<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR303822_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Tekst van de regeling</vet></al><al>De raad van de gemeente Noordwijkerhout;</al><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de ISD Bollenstreek
                        van 20 december 2012;</al><al>gelet op de Gemeenschappelijke Regeling van de Intergemeentelijke
                        Sociale Dienst Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en
                        Teylingen;</al><al>gelet op artikel 147 lid 1 en artikel 108 lid 2 Gemeentewet, artikel 35
                        lid 1 onderdeel b en artikel 20 lid 2 IOAW, alsmede artikel 35 lid 1
                        onderdeel b en artikel 20 lid 1 IOAZ;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen
                        over de aan de bijstand verbonden verplichtingen en het verlagen van de
                        bijstand;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende Maatregelenverordening IOAW en IOAZ ISD
                        Bollenstreek 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover in deze verordening niet anders gedefinieerd, hebben de
                                begrippen dezelfde betekenis als in de IOAW, IOAZ en de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="b."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="c."><al>de IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij
                                        op belanghebbende van toepassing zijn;</al></li><li nr="d."><al>uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5 lid 1
                                        IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde
                                        netto grondslag, bedoeld in artikel 5 lid 4 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van
                                        artikel 20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ alsmede het
                                        blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een
                                        uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW en artikel 20
                                        lid 2 IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op
                                        grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in
                                        dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een
                                        uitkering op grond van de IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de ISD
                                        Bollenstreek.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur een
                            verplichting als bedoeld in artikel 13 lid 2 en lid 4 IOAW/IOAZ of een
                            op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden
                            verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste
                            lid, onderdeel c IOAZ - schendt, wordt overeenkomstig deze verordening
                            een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd
                            indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                            houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het dagelijks
                            bestuur zeer ernstig misdraagt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald bedraagt de duur van de
                                maatregel 1 kalendermaand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>De duur of hoogte van de maatregel wordt verdubbeld, indien de
                            belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit
                            waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                            verwijtbare gedraging op grond waarvan dezelfde of een zwaardere
                            maatregel wordt opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="1."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="2."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="3."><al>het percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of
                                    geweigerd;</al></li><li nr="4."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        dagelijks bestuur of een door hem ingeschakelde derde, om
                                        binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als
                                        bedoeld in artikel 13 van IOAW/IOAZ</al></li><li nr="d."><al>het dagelijks bestuur het horen niet nodig acht voor het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging, de mate van
                                        verwijtbaarheid en de omstandigheden van
                                        belanghebbende.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Waarschuwing of afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan bij een maatregelwaardige gedraging
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien
                                sprake is van een gedraging als bedoeld in artikel 11 de eerste of
                                tweede categorie, tenzij het niet behoorlijk nakomen van de
                                verplichting plaatsvindt binnen een periode van 24 maanden, te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden vóór constatering van die
                                        gedraging door het dagelijks bestuur heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een maatregel
                                indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een
                                maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende
                                daarvan schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een besluit tot afzien van het opleggen van een maatregel op grond
                                van dringende redenen als bedoeld in lid 3, alsmede een besluit om
                                een schriftelijke waarschuwing te geven als bedoeld in lid 1, zijn
                                geen besluiten waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in
                                artikel 5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                                volgende kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot
                                het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                geldende uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan de maatregel met terugwerkende kracht
                                worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één
                                maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt
                                voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 4 lid 1 niet verantwoord is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in
                            artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            dagelijks bestuur aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4 lid 1wordt de maatregel vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>15% van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de eerste
                                        categorie;</al></li><li nr="b."><al>30% van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de tweede
                                        categorie;</al></li><li nr="c."><al>50% van de uitkeringsnorm bij gedragingen van de derde
                                        categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 onder c legt het dagelijks bestuur, indien
                                belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de IOAW en de
                                belemmerende gedragingen, bedoeld in artikel 11 lid 3 onder a
                                dusdanige vormen aannemen dat gesproken moet worden van het door
                                eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                blijvend een maatregel op ter hoogte van het door eigen toedoen niet
                                verkregen netto inkomen uit deze arbeid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                            alsmede nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4 lid 1 legt het dagelijks bestuur, met in
                                achtneming van artikel 20 lid 4 IOAW/ IOAZ, blijvend een maatregel
                                op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in
                                verband met arbeid is verloren en:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door dit gedrag
                                verloren netto inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 4 lid 1 legt het dagelijks bestuur blijvend een
                                maatregel op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op
                                basis van de IOAW en hij weigert hem aangeboden algemeen
                                geaccepteerde arbeid te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet
                                verkregen netto inkomen uit deze arbeid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegen medewerkers
                            werkzaam bij de ISD Bollenstreek, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ, verlaagt het
                            dagelijks bestuur, onverminderd artikel 4 lid 1, de uitkeringsnorm
                            met:</al><lijst><li nr="a."><al>60% gedurende 1 maand bij verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>100% gedurende 1 maand bij (dreigend) fysiek geweld en/of
                                    vernielingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op de
                                bekendmaking van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                ‘Maatregelenverordening IOAW, IOAZ ISD Bollenstreek 2012’
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening IOAW en
                            IOAZ ISD Bollenstreek 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ondertekening</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 februari
                        2013.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. E.A. Jellema drs. G. Goedhart</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE MAATREGELVERORDENING IOAW en IOAZ ISD BOLLENSTREEK
                        2013</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al>Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel
                    bundeling van uitkeringeninkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de
                    inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 heeft de gemeente een
                    grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid gekregen rond de
                    uitvoering van de IOAW, IOAZ, WWIK en Bbz 2004.</al><al>Per 1 januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd,
                    zoals dit ook van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden
                    de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het
                    volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de
                    bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet dus een
                    grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico. Daardoor wordt
                    de gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen.
                    Deze verordening voorziet daarbij in het maatregelenbeleid voor de IOAW en
                    IOAZ.</al><al>Inwerkingtreding Wet aanscherping handhaving en sanctioneren SZW-wetgeving
                    (Fraudewet)</al><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Fraudewet van kracht. Met deze wet wordt de
                    boete geïntrodu-ceerd als er sprake is van schending van de inlichtingenplicht.
                    Daardoor vervalt de maatregel die hiervoor werd opgelegd. De wijziging van deze
                    verordening houdt verband met het wegvallen van de mogelijkheid om een maatregel
                    op te leggen bij schending van de inlichtingenplicht.</al><al>Er is voor gekozen om de maatregelenverordening IOAW en IOAZ zo veel mogelijk
                    analoog aan de WWB maatregelenverordening op te stellen. Hierbij moet worden
                    opgemerkt dat, in afwijking van de WWB, de IOAW en IOAZ in een aantal situaties
                    de mogelijkheid creëren om de uitkering (gedeeltelijk) blijvend te
                    weigeren.</al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                    omschrijvingen verdient enige extra aandacht.</al><al>Onder c. de IOAW/IOAZ</al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een
                    groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud
                    en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet
                    verwezen moet worden.</al><al>Onder e. uitkeringsnorm</al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek systeem in de
                    IOAW en IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te introduceren dat
                    verwijst naar een netto norm.</al><al>Onder f. maatregel</al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk)
                    weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit
                    houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit
                    vlak.</al><al>Onder g. inkomen</al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en
                    IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.</al><al>Onder h. belanghebbende</al><al>Daar de in artikel 20 lid 2 IOAW opgenomen bevoegdheden tot het opleggen van een
                    maatregel, blijkens dat artikel, enkel gelden voor de persoon die is aangewezen
                    op arbeid in dienstbetrekking, is ook het begrip belanghebbende in die zin
                    ingeperkt.</al><tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20 lid 1 IOAZ en artikel 20 lid 2
                    IOAW. Daarbij wordt opgemerkt dat de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13
                    lid 1 IOAW/IOAZ nu is uitgezonderd als maatregelwaardige gedraging. Bij
                    schending van de inlichtingenplicht voorziet de Fraudewet nu in een verplichting
                    tot het opleggen van een bestuurlijke boete.</al><tussenkop>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto norm.</al><tussenkop>Artikel 4 Hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt de algemene duur van een maatregel op 1 kalendermaand. Door
                    de duur van de maatregel in de algemene bepalingen op te nemen, wordt voorkomen
                    dat overal waar een maatregel wordt genoemd steeds weer moet worden aangegeven
                    dat deze voor 1 maand wordt opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 5 Recidive</tussenkop><al>Bij recidive kan de duur of de hoogte van de maatregel verdubbeld worden. De
                    keus tussen een verdubbeling van de standaardtermijn of een verdubbeling van de
                    hoogte gedurende de standaardtermijn kan ondermeer afhangen van de persoonlijke
                    (financiële) omstandigheden van de belanghebbende. Zo zal bij een gezin met
                    kinderen, anders dan bij bijvoorbeeld een thuisinwonende jongere, de “straf”
                    eerder gezocht worden in de duur van de verlaging dan in de verdubbeling van de
                    hoogte.</al><al>In artikel 8 lid 5 is verduidelijkt dat het geven van een waarschuwing of het
                    afzien van een maatregel op grond van dringende redenen niet meetelt voor de
                    recidive.</al><tussenkop>Artikel 6 Het besluit tot opleggen van een maatregel</tussenkop><al>Onder meer op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft dit artikel
                    aan dat de beschikking tot het opleggen van een maatregel tenminste dient te
                    bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>de reden van de maatregel</al></li><li nr="-"><al>de periode waarover de maatregel plaatsvindt</al></li><li nr="-"><al>het percentage en het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd of
                            geweigerd</al></li><li nr="-"><al>als afgeweken wordt van de standaard maatregel wordt dit gemotiveerd in
                            het besluit.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 7 Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij het voorbereiden van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb, behalve bij
                    subsidies). Niettemin wordt uit oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding in dit
                    artikel het horen van de belanghebbende voordat een verlaging wordt opgelegd in
                    beginsel voorgeschreven.</al><al>Lid 2</al><al>Lid 2 bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a. en b.
                    staan ook genoemd inartikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 8 Waarschuwing of afzien van het opleggen van een
                    maatregel</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Als er sprake is van bijvoorbeeld een niet tijdige registratie bij het UWV
                    Werkbedrijf of het verlengen daarvan of van een andere gedraging (niet zijnde
                    het verzaken van de inlichtingenplicht) die niet geleid heeft tot het ten
                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, kan in plaats van een
                    maatregel ook een waarschuwing worden opgelegd. Deze waarschuwing wordt
                    schriftelijk gegeven.</al><al>Als eerder binnen 24 maanden een (schriftelijke) waarschuwing is gegeven,
                    volstaat een waarschuwing niet meer. Een schriftelijke waarschuwing is evenwel
                    geen maatregel. Dat wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in principe
                    een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de recidivemaatregel.</al><al>Lid 2</al><al>Als er geen verwijt gemaakt kan worden, blijft de maatregel achterwege. In dat
                    geval is het ook niet nodig om een beschikking te sturen omdat er geen sprake is
                    van een verwijtbare gedraging.</al><al>Een andere reden om af te zien van een maatregel is dat de gedraging te lang
                    geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit is het
                    nodig dat de maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt
                    opgelegd. Om deze reden is geregeld dat het dagelijks bestuur geen maatregel
                    oplegt voor gedragingen die langer dan 12 maanden geleden hebben
                    plaatsgevonden.</al><al>Lid 3 en 4</al><al>Als het dagelijks bestuur van oordeel is dat sprake is van dringende redenen,
                    kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel. In dat geval meldt het
                    dagelijks bestuur dit schriftelijk aan de belanghebbende.</al><al>Lid 5</al><al>Verduidelijkt is dat het geven van een waarschuwing of het afzien van het
                    opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen niet meetelt voor
                    recidive.</al><tussenkop>Artikel 9 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><al>Lid 1 en 2</al><al>Het verlagen van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht door middel van een herziening van de
                            uitkering</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsgedrag in de eerstvolgende
                            maanden Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt
                            verstrekt, is de gemakkelijkste methode.</al></li></lijst><al>Het dagelijks bestuur hoeft in dat geval niet over te gaan tot herziening van de
                    uitkering en het teveel betaalde bedrag aan uitkering terug te vorderen.</al><al>Om die reden is in dit artikel vastgelegd dat de maatregel wordt opgelegd in de
                    maand volgende op het bekendmaken van de maatregel. Dit is anders als de
                    uitkering nog niet betaald is. In dat geval wordt de uitkering verlaagd in de
                    nog te betalen maand. In dat geval moet de uitkering wel worden herzien en
                    teruggevorderd. De verlaging wordt toegepast op de norm in de maand waarin de
                    verlaging plaatsvindt.</al><tussenkop>Artikel 10 Samenloop van gedragingen</tussenkop><al>Soms doen zich gelijktijdig meerdere verwijtbare gedragingen voor. In dat geval
                    geldt in beginsel een cumulatie van maatregelen. Hier kan ten gunste van
                    belanghebbende van worden afgeweken indien bijvoorbeeld de mate van
                    verwijtbaarheid dat met zich meebrengt.</al><tussenkop>Artikel 11 Indeling in categorieën</tussenkop><al>Ten opzichte van de WWB-maatregelenverordening zijn in deze bepaling geen
                    gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het
                    door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt
                    verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de
                    mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de
                    uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart
                    hoofdstuk opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 12 De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Lid 2</al><al>In lid 2 is uitwerking gegeven aan de binnen de IOAW geboden mogelijkheid om ook
                    bij het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid de
                    uitkering (gedeeltelijk) te weigeren. Hier is ervoor gekozen om op de uitkering
                    dan blijvend een maatregel te leggen ter hoogte van het door eigen toedoen niet
                    verkregen netto inkomen uit deze arbeid. Alsdan kan de belanghebbende in wezen
                    per direct aankloppen voor een aanvulling in het kader van de WWB.</al><al>Binnen het kader van de WWB zal dan moeten worden beoordeeld of belanghebbende
                    recht heeft op WWB (in afwijking van de IOAW en IOAZ kent de WWB een beperkte
                    vermogensvrijlating en een ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre het
                    maatregelwaardige gedrag ook binnen de WWB tot een verlaging zou hebben
                    geleid.</al><tussenkop>Artikel 13 en 14 Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                    arbeid / Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</tussenkop><al>In deze bepalingen zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de
                    uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig
                    uitgewerkt.</al><al>Dringende redenen in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                    Wetboek zijn ontslagredenen zoals misleiding van de werkgever enz.</al><tussenkop>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld.</al><al>Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust
                    gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                    uitkering).</al><al>Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                    dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn
                    dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is
                    dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het dagelijks bestuur legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                    tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><tussenkop>Artikel 16 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 17 Citeertitel</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>