<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR304077_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand RSD 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bunnik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">huis- aan huisbladen deelnemende gemeenten</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand RSD 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">1. artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2. de artikelen 7 en 8 en 10 tweede lid van de Wet werk en bijstand,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">3. de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorzieningen oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">4. artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschkte gewezen zelfstandigen,</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>toevoeging artikel 24b</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regelinge "Regionale Sociale
                        Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSD)"</al><al>gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur,</al><al>gelet op het advies van het MT van de RSD,</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en
                        10 tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de
                        Wet inkomensvoorzieningen oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschkte gewezen zelfstandigen,</al><al/><al>gelet op de EG-verordening Werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002, Pb EG 2002,
                        L 337/3) en de EG-verordening de minimissteun (nr. 69/2001, Pb EG 2001, L
                        10/30), alsmede de Beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen van de
                        gemeentelijke re-integratieverordeningen in het kader van de Wet Werk en
                        Bijstand (Verzamelcirculaire SZW, 7 april 2004),</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al><vet>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand 2007</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>de gemeenten: alle aan de gemeenschappelijke regeling Regionale
                                    Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug deelnemende gemeenten;</al></li><li nr="c."><al>het algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de
                                    gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn
                                    Heuvelrug;</al></li><li nr="d."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                    gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn
                                    Heuvelrug;</al></li><li nr="e."><al>uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de
                                    Wet werk en bijstand, de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="g."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="h."><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                    nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij de Centrale
                                    organisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="i."><al>Nuggers: personen die als werkzoekenden zijn geregistreerd bij
                                    de Centrale organisatie werk en inkomen en die geen
                                    uitkeringsgerechtigden zijn;</al></li><li nr="j."><al>cliënten: personen tot 65 jaar die op basis van artikel 10 van
                                    de wet aanspraak maken op ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="k."><al>jongeren: uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en Nuggers niet ouder
                                    dan 23 jaar;</al></li><li nr="l."><al>kind: personen als bedoeld in artikel 4 onder d. van de
                                    wet;</al></li><li nr="m."><al>re-integratiebedrijf: een organisatie die in opdracht van, of
                                    namens de gemeente (een deel van) het re-integratiebeleid
                                    uitvoert</al></li><li nr="n."><al>voorziening: een voorziening die het dagelijks bestuur ter
                                    beschikking stelt voor het bieden van ondersteuning als bedoeld
                                    in artikel 7 eerste lid onder a van de wet;</al></li><li nr="o."><al>maatregelenverordening: de verordening als bedoeld in artikel 8,
                                    eerste lid, onderdeel b en artikel 18 van de wet.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2. Opdracht dagelijks bestuur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur biedt aan cliënten ondersteuning bij de
                                    arbeidsinschakeling aan en, voor zover het dagelijks bestuur dat
                                    noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                    arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="2."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van voorzieningen wordt door het dagelijks bestuur een
                                    afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of
                                    de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de
                                    cliënt, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de
                                    arbeid.</al></li><li nr="3."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van voorzieningen kan het dagelijks bestuur
                                    prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden
                                    en maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                    ontwikkelingen.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur bevordert de beschikbaarheid van
                                    voorzieningen voor de opvang van kinderen jonger dan 12 jaar
                                    voor cliënten, voor zover die opvang nodig is voor het volgen
                                    van een traject waarbij gebruikgemaakt wordt van een voorziening
                                </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Sluitende aanpak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elke jongere krijgt binnen 12 maanden na inschrijving bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen een aanbod voor een
                                    voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het dagelijks
                                    bestuur heeft bepaald dat voor deze persoon een volledige
                                    ontheffing van de arbeidsverplichting geldt.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur kan in individuele gevallen afwijken van
                                    het gestelde in het eerste lid.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie-
                            of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                            door het dagelijks bestuur ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt
                            een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening</al><al>Ondersteuning</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5. Doel van de ondersteuning</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur biedt aan een cliënt ondersteuning bij het vinden
                            van algemeen geaccepteerde arbeid zodat de cliënt via de kortste weg een
                            regulier baan vindt.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers alsmede personen als
                                    bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak
                                    op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het
                                    oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur doet een aanbod dat past binnen de
                                    criteria die gesteld zijn in deze verordening en de
                                    beleidsnotitie Re-integratie.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Vorm van ondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ondersteuning kan geboden worden door het aanbieden van een
                                    traject, waarbij voorzieningen worden ingezet, praktische hulp
                                    of advies wordt geboden of waarbij doorverwezen wordt naar
                                    andere instanties.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inzet van voorzieningen wordt gekozen voor de voorziening
                                    die beschikbaar is en adequaat en toereikend is voor het
                                    bereiken van het doel.</al></li><li nr="3."><al>Voorzieningen die gericht zijn op arbeidsinschakeling worden
                                    alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Onderzoek</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan, voordat besloten wordt tot een traject en/of
                            tot de inzet van voorzieningen, een onderzoek (laten) doen naar de
                            mogelijkheden van de cliënt en naar de geschiktheid van de voorzieningen
                            of andere vormen van begeleiding in zijn of haar individuele
                            situatie.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon die door het dagelijks bestuur een voorziening wordt
                                    aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken.</al></li><li nr="2."><al>De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de
                                    volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>Inschrijven bij het CWI, dan wel de inschrijving tijdig
                                            verlengen;</al></li><li nr="b."><al>Het verstrekken van inlichtingen aan het dagelijks
                                            bestuur volgens artikel 17 van de wet, die nodig zijn
                                            voor het bepalen van een geschikt traject en/of een
                                            geschikte voorziening;</al></li><li nr="c."><al>Het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                            van arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>Het voldoen aan een oproep om in verband met de
                                            arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te
                                            verschijnen;</al></li><li nr="e."><al>Het ondertekenen van een trajectplan of plan van aanpak
                                            dat gericht is op het vergroten van de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="f."><al>Het naar vermogen uitvoering geven aan de verschillende
                                            onderdelen van het traject;</al></li><li nr="g."><al>Het naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te
                                            bemachtigen;</al></li><li nr="h."><al>Het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een
                                    voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid,
                                    dan kan het dagelijks bestuur de uitkering verlagen conform
                                    hetgeen hierover is bepaald in de maatregelenverordening. </al></li><li nr="4."><al>Indien de persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                    gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde
                                    in het tweede lid, kan het dagelijks bestuur de kosten van de
                                    voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk
                                    terugvorderen.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10. Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In de beleidsnotitie Re-integratie is vastgelegd welke
                                    voorzieningen het dagelijks bestuur in ieder geval aanbiedt
                                    alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in
                                    deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikel 9 van de wet niet
                                            nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                            doelgroep van de wet, bijvoorbeeld omdat de persoon
                                            algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waardoor geen
                                            gebruik meer wordt gemaakt van deze voorziening;</al></li><li nr="c."><al>indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur de
                                            voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij uitvoeringsbesluit kan het dagelijks bestuur ten aanzien van
                                    de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 15 tot en met 19, met
                                    inachtneming van hetgeen daarover in de beleidsnotitie
                                    Re-integratie is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels
                                    kunnen betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                            aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                            -vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en
                                            premies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                            voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en
                                            het verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Afdeling1.Trajecten gericht op arbeidsinschakeling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Vormen</titel></kop><al>1.Het dagelijks bestuur kan aan de cliënt de volgende trajecten als vorm
                            van ondersteuning, als bedoeld onder artikel 7, eerste lid, van deze
                            verordening aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>Arbeidstrajecten;</al></li><li nr="b."><al>Trajecten gericht op sociale activering als voorloper van een
                                    arbeidstraject.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Arbeidstraject</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het doel van dit traject is zo snel mogelijk de afstand te
                                    overbruggen die de belanghebbende naar algemeen geaccepteerde
                                    arbeid heeft.</al></li><li nr="2."><al>Het arbeidstraject heeft een tijdelijk karakter met de duur van
                                    maximaal twee jaar.</al></li><li nr="3."><al>De cliënt behoudt gedurende het arbeidstraject zijn uitkering op
                                    grond van de wet, tenzij in deze verordening anders is
                                    aangegeven.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Traject gericht op sociale activering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan aan uitkeringsgerechtigden als
                                    onderdeel van een re-integratietraject activiteiten aanbieden in
                                    het kader van sociale activering.</al></li><li nr="2."><al>Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een
                                    traject gericht op arbeidsinschakeling of gericht op het
                                    voorkomen van sociaal isolement.</al></li><li nr="3."><al>Het doel van dit traject is een eerste stap op weg naar regulier
                                    werk te zetten of, als dat doel niet bereikbaar is, een eerste
                                    stap naar zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="4."><al>Dit traject wordt ingezet indien een cliënt een grote afstand
                                    tot de arbeidsmarkt heeft.</al></li><li nr="5."><al>Het traject gericht op sociale activering heeft een tijdelijk
                                    karakter met de duur van maximaal een jaar.</al></li><li nr="6."><al>De cliënt behoudt gedurende het traject gericht op sociale
                                    activering zijn uitkering op grond van de wet, tenzij in deze
                                    verordening anders is aangegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Afdeling2.Voorzieningen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Vormen</titel></kop><al>Onder de trajecten als bedoeld in artikel 11 tot en met 13 van deze
                            verordening vallen in ieder geval de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="o"><al>Doelgroepbepaling;</al></li><li nr="o"><al>Diagnose;</al></li><li nr="o"><al>Sociale activering en zorg;</al></li><li nr="o"><al>Leerwerkstage;</al></li><li nr="o"><al>Proefplaatsing;</al></li><li nr="o"><al>Opstapbaan;</al></li><li nr="o"><al>Scholing;</al></li><li nr="o"><al>Nazorg;</al></li><li nr="o"><al>Work-first;</al></li><li nr="o"><al>Wiw-dienstbetrekking (voormalig verstrekt);</al></li><li nr="o"><al>ID-baan (voormalig verstrekt).</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15. Leerwerkstages</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan cliënten een leerwerkstage aanbieden,
                                    gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring en
                                    ontwikkelen van vaardigheden in een bepaald vakgebied.</al></li><li nr="3."><al>Deze leerwerkstage duurt maximaal 6 maanden, waarbij verlenging
                                    tot een jaar mogelijk is.</al></li><li nr="4."><al>Een leerwerkstage kan gecombineerd worden met scholing of
                                    training.</al></li><li nr="5."><al>Het dagelijks bestuur plaatst de cliënt alleen indien door zijn
                                    plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                    beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="6."><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel van de leerwerkstage, alsmede de wijze waarop de
                                    begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Proefplaatsing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan cliënten een proefplaatsing aanbieden,
                                    gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de proefplaatsing is het opdoen van werkervaring
                                    dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></li><li nr="3."><al>Deze proefplaatsing duurt maximaal 6 maanden.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur plaatst de cliënt alleen indien door zijn
                                    plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                    beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="5."><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd
                                    het doel van de proefplaatsing, alsmede de wijze waarop de
                                    begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Opstapbaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan cliënten met een korte afstand tot de
                                    arbeidsmarkt een opstapbaan aanbieden, gericht op
                                    arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van de opstapbaan is het opdoen van werkervaring en
                                    ontwikkelen van vaardigheden in een bepaald vakgebied.</al></li><li nr="3."><al>De opstapbaan kan in elke sector worden gerealiseerd.</al></li><li nr="4."><al>Deze opstapbaan duurt maximaal twee jaar.</al></li><li nr="5."><al>De bemiddeling en begeleiding zal plaatsvinden door de RSD of
                                    een re-integratiebedrijf. </al></li><li nr="6."><al>De opstapbaan wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                    tussen zowel werkgever en de gemeente als tussen werknemer en de
                                    werkgever.</al></li><li nr="7."><al>De opstapbaan behoudt zijn titel zolang de werkgever een
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 18 van deze
                                    verordening ontvangt.</al></li><li nr="8."><al>De werknemer is voor 36 uur per week in dienst, dan wel zo veel
                                    uur als nodig is om niet meer afhankelijk te zijn van de
                                    uitkering, en ontvangt daarvoor loon, die door de werkgever
                                    bepaald is. </al></li><li nr="9."><al>Zodra de cliënt loon van de werkgever als bedoeld onder lid 6
                                    ontvangt, wordt de uitkering van de cliënt beëindigd.</al></li><li nr="10."><al>De opstapbaan kan gecombineerd worden met scholing of
                                    training.</al></li><li nr="11."><al>Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing
                                    de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                    en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel17a. Detachering als opstapbaan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan cliënten met een korte afstand tot de
                                    arbeidsmarkt een detachering als opstapbaan aanbieden, gericht
                                    op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 17 lid 2 tot en met 11 zijn ook van toepassing op deze
                                    vorm van opstapbanen.</al></li><li nr="3."><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                    schriftelijke overeenkomst.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Loonkostensubsidies gericht op re-integratie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan subsidie verstrekken aan werkgevers
                                    die met een cliënt als bedoeld in artikel 17 en 17a van deze
                                    verordening een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur kan subsidie verstrekken aan werkgevers
                                    die met een cliënt met een middellange afstand tot en met een
                                    grote afstand tot de arbeidsmarkt een arbeidsovereenkomst
                                    sluiten gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="3."><al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het dagelijks bestuur regels ten
                                    aanzien van de duur van de subsidies, de hoogte, en de
                                    verplichtingen die aan de subsidies worden verbonden.</al></li><li nr="4."><al>De subsidies worden alleen verstrekt indien hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing plaatsvindt.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Scholing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan een vorm van scholing aanbieden
                                    gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van scholing is het ontwikkelen van vaardigheden in een
                                    bepaald vakgebied. </al></li><li nr="3."><al>Deze scholing is beroepsgericht en duurt zo kort mogelijk.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit regels ten
                                    aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de
                                    maximale kosten.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Nazorg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan nazorg aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Het doel van nazorg is het voorkomen dat de cliënt terugvalt in
                                    de uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Deze nazorg duurt maximaal 6 maanden.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Vrijlating van inkomsten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de uitkeringsgerechtigde arbeid in deeltijd aanvaardt,
                                    waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de
                                    voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, kan
                                    gedurende maximaal 6 maanden vrijlating van inkomsten uit arbeid
                                    plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder o van
                                    de wet.</al></li><li nr="2."><al>Voor de verlening van de vrijlating kan het dagelijks bestuur
                                    aanvullende voorwaarden stellen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22. Premie aanvaarding algemeen geaccepteerde arbeid of
                                vrijwilligerswerk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan aan personen een activeringspremie
                                    toekennen.</al></li><li nr="2."><al>De uitkeringsgerechtigde die minimaal 6 maanden een uitkering
                                    ontvangt en die algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt of
                                    zelfstandige activiteiten ontplooit waardoor het inkomen meer
                                    bedraagt dan de van toepassing zijnde uitkering, heeft recht op
                                    een eenmalige premie.</al></li><li nr="3."><al>De cliënt die vanuit een door de gemeente gesubsidieerde baan
                                    algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt of zelfstandige
                                    activiteiten ontplooit waardoor het inkomen meer bedraagt dan de
                                    van toepassing zijnde bijstandsuitkering, heeft recht op een
                                    eenmalige premie.</al></li><li nr="4."><al>De premie bedraagt eenmalig E 500 en wordt verstrekt nadat de
                                    dienstbetrekking zes maanden aaneengesloten heeft geduurd.</al></li><li nr="5."><al>De uitkeringsgerechtigde die minimaal 6 maanden een uitkering
                                    ontvangt en die vrijwilligerswerk aanvaardt in het kader van
                                    zijn/haar re-integratietraject, van ten minste 10 uren per week
                                    gedurende ten minste 6 maanden, heeft recht op een eenmalige
                                    premie ter hoogte van E 250.</al></li><li nr="6."><al>De premies genoemd in dit artikel dienen schriftelijk
                                    aangevraagd te worden.</al></li><li nr="7."><al>Geen recht op een premie heeft diegene wiens recht op uitkering
                                    met terugwerkende kracht is ingetrokken wegens verzwijgen van
                                    werkzaamheden.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23. Overige vergoedingen</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan een vergoeding verstrekken voor kosten die
                            gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. </al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24. Persoonsgebonden re-integratiebudget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan aan cliënten een subsidie verstrekken
                                    in de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht
                                    persoonsgebonden re-integratiebudget.</al></li><li nr="2."><al>Onder een persoonsgebonden re-integratiebudget wordt verstaan
                                    een subsidie ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten
                                    van werkzaamheden die zijn gericht op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur stelt bij uitvoeringsbesluit regels met
                                    betrekking tot de uitvoering van dit artikel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel24a. Experimenteerartikel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan besluiten om bij wijze van experiment,
                                    in verband met het vergroten van de doeltreffendheid en
                                    doelmatigheid van het re-integratiebeleid, bij de uitvoering van
                                    deze verordening afwijken van het bepaalde bij of krachtens de
                                    artikelen 9 tot en met 18 van deze verordening. </al></li><li nr="2."><al>In het besluit van het dagelijks bestuur wordt geregeld op welke
                                    wijze en in hoeverre van welke artikelen wordt afgeweken. </al></li><li nr="3."><al>Een experiment als bedoeld in lid 1 duurt maximaal twee jaar.
                                </al></li><li nr="4."><al>het dagelijks bestuur meldt aan de het algemeen bestuur hoe een
                                    experiment is verlopen, alsmede het standpunt inzake de
                                    voortzetting ervan anders dan als experiment.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24b. Afwijkende bepalingen voor jongeren</titel></kop><al>In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de
                            volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van
                            de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakeling van
                            belanghebbenden jonger dan 27 jaar:</al><lijst><li nr="1."><al>onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de
                                    wet;</al></li><li nr="2."><al>de voorzieningen bedoeld in artikel 31, vijfde lid van de
                                    wet.</al></li></lijst><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25. Hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen ten gunste van
                                    de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien
                                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                    aard leidt.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur beslist in gevallen waarin de verordening
                                    niet voorziet.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26. Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                    “Re-integratieverordening Wet werk en bijstand RSD 2007”. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 2007.</al></li><li nr="3."><al>De verordeningen Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand
                                    van alle aan de gemeenschappelijke regeling Regionale Sociale
                                    Dienst Kromme Rijn Heuvelrug deelnemende gemeenten, vastgesteld
                                    in 2005 worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze
                                    verordening ingetrokken.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke
                        regeling “Regionale Sociale Dienst kromme Rijn Heuvelrug” in zijn openbare
                        vergadering van 28 juni 2007.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De directeur, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Re-integratieverordening</vet></al><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Deze verordening regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij de
                    arbeidsinschakeling van cliënten. Die ondersteuning wordt verplicht in artikel 7
                    van de Wet werk en bijstand (WWB) waarin het college van B&amp;W de opdracht
                    bijstandsgerechtigden, Nuggers en Anw-ers en mensen met een gesubsidieerde baan
                    op basis van de Wet inschakeling werkzoekenden of het besluit Instroom/
                    Doorstroom-banen te ondersteunen. Het voorschrift om deze ondersteuning in een
                    verordening vast te stellen volgt uit artikel 8 en artikel 10 WWB.</al><al/><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><thead><row><entry><al>Artikel 8 lid 1 onder a:</al><al>Het algemeen bestuur stelt bij verordening regels met
                                        betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en
                                        het aanbieden van voorzieningen gericht op
                                        arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onderdeel a.</al><al>Artikel 8 lid 2:</al><al>De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben in
                                        ieder geval betrekking op de evenwichtige aandacht voor de
                                        in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, genoemde groepen,
                                        alsmede voor de verschillende doelgroepen daarbinnen, en de
                                        wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken.</al><al>Artikel 10 lid 1en 2:</al><al>1. Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met
                                        een</al><al> nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de
                                        Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden
                                        hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8,
                                        eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het
                                        college noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling.</al><al>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
                                        personen die vanwege een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling niet tot een van de groepen, bedoeld in
                                        het eerste lid, behoren.</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Naast deze wettelijke basis valt uit de memorie van toelichting af te leiden
                    welke zaken in of via de verordening geregeld moeten of kunnen worden:</al><lijst><li nr="-"><al>De aanspraak van de doelgroepen op ondersteuning door de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en
                            subdoelgroepen;</al></li><li nr="-"><al>het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken;</al></li><li nr="-"><al>De beschikbaarheid van financiële middelen.</al></li></lijst><al/><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><al><vet>Artikel 1.Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de
                        Wet werk en bijstand. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><al><vet>Artikel 2. Opdracht dagelijks bestuur</vet></al><al>De WWB geeft aan het dagelijks bestuur de verantwoordelijkheid voor het
                        bieden van ondersteuning. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op
                        ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier
                        zoals de belanghebbende dat het liefst zou zien. Het is aan het dagelijks
                        bestuur om te zorgen voor een voldoende aanbod van voorzieningen. Echter,
                        het dagelijks bestuur heeft daarbij te maken met beperkte middelen, terwijl
                        de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan
                        sociaal-economische factoren.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Sluitende aanpak</vet></al><al>De WIW kende een wettelijke sluitende aanpak voor jongeren (artikel 9).
                        Daarnaast zijn in het kader van de Agenda voor de Toekomst afspraken gemaakt
                        over een sluitende aanpak voor nieuwe instroom en voor het zittend bestand.
                        De WWB kent geen bepaling over sluitende aanpak. De wetgever gaat ervan uit
                        dat door de systematiek van de wet er in de praktijk de facto een sluitende
                        aanpak ontstaat.</al><al>Desondanks is de gemeente van oordeel dat een sluitende aanpak geregeld
                        dient te worden voor jongeren en gewenst is voor nieuwe instroom. </al><al>Het eerste lid geeft de algemene formulering. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de sluitende aanpak niet van toepassing is op
                        diegenen die een ontheffing van de arbeidsverplichting hebben gekregen. </al><al>Het derde lid geeft de mogelijkheid om van de algemene sluitende aanpak in
                        specifieke, individuele gevallen af te wijken.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Budget- en subsidieplafonds</vet></al><al>De gemeente maakt, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling van
                        de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van
                        begrotingsposten kan nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te
                        weigeren. Echter, de gemeente kan wel subsidie- of budgetplafonds
                        instellen.</al><al>Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een
                        subsidieplafond dient bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze
                        geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het dagelijks bestuur
                        doet in het kader van voorzieningen.</al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alléén geen reden kan
                        zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan
                        welke andere, goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. Dit houdt dus in
                        dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Het is wel mogelijk om
                        per voorziening een plafond in te bouwen, waardoor naar een andere
                        voorziening kan worden uitgeweken.</al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het dagelijks bestuur
                        om plafonds in te stellen. Bij de vaststelling van de plafonds wordt
                        verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan en/of in de begroting voor
                        de verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Ondersteuning</titel></kop><al><vet>Artikel 5. Doel van de ondersteuning</vet></al><al>Op het moment dat een traject met de cliënt wordt uitgezet met als doel dat
                        de cliënt een reguliere baan vindt, moet gekeken worden naar de kortste weg
                        tot dit doel. Het kan zijn dat hier een voortraject op het gebied van de
                        sociale activering voor nodig is. In dat geval heeft het traject een
                        tussendoel van zelfstandige maatschappelijke participatie. Echter, het
                        einddoel blijft gelijk: een reguliere baan vinden.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Aanspraak op ondersteuning</vet></al><al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                        verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf
                        geregeld. Toch is er uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie voor
                        gekozen een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste
                        lid).</al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                        aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het
                        aanbieden van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar de documenten
                        waarin die criteria geformuleerd zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Vorm van ondersteuning</vet></al><al>Lid 1 laat zien dat ondersteuning door het aanbieden van een traject een
                        “kan-bepaling” is. Ondersteuning op deze wijze kan, maar moet niet.
                        Ondersteuning kan bestaan uit een door derden uitgevoerde diagnose, gevolgd
                        door een vastgesteld traject met één of meerdere voorzieningen. </al><al>Met de term “adequaat” in lid 2 wordt bedoeld dat bij de toepassing van
                        ondersteuning en inzet van een voorziening voorop dient te staan dat een
                        cliënt zo snel mogelijk uit de uitkering stroomt. Met “zo snel mogelijk”
                        wordt niet alleen de tijd bedoeld tussen de inzet van de voorziening en de
                        werkaanvaarding, maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te
                        bereiken. De diagnose is hierin leidend. </al><al>In lid 3 wordt benadrukt dat re-integratie de kortste weg naar arbeid moet
                        zijn. Dus als de voorzieningen niet nodig zijn, mogen ze niet aangeboden
                        worden. Voorzieningen worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden
                        van algemeen geaccepteerde arbeid (bijna) niet of niet binnen afzienbare
                        tijd mogelijk is.</al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt
                        bij het dagelijks bestuur, dat immers ook verantwoordelijk is voor de
                        effectieve en doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen
                        van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de
                        cliënt. Voor het slagen van het traject is uiteraard de motivatie van de
                        cliënt belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt besloten,
                        de inhoud van het traject. Besproken met de cliënt, waarna het trajectplan
                        door beide partijen ondertekend wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Onderzoek</vet></al><al>Zoals gezegd is de diagnose leidend. Aan de hand van de diagnose moet worden
                        bepaald hoe de cliënt het snelst richting de arbeidsmarkt kan worden
                        begeleid.</al><al>In de meeste gevallen wordt een advies van een bedrijf dat gespecialiseerd
                        is in diagnoses gevraagd, voordat tot de inzet van voorzieningen wordt
                        besloten. Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek besloten worden
                        alsnog advies van derden in te winnen. </al><al>Ook is het denkbaar dat uit het eigen onderzoek al blijkt dat een diagnose
                        door derden en/of de inzet van voorzieningen niet nodig is. </al><al>In lid 2 staat vermeld dat het dagelijks bestuur geen gebruik zal maken van
                        de mogelijkheden genoemd in artikel 55 Wwb, inhoudende iemand met een
                        uitkering te dwingen een medische behandeling te ondergaan.</al><al>Artikel 55 Wwb geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om, naast de
                        verplichtingen die aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen
                        worden, bepaalde andere verplichtingen op te leggen die strekken tot
                        arbeidsinschakeling, dan wel verband houden met aard en doel van een
                        bepaalde vorm van bijstand of strekken tot vermindering of te beëindiging
                        van de bijstand.</al><al>Het dagelijks bestuur kan en zal niemand dwingen tot het ondergaan van een
                        medische behandeling, omdat dit op gespannen voet staat met het recht op
                        bescherming van de integriteit van het menselijk lichaam. </al><al/><al><vet>Artikel 9. Verplichtingen van de cliënt</vet></al><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het
                        recht op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie
                        zijn in het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet
                        geformuleerd. Buiten het handhaven van de verplichtingen conform de wet,
                        moet te allen tijde het doel, duurzame regulier arbeid, in het oog worden
                        gehouden. Tijdelijk werk mag zodoende een traject gericht op duurzame
                        uitstroom niet frustreren<cursief>.</cursief></al><al>Deelname aan re-integratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn
                        reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen
                        gehouden. </al><al>Het derde lid, onder a biedt de verbinding met artikel 11 van de
                        maatregelenverordening. Deze verordening regelt het opleggen van een
                        maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen
                        voldoet. Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering gedurende
                        één maand met een bepaald percentage. </al><al>Echter, voor personen zonder uitkering, ANW-ers en personen in
                        gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als
                        maatregel. Voor hen moeten voorwaarden re-integratietraject gekoppeld
                        worden. Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een
                        traject af te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld
                        als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. </al><al>Het derde lid, onder b geeft criteria aan waarbij tijdelijke ontheffing
                        mogelijk is. Deze criteria zijn nader uitgewerkt in uitvoeringsrichtlijnen.
                        Een cliënt die meent dat hij/zij voor tijdelijke ontheffing in aanmerking
                        komt, zal zelf een beroep moeten doen op het dagelijks bestuur om voor
                        ontheffing in aanmerking te komen.</al><al>Ook wordt het door het vierde lid mogelijk gemaakt kosten op de cliënt te
                        verhalen, als door verwijtbaar handelen een traject niet tot het gewenste
                        resultaat leidt. Om van die mogelijkheid gebruik te kunnen maken, is het
                        wenselijk om de belangrijkste voorwaarden voor het behalen van succes als
                        verplichting op te nemen. Let erop dat dit artikel niet de grondslag vormt
                        voor een eventuele terugvordering. Terugvordering dient te geschieden op
                        basis van de bepalingen in het burgerlijk wetboek<cursief>.</cursief></al><al>Natuurlijk heeft de cliënt ook rechten. Deze rechten zijn meestal elders in
                        wet- of regelgeving ondergebracht. Tegen beslissingen op grond van deze
                        verordening staat bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb). Het recht op inzage in gegevens en zonodig correctie
                        daarvan, is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><al><vet>Artikel 10. Algemene bepalingen over voorzieningen</vet></al><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe
                        enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                        voorzieningen die niet met naam in de verordening zijn opgenomen. Het eerste
                        lid geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van
                        voorzieningen bevat.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het dagelijks bestuur een voorziening kan
                        beëindigen en in welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt
                        hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever.</al><al>Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van voorzieningen aan
                        re-integratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie
                        uit handen gegeven. In het contract met het re-integratiebedrijf moet worden
                        verklaard dat deze re-integratieverordening van toepassing is.</al><al>Het derde lid geeft het dagelijks bestuur de algemene bevoegdheid om voor
                        voorzieningen nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                        subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het dagelijks bestuur
                        over te laten. Bepaling f over het vragen van een eigen bijdrage heeft
                        betrekking op de doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet
                        vanzelfsprekend dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van
                        een eigen bijdrage, gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, is dan op
                        zijn plaats. Dit is ook met zoveel woorden terug te vinden in de Nota naar
                        aanleiding van het verslag van de WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Trajecten gericht op arbeidsinschakeling</titel></kop><al><vet>Artikel 11. Vormen</vet></al><al>Het re-integratieaanbod kent twee soorten trajecten: arbeidstrajecten en
                        trajecten gericht op sociale activering. De diagnose van de cliënt is
                        hierbij leidend. In de diagnosefase wordt bepaald hoe de cliënt het snelst
                        richting de arbeidsmarkt kan worden begeleid. Daarbij is regulier werk
                        altijd het einddoel.</al><al>De voorbereiding op regulier werk houdt in dat de gemeente de overgang van
                        uitkeringsgerechtigheid naar regulier werk zo vloeiend mogelijk moet laten
                        verlopen. Dat betekent dat tijdens een traject zo veel mogelijk een
                        werkrelatie wordt nagebootst. Er moet worden gestreefd naar een traject dat
                        minimaal 20 uur per week in beslag neemt. De rest van de 40 uur heeft de
                        cliënt dan tijd voor arbeidsinschakeling. Op deze wijze kan worden bereikt
                        dat een belanghebbende leert omgaan met aspecten van betaalde arbeid, zoals
                        regelmaat. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Arbeidstraject</vet></al><al>Als uit de diagnose naar voren is gekomen dat iemand een reëel perspectief
                        heeft op regulier werk, dan zal een arbeidstraject worden ingezet. Een
                        casemanager bepaalt in samenwerking met een re-integratiebedrijf welke
                        voorziening wordt ingezet en hoe lang het traject precies zal duren
                        (maximaal 2 jaar). Uitgangspunt hierbij is dat de kortst mogelijke weg wordt
                        genomen.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Traject gericht op sociale activering</vet></al><al>Als uit de diagnose naar voren is gekomen dat iemand nog geen reëel
                        perspectief heeft op regulier werk, dan zal een traject gericht op sociale
                        activering ingezet worden. Volgens de WWB dient sociale activering
                        uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Maar omdat
                        arbeidsinschakeling nog een te hoog gegrepen doel is, staat niet
                        re-integratie, maar participatie voorop. Hiermee wordt voorkomen dat deze
                        mensen buitengesloten raken of blijven in het maatschappelijk verkeer. Na
                        het traject gericht op sociale activering kan een arbeidstraject aangeboden
                        worden. Uitgangspunt hierbij is dat het traject gericht op sociale
                        activering maximaal 1 jaar duurt.</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><al><vet>Artikel 14. Vormen</vet></al><al>Dit artikel geeft aan welke vormen van voorzieningen met naam in deze
                        verordening genoemd worden. Er kunnen nog meer vormen van voorzieningen
                        worden ontwikkeld. Dit moet in het beleidsplan vermeld worden. In artikel 10
                        is reeds opgenomen dat deze verordening ook op deze extra vormen van
                        voorzieningen van toepassing is.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Leerwerkstages</vet></al><al>De leerwerkstage heeft als doel het opdoen van vaardigheden in een
                        vakgebied, waardoor uitstroom naar regulier werk mogelijk wordt gemaakt
                        (training on the job). Voor de term leerwerkstage is gekozen om te
                        benadrukken dat het gaat om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid
                        zelf, maar het leren werken staat centraal. </al><al>Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de
                        leerwerkstage aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar dat de leerwerkstage
                        beschouwd kan worden als een gewone arbeidsovereenkomst. Volgens het
                        arbeidsrecht is er sprake van een arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt
                        aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al>er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid
                                te verrichten;</al></li><li nr="-"><al>die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li><li nr="-"><al>die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li><li nr="-"><al>de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li></lijst><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij leerwerkstages weliswaar sprake is van
                        het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op
                        het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij
                        een leerwerkstage in de regel geen sprake van beloning. Het is daarom
                        verstandig terughoudend te zijn met het verstrekken van een gerichte
                        stagevergoeding. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, maar
                        daarbij moet dan ook daadwerkelijk sprake zijn van een vergoeding van
                        gemaakte kosten.</al><al>Het is in dit kader ook van belang te wijzen op de Modelaanpak
                        Jeugdwerkloosheid die door de Raad voor Werk en Inkomen is opgesteld. Deze
                        modelaanpak beschrijft onder meer de voorwaarden waaronder werken met behoud
                        van uitkering vormgegeven zou moeten worden. </al><al>Over de leerwerkstage wordt daarover het volgende gezegd:</al><al>Doel: Jongeren aanvullende kennis en ervaring op laten doen om daarmee hun
                        kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.</al><al>Arbeidsrelatie: tijdelijke en boventallige leerwerkstage van maximaal 6
                        maanden, geconditioneerd met scholing dan wel uitzicht op een aanstelling,
                        en het recht om als interne kandidaat te solliciteren op vacatures.</al><al>Financiering: behoud van bijstandsuitkering.</al><al>Jongeren kunnen een bonus krijgen, die voor zover verstrekt binnen de kaders
                        van de Wet werk en bijstand door gemeenten niet wordt ingehouden op de
                        uitkering.</al><al>Het eerste lid van artikel 15 geeft de algemene bepaling voor het aanbieden
                        van een leerwerkstage. </al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                        leerwerkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                        geven. Dit is met name van belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat
                        sprake is van een arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling
                        afdwingt.</al><al>De leerwerkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om
                        het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                        zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid krijgt om te
                        bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede
                        plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                        leerwerkstage kan de cliënt wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen,
                        werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. De duur is
                        beperkt tot een half jaar. </al><al>Het vijfde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaatsvindt,
                        of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het
                        dagelijks bestuur kan dit doen door expliciet na te gaan dat het werk dat
                        verricht gaat worden niet productief is, of dat er geen recent ontslag heeft
                        plaatsgevonden.</al><al>In het zesde lid wordt bepaald dat er voor de leerwerkstage een
                        schriftelijke overeenkomst (stage-overeenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan
                        expliciet het doel van de stage worden opgenomen, alsmede de wijze van
                        begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd
                        worden dat het bij een leerwerkstage niet gaat om een reguliere
                        arbeidsverhouding.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Proefplaatsing</vet></al><al>De proefplaatsing heeft als doel het opdoen van werkervaring dan wel het
                        leren functioneren in een arbeidsrelatie. Hiermee wordt bedoeld dat de
                        cliënt gedurende een bepaalde periode “proefdraait” als werknemer om na de
                        periode regulier mee te kunnen draaien in het arbeidsproces.</al><al>Het is, net als bij de leerwerkstage, belangrijk in de gaten te houden onder
                        welke voorwaarden de proefplaatsing aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar
                        dat de proefplaatsing beschouwd kan worden als een gewone
                        arbeidsovereenkomst. Volgens het arbeidsrecht is er sprake van een
                        arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al>Er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid
                                te verrichten;</al></li><li nr="-"><al>Die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li><li nr="-"><al>Die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li><li nr="-"><al>De arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li></lijst><al>Bij de proefplaatsing is weliswaar sprake van het persoonlijk verrichten van
                        arbeid, maar dit is overwegend gericht op het uitbreiden van de kennis en
                        ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een proefplaatsing in de regel
                        geen sprake van beloning. Het is daarom verstandig terughoudend te zijn met
                        het verstrekken van een gerichte stagevergoeding. De cliënt behoudt immers
                        zijn bijstandsuitkering gedurende de proefplaatsing. Er kan wel een
                        onkostenvergoeding worden gegeven, maar daarbij moet dan ook daadwerkelijk
                        sprake zijn van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al>Het eerste lid van artikel 16 geeft de algemene bepaling voor het aanbieden
                        van een proefplaatsing. </al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                        proefplaatsing, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                        geven. Dit is met name van belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat
                        sprake is van een arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling
                        afdwingt.</al><al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. De duur is
                        beperkt tot een half jaar. </al><al>Het vierde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaatsvindt,
                        of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het
                        dagelijks bestuur kan dit doen door expliciet na te gaan dat het werk dat
                        verricht gaat worden niet productief is, of dat er geen recent ontslag heeft
                        plaatsgevonden.</al><al>In het vijfde lid wordt bepaald dat er voor de proefplaatsing een
                        schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel
                        van de stage worden opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze
                        schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een
                        proefplaatsing niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Opstapbaan</vet></al><al>De opstapbaan is een gesubsidieerde baan die bedoeld is om de cliënt sneller
                        op een reguliere baan geplaatst te krijgen. De opstapbaan is alleen bedoeld
                        voor mensen die op korte of middellange termijn naar regulier werk kunnen
                        uitstromen. Gehuwden, of degenen die daarmee gelijk te stellen zijn, worden
                        niet op een opstapbaan geplaatst als zij een partner hebben met een inkomen
                        dat hoog genoeg is om in het gezinsinkomen te voorzien. </al><al>De cliënt treedt in dienst bij de werkgever en ontvangt van de werkgever
                        loon. De werkgever ontvangt van de gemeente een loonkostensubsidie ter
                        hoogte van het wettelijk minimumloon, wanneer de cliënt door de opstapbaan
                        niet meer afhankelijk is van de inkomensverstrekking van de gemeente. De
                        duur van een opstapbaan is beperkt tot 2 jaar. De bemiddeling en begeleiding
                        vindt plaats vanuit een re-integratiebedrijf, die de relatie tussen zowel
                        werkgever en werknemer als tussen werkgever en gemeente vastlegt in een
                        overeenkomst. </al><al>De kracht van deze voorziening is dat er sprake is van een baangarantie van
                        minimaal een jaar. De werkgever wordt aangespoord de dienstbetrekking zonder
                        subsidie voort te zetten waardoor een reguliere arbeidsovereenkomst
                        ontstaat. </al><al/><al><vet>Artikel 17a. Detachering als opstapbaan</vet></al><al>De werkgever in artikel 17 kan ook een (re-integratie)bedrijf zijn dat de
                        werknemer detacheert. In dat geval dient de rechtspositie van de cliënt
                        bekeken te worden. De baangarantie van minimaal een jaar dient van
                        toepassing te zijn, waarbij tussen gemeente en werkgever afgesproken moet
                        worden in hoeverre de inlener aangespoord wordt de werknemer in dienst te
                        nemen. Verder dienst de detachering vastgelegd te worden in een
                        schriftelijke overeenkomst tussen werkgever en inlener, waarvan ook de
                        gemeente op de hoogte gesteld dient te worden.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Loonkostensubsidies gericht op re-integratie</vet></al><al>Het instrument loonkostensubsidies gericht op re-integratie is onder de WWB
                        geheel vormvrij geworden. Bij uitvoeringsbesluit komt de regels tot
                        uitdrukking ten aanzien van de hoogte van de subsidie (eventueel gekoppeld
                        aan de mate van productiviteit), de termijn en de aan de subsidie verbonden
                        verplichtingen (b.v. bieden van scholing en begeleiding). </al><al>Gemeenten dienen hierbij rekening te houden met de EG-regelgeving rond
                        staatssteun.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Scholing</vet></al><al>Scholing betreft educatie op diverse niveaus, of een beroepsgerichte
                        scholing of training die gericht is op het verwerven van functionele
                        vaardigheden voor een specifiek beroep. Deze voorziening kan naast andere
                        voorzieningen worden ingezet. In verband met de andere begripsbepaling
                        (onder de WWB moet een cliënt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden)
                        krijgt deze voorziening een andere betekenis. Er hoeft niet meer primair
                        gekeken te worden naar opleiding, werkervaring etc, maar het aanbod op de
                        markt moet bepalend zijn. Omscholing kan dus noodzakelijk zijn als een
                        cliënt is opgeleid voor een beroep waarnaar geen vraag (meer) is. Is de
                        vraag er nog wel, maar ontbeert de cliënt kennis, dan kan scholing worden
                        ingezet om deze brug te slaan. In alle gevallen is de kortste weg naar
                        regulier werk het uitgangspunt. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Nazorg</vet></al><al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                        cliënten na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de uitkering.
                        Daarom moet aandacht besteed worden aan nazorg, met als doel een werkelijk
                        duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat
                        nazorg geboden wordt ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid, dus
                        niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid maakt begeleiding
                        en advisering normaalgesproken al onderdeel uit van het traject. De nazorg
                        duurt maximaal 6 maanden.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Vrijlating van inkomsten</vet></al><al>Met artikel 31 tweede lid onder o van de WWB wordt het mogelijk gemaakt de
                        inkomsten van uitkeringsgerechtigden die in deeltijd werken voor een deel
                        vrij te laten. De wettelijk geldende bedragen voor de vrijlating van
                        inkomsten zijn in Artikel 31, lid 2o van de WWB te vinden.</al><al>In het tweede lid van dit artikel heeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid
                        om aanvullende voorwaarden te bepalen. Deze voorwaarden zijn vermeld in
                        beleidsnotities in het kader van re-integratie.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Premie aanvaarding algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al>Ondanks dat de cliënt een eigen verantwoordelijkheid heeft in activiteiten
                        gericht op arbeidsinschakeling, wordt uitstroom naar regulier werk toch
                        beloond. </al><al>In de WWB is geregeld in art. 31 lid 2 sub j dat jaarlijks een
                        activeringspremie van maximaal € 1.944 kan worden verstrekt. Deze premie is
                        onbelast, en telt dus ook niet mee bij de toepassing van
                        inkomensafhankelijke regelingen. </al><al>Indien de cliënt, uitkeringsgerechtigde of met een gesubsidieerde
                            baan<cursief>,</cursief> er in slaagt om naar regulier werk uit te
                        stromen, staat er een eenmalige premie van € 470 tegenover nadat de
                        dienstbetrekking 6 maanden aaneengesloten heeft geduurd en de
                        dienstbetrekking geen gesubsidieerde baan is. </al><al>In het vijfde lid is aangegeven dat aan iemand wiens uitkering met
                        terugwerkende kracht is ingetrokken wegens verzwijgen van werkzaamheden geen
                        premie wordt verstrekt. Het toekennen van een premie in een dergelijke
                        situatie zou in strijd zijn met de geest van de WWB. Fraude mag niet lonen. </al><al/><al><vet>Artikel 23. Overige vergoedingen</vet></al><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                        besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen.
                        Men kan denken aan reiskosten, verhuiskosten en kosten voor
                        kinderopvang.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Persoonsgebonden re-integratiebudget</vet></al><al>Het Persoonsgebonden Re-integratiebudget (PRB) is een relatief nieuwe
                        voorziening, waarmee nog niet veel ervaring is opgedaan.</al><al>Om te bekijken in hoeverre PRB als voorziening kan worden aangeboden, wordt
                        een experiment opgezet. De juridische grondslag voor dit experiment is in
                        deze verordening geregeld. Er zullen nadere voorwaarden gesteld moeten
                        worden in de uitvoeringsregels.</al><al/><al><vet>Artikel 24b. Afwijkende bepalingen voor jongeren</vet></al><al>In 2009 heeft het Algemeen Bestuur van de RSD de verordening Werkleeraanbod
                        WIJ vastgesteld. Daarmee is voldaan aan de wettelijke opdracht om, middels
                        een verordening, regels te stellen over de inhoud van het werkleeraanbod.
                        Door het intrekken van de WIJ zal daarmee van rechtswege tevens de
                        verordening Werkleeraanbod WIJ komen te vervallen. De verordening
                        Werkleeraanbod WIJ heeft een andere inhoud dan de Re-integratieverordening
                        WWB. Enerzijds is dit veroorzaakt door het afdwingbare recht op
                        ondersteuning middels een werkleeraanbod, anderzijds door de beperking van
                        het aantal ‘incentives’ dat gemeenten konden verstrekken aan jongeren die
                        gingen werken. Daarnaast is in veel verordeningen Werkleeraanbod WIJ het
                        beleid m.b.t. de arbeidsinschakeling van jongeren opgenomen, of verwezen
                        naar een beleidsnota waarin dit was opgenomen.</al><al/><al>Bij een beleidsarme overgang moet minimaal worden geregeld dat voor wat
                        betreft jongeren niet tot het re-integratie-instrumentarium behoren de
                        volgende ‘incentives’: inkomstenvrijlating, premies, vrijlating van
                        onkostenvergoedingen voor vrijwilligerswerk en plaatsing in
                        participatieplaatsen. Dat is met lid 2 van dit artikel beoogd. Verwezen is
                        naar artikel 31, vijfde lid WWB. In dat artikel wordt aangegeven welke
                        middelen niet vrijgelaten worden bij de verlening van algemene bijstand aan
                        jongeren. (Conform artikel 31, vijfde lid WWB. Zie ook Memorie van
                        Toelichting, TK 32 815, nr. 3, p. …)</al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al><vet>Artikel 25. Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>