<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR304153_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Nuenen c.a. 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ronde de Linde, 16-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden gemeente Nuenen c.a. 2010.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikelen 44 tweede en derde lid, artikel 95 tot en met 99 en 147, Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, Rechtspositiebesluit wethouders</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-09-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-03-11</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>43</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>rechtspositie wethouders raadsleden commissieleden</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Onderwerp: verordening rechtspostie wethouders, raads- en commissieleden gemeente
            Nuenen ca. 2010.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nuenen c.a. gezien het voorstel van het college van
                        11 mei 2010; gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99
                        en 147 van de Gemeentewet, gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en
                        het Rechtspositiebesluit raads- en commissie leden.</al><al/><al>Besluit:</al><al>1. vast te stellen de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                        commissieleden 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                Gemeentewet;</al></li><li nr="b"><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22 maart
                                1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c"><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d"><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van 20
                                februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e"><al>Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart 1993,
                                Stb. 144;</al></li><li nr="f"><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minster van Binnenlandse
                                Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56;</al></li><li nr="g"><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="h"><al>Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="i"><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                Gemeentewet;</al></li><li nr="j"><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend die
                        gelijk is aan het bedrag, vermeld in tabel I behorende bij artikel 2, eerste
                        lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Dit bedrag wordt
                        per 1 januari van elk jaar door de minister van Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijksrelaties herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend die
                                gelijk is aan het bedrag, vermeld in tabel II behorende bij artikel
                                2, derde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.
                                Dit bedrag wordt per 1 januari van elk jaar door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties herzien.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld
                                in artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></li><li nr="2."><al> De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></li><li nr="2."><al> De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al><al>b. bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de
                                bedragen in artikel 4 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van reizen
                        buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid vergoed
                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling
                        rechtspositie wethouders.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijke belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></li><li nr="2."><al> Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                raadslidmaatschap.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Abonnementskosten</titel></kop><al>De gemeente stelt maandelijks een vergoeding van € 50,00 netto beschikbaar.
                        Dit bedrag kan worden gebruikt voor abonnementskosten voor bijvoorbeeld
                        internet en telefoon. Dergelijke communicatiemiddelen zijn onbelast, als
                        deze middelen voor meer dan 10% zakelijk worden gebruikt. Een
                        onkostenonderzoek is uitgevoerd en als bijlage toegevoegd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al> Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
                                de Wet op de loonbetaling 1964.</al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlaagt het college de vergoeding voor de werkzaamheden,
                        bedoeld in artikel 2, in het geval een raadslid een uitkering ontvangt in
                        verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van de bedoelde korting.</al></li><li nr="2."><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van de bedoelde korting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Cafetariamodel</titel></kop><al>Een raadslid dat gekozen heeft voor het fictief werknemerschap, als bedoeld
                        in artikel 3 lid 2 van deze verordening, kan deelnemen aan het vastgestelde
                        cafetariamodel van de gemeente Nuenen ca. Het cafetaria model is een
                        "menukaart" met secundaire arbeidsvoorwaarden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als
                                bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden bedraagt €203,21 per jaar.</al></li><li nr="2."><al> In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></li><li nr="3."><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 9,10 tot en met 12 en 13a blijven
                                van toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste of tweede lid,
                                ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die
                                bepalingen van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al> De artikelen 1 tot en met 8 en 11 tot en met 13a van deze
                                verordening zijn van toepassing op raadleden die tijdelijk worden
                                benoemd ter vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X10
                                van de Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap
                                en bevalling of ziekte.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschap verbonden
                        kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3 (inwonertal 18.001 -
                        24.000), vermeld in artikel 25 van het Rechtspositiebesluit wethouders. De
                        hoogte van de onkostenvergoeding wordt naar rato van het
                        deeltijddienstverband berekend.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de wethouder wordt een tegemoetkoming verleend voor reiskosten
                                voor reizen ten behoeve van de gemeente. De vergoeding betreft:</al><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al><al>b. bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de
                                bedragen in artikel 4 van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor gemeentelijk
                                personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de eerste volzin is
                                vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de reiskosten voor de
                                zakelijke reizen van de wethouder plaats overeenkomstig artikel 4a
                                van de Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling
                                buitenland en artikel 13a van de krachtens het
                                Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li><li nr="3."><al>Een wethouder, niet woonachtig in de gemeente Nuenen, wordt voor het
                                reizen tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling een
                                tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend overeenkomstig
                                het bepaalde in artikel 3 van de Regeling rechtspositiebesluit
                                wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van reizen
                        buiten het grondgebied van de gemeente worden aan de wethouder vergoed
                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling
                        rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></li><li nr="2."><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. Het college kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></li><li nr="2."><al> De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de uitoefening van het
                                ambt van wethouder.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>De gemeente stelt een vergoeding beschikbaar per wethouder voor software en
                        hardware zodat men digitaal bereikbaar is. Deze vergoeding bestaat uit een
                        bedrag van netto € 900,00 (aanschaf PC) voor de periode van drie jaar. Dit
                        bedrag wordt jaarlijks in de maand april gebruteerd uitbetaald. Daarnaast
                        wordt er maandelijks een bedrag van € 25,00 netto voor abonnementskosten
                        uitbetaald.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Aan de wethouder wordt voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld die mede
                                gebruikt mag worden voor privé doeleinden.</al></li><li nr="2."><al> De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></li><li nr="4."><al>Privé telefoongesprekken en -internetgebruik in het buitenland
                                worden niet vergoed. Eventuele kosten voor deze privé gesprekken
                                en/of gebruik worden achteraf in rekening gebracht bij de
                                betreffende wethouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                        beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van
                                de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
                                het Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële
                                regeling als bedoeld in artikel 2 van het Rechtspositiebesluit
                                wethouders.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Cafetariamodel</titel></kop><al>Een wethouder kan deelnemen aan het vastgestelde cafetariamodel van de
                        gemeente Nuenen ca. Het cafetaria model is een "menukaart" met secundaire
                        arbeidsvoorwaarden.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vergoeding voor deelname aan vergaderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een lid van commissie ontvangt voor de deelname aan de vergaderingen
                                van een commissie en haar subcommissies een vergoeding die gelijk is
                                aan het bedrag, vermeld in artikel 14 van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks door de
                                minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
                                herzien.</al></li><li nr="2."><al> Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 94 van de Gemeentewet ontvangt.</al></li><li nr="3."><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><al>a. als raadslid of wethouder;</al><al>b. uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij
                                een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
                                gesubsidieerd;</al><al>c. als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie
                                tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al></li><li nr="4."><al>De raad, of indien de commissie is ingesteld door het college, het
                                college, kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien van:</al><al>a. een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor
                                deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken,en</al><al>b. een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet
                                geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de
                                zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten
                                arbeid</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en niet in
                        zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is benoemd worden
                        de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie
                        vergoed indien men niet woonachtig is in de gemeente Nuenen. De vergoeding
                        betreft:</al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een volledige
                                vergoeding van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van de in
                                redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig de
                                bedragen in artikelen 4 van de Regeling rechtspositie
                                wethouders;</al></li><li nr="c."><al>de in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                                van reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het
                                commissielid overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c,
                                van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></li><li nr="3."><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                commissielidmaatschap.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door</al><lijst><li nr="a."><al> betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 15,
                                16, 17, 25 en 26 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen twee maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 18, 22, en 27
                                kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid voor
                                akkoord ondertekende factuur aan de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient de factuur binnen
                                twee maanden in bij de griffier, onderscheidenlijk de
                                gemeentesecretaris of de door hem aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden van de
                        gemeente Nuenen c.a. 1 juli 2006 wordt ingetrokken per 11 maart 2010. Voor
                        de oude wethouders wordt de verordening geacht te zijn ingetrokken per datum
                        ontslag uit de functie.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking voor:</al><lijst><li nr="-"><al>de raads- en commissieleden met terugwerkende kracht tot en met 11
                                maart 2010;</al></li><li nr="-"><al>voor de nieuwe wethouders met terugwerkende kracht tot en met de dag
                                van hun beëdiging.</al></li></lijst><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie wethouders,
                        raads- en commissieleden gemeente Nuenen ca. 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 23 juni 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. H.A.J.P. Duijmelinck mr. W.R. Ligtvoet</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting </label><nr/><titel>Algemeen</titel></kop><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                        gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij
                        wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke
                        verordening.</al><al> Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke
                        ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de
                        Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van
                        wethouders, raads- en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe
                        zijn totstandgekomen het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al><al>Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan die voor
                        rijksambtenaren, maar voor hen in verschillende regelingen zijn opgenomen
                        waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen
                        opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie
                        wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                        rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. </al><al>Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de
                        verschillende onkostenvergoedingen, zijn in beide rechtspositiebesluiten
                        overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire voorzieningen,
                        zoals bijvoorbeeld de uitkering bij aftreden als raadslid, geldt dat de
                        gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.</al><al/><al><vet>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                        wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                        hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. </al><al>Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de
                        wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van
                        de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet). </al><al>Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende wethouders
                        uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het
                        Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie wethouders en de
                        plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.
                        Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en
                        pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers. Een
                        soortgelijke bepaling is in artikel 99 van de Gemeentewet opgenomen voor
                        raads- en commissieleden. Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe
                        dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden voordelen,
                        anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden
                        toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van de minister van Binnenlandse
                        Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vereist. </al><al/><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                        niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder de
                        werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                        Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                        Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op
                        vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde
                        inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><al> Eigen voorzieningen zijn er op die onderdelen getroffen in het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en in onderhavige verordening.
                        Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                        onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan
                        de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                        loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                        hieronder).</al><al/><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                        Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en
                        vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                        ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders.
                        Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door
                        specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor
                        de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een
                        arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent
                        dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting
                        vallen. Er is sinds de dualisering van het gemeentebestuur daarom geen
                        mogelijkheid meer om wel of niet voor de loonbelasting te opteren.</al><al> Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet
                        en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld
                        na aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor wethouders
                        geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Ap-pa). </al><al>Wethouders zijn werknemers in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben
                        daarom op grond van die wet recht op vergoeding door de gemeente van de over
                        hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van
                        de basisverzekering.</al><al/><al><vet>De loon-en inkomstenbelasting </vet></al><al><cursief>Opting in regeling</cursief></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                        gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de "opting in
                        regeling" genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                        wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                        verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst, dat
                        wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor
                        het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af
                        aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin
                        van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet
                        onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de
                        raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat
                        geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen
                        niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde
                        vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in
                        bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis-
                        en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er
                        zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze
                        vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding van de
                        loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Ook kan betrokkene
                        deelnemen in de spaarloonregeling of levensloop die er voor het gemeentelijk
                        personeel is.</al><al/><al><cursief>Fiscale standaardpositie</cursief></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid
                        dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid
                        geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan
                        alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                        mindering brengen. Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling,
                        levensloop of cafetariamodel.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                        beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                        normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                        resultaat).</al><al> De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van
                        deze verordening aan de Belastingdienst te melden door een opgave IB47.
                        Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                        opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor
                        de hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil of het raadslid
                        wel of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                        toelichting op artikel 3). </al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren
                        voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De
                        beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per
                        zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende)
                        zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze
                        beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft
                        niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende
                        de zittingsperiode voor de resterende periode.</al><al/><al/><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                        inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom
                        van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling
                        terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze
                        uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen
                        middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden
                        gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in
                        rekening te brengen bij de gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig
                        declaraties in te dienen zal echter behoefte blijven bestaan. Als
                        vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                                (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het
                                ambt, maar zijn nietrechtstreeks aan te bieden door de
                                organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                                aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan
                                een (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al><al/></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al><cursief>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                            bedrijfsvoering</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al> De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder
                        of het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de
                        voorzieningen worden niet in bruikleen gegeven. Zij vallen daarom buiten de
                        vergoedingssfeer. </al><al/><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast
                            kunnen worden vergoed</cursief></al><al> Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft
                        het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven aan de wethouder of
                        het raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is
                        voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><al/><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet
                            onbelast kunnen worden vergoed</cursief></al><al> Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                        kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is
                        aangegeven om welke beroepskosten het gaat. Voor raadsleden die niet voor de
                        loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde systematiek maar zijn de
                        fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen en verstrekkingen naar
                        de waarde in het economische verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat
                        zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen worden hun
                        vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                        publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                        inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                        voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van
                        het daadwerkelijke gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er
                        onnodige discussies plaatsvinden over het gebruik van onkostenregelingen of
                        voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                        belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen
                        uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden over de financiering
                        van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                        financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan
                        bestaan over de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. </al><divisie><kop><label>Artikelgewijze toelichting</label><nr/><titel/></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                        raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de
                        vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het
                        Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                        werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding
                        bepaald op het maximale bedrag. De gemeenteraad kan besluiten naar beneden
                        af te wijken van het door de minister vastgestelde maximum. De afwijking
                        naar beneden kan op twee manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                                percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                                maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de
                                raadsvergoeding zijn;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>De raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden
                                vast.</al></li></lijst><al> Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                        raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt
                        voor alle raadsleden.</al><al/><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                        jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                        overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat
                        in de verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding gelijk
                        is aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikelen</label><nr>3 en 14</nr><titel>vaste onkostenvergoeding</titel></kop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q.
                        aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op
                        basis van de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>vakliteratuur </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>telefoonkosten </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al/><al> De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                        bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden
                        het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en
                        14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook
                        de onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald,
                        dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                        maximum. Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt
                        jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex.
                        Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de
                        verordening in algemene zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is
                        aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5 en 25</nr><titel>reiskosten raadsleden en commissieleden</titel></kop><al>In dit artikel is voor raadsleden en commissieleden het recht op vergoeding
                        van reis- en verblijfkosten geregeld voor zover het betreft reizen buiten de
                        gemeentegrens ter uitvoering van een besluit van de raad. De grondslag
                        hiervoor is te vinden in artikel 97 van de Gemeentewet. Vergoed kunnen
                        worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                        vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel
                        geldt (in 2010: € 0,37 bij gebruik van de eigen auto). De vergoeding van de
                        reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is
                        voor €0,19 onbelast en € 0,18 belast ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                        In het Handboek loonheffingen 2010 wordt over de kilometervergoeding
                        opgemerkt: Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                        betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en
                        tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het
                        inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik
                        wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de auto.</al><al> Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige
                        verstrekkingen vallen onder de eindheffing. Kilometervergoedingen die hoger
                        zijn dan €0,19 zijn voordat hogere deel belast.</al><al/><al> Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat
                        de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                        moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende
                        randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten raadsleden</titel></kop><al>Dit artikel regelt de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag hiervoor
                        is te vinden in artikel 97 van de Gemeentewet. Voor raadsleden kunnen
                        verblijfkosten ook worden vergoed ingeval van dienstreizen. Daarvoor gelden
                        dezelfde maxima als voor het rijkspersoneel. </al><al>Voor wethouders is nog van belang dat een vergoeding of verstrekking van
                        maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar onbelast is als de vergoeding of
                        verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. Daarvan is
                        niet zonder meer sprake bij deelname aan raads- en commissievergaderingen,
                        maar wel bij tot in de avond doorlopende vergaderingen waardoor men niet op
                        de gewone tijd kan eten, evenals tijdens dienstreizen. </al><al>Voor zover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 is
                        (vergoedingen en verstrekkingen samen), moet een normbedrag bij het loon
                        worden geteld. Als de vergoeding of verstrekking gedeeltelijk tot het loon
                        moet worden gerekend kan eindheffing plaatsvinden op basis van het
                        tabeltarief. </al><al>Als het zakelijk karakter van niet meer dan bijkomstig belang is moet de
                        vergoeding of de waarde in het economisch verkeer van de verstrekking tot
                        het loon worden gerekend. Bij verstrekkingen in de vorm van maaltijden in
                        bedrijfskantines met een privé-karakter wordt de waarde van een
                        kantinemaaltijd vastgesteld op een forfaitair bedrag. Als de maaltijd in de
                        bedrijfskantine een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft geldt de
                        hoofdregel. De vergoeding of verstrekking van maximaal 80 maaltijden per
                        kalenderjaar is dan onbelast.</al><al/><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                        vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij
                        de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en
                        dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7,18 en 27</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering
                        gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij
                        zijn in verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een
                        onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege
                        de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen,
                        congressen e.d. waaraan het individuele raadslid / wethouder /
                        commissieleden in verband met de vervulling van zijn functie op eigen
                        initiatief deelneemt. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden
                        gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                        kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen.</al><al/><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                        karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                        verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet
                        hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en
                        verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de aangifte
                        inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                        gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8 en 19</nr><titel>Computeren internetverbinding</titel></kop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap en het ambt van wethouder is
                        het gewenst om digitaal beschikbaar te zijn. Hiervoor wordt door de gemeente
                        een maandelijks bedrag beschikbaar gesteld. Van dit bedrag kunnen raadsleden
                        computers met bijbehoren apparatuur en software aanschaffen. Het bedrag is
                        opgebouwd uit een belast deel (aanschaf computer, 900 euro netto voor drie
                        jaar) en een onbelast deel (abonnementskosten internet, 25 euro per maand
                        netto voor vier jaar). Het totale bedrag wordt in maandelijkse termijnen
                        uitbetaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Een raadslid dat gekozen heeft voor het fictief gekozen werknemerschap, als
                        bedoeld in artikel 3 lid 2 van deze verordening, kan gebruik maken van de
                        spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer het raadslid
                        gebruik maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan
                        een levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw
                        van de levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de
                        raadsvergoeding plaatsvinden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                        aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient
                        te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te
                        blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat
                        indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot
                        verlaging of intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
                        Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van
                        arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden.
                        Voor raads- en commissieleden kan dit er toe leiden dat een geringe
                        verhoging van het inkomen door een raads- of commissievergoeding een grote
                        teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit
                        kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raads- of
                        commissiezetel of bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op
                        grond van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten
                        hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 10 van de
                        verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere
                        vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                        anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                        iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                        werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren
                        dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs-
                        en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het
                        inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien daarom
                        iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met
                        het aantal uren dat het UWV voor het raadslidmaatschap in aanmerking neemt.
                        Indien deze verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor
                        de werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het
                        Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt gemeenten de
                        mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is geregeld in artikel 11 van de
                        verordening.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</titel></kop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                        gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                        waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een
                        ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In
                        overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in
                        artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming
                        van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming
                        recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en
                        van de vaste onkostenvergoeding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of
                        de status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding
                        een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald van 4,4%. Bij degenen die
                        hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze door de gemeente
                        ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de inkomstenbelasting. Na afloop
                        van het belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het maximum
                        inkomen waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare inkomsten
                        die in welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden vastgesteld of te
                        veel is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat door de
                        Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen van
                        4,4%. Door tussenkomst van de VNG en op verzoek van een groot aantal
                        gemeenten is als reactie op deze inhouding van de inkomensafhankelijke
                        bijdrage, waardoor de netto raadsvergoeding verminderd deze compenserende
                        tegemoetkoming ingesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                        bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen
                        in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In
                        de vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er
                        is steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het
                        tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van
                        vervanging is het niet nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt
                        over de duur van de vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer
                        binnen de termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin
                        is het mogelijk de vervanging nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw
                        een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat
                        verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16 weken. </al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                        waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                        beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                        behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming
                        van de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het
                        einde van het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor
                        korter zijn dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder
                        enig verzoek of besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de
                        hervatting van het raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk
                        raadslidmaat- schap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                        rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><al>Voor zakelijke kilometers kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden
                        verleend van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte
                        vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel
                        belast. In het Handboek loonheffingen 2010 wordt over de kilometervergoeding
                        opgemerkt:</al><al><cursief> Vergoedingen voor reiskosten die u naast de €0,19 per kilometer
                            betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer-
                            en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor
                            het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem, voor extra
                            benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan
                            de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en tolgelden en voor
                            overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                        eindheffing.</cursief></al><al/><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende
                        doeleinden te salderen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17 en 26</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                        wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                        worden vergoed. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende
                        Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde
                        gedragscode zijn nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om
                        expliciete besluitvorming in het college over buitenlandse reizen en over
                        uitnodigingen daartoe op kosten van derden. Maar ook om bijvoorbeeld de
                        rekening en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als financieel), het
                        meereizen van de partner en het combineren van een dienstreis met een
                        (direct voorafgaande of aansluitende) privé-reis.</al><al/><al> Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk
                        belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de
                        gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in
                        alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Wat hierboven is
                        geschreven over buitenlandse dienstreizen van wethouders geldt mutatis
                        mutandis ook voor buitenlandse excursies en reizen van de gemeenteraad of
                        raadscommissies.</al><al/><al> Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat
                        de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer
                        bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord
                        en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                        beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel> mobiele telefoon</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                        mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10%
                        bedraagt. Zakelijke telefoongesprekken en zakelijk internetgebruik in het
                        buitenland wordt vergoed door de gemeente.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>Een wethouder is een werknemer en kan daarom gebruik maken van de
                        spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder
                        gebruik maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan
                        een levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw
                        van de levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de
                        wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is
                        het slechts mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van
                        het wethouderschap wordt meegenomen naar een volgende werkgever of dat
                        uitbetaling ineens plaatsvindt.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Reis-en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                        gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die
                        niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet
                        verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden.
                        In artikel 23 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in
                        aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor
                        vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De
                        vergoedingen zijn onbelast.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                        geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                        commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                        rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn
                        verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de
                        commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                        belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                        gemeentelijk belang dient. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                        Wel is in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden het maximale
                        bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven.</al><al> In tabel IV van het rechtspositiebesluit raad- en commissieleden, is de
                        hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het bedrag van het
                        presentiegeld is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                        de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid.</al><al>Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de
                        verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is
                        aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt de mogelijkheid om
                        in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde gevallen een
                        hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde
                        maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 15, lid b van het
                        Rechtspositiebesluit raad- en commissieleden.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28 t/m 30</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><al>In deze artikelen zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. </al><al/><al><cursief>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</cursief></al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><al>• reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al><al>• reis- en verblijfkosten van wethouders;</al><al>• reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders;</al><al>• reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al><al>• reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies.</al><al/><al><cursief>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</cursief></al><al>Rekeningen kunnen rechtstreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht
                        in de volgende gevallen:</al><al>• deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden,
                        wethouders en commissieleden;</al><al>• reis- en pensionkosten en verhuiskosten voor wethouders;</al><al>• reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>31 t/m 33</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                        bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad. De nieuwe
                        wethouders zijn later benoemd. </al><al>Ter voorkoming van overgangsbepalingen voor de oude wethouders is gekozen
                        voor intrekking van de oude verordening. Deze intrekking vindt echter pas
                        plaats op het moment van het van kracht worden van de nieuwe verordening. De
                        oude bepalingen hebben daardoor nog steeds werking gehad tot en met het
                        moment van aftreden van de wethouders uit het oude college.</al><al> Bij de inwerkingtreding kan er voor worden gekozen deze bepalingen met
                        terugwerkende kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad
                        werd beëdigd respectievelijk de nieuwe wethouders zijn benoemd en beëdigd.
                        Aangezien in de meeste gemeenten de beëdiging van de nieuwe raad en de
                        nieuwe wethouder niet in dezelfde raadsvergadering heeft plaatsgevonden, is
                        gekozen voor een driedeling:</al><al>• inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden met terugwerkende kracht
                        tot en met 11 maart 2010;</al><al>• inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met terugwerkende kracht tot en
                        met de dag van hun beëdiging. Voor deze formulering is gekozen zodat voor de
                        aftredende wethouders die opdezelfde dag van rechtswege zijn ontslagen als
                        hun opvolgers de benoeming hebben aangenomen, de oude bepalingen van kracht
                        blijven;</al><al>• om dezelfde reden is een splitsing gemaakt voor de inwerkingtreding van
                        hoofdstuk V over deprocedure van declaratie. </al><al/><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                        verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De
                        nieuwe verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de
                        bepalingen over de computer. Immers de bepalingen wat dat betreft uit de
                        vorige verordening zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van
                        de terugwerkende kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag
                        voor artikel 27a uit het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 7a uit
                        het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (Stb. 2006, 8).</al><al/><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook
                        de (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die
                        gehanteerde benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de Verordening:
                        Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>