1:2 is
                    de beslistermijn</al><al>vastgesteld op acht weken (eerste lid). Hiermee is aangesloten bij artikel 4:13
                    Awb waar is</al><al>bepaald dat de redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het
                    bestuursorgaan binnen</al><al>acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven.</al><al>Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld.
                    Meer</al><al>ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                    ingewonnen,</al><al>vergen soms meer tijd. Op grond van het derde lid kan de beslistermijn worden
                    verlengd</al><al>met een duur van acht weken.</al><al>Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit
                    verlengingsbesluit. Indien de</al><al>aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar
                    en beroep gaan.</al><al>Artikel 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen een
                    'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten</al><al>dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit.</al><al>Zie hierover ook bijv. TK 2004/05, 29 934, nr. 6 (memorie van toelichting Wet
                    dwangsom en</al><al>beroep), p. 10, waarin dit nog eens uitdrukkelijk wordt uitgelegd. Daar wordt
                    zelfs gezegd dat een</al><al>dergelijk briefje in feite juist 'een uitdrukkelijke erkenning door het
                    bestuursorgaan [is] dat het in</al><al>gebreke is'.</al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van</al><al>toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf
                    vastgestelde</al><al>termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet
                    daaraan.</al><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                    beslistermijn eenmaal door de</al><al>bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de
                    complexiteit</al><al>van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is
                    vereist met</al><al>gebruikmaking van dit criterium.</al><al>De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van
                    de</al><al>oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het tweede lid is
                    een implementatie</al><al>van deze verplichting.</al><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de</al><al>beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.
                    De</al><al>wegaanlegvergunning (art 2:11) valt onder de Wabo, en ook onder bepaalde
                    omstandigheden het</al><al>plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (art 2:10). De vergunning voor het
                    aanleggen of</al><al>veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de
                    Wabo. De Wabo</al><al>kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig
                    de publieke</al><al>functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken
                    (artikel 2:10). De</al><al>ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2,
                    eerste lid, onder j</al><al>en k van de Wabo.</al><tussenkop>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</tussenkop><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het</al><al>laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie
                    weken</al><al>aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten uitkomen,
                    dat niet elke</al><al>te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor
                    vergunningen die</al><al>niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de
                    mogelijkheid</al><al>geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Als
                    een</al><al>aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden beoordeeld,
                    volstaat een</al><al>gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager.</al><tussenkop>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van</al><al>voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet
                    verlenen van die</al><al>vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan.
                    Toch verdient het</al><al>uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk
                    vast te leggen.</al><al>Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften
                    uitsluitend mogen</al><al>strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van
                    vergunning of</al><al>ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond</al><al>opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor
                    toepassing van andere</al><al>administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid
                    vastgelegd.</al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden</al><al>toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede
                    lid van artikel</al><al>1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt
                    hierover alle</al><al>onzekerheid weggenomen.</al><al>Dienstenrichtlijn</al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op</al><al>criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op</al><al>willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir,
                    gerechtvaardigd om een</al><al>dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen
                    belang; duidelijk</al><al>en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook</al><al>de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen
                    hieraan te</al><al>voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid
                    wordt</al><al>verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond
                    van het vijfde</al><al>lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend
                    onderzoek is</al><al>vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al>In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van</al><al>het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor
                    staat ook straf op</al><al>het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de</al><al>persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het
                    bezit van een</al><al>diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning
                    is in beginsel</al><al>niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld
                    van een</al><al>persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de
                    Drank- en</al><al>Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige
                    diploma’s</al><al>moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de
                    standplaatsvergunning. Dit vanwege</al><al>het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen
                    om</al><al>vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou
                    onredelijk zijn</al><al>als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere
                    terwijl</al><al>een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtsopvolger geldt, is</al><al>het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of
                    ontheffing</al><al>verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft
                    overgedragen, met</al><al>vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of
                    ontheffing.</al><al>Een kennisgeving is juridisch gezien van een andere orde dan een vergunning of
                    ontheffing (want</al><al>niet op rechtsgevolg gericht). Ook voor een kennisgeving die in het kader van
                    vergunning- of</al><al>ontheffingverlening aan een vergunning- of ontheffinghouder wordt verstrekt,
                    geldt echter dat</al><al>deze persoonsgebonden is.</al><tussenkop>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter</al><al>(“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt
                    overgegaan. Zo</al><al>zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking
                    van de</al><al>vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken
                    nogal eens de</al><al>bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen,</al><al>dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te
                    dienen (artikel</al><al>4:8 Awb).</al><tussenkop>Artikel 1:7 Termijnen</tussenkop><al>Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde
                    tijd geldt. Dit</al><al>vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat
                    vergunningen geen beperkte</al><al>geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd
                    of alleen</al><al>afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal
                    beschikbare</al><al>vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een
                    beperkte duur</al><al>gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</al><al>Over punt b.: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in
                    beginsel voor</al><al>onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs
                    beperkt is,</al><al>bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt
                    juist niet</al><al>gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor
                    onbepaalde tijd</al><al>alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een
                    transparante</al><al>en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden
                    georganiseerd.</al><al>Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten
                    zij</al><al>beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                    doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is</al><al>bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een</al><al>oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al>Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de
                    toelichting onder</al><al>artikel 1:8.</al><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of</al><al>ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde
                    duur blijft</al><al>gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden
                    dient de</al><al>vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de
                    noodzaaken</al><al>proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen
                    gevolgen hebben voor</al><al>het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De
                    noodzaak</al><al>daarvoor ontbreekt.</al><tussenkop>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde</al><al>activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels kenden tot
                    2007 vervolgens</al><al>een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende
                    manier</al><al>omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere</al><al>weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van
                    deregulering en</al><al>vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden
                    gekeken. We</al><al>hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor
                    gekozen om in</al><al>Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke
                    vergunningstelsels</al><al>zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning
                    andere</al><al>weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het
                    betreffende artikel</al><al>genoemd.</al><al>Vergunningen</al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV
                    van de VNG zijn</al><al>deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels:</al><al>gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de evenementenvergunning,</al><al>horecaexploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting,
                    standplaatsvergunning en de</al><al>vergunning voor een snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de
                    Europese Richtlijn</al><al>uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</al><al>Vestiging of tijdelijke overschrijding</al><al>Bij het screenen van de model-APV van de VNG aan de Dienstenrichtlijn is het
                    volgende in</al><al>ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de
                    ‘vestiger’, de</al><al>‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter.</al><al>De richtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie
                    categorieën. Het zou in</al><al>theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere
                    eisen stelt dan</al><al>aan een buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk
                    en vanuit het</al><al>oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk.</al><al>Op diezelfde gronden is het evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen
                    tussen</al><al>verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders,
                    vestigers en dus ook</al><al>Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een
                    andere lidstaat</al><al>hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de
                    grens overschrijdt</al><al>om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de
                    eigen onderdanen.</al><al>Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt. Zie
                    daarvoor de toelichting</al><al>bij hoofdstuk 3.</al><al>Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk,
                    maar ook de</al><al>gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers
                    dezelfde.</al><al>Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor
                    interne én</al><al>internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de
                    richtlijn (artikel 16):</al><al>de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij</al><al>standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor
                    een</al><al>standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten.
                    Ook in dit</al><al>geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de
                    dienstverlener</al><al>wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de model-APV geen onderscheid gemaakt
                    tussen</al><al>verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.</al><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de</al><al>richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                    beantwoord:</al><al>Overlast</al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip
                    ‘overlast’ komt in het</al><al>EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook
                    de Dienstenrichtlijn</al><al>spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van
                    overlast die gerelateerd</al><al>zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder,
                    overlast</al><al>veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder</al><al>bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</al><al>Verkeersveiligheid</al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als</al><al>bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen</al><al>valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te
                    beschermen</al><al>belang betreft.</al><al>Veiligheid van personen en gezondheid</al><al>Deze gronden waarop grond voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd,</al><al>bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als
                    een belang van</al><al>volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al>Zedelijkheid</al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt
                    uitgelegd in</al><al>overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid
                    of in het</al><al>geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of
                    zwijntjetik) aan het</al><al>belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde
                    kunnen een</al><al>‘zedelijkheidsaspect’ hebben. [check]</al><al>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten</al><al>behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was
                    dat</al><al>gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet
                    in verhouding</al><al>staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit
                    jurisprudentie van de Afdeling</al><al>bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen</al><al>niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt
                    door de</al><al>Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het
                    voorzieningenniveau voor de</al><al>consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis
                    hiervan een</al><al>vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de
                    boekhouding van</al><al>de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een</al><al>standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede)</al><al>diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet</al><al>toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om</al><al>deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van
                    goederen (zie</al><al>artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de richtlijn immers niet van
                    toepassing.</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning</al><al>een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening
                    kan worden</al><al>overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om
                    desgevraagd bij</al><al>een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een
                    document te</al><al>overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid, van
                    het</al><al>Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig
                    verblijf heeft</al><al>op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning
                    van</al><al>vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van o.m. gemeenten , voor
                    zover die</al><al>betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen
                    of</al><al>beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 ORDE EN VEILIGHEID OP OPENBARE PLAATSEN</tussenkop><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de</al><al>bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op
                    andere</al><al>openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte,
                    onder andere</al><al>voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel
                    regulering van het</al><al>gebruik.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid</al><al>van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of
                    vanwege het bevoegde</al><al>bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan
                    samenscholing, gestraft</al><al>met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie.”</al><al>Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.
                    Onder</al><al>omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van
                    bijvoorbeeld een</al><al>betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort
                    samenscholingen van de</al><al>werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook
                    gebeurd.</al><al>Er zijn situaties denkbaar waarbij een samenscholing zonder meer overlastgevend
                    is. In een</al><al>dergelijke situatie hoeft de overlast die voortvloeit uit de samenscholing niet
                    als zodanig te</al><al>worden aangetoond. Hiervan is sprake, indien de verzameling van personen verband
                    houdt met</al><al>drugsgebruik, dan wel -handel. De politie zal in het concrete geval moeten
                    beoordelen of hier</al><al>sprake van is en men toekomt aan artikel 2:1. Een en ander op basis van ervaring
                    en de concrete</al><al>omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van
                    transacties, het</al><al>ruziën tussen aanbieders en afnemers etc.</al><al>In het tweede lid van artikel 2:1 is het verwijderingsbevel - gegeven door een
                    politieambtenaar -</al><al>opgenomen. Dit conform de jurisprudentie welke heeft bepaald dat een bevel ter
                    handhaving van</al><al>de openbare orde op grond van artikel 2 Politiewet in de gemeentelijke
                    regelgeving moet zijn</al><al>verankerd. Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden. De sanctionering van
                    het niet</al><al>opvolgen van een krachtens een APV-bepaling gegeven politiebevel vindt plaats op
                    grond van de</al><al>artikelen 184 of 186 WvSr. Dit conform het standpunt van het college van
                    Procureurs Generaal</al><al>(mei 2012). Zij stelt dat vervolging op grond van artikel 184 WvSr mogelijk is
                    indien de</al><al>bevoegdheid is verankerd in de APV. Dit laatste is het geval.</al><tussenkop>Artikel 2:2 Optochten (gereserveerd)</tussenkop><al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de</al><al>evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie verder de toelichting bij die
                    artikelen.</al><tussenkop>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</tussenkop><al>Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties
                    (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare
                    plaats”</al><al>gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat
                    voor het</al><al>publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw
                    of besloten</al><al>plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee,
                    synagoge of een</al><al>ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke doelen).</al><al>Deze definitie is in artikel 1:1 overgenomen (zie toelichting aldaar).</al><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke</al><al>activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen
                    moet vaststellen.</al><al>Artikel 5 WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van
                    een</al><al>kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven;
                    artikel 6 WOM kent</al><al>hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij
                    bevoegd is aan de</al><al>organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen</al><al>te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare
                    plaatsen kent</al><al>artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te
                    beëindigen.</al><al>De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige
                    activiteiten</al><al>zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:3. alleen
                    betrekking op</al><al>betogingen. Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot samenkomsten tot het
                    belijden van</al><al>godsdienst of levensovertuiging, tot vergaderingen en tot “processies”.</al><al>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder
                    de</al><al>bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen,</al><al>vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voor zover</al><al>die op openbare plaatsen gehouden worden.</al><al>De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan
                    volgens de</al><al>regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK
                    1986-1987, 19</al><al>427, nr. 5, p. 8).</al><al>Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als
                    artikel 9 Grondwet</al><al>maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht dat
                    niet nodig.</al><al>Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het</al><al>eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien
                    van schriftelijke</al><al>uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard
                    zijn.</al><al>De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM
                    aan</al><al>gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    5/6):</al><al>-de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor betogingen,
                    vergaderingen en</al><al>samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare
                    plaatsen. De</al><al>wet laat een zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke
                    activiteiten is een</al><al>kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een kennisgeving voldoen; welke
                    voorschriften</al><al>en beperkingen kunnen opgelegd worden;</al><lijst><li nr="-"><al>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</al></li><li nr="-"><al>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                            beëindigen.</al></li></lijst><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke
                    regelgeving</al><al>onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een dergelijke
                    regeling verzet en</al><al>dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale
                    wetgever rechtvaardigt.</al><al>Het gaat met name om de volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    6):</al><al>-het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige grondrechten
                    door</al><al>gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8 WOM);</al><al>-een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die tijdens
                    eerder genoemde</al><al>activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3, vierde lid, 4, derde lid, en 5,
                    derde lid);</al><al>-de bescherming van het functioneren van buitenlandse vertegenwoordigingen en
                    bepaalde</al><al>andere instellingen die een bijzondere volkenrechtelijke bescherming genieten,
                    voor zover deze</al><al>bescherming verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van
                    wanordelijkheden”</al><al>(artikel 9 WOM);</al><al>-de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven normen
                    (artikel 11</al><al>WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en verstoring van geoorloofde
                    openbare</al><al>manifestaties (wijziging van de artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder
                    artikel 11 WOM);</al><al>-de bescherming van de zondagsrust, deze bescherming verder dient te reiken dan
                    “de</al><al>bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” (wijziging van de artikelen 3, 5
                    en 5a en 8</al><al>Zondagswet, onder artikel III WOM).</al><al>Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke</al><al>bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een kerkgenootschap en
                    zelfstandig</al><al>onderdeel daarvan of een genootschap op geestelijke grondslag is, gelet op
                    artikel 3, derde lid,</al><al>WOM een eenmalige kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft twee
                    mogelijkheden; of</al><al>deze bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving
                    voorschrijven.</al><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM</al><al>uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM).
                    Voor deze</al><al>activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><al>Voor een nadere toelichting over “openbare en andere dan openbare plaatsen”: zie
                    de toelichting</al><al>bij artikel 1:1.</al><al>Betoging</al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad</al><al>kan sprake zijn van een betoging als:</al><lijst><li nr="-"><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr="-"><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen</al><al>van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK</al><al>1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting
                    (openbaren van</al><al>gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden
                    moet ook</al><al>gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een betoging is niet
                    noodzakelijkerwijs een optocht</al><al>en een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR
                    30-05-1967, NJ</al><al>1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen
                    “menigte” nodig.</al><al>Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken
                    (HR 11-05-</al><al>1976, NJ 1976, 540).</al><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging” omschreven
                    als “het middel</al><al>om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan
                    gevoelens en</al><al>wensen op maatschappelijk en politiek gebied”.</al><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het</al><al>aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een
                    betoging activiteiten</al><al>worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten
                    worden beoordeeld of</al><al>er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende
                    recht (TK 1975-</al><al>1976, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9
                    heeft de regering er</al><al>op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip “betoging”
                    meebrengt dat</al><al>acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de
                    achtergrond is</al><al>geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of
                    jegens derden,</al><al>geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan
                    bijvoorbeeld het geval zijn</al><al>bij blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals</al><al>Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de
                    zin van artikel</al><al>1, eerste lid, onder a WOM (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht
                    kan, als die</al><al>opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid,
                    Grondwet</al><al>vallen.</al><al>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het</al><al>onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een
                    betoging, is</al><al>uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in
                    zwaarwegende</al><al>omstandigheden.</al><al>Klokgelui en oproepen tot gebed</al><al>Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is om regels te stellen over de
                    duur, het</al><al>tijdstip en het geluidsniveau van klokgelui en oproepen tot gebed.</al><al>De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het
                    grondrecht</al><al>vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot
                    klokluiden en</al><al>oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome
                    bevoegdheid van</al><al>gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend
                    op te treden</al><al>onverlet te laten.</al><al>Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van
                    geluidsoverlast</al><al>beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen.</al><al>Artikel 10 WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:5 APV (overige
                    geluidhinder). Zie de</al><al>toelichting bij dat artikel.</al><al>Gemeentelijke bevoegdheden</al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden</al><al>krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van toelichting bij de
                    WOM geeft</al><al>dit aan en ook de minister belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid
                    nadrukkelijk.</al><al>Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas
                    gebruik van</al><al>gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de
                    openbare orde</al><al>of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde.
                    In die gevallen</al><al>kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens artikel
                    176</al><al>Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.</al><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om
                    krachtens</al><al>artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een
                    noodverordening.</al><al>Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 Gemeentewet
                    zich als</al><al>bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van
                    artikel 443 Sr.</al><al>en het is “dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer
                    tijdelijke onderbreking van</al><al>de uitoefening van het grondrecht gedoogt”, HR 28-11-1950, NJ 1951, 137
                    (Tilburgse APV).</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de</al><al>verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester dus bevelen, zoals
                    bedoeld in artikel</al><al>175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen.
                    Dit zou in het</al><al>uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden.
                    De</al><al>burgemeester heeft in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, de
                    bevoegdheid om</al><al>grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het
                    belang van</al><al>het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.</al><al>Vierde lid</al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige</al><al>toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de
                    verordening anders is</al><al>bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat
                    afhandeling op zaterdag</al><al>of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur
                    moet</al><al>plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling
                    en</al><al>besluitvorming te beschikken.</al><tussenkop>Artikel 2:4 Afwijking termijn</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</al><tussenkop>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><al>Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</al><tussenkop>Artikel 2:6 Beperking verspreiden van voorwerpen voor
                    handelsreclamedoeleinden</tussenkop><al>Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of
                    aan door het</al><al>college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het verbod raakt het grondrecht
                    waarmee de</al><al>gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van
                    meningsuiting.</al><al>Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7
                    Grondwet. De vrijheid</al><al>tot verspreiding van ideële reclame en van gedachten en gevoelens worden daarin
                    beschermd.</al><al>Het verbod in de aangewezen gebieden beperkt zich dan ook tot het maken van
                    handelsreclame.</al><al>De formulering van het verbod is evenwel zodanig opgesteld dat ook verspreiding
                    “met het</al><al>kennelijke doel” van het maken van handelsreclame is beperkt. Dit maakt het
                    mogelijk om ook</al><al>commerciële reclame-uitingen in combinatie met niet commerciële uitingen te
                    beperken,</al><al>indien het primaire doel is het maken van handelsreclame. In bepaalde gebieden
                    of tijdens</al><al>bepaalde gebeurtenissen (evenementen, optochten, demonstraties) is het wenselijk
                    vanuit het</al><al>oogpunt van overlasten milieu preventief op te treden met een tijdelijk verbod.
                    Een absoluut</al><al>verbod is daarom onwenselijk. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid
                    mag het college</al><al>niet zodanig gebruik maken dat er 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft.
                    Het college</al><al>ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.
                    Aanwijzing van de hele</al><al>stad is niet mogelijk en niet wenselijk. Ook in gebieden waar het verbod geldt,
                    kan het wenselijk</al><al>zijn om het verspreiden beperkt toe te staan.</al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid om het verbod voor die wegen te beperken
                    tot nader aan te</al><al>geven dagen en uren. Dit betekent ook dat bepaalde gebeurtenissen of
                    evenementen</al><al>aangewezen kunnen worden.</al><al>In het derde lid is een opruimplicht opgenomen.</al><al>In het vierde lid is een algemene vrijstelling opgenomen van het verbod tot het
                    verspreiden van</al><al>huis aan huis verspreiding of bezorging.</al><al>Het vijfde lid regelt dat de burgemeester vrijstelling kan verlenen van het
                    verbod voor bepaalde</al><al>categorieën en ontheffing kan verlenen in individuele gevallen.</al><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><al>1.Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                    gevoelens te</al><al>openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.</al><al>2.De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                    toezicht op de inhoud</al><al>van een radio of televisie uitzending.</al><al>3.Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                    voorafgaande leden</al><al>genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud
                    daarvan,</al><al>behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van
                    vertoningen,</al><al>toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van
                    de goede</al><al>zeden.</al><al>4.De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                    handelsreclame.</al><tussenkop>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</tussenkop><al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de</al><al>evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie het commentaar bij die
                    artikelen.</al><tussenkop>Artikel 2:8 Dienstverlening</tussenkop><al>De VNG heeft het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven
                    naar</al><al>vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven
                    (deregulering).</al><tussenkop>Artikel 2:9 Straatartiest</tussenkop><al>Net als straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9 wordt
                    een</al><al>straatmuzikant onder de straatartiesten gebracht.</al><al>De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van
                    algemeen belang,</al><al>hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu.
                    Zie voor de</al><al>betekenis van deze begrippen het commentaar onder artikel 1:8.</al><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder</al><al>de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van
                    gedachten of</al><al>gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7
                    Grondwet haast</al><al>grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen,
                    ongeacht de</al><al>intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet
                    beschermd. (KB 5</al><al>juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.)
                    Artikel 7, derde</al><al>lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig
                    wegens de</al><al>inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals
                    bijvoorbeeld de</al><al>verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden
                    tussen inhoud en</al><al>verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op
                    een bepaalde</al><al>plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan
                    worden geuit. Dat</al><al>betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                    opgenomen grondrecht,</al><al>het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste
                    lid, Grondwet</al><al>zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                    gedrukte stukken of</al><al>afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat
                    voor bepaalde</al><al>straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2:10 </tussenkop><al>Voorwerpen of stoffen op, in, aan of boven de weg</al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar</al><al>kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan gedacht
                    worden aan het</al><al>plaatsen van reclameborden of containers.</al><al>Eerste lid</al><al>Bij de term ‘overeenkomstig de publieke functie’ gaat het er niet om welke
                    bestemming er op</al><al>grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan geldt, maar om welke functie
                    de weg of het</al><al>weggedeelte heeft. Plaatst iemand voorwerpen op de weg, zoals bijvoorbeeld
                    goederen, kisten,</al><al>afval, bouwmaterialen of meubilair, dan wordt daardoor een gebruik van de
                    (openbare) weg</al><al>gemaakt dat de algemene gebruikswaarde als verkeersbaan aantast. Hierdoor is een
                    vorm van</al><al>gebruik aanwezig welk beslag legt op de weg als object ten nadele van het
                    algemeen</al><al>openstaand gebruik. Dit raakt wel de bruikbaarheid van de weg zelf, waarvoor de
                    beheerder (de</al><al>gemeente) van de weg heeft te verzorgen.</al><al>In het tweede lid zijn in aanvulling op artikel 1:8 een aantal weigeringsgronden
                    opgenomen. Zo</al><al>wordt de vergunning bijvoorbeeld geweigerd als het gebruik schade kan toebrengen
                    aan de weg,</al><al>gevaar oplevert of niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.</al><al>Het college is bevoegd categorieën aan te wijzen waarvoor de vergunning plicht
                    niet geldt en</al><al>volstaan kan worden met een melding.</al><al>Het in artikel 2:10 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen
                    behorend bij een</al><al>inrichting, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van
                    artikel 2:29e.</al><al>Zo’n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2:27 deel uit van die
                    inrichting. Daarom is hier een</al><al>afbakeningsbepaling opgenomen. Voor de duidelijkheid: het gaat hierom een terras
                    dat behoort</al><al>bij een voor het publiek openstaand gebouw.</al><al>In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw
                    of een in artikel</al><al>2:27 bedoelde inrichting en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte
                    kunnen alleen de</al><al>in artikel 2:10 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd
                    gezag.</al><al>Onder c: standplaatsen Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen
                    waarop afdeling</al><al>5.4 van toepassing is.</al><al>Het zesde lid regelt dat wanneer het Rijk, de provincie, de gemeente of het
                    waterschap bij het</al><al>uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak handelt, zij geen vergunning op
                    grond van artikel</al><al>2:10 nodig heeft. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden
                    afstemmen op de</al><al>bruikbaarheid van de weg. Tevens regelt dit lid de afbakening met landelijke
                    verkeerswetgeving.</al><tussenkop>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</tussenkop><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van</al><al>toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening,</al><al>exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd
                    in artikel 3.9 van</al><al>de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken,
                    de</al><al>verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden
                    aangevraagd en er</al><al>één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van
                    toepassing</al><al>(beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in</al><al>de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene
                    indieningsvereisten</al><al>uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 APV.
                    Voor het aanleggen of</al><al>veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten
                    opgenomen.</al><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of</al><al>geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan
                    in artikel 1.8</al><al>van deze verordening.</al><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of</al><al>voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd.
                    Wanneer het</al><al>gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen
                    vergunning nodig: het</al><al>college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting
                    aldaar.</al><al>Eerste lid</al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en</al><al>verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de
                    bruikbaarheid van die</al><al>weg.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo</al><al>van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat
                    wegen voortijdig</al><al>aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire
                    openbare</al><al>voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de
                    bruikbaarheid van die</al><al>weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel
                    extra kosten</al><al>meebrengt.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke</al><al>toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden
                    gefrustreerd door</al><al>privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de
                    grond is, ligt dat</al><al>anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat
                    hij ook</al><al>privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><al>Tweede lid</al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de
                    Wegenverkeerswet 1994</al><al>gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van
                    wegen die feitelijk</al><al>voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de
                    vergunningsplicht ook geldt</al><al>voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer
                    openstaan. Ook voor</al><al>deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid
                    daarvan voor</al><al>brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van
                    verharding,</al><al>breedte e.d.</al><al>Derde lid</al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun</al><al>publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun</al><al>werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Vierde lid</al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van</al><al>leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en</al><al>kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een
                    openbare</al><al>status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een
                    regeling getroffen</al><al>in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)</al><al>Telecommunicatieverordening.</al><tussenkop>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><al>Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de
                    eigenaar van een</al><al>weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat
                    regels in een</al><al>verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van
                    het verkeer,</al><al>veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Artikel 2:12 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen
                    creëert. Dat zou</al><al>de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg)
                    te veel</al><al>belemmeren.</al><al>Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning
                    is uit</al><al>jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is, indien die
                    voorwaarde strekt ter</al><al>behartiging van het belang waarvoor het vergunningvereiste is gesteld,
                    bijvoorbeeld de vrijheid</al><al>van het verkeer, de veiligheid op de weg of de instandhouding van de
                    bruikbaarheid van de weg.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke</al><al>toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden
                    gefrustreerd door</al><al>privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de
                    grond is, ligt dat</al><al>anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat
                    hij ook</al><al>privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><al>Tweede lid</al><al>Een uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd op basis van een van de</al><al>weigeringsgronden in de verordening.</al><al>Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een
                    vergunning te eisen</al><al>en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgeweegd te regelen. Daarmee komt
                    de bepaling</al><al>niet in strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van
                    de</al><al>onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de
                    bruikbaarheid ervan. Als</al><al>voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd
                    worden.</al><al>Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld,
                    strijdt evenmin met</al><al>artikel 14 Wegenwet.</al><al>Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de
                    bescherming van</al><al>het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld.</al><al>De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld
                    gebruikt worden</al><al>ter weigering van het maken van een uitweg als daarbij een (gedeelte van) een
                    gemeentelijk</al><al>plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen aan de
                    vergunning</al><al>voorschriften worden verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt
                    aangetast.</al><tussenkop>AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van</al><al>aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin
                    deze wet</al><al>voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze
                    wet (of krachtens de</al><al>op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR
                    16-12-1975, NJ</al><al>1976, 204 m.nt. W.F. Prins).</al><al>Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden</al><al>overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de
                    weg, of in het</al><al>belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Jurisprudentie</al><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer
                    op wegen - ook</al><al>al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan verkeersbelangen indien
                    deze</al><al>regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het
                    stelsel van de</al><al>wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist.</al><tussenkop>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling bestrijdt het ‘zwerfkarrenprobleem’ door het gebruik van
                    winkelwagens niet toe te</al><al>staan buiten de door het college aangewezen weg of weggedeelten.</al><al>In de Apv 2009 was alleen een bepaling opgenomen die de winkelier verplichtte
                    achtergelaten</al><al>winkelwagentjes terstond te verwijderen. Voor het winkelend publiek was geen
                    verbod</al><al>opgenomen om winkelwagentjes onbeheerd achter te laten. De reden hiervoor was
                    dat een</al><al>dergelijke verbod slecht te handhaven is. Immers, de handhaver moet constateren
                    dat er sprake</al><al>is ‘onbeheerd achterlaten op heterdaad’ voordat hij kan ingrijpen.</al><al>In Capelle wordt in sommige gedeelten van de stad echter veelvuldig
                    winkelwagentjes gebruikt</al><al>om de boodschappen tot aan de voordeur te vervoeren. Vervolgens worden de
                    wagentjes of</al><al>onbeheerd achtergelaten of op een galerij bij de voordeur ‘geparkeerd’. Dit tast
                    een veilige en</al><al>leefbare woonomgeving aan.</al><al>Het gaat te ver om de winkelier verantwoordelijk te stellen voor winkelwagentjes
                    buiten de directe</al><al>omgeving van zijn bedrijf. Om het ‘zwerfkarrenprobleem’ effectief aan te kunnen
                    pakken is</al><al>daarom het gebruik van een winkelwagen buiten een door het college vastgesteld
                    gebied</al><al>verboden. Dit artikel schept zowel voor de burger als de handhaver duidelijkheid
                    over de norm.</al><al>Immers, bij de winkelcentra zal duidelijk worden aangegeven buiten welke grens
                    men zich niet</al><al>met een winkelwagentje mag begeven en wat de consequenties zijn als men over die
                    grens heen</al><al>gaat.</al><tussenkop>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</tussenkop><al>Indien door bomen, planten of voorwerpen het uitzicht zodanig wordt belemmerd
                    dat de</al><al>verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om</al><al>bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de
                    bomen of</al><al>beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                    zodanige wijze dat</al><al>aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze
                    hinder of</al><al>gevaar oplevert.</al><tussenkop>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Dit artikel ziet er op toe dat te allen tijde gebruik van de openbare
                    nutsvoorzieningen kan worden</al><al>gemaakt, zodat er bij calamiteiten snel opgetreden kan worden. Tevens kan met
                    deze bepaling</al><al>vandalistisch gedrag worden bestreden.</al><al>Het verbod geldt – vanzelfsprekend – niet voor degene die handelingen verricht
                    aan de</al><al>nutsvoorzieningen in opdracht van de beheerder.</al><tussenkop>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><al>Capelle heeft geen kelderingangen.</al><tussenkop>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><al>Aangezien een verbod nauwelijks handhaafbaar is afgezien van een rookverbod.
                    Bovendien</al><al>biedt artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht,
                    luidende:</al><al>"Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede
                    categorie wordt</al><al>gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar
                    voor bos-, heide-,</al><al>helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan" al een mogelijkheid om op te
                    treden.</al><tussenkop>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</tussenkop><al>Elektrische schrikdraadinstallaties worden niet meer uitsluitend in de
                    agrarische sector gebruikt;</al><al>ook particulieren blijken er steeds vaker toe over te gaan ter bescherming van
                    hun (volks)tuin,</al><al>volière en dergelijke tegen dieven schrikdraadinstallaties aan te leggen.</al><tussenkop>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><al>Dit artikel is nuttig voor de oude binnensteden. In Capelle is echter geen
                    behoefte aan dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><al>Capelle heeft geen hoogspanningslijnen.</al><tussenkop>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><al>Is bedoeld voor gemeenten waar bijvoorbeeld schaatswedstrijden worden
                    gehouden.</al><tussenkop>Artikel 2:23a (Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in
                    kampeermiddelen</tussenkop><al>Het slapen op de openbare weg wordt als hinder beschouwd en draagt bij aan de
                    verloedering</al><al>van de stad. Ook het gebrek aan sanitaire voorzieningen draagt bij aan de
                    verloedering ter</al><al>plekke. Bij de handhaving van dit artikel staat voorop dat de eisen van
                    proportionaliteit in acht</al><al>worden genomen. Zo valt onder andere het slapen op de openbare weg door kinderen
                    in een</al><al>kinderwagen niet onder de reikwijdte van dit artikel.</al><tussenkop>Afdeling 7. Evenementen</tussenkop><al>Algemeen</al><al>De artikelen die de gemeente Rotterdam hanteert zijn overgenomen. Hierdoor wordt
                    aangesloten</al><al>bij wat in de regio gebruikelijk is bij de regeling van evenementen.</al><tussenkop>Artikel 2:24 Begripsbepaling</tussenkop><al>Bij evenement kan in de praktijk worden gedacht aan voor het
                    publiektoegankelijke verrichtingen</al><al>van kunst, tentoonstellingen, feesten, kermissen, circussen e.d. De omschrijving
                    omvat alle</al><al>activiteiten van vermaak, ongeacht of het publiek zelf deelneemt, met
                    uitzondering van de</al><al>activiteiten genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. In onderdeel
                    e zijn</al><al>samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties uitgezonderd van
                    het</al><al>evenementenbegrip. De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de
                    activiteiten die</al><al>onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen.</al><al>Ingevolge het eerste lid, onder d, is voor evenementen in openbare inrichtingen
                    geen</al><al>evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund op grond van artikel
                    2:28, en voor</al><al>zover die evenementen tot de toegestane exploitatievorm behoren. Een en ander
                    doet niets af</al><al>aan de voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het
                    Besluit algemene</al><al>regels voor inrichtingen milieubeheer en in hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze
                    APV. Deze</al><al>voorschriften blijven onverkort van toepassing.</al><al>Voor evenementen op het terras van een openbare inrichting zal veelal een</al><al>evenementenvergunning nodig zijn, omdat de activiteiten meestal niet zullen
                    vallen binnen de</al><al>toegestane exploitatievorm. Het terras maakt onderdeel uit van de inrichting,
                    waardoor er voor</al><al>het terras in principe dezelfde geluidsnormen gelden als voor in de inrichting.
                    Geluid veroorzaakt</al><al>op het terras meer geluidsoverlast dan geluid dat binnen wordt geproduceerd. Om
                    meer geluid te</al><al>mogen produceren op het terras dient er naast een evenementenvergunning tevens
                    een</al><al>kennisgeving worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het
                    Besluit algemene</al><al>regels voor inrichtingen milieubeheer te krijgen. In de evenementenvergunning
                    kunnen</al><al>aanvullende geluidsvoorschriften worden gesteld.</al><al>De vrijstelling van een vergunningplicht voor het houden van een sportwedstrijd
                    binnen</al><al>gebouwen kan op gespannen voet komen te staan met andere belangen zoals openbare
                    orde en</al><al>veiligheid. Zo wijst de praktijk uit dat er bij sommige sportevenementen een
                    verhoogde kans</al><al>bestaat op ongewenste situaties. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk
                    evenement wordt</al><al>georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet. Het is
                    niet mogelijk</al><al>een limitatieve opsomming te geven van dergelijke sportevenementen. Er blijken
                    steeds nieuwe</al><al>varianten te worden ontwikkeld. Het onderscheid dat in het tweede lid, onderdeel
                    e wordt</al><al>gemaakt, is gebaseerd op het criterium of een organisator van het evenement is
                    aangesloten bij</al><al>het NOC*NSF.</al><al>Erkenning door de georganiseerde sportwereld duidt op een maatschappelijke
                    aanvaarding van</al><al>de betreffende activiteit als sport en vormt daarmee de garantie dat de sport
                    regulering kent.</al><al>Deze sportwedstrijden worden niet beschouwd als evenement, waardoor geen
                    aparte</al><al>evenementenvergunning is vereist.</al><tussenkop>Artikel 2:25 Evenementenvergunning</tussenkop><al>Het is gewenst een regeling op te nemen die toeziet op het reguleren van
                    evenementen. De</al><al>laatste decennia worden veel vaker openbare vermakelijkheden georganiseerd. Op
                    deze</al><al>evenementen komen veel bezoekers af en deze evenementen hebben afwisselend een
                    beperkte</al><al>of (zeer) grote uitstraling op de openbare orde. Als zodanig kunnen zij
                    onderwerp van</al><al>gemeentelijke regelgeving zijn.</al><al>De handhaving van de openbare orde rond dergelijke evenementen vereist - zo
                    heeft de praktijk</al><al>geleerd - een intensieve overheidsbemoeienis.</al><al>In het evenmentenvergunningenbeleid wordt daarom onderscheid gemaakt in vier
                    soorten</al><al>evenementen, afhankelijk van het effect van het evenement op het
                    gemeenschapsleven. Hierbij</al><al>wordt doormiddel van een risicoanalysemodel een evenement ingeschaald in een
                    0-evenement</al><al>of een A-, B- of C-evenement. Op basis van de risicoscan worden evenementen
                    ingedeeld in</al><al>deze verschillende risiconiveaus. Het analysemodel houdt rekening met het
                    risico, de</al><al>complexiteit en de impact op de omgeving van het evenement. De risicoscan is
                    gebaseerd op</al><al>verschillende indicatoren die zijn gerubriceerd in drie profielen, te
                    weten:</al><al>• het publieksprofiel (bijvoorbeeld aantal en type bezoekers),</al><al>• het ruimteprofiel (bijvoorbeeld openbare/afgesloten ruimte,ingeschatte</al><al>geluidsoverlast, parkeer- of verkeersoverlast), en</al><al>• het activiteitenprofiel (bijvoorbeeld tijdstip, politieke gevoeligheid).</al><al>De risicoscan wordt ingevuld op basis van de aanvraag en de concrete plannen van
                    de</al><al>organisator, de ervaringsgegevens (van onder meer vergelijkbare evenementen) en
                    specifieke</al><al>informatie vanuit de diensten.</al><al>Op basis van de risicoscan kan sprake zijn van een A-evenement welke een
                    beperkte impact</al><al>heeft op de omgeving en het verkeer. Een B-evenement heeft een gemiddeld risico
                    met een</al><al>grote impact op de directe omgeving en gevolgen voor het verkeer.</al><al>C-evenementen hebben een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen.</al><al>De term “organiseren” uit het eerste lid heeft niet alleen betrekking op het
                    houden van een</al><al>evenement, maar ziet tevens toe op de voorbereiding en de afbouw van het
                    evenement.</al><al>Eveneens wordt gekeken naar de effectenvoor de omgeving, zoals parkeren en
                    mobiliteit.</al><al>Voor een goede regulering van het evenementenbeleid is het medenoodzakelijk dat
                    er een aantal</al><al>(kwaliteit)eisen wordt gesteld aan de organisator van het evenement. Het derde
                    lid ziet toe op het</al><al>feit dat een organisator van een B- of C-evenement niet onder curatele mag
                    staan, er geen</al><al>sprake mag zijn van slecht levensgedrag en de organisator tenminste de leeftijd
                    moet hebben</al><al>van 18 jaren. Indien hieraan niet is voldaan wordt er in beginsel geen
                    evenementenvergunning</al><al>afgegeven.</al><al>Het vierde lid ziet toe op de mogelijkheden om een evenementenvergunning te
                    weigeren dan wel</al><al>in te trekken of te wijzigen.</al><al>Indien de bescherming van de openbare orde, dan wel de bescherming van de
                    bezoekers van</al><al>het evenement (niet langer) gegarandeerd kan worden, kan een vergunning worden
                    geweigerd of</al><al>alsnog worden ingetrokken.</al><al>De aan de vergunning te verbinden voorschriften gesteld in het vierde lid kunnen
                    onder meer</al><al>betrekking hebben op de plaats, het tijdstip en de "inrichting" van het
                    evenement, het maximaal</al><al>toe te laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator
                    zelf te nemen</al><al>maatregelen ter waarborging van openbare orde en veiligheid, de
                    verkeersveiligheid, de</al><al>verplichting de bereikbaarheid van het evenement per openbaar vervoer in
                    openbare</al><al>aankondigingen aan te geven, het activiteitenprogramma, het veiligheidsplan, een
                    inzetschema</al><al>met betrekking tot het aantal verkeersregelaars en hekken- en bordenplan,
                    etc.</al><al>Met de “inrichting” wordt bedoeld de indeling van het evenemententerreinen de
                    opstelling van de</al><al>diverse voorzieningen ten behoeve van het evenement, zoals toiletten,
                    (drang)hekken, podia en</al><al>eventueel tribunes.</al><al>Belangrijk is dat de organisator primair verantwoordelijk is voor een ordelijken
                    veilig verloop van</al><al>zijn evenement en dat onder meer het overlast gevend nuttigen van alcohol en/of
                    drugs in het</al><al>publieke domein niet is toegestaan. Primair ligt de handhavende
                    verantwoordelijkheid voor dit</al><al>onderwerp binnen het evenemententerrein bij de organisator.</al><al>Het artikel waarborgt ook dat kan worden bezien of, en zo ja, in hoeverre de
                    wenselijk geachte</al><al>inzet van politie, GHOR, brandweer en gemeentelijke diensten in de planning van
                    de totaal</al><al>beschikbare bezetting kan worden ingepast. Voor de politieformatie geldt de voor
                    de "resterende"</al><al>reguliere politietaken minimaal noodzakelijke sterkte als belangrijkste
                    criterium. In het uiterste</al><al>geval - indien en voor zover de organisatoren niet bereid of instaat zijn om
                    zélf genoegzaam in</al><al>het treffen van noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en er
                    tevens</al><al>onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is - opent het artikel de mogelijkheid
                    het evenement</al><al>geheel, dan wel op een bepaalde plaats of tijd te verbieden.</al><tussenkop>Artikel 2:25a 0-evenementen</tussenkop><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een straatfeest of feest op
                    eigen terrein in de</al><al>openbare ruimte en dansbijeenkomsten is in het kader van de vermindering van
                    administratieve</al><al>lasten de termijn van kennisgeving verminderd van vier weken naar vijf
                    werkdagen. Het moet</al><al>gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met
                    als doel vermaak</al><al>en ontspanning te bieden.</al><al>Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met
                    het doen</al><al>van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid, maar
                    tegelijkertijd</al><al>ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare
                    ruimte.</al><al>Een evenement kan met een melding worden afgedaan, indien aan alle in het
                    artikel genoemde</al><al>vereisten (cumulatief) wordt voldaan. De toestemming is verleend indien de
                    organisator een</al><al>ontvangstbevestiging van zijn melding kan tonen en na ontvangt van het formulier
                    geen</al><al>tegenbericht is verzonden. Met deze ontvangstbevestiging wordt aangetoond dat de
                    melding</al><al>daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan een
                    0-evenement</al><al>geen doorgang vinden.</al><al>Voor de goede orde wordt aangegeven dat een kennisgeving niet nodig is bij een
                    spontane</al><al>barbecue of kinderfeest in een park bij een eerste mooie lentedag.</al><al>Het feit dat een 0-evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch ook
                    een ontheffing</al><al>op grond van artikel 35 van de Drank- en horecawet is verleend. Indien de
                    organisator dat wenst,</al><al>dient hij die apart aan te vragen. Met specifieke termijnen voor verkrijging van
                    een dergelijke</al><al>ontheffing dient rekening te worden gehouden.</al><tussenkop>Artikel 2:25b Beslistermijn</tussenkop><al>Om te kunnen waarborgen dat belanghebbende op een besluit van de burgemeester om
                    een</al><al>vergunning te weigeren of te verlenen een rechtsmiddel heeft, zijn deze
                    termijnen van</al><al>vergunningverlening opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2:26 Openbare orde en veiligheid</tussenkop><al>Aangesloten is bij de bepaling van Rotterdam. Het artikel 2:26 is ontleend aan
                    de inhoud van</al><al>(nood)bevoegdheden van de burgemeester, die in het verleden bij sommige
                    grotere</al><al>evenementen zijn uitgevaardigd. De in deze leden strafbaar gestelde gedragingen
                    komen vooral</al><al>bij grotere evenementen voor, zowel op het evenemententerrein als daarbuiten. De
                    raad is</al><al>bevoegd dergelijke gedragingen strafbaar te stellen, aangezien hij daardoor geen
                    inbreuk maakt</al><al>op wettelijke regelingen (de burgemeester is tot het maken van een dergelijke
                    inbreuk wél</al><al>bevoegd op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet). Het voordeel
                    van een</al><al>regeling door de raad is, dat de burgemeester in voorkomende gevallen minder
                    frequent gebruik</al><al>hoeft te maken van de noodmaatregelen als bedoeld in de voornoemde artikelen van
                    de</al><al>Gemeentewet.</al><tussenkop>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</tussenkop><al>In de APV 2013 wordt niet aangesloten bij de bepalingen over openbare
                    inrichtingen van de VNG</al><al>of Rotterdam maar worden de artikelen uit de APV 2009 gehandhaafd. De discussie
                    over nut en</al><al>noodzaak van de horeca-exploitatievergunning speelt al geruime tijd en is nog
                    steeds actueel. De</al><al>gemeente ziet deze vergunning echter als een belangrijk instrument ter
                    voorkoming en beperking van</al><al>overlast in de brede zin in de omgeving van het horecabedrijf.</al><al>De belangrijkste verschillen met Rotterdam zijn:</al><al>-eisen exploitant/beheerder: Rotterdam hanteert een leeftijdsgrens 18 jaar, in
                    Capelle blijven</al><al>we 21 jaar hanteren.</al><al>-beslistermijn aanvraag: Rotterdam 8 weken, in Capelle 12 weken. De praktijk
                    leert dat de</al><al>termijn van 12 weken, gelet op de capaciteit en medewerking van andere partners,
                    deze</al><al>termijn noodzakelijk is;</al><al>-sluitingstijden: Rotterdam kent deze wel Capelle niet. Er is geen behoefte aan
                    want dit heeft</al><al>tot nog toe nooit problemen gegeven.</al><tussenkop>Artikel 2:27 Begripsomschrijving</tussenkop><al>In plaats van de term "horecabedrijf" wordt nu de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Dit voor de</al><al>duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met "horecabedrijf"
                    alleen gedoeld op</al><al>bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt
                    verstrekt voor</al><al>gebruik ter plaatse, de zogenaamde "natte horeca". De bepalingen in de Apv
                    betreffen juist ook</al><al>de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde
                    "droge horeca":</al><al>tearooms, lunchrooms en dergelijke.</al><tussenkop>Artikel 2:28 Exploitatievergunning / proefvergunning
                    horecabedrijf</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van</al><al>verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het
                    publiek</al><al>openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester
                    verleend.</al><al>Lid 2 tot en met 5 maken het mogelijk dat de burgemeester bij twijfel of de
                    aanvrager voldoet aan</al><al>alle vereisten, aan hem voor de periode van een jaar, op proef een vergunning
                    wordt verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 2:28a Eisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>Bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van
                    een openbare</al><al>inrichting kan het van belang zijn dat rekening gehouden kan worden met de
                    antecedenten van</al><al>de daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (de burgemeester) vergunningen als bedoeld in dit
                    hoofdstuk af te</al><al>geven, kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt
                    over personen</al><al>die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag (artikel 13 van het
                    Besluit justitiële</al><al>gegevens).</al><tussenkop>Artikel 2:28b Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop><al>De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de
                    openingsuren van de</al><al>inrichting. De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich
                    in en rond de inrichting</al><al>afspeelt. Deze bepaling is tevens opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op
                    te kunnen</al><al>treden.</al><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, kan de inrichting door
                    de burgemeester</al><al>gesloten worden of kan de verleende exploitatievergunning ingetrokken worden.
                    (Onder strafbare</al><al>feiten wordt in ieder geval begrepen, de feiten genoemd in de titels XIV
                    (misdrijven tegen</al><al>de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging)
                    van het Tweede</al><al>Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                    munitie.</al><tussenkop>Artikel 2:29 Categorale vrijstelling</tussenkop><al>De burgemeester kan bepalen dat het exploiteren van categorieën inrichtingen,
                    genoemd in</al><al>artikel 2:11 onder a, geheel of gedeeltelijk van vergunningplicht worden
                    vrijgesteld. Te denken</al><al>valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons, bedrijfskantines
                    en -restaurants etc.</al><tussenkop>Artikel 2:29a Vergunningaanvraag</tussenkop><al>In dit artikel is bepaald dat de burgemeester nadere regels vaststelt over de
                    gegevens en</al><al>bescheiden die noodzakelijk zijn om de aanvraag te beoordelen.</al><tussenkop>Artikel 2:29b Beslistermijn</tussenkop><al>De burgemeester beslist binnen twaalf weken op de aanvraag. Uit de praktijk is
                    gebleken dat</al><al>deze termijn noodzakelijk is om een besluit te nemen.</al><tussenkop>Artikel 2:29c Weigerings- en intrekkingsgronden</tussenkop><al>De algemene weigerings- en intrekkingsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6
                    en 1:8. In</al><al>artikel 2:18 staan daarnaast de meer specifieke weigerings-, intrekkingsgronden
                    voor</al><al>exploitatievergunningen.</al><al>Lid 1</al><al>Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen planologische en openbare
                    orde-eisen die</al><al>aan de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in lid 1
                    "strijd met een geldend</al><al>bestemmingsplan opgenomen als imperatieve weigeringgrond voor een</al><al>exploitatievergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester
                    gehouden is een</al><al>exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die
                    volgens het</al><al>bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is.</al><al>Lid 2 en 3</al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te</al><al>toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en
                    leefmilieu ter</al><al>plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te
                    duchten, maar ook</al><al>in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de
                    buurt zullen</al><al>aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat
                    omschreven in het</al><al>derde lid.</al><al>Lid 4</al><al>De in het vierde lid van artikel 2:18 opgenomen weigerings-, intrekkings- en
                    wijzigingsgronden</al><al>spreken grotendeels voor zichzelf en komen tegemoet aan de eisen van de
                    praktijk. Algemene</al><al>achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of beheerders
                    meer</al><al>rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Aan de
                    exploitanten of</al><al>beheerders als bedoeld in deze paragraaf dienen hoge eisen te worden gesteld
                    voor wat betreft</al><al>hun levenswandel. Exploitanten of beheerders in gebreke blijven, lopen het
                    risico, dat hun</al><al>exploitatievergunning door de burgemeester wordt ingetrokken.</al><tussenkop>Artikel 2:29d Sluiting van inrichtingen</tussenkop><al>Het kan zo zijn, dat de burgemeester het om redenen van openbare orde nodig
                    oordeelt een</al><al>bepaalde inrichting tijdelijk te sluiten, zonder dat dit hoeft te leiden tot
                    (tijdelijke) intrekking van de</al><al>exploitatievergunning.</al><al>In het geval dat de exploitant de exploitatie van een inrichting heeft beëindigd
                    vervalt de</al><al>verleende exploitatievergunning van rechtswege. De burgemeester kan de
                    betreffende inrichting</al><al>dan sluiten op grond van onderdeel a: er wordt geëxploiteerd zonder
                    exploitatievergunning.</al><al>In het derde lid van artikel 2:19 wordt de mogelijkheid geboden, dat de
                    burgemeester een sluiting</al><al>op verzoek van belanghebbende(n) opheft. Artikel 2:19 voorziet ook in de
                    mogelijkheid voor</al><al>belanghebbende(n) om aan de burgemeester tussentijdse opheffing van een
                    tijdelijke sluiting te</al><al>vragen. Hiertoe kan de burgemeester overgaan indien er voldoende garanties
                    aanwezig zijn</al><al>waardoor de kans op herhaling van de verstoring van de openbare orde tot het
                    minimum zijn</al><al>beperkt.</al><tussenkop>Artikel 2:29e Terrassen</tussenkop><al>De belangen, genoemd in artikel 2:29, tweede lid, zijn aanvullend ten opzichte
                    van voorschrift</al><al>4.1.4, aanhef en onder c, van de bijlage onder B van het Besluit horeca-, sport-
                    en recreatieinrichtingen</al><al>milieubeheer, waarin met zoveel woorden is bepaald dat het bevoegd gezag -
                    in</al><al>relatie met milieuhinder - een nadere eis kan stellen ten aanzien van de
                    situering van een terras.</al><al>Deze bepaling geldt dus in zijn algemeenheid voor alle terrassen. Bij de
                    vergunningverlening zal</al><al>de burgemeester hiermee uitdrukkelijk rekening moeten houden.</al><al>Artikel 2:29, vierde lid, is opgenomen teneinde verkapte uitbreiding van
                    terrassen met vergunning</al><al>en de daarmee samenhangende overlast tegen te gaan.</al><tussenkop>Artikel 2:30 Openings- en sluitingstijden</tussenkop><al>Capelle kent geen voorschriften voor openings- en sluitingstijden. In de
                    praktijk levert dit</al><al>geen problemen op. Bovendien is gebleken dat de verstoring van de openbare orde
                    (nachtrust)</al><al>aanzienlijk kan worden beperkt als er geen sluitingstijden worden gehanteerd: er
                    is sprake van</al><al>minder geluidsoverlast doordat cafébezoekers niet langer tegelijk maar
                    geleidelijk aan</al><al>huiswaarts keren en de politie is beter in staat voldoende toezicht uit te
                    oefenen. Mocht het</al><al>echter noodzakelijk blijken dan biedt dit artikel de mogelijkheid dat al dan
                    niet tijdelijk -</al><al>openings-en sluitingstijden vast gesteld kunnen worden voor een inrichting.</al><tussenkop>Artikel 2:31 Beëindiging exploitatie</tussenkop><al>Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente
                    actieve</al><al>exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt
                    beëindigd of</al><al>overgedragen. De vergunning komt dan te vervallen. Ratio hiervan is gelegen in
                    het feit dat de</al><al>vergunning niet overdraagbaar is. Consequentie hiervan is dat een rechtsopvolger
                    van de</al><al>vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn
                    vergunningaanvraag de</al><al>exploitatie voort te zetten. In de periode dat de vergunningaanvraag behandeld
                    wordt moet de</al><al>inrichting gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende exploitant de
                    exploitatie pas beëindigt nadat</al><al>op de nieuwe aanvraag is beslist.</al><tussenkop>Artikel 2:31a Wijziging beheer</tussenkop><al>Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de
                    beheerders bij de</al><al>gemeente bekend zijn.</al><tussenkop>Artikel 2:32 Handel binnen openbare richtingen</tussenkop><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés
                    regelmatig gestolen goed</al><al>wordt verhandeld.</al><al>In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés</al><al>gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op
                    het in artikel 14</al><al>Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit
                    laatste verbod ziet</al><al>echter slechts op verkoophandelingen.</al><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet</al><al>worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het
                    artikel is vastgesteld op</al><al>basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op
                    artikel 154 Gemeentewet.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten
                    grondslag liggende feiten</al><al>voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996, 414 m.nt. FM, JG 96.0267
                    .</al><al>Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient
                    geen enkel doel. Pres.</al><al>Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202 .</al><tussenkop>Artikel 2:33 College als bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de
                    Gemeentewet, treedt niet</al><al>de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de
                    toepassing van het</al><al>bepaalde in deze afdeling met uitzondering van artikel 2:30.</al><tussenkop>AFDELING 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                    nachtverblijf</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:35 Begripsbepaling</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:37 Nachtregister</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</tussenkop><al>1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek
                    toegankelijke</al><al>gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de
                    mogelijkheid</al><al>wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                    voorwerpen</al><al>kunnen worden gewonnen of verloren.</al><al>2.Het is verboden een speelgelegenheid te exploiteren of te doen
                    exploiteren.</al><al>Eerste lid</al><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid</al><al>waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in
                    geld inwisselbare</al><al>voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een
                    uitputtende</al><al>regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van
                    die wet, zoals</al><al>speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van</al><al>behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te
                    winnen kunnen</al><al>vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het
                    gaat dus om</al><al>speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de</al><al>mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als bedoeld in lid 1. De
                    houder van een café</al><al>waarin bezoekers het kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over
                    vergunning te</al><al>beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een
                    omvang alsof deze</al><al>bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen , zoals poker, worden
                    beschouwd als</al><al>kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te
                    winnen zonder dat</al><al>de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op de
                    kansspelen verboden.</al><al>Tweede lid</al><al>De gemeente staat het exploiteren van een speelgelegenheid niet toe.</al><tussenkop>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</tussenkop><al>Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de
                    speelautomaten in</al><al>werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De wetgever had er
                    bewust voor</al><al>gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de artikelen: de rechter moest maar
                    voor nieuwe</al><al>jurisprudentie zorg dragen. Deze opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen.
                    De vraag was</al><al>met name of een horeca inrichting als “hoogdrempelig” of “laagdrempelig”, wat
                    van belang was voor</al><al>de vraag of er gokautomaten aanwezig mochten zijn. Er ontstond een uitvoerige en
                    gedetailleerde</al><al>jurisprudentie. Zie hieronder voor een aantal voorbeelden.</al><al>Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever
                    dat het gezien de</al><al>regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het
                    aanwezig hebben van</al><al>enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook
                    omdat een</al><al>aanwezigheidsvergunning voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen
                    op het risico van</al><al>gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een
                    vergelijkbaar risico op verslaving</al><al>oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los van de vele verslavende spelen die
                    op het internet</al><al>gespeeld kunnen worden, al dan niet gratis.</al><al>Voor de model APV betekent dit dat in artikel 2:40 tweede en derde lid de term
                    “speelautomaten”, die</al><al>ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat, wordt vervangen door
                    “kansspelautomaten”,</al><al>waarmee gokkasten worden aangeduid waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar
                    doorgaans</al><al>geen behendigheid bij te pas komt.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een
                    reclamebord wordt</al><al>aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een laagdrempelige
                    activiteit. CBB 11-04-</al><al>2003, AWB 02/1474, LJN AF7697.</al><al>Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002, AWB01/822, JG
                    02.0153 m.nt. T.J.</al><al>van der Reijt, LJN AE 7540.</al><al>Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte
                    is niet</al><al>voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In café geen
                    kansspelautomaten</al><al>toegestaan. CBB 15-02-2002, AWB01/482 29010, JG 02.0069 m.nt. T.J. van der
                    Reijt, LJN AD9977.</al><tussenkop>AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van</al><al>woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in
                    de</al><al>Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het
                    aanbeveling dit in de</al><al>APV te regelen. Het is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is
                    verzegeld of de</al><al>verzegeling reeds verbroken een strafbepaling zoals in het eerste lid van
                    artikel 2:41 op te</al><al>nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel</al><al>13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek
                    toegankelijke</al><al>lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de
                    Opiumwet worden</al><al>verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder
                    toelichting eerste lid.</al><al>Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel</al><al>vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.</al><al>Derde lid</al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden</al><al>wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders
                    zou het verbod</al><al>uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><tussenkop>Artikel 2:42 Plakken en kladden</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel bevat een absoluut verbod om te krassen of te
                    kladden. Juridisch is</al><al>dit geen probleem, daar in deze terminologie reeds besloten ligt, dat het bij
                    krassen of kladden</al><al>niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel
                    10 EVRM en</al><al>artikel 19 IV (vgl. de toelichting bij hoofdstuk 1, artikel 1:1).</al><al>Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen het helaas wijd verbreide euvel
                    van graffiti.</al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 2:42 is het plakverbod van toepassing niet
                    alleen op</al><al>onroerende, maar ook op roerende zaken. Strafbaar zijn niet alleen de feitelijke
                    plakkers, maar</al><al>ook hun opdrachtgevers.</al><al>Het “op andere wijze aanbrengen” omvat mede het schoonmaken van een onroerende
                    zaak of de</al><al>openbare weg met sjablonen. De vereiste toestemming om afbeeldingen of
                    aanduidingen aan te</al><al>brengen is vooral bedoeld om particulieren een titel te geven om op te treden
                    tegen degenen die</al><al>teksten aanbrengen op hun eigendom, zonder dat daarvoor toestemming is gegeven.
                    Als het</al><al>gaat om overheidseigendom geldt deze systematiek ook maar het artikel biedt
                    ruimte voor een</al><al>gedifferentieerd beleid, waarin bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met de
                    aard,</al><al>omvang, locatie van de uiting en de kans op schade.</al><al>Het is de gemeentelijke wetgever niet toegestaan het aanplakken van biljetten
                    e.d. geheel te</al><al>verbieden. Wel mag de gemeentelijke wetgever het plakken zonder toestemming van
                    de</al><al>rechthebbende (dat kan ook de gemeente zijn als privaatrechtelijk rechtspersoon)
                    strafbaar</al><al>stellen. Dat is in artikel 2:42 gebeurd.</al><al>De gemeente dient in het kader van de waarborging van de vrijheid van
                    meningsuiting te zorgen</al><al>voor voldoende "vrije plakmogelijkheden" in de gemeente - bezien naar aantal,
                    oppervlakte en</al><al>plaats - opdat van “gebruik van enige betekenis” van het onderhavige middel van
                    bekendmaking</al><al>van meningsuitingen sprake kan zijn. Het hangt af van “bijzondere plaatselijke
                    omstandigheden”</al><al>of er nog gesproken kan worden van gebruik van enige betekenis.</al><tussenkop>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen plak- en</al><al>kladverbod vergroot. De Hoge Raad heeft een dergelijke zelfstandige
                    strafbaarstelling van</al><al>voorbereidingshandelingen geaccepteerd. Het onderhavige artikel verbiedt het
                    vervoer van</al><al>allerlei plak- en kladgereedschappen en -attributen (waaronder verfspuitbussen
                    e.d., in gebruik bij</al><al>graffiti-"kunstenaars") indien dit vervoer het kennelijk doel heeft om daarmee
                    strafbare feiten te</al><al>plegen. Dit kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Iemand die met de
                    genoemde</al><al>voorwerpen over straat gaat, is in beginsel in overtreding, tenzij hij
                    aannemelijk kan maken,</al><al>dat de betreffende voorwerpen niet zijn/worden meegenomen om zich schuldig te
                    maken aan het</al><al>plakken en kladden als bedoeld in artikel 2:42.</al><al>Een en ander verlicht de bewijslast voor de politie.</al><tussenkop>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot
                    bescherming</al><al>van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07 06 1977, NJ
                    1978, 483</al><al>(APV Wassenaar). HR 28-02- 1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen).</al><al>Het bij zich dragen is niet aan tijd gebonden indien deze middelen zijn bestemd
                    om zich</al><al>onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen.</al><tussenkop>Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen</tussenkop><al>Dit artikel beoogt het plegen van winkeldiefstallen of althans het meedragen van
                    hulpmiddelen</al><al>daarbij strafbaar te stellen. Vaak gebruiken plegers van winkeldiefstallen
                    speciaal uitgeruste</al><al>voorwerpen als tassen, jammers, magneten of elektronische voorwerpen die
                    veiligheidspoortjes</al><al>of veiligheidslabels dan wel andere hulpmiddelen om het plegen van diefstal te
                    vergemakkelijken.</al><al>Politie en beveiligers zijn in staat om met geoefend ‘oog’ de geprepareerde
                    voorwerpen te</al><al>herkennen. Met deze bepaling kan worden ingegrepen voordat de winkeldief zijn
                    slag heeft</al><al>geslagen.</al><tussenkop>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>[Gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</tussenkop><al>[Gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</tussenkop><al>In een samenleving waarin een groot aantal mensen op een relatief klein
                    grondgebied woont, zal</al><al>men elkaar hinderen en overlast aandoen. Op basis van artikel 2:47 (en ook 2:49)
                    kan tegen</al><al>vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Tevens kan op deze
                    wijze worden</al><al>opgetreden tegen zwervers die op bankjes liggen.</al><al>Artikel 424 Wetboek van Strafrecht stelt reeds "straatschenderij" strafbaar".
                    Hij die op of aan de</al><al>openbare weg of op enige voor het publiektoegankelijke plaats tegen personen of
                    goederen</al><al>enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht,
                    wordt als</al><al>schuldig aan straatschenderij, gestraft met geldboete van de eerste categorie
                    (max. 225 euro)".</al><al>Artikel 426bis van dat Wetboek verklaart strafbaar het belemmeren van anderen op
                    de openbare</al><al>weg: "Hij die wederrechtelijk op de openbare weg een ander in zijn vrijheid van
                    beweging</al><al>belemmert of meteen of meer anderen zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk
                    verklaarde wil</al><al>blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft volgen, wordt gestraft met
                    hechtenis van ten</al><al>hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie (max. 2250 euro)".
                    Artikel 431 van het</al><al>Wetboek van Strafrecht tenslotte stelt nachtelijk burengerucht strafbaar: "Met
                    geldboete van de</al><al>eerste categorie wordt gestraft hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor
                    de nachtrust kan</al><al>worden verstoord". Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid.
                    De</al><al>omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als
                    baldadigheid ervaart.</al><tussenkop>Artikel 2:48 Openlijk drankgebruik</tussenkop><al>Personen die zich op de openbare weg - al dan niet in combinatie met drugs - te
                    goed doen aan</al><al>alcoholica kunnen overlast geven. Bijvoorbeeld door passanten lastig vallen of
                    andere met het</al><al>gebruik van alcohol samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en
                    schreeuwen,</al><al>onderling ruzie maken en vechten, vervuiling van de omgeving, wildplassen
                    etc.</al><al>Wat de mogelijkheden tot optreden betreft zij vermeld, dat de politie – als
                    daadwerkelijke</al><al>verstoring van de openbare orde zich voordoet - op grond van de artikel 6:2
                    bevelen tot</al><al>verwijdering kan geven. Niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel
                    184 van het</al><al>Wetboek van Strafrecht en op grond van artikel 6:1.</al><al>Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat
                    flesjes worden stuk</al><al>gegooid) optreden mogelijk zijn op grond van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht</al><al>(baldadigheid; vgl. ook de toelichting bij artikel 2:47). De hantering van deze
                    wetsbepalingen is in</al><al>de praktijk echter niet eenvoudig. Om deze reden is behoefte aan aanvullende
                    rechtsgronden. In</al><al>het tweede lid is daarom bepaald dat alcoholgebruik of het voorhanden hebben
                    daarvan in ieder</al><al>geval niet is toegestaan in winkelcentra en speelweiden of speelplaatsen.</al><tussenkop>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47</al><al>(Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen.</al><tussenkop>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                    ruimten</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten</al><al>zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar
                    vervoermiddel tegen te</al><al>gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van
                    het in de APV</al><al>voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de
                    vraag op</al><al>welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij
                    wijze van voorbeeld</al><al>een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het</al><al>ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel
                    of op voor</al><al>anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van</al><al>Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten
                    lokaal of erf, bij</al><al>een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een
                    handelen van</al><al>de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende
                    optreden. In</al><al>het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de
                    politie bij baldadig of</al><al>ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor</al><al>het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de
                    eigendommen van</al><al>derden te beschermen.</al><tussenkop>Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als wapen</tussenkop><al>Deze bepaling is van toepassing op messen en andere voorwerpen die als wapen
                    kunnen</al><al>worden gebruikt. Het artikel heeft ten doel de bescherming van de openbare orde
                    en veiligheid in</al><al>heel Capelle. Het openlijk bezit van dergelijke wapens dient daarom op alle
                    wegen in de</al><al>gemeente verboden te worden. Om deze reden is gekozen voor het niet langer door
                    het college</al><al>laten aanwijzen van wegen.</al><al>Het tweede lid grenst het verbod af van de op 1 september 1989 in werking
                    getreden en in 2011</al><al>aangepaste Wet wapens en munitie. Deze wet verbiedt onder meer het dragen van
                    steekwapens</al><al>op de openbare weg of andere voor het publiektoegankelijke plaatsen, anders dan
                    vervoer (dat</al><al>wil zeggen: zodanig verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden
                    aangewend).</al><al>Ondanks de wetswijziging blijft een dergelijk APV artikel noodzakelijk.</al><al>Het APV artikel maakt direct optreden beter mogelijk, doordat het ook het
                    openlijk bij zich dragen</al><al>van een wapen strafbaar stelt. Afhankelijk van de omstandigheden vallen
                    hieronder voorwerpen</al><al>zoals dolkmessen, knuppels, flessen en tafelpoten. In die omstandigheden gaat
                    het om de</al><al>(directe) bescherming van de persoonlijke vrijheid of integriteit.</al><tussenkop>Artikel 2:50b Glaswerk op speelweiden of speelplaatsen</tussenkop><al>Het gebruik van glas, zeker als dit (gebroken) achtergelaten wordt, levert
                    gevaar op voor</al><al>spelende kinderen. Het gebruik van glas op deze plaatsen is daarom expliciet
                    verboden.</al><tussenkop>Artikel 2:51</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:52 Overlast van (brom)fiets, rollerskates, skateboard en
                    dergelijke</tussenkop><al>Het is verboden zich met een fiets of bromfiets, op rollerskates of een
                    skateboard, of met een dergelijk</al><al>vervoermiddel te bevinden in overdekte winkelcentra, dan wel op overige door de
                    burgemeester of</al><al>door het college aangewezen openbare plaatsen op de daarin aangegeven uren.</al><al>De genoemde vervoermiddelen kunnen overlast veroorzaken of tot onveilige
                    situaties leiden in</al><al>winkelcentra. Op grond van dit artikel worden dezen dan ook geweerd in overdekte
                    winkelcentra.</al><al>Het college is bevoegd andere openbare plaatsen aan te wijzen.</al><tussenkop>Artikel 2:53</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:54</tussenkop><al>[Gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:55</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:56</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:57 Loslopende honden</tussenkop><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op</al><al>kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief
                    van de voorkoming en</al><al>bestrijding van overlast ten grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><al>-de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar
                    kan worden</al><al>gebracht;</al><lijst><li nr="-"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="-"><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden</al></li></lijst><al>andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</al><al>Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter
                    situaties</al><al>voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte
                    toepassing van het</al><al>aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van
                    blindengeleidehonden en</al><al>andere sociale hulphonden. Voor deze categorie in het derde lid een voorziening
                    getroffen.</al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen,</al><al>kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang)
                    gevangen</al><al>worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit
                    vindt</al><al>uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</al><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                    eerste lid van dit</al><al>artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en katten op te
                    vangen die ‘s</al><al>nachts elders dan op het erf van de eigenaar of houder zonder toezicht worden
                    aangetroffen. Het</al><al>tweede lid van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder
                    moet berichten</al><al>van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien
                    dagen na de</al><al>datum van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden
                    en katten is</al><al>geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                    dierenbescherming.</al><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt
                    in twee</al><al>opzichten beperkt:</al><al>1.De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of in
                    het veld</al><al>bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</al><lijst><li nr="2."><al>Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste
                            staan.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie
                            en de door de</al></li></lijst><al>minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van politie.</al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een</al><al>hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis
                    van artikel 5:8</al><al>BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In
                    de praktijk</al><al>wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een
                    dierenasiel, waarbij</al><al>de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na
                    twee weken is</al><al>de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn</al><al>uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee
                    weken</al><al>kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn
                    of als het</al><al>afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.</al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren,</al><al>bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van
                    eigenaar of erf, is er</al><al>geen sprake van een “gevonden dier”.</al><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De
                    gemeentelijke</al><al>wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet
                    regelen.</al><tussenkop>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</tussenkop><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via</al><al>hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het
                    voor honden</al><al>dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren
                    hoog in de</al><al>ranglijsten van ergernissen.</al><al>Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te
                    pakken.</al><al>Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is
                    daardoor deels</al><al>preventief.</al><tussenkop>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</tussenkop><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond</al><al>dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden
                    (wat er doorgaans</al><al>op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om
                    te bekijken</al><al>of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te
                    verplichten de</al><al>hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve</al><al>dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven,
                    vandaar dat er hier</al><al>een definitie is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke
                    dieren</tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op ten</al><al>nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.</al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden</al><al>ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten
                    belangen worden</al><al>afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt
                    verklaard om</al><al>de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren
                    overlast of</al><al>schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing
                    bevoegd is</al><al>verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van</al><al>delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet.
                    Tevens wordt</al><al>in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden
                    gegevens</al><al>ter bescherming van dieren.</al><al>Het voeren van bepaalde dieren is opgenomen om het voeren van bijvoorbeeld
                    meeuwen of</al><al>duiven op bepaalde plaatsen te kunnen verbieden om daar zo nodig handhavend
                    tegen te</al><al>kunnen optreden. In lid 3 is bepaald dat degene die zorg heeft voor een dier,
                    moet voorkomen dat</al><al>dit voor een omwonende of voor de omgeving hinder veroorzaakt. Door deze
                    bepaling op te nemen</al><al>kan worden opgetreden tegen bijvoorbeeld houders van honden die veel blaffen of
                    de houder van</al><al>een haan die in alle vroegte de buurt wakker kukelt.</al><tussenkop>Artikel 2:61 Wilde dieren</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:62 Loslopend vee</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:63 Duiven</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:64 Bijen</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:65 Bedelarij</tussenkop><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen</al><al>zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren,
                    de weg te</al><al>versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel</al><al>432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden.
                    Bij de opheffing van</al><al>de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid
                    opengehouden om op</al><al>basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van
                    bedelarij in het leven te</al><al>roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Op
                    grond van dit</al><al>artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer
                    er naar het</al><al>oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied
                    ontstaat, kan het dus</al><al>een verbod instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan</al><al>toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod, maar onder de regeling van
                    artikel 2:9.</al><al>Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers
                    niet verbonden</al><al>worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als
                    bedoeld in</al><al>artikel 7 van de Grondwet.</al><tussenkop>AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN
                    GOEDEREN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:66 Begripsbepaling</tussenkop><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op</al><al>het politioneel strafrechtelijk optreden.</al><al>Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding
                    van heling op het</al><al>oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en
                    437quater. Het</al><al>binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed
                    - te allen tijde</al><al>mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van Strafvordering
                    (WvSv).</al><al>De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te
                    oefenen vrije</al><al>toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan
                    worden vermoed dat</al><al>zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan
                    te merken,</al><al>moet het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden
                    genomen.</al><al>De politie kan voorwerpen in beslag nemen.</al><al>Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone</al><al>opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk
                    6.</al><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone</al><al>opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in
                    artikel 141</al><al>WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften inzake de
                    helingbestrijding in het</al><al>algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv neergelegde
                    binnentredingsbevoegdheid is dan</al><al>ook alleen verleend aan de algemene opsporingsambtenaren.</al><al>Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat
                    bekend is,</al><al>welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex
                    artikel 437ter,</al><al>tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de
                    door deze</al><al>aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet
                    voldaan.</al><al>In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem
                    door</al><al>artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen
                    ambtenaren.</al><al>Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn
                    alle handelaren aan</al><al>een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen
                    op die</al><al>branches waarin relatief veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin
                    relatief veel</al><al>notoire helers voorkomen (de antiek, (brom)fiets, autohandel en
                    goudopkopers).</al><al>Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen
                    verlenen van de in</al><al>de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen registratieverplichtingen.</al><al>Handelaar</al><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van</al><al>Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel
                    (Uitvoeringsbesluit</al><al>ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en</al><al>ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s,</al><al>motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en
                    videoapparatuur en apparatuur</al><al>voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde
                    goederen” worden</al><al>tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te
                    worden</al><al>vermeld.</al><al>Voorheen werd ook het begrip “verkoopregister” omschreven in dit artikel. Bij de
                    herziening van</al><al>de APV begin 2008 is het geschrapt, omdat dit begrip alleen nog terug komt in
                    artikel 2:67. In dit</al><al>artikel (en de toelichting) staat het nader omschreven.</al><tussenkop>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun</al><al>basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht.
                    Artikel 437,</al><al>eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van
                    het verwerven</al><al>dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de
                    Memorie van</al><al>Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om
                    dit soort goederen</al><al>gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn.</al><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van</al><al>aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een</al><al>door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld
                    de vereiste</al><al>gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister.</al><al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de</al><al>terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is
                    geregeld bij wet en</al><al>AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen
                    die leiden tot</al><al>het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</al><al>Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is</al><al>een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens
                    naar tijdsorden</al><al>worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere
                    inschrijvingen. Een register</al><al>waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het
                    register mag geen</al><al>onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</al><al>Eerste lid</al><al>Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    (“alle”</al><al>goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen,
                    auto’s of antiek,</al><al>is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</al><al>Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden
                    geregistreerd</al><al>expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige lid, óf te
                    bepalen dat alleen die</al><al>goederen moeten worden geregistreerd die de burgemeester heeft aangewezen.</al><tussenkop>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het
                    Wetboek</tussenkop><tussenkop>van Strafrecht</tussenkop><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr),</al><al>bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te
                    voorkomen.</al><al>Onderdeel a, onder 1° Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar
                    de verplichting</al><al>op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in
                    kennis te stellen</al><al>als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien
                    van een</al><al>regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande
                    toelating door</al><al>het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, onder 1°,
                    nader</al><al>uitgewerkt.</al><al>Onderdeel a, onder 2° en 3°</al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester</al><al>hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van
                    de handelaren up</al><al>to date houden.</al><al>Onderdeel a, onder 4°</al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt</al><al>aangeboden en diens wetenschap zelf een rol.</al><al>De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid,
                    van het WvSr aan.</al><al>Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling
                    kan niet in strijd</al><al>worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</al><al>Onderdeel b</al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de</al><al>bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid
                    tot inzage in</al><al>het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV
                    noodzakelijk</al><al>is.</al><al>Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar</al><al>te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><al>Onderdeel d</al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding</al><al>van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onderdeel d,
                    voorziet hierin.</al><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f, WvSr.</al><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een</al><al>vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring
                    geeft, of die niet</al><al>voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d
                    is gekozen voor</al><al>een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al
                    te zeer wordt</al><al>belemmerd.</al><tussenkop>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</tussenkop><al>[verplaatst naar afdeling 8]</al><tussenkop>AFDELING 13 VUURWERK</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:71 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en</al><al>tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002,
                    houdende nieuwe</al><al>regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te
                    noemen</al><al>Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in
                    werking getreden.</al><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke</al><al>stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk als die voor
                    professioneel</al><al>vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd.
                    Het</al><al>Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of
                    assembleren,</al><al>verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk te reguleren,
                    met inbegrip</al><al>van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het
                    vervoer van</al><al>vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen</al><al>(Wvgs). Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel</al><al>vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet
                    relevant.</al><al>Definitie consumentenvuurwerk</al><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de</al><al>omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het</al><al>Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel</al><al>1.1.1. lid 1).</al><al>Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen,
                    zoals</al><al>uitgewerkt in de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor</al><al>particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier;</al></li><li nr="b."><al>het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                            gekocht of besteld door</al></li></lijst><al>een particulier;</al><lijst><li nr="c."><al>het aangetroffen wordt bij een particulier;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                            wordt gehouden met</al></li></lijst><al>het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of</al><al>e.het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</al><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><al>-vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals
                    klappertjes</al><al>voor speelgoedpistolen;</al><al>-vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een</al><al>bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                    is;</al><al>-vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig
                    binnen het</al><al>grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in Nederland wordt gelost of
                    rechtstreeks</al><al>wordt overgeladen naar een ander zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.</al><al>Fop- en schertsvuurwerk</al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van</al><al>de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om
                    boobytraps, sterretjes,</al><al>knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse
                    handfakkels. Aan</al><al>al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en
                    schertsvuurwerk</al><al>is (veel) kleiner dan de lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften
                    opgenomen in</al><al>bijlage 1 van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de
                    inrichting niet meer</al><al>dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel 2.3.7 van
                    het</al><al>Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en
                    kan het ook</al><al>gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</al><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de</al><al>jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><al>-een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                    particulier (artikel 2.3.2</al><al>lid 1);</al><al>-dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een
                    van deze dagen</al><al>een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod
                    om vuurwerk</al><al>ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid
                    2);</al><al>-een verbod per levering meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk aan een
                    particulier ter</al><al>beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al><al>-een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                    beschikking te</al><al>stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage
                    1 gestelde</al><al>voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde
                    nadere eisen</al><al>(artikel 2.3.4);</al><al>-een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan
                    personen die</al><al>jonger zijn dan 12 jaar, voor zover het betreft categorie 1, 16 jaar voor zover
                    het betreft categorie</al><al>2 en 18 jaar voor zover het betreft categorie 3(artikel 2.3.5);</al><lijst><li nr="-"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december</al><lijst><li nr="10."><al>00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar
                                    (artikel 2.3.6).</al></li></lijst></li></lijst><al>De bepalingen 2:72 en 2:73 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en</al><al>zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van</al><al>consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het</al><al>Vuurwerkbesluit.</al><tussenkop>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                    tijdens</tussenkop><tussenkop>de verkoopdagen</tussenkop><al>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</al><al>Op basis van artikel 2:72 kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een
                    vergunning verlenen</al><al>voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit
                    aangewezen</al><al>verkoopdagen. Deze vergunning is als gevolg van de versoepeling van landelijke
                    regelgeving in</al><al>2012 opnieuw geïntroduceerd.</al><al>De landelijke aanpassing van het vuurwerkbesluit in 2012 houdt in dat bedrijven
                    pas vanaf</al><al>10.000 kg vuurwerkopslag een vergunning nodig hebben. Hierdoor kunnen</al><al>vuurwerkverkooppunten tot 10.000 kg zich vergunningvrij vestigen in Capelle aan
                    den IJssel. Dit</al><al>kan een toename van het aantal verkooppunten in Capelle aan den IJssel tot
                    gevolg hebben. Het</al><al>behoeft geen toelichting dat het gevaar voor de omgeving potentieel sterk wordt
                    vergroot door de</al><al>(10 maal) grotere hoeveelheid vuurwerk die in een bedrijf vergunningvrij
                    opgeslagen mag</al><al>worden.</al><al>Om deze lacune door de deregulering van het landelijke Vuurwerkbesluit te
                    dichten en tevens te</al><al>zorgen voor een evenwichtige spreiding van het aantal vuurwerkverkooppunten in
                    de stad, wordt</al><al>opnieuw een lokale vergunningplicht voor vuurwerkverkooppunten in de APV
                    opgenomen.</al><al>De lokale vuurwerkvergunning koppelt een toelatingsregime aan een op langere
                    termijn effect</al><al>hebbend spreidingsbeleid, met als doel het woon- en leefklimaat in woonwijken te
                    verbeteren</al><al>door (een concentratie van) vuurwerkverkooppunten aldaar tegen te gaan.</al><al>Algemene weigeringsgronden in de zin van artikel1:8 in het kader van de
                    onderhavige</al><al>vergunning zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde
                    waaronder</al><al>overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de kwetsbare
                    medemens gaat of</al><al>het belang van de volksgezondheid die door overlast dreigt te worden aangetast.
                    De vergunning</al><al>kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid
                    van</al><al>ziekenhuizen, bejaardentehuizen, scholen en dierenasiels. In het laatste geval
                    is er sprake van</al><al>handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan
                    de</al><al>verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens</al><al>dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de</al><al>volksgezondheid en het milieu.</al><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming van
                    overlast een</al><al>spreidingsbeleid voor verkooppunten voeren of een maximaal af te geven aantal
                    vergunningen</al><al>vaststellen. Er is daarom niet voor gekozen om in het onderhavige artikel een
                    maximum te</al><al>verbinden aan het aantal te verlenen vergunningen. Met het spreidingsbeleid kan
                    bijvoorbeeld</al><al>een concentratie aan vuurwerkverkooppunten in een straat of woonwijk, wat een
                    ongewenste</al><al>situatie voor het woon- of leefklimaat kan zijn, worden tegengegaan. Een goede
                    en beheersbare</al><al>vuurwerkbranche is bovendien niet alleen afhankelijk van het aantal
                    vuurwerkbedrijven, maar,</al><al>ook op de hoeveelheid vuurwerk die binnen deze bedrijven wordt opgeslagen. In
                    afwijking van</al><al>artikel 1:7 APV wordt de vergunning vooralsnog verleend voor de duur van een
                    jaar, in</al><al>afwachting van de definitieve vormgeving van een lokaal beleid, met name het
                    ruimtelijke</al><al>beleid. Naar verwachting zal in 2013 een looptijd van vijf jaar geïntroduceerd
                    kunnen worden.</al><al>Een langere looptijd van een vergunning realiseert lastenvermindering, zowel
                    voor de</al><al>ondernemer als voor de gemeente.</al><al>Overigens betekent de introductie van een lokale vuurwerkvergunning voor de
                    enkele exploitant</al><al>die meer dan 10.000 kilogram vuurwerk opslaat, dat hij twee vergunningen nodig
                    heeft. Dit is te</al><al>rechtvaardigen vanwege het verschil in doelstellingen.</al><al>Koopzondag</al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de</al><al>koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag
                    niet op zondag</al><al>worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de
                    wettelijke termijn</al><al>vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels
                    open</al><al>mogen zijn.</al><al>Derde lid</al><al>In dit artikellid zijn in aanvulling op de artikelen 1:6 en 1:8 de specifieke
                    weigerings- en</al><al>intrekkingsgronden opgenomen. Algemene achtergrond van deze bepalingen is de
                    behoefte om</al><al>de exploitanten of beheerders meer rechtstreeks en effectief te kunnen
                    aanspreken op hun doen</al><al>en laten. Het derde lid vormt het sluitstuk op het
                    handhavingsinstrumentarium.</al><al>Wanneer een ondernemer de voorschriften of beperkingen van een aan hem
                    verleende</al><al>vergunning heeft overtreden, kan dit ertoe leiden dat aan hem geen nieuwe
                    vergunning meer</al><al>wordt verleend of zijn bestaande vergunning wordt ingetrokken. Dit kan ook
                    indien in of vanuit de</al><al>het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet waardoor de openbare orde en
                    veiligheid of het</al><al>woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal
                    worden beïnvloed</al><al>of gebleken is dat de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag
                    is;</al><al>Naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in horecaparagraaf, vindt
                    altijd een</al><al>antecedententoets van de exploitant en beheerder plaats. De toetsing aan deze
                    eis is niet bij</al><al>voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of
                    er sprake is</al><al>van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen
                    beperkingen</al><al>opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit
                    oordeel (zie ook</al><al>ABRvS 26 juni 2002, 200106008/1). Op basis van jurisprudentie is een
                    onherroepelijke</al><al>veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken
                    van in</al><al>enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001)
                    7141, 2). In</al><al>navolging van de uitbreiding van het wetsvoorstel BIBOB, welke in 2013 in
                    werking zal treden, zal</al><al>ook een BIBOB-toets tot de mogelijkheden behoren.</al><al>Artikel 20 van de Wet politiegegevens biedt de bevoegdheid om bij het
                    verstrekken van</al><al>vergunningen over politiegegevens te beschikken en deze mee te wegen bij de te
                    nemen</al><al>beslissing. De burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de
                    openbare</al><al>orde en veiligheid kunnen beschikken over alle relevante informatie over
                    eventuele onveiligheid</al><al>in voor publiek toegankelijke ruimten.</al><al>Geen vergunning wordt verleend indien de vestiging of de exploitatie van
                    het</al><al>vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend
                    ruimtelijk</al><al>exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend
                    voorbereidingsbesluit of de Wet</al><al>milieubeheer. Dit vanwege de wens om in de toekomst de spreiding van
                    vuurwerkverkooppunten</al><al>middels bestemmingsplannen te realiseren.</al><al>Opgemerkt wordt nog dat artikel 2:35 ‘Sluiting overlastgevende voor het publiek
                    openstaande</al><al>gebouwen’ een grondslag biedt voor een (tijdelijke) sluiting van een
                    vuurwerkverkooppunt.</al><al>Vierde tot en met zesde lid</al><al>De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5 APV) en wordt verleend voor de
                    aangevraagde</al><al>locatie. Wanneer andere personen het bedrijf leiden, is een nieuwe toets door
                    het college</al><al>noodzakelijk. Een eenmaal verleende vergunning kan niet worden meegenomen naar
                    een andere</al><al>locatie. Dan zal een nieuwe toets moeten plaatsvinden. Met het begrip “drijver
                    van de inrichting”</al><al>wordt aangesloten bij de Wet milieubeheer en het Vuurwerkbesluit.</al><tussenkop>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op</al><al>een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van
                    het daarop</al><al>volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip
                    toelaatbaar geacht</al><al>vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de
                    jaarwisseling en</al><al>de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het</al><al>afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden
                    geacht</al><al>(bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in
                    winkelstraten, bij</al><al>dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan
                    te wijzen waar</al><al>het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk</al><al>in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een
                    volksverzameling.</al><tussenkop>AFDELING 14 Drugsoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</tussenkop><al>Afbakening met de Opiumwet</al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de</al><al>Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder
                    meer de</al><al>verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”)
                    en II</al><al>(“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te
                    bereiden, te</al><al>bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren
                    en aanwezig te</al><al>hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van
                    drugshandel</al><al>op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een
                    artikel op te</al><al>nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare
                    feiten tot</al><al>doel heeft.</al><al>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</al><al>Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                    straathandel in drugs kan</al><al>leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het
                    noodzakelijk in</al><al>de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de
                    aantasting van de</al><al>openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om
                    harddrugs.</al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    (“drugsrunners”) strafbaar</al><al>gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete
                    omstandigheden zoals het</al><al>aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><tussenkop>Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik</tussenkop><al>Vele druggebruikers gebruiken hun (hard) drugs - of treffen daartoe
                    voorbereidingen - in het</al><al>openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het
                    publiek. Op</al><al>basis van dit artikel kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken
                    gebruikers of deze</al><al>van bepaalde - bij hen favoriete - plekken wegsturen.</al><al>Ook kan de politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd
                    (hulpmiddelen, drugs)</al><al>strafrechtelijk in beslag nemen. In het kader van de hulpverlening komt het
                    voor, dat ook</al><al>"veldwerkers" van de GGD of van andere hulpverlenende instanties op de weg in
                    het bezit zijn</al><al>van voorwerpen of stoffen, die worden gehanteerd bij drugsgebruik. Deze
                    veldwerkers vallen</al><al>desondanks niet onder deze strafbepaling, omdat zij deze voorwerpen of stoffen
                    "ambtshalve" bij</al><al>zich hebben en daarmee geen overlast veroorzaken.</al><al>Het in dit artikel gestelde verbod is in beginsel gerelateerd aan het (openlijk)
                    gebruik van drugs</al><al>en richt zich dus tot de druggebruikers.</al><al>Dat het artikel alleen ziet op het gebruik van drugs heeft ook te maken met de
                    uitspraak van de</al><al>Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2011
                    [zaaknummer</al><al>201009884/1/H3].</al><al>De artikelen over drugsgebruik zijn opnieuw geredigeerd aan de hand van deze
                    uitspraak. Een</al><al>verbodsbepaling in de APV die ziet op het gebruik van drugs op de openbare weg
                    blijft echter</al><al>zeer wenselijk. Voor een gemeentelijke verbodsbepaling is volgens de Afdeling
                    geen ruimte,</al><al>indien deze handelingen reeds verboden zijn op grond van artikel 3, aanhef en
                    onder c, van de</al><al>Opiumwet, en strafbaar gesteld op grond van artikel 11, eerste lid, van de
                    Opiumwet.</al><al>Op grond van de huidige redactie van artikel 2:74a bestaat er geen overlap met
                    de artikel 2 en 3</al><al>van de Opiumwet. En dergelijke strafbepaling in de APV is gerechtvaardigd en
                    niet in strijd met</al><al>bovengenoemde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State, nu</al><al>het artikel enkel ziet op het gebruik van drugs.</al><tussenkop>Artikel 2:74b Weggooien van spuiten e.d.</tussenkop><al>Artikel 2:74b verbiedt het zich ontdoen van attributen die bij gebruik van(hard)
                    drugs worden</al><al>gehanteerd. Aangezien deze attributen in deze tijd veelal gevaarvolle objecten
                    zijn (m.n.</al><al>injectiespuiten i.r.m. AIDS) is een algemeen verbod gesteld om deze op of aan de
                    openbare weg</al><al>achter te laten. Ook het weggooien van deze attributen in afvalbakken is op
                    grond van artikel</al><al>2:74b niet toegestaan vanwege de risico's voor mensen die in afvalbakken graaien
                    of deze</al><al>ambtshalve moeten legen. Spuiten e.d. dienen aan het "eigen zorgkader" te worden
                    toevertrouwd</al><al>(medische diensten e.d.).</al><tussenkop>Artikel 2:74c Coffeeshopverbod</tussenkop><al>Coffeeshops kunnen veel overlast veroorzaken, criminaliteit aantrekken en
                    gevoelens van</al><al>onveiligheid oproepen. Om deze drugsgerelateerde criminaliteit en overlast te
                    voorkomen is het</al><al>verboden om in de gemeente een coffeeshop te vestigen en/of te exploiteren.</al><tussenkop>AFDELING 15. Bestuurlijke ophouding,
                    veiligheidsrisicogebieden,</tussenkop><tussenkop>cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Als gevolg van de wijziging van de Gemeentewet door toevoeging van de artikelen
                    154a, is voor</al><al>de burgemeester de mogelijkheid gecreëerd om groepen personen voor de duur van
                    maximaal</al><al>12 uren op te houden.</al><al>Bestuurlijk ophouden is het op een bepaalde plaats onderbrengen en vasthouden
                    van groepen</al><al>ordeverstoorders, met inbegrip van het overbrengen naar die plaats.
                    Overeenkomstig artikel 154a</al><al>van de Gemeentewet oefent de burgemeester de bevoegdheid tot bestuurlijke
                    ophouding pas uit</al><al>in geval van groepsgewijze niet-naleving van door de raad, bij verordening
                    vastgestelde en</al><al>daartoe specifiek aangewezen voorschriften tot handhaving van de openbare orde
                    of beperking</al><al>van gevaar als bedoeld in artikel 175 Gemeentewet, en indien het ophouden
                    noodzakelijk is ter</al><al>voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving
                    redelijkerwijs niet</al><al>op andere geschikte wijze kan worden verzekerd.</al><al>Gelet op het bovenstaande heeft de raad een aantal artikelen, betrekking
                    hebbende op de</al><al>openbare orde en veiligheid, aangewezen op basis waarvan bij overtreding de
                    burgemeester kan</al><al>besluiten groepen bestuurlijk op te houden.</al><al>Bestuurlijk ophouden is een bestuursrechtelijk ultimum remedium.</al><al>Bestuurlijk ophouden komt in beeld bij grootschalige verstoringen van de
                    openbare orde, zoals</al><al>bijvoorbeeld bij krakersrellen, demonstraties, risicowedstrijden of
                    grootschalige evenementen. Tot</al><al>toepassing mag niet lichtvaardig worden besloten. Andere middelen moeten niet
                    toereikend zijn</al><al>om de openbare orde te herstellen. Deze verstrekkende bevoegdheid zal inde
                    praktijk dan ook</al><al>niet eerder toegepast worden dan na overleg met de korpschef van de regiopolitie
                    en de</al><al>hoofdofficier van justitie(driehoeksoverleg).</al><al>Overeenkomstig artikel 154a, zevende lid, mag de ophouding niet langer duren dan
                    de tijd die</al><al>nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving, met
                    een maximum van</al><al>12 uren. In dat kader is het van belang dat de burgemeester met enige regelmaat
                    toetst of de</al><al>bestuurlijke ophouding nog noodzakelijk is.</al><tussenkop>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij
                    verordening de</al><al>bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie
                    de</al><al>controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en
                    munitie kan</al><al>uitoefenen.</al><al>Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="-"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>een ieder aan de kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="-"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake</al><al>is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel
                    bij ernstige</al><al>vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden wordt de
                    burgemeester</al><al>geïnformeerd door de korpschef.</al><al>De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur
                    die niet langer</al><al>is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk voor de
                    handhaving van de</al><al>openbare orde.</al><al>Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale
                    gezagsdriehoek</al><al>met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende
                    onderwerpen aan de</al><al>orde:</al><al>-feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de
                    openbare orde</al><al>door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan
                    daarvan;</al><al>-zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het
                    individuele</al><al>belang van de burgers(privacy);</al><lijst><li nr="-"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="-"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><al>In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting wordende
                    voorwaarden voor</al><al>het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.</al><tussenkop>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de raad de burgemeester bij
                    verordening</al><al>de bevoegdheid verleend om, indien de handhaving van de openbare orde dit
                    noodzakelijk</al><al>maakt, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten
                    behoeve van het</al><al>toezicht op een openbare plaats.</al><al>De invulling van het begrip ‘openbare plaats’ uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de</al><al>wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op grond van die wet
                    omvat het</al><al>begrip openbare plaats in de meest algemene zin van het woord alle plaatsen waar
                    men komt en</al><al>gaat.</al><al>Vereist is in ieder geval dat de plaats ‘openstaat voor het publiek’. Dat wil
                    zeggen dat iedereen</al><al>vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan, en dat er geen beletselen zijn
                    in de vorm van een</al><al>meldingsplicht, een eis van voorafgaand verlof of de heffing van een
                    toegangsprijs (zoals</al><al>bijvoorbeeld het geval is bij stadions, postkantoren, gemeentehuizen,
                    parkeerterreinen,</al><al>musea, warenhuizen en ziekenhuizen). Voorts geldt dat het open staan van de
                    plaats dient te zijn</al><al>gebaseerd op bestemming of op vast gebruik.</al><al>Aangezien het ongewenst is dat bij parkeerterreinen, als plaatsen die wel voor
                    een ieder</al><al>toegankelijk zijn, geen cameratoezicht in het kader van de openbare orde
                    mogelijk zou zijn, heeft</al><al>de raad gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om deze plaatsen aan te wijzen als
                    openbare</al><al>plaatsen (artikel 2:77, tweede lid).</al><al>De burgemeester kan besluiten cameratoezicht in te stellen op openbare plaatsen
                    als dit</al><al>noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Het moet gaan om
                    plaatsing van</al><al>vaste camera’s (nagelvast bevestigd).</al><al>Er moet sprake zijn van een gebied waarin zich onveilige situaties of met enige
                    regelmaat</al><al>wanordelijkheden voordoen. Dit zal moeten blijken uit een grondige analyse van
                    de</al><al>veiligheidssituatie die wordt aangeleverd door de korpschef. Vastgesteld moet
                    worden dat er een</al><al>evenwichtige verhouding bestaat tussen het doel en het middel
                    (proportionaliteit), en dat het doel</al><al>van de handhaving van de openbare orde niet op een minder ingrijpende wijze kan
                    worden</al><al>bereikt (subsidiariteit).</al><al>Het gebruik van camera’s moet kenbaar zijn voor het publiek.</al><al>De aanwijzing van een gebied waar cameratoezicht zal worden ingesteld, geschiedt
                    voor een</al><al>bepaalde duur, die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan
                    strikt noodzakelijk voor</al><al>de handhaving van de openbare orde. Doorgaans zal worden gekozen voor het
                    instellen van</al><al>cameratoezicht voor een periode van twee jaar, waarbij jaarlijks een rapportage
                    wordt</al><al>opgemaakt. De gemeenteraad wordt over het instellen van cameratoezicht
                    geïnformeerd,</al><al>evenals over de jaarrapportage en tussentijdse wijzigingen in een
                    cameraproject.</al><al>Over het voornemen tot een besluit tot het vaststellen van de periode waarin de
                    geplaatste</al><al>camera’s daadwerkelijk zullen worden gebruikt en de beelden in elk geval
                    rechtstreeks zullen</al><al>worden bekeken, voert de burgemeester in het lokale driehoeksoverleg overleg met
                    de officier</al><al>van justitie. De beelden kunnen namelijk onder voorwaarden worden gebruikt ten
                    behoeve van</al><al>de opsporing en vervolging van een gepleegd strafbaar feit.</al><tussenkop>AFDELING 16. Omgevingsverbod</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:78 Omgevingsverbod</tussenkop><al>In artikel 2:78 van de APV is bepaald dat de burgemeester bevoegd is om een
                    persoon in</al><al>het belang van;</al><al>• de openbare orde en veiligheid;</al><al>• het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>• het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat;</al><al>• de veiligheid van personen of goederen;</al><al>• of de gezondheid of zedelijkheid;</al><al>een verbod op te leggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak te
                    bevinden op in</al><al>een in dat verbod aangewezen gebied. Een dergelijk verbod wordt een
                    omgevingsverbod</al><al>genoemd.</al><al>De Burgemeester heeft in de Beleidsregel Omgevingsverbod vastgelegd op welke
                    wijze hij</al><al>of de door of namens hem gemandateerde ambtenaren van de bevoegdheid van dit
                    artikel</al><al>gebruik kan maken. Een omgevingsverbod wordt opgelegd aan personen die
                    strafbare</al><al>feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten en éénmaal zijn
                    gewaarschuwd</al><al>door de politie. De duur van een omgevingsverbod bedraagt maximaal 30 dagen,
                    waarbij</al><al>een cumulatie van omgevingsverboden tot de mogelijkheden behoort.</al><al>Het artikel uit de APV maakt het mogelijk na een waarschuwing bij (lichte) orde
                    verstorende</al><al>gedragingen direct een omgevingsverbod voor zeer korte duur op te leggen. Op
                    grond van</al><al>de APV kan direct worden opgetreden op het moment dat een maatregel op dat
                    moment, in</al><al>dat gebied noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de openbare orde.
                    Een</al><al>omgevingsverbod is daarom mogelijk bij een op dat moment manifesterend probleem,
                    mits</al><al>de betrokkene eerder is gewaarschuwd en de persoon in de gelegenheid is gesteld
                    zijn/haar</al><al>gedrag te verbeteren, dan wel het gebied waar het ordeverstorende gedrag
                    heeft</al><al>plaatsgehad te verlaten. Mede doordat de bevoegdheid is gemandateerd aan de
                    politie is</al><al>direct optreden bij openbare orde problemen bijvoorbeeld rond
                    uitgaansgelegenheden op</al><al>deze manier mogelijk en proportioneel gelet op de duur van de maatregel.</al><al>De duur van het eerste verbod is in de beleidsregel gesteld op 24 uur, zodat het
                    middel onder</al><al>meer effectief kan worden ingezet in uitgaansgebieden indien sprake is van
                    geweld in het</al><al>weekend, dan wel bij strafbare of overlast gevende gedragingen bij evenementen.
                    Indien sprake</al><al>is van evenementen kan er in bepaalde gevallen worden afgezien van een
                    waarschuwing. Er</al><al>moet dan sprake zijn van een directe vrees voor een verdere verstoring van de
                    openbare orde</al><al>tijdens dit evenement en de vereiste spoed zich verzet tegen het waarschuwen.
                    Dit kan onder</al><al>meer blijken uit de ernst van de gedraging, het effect op het evenement, gevaar
                    voor de overige</al><al>bezoekers en overige omstandigheden van het geval. Indien er geen directe vrees
                    is voor een</al><al>verdere verstoring van de openbare orde en er geen direct gevaar is voor de
                    overige bezoekers</al><al>van het evenement, dient de persoon eerst te worden gewaarschuwd.</al><al>Een omgevingsverbod wordt onder meer ingezet bij een direct manifesterend
                    openbare orde</al><al>probleem of bij overlast waarbij nog geen sprake is van een structureel
                    karakter. Ook kan het</al><al>gaan om een persoon die meer dan eens licht ordeverstorend gedrag heeft
                    vertoond. Indien</al><al>de overlast een structureel karakter krijgt kan inzet worden gepleegd op grond
                    van de</al><al>Overlastwet conform de beleidsregel "Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme
                    en ernstige</al><al>overlast".</al><al>Het opleggen van een omgevingsverbod betekent niet dat er geen strafrechtelijke
                    vervolging</al><al>door het OM kan plaatsvinden tegen de gepleegde strafbare feiten, zoals bij een
                    overtreding</al><al>van een door de burgemeester afgegeven bevel. Hierbij toetst het OM onder meer
                    of een</al><al>maatregel genomen door de burgemeester gelet op de proportionaliteit en
                    subsidiariteit in</al><al>dat stadium mogelijk was.</al><al>Uitgangspunt is dat gelet op de intensiteit en de aard van de gedragingen
                    bekeken wordt of</al><al>direct vervolging plaatsvindt (lik op stuk). Hierbij kan gedacht worden aan een
                    situatie</al><al>tijdens het uitgaan, waarbij een persoon in korte tijd diverse overtredingen
                    pleegt. In</al><al>dergelijk gevallen is het wenselijk om direct een signaal af te geven dat dit
                    gedrag niet</al><al>wordt getolereerd.</al><al>Indien sprake is van bijvoorbeeld een veelpleger, waarbij de intensiteit van
                    de</al><al>overlastgevende gedragingen over een langere periode is verspreid, kan gebruik
                    worden</al><al>gemaakt van een gecombineerde vervolging.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 BEGRIPSBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Beheerder:</al><al>De beheerder (of bedrijfsleider) van een openbare inrichting is degene die de
                    inrichting in de</al><al>praktijk in eigen persoon drijft. Er dient steeds een beheerder in de inrichting
                    aanwezig te zijn als</al><al>de exploitant afwezig is. Het is niet mogelijk dat rechtspersonen beheerders van
                    inrichtingen zijn.</al><al>Een inrichting kan meerdere beheerders hebben.</al><al>De beheerder (of bedrijfsleider) van een seksinrichting is degene die inrichting
                    in de praktijk in</al><al>eigen persoon drijft. Er dient steeds een beheerder in de seksinrichting
                    aanwezig te zijn als de</al><al>exploitant afwezig is.</al><al>Het is niet mogelijk dat rechtspersonen beheerders van seksinrichtingen zijn.
                    Een seksinrichting</al><al>kan meerdere beheerders hebben.</al><al>Escortbedrijf:</al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch – bemiddelt
                    tussenklanten en</al><al>prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een
                    andere plaats. Een</al><al>escortbedrijf is geen inrichting, en derhalve niet locatie gebonden. Het kan een
                    kantoortje zijn,</al><al>maar ook een telefooncentrale, of zelfs een website op Internet. Een
                    escortbedrijf biedt de</al><al>services actief aan door middel van advertenties en andere reclameuitingen.</al><al>Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en
                    een escortservice.</al><al>In dat geval dient dit uitdrukkelijk op de aanvraag te zijn vermeld en zal de
                    vergunning op beide</al><al>activiteiten betrekking hebben.</al><al>Exploitant:</al><al>Onder exploitant van een seksinrichting wordt verstaan de natuurlijke persoon of
                    de</al><al>rechtspersoon, voor wiens rekening en risico een seksinrichting of escortbedrijf
                    wordt gedreven,</al><al>en de bestuurders van die rechtspersoon en hun gevolmachtigden.</al><al>Om constructies van schijnbeheer tegen te gaan is het te allen tijde
                    noodzakelijk om te weten tot</al><al>welke natuurlijke persoon of personen een rechtspersoon of -personen herleidbaar
                    is/zijn.</al><al>Prostitutie en prostituee:</al><al>Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid van de definitie in
                    artikel 250a, eerste lid,</al><al>van het Wetboek van Strafrecht. Om taalkundige redenen zijn de termen 'derde' en
                    'betaling' uit</al><al>de definitie in het Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door
                    respectievelijk 'ander'</al><al>en 'vergoeding'. Seksuele dienstverlening zoals in een erotische massagesalon
                    wordt op grond</al><al>van deze definitie aangemerkt als prostitutie.</al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip in hoofdstuk 3.</al><al>Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen</al><al>voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik
                    en in diverse</al><al>rechterlijke uitspraken gehanteerde definities(zie onder andere: Pres. Rb
                    Amsterdam 24 januari</al><al>1997; Awb 96/12338GEMWT; niet gepubliceerd). De belangrijkste vereisten in deze
                    definitie</al><al>zijnde publieke toegankelijkheid, bedrijfsmatige exploitatie en de seksuele
                    handelingen. Hierna</al><al>zullen deze elementen nader worden toegelicht. Ook wordt ingegaan op de
                    regelgeving</al><al>die van toepassing is op seksbioscopen, -theaters en -winkels.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term "besloten ruimte", omdat dit meer omvat
                    dan het begrip</al><al>“gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of voertuig. Het
                    bijvoeglijk</al><al>naamwoord "besloten" duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht
                    bevindt. Het moet dus</al><al>gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die
                    al dan niet met</al><al>enige beperking voor het publiek toegankelijk is. De toevoeging van het begrip
                    "voor publiek</al><al>toegankelijk" is van belang, aangezien volgens vaste jurisprudentie van de Hoge
                    Raad de</al><al>gemeenteraad zijn bevoegdheid overschrijdt, wanneer hij handelingen verbiedt die
                    in geen enkel</al><al>opzicht een openbaar karakter hebben en in geen enkel opzicht betrekking hebben
                    op de</al><al>openbare orde. Kort samengevat luidt het standpunt van de Hoge Raad over het
                    element van</al><al>openbaarheid in de gemeentelijke verordeningen als volgt:</al><al>-indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld, die zintuiglijk vanaf
                    een openbare</al><al>plaats waarneembaar is, dan is voldaan aan het vereiste van openbaarheid;</al><al>-indien een handeling of toestand strafbaar wordt gesteld, die voornamelijk van
                    een ander erf of</al><al>vanuit een ander goed waarneembaar is, dan wordt onder omstandigheden aangenomen
                    dat is</al><al>voldaan aan het vereiste van openbaarheid;</al><al>-indien van het voorgaande geen sprake is, maar de aard en de omvang van de
                    gevolgen van de</al><al>handeling of toestand (mede gelet op de plaatselijke omstandigheden) zodanig
                    kunnen zijn dat zij</al><al>een gevaar betekenen voor de openbare orde, zedelijkheid of gezondheid, dan
                    heeft de</al><al>verboden handeling of toestand een terugslag hebben op openbare belangen en is
                    mitsdien</al><al>voldaan aan het vereiste van openbaarheid. In een arrest van 10 oktober 1975
                    overwoog de</al><al>Hoge Raad dat een bepaling in de Rotterdamse APV inzake de sluiting van bordelen
                    bleef binnen</al><al>de grenzen van artikel 168 gemeentewet (oud) "daar met de sluiting van een
                    perceel</al><al>[...], ook in gevallen waarin [...] de verboden handelingen elk karakter van
                    openbaarheid missen,</al><al>de openbare orde kan zijn gediend".</al><al>Prostitutie vindt ook wel plaats in woningen, de zogenaamde privé-huizen. Deze
                    woningen</al><al>worden niettemin als seksinrichting aangemerkt, indien het gaat om woningen die
                    geen</al><al>woonfunctie meer hebben. Dergelijke privé-huizen worden geacht "voorpubliek
                    toegankelijk" te</al><al>zijn; klanten wordt immers toegang verschaft.</al><al>Om een duidelijk onderscheid te maken tussen het hiervoor genoemde publieke en
                    private</al><al>domein, is bovendien het vereiste van bedrijfsmatige –of daarop gelijke - wijze
                    van exploitatie in</al><al>de definitie opgenomen. De vraag of sprake is van bedrijfsmatige exploitatie is
                    afhankelijk van</al><al>verschillende factoren, zoals de organisatiegraad van de inrichting, de omvang
                    van het</al><al>prostitutieaanbod (hoeveel prostituees zijn er werkzaam?), de wijze van
                    klantenwerving</al><al>(uithangborden, advertenties?) etc. Indien sprake is van slechts één prostituee,
                    die in zijn of haar</al><al>eigen woning werkt en er in deze woning slechts één werkplek is, wordt dit in
                    beginsel niet als</al><al>bedrijfsmatige exploitatie aangemerkt. Deze uitzondering voor thuiswerksters is
                    echter geen</al><al>automatisme en zal in elk geval niet worden gemaakt indien de thuiswerkster
                    onderdeel uitmaakt</al><al>van een (escort)organisatie of indien de woning door uithangborden en
                    verlichting het karakter</al><al>heeft van een seksinrichting.</al><al>Ten aanzien van thuisprostitutie (privéhuizen) speelt het probleem dat het recht
                    op privacy (art.</al><al>10 Grondwet, art. 8 EVRM) het lastig maakt voor de gemeente om regulerend en
                    handhavend op</al><al>te treden als de woning (ook)nog als zodanig wordt gebruikt. Een woning die als
                    zodanig in</al><al>gebruik is, behoort naar haar aard tot de persoonlijke levenssfeer van de
                    bewoner(s). Sluiting is</al><al>dan bijvoorbeeld alleen mogelijk op basis van art. 174a Gemeentewet. De
                    uitzondering voor</al><al>“thuiswerk”, is om deze reden noodzakelijk. Eveneens is deze uitzondering
                    noodzakelijk vanwege</al><al>de ondergrens van de verordenende bevoegdheid, het privaat domein. Door het
                    gebruik van de</al><al>term "seksuele handelingen" in de begripsomschrijving wordt enerzijds aangegeven
                    dat</al><al>inrichtingen waar geen sprake is van seksuele handelingen, maar uitsluitend van
                    seksuele</al><al>voorstellingen of vertoningen (seksbioscopen, sekstheaters of
                    seksautomatenhallen) niet als</al><al>seksinrichting worden aangemerkt, anderzijds komt hiermee tot uitdrukking dat
                    niet per se sprake</al><al>hoeft te zijn van prostitutie om als seksinrichting te worden aangemerkt. Ook
                    een parenclub,</al><al>(homo)sauna, darkroom en erotisch café, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt
                    gegeven tot het</al><al>verrichten van seksuele handelingen, zijn seksinrichtingen.</al><al>Exploitatievergunningen voor seksbioscopen, sekstheaters en seksautomatenhallen
                    zijn geregeld</al><al>in hoofdstuk 2, afdeling 8, van de APV.</al><al>Het betreft hier slechts inrichtingen waar voorstellingen of vertoningen van
                    porno-erotische aard</al><al>worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of
                    vertoningen</al><al>kunnen worden gegeven. Indien er in de praktijk ook sprake is van een
                    seksinrichting (en er</al><al>behalve voorstellingen of vertoningen dus ook sprake is van seksuele
                    handelingen)</al><al>dan is het bepaalde in deze paragraaf onverkort van toepassing. Een dergelijke
                    inrichting dient</al><al>dan tevens over een geldige exploitatievergunning voor een seksinrichting te
                    beschikken.</al><al>Zolang in sekswinkels geen seksuele handelingen worden verricht, is geen sprake
                    van een</al><al>seksinrichting. Voor sekswinkels geldt dan geen bijzonder regime. In principe
                    worden deze</al><al>winkels via het bestemmingsplan geregeld. Voor de openingstijden is de
                    Winkeltijdenwet van</al><al>toepassing. Indien echter sprake is van vertoningen of voorstelling van
                    pornografische aard, dan</al><al>is de exploitatievergunning vereist en als het een sekswinkel betreft waar
                    seksuele handelingen</al><al>worden verricht dient er een vergunning voor een seksinrichting, ingevolge het
                    bepaalde in deze</al><al>paragraaf, te worden aangevraagd.</al><tussenkop>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze
                    bevoegdheidsafbakening</al><al>noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten</al><al>(waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of krachtens de wet de
                    burgemeester</al><al>daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast de
                    burgemeester namelijk met</al><al>“het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de
                    voor het</al><al>publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering</al><al>van verordeningen voor deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde
                    toezicht” (derde</al><al>lid).</al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het</al><al>bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek
                    openstaande</al><al>gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie
                    van</al><al>seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent
                    dat het college</al><al>bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college
                    bevoegd als het</al><al>gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband
                    met name</al><al>gedacht moet worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van
                    het college.</al><al>Om deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                    weergeven, is</al><al>in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en is dat in
                    artikel 3:2 eenmalig</al><al>gedefinieerd.</al><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is:</al><al>het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd genomen besluiten
                    vernietiging in de</al><al>rede ligt, moet deze vraag met zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of
                    meer van zijn</al><al>bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat hierbij om
                    mandaat: de</al><al>opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en onder verantwoordelijkheid
                    van het</al><al>college (tweede lid), dat daarover bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid).
                    Om de</al><al>uitvoering van het gemeentelijk prostitutiebeleid zoveel mogelijk te
                    stroomlijnen, zou het college</al><al>zijn bevoegdheid kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan af
                    dat goed</al><al>moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van de
                    burgemeester zelf of</al><al>van het college is.</al><tussenkop>Artikel 3:4 Vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf</tussenkop><al>Een vergunning is vereist als een seksinrichting wordt geëxploiteerd, of als de
                    seksinrichting, dan</al><al>wel de wijze van exploitatie wordt gewijzigd. Als de exploitant veranderingen
                    aanbrengt aan de</al><al>inrichting, in zowel de ondernemersvorm als de exploitatievorm (activiteiten),
                    dient een nieuwe</al><al>vergunning te worden aangevraagd.</al><al>Bij de wijziging van de exploitant dient eveneens een nieuwe vergunning te
                    worden aangevraagd.</al><al>Een uitzondering hierop vormt het geval dat slechts een van de exploitanten
                    ophoudt met</al><al>exploiteren. In dat geval is een melding aan de burgemeester als bedoeld in
                    artikel 3:14</al><al>voldoende. Net als bij de exploitatievergunning voor horecabedrijven (zie
                    toelichting artikel</al><al>2:28) dient de beslissing op deze aanvraag door de nieuwe exploitant te worden
                    afgewacht.</al><al>Exploitatie vooruitlopend op het besluit van het bevoegde bestuursorgaan is niet
                    toegestaan.</al><al>Op het indienen van een aanvraag voor een exploitatievergunning zijn de
                    bepalingen van de</al><al>Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al><al>De vergunningvoorwaarden voor een escortbedrijf zijn anders en voor een deel
                    minder</al><al>omvattend dan de vergunning voor de overige seksinrichtingen. Reden is dat de
                    activiteiten van</al><al>een escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. Dit is
                    natuurlijk anders indien</al><al>het escortbedrijf vanuit een kantoor of seksinrichting wordt uitgeoefend. De
                    toetsing van de</al><al>vergunningaanvraag zal voornamelijk bestaan uit de toetsing van de antecedenten
                    van de</al><al>exploitant en de beheerder. Aan de vergunning zullen tevens ook een aantal
                    specifieke</al><al>voorschriften worden verbonden die verband houden met de exploitatie van een
                    escortbedrijf. Zo</al><al>dienen de exploitant en de beheerders voor het bevoegde bestuursorgaan
                    aanspreekbaar te zijn</al><al>(adres en telefoonnummer moet worden doorgegeven) en mogen de escortbedrijven
                    bij de</al><al>werving van klanten alleen gebruik maken van de op de vergunning vermelde
                    telefoonnummers.</al><al>In tegenstelling tot de exploitatievergunningen bedoeld in Hoofdstuk 2, Afdeling
                    8, van de APV,</al><al>bestaat voor de onderhavige inrichtingen geen mogelijkheid om een voorlopige
                    vergunning aan te</al><al>vragen. Met de "aard van de seksinrichting of escortbedrijf" in het tweede lid,
                    onder c, wordt</al><al>bedoeld dat duidelijk moet worden aangegeven of de aanvraag betrekking heeft op
                    een</al><al>seksinrichting dan wel een escortbedrijf. Ook moet aan de hand van de
                    voorgenomen activiteiten</al><al>en inrichting duidelijk worden beschreven wat voor een soort seksinrichting of
                    escortbedrijf het</al><al>betreft (Wel of geen prostitutie? Betreft het een parenclub? Is sprake van een
                    horecagedeelte? Is</al><al>tevens sprake van een sekstheater of -bioscoop? etc.).</al><al>Bij toepassing van het derde lid geldt als uitgangspunt, dat de in de tijd eerst
                    ingediende</al><al>vergunningaanvraag in behandeling wordt genomen. Een aanvraag is in behandeling
                    totdat het</al><al>besluit onherroepelijk is geworden. Tweede en opvolgende vergunningaanvragers
                    voor dezelfde</al><al>inrichting worden in hun aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, tenzij uiteraard
                    de eerste aanvraag</al><al>wordt ingetrokken.</al><al>Hoewel uitgangspunt is dat vergunningen voor onbepaalde tijd worden verstrekt is
                    voor de</al><al>vergunning voor een seksinrichting opgenomen dat deze slechts voor 5 jaar wordt
                    verstrekt. De</al><al>reden hiervoor is het aantal vergunningen dat verstrekt wordt in Capelle is
                    beperkt tot 1 (zie</al><al>artikel 3:13, letter n). Hierdoor is het noodzakelijk dat de vergunning niet
                    voor onbepaalde tijd</al><al>wordt verstrekt zodat ook anderen die een seksinrichting willen vestigen of
                    exploiteren in Capelle</al><al>hiertoe de mogelijkheid hebben.</al><tussenkop>Artikel 3:5 Eisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>[vervallen]</al><tussenkop>Artikel 3:6 Sluitingstijden</tussenkop><al>De ontheffingsmogelijkheid, genoemd onder artikel 3:6, tweede lid, biedt het
                    bevoegde</al><al>bestuursorgaan de mogelijkheid om individuele seksinrichtingen bij
                    vergunningvoorschrift</al><al>ontheffing van de standaardsluitingstijd te verlenen. De exploitant dient
                    daartoe een</al><al>exploitatieplan te overleggen. De exploitant dient concreet aan te geven hoe hij
                    zal voorkomen</al><al>dat zijn exploitatie een nadelige invloed heeft op de openbare orde of de woon-
                    en leefsituatie in</al><al>de naaste omgeving van zijn inrichting.</al><tussenkop>Artikel 3:7 Sluiting van de seksinrichting</tussenkop><al>De toelichting bij artikel 2:30 is van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop><al>De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de
                    openingsuren van de</al><al>seksinrichting. Deze bepaling is opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te
                    kunnen treden.</al><al>De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de
                    inrichting afspeelt.</al><al>Er dient voortdurend op te worden toegezien dat er geen strafbare feiten in de
                    inrichting</al><al>plaatsvinden. Het gaat daarbij in ieder geval om de feiten genoemd in de titels
                    XIV (misdrijven</al><al>tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX
                    (begunstiging) van het</al><al>Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens
                    en</al><al>munitie. Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, kan de
                    inrichting door het bevoegde</al><al>bestuursorgaan gesloten worden, dan wel kan de verleende vergunning ingetrokken
                    worden (zie</al><al>ook artikel 3:13). De exploitant en beheerder dienen er tevens op toe te zien
                    dat er geen</al><al>personen beneden de 18 jaar in de inrichting aanwezig zijn. Voor
                    seksinrichtingen geldt daarmee</al><al>dezelfde leeftijdsgrens als voor coffeeshops en speelautomatenhallen. Dit
                    voorschrift</al><al>vergemakkelijkt de handhaafbaarheid van het wettelijke verbod van prostitutie
                    door</al><al>minderjarigen.</al><al>Ook bij escortbedrijven hebben de exploitant en beheerder een belangrijke
                    verantwoordelijkheid.</al><al>Op grond van het bepaalde in het derde lid dienen zij de veiligheid van de
                    prostituees te</al><al>waarborgen en strafbare feiten in het kader van de uitoefening van het
                    escortbedrijf te</al><al>voorkomen. Omdat bij escortbedrijven doorgaans geen sprake is van een inrichting
                    is louter</al><al>toezicht door aanwezigheid niet mogelijk. Dat betekent dat aan andere vormen van
                    bescherming</al><al>moet worden gedacht, zoals bijvoorbeeld een (telefonisch) alarmeersysteem voor
                    de prostituee.</al><tussenkop>AFDELING 2. STRAAT- EN RAAMPROSTITUTIE</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:9 Prostitutie</tussenkop><al>Artikel 3:9 bevat regels inzake de straat- en raamprostitutie. Dat artikel werd
                    later uitgebreid met</al><al>een vergunningstelsel voor de prostituees die werkzaam waren op deze tippelzone
                    (de leden</al><al>twee tot en met acht). Deze vergunningplicht had tot doel de toegang voor
                    prostituees tot de zone</al><al>nader te reguleren. Deze regulatie diende bij te dragen aan de veiligheid van de
                    prostituees, de</al><al>bestrijding van de overlast op en rondom de zone, een beter inzicht in de
                    populatie en het daarop</al><al>af te stemmengericht hulp- en zorgverleningsaanbod en het tegengaan van nieuwe
                    aanwas.</al><al>Onderdeel a bevat de omschrijving van straatprostitutie (tippelen). De redactie
                    van deze bepaling</al><al>is zó gekozen, dat niet alleen de prostituee, maar ook de klant strafbaar is bij
                    het zoeken naar</al><al>seksueel contact. Het eerste lid van dit artikel betreft het verbod op
                    gedragingen waarmee</al><al>iemand - in het openbaar (winkels daaronder begrepen) - tot prostitutie kan
                    worden uitgenodigd</al><al>of uitgelokt, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking ingaat. Met de
                    onderhavige bepaling kan</al><al>ook worden opgetreden tegen raamprostitutie.</al><al>In onderdeel b wordt het verrichten van ontuchtige handelingen in het kader van
                    prostitutie</al><al>strafbaar gesteld. Het verrichten van deze ontuchtige handelingen wordt in
                    algemene zin</al><al>verboden, waarbij het er niet toe doet of deze handelingen in de open lucht, dan
                    wel in voertuigen</al><al>plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische</tussenkop><tussenkop>goederen, afbeeldingen en dergelijke</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts</al><al>voor het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel
                    denkbaar is dat</al><al>deze bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van
                    sekswinkels, richt zij</al><al>zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld
                    ook betrekking</al><al>hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht aan
                    sekstheaters, bedoeld</al><al>om de aandacht van het publiek te vestigen op de voorstellingen.</al><tussenkop>AFDELING 3. BESLISTERMIJN: WEIGERINGSGRONDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:12 Beslistermijn</tussenkop><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een</al><al>seksinrichting kan complex van aard zijn. De beslistermijn is gesteld op 12
                    weken met de</al><al>mogelijkheid deze te verlengen met nog eens 12 weken.</al><tussenkop>Artikel 3:13 Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden</tussenkop><al>De toelichting bij artikel 2:28 APV is van overeenkomstige toepassing. Met
                    betrekking tot de</al><al>leeftijdseis uit het eerste lid, onder e, bestaat er echter een verschil. Voor
                    seksinrichtingen</al><al>bestaat er niet, zoals voor exploitatievergunningen het geval is, een
                    mogelijkheid om door</al><al>categorale vrijstelling af te wijken van deze eis.</al><al>Het derde lid bevat specifieke gronden voor seksinrichtingen en
                    escortbedrijven.</al><al>3:13, tweede lid, onder b: veiligheid van personen of goederen</al><al>Bij de exploitatie van seksinrichtingen, is het van groot belang
                    de(brand)veiligheid te kunnen</al><al>waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk
                    in de zin van</al><al>de Woningwet:</al><lijst><li nr="-"><al>is het Bouwbesluit van toepassing met het oog op de brandveiligheid van
                            de seksinrichting zelf;</al></li><li nr="-"><al>is de Bouwverordening van toepassing waar het gaat om het gebruik van de
                            seksinrichting zelf.</al></li></lijst><al>Voor seksinrichtingen gelden - naar analogie van de verblijfinrichtingen</al><al>-bovendien inrichtingseisen die bij nadere regels zijn gesteld.</al><al>3:13, tweede lid, onder c: gezondheid en zedelijkheid</al><al>Gezondheid: hier gaat het met name om de behartiging van de positie van de
                    prostituee, voor</al><al>wat betreft het voorkomen en tegengaan van zogenaamde seksueel
                    overdraagbare</al><al>aandoeningen, waaronder aids. Het betreft voorlichtingsactiviteiten,
                    laagdrempelige faciliteiten</al><al>voor wat betreft de toegankelijkheid van de gezondheidszorg en periodiek
                    medische</al><al>controles voor de prostituees.</al><al>3:13, tweede lid, onder d: arbeidsomstandigheden</al><al>Door opheffing van het bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet van
                    toepassing op delen</al><al>van de prostitutiebranche. Uitgangspunt voor de toepasselijkheid van de Arbo-wet
                    is namelijk het</al><al>bestaan van een gezagsrelatie tussen werkgever en werknemer. Op zelfstandig
                    werkende</al><al>prostituees, de freelancers, is de Arbo-wet derhalve niet van toepassing.</al><al>Wel is ook voor deze groep van gemeentewege een aantal basisnormen opgesteld
                    (met</al><al>betrekking tot de inrichting en de bedrijfsvoering) ter bevordering van de
                    arbeidsomstandigheden.</al><al>Deze normen zijn gesteld in het kader van de nadere regels, bedoeld in artikel
                    3:3.</al><al>Deze weigeringsgrond heeft voornamelijk tot doel om bij de vergunningverlening
                    rekening te</al><al>kunnen houden met misstanden die door de Arbeidsinspectie zijn gesignaleerd en
                    de vergunning</al><al>zo nodig te weigeren.</al><tussenkop>AFDELING 4 BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</tussenkop><al>De vergunning vervalt zodra alle exploitanten de exploitatie hebben beëindigd.
                    Ook wanneer</al><al>slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede
                    lid</al><al>te worden gemeld. De vergunning vervalt dan echter niet.</al><al>Voorheen was in dit artikel het woord ‘feitelijk’ opgenomen. Dit woord is echter
                    geschrapt om bij</al><al>overnames schijnconstructie tegen te gaan.</al><tussenkop>Artikel 3:15 Wijziging beheer</tussenkop><al>Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de
                    beheerders bij de</al><al>gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien
                    het bevoegde</al><al>bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende
                    vergunning te</al><al>wijzigen overeenkomstig de wijziging in het beheer. Het bevoegde bestuursorgaan
                    kan de</al><al>verzochte bijschrijving weigeren als de nieuwe beheerder niet voldoet aan de
                    voor beheerders</al><al>geldende criteria (artikel 3:13).</al><tussenkop>Artikel 3:16 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische</tussenkop><tussenkop>goederen, afbeeldingen en dergelijke</tussenkop><al>Het openlijk tentoonstellen van erotische-pornografische afbeeldingen kan tot
                    veel onrust leiden</al><al>in de woonomgeving. Dit artikel maakt het mogelijk dat deze afbeeldingen
                    verwijderd moeten</al><al>worden als dit de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.
                    Het moet dan</al><al>wel om ernstige onrust gaan die leidt tot gevaarlijke situaties.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON
                    EN</tussenkop><tussenkop>ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Besluit.</al><al>Het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, hierna aangeduid als
                    Besluit, biedt</al><al>de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan
                    festiviteiten ter</al><al>voorkoming of beperking van geluidhinder. Het Besluit wordt vaak aangeduid
                    als</al><al>Activiteitenbesluit.</al><al>Inrichting</al><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu</al><al>kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of voldoen aan
                    een algemene</al><al>maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met betrekking tot de bescherming
                    van het milieu</al><al>bevat.</al><tussenkop>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet
                    gelden bij</al><al>collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van
                    het Besluit. Evenals in</al><al>het oude besluit voorziet dit artikel van het Besluit erin dat op deze dagen
                    overmatige</al><al>geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden
                    niet “voor zover</al><al>de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”.
                    Voorbeelden van</al><al>collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er
                    hoeft dus niet jaarlijks</al><al>een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve
                    festiviteiten</al><al>worden aangewezen. Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in
                    samenspraak met het</al><al>plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende
                    voorschriften uit het Besluit niet</al><al>van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het
                    aantal dagen</al><al>opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een bepaald maximum aantal
                    festiviteiten</al><al>vast te stellen. Dit maximum zou door het college kunnen worden vastgelegd in
                    een beleidsregel.</al><al>Als de gemeenteraad dit zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden
                    vastgelegd in</al><al>de verordening zelf.</al><al>Tweede lid</al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de</al><al>buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen
                    sport wordt</al><al>beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze
                    beperkingen</al><al>niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid,
                    onder a, van het Besluit.</al><al>Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de
                    reguliere en recreatieve</al><al>wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een
                    voorbeeld van een</al><al>collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere
                    sportverenigingen aan mee</al><al>doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de
                    plaatselijke</al><al>sportverenigingen - vast te laten stellen op welke data de betreffende
                    beperkingen niet van</al><al>toepassing zijn.</al><al>In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid
                    geen maximum</al><al>gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve wordt voor de
                    verdere toelichting</al><al>over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste
                    lid.</al><al>Derde lid</al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening</al><al>gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het grondgebied van de
                    gemeente in</al><al>de verordening bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken.
                    De vaststelling</al><al>van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en
                    beroep volgens</al><al>de Awb mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden
                    gemaakt tijdens</al><al>carnaval, kermissen of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. De
                    mogelijkheid van</al><al>gebiedsdifferentiatie was ook in het oude besluit opgenomen. Wel kan bijstelling
                    van gebieden</al><al>wenselijk zijn doordat de werkingssfeer van de festiviteitenregeling sterk wordt
                    uitgebreid.</al><al>Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden
                    dat deze de</al><al>strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen collectieve en
                    incidentele</al><al>festiviteiten moet duidelijk blijken. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het
                    aantal aangewezen</al><al>dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. Artikelen 2.21 en 4.113 van het
                    Besluit kennen</al><al>alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al><al>Zesde tot en met het achtste lid</al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of</al><al>krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de
                    collectieve festiviteiten</al><al>en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van
                    artikel 2.21,</al><al>onderdeel a. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden
                    ter</al><al>voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze
                    mogelijkheid niet in</al><al>het Besluit opgenomen.</al><al>De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau,
                    het bepalen</al><al>van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften. De keuze om bepaalde voorschriften
                    wel of juist niet</al><al>op te nemen in de APV is afhankelijk van de lokale situatie en bestuurlijke
                    prioriteiten. Wanneer</al><al>er veel (horeca- of andere) inrichtingen dicht bij geluidgevoelige bestemmingen
                    zoals woonwijken</al><al>liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden op te nemen. Anderzijds
                    kan ook</al><al>gekozen worden om bedrijven meer geluidsruimte te geven en (net als onder het
                    Besluit horeca-,</al><al>sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer) geen voorwaarden in de APV op te
                    nemen. Daarbij</al><al>is het wel zo dat voortaan de regeling voor collectieve festiviteiten geldt voor
                    àlle type A- en Binrichtingen</al><al>onder het Besluit en niet alleen voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen.</al><al>Voor de hoogte van het geluidsniveau in het zesde lid wordt bij het Besluit een
                    suggestie gedaan</al><al>van 10 of 20 dB(A) hoger dan de reguliere norm. Bij enkele gemeenten wordt
                    mogelijk een</al><al>aanvullende norm opgenomen voor lagere frequenties (gesteld in dB(C). De reden
                    voor een</al><al>geluidsnorm met gebruik van een C-filter is het effect van lage bastonen bij
                    hogere</al><al>geluidsniveaus. Bij de C-filter worden deze lage frequenties sterker meegewogen
                    dan bij een Afilter</al><al>vanwege de problematiek met lage geluidsfrequenties. Een andere mogelijkheid is,
                    als</al><al>woningen op grotere afstand van de inrichtingen liggen, een geluidsnorm op een
                    vaste, kortere</al><al>afstand van de inrichtingen op te nemen.</al><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte</al><al>muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is
                    dat</al><al>maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Dit betekent dat
                    voor</al><al>onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm geldt. Op basis van
                    artikel 2.18,</al><al>eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit hebben gemeenten wel de
                    mogelijkheid om dit in</al><al>een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere
                    geluidsnormen</al><al>gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen
                    produceren. Om de</al><al>omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek
                    bij festiviteiten</al><al>te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm.</al><al>Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de
                    bedrijfsduurcorrectie bij</al><al>muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in tegenstelling tot de Handleiding
                    meten en</al><al>rekenen industrielawaai. Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek en
                    motivatie uit het</al><al>Besluit: in de handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op
                    continubedrijven.</al><al>Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die
                    bijvoorbeeld om</al><al>1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de nachtperiode
                    hoger mag zijn</al><al>door correctie voor de resterende nachtperiode. Omdat dit niet wenselijk is, is
                    toepassing van de</al><al>bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet toegestaan.</al><al>In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te
                    voorkomen dat feesten</al><al>bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden (theoretisch) de hele nacht door
                    kunnen gaan.</al><tussenkop>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in</al><al>een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het
                    Besluit. Volgens artikel</al><al>2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal
                    dagen of dagdelen</al><al>aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten
                    vrijstelling kunnen</al><al>verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of een</al><al>klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met
                    levende muziek bij een</al><al>café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege
                    vogels”-toernooi. In het Besluit</al><al>is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden
                    maximaal 12</al><al>dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de
                    bevoegdheid om,</al><al>rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal
                    te verlagen. In het</al><al>onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel
                    incidentele festiviteiten</al><al>per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van
                    12 incidentele</al><al>festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor
                    horeca-, sport- en recreatieinrichtingen.</al><al>Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle
                    andere</al><al>type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat
                    bijvoorbeeld ook</al><al>detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven
                    een beroep op</al><al>deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet
                    geldt, zijn de type</al><al>C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen
                    onder Besluit landbouw</al><al>of Besluit glastuinbouw).</al><al>Tweede lid</al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor</al><al>sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er</al><al>geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede
                    lid van</al><al>artikel 4.113 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als
                    sportverenigingen buiten de</al><al>reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen
                    maken van hun</al><al>lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. Volgens</al><al>het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de
                    verlichting niet gelden</al><al>maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere
                    toelichting over</al><al>dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113
                    tweede lid de</al><al>algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte voor de
                    sportinrichtingen gelden,</al><al>al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De
                    beoordeling of sprake</al><al>is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is
                    aan het bevoegd</al><al>gezag.</al><al>Zesde tot en met het tiende lid</al><al>In tegenstelling tot het oude besluit horeca-. sport en recreatie-inrichtingen
                    biedt het Besluit</al><al>gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening
                    voorwaarden te</al><al>stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat
                    in het tweede lid</al><al>van artikel 2.21, onderdeel b. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid
                    om</al><al>voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en
                    met het tiende lid</al><al>wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 APV,
                    zesde tot en</al><al>met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling
                    voor incidentele</al><al>festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit in plaats
                    van alleen voor horeca-,</al><al>sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit.</al><al>In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren
                    bij een</al><al>festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben
                    over het</al><al>algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn
                    minder</al><al>mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Daarbij is het zo dat de
                    regeling niet langer</al><al>alleen geldt voor horeca, sport- en recreatie-inrichtingen maar ook voor alle
                    andere type A- en Binrichtingen,</al><al>wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in
                    de</al><al>omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor
                    muziekgeluid op</al><al>buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit
                    in de</al><al>evenementenvergunning worden geregeld.</al><tussenkop>Artikel 4:4 Onversterkte muziek</tussenkop><al>De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van
                    de</al><al>Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering
                    van</al><al>verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor
                    publiek</al><al>openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden. Die bevoegdheid van
                    de</al><al>burgemeester hoeft in de verordening niet te worden herhaald.</al><tussenkop>Artikel 4:5 Overige geluidhinder</tussenkop><al>Artikel 4:5 is een "kapstokbepaling" voor het bestrijden van geluidhinder in
                    gevallen die niet onder</al><al>een andere regeling te vangen zijn. Aan een dergelijk 'vangnet'-artikel blijft
                    behoefte bestaan. Het</al><al>artikel is met name van belang om de niet-inrichtinggebonden (veelal
                    incidentele) activiteiten</al><al>aan een ontheffingenstelsel te binden.</al><al>Artikel 4:5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de in het
                    derde lid genoemde</al><al>andere wetten niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al>-een niet permanente activiteit, in een niet-besloten ruimte, zoals een kermis,
                    een braderie, een</al><al>rally, een straatfeest, enz.;</al><al>-het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek
                    maken of</al><al>mededelingen doen;</al><lijst><li nr="-"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="-"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.;</al></li><li nr="-"><al>overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat;</al></li><li nr="-"><al>geluidhinder door voer- of vaartuigen.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4:5 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen</al><al>van 'lawaaiige' hobby's, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het
                    gebruiken van</al><al>elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op
                    vrachtwagens, enz.</al><al>Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria
                    of normen.</al><al>Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een
                    bepaalde,</al><al>aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot</al><al>geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke
                    tijden er</al><al>sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen.
                    Uitgangspunt</al><al>daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde
                    onvermijdelijk zal</al><al>moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo
                    nodig</al><al>met voorschriften.</al><al>In het derde lid van artikel 4:5 is een uitzondering gemaakt van het verbod voor
                    zover de Wet</al><al>milieubeheer van toepassing is. Dit houdt onder andere in dat het verbod van dit
                    artikel niet geldt</al><al>voor zover de activiteiten bedrijfsmatig worden ondernomen, dan wel worden
                    ondernomen in een</al><al>omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.</al><al>Artikel 4:5 biedt derhalve slechts mogelijkheden ten aanzien van hobbymatige
                    activiteiten. Deze</al><al>mogen echter weer niet dusdanige omvang hebben aangenomen dat zij alsnog onder
                    de Wet</al><al>milieubeheer vallen. Te denken valt dan aan beunhazerij of een uit de hand
                    gelopen hobby.</al><al>Zoals aangegeven verbiedt dit artikel ook het zich ‘(geluid)hinderlijk’ gedragen
                    met een voertuig</al><al>of vaartuig. ‘Gedragen’ betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het
                    stilstaan met (luidruchtig)</al><al>draaiende motor of het veroorzaken van geluidhinder door geluidsapparatuur in
                    voertuigen. Het</al><al>artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet 1994; de
                    Hoge Raad heeft</al><al>uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door
                    personen die</al><al>daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden. Naar de mening van de
                    Minister van</al><al>Verkeer en Waterstaat biedt de Wegenverkeerswet 1994 vooralsnog geen
                    mogelijkheden om</al><al>verkeersmaatregelen te nemen uit het oogpunt van beperking van geluidhinder. Op
                    dit ogenblik is</al><al>een wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in voorbereiding, die deze
                    mogelijkheden wellicht</al><al>wel zal bieden. Aangezien nog niet duidelijk is wanneer deze wijziging van
                    kracht wordt, is</al><al>voorlopig deze bepaling opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 4:5a Mosquito</tussenkop><al>De burgemeester kan besluiten een Mosquito op te hangen op openbare plaatsen als
                    dit</al><al>noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Hierbij moet worden
                    vastgesteld dat</al><al>er een evenwichtige verhouding bestaat tussen het doel en het middel
                    (proportionaliteit) en dat</al><al>het doel, de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden</al><al>bereikt (subsidiariteit). Het gebruik van de Mosquito moet daarnaast kenbaar
                    zijn voor het</al><al>publiek.</al><al>Onder het begrip “openbare plaats” wordt bij dit artikel verstaan alle plaatsen
                    waar men komt en</al><al>gaat. Vereist is dat de plaats voor het publiek toegankelijk is. Dat wil zeggen
                    dat iedereen er vrij is</al><al>te komen, te vertoeven en te gaan en dat er geen beletselen zijn in de vorm van
                    een</al><al>toegangsbewijs of een meldingsplicht. Gelet op de schending van het rechtop
                    onaantastbaarheid</al><al>van het lichaam vormt de locatie een aparte afwegingsgrond. De Mosquito wordt
                    niet geplaatst in</al><al>de buurt van voorzieningen die voor een ieder toegankelijk moeten zijn. Hierbij
                    moet gedacht</al><al>worden aan een bushokje of een perron van de metro.</al><al>Jongeren moeten bijvoorbeeld kunnen wachten op het openbaar vervoer. Een
                    Mosquito kan wel</al><al>worden opgehangen in de buurt van een supermarkt, een(metro)station, in een
                    winkelcentrum,</al><al>omdat jongeren hierbij niet worden beperkt in het gebruik van deze
                    voorzieningen.</al><al>Het voornemen tot het besluit over te gaan tot plaatsing van een Mosquito
                    bepreekt de</al><al>burgemeester in het lokale driehoeksoverleg met de officier van justitie en de
                    korpschef. Het</al><al>besluit van de burgemeester tot plaatsing van de Mosquito op een openbare plaats
                    is een besluit</al><al>in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep
                    openstaat.</al><tussenkop>AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:6 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Artikel 4:6 wordt gebruikt tegen personen, die hun natuurlijke behoefte doen op
                    een openbare</al><al>plaats</al><tussenkop>Artikel 4:7 Verontreiniging op openbare plaatsen</tussenkop><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen de bodem
                    wordt verontreinigd</al><al>biedt dit artikel de mogelijk de overtreder te gebieden dit op te ruimen.</al><tussenkop>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:10</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 4:11</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Artikel 4:12</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, caravans, mest,
                    ingekuilde</tussenkop><tussenkop>landbouwproducten e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van</al><al>welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van
                    bromfietsen en</al><al>caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is bevoegd bepaalde plaatsen
                    aan te wijzen</al><al>waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de</al><al>wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in
                    deze bepaling</al><al>genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden
                    op basis van</al><al>andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</al><al>Afbakening</al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te</al><al>nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Hierdoor
                    vervalt in het</al><al>vierde lid de afbakening met de Wet milieubeheer.</al><tussenkop>Artikel 4:15 Vergunningplicht handelsreclame</tussenkop><al>Het aanbrengen (maken) en hebben (voeren) van handelsreclame aan een onroerende
                    zaak</al><al>wordt in deze bepaling gebonden aan een vergunning. In het tweede lid staan de
                    uitzonderingen</al><al>opgesomd. Zo is bijvoorbeeld geen vergunning vereist voor makelaarsborden van
                    een bepaalde</al><al>afmeting en bouwborden.</al><al>Handelsreclame is te definiëren als elke openbare aanprijzing van goederen of
                    diensten,</al><al>waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende
                    zaken zijn</al><al>volgens artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond,
                    de met de grond</al><al>verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond
                    zijn</al><al>verenigd. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in dit artikel gaat
                    om niet-ideële</al><al>reclame, waardoor geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Volgens
                    vaste</al><al>jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot het
                    eigenlijke gebied van</al><al>de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Dit
                    artikel is dus niet in</al><al>strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet
                    wordt de</al><al>handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De
                    bedoeling</al><al>hiervan is uitsluitend die reclame-uitingen buiten de grondwettelijke
                    bescherming over</al><al>het openbaren van gedachten of gevoelens te houden, waaraan het ideële,
                    maatschappelijke of</al><al>politieke aspect ontbreekt.</al><al>Nadere regels</al><al>Het college komt op grond van het zevende lid de bevoegdheid toe categorieën van
                    reclameuitingen</al><al>aan te wijzen waarvoor een meldingsplicht geldt.</al><al>Een vergunning wordt geweigerd als de reclame-uiting niet voldoet aan eisen op
                    het gebied van</al><al>constructieve - en brandveiligheid,</al><al>verkeersveiligheid, redelijke eisen van welstand en het voorkomen van hinder
                    voor buren en</al><al>omwonenden.</al><al>Daarnaast kunnen beleidsregels die al zijn vastgelegd in relevante
                    beleidsdocumenten een rol</al><al>spelen, zoals de door de raad goedgekeurde Nota Buitenreclame.</al><al>Relatie met hogere regelgeving</al><al>Indien een hogere regeling van toepassing is, is artikel 4:15 niet van
                    toepassing.</al><al>Indien een reclameconstructie is aan te merken als bouwwerk, is voor het
                    plaatsen ervan een</al><al>reguliere of lichte bouwvergunning vereist. Het welstandsbelang wordt dan
                    meegewogen bij de</al><al>beoordeling.</al><al>Voor het aanbrengen van reclame op een beschermd monument is volgens artikel 14
                    van de</al><al>Monumentenwet 1988 een vergunning nodig van het college, dan wel van de minister
                    van OCW,</al><al>indien deze op grond van artikel 17 van de Monumentenwet 1998 beslist op de</al><al>vergunningaanvraag.</al><al>De provinciale Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland bevat
                    bepalingen</al><al>die het aanbrengen van opschriften en dergelijke op onroerend goed in de
                    landelijke gedeelten</al><al>van de gemeente verbieden, behoudens ontheffing van Gedeputeerde Staten.
                    Toetsingscriterium</al><al>is daarbij het belang van het landschapsschoon.</al><al>De afbakening met de Wet milieubeheer is alleen noodzakelijk ten aanzien van
                    lichtreclame.</al><al>Voorschriften over hinder veroorzaakt door lichtreclame aan de gevel van een
                    horecabedrijf</al><al>moeten worden opgenomen in de milieuvergunning van het desbetreffende bedrijf
                    of</al><al>worden gebaseerd op het Besluit horeca-, sport, en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer. Hinder in</al><al>de zin van de Wet milieubeheer zal veelal samenvallen met het voorkomen of
                    beperken van</al><al>overlast voor gebruikers van de in de nabijheidgelegen onroerende zaak. Dit is
                    geregeld in artikel</al><al>4:15 waardoor ook inrichtingen die niet vallen onder de Wet milieubeheer</al><al>toch op dit punt zullen kunnen worden beoordeeld.</al><tussenkop>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</tussenkop><al>[vervallen]</al><al>In het per 1 januari 2008 van kracht geworden Activiteitenbesluit is een
                    zorgplicht opgenomen die</al><al>ertoe verplicht geen lichthinder te veroorzaken. Daarmee vervalt de noodzaak om
                    dit onderwerp</al><al>bij APV te regelen.</al><tussenkop>AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en</al><al>caravan.</al><tussenkop>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</tussenkop><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer</al><al>129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor
                    bestuurders en</al><al>ambtenaren”.</al><al>Lex silencio positivo: Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en
                    milieu. Het zou</al><al>hoogst onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die
                    toestaat dat in</al><al>een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet
                    van</al><al>toepassing verklaard.</al><tussenkop>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</tussenkop><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129</al><al>“Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor
                    bestuurders en</al><al>ambtenaren”.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER</tussenkop><tussenkop>GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN</tussenkop><al>Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen.</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen</al><al>verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer,</al><al>ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij
                    moet worden</al><al>gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of
                    schade dan wel</al><al>aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge
                    van het verkeer</al><al>(zie art. 2, tweede lid WVW 1994).</al><al>Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement
                    een nieuw</al><al>artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt als
                    volgt:</al><al>“Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                    verordening regels</al><al>vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor
                    zover die regels niet</al><al>in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor
                    zover verkeerstekens</al><al>krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.”</al><al>Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de</al><al>toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve aan dat
                    gemeenten</al><al>bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor
                    dergelijke</al><al>bepalingen is overigens gewoon artikel 149 Gemeentewet.</al><al>Begrip “parkeerexces”</al><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    “parkeerexces” precies</al><al>inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent verbodsbepalingen te formuleren,
                    zal evenwel</al><al>tevoren dienen te weten wat dit begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het
                    verkeer aan</al><al>een voortschrijdende ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip
                    “parkeerexces” bezwaarlijk</al><al>een voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder
                    het begrip</al><al>“parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus:</al><al>a. wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling van
                    de</al><al>beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om
                    te</al><al>parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan
                    worden geacht</al><al>(verkeersmotief; eigenlijke aanvulling), en</al><al>b. wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet
                    ongeoorloofd is te</al><al>achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel
                    of het</al><al>aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in
                    vergelijking met</al><al>de behoefte aan parkeerruimte van anderen; alsook</al><al>c. wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere
                    motieven,</al><al>zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de</al><al>bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van</al><al>uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</al><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een</al><al>parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, strijdig
                    met de</al><al>bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze van dit
                    rechtscollege in het kort</al><al>te kunnen worden weergegeven - in de eerste plaats bestemd om zich daarover te
                    kunnen</al><al>verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien
                    van bepaalde</al><al>(categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming
                    gebruiken, is het bestuur</al><al>gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te</al><al>diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het “normale”
                    parkeren. In het</al><al>“normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief,
                    aldus de mening</al><al>van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88 m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel.</al><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg</al><al>gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming
                    van uitzicht,</al><al>stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen. Al deze vormen van
                    excessief, hinderlijk</al><al>en ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan
                    regels worden</al><al>gebonden. Zie bij voorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge Raad, HR 15
                    juni 1971, NJ</al><al>1971, 432, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A. Herstel, OB 1972,
                    XIV.1.2.2, nr. 32566 en</al><al>25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV.</al><al>1.2.2, nr. 32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van dcr Veen.</al><al>Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</al><al>Gezien de ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een
                    onderscheid te</al><al>maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg: gevallen die
                    excessief zijn op</al><al>grond van een verkeersmotief en die als “parkeerexcessen” moeten worden
                    gekwalificeerd en</al><al>gevallen waarin een ander motief aan het stellen van regels (in hoofdzaak) ten
                    grondslag ligt. Er</al><al>bestaat geen noodzaak deze soorten in aparte verordeningen onder te brengen,
                    een</al><al>parkeerexcessenverordening respectievelijk de algemene plaatselijke
                    verordening.</al><al>In de afdeling “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen, die
                    niet kunnen</al><al>worden aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”, waarvan gesproken kan
                    worden als</al><al>het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Daar deze
                    voorschriften door</al><al>het publiek wel als zodanig (zullen) worden ervaren geven wij er de voorkeur aan
                    ook deze</al><al>onderwerpen in deze paragraaf te regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp
                    als het</al><al>“aantasten van groenvoorzieningen”.</al><al>Beperking tot gedragingen op de weg?</al><al>Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de
                    zin van de WVW</al><al>1994.In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                    die als</al><al>parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben de
                    artikelen 5:6 en</al><al>5:7, eerste lid, ook betrekking op gedragingen buiten de weg in de zin van de
                    WVW 1994.</al><al>Beperking van de hierin neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet
                    voor de hand,</al><al>wanneer men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen</al><al>strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen.</al><al>Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld,
                    indien zij</al><al>buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan een bepaling
                    uitsluitend</al><al>verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de werkingssfeer van die bepaling
                    uiteraard beperkt tot</al><al>de weg (in de zin van de WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en
                    5:8.</al><al>Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten
                    grondslag.</al><al>Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de zin van de
                    WVW 1994).</al><al>Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg, kan hiertegen reeds op
                    basis van</al><al>andere voorschriften in voldoende mate worden opgetreden. Zie bij voorbeeld
                    artikel 4:19.</al><al>Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de</al><al>“eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk in een afdeling
                    samengevoegd. De bedoelde</al><al>gedragingen zullen door het publiek immers alle als parkeerexces worden
                    ervaren.</al><al>Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                    “voertuig” en</al><al>“parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze
                    begrippen</al><al>gebruikte definities. Uit de verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan
                    niet slechts betrekking</al><al>hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Vervangende parkeergelegenheid</al><al>Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde
                    categorieën</al><al>voertuigen - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid van
                    vervangende</al><al>parkeergelegenheid moeten worden bezien.</al><al>Uitgangspunt dient te zijn dat de desbetreffende ondernemingen in principe zelf
                    hiervoor behoren</al><al>te zorgen. De indruk bestaat, dat er (met name buiten de werkuren) in diverse
                    gevallen op de</al><al>bedrijfsterreinen toch voldoende parkeergelegenheid voor de eigen vrachtwagens
                    is of kan</al><al>worden gecreëerd. In beginsel is het niet onredelijk te achten, dat de
                    chauffeurs die op enige</al><al>afstand van hun bedrijven wonen, hun vrachtwagens ’s avonds en in het weekeinde
                    niet meer</al><al>voor de woning, maar bij voorbeeld op het eigen bedrijfsterrein parkeren en dat
                    zij zich, evenals</al><al>andere forensen, met “normale” vervoermiddelen begeven van het bedrijf naar de
                    woning en</al><al>omgekeerd.</al><al>Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                    Verder zijn de</al><al>kosten, verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid, dermate hoog,
                    dat er de</al><al>voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die vrachtwagens, waarvoor het
                    bestaande</al><al>eigen terrein geen plaats biedt, te doen geschieden op openbare wegen en
                    terreinen.</al><al>Om aan de zich hier voordoende praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de
                    overheid het</al><al>parkeren kunnen blijven toelaten (of wellicht zelfs parkeergelegenheid kunnen
                    scheppen) op</al><al>parkeerterreinen en op die wegen waar het parkeren van vrachtwagens op weinig of
                    geen</al><al>bezwaren stuit. Hoewel er niet a priori van een plicht van de gemeentelijke
                    overheid tot aanleg</al><al>van vervangende parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag er anderzijds van
                    worden</al><al>uitgegaan dat naleving van de hier bedoelde verbodsbepalingen met des te meer
                    reden gevergd</al><al>kan worden, wanneer de belanghebbende een andere parkeerplaats als alternatief
                    ter</al><al>beschikking staat. In het bijzonder kan zulks het geval zijn ten aanzien van
                    exploitanten van</al><al>bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden bezwaarlijk een ontheffing kan
                    worden</al><al>onthouden, wanneer een redelijk te realiseren alternatief voor hen
                    ontbreekt.</al><al>Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats wordt
                    overgegaan, zal er</al><al>wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg worden verwacht dat
                    voertuigen op een</al><al>dergelijk parkeerterrein veilig kunnen worden gestald. In het algemeen kan niet
                    worden gesteld,</al><al>dat de gemeentelijke overheid een dergelijk verlangen dient te honoreren.
                    Immers,</al><al>parkeerterreinen hebben, zo zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden ook
                    ’s nachts;</al><al>bovendien is de toezichthouder in het algemeen niet aansprakelijk voor aan de
                    gestalde</al><al>voertuigen door derden toegebrachte schade; men denke hierbij aan de
                    zogenaamde</al><al>exoneratieclausules.</al><al>Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel door de gemeente aan te leggen
                    parkeerterrein</al><al>voor vrachtwagens zal moeten passen binnen een planologisch kader
                    (bestemmingsplan).</al><al>Parkeerplaatsen zouden kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage
                    1 van het</al><al>RVV 1990.</al><al>De aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de
                    voorkoming van</al><al>parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende bepalingen uit de APV
                    en niet op</al><al>basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op de wegenverkeerswetgeving.</al><al>Ontheffingen</al><al>Bij de onderscheidene verbodsbepalingen is aangegeven ten aanzien van welke
                    bepalingen de</al><al>mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen als een noodzakelijk element moet
                    worden</al><al>beschouwd. Met name zal ten aanzien van bestaande bedrijven aan het verlenen van
                    een</al><al>ontheffing, waaraan voorschriften kunnen worden verbonden en welke een naar
                    plaats of tijd</al><al>beperkt karakter hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen.</al><al>Overleg met vervoerders(organisaties)</al><al>Het behoeft geen nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de
                    betrokken</al><al>chauffeurs en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van
                    parkeerregelingen van</al><al>vrachtwagens e.d.</al><tussenkop>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>De definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze
                    afdeling van toepassing.</al><al>Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                    met inbegrip</al><al>van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en
                    bermen of</al><al>zijkanten. De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, 5:7, 5:8 en 5:9 hebben derhalve
                    slechts op “echte”</al><al>parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling strekken zich
                    ook uit tot</al><al>gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994.</al><al>Onder a</al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een</al><al>definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de definitie van
                    “voertuigen” die</al><al>in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van
                    dit artikel zijn:</al><al>fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.
                    Voor kleine</al><al>voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering
                    gemaakt, omdat</al><al>anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.</al><al>Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen.</al><al>Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden daarom als
                    voertuig</al><al>beschouwd.</al><al>Onder b</al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac,</al><al>van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten
                    stilstaan van een</al><al>voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                    het onmiddellijk inof</al><al>uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
                    De gegeven</al><al>definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van
                    voertuigen, die moeten</al><al>worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven.
                    Het</al><al>onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen
                    van goederen</al><al>zijn dan immers activiteiten die door deze bepalingen niet worden bestreken.
                    Evenmin zullen</al><al>deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij
                    een garagebedrijf</al><al>stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot nietbestuurders</al><al>die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder,</al><al>opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere
                    strekking heeft dan in</al><al>de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het
                    mogelijk dat ook de</al><al>andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden
                    aangesproken op</al><al>niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><tussenkop>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve</al><al>vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder
                    “verhuren”, zoals</al><al>in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor
                    het geven van</al><al>rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen
                    excessief</al><al>gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden
                    opgetreden.</al><al>Tweede lid</al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of</al><al>met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is,
                    zoveel</al><al>mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over
                    een meer</al><al>objectieve maatstaf.</al><al>Derde lid, onder a</al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van</al><al>garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als
                    stallingsruimte</al><al>voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze
                    bepaling is er naar</al><al>gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen
                    waarvan de</al><al>bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs
                    dat betrokkene</al><al>“zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde
                    activiteiten maakt,</al><al>alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”,
                    onder</al><al>omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn
                    gekozen om de</al><al>bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts
                    betrekking heeft op</al><al>het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft
                    het normaal</al><al>parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en
                    eventueel van</al><al>zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).</al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het</al><al>parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het zou uiteraard
                    te ver gaan</al><al>deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.</al><al>De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen. In de APV’s van Rotterdam
                    en Den Haag</al><al>bijvoorbeeld wordt een straal van 25 meter genoemd.</al><al>Derde lid, onder b</al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de</al><al>uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast
                    en</al><al>verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg
                    van deze</al><al>activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al>Vierde lid</al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval,</al><al>alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard
                    dat de</al><al>exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende
                    of</al><al>toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval
                    dat de exploitant</al><al>van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op
                    eigen terrein of in</al><al>de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de</al><al>beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden
                    verbonden,</al><al>onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de
                    hier aan de</al><al>orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van
                    het aantal</al><al>voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden
                    geparkeerd.</al><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om
                    ontheffing</al><al>te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar goed. Het feit
                    dat het bedrijf ter</al><al>plaatse was toegestaan deed daaraan niet af. Het behoud van het beperkte
                    aantal</al><al>parkeerplaatsen in de omgeving van het bedrijf woog zwaarder. ARRS 16-8-1988, AB
                    1989, 373.</al><tussenkop>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg.</al><al>Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Van
                    aantasting van het uiterlijk</al><al>aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de
                    omwonenden blijft</al><al>beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief
                    genoemd worden.</al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve</al><al>dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden
                    aanzienlijke overlast</al><al>met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers
                    kooplustigen aan. Ook wordt</al><al>er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd.</al><al>Derde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                    beslissen). Dit artikel</al><al>dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine automarkten op de
                    openbare weg.</al><al>Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet wenselijk om hier
                    een lex silencio</al><al>positivo toe te passen.</al><tussenkop>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</tussenkop><al>De eigenaar of houder van een of meer niet-rijklare voertuigen heeft deze
                    meestal aangekocht</al><al>om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig
                    voertuig te</al><al>creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg
                    wordt achtergelaten,</al><al>waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich
                    in het bijzonder</al><al>tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen
                    in het in relatie tot</al><al>het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig
                    op de weg zet.</al><al>Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk
                    aanzien van de</al><al>gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot
                    die gevallen</al><al>waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet
                    noodzakelijk</al><al>worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen.</al><tussenkop>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</tussenkop><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het</al><al>bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort
                    aan parkeerruimte</al><al>niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een
                    achtergelaten</al><al>voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot,
                    doordat het een</al><al>ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in
                    voor spelende</al><al>kinderen en voor de weggebruikers.</al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat</al><al>is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook
                    andere</al><al>belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.</al><tussenkop>Artikel 5:6 Recreatievoertuigen, aanhangwagens e.d.</tussenkop><al>Als algemene regel geldt dat voertuigen mogen worden geparkeerd op plaatsen die
                    daarvoor</al><al>bedoeld zijn. Artikel 5:6 geeft echter een belangrijke uitzondering op de
                    algemene regel. In</al><al>Capelle is het, in verband met de schaarse parkeerruimte, alleen toegestaan
                    om</al><al>recreatievoertuigen te parkeren op een door het college aangewezen plek. Deze
                    bepaling richt</al><al>zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor
                    recreatie e.d. worden</al><al>gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens,
                    aanhangwagens,</al><al>magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden
                    “parkeren”</al><al>gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling
                    eenvoudiger te</al><al>maken.</al><tussenkop>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een</al><al>of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren.
                    Hierbij staat het</al><al>maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt
                    niet gezien de</al><al>vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in
                    gebruik is en een</al><al>(korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te
                    bieden. Deze</al><al>voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om
                    daarmee</al><al>handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet</al><al>gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds
                    met één</al><al>voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in
                    het motief van</al><al>het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de</al><al>gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van
                    handelsreclame</al><al>op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in
                    artikel 4:15.</al><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële</al><al>reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet
                    blijkt, dat de</al><al>gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan
                    beperkingen mag</al><al>onderwerpen.</al><tussenkop>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van</al><al>grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de stadscentra en
                    in de</al><al>woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een
                    tendens</al><al>waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren
                    en</al><al>inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei:
                    onvoldoende</al><al>opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende
                    zichtbaarheid</al><al>van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de</al><al>schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk
                    aan het uiterlijk</al><al>aanzien der gemeente enz. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan
                    ook niet meer</al><al>dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen
                    binnen de</al><al>bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan</al><al>worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens
                    in</al><al>woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en</al><al>maatschappelijke inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als “normaal” verkeer
                    kan worden</al><al>beschouwd. De artikelen 5:8 en 5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van
                    grote voertuigen,</al><al>voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan.</al><al>Het eerste lid van artikel 5:8 beoogt optreden mogelijk te maken tegen het
                    parkeren van grote</al><al>voertuigen op de weg, als dat gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg.
                    Met</al><al>betrekking tot dit motief "buitensporig gebruik van de weg", moge nog worden
                    opgemerkt, dat het</al><al>in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen
                    behoeft te gaan.</al><al>Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin
                    opleveren.</al><al>De werking van het in het eerste lid gestelde verbod is ingevolge het tweede lid
                    beperkt tot de</al><al>avond en de nacht. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van
                    grote voertuigen op</al><al>de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name
                    handel en</al><al>industrie te zeer schaden.</al><al>Lid drie regelt de mogelijkheid van een ontheffing. Verzoeken om ontheffing
                    zullen van geval tot</al><al>geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle
                    bedrijven –</al><al>ongeacht de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen
                    ontheffing. Aan</al><al>een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de
                    tijd en de plaats</al><al>waarop deze zal gelden.</al><tussenkop>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren
                    van</al><al>vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw,</al><al>zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op
                    hinderlijke</al><al>wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Zie
                    voorts ook de</al><al>toelichting bij artikel 5:8.</al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn</al><al>ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door
                    het parkeren</al><al>van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend,
                    verboden. Hierbij</al><al>kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en
                    geluidsoverlast, bij</al><al>voorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad</al><al>(HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde zinsnede in
                    de APV van</al><al>Enschede verbindend achtte.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo</al><al>uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig</al><al>maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><al>Tweede lid</al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers",</al><al>meetwagens e.d.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te</al><al>rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><tussenkop>Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen,</al><al>plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk</al><al>aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter
                    aan zijn</al><al>bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil</al><al>zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving)</al><al>plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving
                    niet te worden</al><al>gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook
                    het rijden</al><al>over openbare beplantingen enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van</al><al>de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de berm rechtens
                    deel uitmaakt</al><al>van de weg, gelden de op de desbetreffende weg betrekking hebbende
                    verkeersvoorschriften</al><al>eveneens voor de berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990
                    bepaalt dat</al><al>auto’s, motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering
                    van het trottoir,</al><al>het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd. Onder deze
                    andere</al><al>weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg.
                    Indien in</al><al>een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt,
                    kan een</al><al>parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Dit kan door plaatsing van het
                    bord E1 van</al><al>Bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod
                    alleen geldt</al><al>voor de berm. Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet
                    wenselijk is, bijvoorbeeld</al><al>uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan
                    worden</al><al>toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde bord E1 noodzakelijk,
                    maar nu met</al><al>een onderbord waarop staat dat parkeren in de berm wel is toegestaan.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11</al><al>vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet
                    niet in de</al><al>gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst,
                    welke geen deel</al><al>uitmaakt van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel
                    2:46.</al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks</al><al>geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen dan wel voor
                    het laden of</al><al>lossen van goederen.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn</al><al>op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.</al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van</al><al>“parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen
                    beschadiging van</al><al>het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.</al><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook</al><al>zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht met
                    zich mee</al><al>brengen.</al><al>Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij een bepaling in de APV
                    van Assen,</al><al>volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te bevinden op de
                    van</al><al>gemeentewege aangelegde grasperken, verbindend werd geacht. De bewering dat
                    de</al><al>gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het algemene verbod van
                    artikel 461,</al><al>Wetboek van Strafrecht bedoelde verbodsbepaling uit te vaardigen, ging niet
                    op.</al><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                    “maatregelen te</al><al>nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente aangelegde
                    grasperken,</al><al>derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk terrein, zijnde een
                    onderwerp dat de</al><al>huishouding van de gemeente betreft”.</al><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde</al><al>woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing van bestuursdwang op
                    grond van artikel</al><al>61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen doen verwijderen dan nadat hiervoor
                    door</al><al>gedeputeerde staten toestemming is verleend als bedoeld in dat artikel en nadat
                    een</al><al>waarschuwing op grond van het vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie
                    Wnd. Vz. ARRS 24</al><al>juni 1983, nr. RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><al>Tweede lid</al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie</al><al>of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen
                    onder</al><al>terreinen als bedoeld onder c.</al><al>Vierde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                    beslissen)</al><al>Gezien het belang dat hier aan de orde is: het voorkomen van schade aan
                    groenvoorzieningen,</al><al>lijkt het niet bijzonder wenselijk om hier een lex silencio positivo toe te
                    passen. Daarvan is dan</al><al>ook afgezien.</al><tussenkop>Artikel 5:11 Overlastgevend parkeren van voertuigen</tussenkop><al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                    nabijgelegen</al><al>gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van voertuigen met</al><al>stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto's van destructiebedrijven,
                    vismeelfabrieken e.d.</al><al>Onder de werking van deze bepaling valt ook het doen of laten staan van
                    voertuigen met</al><al>stankverspreidende stoffen buiten de weg in de zin van de WVW.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid wordt niet geboden. Deze mogelijkheid valt niet goed
                    te rijmen met</al><al>het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><tussenkop>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</tussenkop><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der</al><al>buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij
                    doorgaans om</al><al>plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen,
                    zoals bijvoorbeeld</al><al>bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel
                    voldoende</al><al>stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel</al><al>aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het
                    verboden is</al><al>(brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan
                    wel deze daar</al><al>te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan
                    nemen zijn: de</al><al>bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast</al><al>of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief
                    kan worden</al><al>gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich
                    tussen een</al><al>woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste</al><al>(brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat
                    foutief</al><al>geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen
                    dient dan beschouwd</al><al>te worden als toepassing van bestuursdwang.</al><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend</al><al>te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke
                    krant of een huisaan-</al><al>huisblad, met affiches en dergelijke, dat onjuist geplaatste (brom)fietsen
                    zullen worden</al><al>verwijderd. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer
                    kunnen</al><al>worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><tussenkop>AFDELING 2 COLLECTEREN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><al>Algemeen</al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van</al><al>het publiek door middel van collecten, inschrijvingen, verkoop van
                    steunbonnetjes enz.</al><al>Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen.
                    Incidenteel komt</al><al>het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat
                    maar een ander</al><al>(commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het</al><al>goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het geval is.</al><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg</al><al>van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen in handen hebben.
                    Dit is</al><al>destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT) bij het wetsontwerp tot
                    aanvulling van het</al><al>Wetboek van Strafrecht met een bepaling omtrent telefonische colportage voor een
                    goed doel</al><al>(Kamerstuk 15678, Stb. 1982,12). In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de
                    overheid</al><al>heeft een taak om het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens
                    van de mensen</al><al>en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig
                    ter bescherming</al><al>van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide charitatieve
                    instellingen, die voor de</al><al>financiering van hun activiteiten in meerdere of mindere mate zijn aangewezen op
                    de offerzin van</al><al>het publiek”.</al><al>De rol van het Centraal Bureau Fondsenwerving</al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van</al><al>geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het CBF is het
                    beoordelen van</al><al>fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse gemeenten zijn
                    aangesloten bij het CBF.</al><al>Ze worden regelmatig door het CBF geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor
                    nadere</al><al>informatie. Het CBF is zo het eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe
                    ontwikkelingen op</al><al>het gebied van fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF
                    vormen een</al><al>leidraad bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de
                    gemeenten aan</al><al>instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met alle
                    gemeenten en een</al><al>aantal grote nationale fondsen is in 1949 een “collectenplan” gerealiseerd. Dit
                    plan houdt onder</al><al>meer in dat het CBF jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een
                    rooster vaststelt</al><al>waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt</al><al>toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere instellingen. Een
                    essentieel</al><al>element van het rooster is de exclusiviteit. De fondsen krijgen desgevraagd als
                    enige een</al><al>inzamelingsvergunning van alle gemeenten voor de betreffende week. Slechts in
                    goed overleg</al><al>tussen betrokken instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen
                    mogelijk. Op</al><al>grond van lid 4 kan het college ook vrijstelling verlenen.</al><al>Zie ook de website van het CBF: http://www.cbf.nl/</al><al>Huidige ontwikkelingen</al><al>De vraag is of in de huidige maatschappij nog steeds behoefte is aan een
                    beschermende</al><al>overheid zowel in het kader van het toezicht op bonafide instellingen als van de
                    beperking van</al><al>het aantal inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers.
                    Er zijn</al><al>verschillende redenen om deze rol van de overheid voort te zetten.</al><al>De manieren waarop wordt ingezameld zijn steeds indringender geworden: via de
                    post</al><al>(direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue), door
                    shows op tv</al><al>(het Glazen Huis) en concerten (Live Aid, ) direct of indirect
                    aangesproken.</al><al>De goede doelen-branche is steeds verder is geprofessionaliseerd; denk aan
                    de</al><al>professionele (commerciële) enwervingsbedrijven. Deze sales- en
                    marketingbedrijven zijn</al><al>gericht op het werven van klanten (leden of donateurs) voor hun
                    opdrachtgevers.</al><al>Er zijn daarnaast nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die
                    enige</al><al>bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven dat het
                    bij</al><al>bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een legitimatie
                    te vragen.</al><al>Dit alles doet vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning</al><al>ongewenst zijn. Dit is voor de VNG reden geweest om de inzamelingsvergunning
                    niet te</al><al>schrappen uit de model-APV.</al><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster (zie hiervoor) wordt
                    een vergunning</al><al>voor bepaalde tijd afgegeven. Juist doordat de gemeente bij deze instellingen
                    niet kan afgaan op</al><al>een oordeel van het CBF dient deze zelf een afweging te maken of sprake is van
                    een bonafide</al><al>instelling. Daarbij is het uitgangspunt van het collecterooster dat er slechts
                    één organisatie per</al><al>week huis-aan-huis mag collecteren met het oog op het voorkomen van
                    overlast.</al><al>De landelijke instellingen doen een aanvraag om in een bepaalde week te mogen
                    inzamelen.</al><al>Beide partijen (gemeente en aanvrager) zullen er voor zorgen dat de vergunning
                    ruim voor die tijd</al><al>is verleend, omdat bij overschrijden van de termijn de vergunning geen nut
                    heeft. Gezien het</al><al>collecterooster is namelijk uitwijken naar een andere week niet eenvoudig. Er
                    zijn overigens geen</al><al>signalen ontvangen uit de praktijk dat het niet halen van de termijnen een
                    probleem is.</al><al>Direct dialogue</al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en</al><al>gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel en
                    waarbij een</al><al>intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging af. Het is een
                    wervingmethode</al><al>die de laatste jaren snel populair is geworden. Bij het opstellen van de
                    bepaling van de model-</al><al>APV is met deze methode geen rekening is gehouden. Deze zag immers voornamelijk
                    op</al><al>landelijk georganiseerde inzamelingen huis-aan-huis.</al><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling
                    op plekken</al><al>met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij stations.
                    Tegenwoordig wordt</al><al>deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis toegepast. Dit maakt de
                    vergunningverlening</al><al>complexer. Duidelijk is dat voor de huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient
                    te worden met</al><al>het collecterooster. De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan
                    ook alleen</al><al>verleend worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor
                    lokale instellingen.</al><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere malen
                    per jaar,</al><al>gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van vergunningverlening zoals
                    aan de huisaan-</al><al>huiscollecten ten grondslag ligt (één keer per jaar één week) voldoet niet aan
                    deze behoefte.</al><al>Duidelijk is ook dat er een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en
                    inzamelingen op straat.</al><al>Een groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten</al><al>aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR 02-12-1983, Gst. 1984,
                    6763, 3).</al><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die</al><al>regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels vast te stellen.
                    De gemeente</al><al>kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag een inzamelingsvergunning
                    krijgen voor</al><al>straatwerving, waarbij ook gekeken kan worden naar het aantal wervers dat per
                    instelling ingezet</al><al>mag worden. Ook kan de gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden
                    gemaakt van</al><al>de vergunning. Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn
                    vanuit de</al><al>belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van</al><al>verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1:8 opgenomen
                    weigeringgronden</al><al>geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand van daar genoemde criteria
                    een</al><al>maximumstelsel te hanteren.</al><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                    Dialogue</al><al>Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van</al><al>leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele van die
                    regels zijn: de</al><al>dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan landelijke en lokale
                    regelgeving houden</al><al>(o.a. de APV), geen gebruik maken van een intimiderende of agressieve werkwijze,
                    de wervers</al><al>hebben altijd een identificatie bij zich en zijn goed getraind en
                    geïnformeerd.</al><al>Direct dialogue in relatie tot venten</al><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                    marketing- en</al><al>salesorganisaties die een vergunning aanvragen om huis-aan-huis klanten te
                    werven voor hun</al><al>opdrachtgevers. Een opdrachtgever kan een charitatieve instelling zijn waarvoor
                    leden worden</al><al>geworven door middel van een intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten
                    verkoopt.</al><al>Bijvoorbeeld een energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis klanten
                    waarbij aan de deur</al><al>een contract wordt ondertekend.</al><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn
                    de</al><al>inzamelingsvergunning (art 5:13 APV) en de ventvergunning (art. 5:14 e.v. APV).
                    Wat betreft de</al><al>inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het charitatieve doel zelf
                    is dat de</al><al>vergunning aanvraagt, maar de commerciële organisatie in opdracht van een goed
                    doel. Voor de</al><al>hand ligt dat aan deze instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning
                    dezelfde</al><al>voorwaarden worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook het
                    terugkoppelen van</al><al>wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag).</al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als het
                    aanbieden van</al><al>diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers valt onder het
                    aanbieden van</al><al>diensten. Doel is immers om via deze methode een contract af te sluiten voor de
                    levering van een</al><al>dienst. Een andere vorm van venten is het op straat of huis-aan-huis verkopen
                    van producten als</al><al>een hotelbon of bon voor vakantiepark.</al><al>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                    inzamelingsvergunningen</al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee</al><al>uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten instellingen en
                    in het kader van</al><al>overlast wordt het aantal collecten beperkt en gelijkmatig over het jaar
                    verdeeld. Desgewenst</al><al>wordt een onderscheid gemaakt tussen inzamelingen huis-aan-huis en op
                    straat.</al><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een</al><al>doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de Stichting
                    Collecteplan.</al><al>Instellingen die niet op dit collecterooster voorkomen en een vergunning vragen
                    voor een vrije</al><al>periode of voor werving op straat dienen door de gemeente beoordeeld te worden.
                    Bij de</al><al>beoordeling van de aanvragen worden in de praktijk onder meer de volgende
                    criteria gehanteerd</al><al>(indien van toepassing):</al><al>- de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij
                    CBF);</al><al>- de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of</al><al>- de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                    inzamelingen ten</al><al>bate van een identiek doel, met name dat van instellingen vermeld op het
                    collecteplan;</al><al>en/of</al><al>- de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve
                    van</al><al>personen of instellingen buiten de kring van collecterende instellingen;
                    en/of</al><al>- de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                    nastreven;</al><al>- controle van de begroting op besteding van de gelden;</al><al>- tellen onder toezicht van een notaris;</al><al>- betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                    doel);</al><al>- gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc.;</al><al>- onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                    Dialogue</al><al>Donateurswervers Nederland.</al><al>Dierenrechtenactivisme en dierenrechtenextremisme</al><al>In het voorjaar van 2009 heeft er een Algemeen Overleg in de Tweede Kamer
                    plaatsgevonden</al><al>waarbij de inzamelingsvergunning ter sprake kwam. Aanleiding voor het AO vormt
                    een rapport</al><al>van de AIVD Dierenrechtenextremisme in Nederland gefragmenteerd maar groeiende.
                    In dit</al><al>rapport wordt het volgende opgemerkt: “Zeer regelmatig wordt er gecollecteerd in
                    bijvoorbeeld</al><al>winkelcentra, waarbij getracht wordt de goedgeefsheid van het publiek te
                    bevorderen door het</al><al>vertonen van shockerende foto’s”.</al><al>In het AO hebben Kamerleden aan de minister gevraagd of het voorkomt dat
                    gecollecteerd wordt</al><al>door organisaties die illegale activiteiten plegen. De minister heeft toegezegd
                    in overleg met de</al><al>VNG na te gaan hoe gemeenten omgaan met de vergunning verlening voor collecten
                    en welke</al><al>criteria daarbij gehanteerd worden.</al><al>Zowel het CBF als de VNG herkennen het beeld dat de AIVD in haar rapport schetst
                    niet. Wij</al><al>vermoeden dat deze collectes vooral plaatsvinden zonder vergunning. Het is
                    daarmee allereerst</al><al>een handhavingstaak.</al><al>In het geval er wel een vergunning wordt aangevraagd zal dit waarschijnlijk een
                    incidentele</al><al>vergunning betreffen. In de paragraaf hierboven is aangegeven welke criteria de
                    gemeente kan</al><al>hanteren bij het verlenen van een incidentele vergunning.</al><al>Van belang is dat altijd contact wordt opgenomen met het CBF. Zij kunnen
                    aangeven of deze</al><al>organisatie een keurmerk of certificaat heeft. Ook kan worden aangegeven of de
                    organisatie</al><al>recent ook in andere gemeenten een aanvraag voor een inzamelingsvergunning heeft
                    ingediend.</al><al>Indien bij het CBF wordt gemeld dat zich problemen voordoen met dergelijke
                    organisaties kan het</al><al>CBF besluiten om daar bekendheid aan te geven door bijvoorbeeld een waarschuwing
                    te</al><al>plaatsen op de website van het CBF.</al><al>Eerste lid</al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het</al><al>artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar
                    ook op</al><al>inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit
                    laatste komt</al><al>bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan een
                    voedselpakket. Dit</al><al>kan middels een gift in geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen
                    en vervolgens</al><al>te doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op
                    of aan de</al><al>openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De</al><al>bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor een commercieel
                    doel.</al><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels</al><al>geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus die voor langere tijd
                    geplaatst wordt.</al><al>Hoewel dit formeel vergunningplichtig is, wordt hier in de praktijk soepel mee
                    omgegaan. Het</al><al>heeft nog nooit tot klachten van hetzij burgers hetzij organisaties op het
                    collecterooster geleid.</al><al>Tweede lid</al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling</al><al>geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt veelvuldig voor dat
                    het</al><al>collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken,
                    zoals</al><al>prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij de opbrengst een
                    charitatieve bestemming</al><al>heeft.</al><al>Briefkaartenacties</al><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                    Deze activiteit</al><al>komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties waarbij de naam van
                    een goed doel</al><al>wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van studenten bij de verkoop. Een
                    klein deel van de</al><al>opbrengst komt ten goede aan het goede doel, de rest van de opbrengst aan de
                    initiatiefnemers</al><al>van de commerciële instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen
                    (CBF-keur)</al><al>meewerken aan dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende
                    goede doelen dan</al><al>ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie
                    die daarbij</al><al>vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel bij het CBF
                    als bij de goede</al><al>doelen zijn binnengekomen, is door verschillende instellingen met een goed doel
                    besloten te</al><al>stoppen met deze activiteiten.</al><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid,</al><al>van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is niet het geval. In vaste
                    rechtspraak is een</al><al>scheiding aangebracht tussen het collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden
                    van gedrukte</al><al>stukken anderzijds (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en
                    18-10-1979,</al><al>OB 180, nr. 41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM
                    en artikel 19</al><al>van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast.</al><al>In het tweede lid van artikel 5:13 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij</al><al>aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar gescheiden.
                    Volgens dit</al><al>tweede lid is uitsluitend het houden van openbare inzamelingen van een
                    vergunning afhankelijk,</al><al>niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken.
                    Dit houdt dus in</al><al>dat als een aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de
                    aanvrager van</al><al>plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze</al><al>stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het bijzondere element
                    “... indien</al><al>daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                    geheel of ten dele</al><al>voor een liefdadig of een ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het
                    gaat om een regeling</al><al>van het collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met
                    gedrukte stukken.</al><al>Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt gegeven dat
                    dit geheel of</al><al>gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede doel is op basis van het
                    bovenstaande dan</al><al>ook een vergunningplichtige activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21
                    maart 2000, NJ</al><al>2000, 482 waar door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar
                    verwezen wordt,</al><al>doet daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van</al><al>geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder gelijktijdige
                    aanbieding van</al><al>gedrukte stukken)</al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden</al><al>van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten of colporteren met
                    gedrukte stukken</al><al>valt onder de werking van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Het venten of
                    colporteren beoogt</al><al>vooral het dekken van de kosten van verspreiding (het drukken en redigeren
                    daaronder</al><al>begrepen) van gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk
                    dienstbaar aan de</al><al>verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze</al><al>stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd.
                    Denk hierbij</al><al>aan de verkoop van abonnementen op kranten of tijdschriften. Verkrijgt men een
                    of ander</al><al>drukwerk door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als
                    reële</al><al>contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te
                    overhandigen als</al><al>bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze
                    opvatting sprake van</al><al>een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van
                    die actie</al><al>uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen</al><al>dit soort, zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en
                    bewezen moeten</al><al>worden, dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel
                    of gedeeltelijk</al><al>is bestemd voor een ideëel doel</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid van artikel 5:13 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor</al><al>inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze uitdrukking is
                    aansluiting</al><al>gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch colporteren voor
                    charitatieve doeleinden</al><al>wordt verboden. De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin
                    tussen de</al><al>inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde
                    kerkelijke,</al><al>maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt
                    van de actie.</al><al>Het begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk</al><al>lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke
                    bekendheid</al><al>is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt
                    uitsluitend wordt</al><al>gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een
                    vak- of een</al><al>omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde
                    kerkgenootschap. Wordt de</al><al>actie echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door
                    een plaatselijke</al><al>afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van
                    een besloten</al><al>kring.</al><al>Vierde lid</al><al>Het college is bevoegd om bepaalde collecten vrijstelling te verlenen van de
                    vergunningplicht.en</al><al>kan met name denken aan de collecten die genoemd worden in het landelijke
                    collecteplan.</al><tussenkop>AFDELING 3 VENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:14 Begripsbepaling</tussenkop><al>Bij de herziening van 2007 is omschreven wat onder venten wordt verstaan. Dit is
                    een</al><al>verbetering omdat het uitoefenen van de ambulante handel (het venten)
                    onderscheiden moet</al><al>worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de
                    standplaatsvergunning. Bij venten</al><al>is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren
                    voortdurend aan vanaf</al><al>een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen
                    venten. HR 26-03-</al><al>1974, NJ 1974, 239.</al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is</al><al>sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de vorm van een
                    vast bedrag</al><al>wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden,
                    maar gaat het</al><al>om het inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed
                    door een</al><al>willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                    contraprestatie aan te merken,</al><al>bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar</al><al>liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen worden
                    daarbij slechts ter</al><al>ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit
                    soort zonder</al><al>vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden
                    dat te</al><al>kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk
                    is bestemd voor</al><al>een ideëel doel.</al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de
                    periode</al><al>gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan
                    willekeurige</al><al>voorbijgangers. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop
                    aanbieden</al><al>van goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als
                    een kraam of</al><al>een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een</al><al>standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.
                    Venten en</al><al>standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al>Direct dialogue in relatie tot venten</al><al>In het algemene gedeelte van de toelichting bij artikel 5:13 (inzamelen geld of
                    goederen) is</al><al>hierover een passage opgenomen onder de kop “direct dialogue”.</al><tussenkop>Artikel 5:15 Ventverbod</tussenkop><al>Dit artikel gaat uit van een algeheel ventverbod. De VNG heeft in het model
                    ervoor gekozen de</al><al>de vergunningplicht af te schaffen en het venten alleen te verbieden als de
                    openbare orde wordt</al><al>verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                    komt. De VNG acht</al><al>het risico van achteraf controleren niet veel groter dan van het vooraf
                    vaststellen van de</al><al>voorwaarden die vaak dezelfde zijn. Volgens de Dienstenrichtlijn is een
                    vergunning alleen</al><al>proportioneel als een controle achteraf onvoldoende is.</al><al>Capelle heeft het model niet overgenomen en de vergunningplicht gehandhaafd voor
                    het huisaan-</al><al>huis venten omdat het risico van achteraf ingrijpen juist wel groter wordt
                    geacht. Het eisen</al><al>van een vergunning zorgt er voor dat bekend is waar en wanneer er venters actief
                    zijn. Mochten</al><al>er klachten over de venter zijn of heeft hij overlast veroorzaakt dan kan daar
                    bij een volgende</al><al>aanvraag rekening mee worden gehouden.</al><al>Een onderscheidt wordt gemaakt tussen het huis-aan-huis venten en het venten op
                    de weg. Het</al><al>huis-aan-huis venten is een vorm van venten die meer ingrijpt in het alledaagse
                    leven dan het</al><al>venten langs de weg. Voor het venten uitsluitend op de weg (lid 2) is dan ook
                    geen vergunning</al><al>vereist en kan de venter volstaan met een melding.</al><tussenkop>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van</al><al>een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie is het aanbieden
                    van of venten</al><al>met gedrukte stukken als een zelfstandig middel van bekendmaking aangemerkt.
                    Een</al><al>afzonderlijk probleem is het beoordelen of er in een concrete situatie sprake is
                    van de uitoefening</al><al>van “een zelfstandig middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de
                    Grondwet of dat er</al><al>sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden</al><al>geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van
                    drukpers</al><al>gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet.</al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de</al><al>vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de praktijk
                    dikwijls moeilijk vast</al><al>te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een groot aantal gemeenten het verzoek
                    gedaan tot het</al><al>venten met prentbriefkaarten. De firma die in deze gemeenten haar
                    prentbriefkaarten in het kader</al><al>van een commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte
                    stukken</al><al>betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel</al><al>bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de opbrengst voor een goed
                    doel</al><al>bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te komen aan de verkoper van
                    de</al><al>prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op grond van overtreding van een
                    APV-bepaling</al><al>waarin een ventverbod wordt vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet
                    mogelijk.</al><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto’s</al><al>al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze voor geen andere uitleg
                    vatbaar zijn dan dat</al><al>zij een bepaalde uiting van kunst bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk
                    kan van zulke</al><al>gedrukte stukken gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als
                    bedoeld in</al><al>art. 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria</al><al>toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte
                    stukken en</al><al>er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet
                    resulteren in een</al><al>algeheel verbod.</al><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een</al><al>ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel toelaatbaar. De
                    beperking van de</al><al>verkoop van drukwerk waarop een mededeling staat is, gelet op artikel 7 van de
                    Grondwet, niet</al><al>mogelijk voor zover het betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de
                    Grondwet beschermt</al><al>immers “iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte
                    of een</al><al>gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni
                    1986, Stb. 339).</al><al>Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid
                    naar tijd en</al><al>plaats worden ingeperkt.</al><al>Daklozenkrant</al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de</al><al>Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de
                    gemeente</al><al>gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van
                    bijvoorbeeld een</al><al>supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient
                    aanbeveling</al><al>om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt.
                    Immers niet</al><al>iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van
                    een</al><al>identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze
                    officiële</al><al>straatkantverkopers zijn.</al><al>Vierde lid Lex silencio positivo</al><al>Er is voor gekozen hier wel een lex silencio positivo op te nemen. De vrijheid
                    van meningsuiting</al><al>is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de overheid hier door
                    niet te beslissen</al><al>de zaak in het onzekere zou laten.</al><al>De gemeenteraad kan hier een andere afweging maken.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van ventvergunning.
                    Geen uitzondering</al><al>op het beleid gezien de aard van de gepleegde feiten en de veelvuldige
                    veroordelingen. ARRS</al><al>26-07-1993, AB 1994, 2 m.nt. LJJR. Zie ook Vz. ARRS 20-10-89, JG 90.0181 .</al><al>Relatie Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet uitputtend
                    bedoeld. HR 20-</al><al>10-1992, JG 93.0258 , NJ 1993, 155, Gst.1993, 6972, 5 m.nt. EB.</al><al>Verkoopactiviteiten vanuit rijdende winkel is vergunningplichtig op grond van de
                    APV. De regeling</al><al>in de APV is niet in strijd met de Vestigingswet Bedrijven 1954 (inmiddels
                    ingetrokken). Aan</al><al>toetsing van de APV-bepaling aan artikel 30 van het EG-verdrag komt de afdeling
                    niet toe. ABRS</al><al>27-11-1998, Gst.1999, 7090, 4 m.nt. HH.</al><al>Het aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels worden
                    gebonden ten</al><al>behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er is sprake van venten. ARRS
                    15-06-1984,</al><al>Gst. 1984, 6789, 4 m.nt. J.C. Schroot.</al><al>Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een andere
                    plaats aanbiedt,</al><al>tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is. Er geldt een verbod tot het
                    aanbieden vanaf een vaste</al><al>plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is in strijd met de
                    verleende</al><al>ventvergunning. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.</al><al>Venten met gedrukte of geschreven stukken wordt aangemerkt als een zelfstandig
                    middel van</al><al>verspreiding. HR 17-03-1953, NJ 1953, 389, Wachttorenarrest en HR 20-06-1950, NJ
                    1950, 619.</al><al>Terechte weigering van ventvergunning. Het reguleren van de ambulante handel is
                    een zaak die</al><al>tot de gemeentelijke huishouding behoort. Pres. Rb. Assen 31-10-1996, JG
                    97.0078</al><al>Wanneer ondanks verleende ventvergunning feitelijk vanaf een standplaats wordt
                    gehandeld,</al><al>dient een aanschrijving te worden gebaseerd op artikel 5.2.3 en niet (mede) op
                    artikel 5.2.2.</al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5.2.2 lid 2 onder d (oud) en artikel 5.2.3
                    (oud) sluiten venten en</al><al>het innemen van een standplaats elkaar uit, zodat deze artikelen niet naast
                    elkaar aan de</al><al>aanschrijving ten grondslag kunnen worden gelegd. ABRS 23-03-1998, AB 1998,-
                    277.</al><al>Venten met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters zijn een
                    bepaalde uiting van</al><al>kunst of ludiek van aard. Er kan daarom niet gezegd worden dat de posters geen
                    gedachten of</al><al>gevoelens openbaren. HR 21-03-2000, NJ 2000, 482.</al><tussenkop>AFDELING 4 STANDPLAATSEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van</al><al>een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste
                    plaats. Dit is dan</al><al>ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen. Bij
                    het venten met</al><al>goederen wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen
                    vanaf een</al><al>andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is
                    ambulant, de</al><al>standplaatshouder niet.</al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een</al><al>standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160,
                    eerste lid,</al><al>aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente
                    ingestelde markt</al><al>een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor de
                    markt gelden.</al><al>Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening
                    met de</al><al>snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en
                    standplaatsen</al><al>worden ingenomen in de open lucht.</al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens</al><al>afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van
                    toepassing, waarbij de</al><al>bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van
                    toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</tussenkop><al>Algemeen</al><al>Een vergunning voor het hebben van een standplaats, is hoe eenvoudig ook,
                    noodzakelijk en</al><al>evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt
                    verstoord en</al><al>overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld:
                    geluidsoverlast,</al><al>stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is
                    persoonsgebonden</al><al>(artikel 1:6).</al><al>Vergunning voor onbepaalde tijd</al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7).
                    Indien de gemeente</al><al>de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen aan een termijn wil
                    verbinden, dan</al><al>is het zaak te motiveren waarom dit noodzakelijk is in het belang van onder meer
                    de openbare</al><al>orde, overlast en de verkeersveiligheid en milieu. Zie voor nadere toelichting
                    bij de artikelen 1:7.</al><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al>Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk</al><al>indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning
                    is niet</al><al>vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege
                    het feit dat</al><al>een standplaats wordt ingenomen. Dus het gaat hier om een
                    standplaatsvergunning.</al><al>Tweede lid Bestemmingsplan</al><al>De bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn
                    gebaseerd op</al><al>ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van
                    de</al><al>gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de
                    besluiten op grond</al><al>van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een
                    zelfstandige</al><al>weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een
                    vergunning voor</al><al>het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die
                    uit het</al><al>bestemmingsplan voortvloeien.</al><al>Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk
                    uit te leggen dat de</al><al>vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan
                    worden</al><al>wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom
                    als</al><al>imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit
                    aanvaardbaar omdat een</al><al>dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.</al><al>Derde lid, onder a Redelijke eisen van welstand</al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen
                    worden</al><al>ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.
                    Met deze</al><al>weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook
                    wordt</al><al>daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles</al><al>gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond.
                    Het is niet</al><al>noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om
                    advies te vragen.</al><al>Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten</al><al>behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was
                    dat</al><al>gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet
                    in verhouding</al><al>staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit
                    jurisprudentie van de Afdeling</al><al>bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen</al><al>niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt
                    door de</al><al>Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het
                    voorzieningenniveau voor de</al><al>consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis
                    hiervan een</al><al>vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de
                    boekhouding van</al><al>de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een</al><al>standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen</al><al>niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane,
                    belemmering voor</al><al>het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze
                    weigeringsgrond te</al><al>hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers
                    niet van</al><al>toepassing.</al><al>Maximumstelsel</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van</al><al>de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum
                    te binden.</al><al>Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren
                    vastgesteld</al><al>maximum als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden
                    aangetoond of</al><al>aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake
                    is.</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de</al><al>Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel
                    9 jo artikel 10</al><al>dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden
                    gebaseerde</al><al>verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.</al><al>Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering van het
                    beleid wordt</al><al>overgegaan. De locaties waar een standplaats mag worden ingenomen moeten zo
                    zorgvuldig</al><al>mogelijk worden geselecteerd. Het totaal aantal aangewezen standplaatsen tezamen
                    levert het</al><al>maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van
                    een</al><al>politierapport met betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van een
                    standplaats op de</al><al>verschillende locaties kan een verdere onderbouwing leveren van het vastgestelde
                    maximum</al><al>aantal standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden aangegeven
                    welke gevolgen het</al><al>innemen van standplaatsen zal hebben voor de verkeersveiligheid en de handhaving
                    van de</al><al>openbare orde.</al><al>Het innemen van een standplaats kan verder worden geordend door tijdstippen aan
                    te wijzen</al><al>wanneer een standplaats mag worden ingenomen. Een verdeling naar dagen van de
                    week en</al><al>eventueel naar dagdelen kan een nadere invulling geven aan het maximum
                    aantal</al><al>standplaatsvergunningen. Een dergelijk beleid kan zowel voor de gehele gemeente
                    als voor</al><al>nader aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht zijn.</al><al>Een verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen kan worden
                    bereikt</al><al>door een onderverdeling naar een aantal branches in te stellen. Per branche kan
                    dan een</al><al>maximum aantal af te geven vergunningen worden bepaald. Opgemerkt moet worden,
                    dat een</al><al>dergelijk maximum aantal vergunningen slechts door de rechter wordt toegelaten
                    indien het</al><al>aantal aanvragen per branche het totaal aantal af te geven vergunningen
                    overtreft.</al><al>Indien voor een branche niet het maximum aantal vergunningen wordt afgegeven,
                    acht de rechter</al><al>geen noodzaak tot handhaving van dit stelsel aanwezig.</al><al>Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel uitgesplitst
                    naar plaats,</al><al>tijdstip of branche, moet rekening gehouden worden met het aantal reeds
                    afgegeven</al><al>vergunningen.</al><al>Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal
                    aantal af te geven</al><al>vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst opstellen. De aanvragen
                    worden dan</al><al>geregistreerd in volgorde van binnenkomst. Indien een standplaatshouder te
                    kennen geeft zijn</al><al>standplaats niet meer in te zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op
                    de wachtlijst</al><al>toegekend worden.</al><al>Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag tot het innemen van een
                    standplaats</al><al>afzonderlijk beoordeeld moet worden. Aan de hand van de in de APV
                    vastgestelde</al><al>weigeringsgronden en het aan de hand hiervan geformuleerde beleid moet een
                    afweging</al><al>plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden.</al><al>Men houde ook de eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen dat een wachtlijst noch
                    direct noch</al><al>indirect discriminatoir mag zijn.</al><al>Beleidsregels</al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                    beleidsregels vaststellen,</al><al>waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een
                    standplaatsvergunning</al><al>wordt overgegaan. Het vaststellen van een dergelijk beleid, waarin objectieve,
                    algemeen</al><al>bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van een</al><al>vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie toegestaan.
                    Wel moet</al><al>worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag leiden tot een beslissing omtrent
                    een</al><al>aangevraagde vergunning die niet kan worden herleid tot één van de in artikel
                    1:8 genoemde</al><al>weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels zijn
                    volgens artikel</al><al>4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan dwingende reden van algemeen belang:
                    de</al><al>openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling gerealiseerd
                    worden van het</al><al>aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunningen zodanig over de week
                    verspreid</al><al>worden, dat een concentratie van de in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan.
                    De</al><al>weigeringsgronden kunnen ook gebruikt worden wanneer veel belangstelling voor
                    dezelfde</al><al>locatie ontstaat. Een aantal standplaatsen op één plek doet ook de kans op
                    feitelijke</al><al>marktvorming ontstaan. Ook is het mogelijk om specifieke standplaatsen op
                    bepaalde locaties te</al><al>weren. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan bakkramen die in verband met
                    stankoverlast of</al><al>brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst zijn.</al><al>Inhoud standplaatsenbeleid.</al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van standplaatsen
                    berust, mogen</al><al>niet strijdig zijn met de bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te treden. Het
                    beleid dat door</al><al>het college wordt vastgesteld ter uitvoering van de APV-bepalingen mag niet de
                    wettelijke</al><al>grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze APV-bepalingen overschrijden.</al><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen
                    betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen;</al></li><li nr="-"><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                            branche. de aanwijzing</al></li></lijst><al>van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;</al><al>-de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen.</al><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een</al><al>feitelijke invulling van de verschillende in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Nadat aan de</al><al>hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op welke plaats in de gemeente een
                    standplaats</al><al>kan worden ingenomen, valt aan de hand van het totaalbeeld dat hieruit
                    resulteert, aan te geven</al><al>wat het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van
                    ieder motief</al><al>afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen
                    kan worden.</al><al>Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het
                    maximumaantal</al><al>standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid vaststellen
                    ten aanzien van</al><al>de handhaving en het toezicht en de wijze waarop gehandeld wordt als het maximum
                    aantal</al><al>vergunningen reeds is afgegeven. Het betreft hier dan een wachtlijstensysteem
                    dat van</al><al>toepassing is wanneer het aantal aanvragen het maximum aantal af te geven</al><al>standplaatsvergunningen overschrijdt.</al><al>Vergunningsvoorschriften</al><al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10
                    van de</al><al>Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op
                    criteria die ervoor</al><al>zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op
                    willekeurige wijze</al><al>uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een
                    dwingende reden van</al><al>algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig;</al><al>objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook
                    artikel 1:4 en de</al><al>toelichting bij dit artikel.</al><al>Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><al>-het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen
                    standplaats is</al><al>ingenomen;</al><al>-de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel
                    het oog</al><al>houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument.
                    Anders zou er</al><al>oneerlijke concurrentie kunnen zijn;</al><al>- de grootte van de standplaats;</al><al>- de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;</al><al>- het uiterlijk aanzien van de standplaats;</al><al>- tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats;</al><al>- eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid;</al><al>- opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.</al><al>Overige regelgeving</al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de APV
                    van toepassing.</al><al>Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan de straathandel.</al><al>Wet op de Ruimtelijke ordening</al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege
                    strijd met</al><al>een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals vereist krachtens
                    de APV,</al><al>wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in het geldende bestemmingsplan
                    worden gesteld,</al><al>van kracht.</al><al>Het college kan een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten
                    als een</al><al>verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. In
                    een dergelijk</al><al>geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee afzonderlijke procedures. Het is dan
                    niet nodig twee</al><al>afzonderlijke aanvragen in te dienen.</al><al>Winkeltijdenwet</al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en</al><al>het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de Winkeltijdenwet
                    gelden ook</al><al>voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats.. Dit is dus op zon- en
                    feestdagen in</al><al>beginsel niet toegestaan, maar het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet maakt
                    daarop in artikel</al><al>12, eerste lid een uitzondering voor de verkoop van eet- en drinkwaren die
                    direct voor</al><al>consumptie geschikt zijn en alcoholvrije dranken. In het tweede lid is bepaald
                    dat de raad (een</al><al>deel van) de daarvan kan uitzonderen. De model-Winkeltijdenverordening van de
                    VNG heeft</al><al>daarvoor een bepaling.</al><al>Warenwet</al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren,</al><al>waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van tabak, en
                    drinkwaren,</al><al>alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de Warenwet van
                    toepassing. De</al><al>Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van
                    waren.</al><al>Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en degelijkheid
                    van producten.</al><al>Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet
                    is een</al><al>afzonderlijk regime van toepassing.</al><al>De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften
                    die door het</al><al>college gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning.</al><al>Wet milieubeheer</al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of</al><al>overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen gelden ook voor
                    een</al><al>standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als “inrichting” kan worden
                    aangemerkt. Van</al><al>belang is de regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patatverkopers, die voor
                    wat betreft de</al><al>frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is
                    de</al><al>Afvalstoffenverordening.</al><al>Gebruik van de openbare weg</al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel</al><al>gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de openbare weg zijn.
                    Op grond</al><al>hiervan kan de gemeente van degene die op de openbare weg met vergunning een
                    standplaats</al><al>inneemt een vergoeding bedingen voor het gebruik van het deel van de openbare
                    weg. De</al><al>grondslag voor het bedingen van een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in
                    een</al><al>retributieverordening of in een huurovereenkomst.</al><al>In een retributieverordening kan afhankelijk van het formaat en de locatie van
                    de standplaats een</al><al>bepaald bedrag worden vastgesteld.</al><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                    worden</al><al>vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de standplaats. Per
                    in te nemen</al><al>locatie kan een vaste prijs worden berekend. De huurprijs en andere voorwaarden
                    die in een</al><al>huurovereenkomst worden bedongen mogen geen belemmering vormen voor het innemen
                    van</al><al>een standplaats. Uit jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge
                    huurprijs voor het</al><al>gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke belemmering
                    ontstaat voor</al><al>het innemen van een standplaats waarvoor een vergunning is verleend, zie Vz.
                    ARRS 12-04-</al><al>1991, JG 91.0369 .</al><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een retributieverordening
                    en het aangaan</al><al>van een huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke keuze
                    consequent</al><al>gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene leerstukken met betrekking
                    tot de</al><al>tweewegenleer).</al><tussenkop>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt</al><al>ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is
                    het mogelijk niet</al><al>alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats
                    inneemt</al><al>maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats
                    zonder</al><al>vergunning toestaat.</al><tussenkop>Artikel 5:20 Aanhoudingsplicht</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Afdeling 5. Snuffelmarkten</tussenkop><al>[Het begrip snuffelmarkt valt op grond van deze verordening onder het begrip
                    evenement]</al><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Afdeling 6. Openbaar water</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                    natuurgebieden</tussenkop><al>[gereserveerd]</al><tussenkop>AFDELING 8 VERBOD VUUR TE STOKEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:21 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                    anderszins vuur te</tussenkop><tussenkop>stoken</tussenkop><al>In deze toelichting wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de wetgeving voor
                    het verbranden van</al><al>afvalstoffen buiten inrichtingen, geregeld in artikel 10.2, eerste lid en
                    artikel 10.63, tweede lid, van</al><al>de Wet milieubeheer.</al><al>Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer beperkt zich alleen tot de
                    bescherming van het</al><al>milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten wil</al><al>reguleren is het verlenen van een (tweede) ontheffing op grond van de APV
                    noodzakelijk.</al><al>Het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen als geregeld in artikel
                    10.2, eerste lid en</al><al>10.63, tweede lid, Wet milieubeheer</al><al>In de circulaire van 27 maart 2002 aan de provincies en gemeenten van het
                    voormalig ministerie</al><al>van VROM (Stcrt. 2002, 65) is aandacht besteed aan het storten en verbranden van
                    afvalstoffen</al><al>buiten inrichtingen.</al><al>Voor welke afvalstoffen kan er een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet</al><al>milieubeheer worden gegeven en wat is de reikwijdte van de wet?</al><al>Uit de kamerbehandeling blijkt dat de ontheffing kan worden verleend voor de
                    volgende zaken:</al><al>- vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren.</al><al>- instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van
                    klein</al><al>landschapsbeheer.</al><al>De minister gaf tegenover de Kamer voorts aan dat fruitsnoeihout en
                    aardappelloof onder de</al><al>ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn algemeenheid over hout dat
                    men van bomen of</al><al>struiken afhaalt om het natuurlijke proces om welke reden dan ook te bevorderen.
                    Ook riet zou</al><al>ons inziens hieronder kunnen vallen. Voor welke gevallen er nog meer een
                    ontheffing kan worden</al><al>gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van</al><al>een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet</al><al>milieubeheer is het in ieder geval verboden ontheffing te verlenen voor het
                    verbranden van</al><al>gevaarlijke afvalstoffen. Verder is het meeverbranden van allerlei afvalstoffen
                    (banden, verf,</al><al>afgewerkte olie) verboden.</al><al>Artikel 10.2 Wet milieubeheer ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen
                    buiten</al><al>inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in de zin
                    van de Wet</al><al>milieubeheer, het verbrandingsverbod hierop niet van toepassing is. Hiervoor
                    geldt namelijk een</al><al>ander wettelijk regiem. De verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting
                    dient enerzijds te</al><al>worden geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van
                    de zogenaamde</al><al>artikel 8.40-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen voor
                    homogene</al><al>bedrijfscategorieën.</al><al>Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de
                    inzameling</al><al>van huishoudelijk GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) op grond van artikel
                    10.21 Wet</al><al>milieubeheer. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient in de eerste plaats
                    door de burger te</al><al>worden aangeboden aan de aangewezen inzameldienst. Het buitengebied wordt door
                    gemeenten</al><al>soms vrijgesteld van de inzamelplicht in het belang van een doelmatig beheer van
                    afvalstoffen. In</al><al>deze gevallen kan een ontheffing voor het verbranden van tuinafval worden
                    gerechtvaardigd.</al><al>Voor wat betreft stedelijke of bebouwde komgebieden, is het verlenen van een
                    ontheffing minder</al><al>gerechtvaardigd. Immers, de gemeente draagt zorg voor inzameling van
                    huishoudelijk tuinafval</al><al>en ook grof tuinafval, een ontheffing voor het verbranden van snoeihout, lijkt
                    daarmee niet</al><al>wenselijk.</al><al>Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegde gezag is om zelf invulling te
                    geven aan het</al><al>ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut verbrandingsverbod.
                    Ook al geeft de</al><al>Wet milieubeheer de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen, dit betekent
                    niet dat een</al><al>gemeente ook verplicht is dit te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het
                    regiem van de</al><al>Wet milieubeheer - een absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient
                    aanbeveling om een</al><al>absoluut stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te
                    leggen.</al><al>Het verdient sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk vast te
                    leggen in</al><al>bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het bevoegde gezag over een
                    duidelijk</al><al>afwegingskader, op grond waarvan de beslissing om een ontheffing te verlenen kan
                    worden</al><al>gebaseerd.</al><al>Welke voorschriften kunnen worden verbonden aan een ontheffing op grond van
                    artikel 10.63,</al><al>tweede lid Wet milieubeheer?</al><al>Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht
                    kan worden</al><al>aan het voorschrift dat:</al><al>- het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de
                    omgeving;</al><al>- de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse
                    aanwezig</al><al>dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min
                    mogelijk</al><al>rookontwikkeling plaatsvindt;</al><al>- de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang
                    en</al><al>zonsopgang;</al><al>- verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde
                    afstand tot</al><al>bouwwerken;</al><al>- van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken van de
                    dienst</al><al>... of zijn plaatsvervanger of de alarmcentrale van de regionale brandweer, ten
                    minste één</al><al>uur voor de verbranding telefonisch moet worden geïnformeerd (telefoon
                    ...).</al><al>In de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer kunnen ook voorschriften
                    worden opgenomen</al><al>over bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Veel gemeenten eisen
                    een</al><al>bodembeschermende voorziening, bijvoorbeeld een betonplaat of zandbed. De
                    grondslag van</al><al>een dergelijk voorschrift is in dit geval artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het verdient de</al><al>aanbeveling om in de ontheffing ook een verwijzing naar de zorgplicht van
                    artikel 13 Wet</al><al>bodembescherming op te nemen.</al><al>Hoe kan het beste worden omgegaan met gevallen van bestrijding van bepaalde
                    ziektes?</al><al>In enkele gevallen, bijvoorbeeld bij de bestrijding van bepaalde ziektes is het
                    noodzakelijk op</al><al>korte termijn passende maatregelen, zoals het verbranden van de zieke bomen, te
                    nemen. De</al><al>procedure van ontheffingverlening duurt in deze gevallen te lang om telkens een
                    ontheffing te</al><al>verlenen. Daarom zou voor deze gevallen de ontheffing bij voorbaat verleend
                    kunnen worden,</al><al>waarbij in de ontheffing nauwkeurig wordt aangegeven in welke gevallen en onder
                    welke</al><al>omstandigheden van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt. Een aantal
                    gemeenten eist</al><al>bijvoorbeeld een verklaring van de Plantenziektekundige Dienst te Wageningen.
                    Als voorschrift</al><al>kan worden opgenomen dat in geval van verbranding van met ziekte aangetast hout,
                    besmet en</al><al>niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk moet worden gescheiden.</al><al>Kan een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer voor
                    onbepaalde tijd</al><al>worden verleend?</al><al>Nee, volgens het ministerie van I&amp;M hangt de beantwoording van deze vraag
                    samen met het</al><al>karakter van de ontheffing. Het gaat om een ontheffing van een wettelijk verbod
                    of een</al><al>uitzondering op de regel. Het verlenen van een ontheffing voor onbepaalde tijd
                    verhoudt zich</al><al>hiermee per definitie niet. Het zou daarmee een soort vergunningstelsel worden.
                    Een ontheffing</al><al>zal derhalve altijd voor een bepaalde tijd verleend moeten worden. De precieze
                    omvang voor een</al><al>bepaalde tijd is onder andere afhankelijk van de invulling van het in artikel
                    10.63, tweede lid, Wet</al><al>milieubeheer opgenomen criterium. Na verloop van tijd kunnen er bijvoorbeeld
                    mogelijkheden</al><al>komen om de betreffende afvalstoffen op een hoogwaardiger wijze te verwerken in
                    plaats van te</al><al>verbranden. Tevens is de looptijd van de ontheffing afhankelijk van de
                    formulering van de</al><al>ontheffing zelf. Naarmate bijvoorbeeld de tijdsperiode waarin verbrand mag
                    worden exacter in de</al><al>ontheffing staat geformuleerd (bijvoorbeeld twee keer veertien dagen in de nader
                    omschreven</al><al>periode, bijvoorbeeld het snoeiseizoen met melding aan de gemeente) is het
                    volgens I&amp;M</al><al>denkbaar dat een ontheffing voor maximaal drie jaar wordt verleend. Als de
                    periode niet exact</al><al>staat omschreven, stuit een dergelijke looptijd van een ontheffing op bezwaren.
                    Er zijn dus</al><al>verschillende mogelijkheden voor de duur van een ontheffing op grond van artikel
                    10.63, tweede</al><al>lid, Wet milieubeheer. Variërend van bijvoorbeeld een ontheffing per keer tot
                    een jaarlijkse</al><al>ontheffing tot een ontheffing voor een periode van drie jaar. Gemeenten hebben
                    dus de</al><al>beleidsvrijheid om zelf de duur van een ontheffing te bepalen.</al><al>De aanvullende werking van artikel 5:34 APV</al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing</al><al>nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer. Het college
                    kan een ontheffing</al><al>verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen
                    niet verzet. Met</al><al>andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van
                    milieuhygiënische</al><al>argumenten.</al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van</al><al>belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer biedt geen
                    mogelijkheid om de</al><al>ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is.
                    Bovendien kunnen</al><al>de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter
                    bescherming van het</al><al>belang van het milieu. Artikel 5:34 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet</al><al>milieubeheer aan.</al><al>Voor artikel 5:34 APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:34, tweede
                    lid, APV biedt de</al><al>mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer - een
                    ontheffing te</al><al>verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er
                    ligt dus een</al><al>ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt
                    het college</al><al>de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die
                    het belang van</al><al>de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden
                    genoemd</al><al>in vierde lid.</al><al>Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en de
                    ontheffing op</al><al>grond van artikel 5:34, tweede lid, APV worden gecombineerd tot één te verlenen
                    ontheffing?</al><al>Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de
                    gronden waarop het</al><al>besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende wettelijke regelingen.
                    Het gaat dus om</al><al>twee verschillende afwegingskaders. Indien beide afwegingskaders in één
                    ontheffing wordt</al><al>verwerkt, is de vraag in hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt.
                    Bovendien wordt,</al><al>indien bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar
                    daarmee impliciet</al><al>eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de strafbaarstelling
                    verschillend.</al><al>Overtreding van de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer wordt</al><al>strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (Wed), terwijl
                    overtreding van artikel 5:34</al><al>strafbaar wordt gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet.</al><al>Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het
                    verschil in</al><al>toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in
                    strafbaarstelling (Wet op de</al><al>economische delicten versus Gemeentewet) pleit ervoor om een systeem van twee
                    separate</al><al>ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet weg dat gemeenten de aanvraag voor
                    beide ontheffingen</al><al>kunnen coördineren. Het blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.</al><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd,</al><al>wat betekent dit voor de ontheffing op grond van artikel 5:34 APV?</al><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd, is</al><al>er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel 5:34 APV. Dit volgt
                    uit het systeem</al><al>van de wet. Een ontheffing op grond van artikel 5:34 APV kan in dit geval
                    namelijk nooit worden</al><al>verleend wegens strijd met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing
                    op grond van</al><al>artikel 5:34 APV hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De
                    grondslag hiervoor is</al><al>artikel 4:5 Awb.</al><al>Uitzonderingen artikel 5:34 APV</al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij</al><al>zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door
                    middel van kaarsen,</al><al>fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals
                    terrashaarden en</al><al>vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van
                    de Wet</al><al>milieubeheer. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen
                    buiten inrichtingen.</al><al>Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral</al><al>binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met
                    name</al><al>terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede lid biedt dus een handvat
                    om</al><al>handhavend op te treden.</al><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt
                    namelijk het</al><al>aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen
                    is geen</al><al>sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus
                    een bepaalde</al><al>materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het
                    voorkomen van</al><al>overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot
                    gedragingen die niet of</al><al>nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden
                    van nietafvalstoffen</al><al>buiten inrichtingen).</al><al>Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de APV helder,
                    indien er</al><al>sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Daar waar de Wet
                    milieubeheer of</al><al>hierop gebaseerde regels of voorschriften in een onderwerp voorzien, is geen
                    ruimte voor de</al><al>APV.</al><tussenkop>AFDELING 5:22 VERSTROOIING VAN AS</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting Afdeling 9:</tussenkop><al>Verstrooiingen die plaatsvinden door of op last van de houder van een
                    crematorium of</al><al>bewaarplaats van asbussen kunnen alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe
                    permanent is</al><al>bestemd (uiteraard blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee
                    verstrooid wordt).</al><al>In de Wet op de lijkbezorging is de mogelijkheid geopend voorde nabestaande om
                    de as zelf te</al><al>verstrooien.</al><al>In artikel 5:36 is aangegeven waar dit op het grondgebied van de gemeente
                    verboden is.</al><al>Uiteraard geldt steeds, ook in het geval het college een ontheffing ter zake
                    verleent, dat ook</al><al>andere relevante wet- en regelgeving in acht moet worden genomen. Zo moeten
                    de</al><al>verantwoordelijke overheden als waterkwaliteitsbeheerder, zoals Rijkswaterstaat,
                    de</al><al>Hoogheemraadschappen en de Waterschappen, instemmen met de incidentele
                    verstrooiing</al><al>boven water alvorens hiertoe wordt overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 5:36 Verboden plaatsen voor incidentele
                    asverstrooiing</tussenkop><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker</al><al>voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en
                    door de</al><al>wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten,
                    pleinen en dergelijke.</al><al>Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de
                    verhardedelen van de</al><al>weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op
                    kan leveren voor</al><al>derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat</al><al>nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as
                    te verstrooien.</al><al>Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor
                    nabestaanden.</al><al>Op de begraafplaats Schollevaar is alleen de mogelijkheden voor asverstrooiing
                    op een</al><al>zogenaamd strooiveld. Buiten de door de begraafplaats aangewezen terreinen is
                    asverstrooiing</al><al>niet toegestaan.</al><al>Ook is het niet wenselijk wanneer asverstrooiing plaatsvindt op
                    kinderspeelplaatsen, ligweiden en</al><al>openbare sport- en spelterreinen.</al><al>Enerzijds om te voorkomen dat op deze vaak druk bezette terreinen mensen met
                    een</al><al>asverstrooiing geconfronteerd worden en anderzijds om te voorkomen dat, met
                    name, kinderen</al><al>bij het spelen in aanraking komen met asrestanten.</al><al>Het verbod om as te verstrooien op of vanaf bruggen, sluiscomplexen,steigers
                    en</al><al>remmingswerken hangt samen met het gebruik van dit havenmeubilair voor de
                    scheepvaart</al><al>alsmede met het gevaar dat het verstrooien vanaf dergelijke plaatsen zou kunnen
                    opleveren.</al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen</al><al>bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is
                    een mogelijkheid</al><al>opgenomen voor het college om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband
                    met die bijzondere</al><al>omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te
                    verstrooien.</al><tussenkop>Artikel 5:37 Hinder of overlast</tussenkop><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders</al><al>die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen
                    hinder</al><al>ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt
                    achtergelaten.</al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een</al><al>stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke
                    situatie op.</al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder</al><al>opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden
                    gehouden. Dit</al><al>kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze
                    eerder in de bodem</al><al>wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een
                    gebouw of vanaf een</al><al>balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het
                    publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    van 26 maart 1998 af te</al><al>leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder
                    oplevert. Door de</al><al>wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust
                    aanvaard dat het publiek</al><al>geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 STRAFBEPALING</tussenkop><al>Algemene toelichting</al><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften en de
                    vraag van</al><al>gemeenten naar meer informatie op dit punt (zoals bleek uit de enquête van SGBO
                    in 2001), is</al><al>hier een algemene introductie opgenomen over bestuurlijk toezicht,
                    bestuursrechtelijke en</al><al>strafrechtelijke handhaving.</al><al>Handhaving algemeen</al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te</al><al>bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving zijn in het kort
                    de volgende.</al><al>Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in steeds grotere mate
                    het door haar</al><al>beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de achteruitgang van de kwaliteit van
                    de</al><al>samenleving worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de gelijke behandeling van
                    burgers</al><al>dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een goed handhavingsbeleid te voeren.
                    De relatie</al><al>van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept.
                    De</al><al>geloofwaardigheid, betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het
                    ambtelijk en</al><al>maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5
                    van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het bestuursorgaan
                    toekomende</al><al>dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing van de dwangmiddelen in acht
                    genomen</al><al>moeten worden. Hierna worden deze dwangmiddelen en regels toegelicht. Ook is er
                    een korte</al><al>introductie tot de strafrechtelijke handhaving opgenomen.</al><al>Strafrechtelijke handhaving</al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel</al><al>1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing is op de opsporing en
                    vervolging van</al><al>strafbare feiten noch op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.
                    Het handelen van</al><al>strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en</al><al>door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële normen zijn
                    verwoord en waarin</al><al>soms ook van de algemene strafvordering afwijkende strafprocessuele bevoegdheden
                    zijn</al><al>opgenomen, en het Wetboek van Strafvordering, dat algemene regels van
                    strafprocesrecht</al><al>bevat, bevoegdheden in het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden
                    bepaalt.</al><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de</al><al>daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die
                    deze</al><al>behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede op grond van de last
                    die in de</al><al>artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aan de aldaar genoemde
                    ambtenaren</al><al>wordt gegeven om strafbare feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren
                    onderzoek doen.</al><al>Een opsomming van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene
                    opsporingsmethoden</al><al>zijn niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel
                    bijzondere</al><al>opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudodienstverlening,</al><al>het stelselmatig inwinnen van informatie, het onderzoek doen in een
                    besloten</al><al>plaats zonder toestemming van de rechthebbende, het opnemen van
                    vertrouwelijke</al><al>communicatie, het onderzoek van telecommunicatie en het stelselmatig volgen of
                    waarnemen.</al><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten,</al><al>ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in bijzondere
                    wetten worden</al><al>toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet bijvoorbeeld kan een
                    ambtenaar de</al><al>bestuurder van een voertuig vorderen zijn voertuig te doen stilhouden, terwijl
                    het vijfde lid van het</al><al>artikel bepaalt dat de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar
                    verplicht is</al><al>medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze</al><al>bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage uit,
                    dan is er een</al><al>verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in</al><al>het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na bezwaar of
                    administratief beroep,</al><al>beroep instelt bij de rechter. De rechter speelt in het strafrecht een centrale
                    rol. Sancties in het</al><al>strafrecht worden opgelegd door de rechter.</al><al>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe</al><al>tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.</al><al>In artikel 5:21 van de Awb is de last onder bestuursdwang als volgt
                    gedefinieerd: de</al><al>herstelsanctie, inhoudende:</al><al>a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en</al><al>b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen
                    ten uitvoer</al><al>te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.</al><al>Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten,
                    in de vorige</al><al>toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere nadelige gevolgen
                    van een</al><al>overtreding te voorkomen.</al><al>Het opleggen van een last onder bestuursdwang is dus zuiver gericht op het
                    feitelijk in</al><al>overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften van een
                    onwettige situatie.</al><al>Dit heeft dus een herstellende werking en heet daarom “reparatoire sanctie” of
                    in termen van de</al><al>Awb: een herstelsanctie (art 5:2, eerste lid onder b).</al><al>Onder overtreding van een voorschrift wordt verstaan: een gedraging die in
                    strijd is met het</al><al>bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (art 5:1, eerste lid Awb).
                    Daaronder valt dus</al><al>ook het niet nakomen van voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden,
                    zoals</al><al>bijvoorbeeld geluidsvoorschriften bij een milieuvergunning.</al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om een last</al><al>onder bestuursdwang op te leggen, ook bevoegd is om een dwangsom op te leggen.
                    Het</al><al>opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het opleggen van
                    een last om</al><al>te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen. Bijna vanzelfsprekend hoort
                    hier de vraag</al><al>bij welk instrument het geschiktst is om aan de geconstateerde overtreding een
                    einde te maken.</al><al>Deze vraag zal steeds beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de
                    omstandigheden</al><al>en de belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is
                    in artikel 5:6 van de</al><al>Awb bepaald dat het bestuursorgaan geen herstelsanctie oplegt zolang een andere
                    wegens</al><al>dezelfde overtreding opgelegde herstelsanctie van kracht is.</al><al>Met andere woorden: een combinatie van bestuursdwang met last dwangsom is niet
                    mogelijk.</al><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat</al><al>plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan. Met behulp
                    van de</al><al>toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan zal de ambtenaar een
                    rapport van</al><al>bevindingen moeten opmaken. Het is belangrijk dat een dergelijk rapport van
                    foto’s of ander</al><al>bewijsmateriaal wordt voorzien. Bij de voorbereiding van een besluit moet immers
                    worden</al><al>voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                    handhaven. De met de</al><al>wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een bestuursorgaan op de hoogte van
                    de overtreding,</al><al>maar wordt er geen actie nomen, dan is er sprake van passief gedogen. Het
                    toepassen van</al><al>bestuursdwang is een bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft
                    dus de</al><al>mogelijkheid om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te
                    wegen</al><al>tegen andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke
                    sanctie in te</al><al>zetten of over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter betrekkelijk.
                    Uit jurisprudentie blijkt</al><al>dat er een beginselplicht tot handhaving bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart
                    2001,</al><al>BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet. Enkel in geval van bijzondere
                    omstandigheden kan</al><al>van handhavend optreden worden afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er
                    namelijk een</al><al>veelheid aan regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op
                    handhaving</al><al>van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te
                    geven. De</al><al>handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van regels. Een
                    duidelijk</al><al>handhavingsbeleid is hierbij eveneens onontbeerlijk. Zeker als er een
                    handhavingsachterstand</al><al>moet worden ingelopen, is het van groot belang om in het handhavingsbeleid vast
                    te leggen hoe</al><al>de prioriteiten zijn bepaald.</al><al>Bestuursrechtelijk instrumentarium gemeenten</al><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving een aantal
                    bestuursrechtelijke</al><al>instrumenten ter beschikking. Voor de bestuursrechtelijke instrumenten waarover
                    gemeenten</al><al>beschikken geldt een scheiding in sancties die erop zijn gericht de ontstane
                    situatie in de</al><al>gewenste situatie te herstellen (herstelsancties) en sancties die primair zijn
                    bedoeld om</al><al>bestraffend op te treden (punitieve sancties).</al><al>Bij de herstelsancties gaat het om de last onder bestuursdwang [is voor
                    gemeenten geregeld in</al><al>artikel 125 Gemeentewet juncto artikel 5.21 Awb] en de last onder dwangsom
                    [artikel 5:31d Awb].</al><al>Deze sancties kunnen alleen worden ingezet in situaties waarin herstel
                    daadwerkelijk mogelijk is,</al><al>zoals het terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat. Het
                    intrekken van een</al><al>begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie) is een voorbeeld van een
                    herstelsanctie</al><al>die vaak gevoeld wordt als een punitieve sanctie. De meeste normen uit de APV
                    die</al><al>verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens van burgers moeten tegengaan lenen
                    zich niet</al><al>voor handhaving via dwangsom of bestuursdwang. Of het herstel is feitelijk niet
                    mogelijk (denk</al><al>aan geluidsoverlast), óf het herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren
                    problemen op (denk</al><al>aan een last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig plaatsen van
                    vuilniszakken op straat,</al><al>die wekelijks gecontroleerd zou moeten worden).</al><al>Op 14 januari 2009 zijn de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte
                    (BBOOR) en</al><al>het bijbehorende Besluit (AMvB) in werking getreden. De BBOOR is neergelegd in
                    de artikelen</al><al>154b en verder van de Gemeentewet. De wet geeft gemeenten een zelfstandige
                    bevoegdheid om</al><al>op te treden tegen veel voorkomende en overlastveroorzakende, lichte
                    overtredingen van de APV</al><al>en de Afvalstoffenverordening (Asv). Het is een punitieve sanctie.</al><al>Het betreft een zelfstandige bevoegdheid waarbij de raad bij verordening kan
                    bepalen dat een</al><al>bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van voorschriften uit de
                    APV die</al><al>strafbaar zijn gesteld en die niet bij AMvB zijn uitgezonderd. Ook overtreding
                    van voorschriften uit</al><al>de Afvalstoffenverordening die strafbaar zijn gesteld en die zijn genoemd in de
                    AMVB kunnen</al><al>bestuurlijk worden beboet. Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd
                    dan kan zij te</al><al>allen tijde besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van
                    de raad tot</al><al>intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke boete treedt echter
                    niet eerder in</al><al>werking dan na twaalf maanden na de bekendmaking van het
                    intrekkingsbesluit.</al><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend of
                    door het</al><al>college, of door de burgemeester, namelijk indien de toepassing van dit middel
                    dient tot</al><al>handhaving van regels die de burgemeester uitvoert.</al><al>Tegen de boeteoplegging kan conform de rechtsgang van de Awb bezwaar worden
                    gemaakt en</al><al>beroep worden ingesteld. De boete dient door een bestuurlijk toezichthouder in
                    dienst van de</al><al>gemeente te worden opgelegd, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is.
                    Mandateren</al><al>van deze bevoegdheid aan particuliere toezichthouders is niet toegestaan. Veel
                    overtredingen in</al><al>het publieke domein worden gepleegd door daders van wie de identiteit niet
                    bekend is. Om een</al><al>voorziening te treffen voor deze zogenaamde “anonieme daderproblematiek” wordt
                    gekozen voor</al><al>aansluiting bij het wetsvoorstel Wet op de uitgebreide identificatieplicht:
                    toezichthouders in het</al><al>publiek domein krijgen de bevoegdheid de identificatie van de betrokkene te
                    vorderen. De eis dat</al><al>de toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert het
                    geheel</al><al>aan bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet voldaan
                    worden aan het</al><al>verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in het identiteitsbewijs,
                    dan kan de</al><al>toezichthouder optreden als buitengewoon opsporingsambtenaar en hiervan een
                    proces-verbaal</al><al>opmaken.</al><al>De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten zijn
                    zelf</al><al>verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde boeten (daarbij
                    kunnen ze</al><al>eventueel externen, zoals het Centraal Justitieel Incassobureau,
                    inschakelen).</al><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete krijgt
                    het</al><al>gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine ergernissen het primaat
                    bij de</al><al>handhaving in de publieke ruimte en neemt de rol van de politie hierbij af.
                    Daarbij zal de lijn zijn</al><al>dat waar gekozen is voor bestuurlijke beboeting, de politie niet meer
                    stelselmatig aandacht</al><al>besteedt aan kleine ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid van
                    de bestuurlijke</al><al>toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig,
                    strafrechtelijk op te</al><al>treden tegen de overtreding van de APV-normen.</al><al>Strafrechtelijk instrumentarium gemeenten</al><al>Op 7 juli 2006 is de wet OM-afdoening van kracht geworden. Hiertoe zijn de
                    Wetboeken van</al><al>Strafvordering en Strafrecht gewijzigd. Vanaf 2009 hebben gemeenten gefaseerd de
                    mogelijkheid</al><al>gekregen OM strafbeschikkingen uit te vaardigen.</al><al>Het gaat hierbij om zogeheten bestuurlijke strafbeschikkingen waarmee aan
                    personen die</al><al>overtredingen begaan een geldboete kan worden opgelegd. De te bestraffen
                    overtredingen staan</al><al>vermeld in de OM- beleidsregels voor de (bestuurlijke)strafbeschikking overlast
                    en zien op lichte</al><al>(aan de APV en afvalstoffenverordening gerelateerde) overlastfeiten Zij komen in
                    feite overeen</al><al>met de te beboete feiten op grond van de wet bestuurlijke boete overlast.</al><al>Het ministerie van Justitie kent in overleg met het Openbaar Ministerie
                    deze</al><al>strafbeschikkingsbevoegdheid toe. Artikel 257b van het WvSv is op dit moment de
                    grondslag</al><al>voor de gemeentelijke bevoegdheid om (middels een boa) een bestuurlijke
                    strafbeschikking uit te</al><al>vaardigen. Van de bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt onder toezicht van en
                    volgens</al><al>richtlijnen vastgesteld door het College van procureurs-generaal (OM).</al><al>Indien is gekozen voor het instrument van de bestuurlijke strafbeschikking biedt
                    artikel 576a Sv</al><al>een grondslag om geldbedragen die uit de tenuitvoerlegging van bestuurlijke
                    strafbeschikkingen</al><al>zijn verkregen deels ten goede te laten komen aan het handhavende
                    bestuursorgaan. De</al><al>opbrengst van de strafbeschikking gaat naar het Rijk, maar gemeenten ontvangen
                    een</al><al>vergoeding per uitgeschreven proces-verbaal voor overlast. Op dit moment
                    bedraagt deze</al><al>vergoeding 40 euro.</al><al>Omdat op de strafbeschikking het strafrecht van toepassing is kan een
                    belanghebbende</al><al>hiertegen geen bezwaar en beroepsprocedure bij de bestuursrechter voeren. Men
                    zal in verzet</al><al>kunnen gaan bij het OM en uiteindelijk in bij hoger of cassatie kunnen
                    gaan.</al><tussenkop>Artikel 6:1 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn</al><al>verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van
                    ten hoogste drie</al><al>maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking
                    van de</al><al>rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn
                    de maxima van de</al><al>zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste
                    categorie</al><al>bedraagt € 380 en van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk
                    de strafrechter</al><al>die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de</al><al>gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van
                    artikel 24 WvSr</al><al>rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen geldende
                    minimum van</al><al>de geldboete bedraagt € 3 (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al>In het onderhavige artikel 6:1 is van de door de wetgever gegeven
                    keuzemogelijkheid gebruik</al><al>gemaakt.</al><al>Er is, conform de Apv van Rotterdam, gekozen voor onderbrenging van alle
                    strafbepalingen in</al><al>deze verordening in de tweede categorie (maximum € 3.800-). Ieder soort delict
                    kan namelijk</al><al>onder zodanige omstandigheden worden gepleegd, dat een geldboete van meer dan €
                    380,- in</al><al>de rede ligt. Niet zelden gebeurde het, dat de rechter er behoefte aan had om
                    voor bijvoorbeeld</al><al>bepaalde baldadigheidsdelicten een geldboete van de tweede categorie op te
                    leggen terwijl dat</al><al>niet mogelijk was. In plaats van een geldboete van maximaal de tweede categorie
                    is het op basis</al><al>van artikel 6:1, eerste lid, eveneens mogelijk om voor genoemde overtredingen
                    een hechtenis te</al><al>eisen van ten hoogste drie maanden. Hierdoor wordt aan het Openbaar Ministerie
                    de keuze</al><al>gelaten om in plaats van een geldboete voor hechtenis te kiezen.</al><al>De strafbedreiging op overtreding van gemeentelijke medebewindsvoorschriften is
                    meestal te</al><al>vinden in de bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot
                    het vaststellen</al><al>van deze voorschriften. De opsomming in het eerste lid van artikel 6:1 bevat dan
                    ook geen in</al><al>deze verordening opgenomen medebewindvoorschriften, op overtreding waarvan straf
                    is</al><al>bedreigd in de bijzondere wet. Deze voorschriften zijn de voorschriften met
                    betrekking tot heling</al><al>met uitzondering van artikel 2:32 (overtreding van deze voorschriften is
                    strafbaar gesteld in de</al><al>artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht (tweede, respectievelijk
                    derde</al><al>geldboetecategorie)).</al><al>Door ook overtreding van het krachtens de verordening bepaalde met straf te
                    bedreigen, wordt</al><al>ook het niet naleven van door het college krachtens delegatie door de raad
                    gestelde nadere</al><al>regels bestempeld tot strafbaar feit.</al><al>De strafbaarstelling van overtreding van de door het college gestelde nadere
                    regels moet immers</al><al>steunen op de raadsverordening. Ook het niet nakomen van de aan een vergunning
                    of ontheffing</al><al>verbonden voorschriften wordt door het gebruik van de term "krachtens" een
                    strafbaar feit.</al><al>Wabo</al><al>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11), het
                    maken of</al><al>veranderen van een uitweg (artikel 2:12) bij inwerkingtreding van de Wabo onder
                    de Wabo. Zie</al><al>respectievelijk artikel 2.2, eerste lid onder d, onder een onder g, van de Wabo.
                    Artikel 2.3 van de</al><al>Wabo verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van een
                    omgevingsvergunning.</al><al>Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                    de Wet</al><al>economische delicten van toepassing op handelen zonder of in strijd met de
                    hierboven</al><al>genoemde vergunningen. De strafbepalingen van de APV zijn dus niet op de
                    naleving van deze</al><al>vergunningen van toepassing.</al><al>Strafbaarheid rechtspersonen</al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van</al><al>gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de
                    rechter een</al><al>geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naasthogere categorie
                    “indien de voor het</al><al>feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23,
                    zevende en achtste</al><al>lid WvSr). Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon
                    de rechter de</al><al>mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen € 7 600).</al><al>Hechtenis?Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling
                    hechtenis</al><al>wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen</al><al>“ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste lid van dit artikel de
                    mogelijkheid van</al><al>hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat in
                    bepaalde</al><al>(uitzondering)gevallen (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de rechter
                    behoefte heeft aan de</al><al>mogelijkheid tot oplegging van een vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de
                    eerste</al><al>geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld,
                    omdat het hier</al><al>lichte overtredingen betreft.</al><tussenkop>Artikel 6:2 Toezicht en opsporing</tussenkop><al>Men kan een onderscheid maken tussen opsporingsbevoegdheden enerzijds en
                    controlerende of</al><al>toezichthoudende bevoegdheden anderzijds. Van opsporing kan eerst worden
                    gesproken indien</al><al>uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van een strafbaar feit
                    voortvloeit.</al><al>Onderzoek zonder dat een redelijk vermoeden van een strafbaar feit aanwezig is,
                    draagt het</al><al>karakter van toezicht (controle). Toezichthoudende bevoegdheden kunnen worden
                    toegepast ten</al><al>aanzien van al degenen tot wie de betrokken voorschriften zijn gericht.
                    Uiteraard kan de</al><al>uitoefening van toezicht wel feiten of omstandigheden aan het licht brengen die
                    leiden</al><al>tot een redelijk vermoeden van een strafbaar feit en dus tot het intreden van de
                    opsporingsfase.</al><al>(Buitengewone) opsporingsambtenaren, tevens toezichthouders</al><al>De met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren worden genoemd in de
                    artikelen</al><al>141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering.</al><al>De in artikel 141 genoemde ambtenaren (onder andere de ambtenaren van de
                    regionale</al><al>politiekorpsen) hebben een algemene opsporingsbevoegdheid. Artikel 142, eerste
                    lid, aanhef en</al><al>onder c, bepaalt dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon</al><al>opsporingsambtenaar zijn belast de personen aan wie bij verordeningen de
                    handhaving of de</al><al>zorg voor de naleving daarvan is toevertrouwd, een en ander voor zover het die
                    feiten betreft en</al><al>de personen zijn beëdigd. De aangewezen personen hebben dus ingevolge het
                    bepaalde in</al><al>artikel 142,eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafrecht tevens
                    opsporingsbevoegdheid</al><al>voor die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn.</al><al>Om buitengewone opsporingsambtenaar te kunnen worden dient men éérst in een
                    verordening te</al><al>zijn aangewezen als 'toezichthoudend persoon'.</al><al>Aangezien het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in de mogelijkheid van
                    'delegatie' van de</al><al>aanwijzing van toezichthoudende ambtenaren als buitengewone opsporingsambtenaren
                    aan het</al><al>college, zal de raad deze ambtenaren in de verordening zelf moeten aanwijzen.
                    Artikel 6:2,</al><al>eerste lid, voorziet hierin. Naar het voorkomt behoeven de betreffende personen
                    niet 'in persoon'</al><al>te worden aangewezen (dan zou de APV wel erg vaak gewijzigd moeten worden), maar
                    kan</al><al>worden volstaan met een 'functionele' of 'categorale' aanwijzing.</al><al>Het vierde lid van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan, dat
                    bij algemene</al><al>maatregel van bestuur voor buitengewone opsporingsambtenaren regels kunnen
                    worden</al><al>gegeven inzake onder meer de beëdiging, het toezicht waaraan deze
                    opsporingsambtenaren zijn</al><al>onderworpen, de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid ("Besluit
                    buitengewoon</al><al>opsporingsambtenaar"). De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaar</al><al>beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn.</al><al>Pure toezichthoudende personen.</al><al>Het eerste lid, onder a , voorziet in de aanwijzing van 'toezichthoudende
                    personen' door het</al><al>college.</al><al>De achtergrond van deze in 1998 in de APV opgenomen bepaling is de regeling
                    terzake van</al><al>'handhaving' in de Algemene wetbestuursrecht (derde tranche). In artikel 5.11
                    van de Algemene</al><al>wet bestuursrecht wordt met zoveel woorden aangegeven dat onder 'toezichthouder'
                    wordt</al><al>verstaan een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift
                    is belast met</al><al>het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig
                    wettelijk</al><al>voorschrift.</al><al>De grondslag voor de aanwijzing van toezichthouders op autonome gemeentelijke
                    regels wordt</al><al>ontleend aan een op basis van de artikelen 147en 149 van de Gemeentewet
                    vastgestelde</al><al>verordening (i.c. de APV). Een persoon die aangewezen is als toezichthouder
                    beschikt in</al><al>beginsel over alle in afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht
                    opgenomen</al><al>bevoegdheden. Ook aan opsporingsambtenaren (in dit verband met name de
                    reguliere</al><al>politie) mag uiteraard de (beperkte) controlebevoegdheid tot inzage van</al><al>vergunningen/ontheffingen worden verleend. Dat is op verschillende plekken in
                    deze verordening</al><al>ook gebeurd.</al><al>In het tweede lid is vastgelegd dat bij overtreding van de voorschriften uit de
                    APV de in het eerste</al><al>lid, onder b genoemde ambtenaren bevoegd zijn de bevelen te geven die
                    noodzakelijk worden</al><al>geacht. Dit conform de jurisprudentie welke heeft bepaald dat een bevel ter
                    handhaving van de</al><al>openbare orde op grond van artikel 2 Politiewet in de gemeentelijke regelgeving
                    moet zijn</al><al>verankerd. Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden. De sanctionering van
                    het niet</al><al>opvolgen van een krachtens een APV-bepaling gegeven politiebevel vindt plaats op
                    grond</al><al>van de artikelen 184 of 186 WvSr. Dit conform het standpunt van het college van
                    Procureurs</al><al>Generaal (mei 2012). Zij stelt dat vervolging op grond van artikel 184 WvSr
                    mogelijk is indien de</al><al>bevoegdheid is verankerd in de APV. Dit laatste is het geval. Het betreft hier
                    bevelen zoals</al><al>bijvoorbeeld een verwijderingsbevel ingeval van overlast of hinder op
                    straat.</al><tussenkop>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</tussenkop><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de</al><al>opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen kunnen betreden. In
                    artikel 5:15 van</al><al>de Awb is deze bevoegdheid aan toezichthouders reeds toegekend voor alle
                    plaatsen met</al><al>uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet
                    extra</al><al>bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde
                    “huisrecht” regelt.</al><al>Het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met
                    veel</al><al>waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn</al><al>deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het wat
                    beperktere,</al><al>vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi), a.</al><al>vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel 6.1a is reeds ingegaan op de
                    bevoegdheid om alle</al><al>plaatsen te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                    bewoners.</al><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent
                    drie</al><al>elementen:</al><al>1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                    verleend;</al><al>2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de
                    wet te</al><al>worden aangewezen;</al><al>3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen</al><al>die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In vele wetten
                    zijn dan ook</al><al>binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel 100 van de Woningwet.
                    Deze</al><al>bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of personen die belast zijn
                    met een</al><al>opsporings- of toezichthoudende taak in het kader van de wetshandhaving. Voorts
                    bestaan</al><al>bevoegdheden tot binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke taken en
                    bevelen, de</al><al>uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter
                    bescherming van de</al><al>volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving.</al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening</al><al>personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner.</al><al>Het moet dan gaan om personen die belast zijn met het toezicht op de naleving of
                    de opsporing</al><al>van de overtreding van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot
                    handhaving van de</al><al>openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. In</al><al>artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al>Voor enkele bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder
                    toestemming</al><al>van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Het
                    betreft artikel</al><al>2:67 en 2:68, de op artikel 437 en 437ter van het WvSr gebaseerde
                    gemeentelijke</al><al>helingvoorschriften. Artikel 552 van het WvSv bepaalt dat de in artikel 141
                    bedoelde</al><al>opsporingsambtenaren (dus niet de buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot
                    elke</al><al>plaats hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de
                    daar</al><al>genoemde ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht als
                    opsporing.</al><al>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</al><al>a. Vormvoorschriften</al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning
                    wil betreden in</al><al>acht moet nemen. Hij dient:</al><al>- zich te legitimeren (artikel 1 Awbi);</al><al>- mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1 Awbi);</al><al>- te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi);</al><al>- verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi).</al><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus
                    ook indien dit</al><al>gebeurt met toestemming van de bewoner.</al><al>De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming
                    van de bewoner</al><al>wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te beschikken over een
                    machtiging. In</al><al>deze machtiging is aangegeven in welke woning binnengetreden kan worden. De Awbi
                    gaat</al><al>daarbij in beginsel uit van een machtiging voor een woning. Zo nodig kunnen in
                    de machtiging</al><al>echter maximaal drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen. De
                    minister</al><al>van Justitie heeft een model voor de machtiging vastgesteld (opgenomen in de
                    circulaire van het</al><al>Ministerie van Justitie, 15 augustus 1994, 452425/294).</al><al>In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden
                    kunnen afgeven:</al><al>de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van justitie en de
                    hulpofficier van justitie</al><al>hebben een algemene bevoegdheid hiertoe gekregen. Hiernaast kan ook de
                    burgemeester</al><al>bevoegd zijn machtigingen te verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden
                    in de woning in</al><al>een ander doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld
                    bij</al><al>woningontruimingen).</al><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner bij de</al><al>uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De bevoegdheid tot
                    het</al><al>afgeven van de machtiging is daar met uitsluiting van de in de Awbi genoemde
                    functionarissen bij</al><al>hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang toepast. Dit betekent dat
                    een college dat</al><al>bestuursdwang wil uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet
                    afgeven.</al><al>Van het binnentreden dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10
                    Awbi). Een</al><al>voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van het ministerie van Justitie
                    van 15 augustus</al><al>1994, 452425/294.</al><al>b. Bevoegdheden</al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden toegekend.
                    Degene</al><al>die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden,
                    kan zich</al><al>daarbij door anderen doen vergezellen (artikel 8, tweede lid, Awbi). Dit is
                    slechts toegestaan voor</al><al>dit voor het doel waartoe wordt binnengetreden vereist is en de machtiging dit
                    uitdrukkelijk</al><al>bepaalt. Deze personen hoeven zelf niet te beschikken over een machtiging. Het
                    aantal en de</al><al>hoedanigheid van de vergezellende personen moeten in het verslag worden vermeld;
                    de namen</al><al>van deze personen hoeven niet vermeld te worden.</al><al>Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het
                    belang van de</al><al>veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige werkzaamheden door
                    mensen met</al><al>een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden uitgevoerd.</al><al>Artikel 9 van de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang
                    kan verschaffen</al><al>indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit geldt ook indien
                    de bewoner wel</al><al>thuis is, maar zijn medewerking niet wil verlenen. Hierbij kan degene die wil
                    binnentreden zo</al><al>nodig de hulp van de sterke arm inroepen.</al><al>c. Het begrip “woning”</al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip</al><al>woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een
                    beperkt aantal in</al><al>een gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd zijn.
                    Door het</al><al>huisrecht wordt dus niet de eigendom of de huur van een woning beschermd.</al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                    kenmerken zoals de</al><al>bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de daaraan
                    werkelijk</al><al>gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim begrip, ook een woonboot,
                    stacaravan, tent</al><al>en keet. kunnen hieronder worden verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het
                    begrip woning</al><al>vallen. Een bepaalde ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende
                    kamers in een</al><al>woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                    een woning</al><al>gelegen kamer van een kamerbewoner.</al><al>d. Spoedeisende situaties</al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke
                    omstandigheden</al><al>zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te treden. Dit is
                    bijvoorbeeld het</al><al>geval in situaties waarbij ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van
                    personen of</al><al>goederen dreigt, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in
                    een woning of de</al><al>aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik
                    zou kunnen</al><al>maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die terstond moet
                    optreden, is</al><al>dan voor het binnentreden niet op toestemming van de bewoner aangewezen en is
                    bevoegd om</al><al>zonder toestemming binnen te treden. Men kan ook denken aan gevallen waarin de
                    belangen</al><al>van de bewoner ernstig worden aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan
                    ontdekking op</al><al>heterdaad van een inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de
                    bewoner,</al><al>bijvoorbeeld als gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot
                    binnentreden kan vragen,</al><al>is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te
                    treden.</al><al>Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond op te
                    treden en is</al><al>binnentreden zonder toestemming en zonder machtiging gerechtvaardigd.</al><al>Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook
                    bij</al><al>spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het spoedeisende
                    karakter van</al><al>de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op het hebben van een
                    machtiging. Dat betekent</al><al>dat deze bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend door personen die bij of
                    krachtens de wet</al><al>bevoegd zijn verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van
                    het</al><al>binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><al>e. Mandaat is niet geoorloofd</al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden
                    gemandateerd.</al><al>De machtiging voor het binnentreden in een woning zonder toestemming vormt de
                    basis voor het</al><al>plegen van een inbreuk op de grondwettelijke vrijheden van de bewoner. Op grond
                    van artikel</al><al>10:3, eerste lid, van de Awb is mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders</al><al>is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Gezien de
                    zwaarte van deze</al><al>inbreuk is hier sprake van een bevoegdheid waarvan de aard zich tegen
                    mandaatverlening verzet</al><al>(zie de parlementaire behandeling van de Awbi).</al><al>f. De strafrechtelijke sanctie</al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij
                    de</al><al>vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient zich
                    op vordering van</al><al>de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen van deze vordering
                    levert het</al><al>ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 7:1 Intrekking Algemene plaatselijke verordening 2009</tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den
                    IJssel 2013</al><al>wordt de Algemene Plaatselijke Verordening Capelle aan den IJssel 2009
                    ingetrokken.</al><tussenkop>Artikel 7:2 Overgangsrecht</tussenkop><al>Nu een nieuwe APV wordt vastgesteld is het noodzakelijk overgangsrecht op te
                    nemen, om te</al><al>voorkomen dat bevoegde organen die in het verleden nadere regels, beleidsregels,
                    vrijstellingen,</al><al>aanwijzingsbesluiten e.d., op basis van de oude APV hebben vastgesteld, nieuwe
                    regels moeten</al><al>vaststellen. Op grond van dit overgangsrecht blijven genomen besluiten
                    geldig.</al><tussenkop>Artikel 7:3 Overgangsbepaling vergunningen en ontheffingen</tussenkop><al>Het overgangsrecht in dit artikel regelt dat aanvragen om een vergunning of
                    ontheffing, alsmede</al><al>bezwaarschriften die voor de inwerkingtreding van de verordening zijn ingediend,
                    maar waarop</al><al>niet is beslist, nog worden afgehandeld op basis van het oude recht.</al><tussenkop>Artikel 7:4 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Apv Capelle aan den IJssel 2013.</al><tussenkop>Artikel 7:5 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>