<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR304382_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2015 nr. 8563</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, artikel 158, lid 1, aanhef onder a en c.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Ambtenarenwet, artikel 125, lid 2.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2015-015306</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>personeelsregelingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Red. Dit wijzigingsbesluit, neergelegd in Provinciaal Blad 2015 nr. 8563 met een inwerkingtreding per 1 januari 2016, is als een aanvullend besluit genomen op een (oud) wijzigingsbesluit, neergelegd in Provinciaal Blad 2014 nr. 3893, met eveneens een inwerkingtreding per 1 januari 2016. Het oude wijzigingsbesluit (nr.3893) is al ingevoerd in deze regelingenbank. Dit aanvullend wijzigingsbesluit (nr. 8563) kan dus technisch gezien in deze regelingenbank niet meer inwerking treden per 1 januari 2016. Derhalve is de inwerkingtreding voor dit aanvullend besluit gesteld op 2 januari 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2016.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gelet op artikel 125, tweede lid, van de Ambtenarenwet; Overwegende dat de
                        partijen in het Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden (SPA)
                        overeenstemming hebben bereikt over de wijzigingen van de Collectieve
                        Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies en andere
                        rechtspositieregelingen;</al><al>BESLUITEN</al><al>vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Uitvoeringsregeling rechten
                        en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1: Definities</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Definities</titel></kop><al>In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> CAP: de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies;</al></li><li nr="b."><al> herplaatsingtoelage: een herplaatsingtoelage krachtens het
                                    pensioenreglement;</al></li><li nr="c."><al> invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen krachtens het
                                    pensioenreglement;</al></li><li nr="d."><al> ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de
                                    Ziektewet;</al></li><li nr="e."><al> WW-uitkering: een uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet;</al></li><li nr="f."><al> aanvullende werkloosheidsuitkering: een aanvullende uitkering
                                    krachtens de artikelen 2 en 4 van de Regeling aanvullende
                                    voorzieningen bij werkloosheid;</al></li><li nr="g."><al> zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel
                                    19 van de Ziektewet;</al></li><li nr="h."><al> IVA-uitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in
                                    hoofdstuk 6 van de WIA;</al></li><li nr="i."><al> WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                    arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIA;</al></li><li nr="j."><al> loongerelateerde uitkering, loonaanvullingsuitkering en
                                    vervolguitkering: de loongerelateerde uitkering,
                                    loonaanvullingsuitkering en vervolguitkering van de
                                    WGA-uitkering, bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIA;</al></li><li nr="k."><al> resterende verdiencapaciteit: de resterende verdiencapaciteit,
                                    bedoeld in het Schattingsbesluit
                                    arbeidsongeschiktheidswetten;</al></li><li nr="l."><al> ABP arbeidsongeschiktheidspensioen: het
                                    arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in hoofdstuk 11 van het
                                    pensioenreglement.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2: Aanspraken tijdens ziekte en
                            arbeidsongeschiktheid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Aanspraak van de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft over de uren waarop hij bij ongeschiktheid tot
                                het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zijn arbeid niet
                                verricht recht op doorbetaling van: </al><lijst><li nr="a."><al> zijn volledige bezoldiging gedurende de eerste 52
                                        weken;</al></li><li nr="b."><al> 70% van zijn bezoldiging gedurende de daaropvolgende 52
                                        weken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde periode wordt verlengd
                                met de duur van: </al><lijst><li nr="a."><al> de vertraging indien de ambtenaar de aanvraag, bedoeld in
                                        artikel 64, eerste lid, van de WIA op deugdelijke gronden
                                        later heeft gedaan dan in of op grond van dat artikel is
                                        voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al> de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon
                                        of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                        WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd,
                                        bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en</al></li><li nr="c."><al> het het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25,
                                        negende lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid,
                                        van de WAO, heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij verlenging op grond van het tweede lid bedraagt het in het
                                eerste lid, onderdeel b, bedoelde tijdvak niet meer dan 104
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar geniet in de tijdvakken, bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, en in het tweede lid, de volledige bezoldiging over de
                                uren waarop hij bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                arbeid wegens ziekte </al><lijst><li nr="a."><al> zijn arbeid niet verricht en de ziekte, uit hoofde waarvan
                                        hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, is veroorzaakt
                                        door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn
                                        arbeid opgelopen beroepsziekte;</al></li><li nr="b."><al> in het belang van zijn genezing wenselijk geachte andere
                                        arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al> in opdracht een opleiding volgt ten behoeve van andere
                                        werkzaamheden die hem bij de provincie in het kader van zijn
                                        reïntegratie worden aangeboden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van artikel E.7 van de CAP in een andere
                                functie is benoemd voordat de termijn, bedoeld in artikel E.9,
                                eerste lid, onderdeel a, en eventueel vierde lid, van de CAP, is
                                verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een
                                aanvullende uitkering, indien zijn bezoldiging als gevolg van die
                                benoeming vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil
                                tussen: </al><lijst><li nr="a."><al> het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel
                                        recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou
                                        zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde
                                        arbeidsduur zijn eigen functie; en</al></li><li nr="b."><al> zijn bezoldiging na die benoeming.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Aanspraak van de gewezen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan vóór het tijdstip
                                van ingang van zijn ontslag anders dan op grond van artikel E.9,
                                artikel E.15 en artikel G.4, eerste lid, onderdeel e, van de CAP, na
                                zijn ontslag nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke
                                functie te vervullen, heeft zolang en voorzover hij ongeschikt is
                                tot werken wegens ziekte recht op doorbetaling van: </al><lijst><li nr="a."><al> zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de eerste 52
                                        weken;</al></li><li nr="b."><al> 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de
                                        daaropvolgende 52 weken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn
                                ontslag als bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte ongeschikt
                                wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen
                                heeft, indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan
                                het ontslag voorafgaande in dienst is geweest, zolang en voorzover
                                hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte recht op doorbetaling van </al><lijst><li nr="a."><al> zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de eerste 52
                                        weken;</al></li><li nr="b."><al> 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de
                                        daaropvolgende 52 weken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b,
                                bedoelde periode wordt verlengd met de duur van: </al><lijst><li nr="a."><al> de vertraging indien de gewezen ambtenaar de aanvraag,
                                        bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de WIA op deugdelijke
                                        gronden later heeft gedaan dan in of op grond van dat
                                        artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al> de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon
                                        of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                        WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd,
                                        bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en</al></li><li nr="c."><al> het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de
                                        WAO, heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij verlenging op grond van het derde lid bedraagt het in het
                                eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, bedoelde
                                tijdvak niet meer dan 104 weken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid bedoelde gewezen ambtenaar geniet
                                ook in de tijdvakken, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, het
                                tweede lid, onderdeel b, en het derde lid, de laatstelijk genoten
                                bezoldiging, indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een
                                dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
                                beroepsziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Aanspraak van de ambtenaar die geen deelnemer is in de
                                zin van het pensioenreglement</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bepaalde in de artikelen 2 en 3 is niet van toepassing op de
                                ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geen deelnemer is in de zin
                                van het pensioenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het
                                pensioenreglement, heeft over de uren waarop hij bij ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zijn arbeid niet
                                verricht recht op doorbetaling van: </al><lijst><li nr="a."><al> zijn volledige bezoldiging gedurende de eerste 52
                                        weken;</al></li><li nr="b."><al> 70% van zijn bezoldiging gedurende de daaropvolgende 52
                                        weken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde periode wordt verlengd
                                met de duur van: </al><lijst><li nr="a."><al> de vertraging indien de ambtenaar de aanvraag, bedoeld in
                                        artikel 64, eerste lid, van de WIA op deugdelijke gronden
                                        later heeft gedaan dan in of op grond van dat artikel is
                                        voorgeschreven;</al></li><li nr="b."><al> de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon
                                        of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                        WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd,
                                        bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en</al></li><li nr="c."><al> het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de
                                        WAO, heeft vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij verlenging op grond van het derde lid bedraagt het in het
                                tweede lid, onderdeel b, bedoelde tijdvak niet meer dan 104
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Geen aanspraak</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraken op
                                grond van de artikelen 2 tot en met 4: </al><lijst><li nr="a."><al> indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven
                                        is voorgesteld, dat reden voor verhindering niet kan worden
                                        aangenomen;</al></li><li nr="b."><al> indien de ziekte door opzet van betrokkene is veroorzaakt,
                                        tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand
                                        geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="c."><al> indien de verhindering het gevolg is van een ziekte of
                                        gebrek waarover betrokkene bij zijn aanstelling opzettelijk
                                        valse inlichtingen aan de werkgever heeft verstrekt;</al></li><li nr="d."><al> voor de tijd gedurende welke betrokkene zonder deugdelijke
                                        grond de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de
                                        WIA later indient dan in of op grond van dat artikel is
                                        voorgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op grond van artikel 3,
                                indien hij op grond van een aanvaarde andere functie aanspraak kan
                                maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een
                                ZW-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Nadere voorschriften inzake de tijdvakken in de
                                artikelen 2, 3 en 4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar
                                aanspraak hebben op doorbetaling van hun bezoldiging vangt aan op de
                                eerste dag waarop: </al><lijst><li nr="a."><al> wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt;</al></li><li nr="b."><al> het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is
                                        gestaakt;</al></li><li nr="c."><al> wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn
                                        gewerkt;</al></li><li nr="d."><al> het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn
                                        gestaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het
                                tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag, volgend op die
                                waarop het buitengewoon verlof is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor het bepalen van het einde van de perioden waarin aanspraken
                                bestaan op grond van de artikelen 2, 3 en 4 worden perioden van
                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid wegens
                                ziekte samengeteld, indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met
                                een onderbreking van minder dan 4 weken opvolgen. Bij de
                                vaststelling van de periode van 4 weken blijven perioden buiten
                                beschouwing waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in
                                artikel D.11 van de CAP wordt genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Einde van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanspraken, bedoeld in artikel 2, eerste tot en met vierde lid,
                                en artikel 4 eindigen na afloop van de uitkeringsduur, maar in elk
                                geval: </al><lijst><li nr="a. "><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van
                                        artikel E.7 van de CAP in een andere functie is benoemd;
                                        of</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is
                                        verleend; of</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of</al></li><li nr="d."><al> met ingang van de dag, volgende op die waarop de ambtenaar
                                        is overleden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanspraken, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, eindigen na afloop
                                van de uitkeringsduur, maar in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al> met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet
                                        aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is
                                        verleend, waaronder het ontslag op grond van artikel E.9 en
                                        artikel E.15 van de CAP; of</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag waarop de ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of</al></li><li nr="d."><al> met ingang van de dag, volgende op die waarop de ambtenaar
                                        is overleden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanspraken, bedoeld in artikel 3, eerste, tweede en vijfde lid,
                                eindigen na afloop van de uitkeringsduur, maar in elk geval: </al><lijst><li nr="a. "><al>met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar in een
                                        andere functie is benoemd overeenkomstig artikel E.7 van de
                                        CAP;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de
                                        AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                                        ambtenaar is overleden.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3: Verplichtingen en sancties</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 Verplichtingen en sancties gedurende de wachttijd van
                                de WAO en de WIA</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanspraken op gehele of gedeeltelijke doorbetaling van
                                bezoldiging op grond van de artikelen 2, 3 en 4 vervallen wanneer en
                                voor zolang de ambtenaar of de gewezen ambtenaar: </al><lijst><li nr="a."><al> weigert zich te onderwerpen aan een onderzoek vanwege de
                                        bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
                                        geneeskundige of, na voor zulk een onderzoek te zijn
                                        opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;</al></li><li nr="b."><al> weigert de volledige medewerking te verlenen aan een
                                        geneeskundig onderzoek, een observatie of een maatregel in
                                        het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van
                                        zijn arbeidsgeschiktheid, tenzij de maatregel een ingreep
                                        van heelkundige aard mocht zijn;</al></li><li nr="c."><al> zonder voldoende gronden nalaat zich onder behandeling van
                                        een geneeskundige te stellen of blijven stellen, dan wel
                                        zich niet houdt aan de voorschriften hem door de
                                        behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat
                                        te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan
                                        een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;</al></li><li nr="d."><al> zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt belemmerd of
                                        vertraagd;</al></li><li nr="e."><al> tijdens de verhindering dienst te verrichten, voor zichzelf
                                        of derden arbeid verricht tenzij dit door de
                                        bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
                                        geneeskundige in het belang van zijn genezing wenselijk
                                        wordt geacht;</al></li><li nr="f."><al> in gebreke blijft op het door de bedrijfsgeneeskundige of
                                        een daarmee gelijk te stellen geneeskundige bepaalde
                                        tijdstip en in de door deze bepaalde mate zijn dienst te
                                        hervatten, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen, door
                                        deze als geldig erkende reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="g."><al> weigert passende arbeid te verrichten welke door
                                        gedeputeerde staten wordt opgedragen en waartoe hij door de
                                        bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen
                                        geneeskundige in staat wordt geacht;</al></li><li nr="h."><al> zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door
                                        gedeputeerde staten of een door hen aangewezen deskundige
                                        gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die
                                        erop gericht zijn hem in staat te stellen passende arbeid te
                                        verrichten;</al></li><li nr="i."><al> zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het
                                        opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak
                                        als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA en artikel
                                        71a, tweede lid, van de WAO.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde aanspraken kunnen geheel of ten dele
                                vervallen worden verklaard indien de ambtenaar of de gewezen
                                ambtenaar de voor hem ter zake van afwezigheid tijdens ziekte
                                gestelde voorschriften overtreedt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen op grond van bijzondere omstandigheden
                                bepalen dat de in het eerste lid bedoelde aanspraken niet vervallen,
                                maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de
                                gewezen ambtenaar worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover gedeputeerde staten van de bevoegdheid in het derde lid
                                geen gebruik hebben gemaakt, kunnen zij de niet uitbetaalde
                                aanspraken alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
                                uitbetalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Compensatie bij arbeidsongeschiktheid van minder dan
                                35% </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die door het UWV in het kader van de uitvoering van de
                                WIA voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard en die als
                                gevolg van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid inkomensverlies
                                heeft, heeft aanspraak op compensatie van het inkomensverlies
                                overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De compensatie bedraagt </al><lijst><li nr="a."><al> indien de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het gevolg is
                                        van een dienstongeval of een door het verrichten van zijn
                                        arbeid opgelopen beroepsziekte: 100%; en</al></li><li nr="b."><al> in overige gevallen: 70% van het verschil tussen de
                                        bezoldiging in de oude functie en de bezoldiging in de
                                        aangepaste of nieuwe functie. Indien het in het eerste lid
                                        bedoelde inkomensverlies door verhoging van de bezoldiging
                                        afneemt wordt de compensatie dienovereenkomstig verminderd,
                                        tenzij het een verhoging betreft van de bezoldiging wegens
                                        algemene salarismaatregelen of een salarisverhoging op grond
                                        van artikel C.7 van de CAP. De compensatie wordt als salaris
                                        aangemerkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de compensatie bestaat aanspraak vanaf de kalenderdag dat de
                                arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%, maar niet
                                voordat de periode van gehele of gedeeltelijke doorbetaling van
                                bezoldiging bij ziekte is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De compensatie eindigt op het moment waarop het dienstverband bij
                                de provincie eindigt doch in het geval, bedoeld in het tweede lid,
                                onderdeel b, in ieder geval na 5 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij samenloop van de compensatie met een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet of een aanvullende werkloosheidsuitkering uit
                                hoofde van de dienstbetrekking waaruit de ambtenaar gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikt is verklaard, wordt de compensatie verminderd met
                                het bedrag van deze uitkeringen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a Aanvulling bij arbeidsongeschiktheid ingeval van
                                dienstongeval of beroepsziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar of gewezen ambtenaar die als gevolg van een
                                dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
                                beroepsziekte recht heeft op een IVA-uitkering uit hoofde van de
                                provinciale dienstbetrekking en geen recht heeft op doorbetaling van
                                de bezoldiging of de laatstelijk genoten bezoldiging, wordt de
                                IVA-uitkering en het ABP arbeidsongeschiktheidspensioen, zolang
                                daarop aanspraak bestaat, aangevuld tot 90% van de laatstelijk
                                genoten bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar of gewezen ambtenaar die als gevolg van een
                                dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
                                beroepsziekte recht heeft op een WGA-uitkering uit hoofde van zijn
                                provinciale dienstbetrekking wordt de WGA-uitkering en het ABP
                                arbeidsongeschiktheidspensioen, zolang daarop aanspraak bestaat,
                                aangevuld </al><lijst><li nr="a."><al> tijdens de loongerelateerde uitkering: tot 90% van het
                                        verschil tussen de laatstelijk genoten bezoldiging en het
                                        nieuwe inkomen bij volledige invulling van de resterende
                                        verdiencapaciteit en tot 80% van dit verschil bij niet
                                        volledige invulling van de resterende
                                        verdiencapaciteit;</al></li><li nr="b."><al> tijdens de loonaanvullingsuitkering: tot 90% van het
                                        verschil tussen de laatstelijk genoten bezoldiging en het
                                        nieuwe inkomen dat bij volledige invulling van de resterende
                                        verdiencapaciteit zou kunnen worden verdiend;</al></li><li nr="c."><al> tijdens de vervolguitkering, doch niet langer dan 10 jaar:
                                        tot 75% van de laatstelijk genoten bezoldiging maal het door
                                        het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als de IVA-uitkering of de WGA-uitkering wordt geweigerd of
                                verminderd in verband met toepassing van een sanctie op grond van de
                                WIA wordt die sanctie op overeenkomstige wijze als voor het ABP
                                arbeidsongeschiktheidspensioen doorvertaald naar de aanvulling op
                                grond van dit artikel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4: Bijzondere situaties</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 Samenloop met andere inkomsten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij samenloop van een aanspraak krachtens deze uitvoeringsregeling
                                met een ZW-uitkering, een WAO-of WIA-uitkering, een WW-uitkering of
                                een aanvullende werkloosheidsuitkering op grond van dezelfde
                                dienstbetrekking wordt deze aanspraak verminderd met het bedrag van
                                deze uitkeringen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                van de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WAO- of
                                WIA-uitkering, de WW-uitkering of de aanvullende
                                werkloosheidsuitkering een vermindering ondergaat, dan wel de
                                aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd wordt deze
                                uitkering voor de toepassing van het eerste lid geacht onverminderd
                                te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien ten aanzien van de ZW-uitkering, die de ambtenaar of de
                                gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een
                                sanctie wordt toegepast leggen Gedeputeerde Staten zoveel mogelijk
                                dezelfde verplichting op dan wel passen zij zoveel mogelijk een
                                overeenkomstige sanctie toe op de aanspraken krachtens deze
                                uitvoeringsregeling waarop de ZW-uitkering in mindering is
                                gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in
                                verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing
                                wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraken op grond van de
                                artikelen 2, 3 en 4 in mindering gebracht, voorzover deze tezamen
                                met die aanspraken de bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het
                                bedrag, waarop de gewezen ambtenaar ingevolge deze
                                uitvoeringsregeling recht heeft, in mindering gebracht, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al> de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden
                                        van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte genoot; en</al></li><li nr="b."><al> de omvang van die arbeid niet is toegenomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Bevalling na ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier
                                maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar
                                laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die: </al><lijst><li nr="a."><al> aanvangt op de 41e dag , voorafgaande aan de vermoedelijke
                                        datum van bevalling; en</al></li><li nr="b. "><al>eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 16 weken,
                                indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16
                                weken heeft bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier
                                maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die
                                niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk
                                genoten bezoldiging gedurende de periode die: </al><lijst><li nr="a."><al> aanvangt op de datum van bevalling; en</al></li><li nr="b."><al> eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de bezoldiging wordt via een inhouding in mindering gebracht een
                                bedrag, gelijk aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg
                                waarop de gewezen vrouwelijke ambtenaar gedurende het zwangerschaps-
                                en bevallingsverlof recht heeft of gehad zou hebben als ze tijdig
                                een aanvraag voor die uitkering zou hebben gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar
                                ingevolge het eerste of het derde lid toekomende uitkering nog
                                wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na
                                deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende 52
                                weken recht op doorbetaling van de bezoldiging overeenkomstig
                                artikel 3. Deze termijn wordt geacht aan te vangen op de eerste dag
                                na de bevalling.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het
                                vijfde lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks
                                en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken
                                geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang
                                soortgelijke functie als zij vervulde, te vervullen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 5: Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 Aanpassing bedrag / begrip bezoldiging en
                                bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de
                                artikelen 3, 4 en 11 wordt in voorkomende gevallen gewijzigd
                                overeenkomstig een algemene salariswijziging voor het personeel in
                                provinciale dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien onderdelen van de bezoldiging niet in een vast bedrag per
                                maand zijn of kunnen worden uitgedrukt, wordt voor die onderdelen
                                gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toegekend in de
                                drie kalendermaanden, voorafgaande aan de maand waarin: </al><lijst><li nr="a."><al> de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van
                                        zijn arbeid wegens ziekte;</al></li><li nr="b."><al> de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden
                                        een naar aard en omvang soortgelijke functie te
                                        vervullen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen van een langere periode dan de in de
                                vorige volzin genoemde drie kalendermaanden uitgaan, indien
                                toepassing van het bepaalde in de vorige volzin tot onredelijke
                                uitkomsten leidt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie
                                kalendermaanden in dienst is geweest, wordt voor de toepassing van
                                het tweede lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan
                                bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in
                                dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het
                                verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een
                                naar aard en omvang soortgelijke functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Vakantie-uitkering eindejaarsuitkering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Overlijdensuitkering gewezen ambtenaar</titel></kop><al>Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn
                            overlijden op grond van artikel 3 in het genot was van doorbetaling van
                            zijn laatstelijk genoten bezoldiging, is artikel B.14 van de CAP van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Aanvullende uitkering bij overlijden wegens
                                dienstongeval / beroepsziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een
                                dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
                                beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden
                                krachtens het pensioenreglement een partnerpensioen of een
                                wezenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18%
                                van dit partnerpensioen, onderscheidenlijk dit wezenpensioen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de
                                AOW-gerechtigde leeftijd zou hebben bereikt dan wel met ingang van
                                de maand volgende op de datum waarop de weduwe of weduwnaar aan wie
                                een partnerpensioen is toegekend, een nieuwe partner heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                gewezen ambtenaar ten aanzien van wie artikel 9a toepassing heeft
                                gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van het
                                dienstongeval of de door het verrichten van zijn arbeid opgelopen
                                beroepsziekte, bedoeld in dat artikel.</al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Gedeputeerde Staten van Gelderland</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al>Ten aanzien van de ambtenaar en gewezen ambtenaar wiens eerste dag van
                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen vóór
                    1 september 2004 blijven de bepalingen van de Uitvoeringsregeling rechten en
                    plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van toepassing, zoals deze op 30
                    april 2005 luidden.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Overgangsregeling¹</titel></kop><al>1. Artikel 2, zesde en zevende lid, en artikel 7, tweede lid, van de
                    Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid,
                    zoals die op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit luidden, blijven van
                    toepassing op de ambtenaar die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
                    besluit recht heeft op een aanvullende uitkering krachtens deze bepalingen, met
                    dien verstande dat de in artikel 2, zesde lid voornoemd, de zinsnede "vijfde
                    lid" wordt vervangen door: vierde lid.</al><al>2. Artikel 3, zesde tot en met achtste lid, artikel 7, vierde lid, en artikel
                    15, derde lid, van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en
                    arbeidsongeschiktheid, zoals die op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit
                    luidden, blijven van toepassing op de gewezen ambtenaar die op het tijdstip van
                    inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op een aanvullende uitkering
                    krachtens deze bepalingen.</al><al/><al>¹ Datum van inwerkingtreding van het in de overgangsregeling bedoelde besluit is
                    1 juni 2007</al><al/></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In deze uitvoeringsregeling van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                    Provincies (CAP) zijn de rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
                    neergelegd. Op hoofdlijnen ziet het stelsel er vanaf 1 januari 2006 voor de
                    provincieambtenaar als volgt uit.</al><al>De ambtenaar heeft over de uren waarop hij wegens ziekte zijn arbeid niet kan
                    verrichten ten laste van de werkgever in het 1e jaar recht op doorbetaling van
                    100% en in het 2e jaar van 70% van zijn bezoldiging. Bij dienstongevallen wordt
                    ook in het 2e ziektejaar de bezoldiging volledig doorbetaald. Een en ander is
                    geregeld in artikel 2 van de uitvoeringsregeling.</al><al>In die 2 jaar zullen werkgever en ambtenaar zich optimaal inspannen om ervoor te
                    zorgen dat de ambtenaar weer aan het werk komt, hetzij in de eigen functie,
                    hetzij in andere passende arbeid. Onder voorwaarden komen ook gewezen ambtenaren
                    na ontslag bij ongeschiktheid om te werken wegens ziekte in aanmerking voor
                    gehele of gedeeltelijke doorbetaling van de (laatstelijk genoten) bezoldiging.
                    Hun aanspraken zijn geregeld in artikel 3. Een aparte voorziening is in artikel
                    4 te vinden voor zieke ambtenaren die niet deelnemen in de pensioenregeling van
                    het ABP.</al><al>De ambtenaar die niet weer (volledig) aan het werk komt kan onder voorwaarden na
                    2 jaar (de wachttijd) in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wet
                    Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)¹. Deze wachttijd kan in een aantal
                    gevallen worden verlengd met maximaal 52 weken, te weten op gezamenlijk verzoek
                    van de werkgever en de ambtenaar, als sanctie voor de werkgever i.v.m.
                    onvoldoende re-integratie-inspanningen of vanwege een te late aanvraag van de
                    WIA-uitkering. Een verlengde wachttijd betekent ook een verlengde periode van
                    (gedeeltelijke) doorbetaling van de bezoldiging bij ziekte. Bij een te late
                    aanvraag van de WIA-uitkering is dat alleen het geval als de ambtenaar daarvoor
                    een deugdelijke grond heeft. In de WIA is uitgangspunt dat werken altijd meer
                    loont dan niet werken. De ambtenaar wordt door het UWV voor de WIA gekeurd. Het
                    UWV bekijkt dan wat de ambtenaar nog kan en hoeveel hij nog kan verdienen. De
                    ambtenaar die volgens het UWV meer dan 65% van het oude inkomen kan verdienen
                    heeft geen recht op een uitkering krachtens de WIA. De ambtenaar zal in principe
                    in provinciale dienst blijven. De re-integratie-inspanningen zullen worden
                    voortgezet. Slechts bij een zwaarwegend dienstbelang kan de ambtenaar wegens
                    (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid ontslag worden verleend. De ambtenaar die
                    blijvend minder dan 20% van zijn oude inkomen kan verdienen wordt door het UWV
                    volledig en duurzaam arbeidsongeschikt verklaard. Hij heeft, totdat hij de
                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, recht op een
                    arbeidsongeschikt-heidsuitkering op grond van de WIA, de zogenaamde
                    IVA-uitkering. De ambtenaar die nog 20% tot 65% van zijn oude inkomen kan
                    verdienen wordt door het UWV gedeeltelijk arbeidsgeschikt verklaard en heeft
                    onder voorwaarden recht op een werkhervattingsuitkering op grond van de WIA, de
                    zogenaamde WGA-uitkering.</al><al>Wie 50% of meer van zijn resterende verdiencapaciteit benut heeft
                    achtereenvolgens recht op een loongerelateerde WGA-uitkering gedurend maximaal 3
                    jaar en 2 maanden² en op een WGA-loonaanvullingsuitkering (maximaal tot de
                    AOW-gerechtigde leeftijd). De ambtenaar die minder dan 50% van zijn resterende
                    verdiencapaciteit benut heeft achtereenvolgens recht op de loongerelateerde
                    WGA-uitkering en op een WGA-vervolguitkering (maximaal tot de AOW-gerechtigde
                    leeftijd). De loongerelateerde WGA-uitkering is, wanneer niet wordt gewerkt: 70%
                    van het oude inkomen (maar ten hoogste 70% van het maximum dagloon) en indien
                    wel wordt gewerkt: 70% van het verschil tussen het oude inkomen (tot het maximum
                    dagloon) en het nieuwe inkomen. De WGA- loonaanvullingsuitkering is 70% van het
                    verschil tussen het oude inkomen (tot het maximum dagloon) en het nieuwe inkomen
                    bij volledige benutting van de resterende verdiencapaciteit. De
                    WGA-vervolguitkering bedraagt het WIA-arbeidsongeschiktheidspercentage maal het
                    minimumloon. De IVA-uitkering is 75% van het oude inkomen, maar ten hoogste 75%
                    van het maximum dagloon³. In aanvulling hierop ontvangt de ambtenaar onder
                    voorwaarden een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP.</al><al>¹ De WIA geldt voor hen die vanaf 1 januari 2006 arbeidsongeschikt zijn.
                    Bestaande WAO-gevallen blijven onder de WAO. De WAO blijft ook van toepassing op
                    hen die vóór 1 januari 2006 arbeidsongeschikt waren en dat binnen 5 jaar weer
                    worden met dezelfde oorzaak. De uitvoeringsregeling houdt ook met deze gevallen
                    rekening. ² Bij instroom vóór 1 januari 2008: maximaal 5 jaar. ³ De
                    IVA-uitkering is/wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 verhoogd van
                    70% naar 75%.</al><al>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al><al><vet>Artikel 2</vet> De bepaling inzake het recht op (gehele of gedeeltelijke)
                    doorbetaling van bezoldiging heeft betrekking op de uren van ongeschiktheid tot
                    het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Over de uren waarop de ambtenaar
                    zijn arbeid wel verricht ontvangt hij uiteraard steeds de volle bezoldiging. Dat
                    geldt ook over de uren waarop betrokkene andere dan zijn eigen arbeid verricht.
                    Het moet dan reguliere, loonvormende arbeid betreffen die betrokkene verricht in
                    het belang van zijn genezing. Er wordt geen reguliere, loonvormende arbeid
                    verricht als op therapeutische basis wordt gewerkt. Daarvan is alleen sprake als
                    wordt voldaan aan alle daarvoor door het UWV geformuleerde criteria. Het UWV
                    verstaat onder arbeidstherapie het volgende: a. de activiteiten moeten binnen
                    een tevoren aangegeven periode worden uitgevoerd. b. de periode mag niet langer
                    zijn dan 6 weken. c. de activiteiten moeten deel uitmaken van een opbouwend
                    reïntegratietraject. d. het mag niet gaan om een bestaande omschreven functie.
                    e. het moet een gecreëerde functie zijn. f. er moet te allen tijde begeleiding
                    aanwezig zijn. g. de betrokkene moet op elk moment weg kunnen gaan. In geval van
                    werken op therapeutische basis bestaat in het 2e ziektejaar recht op
                    doorbetaling van 70% van de bezoldiging.</al><al>Met werken wordt gelijkgesteld het in opdracht volgen van een opleiding ten
                    behoeve van andere werkzaamheden die de provinciale werkgever hem in het kader
                    van zijn reïntegratie aanbiedt. In dat geval wordt ook na het 1e ziektejaar de
                    bezoldiging volledig doorbetaald.</al><al>In de algemene toelichting is al aangegeven dat bij dienstongevallen en
                    beroepsziekten ook na de eerste 52 weken de bezoldiging volledig wordt
                    doorbetaald. Dat is ook het geval als de werkgever in voldoende mate aan zijn
                    plicht als goed werkgever heeft voldaan. Wat onder beroepsziekte en
                    dienstongeval wordt verstaan is geregeld in artikel A.1 van de CAP.</al><al>De provinciale werkgever zal nadrukkelijk rekening houden met individuele
                    gevallen van terminale ziekte en in die gevallen telkens de afweging maken of
                    onverminderde doorvoering van de korting van de bezoldiging na het 1e ziektejaar
                    uit een oogpunt van redelijkheid en billijkheid wenselijk is. Bij terminale
                    ziektes zal daarnaast alles in het werk worden gesteld om een vervroegde
                    WIA-keuring voor een IVA-uitkering te realiseren. </al><al><vet>Artikel 4</vet> Voor een beperkte groep ambtenaren gelden bijzondere regels
                    ten aanzien van de aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het betreft
                    de groep ambtenaren die geen deelnemer zijn in de ABP-pensioenregeling. Wie dat
                    zijn is geregeld in de Wet privatisering ABP, het pensioenreglement ABP en de
                    Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet
                    privatisering ABP. Het gaat daarbij, voor de provincies, vooral om mensen die in
                    het kader van een werkgelegenheidsmaatregel in tijdelijke provinciale dienst
                    zijn genomen en om personen die incidenteel en voor een beperkte periode als
                    seizoenkracht in dienst zijn genomen. Voor deze beperkte groep geldt artikel
                    4.</al><al><vet>Artikel 5</vet> Hierin is geregeld in welke gevallen geen aanspraak bestaat
                    op de (gehele of gedeeltelijke) doorbetaling van bezoldiging bij ziekte. De
                    gronden komen overeen met die welke t.a.v. de wettelijke
                    loondoorbetalingverplichting bij ziekte voor het overheidspersoneel zijn
                    geregeld in de vierde afdeling van de Ziektewet.</al><al><vet>Artikel 6</vet> De bepaling van de eerste ziektedag in het eerste lid is
                    conform het bepaalde bij en krachtens de Ziektewet. Dat is bij aanvang van de
                    ziekte tijdens het werk de dag waarop de arbeid is gestaakt (onderdeel b) en
                    ingeval betrokkene wegens ziekte de werkdag niet heeft aangevangen, die werkdag
                    (onderdeel a). De onderdelen c en d zien op het ontstaan van ziekte tijdens
                    algemeen en bijzonder verlof.</al><al><vet>Artikel 8</vet> Hierin zijn de verplichtingen en sancties geregeld in de (2
                    maximaal 3 jaar) wachttijd voor de WIA/WAO. Zij sluiten aan bij die welke t.a.v.
                    de wettelijke loondoorbetalingverplichting bij ziekte voor het
                    overheidspersoneel zijn geregeld in de vierde afdeling van de Ziektewet.</al><al><vet>Artikel 9</vet> Dit artikel bevat een compensatieregeling voor de groep
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikten die geen recht op een WIA-uitkering hebben en
                    in beginsel ook na die 2 jaar in dienst van de provincie blijven. Het gaat hier
                    om degenen die door het UWV voor meer dan 65% arbeidsgeschikt zijn verklaard.
                    Werkhervatting kan hier leiden tot inkomensverlies, omdat de ambtenaar in een
                    aangepaste functie (bijvoorbeeld zijn eigen functie voor minder uren) of in een
                    andere functie op een lager salarisniveau gaat werken. Het inkomensverlies wordt
                    tijdelijk tot een redelijk niveau gecompenseerd. Bij dienstongevallen en
                    beroepsziektes geldt een gunstiger compensatieregeling. Indien het
                    inkomensverlies door inkomensverbetering bij de provincie afneemt leidt dit
                    slechts tot een navenante verlaging van de compensatie als de
                    inkomensverbetering niet het gevolg is van algemene salarismaatregelen of van
                    salarisstappen van op grond van artikel C.7 van de CAP. Overige verhogingen van
                    de bezoldiging worden wel in mindering gebracht. De compensatie wordt als
                    salaris aangemerkt, hetgeen betekent dat zij ook grondslag vormt voor het IKB en
                    meestijgt met de algemene salarisontwikkeling van het provinciepersoneel.</al><al><vet>Artikel 9a</vet> Bij dienstongevallen en beroepsziektes krijgt de ambtenaar
                    een aanvulling op de WIA-uitkering en het ABP arbeidsongeschiktheidspensioen. In
                    artikel 9a is dat uitgewerkt voor de verschillende situaties binnen de WIA, dus
                    voor hen die recht hebben op een IVA-uitkering, een WGA-loongerelateerde
                    uitkering, een WGA-loonaanvullingsuitkering of een WGA-vervolguitkering. In
                    artikel 9 is de aanvulling bij dienstongevallen en beroepsziektes geregeld voor
                    hen die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard.</al><al><vet>Artikel 10</vet> Hierin is geregeld dat de uitkeringen op grond van de ZW,
                    WAO/WIA, WW of de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid in
                    mindering worden gebracht op de aanspraken krachtens de Uitvoeringsregeling
                    rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Samenloop kan
                    bijvoorbeeld spelen als vervroegd (binnen de wachttijd van 2 jaar) recht op een
                    IVA-uitkering bestaat vanwege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De
                    IVA-uitkering wordt in dat geval in mindering gebracht op de doorbetaalde
                    bezoldiging bij ziekte.</al><al>Het tweede en derde lid voorzien in gevallen waarin deze uitkeringen een
                    vermindering ondergaan. Om te voorkomen dat de vermindering in de uitkering
                    ongedaan wordt gemaakt doordat de aanspraken op doorbetaling van bezoldiging
                    onverminderd worden uitbetaald, dienen op de eerste plaats deze uitkeringen als
                    onverminderd genoten te worden beschouwd. Dit wordt geregeld in het tweede lid.
                    Op de tweede plaats moet een aan een ambtenaar opgelegde wettelijke sanctie
                    evenzo worden toegepast op de aanspraken ingevolge de Uitvoeringsregeling
                    rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Dat is in het derde lid
                    bepaald.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>