<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR303810_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening WWB ISD Bollenstreek 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijkerhout</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening WWB ISD Bollenstreek 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Tekst van de regeling</al><al>De Raad van de gemeente Noordwijkerhout</al><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke
                        sociale dienst Bollenstreek d.d. 20 december 2012</al><al>gelet op artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, eerste lid,
                        aanhef en onder b, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand en de
                        gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst
                        Bollenstreek</al><al>BESLUIT</al><al>vast te stellen de volgende</al><al>Maatregelenverordening WWB ISD Bollenstreek 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), tenzij
                            anders is aangegeven.</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b
                                    van de wet;</al></li><li nr="c."><al>bijstand: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c van
                                    de wet;</al><al>de aan de jongere verstrekte bijzondere bijstand als bedoeld in
                                    artikel 12 van de wet, voor zover zij recht hebben op die
                                    bijzondere bijstand;</al><al>Voor zelfstandigen die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben
                                    ontvangen wordt onder bijstandsnorm verstaan de norm die op
                                    grond van artikel 78f van de wet op hen van toepassing is;</al></li><li nr="d."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18,
                                    tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                    Intergemeentelijke sociale dienst Hillegom, Lisse,
                                    Noordwijk,Noordwijkerhout, en Teylingen</al></li><li nr="f."><al>belanghebbende: persoon, bedoeld in artikel 1:2 eerste lid van
                                    de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="g."><al>benadelingsbedrag: het bedrag bedoeld in artikel 58 lid 4 van de
                                    wet;</al></li><li nr="h."><al>jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur legt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel op als een belanghebbende tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, dan
                                wel dan wel de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en de Wet
                                structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen - met uitzondering
                                van de inlichtingenplicht o.g.v. artikel 17 eerste lid van de wet en
                                artikel 30 c tweede en derde lid Wet SUWI - niet of onvoldoende
                                nakomt, dan wel de verplichtingen die in de beschikking tot
                                toekenning, wijziging of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen
                                niet, of onvoldoende nakomt, en wanneer een belanghebbende zich
                                jegens het dagelijks bestuur zeer ernstig misdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        dagelijks bestuur om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet, of artikel 38, tweede lid, van het Bbz; of</al></li><li nr="d."><al>het dagelijks bestuur het horen niet nodig acht voor het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien
                                aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing
                                van artikel 12 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan de maatregel ook worden toegepast op de
                                bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de wet, met dien
                                verstande dat de verlaging niet meer kan bedragen dan de bijstand
                                waarop belanghebbende recht zou hebben gehad indien er geen grond
                                voor verlaging van de bijzondere bijstand zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan de maatregel ook worden toegepast op de
                                bijzondere bijstand voor premie arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                aan zelfstandigen die bijstand voor levensonderhoud krachtens de Bbz
                                ontvangen of hebben ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld</al><lijst><li nr="1."><al>de reden van de maatregel</al></li><li nr="2."><al>de duur van de maatregel</al></li><li nr="3."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd</al></li><li nr="4."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwing of afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan bij een maatregelwaardige gedraging
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien
                                sprake is van een gedraging als bedoeld in artikel 10 leden 1 en 2
                                tenzij het niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                                binnen een periode van 24 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering van die
                                        gedraging door het dagelijks bestuur heeft
                                        plaatsgevonden,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een maatregel
                                indien het daarvoor dringende reden en aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een
                                maatregel op grond van dringende redenen,wordt de belanghebbende
                                daarvan schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                                volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot
                                het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van
                                een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel
                                worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die
                                uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van een kalendermaand,
                                tenzij in deze verordening een afwijkende termijn is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het besluit, inhoudende een verlaging van meer dan 3 maanden wordt
                                door het dagelijks bestuur eens per drie maanden heroverwogen voor
                                zolang deze uitkering duurt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer
                                dan één verplichting, als bedoeld in de navolgende artikelen en het
                                niet nakomen van deze verplichtingen voorkomt uit één gedraging,
                                wordt slechts één maatregel opgelegd bij verschil die uit de hoogste
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer
                                dan één verplichting, als bedoeld in de navolgende artikelen en het
                                niet nakomen van deze verplichtingen voorkomt uit verschillende
                                gedragingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel
                                opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit
                                gelet op artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur of hoogte van de maatregel wordt verdubbeld, indien
                                belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel is opgelegd, zich opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging op grond waarvan dezelfde of een
                                zwaardere maatregel wordt opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot afzien van een maatregel op grond van dringende
                                redenen,als bedoel in artikel 6 lid 3 alsmede een besluit om een
                                waarschuwing te geven als bedoeld in artikel 6 lid 1 zijn geen
                                besluiten waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in lid
                                1.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>SCHENDING VAN DE VERPLICHTINGEN MET BETREKKING TOT DE
                            ARBEIDSINSCHAKELING EN TEGENPRESTATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tekortschieten in het naleven van de arbeidsverplichtingen en de
                                tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 15% verlaagd indien
                                belanghebbende: zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                bij het UWV werkbedrijf of het niet tijdig verlengen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 30% verlaagd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende niet naar vermogen tracht algemeen
                                        geaccepteerd arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan een
                                        onderzoek naar de mogelijkheden van
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>er anderszins sprake is van een gedraging die de
                                        inschakeling in arbeid belemmert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 50% verlaagd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende niet of in onvoldoende mate gebruik maakt van
                                        een door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening als
                                        bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b en artikel 10,
                                        eerste lid van de wet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende niet of in onvoldoende mate de door het
                                        dagelijks bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                                        nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid
                                        onder c van de wet naar vermogen verricht;</al></li><li nr="c."><al>de jongere in de 4 weken na melding en registratie bij het
                                        UWV-werkbedrijf niet of in onvoldoende mate inspanningen
                                        doet om algemeen geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in
                                        regulier bekostigd onderwijs te verkrijgen en de jongere
                                        niet wordt uitgesloten van het recht op bijstand;</al></li><li nr="d."><al>de jongere in onvoldoende mate meewerkt aan het opstellen,
                                        uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld
                                        in artikel 44a van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijstand wordt gedurende 1 maand met 100% verlaagd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid niet
                                        aanvaard;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan, bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid, van de wet, wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende
                                als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op
                                (bijzondere)bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als tekort schietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan, bedoeld in het eerste lid, wordt mede
                                gerekend het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid en het onvoldoende trachten algemeen
                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de periode voorafgaande aan de
                                bijstandsverlening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                        periode van korter dan 6 maanden;</al></li><li nr="b."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij een
                                        periode van langer dan 6 maanden;</al></li><li nr="c."><al>100%van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien
                                        belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                                        toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig
                                        wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van
                                        het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht. Deze
                                        maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm gedurende 1
                                        maand en vervolgens 20% van de bijstandsnorm gedurende de 2
                                        daaropvolgende maanden indien belanghebbende één of meer ten
                                        laste komende kinderen heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De maatregel, bedoeld in het tweede lid, wordt overeenkomstig het
                                gestelde in het derde lid sub a en b vastgesteld voor zover de
                                gedraging betrekking heeft op het door eigen toedoen niet behouden
                                van algemeen geaccepteerde arbeid en op 60% gedurende een maand
                                indien sprake is van onvoldoende trachten algemeen geaccepteerde
                                arbeid te verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De afstemming op grond van een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld
                                in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid de bijstand tevens te
                                verstrekken in de vorm van een geldlening, zoals bedoeld in artikel
                                48, tweede lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen zoals bedoeld
                            in de artikelen 55 WWB en 38 eerste lid Bbz zijn opgelegd en deze niet
                            in voldoende mate worden nagekomen wordt een maatregel opgelegd van 60%
                            van de norm gedurende 1 maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            dagelijks bestuur of zijn medewerkers onder omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, wordt
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van</al><lijst><li nr="a."><al>60 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij verbaal
                                    geweld;</al></li><li nr="b."><al>100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij
                                    (dreigend) fysiek geweld en/of vernielingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inwerkingtreding en toepassing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking de dag volgend op zijn
                                bekendmaking</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                                maatregelenverordening WWB ISD Bollenstreek 2012 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening WWB ISD
                            Bollenstreek 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ondertekening</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 februari 2013.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. A.E. Jellema drs. G. Goedhart</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>De regeling in de Wet werk en bijstand</titel></kop><al>Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, WWB bevat de opdracht aan de
                        gemeenteraad om een maatregelenbeleid in een verordening vast te
                        leggen.</al><al>Een maatregel wordt opgelegd wanneer de uit de wet voortvloeiende
                        verplichtingen- met uitzondering van de verplichting op grond van artikel 17
                        lid 1 WWB en artikel 30c tweede en derde lid Wet Suwi-niet niet tijdig of in
                        onvoldoende mate wordt nagekomen, dan wel wanneer belanghebbende
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening
                        in het bestaan</al><al>In het eerste lid van artikel 18 WWB wordt gesproken over het afstemmen van
                        de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                        mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Omdat gesproken wordt van
                        het afstemmen van de bijstand, is er geen sprake van een punitieve
                        sanctie.</al><al>In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de
                        uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de
                        uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de
                        individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                        uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                        tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op
                        een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                        onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling
                        van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                        uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook
                        van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het
                        college (dagelijks bestuur) tot het oordeel komt dat een
                        bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                        wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar
                        van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid
                        ontbreekt, ziet het college(dagelijks bestuur) af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                        gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de
                        maatregelenverordening.</al><al>De term ‘maatregel’</al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende
                        zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                        terminologie van de WWB aangeduid als het afstem men van de uitkering op de
                        mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met de
                        begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten
                        en plichten één kant van dezelfde medaille vormen.</al><al>Zonder dat uitgangspunt los te laten, is wordt het verlagen van de bijstand
                        vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aangeduid als het
                        opleggen van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het
                        spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt
                        ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Het opleggen van een
                        maatregel is géén punitieve sanctie, waarbij het leedtoevoegend karakter
                        voorop staat, maar een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd),
                        gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de
                        bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering
                        verbonden verplichtingen nakomt.</al><al>In de Memorie van Toelichting op de WWB wordt steeds gesproken over de
                        ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de
                        juridische grondslag vormt om maatregelen op te leggen wanneer een
                        uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, wordt de
                        verordening aangeduid als ‘maatregelenverordening’. De voorheen ook wel
                        gehanteerde term ‘afstemmingsverordening’ wordt ook landelijk weinig meer
                        gebruikt, ook omdat deze weinig aanspreekt. Mede daarom is er voor gekozen
                        voortaan de term Maatregelenverordening te hanteren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Het verlagen van de bijstand</titel></kop><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan de bijstand worden
                        verlaagd.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen worden opgelegd over
                        de bijstand, bedoeld in artikel 5, onderdeel c WWB (de op belanghebbende van
                        toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen, alsmede op de bijzondere
                        bijstand .</al><al>De maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een
                        maatregel. Daarbij is het aspect van rechtszekerheid voor de burger van
                        groot belang. De verordening geeft aan in welke gevallen er een maatregel
                        opgelegd kan worden. Dat houdt tevens in dat het niet toegestaan is om een
                        zwaardere sanctie op te leggen dan volgens de verordening is
                        toegestaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met de Participatieverordening</titel></kop><al>Gemeenten moeten ook een participatie (re-integratie) verordening
                        vaststellen. In die verordening legt de gemeenteraad vast hoe de gemeente
                        klanten bij de arbeidsinschakeling ondersteunt en hoe de gemeente omgaat met
                        het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden
                        van voorzieningen zijn: scholing, loonkostensubsidies, gesubsidieerde
                        arbeid, sociale activering, premies, kinderopvang en stages. In beginsel
                        wordt aan iedere klant de arbeidsverplichting opgelegd. De algemene
                        verplichting staat in de wet genoemd. Gemeenten kunnen deze verplichting
                        echter ook nader specificeren (invullen met specifieke voorzieningen) en de
                        specificaties in de beschikking vastleggen. In de Participatieverordening
                        wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die de gemeente (ISD) kan
                        inzetten. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking.
                        Indien een klant de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot
                        een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                        maatregelenverordening.</al></divisie><divisie><kop><titel>Regelen in de verordening of in beleidsregels</titel></kop><al>Het vastleggen van gedragingen die een schending van een verplichting van de
                        wet betekenen, kan in beginsel op twee manieren. De eerste mogelijkheid is
                        dat de gemeente alle denkbare gedragingen die een schending van een
                        verplichting inhouden in de verordening vastlegt. Dit heeft als voordeel dat
                        bijstandsgerechtigden weten waar ze aan toe zijn. Alleen die gedragingen die
                        in de verordening worden genoemd, kunnen leiden tot het opleggen van een
                        maatregel. Het nadeel is de gebrekkige flexibiliteit. De verordening moet
                        worden aangepast als blijkt dat een bepaalde gedraging die in principe wel
                        een schending van een verplichting betekent, niet in de verordening is
                        opgenomen.</al><al>De tweede mogelijkheid is dat de gedragingen in hoofdlijnen in de
                        verordening worden opgenomen en dat het college deze nader uitwerkt in
                        beleidsregels. Het voordeel van beleidsregels is dat deze gemakkelijker
                        kunnen worden gewijzigd en dat afwijken van beleidsregels onder bepaalde
                        voorwaarden mogelijk is. Beleidsregels bieden dus meer mogelijkheden voor
                        flexibiliteit.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen de gedragingen in hoofdlijnen vast te
                        leggen. Dit betekent dat het college (dwz het dagelijks bestuur) daarnaast
                        in beleidsregels kan vastleggen welke soort gedragingen vallen onder de
                        algemeen omschreven aanduidingen.</al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met het Bbz</titel></kop><al>Deze verordening is ook van toepassing op de verlening van bijstand op grond
                        van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het gaat hierbij
                        primair om de verlening van algemene bijstand voor het levensonderhoud, en
                        de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en
                        premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm staat in
                        artikel 1, onderdeel g, Bbz.</al><al>Het gaat ook om uitbreiding van het begrip medewerkingsplicht, Het gaat
                        hierbij om de verplichting, opgenomen in artikel 38, tweede lid van het
                        Bbz:</al><al>De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren
                        een administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na
                        afloop van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het college over te
                        leggen. Die plicht geldt ook als de gemeente om de administratie vraagt,
                        bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te beoordelen in het geval
                        verlenging van de uitkeringstermijn aan de orde is.</al><al>Een verdere aanpassing is niet nodig. Immers, voor zelfstandigen die een
                        uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen, geldt ook de
                        medewerkingsplicht.</al><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                        definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                        boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel b, Bbz dat
                        het college de bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de
                        bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van
                        het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede lid. In
                        artikel 47 Bbz is opgenomen dat het college kosten van bijstand in de vorm
                        van een geldlening terugvordert, indien de zelfstandige de uit de geldlening
                        voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt. Het college is
                        onder toepassing van beide artikelen gehouden de geldlening over het
                        betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige terug te vorderen, in het
                        geval de hier bedoelde verplichting niet wordt nagekomen. Er is in dat geval
                        in principe geen aanleiding om tevens een maatregel op grond van deze
                        verordening op te leggen: de gehele jaaruitkering wordt immers al
                        teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag
                        om niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                        gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                        overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is
                        dan ook gen aanleiding voor een maatregel, nog daargelaten dat een maatregel
                        niet op een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen gedragingen
                        en maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het
                        verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en
                        hun partners het volgende:</al><al>De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden alleen voor
                        de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten
                        minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen
                        (artikel 38, derde lid Bbz).</al><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen aan de
                        partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens
                        rechthebbende is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de zin van het
                        Bbz is, of fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de
                        zelfstandige. Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met
                        de meewerkuren in het bedrijf of zelfstandig beroep van de
                        zelfstandige.</al><al>De in hoofdstuk 3 opgenomen gedragingen die leiden tot een maatregel
                        (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, nadere verplichtingen en
                        zeer ernstige misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot
                        een maatregel. Artikel 18, tweede lid, van de wet is onverkort van
                        toepassing op het Bbz.</al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door het
                        college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige bedrijfs- of
                        beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in onvoldoende mate,
                        dan is het college bevoegd om een maatregel op te leggen, omdat de
                        zelfstandige door deze verplichting niet of niet voldoende na te komen,
                        blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                        voor de bestaansvoorziening.</al><al>De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking
                        van de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte,
                        inruil dure leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke
                        abonnementen etc.), op verbetering van de omzet (effectievere acquisitie,
                        verandering brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling
                        internetverkoop etc.), of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later
                        blijkt dat de zelfstandige niet (volledig) aan de gestelde verplichtingen
                        heeft voldaan, kan dat leiden tot beëindiging van de bijstand, of
                        voortzetting van de bijstand met een maatregel. Uiteraard is het opleggen
                        van een maatregel alleen aan de orde, indien er nog sprake is van een
                        lopende Bbz-uitkering. Als geen benadelingbedrag of –periode kan worden
                        vastgesteld - en dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen en de
                        daarbij geldende specifieke verplichtingen vaak het geval - dan geldt de
                        maatregel, van artikel 14 (20% van de bijstandnorm voor één maand).</al><al>Wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid kan een beroep op Bbz worden gedaan.
                        Dan kan eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens tekortschietend besef
                        van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat
                        primair uit van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit
                        kader betekent dit dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het
                        afsluiten van een toereikende particuliere
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering wordt beschouwd als een
                        voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige die verwijtbaar geen
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering of een arbeidsongeschiktheidsverzekering
                        met een te lage dekking of te lange wachttijd heeft afgesloten en die bij
                        ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op bijstand (Bbz), heeft een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening
                        betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van artikel 15,
                        eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het ingaan
                        van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke
                        onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen
                        doen op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend
                        omdat aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering
                        is voldaan, een maatregel aan de orde zijn.</al><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                        beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van
                        het bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige
                        (bijvoorbeeld door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog
                        uitgavenpatroon). Als daarvan sprake is, is een maatregel wegens
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening
                        aan de orde.</al></divisie><divisie><kop><titel>Inwerkingtreding Wet aanscherping handhaving en sanctionering
                            SZW-wetgeving (Fraudewet)</titel></kop><al>Met ingang van 1januari 2013 is de Fraudewet van kracht. Met deze wet wordt
                        de boete geïntroduceerd als er sprake is van schending van de
                        inlichtingenplicht. Daardoor valt de maatregel die hiervoor werd opgelegd
                        weg. Deze maatregelenverordening wijkt af van maatregelenverordening WWB ISD
                        Bollenstreek 2012. Enerzijds door het wegvallen van de maatregel bij
                        schending van de inlichtingenplicht en anderzijds door het opnemen van een
                        maatregel die verband houdt met het wegvallen van rechten op passende en
                        toereikende voorliggende voorzieningen (denk bijv. aan de WW) zodra aldaar
                        een bestuurlijke boete wordt opgelegd vanwege het herhaaldelijk schenden van
                        de inlichtingenplicht</al></divisie><divisie><kop><titel>Tenslotte</titel></kop><al>Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om onduidelijkheden die in de
                        praktijk leefden bij de uitvoering van de (oude) maatregelenverordening WWB
                        ISD Bollenstreek 2012 zoveel mogelijk weg te nemen. Zie daarvoor de
                        artikelsgewijze toelichting.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de WWB, de Bbz en de Algemene wet
                        bestuursrecht, tenzij anders is aangegeven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Eerste lid De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering een
                        aantal verplichtingen.</al><al>Deze verplichtingen zijn onder meer:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB). Deze plicht
                                bestaat uit twee soorten verplichtingen:</al></li></lijst><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en
                        deze te aanvaarden; en</al><al>de plicht om gebruik te maken van een door het college aangeboden
                        voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                        verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                        verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                        bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening (participatieverordening)
                        die elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen
                        van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen moeten in het
                        besluit tot het verlenen van bijstand worden neergelegd.</al><al>3.De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB) . Dit is de plicht van
                        uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen
                        die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                        medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                        zoals:</al><al>x het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid WWB, noemt een gedraging die in ieder geval een
                        schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college
                        zeer ernstig misdragen’.</al><al>Tweede lid</al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het dagelijks bestuur dient
                        een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden
                        van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt
                        met zich mee dat het dagelijks bestuur bij elke op te leggen maatregel zal
                        moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.</al><al>Dit betekent dat het dagelijks bestuur bij het beoordelen of een maatregel
                        moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                        bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                        bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                        maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                        verwijtbaarheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                        subsidies.</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Een maatregel wordt toegepast op de bijstand (lid 1), de bijzondere bijstand
                        (lid 2) en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen (lid
                        3).</al><al>Lid 1</al><al>Onder de bijstand wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke
                        toeslag of verlaging inclusief vakantiegeld, de aan de jongere verstrekte
                        bijzondere bijstand als bedoeld in artikel</al><al>12 van de wet, voor zover zij recht hebben op die bijzondere bijstand (lid
                        2) en de norm die op grond van artikel 78f van de wet op zelfstandigen die
                        onder de regeling van de Bbz vallen van toepassing is.</al><al>Lid 2</al><al>Onder bijzondere bijstand de bijstand als bedoeld in artikel 35 WWB.</al><al>De WWB kent geen grond om bijzondere bijstandsaanvragen die het gevolg zijn
                        van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijzen. Wel kan
                        op de bijzondere bijstand in dergelijke gevallen een maatregel worden
                        toegepast (zie ook CRvB LJN: BL7308, WWB 08/3397). De maatregel kan maximaal
                        de hoogte hebben van het bedrag waarvoor bijzondere bijstand zou zijn
                        toegekend zonder toepassing van de maatregel, zodat per saldo voor de
                        betreffende aanvraag geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.</al><al>Indien bijvoorbeeld wordt vastgesteld dat belanghebbende een beroep doet op
                        de bijzondere bijstand omdat hij heeft nagelaten een aanvullende
                        ziektekosten verzekering af te sluiten dan kan derhalve een maatregel worden
                        opgelegd ter hoogte van het bedrag dat hij anders ontvangen zou hebben van
                        de aanvullende ziektekostenverzekering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                        plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende
                        uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene
                        bijstand op grond van artikel 45 WWB genomen.</al><al>Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit
                        tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen
                        beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden
                        aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                        worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) en met het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste
                        houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke
                        motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwen of het afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>In plaats van het opleggen van een maatregel kan in gevallen dat er sprake
                        is van een niet tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet
                        tijdig verlengen daarvan dan wel (algemeen geformuleerd) sprake is van een
                        gedraging die de inschakeling in arbeid belemmert als bedoeld in artikel 10
                        lid 2 ook een waarschuwing worden opgelegd. Deze waarschuwing wordt
                        schriftelijk gegeven</al><al>Als eerder binnen 24 maanden en een (schriftelijke) waarschuwing is gegeven
                        volstaat een waarschuwing niet meer. Een schriftelijke waarschuwing is
                        evenwel geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in
                        principe een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de
                        recidivemaatregel.</al><al>Tweede lid</al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Het
                        dagelijks bestuur kan in beleidsregels neerleggen hoe het van plan is om te
                        gaan met de beoordeling van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te
                        geven welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en
                        welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan in beleidsregels worden
                        vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van verzachtende
                        omstandigheden of dringende redenen.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat
                        het dagelijks bestuur geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die langer
                        dan een jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Als wordt afgezien van het op leggen van een maatregel op grond van
                        dringende redenen wordt dit schriftelijk aan belanghebbende gemeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste methode. In dat geval behoeft niet te worden over gegaan
                        tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand
                        terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel
                        wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt
                        uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</al><al>Tweede lid</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet
                        de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al>Derde lid</al><al>Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening
                        verstrekt en na afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over
                        dat boekjaar definitief vastgesteld. Dat maakt het mogelijk om een maatregel
                        met terugwerkende kracht toe te passen bij de definitieve vaststelling van
                        de bijstand.</al><al>Vierde lid</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd, en voor
                        de duur van een kalendermaand. Door een maatregel voor een bepaalde periode
                        op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt
                        geconfronteerd waar hij aan toe is. Het dagelijks bestuur kan na afloop van
                        de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel
                        opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.</al><al>Vijfde lid</al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het dagelijks bestuur de maatregel aan een herbeoordeling moeten
                        onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                        maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                        herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij
                        alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                        gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of
                        het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan
                        worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar
                        bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                        voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                        gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                        meebrengt.</al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                        gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan
                        van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Recidive</titel></kop><al>Recidive maakt het meer verwijtbaar dan standaard. Daarom wordt bij recidive
                        de standaardtermijn genoemd in de verordening verdubbeld of, indien meer
                        gewenst, de hoogte van de verlaging.</al><al>De keus tussen een verdubbeling van de standaardtermijn of een verdubbeling
                        van de hoogte gedurende de standaardtermijn kan onder meer afhangen van de
                        persoonlijke (financiële) omstandigheden van de belanghebbende. Zo zal bij
                        een gezin met kinderen, anders dan bij bijvoorbeeld een thuisinwonende
                        jongere, de “straf” eerder gezocht worden in de duur van de verlaging dan in
                        de verdubbeling van de hoogte.</al><al>In lid 2 is verduidelijkt dat het geven een waarschuwing of het afzien van
                        een maatregel op grond van dringende redenen niet meetelt voor de
                        recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tekortschieten in het naleven van de arbeidsverplichtingen en de
                            tegenprestatie</titel></kop><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere
                        gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.</al><al>Dit artikel is zo opgebouwd dat per lid een steeds ernstiger gedraging wordt
                        weergegeven met dientengevolge een hogere (standaard) maatregel.</al><al>Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstand dan wordt
                        verlaagd, hebben twee vragen een rol gespeeld.</al><lijst><li nr="1."><al>In hoeverre voldoet de beoogde verlaging van de bijstand aan de
                                eisen van proportionaliteit en evenredigheid als de betreffende
                                gedraging in ogenschouw wordt genomen?</al></li><li nr="2."><al>In hoeverre zal het opleggen van de maatregel effectief zijn, in de
                                zin dat de maatregel de beoogde gedragsverandering bij de
                                bijstandsgerechtigde zal bewerkstelligen?</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                        de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening
                        kan houden door het opleggen van een maatregel. Dit geldt ook voor de
                        situatie dat belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt. Zie in dit
                        verband ook het bepaalde in artikel 4 lid 3.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken, zoals:</al><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                        alimentatievordering.</al><al>Tweede lid</al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat tot tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid tevens wordt gerekend het voorafgaand aan de aanvraag
                        en door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid dan
                        wel het in onvoldoende mate algemeen geaccepteerde arbeid te
                        verkrijgen.</al><al>Volgens vaste jurisprudentie kan het door eigen toedoen niet behouden van
                        algemeen geaccepteerde arbeid namelijk niet worden teruggevoerd op artikel
                        10 van deze verordening, maar op artikel 11 omdat deze gedraging valt onder
                        het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (artikel 18 WWB),
                        zie onder meer LJN BN9720, CRvB 06.10.2010.</al><al>Derde lid</al><al>In het derde lid is sprake van een vast kortingspercentage op bijstand
                        (100%) en wordt ernst van de gedraging uitgedrukt in de duur van de
                        maatregel. Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld
                        te worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven,
                        indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. In het
                        derde lid worden hiervoor richtlijnen gegeven. Dit laat onverlet de
                        mogelijkheid voor het dagelijks bestuur om af te wijken van duur en/of
                        hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                        omstandigheden van de belanghebbende. Zie in dit verband ook het bepaalde in
                        het vijfde lid.</al><al>Sub c. van het derde lid heeft betrekking op de invoering van de Fraudewet
                        per 1 januari 2013.</al><al>Het betreft hier de situatie dat de voorliggende voorziening (UWV,SVB en ISD
                        (ook voor de IOAW en IOAZ) het uitstaande boetebedrag voor een termijn van
                        maximaal 5 jaren in beginsel dient te verrekenen zonder rekening te houden
                        met de beslagvrije voet. Dit houdt in dat de belanghebbende zodra de
                        verrekening wordt geëffectueerd in beginsel geen beschikking heeft over zijn
                        uitkering en indien andere middelen ontbreken, zal belanghebbende dan een
                        beroep moeten doen op bijstand.</al><al>In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende
                        voorliggende voorziening teloor is gegaan aangemerkt als tekortschietend
                        besef van verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom maatregelwaardige
                        gedraging op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al>De hoogte van de maatregel komt overeen met de positie van de
                        bijstandsgerechtigde die voor de tweede keer een boete krijgt opgelegd op
                        grond van herhaaldelijk frauderen (de zogenaamde robuuste incasso).</al><al>Vierde lid</al><al>In het vierde lid wordt meer specifiek ingegaan op de gedragingen als bedoel
                        in lid 2.</al><al>Onderscheid wordt daarbij gemaakt op het door eigen toedoen niet behouden
                        van algemeen geaccepteerde arbeid en het onvoldoende trachten die arbeid te
                        verkrijgen.</al><al>Vijfde lid</al><al>Het vijfde lid geeft aan dat de bijstand ook verstrekt kan worden in de vorm
                        van een geldlening indien er sprake is van een ”ongenoegzaam besef”. Dit zal
                        met name toegepast kunnen worden in situaties waarbij bijvoorbeeld te snel
                        een bedrag aan vermogen is ingeteerd of waarbij een schenking is gedaan. De
                        hoogte van de geldlening zal dan maximaal overeenkomen met het te snel
                        ingeteerde bedrag enz</al><al>Voor de toepassing van het Bbz wordt verwezen naar de algemene toelichting,
                        onder de kop ‘ De relatie met het Bbz’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Zie hiervoor de algemene toelichting, onder de kop ”de relatie met het Bbz”
                        Voor het overige betreft het hier verplichtingen die niet direct
                        “’herleidbaar” zijn tot de artikelen 10 en 11 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                        tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente
                        bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                        artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van WWB.</al><al>In artikel 1, tweede lid, van de WWB, wordt gesproken over ‘het zich jegens
                        het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                        agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                        aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Er kan dus geen
                        maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen
                        tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                        uitvoering van de WWB, bijvoorbeeld UWV WERKbedrijf of
                        re-integratiebedrijf.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                        volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                        ernstiger) worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                        plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                        geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand
                        het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                        (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                        onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid
                        met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                        verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het dagelijks bestuur legt een maatregel op, terwijl de
                        functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                        politie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding en toepassing</titel></kop><al>Geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>