<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR30443_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer 16 december 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147, eerste lid Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 12, eerste lid, onderdeel e en 35, eerste lid Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Niet van toepassing</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvergadering</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit nr.15</al><al>Betreft: Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente
                        Tynaarlo</al><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        17 november jl.; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel e en 35, eerste lid, van de Wet Investeren in Jongeren, </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken en het verlagen van
                        uitkeringen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij verordening
                        te regelen; </al><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al/><al><vet>De “Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente
                        Tynaarlo” vast </vet><vet>te stellen </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al>Gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel d, van de wet; </al></li><li nr="c."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Tynaarlo; </al></li><li nr="d."><al>Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="e."><al>Woonkosten: </al><lijst><li nr="1."><al>Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag Alleenstaande of Alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent van de
                            gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun hoofdverblijf
                            in dezelfde woning hebben. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt 20 procent van de
                            gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de jongere
                            geen woonkosten verbonden zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet is als volgt
                                vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 10 procent van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 5 procent van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning een
                                of meer anderen het hoofdverblijf hebben;.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 5 procent van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 2 en een half procent
                                voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning een of meer
                                anderen het hoofdverblijf hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2009. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Toeslagenverordening Wet
                                    Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo”. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vries, 8 december 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>F.A. van Zuilen, voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>Op grond van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) heeft de gemeenteraad de
                    opdracht een verordening vast te stellen met betrekking tot het verhogen en
                    verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening gelden (artikel 12,
                    eerste lid sub e, WIJ). </al><al>Hoofdstuk 4 van de WIJ kent voor de vaststelling van de inkomensvoorziening een
                    systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. De hoogte van de norm is
                    geregeld in de artikelen 26 tot en met 29 WIJ. De artikelen 30 tot en met 34
                    voorzien in de toeslagen en verlagingen. </al><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor
                    een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Bij het
                    afbakenen van de categorieën is aansluiting gezocht bij de Toeslagenverordening
                    Wet werk en bijstand en daarmee gekozen voor eenvoudig te hanteren criteria. In
                    deze verordening is daarom bewust gekozen de schoolverlaterskorting van artikel
                    33 WIJ niet op te nemen. Voorts is gekozen voor een forfaitaire benadering.
                    Alleen situaties waarin iemand geacht wordt lager bestaanskosten te hebben zijn
                    omschreven. Dit voorkomt rekenwerk met werkelijke kosten per individueel geval. </al><tussenkop>Individualisering</tussenkop><al>Het is niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><al>De werking van de verordening beperkt zich tot uitkeringsgerechtigden van 21 tot
                    27 jaar, hoewel de WIJ de mogelijkheid biedt verlagingen toe te passen op
                    inkomensgerechtigden van 18, 19 of 20 jaar. </al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Evenals in de model-toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’
                    omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en
                    verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is met een
                    verwijzing naar artikel 28, tweede lid, sub d, WIJ. De daar genoemde
                    gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub c, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet op
                    de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is
                    bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de
                    huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige
                    woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd,
                    alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al> Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Deze omschrijving
                    wordt in veel verordeningen nog gebruikt. Het is aan het college overgelaten om
                    de onderhoudskosten vast te stellen. Het is ook denkbaar dat geen gebruik wordt
                    gemaakt van het begrip ‘woonkosten’, maar van de begrippen ‘huur’ en
                    ‘hypotheek’. Het verdient aanbeveling deze dan nader te omschrijven. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                    gelijkgesteld. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                    (zie ook artikel 2). </al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De werking van de verordening is beperkt tot uitkeringsgerechtigden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot 27 jaar. De artikelen 31 en 32 WIJ maken ook
                    categoriale verlagingen mogelijk voor uitkeringsgerechtigden van 18, 19 en 20
                    jaar. Deze uitkeringsgerechtigden hebben echter al een lagere norm (de
                    jongerennorm), omdat zij in principe een beroep kunnen doen op de ouderlijke
                    onderhoudsplicht.</al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht om
                    te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats. </al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde situatie.
                    De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met een ander en
                    daarom is een verlaging op zijn plaats. </al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de
                    mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                    gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20%
                    wordt verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of
                    de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                    jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                    eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te
                    stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon
                    voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt het voor de hand om
                    voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 34
                    WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Als gebruik wordt gemaakt van alle verlagingsmogelijkheden dan leidt dit
                    mogelijk tot nadelige effecten. De jongere komt dan in een situatie waarin niet
                    in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden voorzien. Dit lid regelt
                    dat in het voorkomende geval op grond van het individualiseringsbeginsel de
                    verlaging beperkt moet worden. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>