<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR303041_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2012 nr. 26</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, eerste lid, onderdeel b en h, 9a lid 12 en artikel 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-08-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/64</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2010.</al><al>Deze verordening werkt terug tot 1 januari 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b en h, 9a lid 12 en artikel 18
                        van de Wet werk en bijstand;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 juli 2012 ;</al><al/><al>overwegende dat,</al><al/><al>bij verordening regels dienen te worden gesteld ter verlaging van de
                        bijstand,</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2012</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel
                                    18, tweede lid van de wet; </al></li><li nr="g."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Steenwijkerland ;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende: degene als genoemd in artikel 1:2 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht, waaronder mede begrepen het
                                    gezin;</al></li><li nr="i."><al>benadelingsbedrag: de als gevolg van het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag betaalde bijstand, verhoogd met de loonbelasting
                                    en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens
                                    de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede
                                    met de vergoeding bedoeld in artikel 46 van de
                                    Zorgverzekeringswet, voor zover deze belasting, premies en
                                    vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college
                                    af te dragen loonbelasting, premies Volksverzekeringen en
                                    vergoeding; </al></li><li nr="j."><al>traject: een re-integratietraject als bedoeld in artikel 1, lid
                                    2, sub g van de re-integratieverordening Wet werk en
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 30c,
                                tweede lid en/of derde lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, tenzij de
                                verordening anders bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="1."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="2."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in deze
                                verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm plus
                                de op grond van artikel 12 WWB verleende bijzondere bijstand’. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in deze
                                verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende
                                bijzondere bijstand’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet; of</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al> elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al> de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt
                                        waardoor ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel
                                        wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                        opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                        gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel
                                indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm, tenzij de verordening anders bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voorzover de ingangsdatum daardoor niet voor
                                de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan driemaanden wordt opgelegd,
                                wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen als genoemd in artikel 18, tweede lid van
                                de wet wordt de maatregel behorende bij de gedraging van de hoogste
                                categorie opgelegd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen plichten tot arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste</vet><vet>categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen of het niet of niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate verstrekken van
                                            inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het
                                            bepalen van een geschikt re-integratietraject en/of
                                            geschikte voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling
                                            en/of sociale activering;</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om, in
                                            verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen; </al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            als bedoeld in artikel 5 van de
                                            re-integratieverordening; </al></li><li nr="d."><al>het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar
                                            uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken
                                            gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid,
                                            van de wet;</al></li><li nr="e."><al>het in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid of artikel 55 van de
                                            wet, gedurende 4 weken na de melding in de zin van
                                            artikel 43 vierde en vijfde lid van de wet;</al></li><li nr="g."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b van de wet niet te willen nakomen, hetgeen
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing als
                                            bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de wet op grond
                                            van artikel 9a, vijfde lid, onderdeel d van de wet;</al></li><li nr="h."><al>het zich niet laten inschrijven bij uitzendbureaus;</al></li><li nr="i."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                            opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid
                                            onderdeel c, van de wet. </al><al/></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Derde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een
                                            doorhet collegeaangeboden
                                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling, of het niet
                                            of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende
                                            onderdelen van het re-integratietraject, inclusief
                                            voorzieningen of trajecten gericht op sociale
                                            activering; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de
                                            specifieke verplichtingen die het college aan een
                                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                            verbindt, inclusief specifieke verplichtingen verbonden
                                            aan sociale activering;</al></li><li nr="c."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren. </al><al/></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Vierde categorie:</vet></al><al>Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onderdelen a
                                tot en met d wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid
                                onderdelen a tot en met d, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een
                                maatregel opgelegd van maximaal honderd procent van de bijstand
                                gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft
                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                bijstand, bedraagt de maatregel vijf procent van de bijstand
                                gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van één jaar na bekendmaking van een besluit
                                waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een
                                als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het eerste
                                lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet, niet tijdig of niet
                                behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
                                periode van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft
                                        geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                        verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de
                                        hoogte van het benadelingsbedrag.</al><al/></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 500,-: 5% van de
                                                bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 500,- tot € 1000,-:
                                                10% van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-:
                                                20% van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                                40% van de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="e."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100%
                                                van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van het
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt
                                onderzocht door het openbaar ministerie. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De oplegging van de maatregel blijft definitief achterwege indien
                                ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende een
                                strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is
                                vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nieuwe aanvraag</titel></kop><al>Indien verlaging van de bijstandsnorm overeenkomstig artikel 12 niet
                            mogelijk is, wordt de bijstandsnorm verlaagd gedurende de eerstvolgende
                            maand(en) nadat aan belanghebbende binnen twee jaar nadat de betreffende
                            gedraging heeft plaats gevonden, opnieuw een uitkering is
                            toegekend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Het college legt een maatregel op als belanghebbenden een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan hebben betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                            wet, waardoor belanghebbenden een beroep moeten doen op bijstand dan wel
                            eerder of langer een beroep moeten doen op bijstand. Daarbij worden de
                            volgende categorieën onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste</vet><vet> categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
                                            tot stand te brengen;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede</vet><vet> categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het verkopen van de woning beneden de WOZ-waarde;</al></li><li nr="b."><al>het te snel interen van vermogen dat meer bedroeg dan de
                                            toepasselijke vermogensgrens;</al></li><li nr="c."><al>onderbedeling bij echtscheiding;</al></li><li nr="d."><al>te late of geen aanvaarding van een voorliggende
                                            voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                            sociale zekerheidsuitkering;</al></li><li nr="g."><al>bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
                                            toegekende alimentatie;</al></li><li nr="h."><al>het niet hebben van een op grond van de
                                            Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering;</al></li><li nr="i."><al>overige gedragingen die als een tekortschietend besef
                                            van verantwoordelijkheid in de voorziening van het
                                            bestaan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 18,
                                            tweede lid, van de wet, waardoor belanghebbenden een
                                            beroep moeten doen op bijstand dan wel daar eerder of
                                            langer een beroep op moeten doen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overige gedragingen waarvoor het college een maatregel oplegt.</titel></kop><al>Het college legt belanghebbenden een maatregel op als zij verplichtingen
                            van artikel 55 en/of 57 van de wet niet of onvoldoende nakomen. Daarbij
                            worden de volgende categorieën onderscheiden:</al><al/><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste</vet><vet> categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee
                                            te werken aan een noodzakelijke behandeling van medische
                                            aard, die op grond van artikel 55 van de wet is
                                            opgelegd.</al></li><li nr="b."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de
                                            budgetteringsplicht die op grond van artikel 57, sub a,
                                            van de wet is opgelegd;</al></li><li nr="c."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van verplichting mee te
                                            werken aan een schuldsanering, die op grond van artikel
                                            55 van de wet is opgelegd.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede</vet><vet> categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de op grond van
                                            artikel 55 van de wet opgelegde verplichting om
                                            partneralimentatie te vorderen van de (ex-)echtgenoot of
                                            (ex-)geregistreerd partner;</al></li><li nr="b."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de op grond van
                                            artikel 55 van de wet opgelegde verplichting om
                                            kinderalimentatie te vorderen van degene die
                                            onderhoudsplichtig is voor het kind of de kinderen.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte en duur van de maatregel ingevolge artikel 14 en 15 wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                                gedraging van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                                een gedraging van de tweede categorie.</al></li></lijst><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid onder b is de hoogte van de
                                maatregel bij een gedraging als bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                                onder h, gelijk aan de hoogte van de vergoeding die belanghebbende
                                zou hebben ontvangen als hij wel een verplichte basisverzekering op
                                grond van de Zorgverzekeringswet zou hebben afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                een hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid
                                belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het
                                college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van maximaal
                                honderd procent van de bijstand gedurende maximaal drie maanden. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                bedoeld in artikel 5, tweede lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel
                                18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van
                                vijftigprocent van de bijstandsnorm gedurende een maand.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder zeer ernstige misdraging tegenover het college of zijn
                                ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van
                                de WWB, wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien er sprake is van recidive zoals genoemd in het derde lid dan
                                kan de cliënt de toegang tot het Werkplein Steenwijk worden ontzegd
                                door het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2012 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Maatregelenverordening Wet werk en
                            bijstand 2010 en werkt terug tot 1 januari 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk
                            en bijstand 2012.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Steenwijkerland op 18
                        september 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, A.ten Hoff</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene</label><nr>toelichting</nr><titel/></kop><divisie><kop><label>De regeling in de Wet werk en bijstand</label></kop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB per 1 januari 2004 vervalt het
                            systeem van boeten en maatregelen van de Algemene bijstandswet (de
                            artikelen 14 tot en met 14f, nader uitgewerkt in het Maatregelenbesluit
                            Abw, Ioaw en Ioaz (Stb.1996/360 en Stb.1996/662), hierna te noemen:
                            Maatregelenbesluit en het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Stb.
                            2000, 462), hierna te noemen: Boetebesluit. In plaats daarvan moeten
                            gemeenten zelf hun maatregelenbeleid vormgeven. De WWB kent slechts één
                            soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als sanctie voor
                            uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden
                            verdwijnt.</al><al/><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid
                            in een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden
                                    verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en
                                    middelen van de belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                                    collegetekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                    betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze
                                    wet dan wel de artikelen 30c, tweede en derde lid, van de Wet
                                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen
                                    het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het
                                    college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8,
                                    eerste lid, onderdeel b, de bijstand. Van een verlaging wordt
                                    afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede
                                    lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                    maanden bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende
                                    mede verstaan het gezin.</al><al/></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                                <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                            verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van
                            de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                            de uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht
                            wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                            omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. </al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten
                            en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                            is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                            onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de
                            vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de
                            toepasselijke bijstandsnorm en de beschikbare middelen van de
                            belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                            worden nagekomen. Wanneerhet collegetot het oordeel
                            komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                            onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen
                            sprake van een bevoegdheid, maar van een
                            <cursief>verplichting</cursief>. Alleen wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                            gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de
                            Maatregelenverordening Wet werk en bijstand. </al></divisie><divisie><kop><label>Verplichtingen van belanghebbende</label></kop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit drie soorten verplichtingen:</al></li><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            te verkrijgen en de plicht om deze te aanvaarden;
                                            en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen moeten nader
                                            worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                            toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                                            bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening vormt
                                            de juridische basis voor het opleggen van deze
                                            specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen worden in
                                            het besluit tot het verlenen van bijstand
                                            neergelegd.</al></li><li nr="-"><al>de plicht tot tegenprestatie. Het college heeft de
                                            bevoegdheid om belanghebbende te verplichting om
                                            maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                    uitkeringsgerechtigde rust de verplichting om aan het college op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                    van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college<cursief>
                                        de </cursief>medewerking te verlenen die redelijkerwijs
                                    nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht
                                    kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals het
                                    meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens
                            </cursief>het college<cursief> zeer ernstig misdragen’. </cursief></al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                            betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan
                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) te verstrekken
                            die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30c, tweede
                            lid, Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV, waarvan
                            hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                            op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand of
                            de hoogte of de duur van de bijstand (artikel 30c, derde lid, Wet
                            SUWI).</al></divisie><divisie><kop><label>De term ‘maatregel’</label><nr/></kop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in
                            de terminologie van de WWB aangeduid als het
                                <cursief>afstemmen</cursief> van de uitkering op de mate waarin de
                            belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                            ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en
                            plichten twee kanten van dezelfde medaille vormen. </al><al/><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                            verplichtingen wordt in deze verordening aangeduid als <cursief>het
                                opleggen van een maatregel</cursief>. Daarmee wordt niet alleen
                            aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen
                            gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter ervan benadrukt. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel is géén
                            <cursief>punitieve</cursief>sanctie, waarbij het
                            leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een
                                <cursief>reparatoire</cursief> sanctie, gericht op het (weer) in
                            overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin
                            de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen
                            nakomt. Een uitzondering vormt een maatregel vanwege schending van de
                            inlichtingenplicht. Een verlaging van de bijstand vanwege een schending
                            van de inlichtingenplicht dient wel te worden aangemerkt als een
                            punitieve sanctie als bedoeld in artikel 15 IVBPR (CRvB 24 april 2007,
                            nr. 06/2556 WWB).</al><al/></divisie><divisie><kop><label>De relatie met de re-integratieverordening</label><nr/></kop><al>De gemeente moet gelijktijdig met de maatregelenverordening ook een
                            re-integratieverordening vaststellen. In deze verordening is vastgelegd
                            hoe de gemeente de klanten gaat ondersteunen bij de arbeidsinschakeling
                            en hoe zij omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing,
                            loonkostensubsidies, werkstages, werkervaringsbanen, sociale activering
                            en trajectplannen. </al><al/><al>In beginsel wordt aan iedere klant de arbeidsverplichting opgelegd. De
                            algemene verplichting staat in artikel 9 van de wet. De gemeente kan
                            deze verplichting nader specificeren en de specificaties in de
                            beschikking vastleggen. </al><al/><al>Indien een klant de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel
                            tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                            maatregelenverordening.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de begrippen in de WWB.</al><al>Het begrip ‘<cursief>benadelingsbedrag</cursief><cursief>’ </cursief> is
                            in deze verordening opgenomen. Dit begrip komt niet voor in de wet, maar
                            is van belang omdat in artikel 12 de maatregel wordt afgestemd op het
                            benadelingsbedrag. Bij de omschrijving van het begrip is uitgegaan van
                            de omschrijving van het begrip kosten van bijstand als genoemd in de
                            Memorie van Toelichting op artikel 58 vierde lid van de WWB (TK
                            2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 77-78 (Memorie van Toelichting WWB,
                            artikelsgewijs).</al><al>Ook het begrip <cursief>‘traject’</cursief> is in de verordening
                            opgenomen. Bij de omschrijving van dit begrip is aansluiting gezocht bij
                            de re-integratieverordening Wet werk en bijstand.</al><al>In de verordening wordt het begrip <cursief>‘belanghebbende’</cursief>
                            gebruikt.Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet
                            collegesrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een
                            besluit is betrokken’. In navolging van artikel 18, vierde lid van de
                            wet is gesteld dat hieronder mede verstaan wordt het gezin. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit twee soorten verplichtingen: </al></li><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            te verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader
                                            moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen
                                            die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                                            de bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening die
                                            elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis
                                            voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                            verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen
                                            van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                    uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB). Dit is de
                                    plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                                    concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens
                            </cursief>het college <cursief>zeer ernstig misdragen’. </cursief></al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden die een
                            uitkering aanvragen. Het betreft de verplichting om alle gevraagde
                            gegevens en bewijsstukken aan het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                            door het college (artikel 30c, tweede lid Wet SUWI). Daarnaast heeft een
                            belanghebbende ook de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan hem redelijkerwijs
                            duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                            bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de
                            duur van de bijstand. Deze laatste verplichting geldt niet indien die
                            feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij
                            wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen
                            worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen
                            administraties (artikel 30c, derde lid Wet SUWI).</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd<cursief>: </cursief>het
                            college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                            omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.
                            Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                            maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                            van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de
                            duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van
                            de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                            betekenen. </al><al/><al>Dit betekent dat het collegebij het beoordelen of een
                            maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke, telkens de volgende drie
                            stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al><al/></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de
                            beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 5. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden
                            kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de bijstandsnorm<cursief>, </cursief>tenzij de verordening
                            anders bepaalt. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke
                            norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                            vakantietoeslag. </al><al/><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>In artikel 3 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                            verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan
                            een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                            artikel 12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage
                            jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van
                            aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als
                            een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou
                            dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom
                            is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag
                            in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm plus de verleende bijzondere
                            bijstand op grond van artikel 12 WWB. </al><al>Artikel 3 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat
                            het college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de
                            bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.
                            Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk
                            bijzondere bijstand is verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12 Awb). </al><al/><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. In
                            onderdeel c is, conform artikel 4:8, tweede lid van de Awb, geregeld dat
                            een belanghebbende ook niet gehoord hoeft te worden als hij niet heeft
                            voldaan aan een wettelijke verplichting om inlichtingen te vestrekken.
                            Dit betreft het in de hersteltermijn verstrekken van inlichtingen aan
                            het college of aan derden als bedoeld in artikel 7 van de wet, aan wie
                            het college werkzaamheden heeft uitbesteed.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid,
                            WWB.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de
                            effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden
                            wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor
                            gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden als
                            gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag
                            aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn
                            van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die in
                            artikel 14e van de Algemene bijstandswet stond in verband met het
                            opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een
                            termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de
                            gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig
                            zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te
                            stellen. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
                            een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd.</al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>De beslissing om af te zien van het opleggen van een maatregel wegens
                            dringende redenen moet worden meegedeeld door middel van een besluit.
                            Dit is van belang in verband met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                            plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat
                            in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                            rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met
                            name uit het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder
                            andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering
                            wordt voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering vindt plaats door middel van
                            verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Er
                            wordt hierbij uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm,
                            tenzij de verordening anders bepaalt.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, dan kan het praktisch zijn om de
                            verlaging van de uitkering met terugwerkende kracht te laten
                            plaatsvinden met ingang van de voorafgaande kalendermaand(en). Daarnaast
                            kan het college met terugwerkende kracht een maatregel opleggen als de
                            belanghebbende geen uitkering meer ontvangt. Van belang is wel dat de
                            ingangsdatum niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging
                            plaatsvindt. Op grond van artikel 54 derde lid WWB en artikel 58, eerste
                            lid, onder a WWB kan de als gevolg van de maatregel ten onrechte
                            betaalde bijstand worden teruggevorderd.</al><al/><al><vet>Derde</vet><vet> lid</vet></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door
                            een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de
                            maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan
                            wel weer een apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                            zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen.
                            Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Er mag zelf worden bepaald wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als
                            dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                            waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht
                            worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat:het
                            college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel
                            wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden
                            waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende
                            persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                            gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden
                            uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing
                            is. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                            gelijktijdig plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen verplichtingen tot arbeidsinschakeling</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het niet nakomen van de plicht tot
                            arbeidsinschakeling worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is
                            de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                            voor het niet verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. </al><al/><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet
                            omschreven dan in het oude Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat
                            de WWB, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een algemene
                            omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete
                            invulling van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden
                            afgestemd op de mogelijkheden van de individuele bijstandsgerechtigde. </al><al/><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om
                            zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV en ingeschreven te
                            doen blijven. Onderdeel b betreft het verstrekken van inlichtingen aan
                            het college die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt
                            re-integratietraject en/of geschikte voorzieningen </al><al/><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een
                            actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van
                            de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Onderdeel b
                            betreft het voldoen aan oproepen. Daarnaast dient de belanghebbende mee
                            te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 5 van de
                            re-integratieverordening (onderdeel c). De onderdelen d, e en f zijn
                            maatregelwaardige gedragingen die alleen betrekking hebben op jongeren
                            van 18 tot 27 jaar. </al><al/><al>Onderdeel g. Op verzoek van de alleenstaande ouder met een kind jonger
                            dan vijf jaar is het college verplicht een ontheffing van de
                            verplichting van artikel 9 lid 1 onderdeel a WWB te geven (artikel 9a
                            lid 1 WWB). Wel blijft de alleenstaande ouder verplicht mee te werken
                            aan een re-integratietraject (artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB). Dit
                            traject zal voor ouders zonder startkwalificatie bestaan uit scholing
                            (artikel 9a lid 10 WWB). Ouders met startkwalificatie kunnen op verzoek
                            in aanmerking komen voor een vervolgopleiding (artikel 9a lid 11 WWB).
                            Vanaf 1 januari 2012 zijn colleges verplicht een maatregel op te leggen
                            als uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder blijkt dat
                            deze niet aan re-integratieplicht wil voldoen (artikel 9a lid 12 WWB).
                            Dit moet dan wel bij verordening geregeld zijn (artikel 8 lid 1
                            onderdeel h WWB).</al><al/><al>Op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient er een
                            maatregel uit de tweede categorie te worden opgelegd wanneer een
                            belanghebbende nietaan de verplichting voldoet om zich bij
                            uitzendbureaus in te laten schrijven (onderdeel h). </al><al/><al>Onderdeel i. Het college is vanaf 1 januari 2012 bevoegd (niet
                            verplicht) om bijstandsgerechtigden naar vermogen onbeloonde
                            maatschappelijke nuttige activiteiten te laten verrichten (artikel 9 lid
                            1 onderdeel c WWB). Indien bijstandsgerechtigden daar niet aan mee
                            willen werken, is sprake van een maatregelwaardige gedraging.</al><al/><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die (in-)direct een
                            aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak
                            langer voortduren hiervan. Dergelijke gedragingen betreffen het niet of
                            niet naar vermogen gebruikmaken van een door het
                            collegeaangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                            of het niet of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende
                            onderdelen van het re-integratietraject inclusief sociale activering
                            (onderdelen a), alsmede het niet voldoen aan de hieraan verbonden
                            verplichtingen (onderdeel b). Werk Nu valt onder een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij gedragingen
                            die de inschakeling in de arbeid belemmeren (onderdeel c) gaat het zowel
                            om niet verantwoorde beperkingen, die de belanghebbende stelt ten
                            aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid, als om gedragingen
                            die de kansen op arbeidsinschakelingen verminderen. Negatieve
                            gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop
                            de belanghebbende zich bij een sollicitatie opstelt.</al><al/><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Deze gedraging leidt direct tot
                            bijstandsafhankelijkheid. Om die reden geldt voor die gedraging een
                            maatregel van 100%. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. De percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd wijken
                            enigszins af van het Maatregelenbesluit. Bij het vaststellen van de
                            percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd is invulling gegeven aan
                            de eisen van proportionaliteit en evenredigheid. Ook is gekeken naar de
                            effectiviteit van de maatregel in de zin dat de maatregel de beoogde
                            gedragsverandering zal bewerkstelligen. Omdat uit de praktijk gebleken
                            is dat de huidige maatregelen voor met name de categorieën 2 en 3 niet
                            effectief zijn, zijn in de verordening de percentages voor genoemde
                            categorieën naar boven bijgesteld. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake
                            is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate
                            van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de
                            duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een
                            maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                            geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                            opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                            categorie binnen de termijn van twaalf maanden, kan een maatregel worden
                            opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal
                            drie maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Indien een belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van
                            belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd
                            verstrekt, kan het collegehet recht op bijstand opschorten
                            (artikel 54, eerste lid, WWB). Het college geeft de belanghebbende
                            vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                            hersteltermijn).</al><al/><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de
                            gemeente verstrekt, dan kan het college het besluit tot toekenning van
                            de bijstand intrekken. Intrekken is uitsluitend aan de orde wanneer het
                            recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Worden de gevraagde
                            gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand
                            voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de
                            hoogte van de maatregel. </al><al/><al>Verder wordt in dit lid de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het
                            verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze
                            gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van
                            nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                            vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een
                            maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                            geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                            opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer
                            worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare
                            gedraging wederom hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte
                            en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld,
                            waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende.</al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Als het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht geen gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand,
                            kan volstaan worden met een schriftelijke waarschuwing. De gemeente
                            kende onder het oude regime ook al de schriftelijke waarschuwing en deze
                            blijkt in de praktijk goed te werken. Een schriftelijke waarschuwing is
                            geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in
                            principe een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de
                            recidivemaatregel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek
                            of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en de
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. Onder onverwijld moet worden verstaan uiterlijk binnen 30
                            dagen, gerekend vanaf het moment waarop het te melden feit of
                            omstandigheid zich heeft voorgedaan, dan wel kenbaar werd voor
                            belanghebbende.</al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                            benadelingsbedrag. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk
                            gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de
                            schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de
                            belanghebbende is betaald. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is
                            van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate
                            van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de
                            duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen een
                            maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                            geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 24
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                            opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer
                            worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare
                            gedraging wederom hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte
                            en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld,
                            waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende. </al><al/><al><vet>De relatie met de strafrechtelijke sanctie (vierde en vijfde
                                lid)</vet></al><al/><al>Wanneer het gaat om verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
                            geldt de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (zie Stcrt. 2008, nr. 249).
                            Op grond van deze Aanwijzing is het college het aangewezen orgaan om
                            corrigerend op te treden voor fraudezaken tot een nadeelbedrag van €
                            10.000,-.</al><al/><al>Uitgangspunten: Geen vervolging, tenzij geen mogelijkheid bestaat tot
                            het nemen van een bestuursrechtelijke maatregel. De grens van € 10.000,-
                            voor strafrechtelijke afdoening geldt onder de Wet werk en bijstand niet
                            voor zaken tegen verdachten die geen bijstandsuitkering (meer) genieten
                            en waartegen de gemeente derhalve geen corrigerende maatregel meer kan
                            opleggen. Daarbij hanteert het OM een ondergrens van € 1.000,-.
                            Benadelingsbedragen lager dan € 1.000,00 doet het OM in principe niet
                            af. In een aantal in de ‘Aanwijzing sociale zekerheidsfraude’ nader
                            omschreven situaties gaat het OM ook over tot strafrechtelijke afdoening
                            als het benadelingsbedrag lager is dan € 10.000,00.</al><al/><al>Boven de grens van € 10.000,00 wordt in principe strafrechtelijk
                            opgespoord en vervolgd. De Aanwijzing bevat bovendien een voorziening
                            dat het Openbaar Ministerie contact onderhoudt met het college. </al><al/><al>Indien het college van de inlichtingenfraude aangifte doet bij het
                            Openbaar Ministerie, dient het af te zien van een verlaging wegens de
                            inlichtingenfraude. Anders zou er sprake zijn van een dubbele
                            bestraffing, hetgeen in strijd is met het beginsel van 'ne bis in idem'.
                            Er is echter geen sprake van dubbele bestraffing indien belanghebbende
                            voor een andere rechtsfeit wordt vervolgd dan voor de
                            inlichtingenfraude.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nieuwe aanvraag</titel></kop><al>Wanneer de uitkering niet kan worden verlaagd overeenkomstig de situatie
                            zoals beschreven in artikel 12, omdat de uitkering reeds is beëindigd,
                            volgt een verlaging gedurende de eerstvolgende maand(en) indien binnen
                            twee jaar na de verwijtbare gedraging opnieuw een uitkering wordt
                            toegekend, om op deze wijze alsnog een maatregel te kunnen
                            toepassen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te betonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft betoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                            van een maatregel. </al><al>Gedragingen als bedoeld in dit artikel leiden ertoe dat belanghebbenden
                            eerder of langer een beroep moeten doen op bijstand. De gedragingen
                            worden onderscheiden in twee categorieën. De eerste en tweede categorie.
                            De ernst van gedraging is daarbij het onderscheidend criterium. De
                            maatregel dient afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende. </al><al/><al><vet>Eerste lid</vet>(eerste categorie)</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot
                                        stand te brengen. </vet></al><al>Een belanghebbende heeft de verplichting om bij
                                    echtscheiding of het ontbinden van een samenleving zo spoedig
                                    mogelijk een boedelscheiding tot stand te brengen. Er dient al
                                    het mogelijke te worden ondernomen om dit te bewerkstelligen.
                                    Middelen verkregen uit de boedelscheiding kunnen er immers toe
                                    leiden dat belanghebbende geen beroep op bijstand hoeft te
                                    doen;</al><al/></li></lijst><al><vet>Twe</vet><vet>ede</vet><vet> lid</vet>(tweede categorie)</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Verkoop eigen woning beneden de
                                        </vet><vet>WOZ-waarde</vet><vet>.</vet></al><al>Een woning kan voor aanvang van de bijstand of
                                    tijdens de bijstandsverlening worden verkocht voor een prijs
                                    aanzienlijk beneden de werkelijke waarde waardoor er eerder of
                                    langer een beroep op bijstand moet worden gedaan;</al></li><li nr="b."><al><vet>T</vet><vet>e snelle </vet><vet>intering</vet><vet> van
                                        vermogen. </vet></al><al>Door te snel op het aanwezige vermogen in te teren, moet er
                                    eerder of langer een beroep op bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="c."><al><vet>O</vet><vet>nderbedeling bij echtscheiding. </vet></al><al>Door bij echtscheiding in te stemmen met onderbedeling ten
                                    aanzien van de verdeling van het gezamenlijk vermogen/de boedel,
                                    moet er eerder een beroep op bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="d."><al><vet>Te late of geen aanvaarding voorliggende voorziening.
                                    </vet>Wanneer er door nalatigheid niet tijdig aanspraak is
                                    gemaakt op een voorliggende voorziening moet er (eerder of
                                    langer) een beroep op bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="e."><al><vet>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid.</vet></al><al>Het gaat hier zowel om het door eigen toedoen niet
                                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaand aan de
                                    bijstand als tijdens de bijstand. In het laatste geval kan het
                                    bijvoorbeeld gaan om arbeid in deeltijd. Door de gedraging moet
                                    een beroep op (meer) bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="f."><al><vet>Het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                        sociale zekerheidsuitkering</vet></al><al>Wanneer een belanghebbende blijvend geheel of gedeeltelijk zijn
                                    recht op een sociale zekerheidsuitkering verliest waardoor hij
                                    een beroep moet doen op bijstand, is sprake van een
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaand. Hetzelfde geldt voor de situatie
                                    waarin belanghebbende tijdelijk geheel of gedeeltelijk zijn
                                    recht op een sociale zekerheidsuitkering verliest; </al></li><li nr="g."><al><vet>Bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
                                        vastgestelde alimentatie</vet></al><al>De gedraging heeft tot gevolg dat belanghebbende eerder of tot
                                    een hoger bedrag een beroep op bijstand moet doen;</al></li><li nr="h."><al><vet>Het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet
                                        verplichte basisverzekering</vet></al><al>Op grond van artikel 2 lid 1 Zorgverzekeringswet is
                                    een ieder verplicht een basisverzekering af te sluiten bij een
                                    zorgverzekeraar, die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
                                    Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege
                                    verzekerd is. Militairen en gemoedsbezwaarden zijn van deze
                                    verplichting uitgezonderd (artikel 2 lid 2 Zorgverzekeringswet).
                                    Ontvangt een belanghebbende geen vergoeding omdat hij geen
                                    verplichte basisverzekering heeft afgesloten of geroyeerd is,
                                    dan is sprake van een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="i."><al>Bovengenoemde lijst met gedragingen is uiteraard niet
                                    uitputtend. Indien er andere gedragingen plaatsvinden, waardoor
                                    belanghebbenden (langer of eerder) een beroep op bijstand moeten
                                    doen is sprake van een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.</al><al/></li></lijst><al>Door gedragingen genoemd in het tweede lid moeten belanghebbenden een
                            beroep doen op bijstand of eerder of langer een beroep doen op bijstand.
                            Reden waarom een maatregel van 100% wordt opgelegd. Alleen een maatregel
                            opleggen van 100% gedurende één maand is in deze gevallen niet altijd
                            effectief. Zeker niet indien belanghebbende bij voldoende besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan gedurende
                            langere tijd niet bijstandsafhankelijk zou zijn geweest. Het college
                            heeft dan ook de bevoegdheid in dergelijke gevallen de bijstand in de
                            vorm van geldlening toe te kennen. Artikel 48, tweede lid, onderdeel b,
                            WWB biedt die mogelijkheid. De WWB verzet zich er niet tegen dat in
                            geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening een verlaging op de bijstand wordt toegepast en dat
                            daarnaast de bijstand -gedurende een aan dat tekortschietend besef te
                            relateren periode- in de vorm van een geldlening wordt toegekend. Wel
                            dient uit oogpunt van evenredigheid bij een dergelijke cumulatie van
                            sancties wel voldoende acht te worden geslagen op het totale effect
                            ervan voor de bijstandsgerechtigde (CRvB 20 maart 2007, nrs. 06/515 NABW
                            en 06/517 NABW).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overige maatregelwaardige gedragingen</titel></kop><al>Het is mogelijk om aan belanghebbenden aanvullende verplichtingen op te
                            leggen op grond van artikel 55 en 57 van de wet. Het opleggen van deze
                            verplichtingen is afhankelijk van de individuele situatie. Als de
                            verplichtingen genoemd in dit artikel worden opgelegd, zonder dat daar
                            een maatregel tegenover staat, dan zijn deze verplichtingen niet
                            afdwingbaar. Ook hier worden de gedragingen in twee categorieën
                            onderscheiden. Hieronder worden de gedragingen weergegeven.</al><al><vet>Eerste lid ( </vet>eerste categorie)</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee te
                                        werken aan een noodzakelijke behandeling van medische
                                        aard</vet>(tweede categorie)</al><al> Indien er naar het oordeel van het college gegronde redenen
                                    zijn om aan te nemen dat de medische/psychische klachten van
                                    belanghebbende een dusdanige belemmering vormen voor de plicht
                                    tot arbeidsinschakeling en/of het verminderen of beëindigen van
                                    de bijstand, dan kan de verplichting worden opgelegd dat er
                                    medewerking dient te worden verleend aan een noodzakelijke
                                    behandeling van medische aard (artikel 55 WWB). Onder het begrip
                                    medische aard moet mede worden verstaan enigerlei vorm van
                                    professionele hulp die naar zijn aard en doel overeen komt met
                                    een medische behandeling, voorbeelden hiervan zijn psychische
                                    hulp of hulp bij verslavingsproblemen.</al></li><li nr="b."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de
                                        budgetteringsplicht</vet></al><al>Indien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn
                                    om aan te nemen dat belanghebbende zonder hulp niet in staat is
                                    tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan de
                                    verplichting worden opgelegd dat er noodzakelijke betalingen
                                    worden verricht vanuit de uitkering (artikel 57 sub a WWB).
                                    Werkt een belanghebbende niet aan deze verplichting mee dan
                                    ontstaan (meer) schulden. Schulden werken belemmerend voor de
                                    plicht tot arbeidsinschakeling en vormen ook een belemmering
                                    voor het verminderen of beëindigen van bijstand. Ten opzichte
                                    van de vorige verordening is deze gedraging in een hogere
                                    categorie ondergebracht. Een maatregel van 5% heeft voor
                                    belanghebbenden bij wie budgettering aan de orde is geen effect.
                                    Bij de meesten van hen is immers al beslag op de uitkering
                                    gelegd;</al></li><li nr="c."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee te
                                        werken aan een schuldsanering</vet></al><al>Indien er naar het oordeel van het college
                                    gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de schulden van
                                    belanghebbende een dusdanige belemmering vormen voor de plicht
                                    tot arbeidsinschakeling en/of het verminderen of beëindigen van
                                    de bijstand, dan kan de verplichting worden opgelegd dat er
                                    medewerking dient te worden verleend aan een schuldsanering
                                    (artikel 55 WWB). Ten opzichte van de vorige verordening is deze
                                    gedraging in een hogere categorie ondergebracht. Een maatregel
                                    van 5% heeft voor belanghebbenden bij wie budgettering aan de
                                    orde is geen effect. Bij de meesten van hen is immers al beslag
                                    op de uitkering gelegd;</al><al/></li></lijst><al><vet>Tweede lid ( </vet>tweede categorie)</al><al><vet>a. </vet><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                om partneralim</vet><vet>entatie </vet><vet>te vorderen van
                                de</vet><vet>(ex-)echtgenoot, (ex-)geregistreerd
                                partner </vet></al><al>( zie toelichting onder e).</al><al/><al><vet>b. Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen om
                                kinderalimentatie te vorderen van de </vet></al><al><vet> (ex)- echtgenoot, ( ex) – geregistreerd partner of van degene die
                                </vet><vet>onderhoudsplichting</vet><vet> is voor het kind
                            </vet></al><al><vet> of</vet><vet> de kinderen</vet></al><al/><al>Een belanghebbende met alimentatie stroomt sneller uit de
                            bijstand. Een belanghebbende die bijvoorbeeld kinderalimentatie
                            ontvangt, heeft minder overige inkomsten nodig om niet meer afhankelijk
                            te zijn van een bijstandsuitkering. Belanghebbenden die een beroep op de
                            bijstand doen en in een echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn, worden
                            daarom geacht alimentatie te vorderen van hun (ex-)echtgenoten en (ex-)
                            geregistreerd partners ten behoeve van:</al><lijst><li nr="-"><al>de kinderen</al></li><li nr="-"><al>zichzelf.</al><al/></li></lijst><al>Vanzelfsprekend kan de verplichting op grond van artikel 55 van de wet
                            alleen opgelegd worden als de (ex-)echtgenoot of (ex-)geregistreerd
                            partner onderhoudsplichtig is voor belanghebbende en/of de kinderen. </al><al/><al>Is belanghebbende niet gehuwd (geweest) of geen geregistreerd
                            partnerschap aangegaan, maar heeft hij/zij wel kinderen ten behoeve van
                            wie de bijstand mede strekt, dan moet ook deze belanghebbende
                            alimentatie vorderen ten behoeve van de kinderen. Ook hiervoor geldt dat
                            de verplichting alleen kan worden opgelegd als de andere ouder
                            onderhoudsplichtig is voor de kinderen.</al><al/><al> In het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:247 BW) is voor ouders expliciet
                            de verplichting opgenomen om ten behoeve van hun kinderen een
                            ouderschapsplan op te stellen. In het BW zijn daarover de volgende
                            hoofdpunten opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>De ouders zijn verplicht een ouderschapsplan te voegen bij een
                                    verzoek tot echtscheiding, beëindiging van een geregistreerd
                                    partnerschap of scheiding van tafel en bed. Deze verplichting
                                    geldt ook voor samenwonende ouders die gezamenlijk gezag over
                                    hun kinderen uitoefenen.</al></li><li nr="-"><al>De ouders maken in het ouderschapsplan over drie onderwerpen in
                                    ieder geval afspraken: zorgverdeling, kinderalimentatie en
                                    informatie-uitwisseling over belangrijke aangelegenheden met
                                    betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige
                                    kinderen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Voor een toelichting op de hoogte en duur van de maatregel wordt
                            verwezen naar de artikelen 14 en 15.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan de vergoeding die
                            belanghebbende zou hebben ontvangen, als hij een verplichte
                            basisverzekering had afgesloten. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een
                            maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                            geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                            opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al><vet>Vierde</vet><vet> lid</vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake nog
                            tweemaal sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt
                            de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                            verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare
                            gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest
                            voor het opleggen van een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                            dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang
                            van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                            waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van WWB. </al><al/><al>In artikel 18, tweede lid, van de wet wordt gesproken over ‘het zich
                            jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen
                            (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun
                            ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. </al><al>Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief
                            heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die
                            belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                            re-integratiebedrijf). </al><al/><al>Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen
                            wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze
                            verordening).</al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden in de
                            verordening verschillende vormen van agressief gedrag
                            onderscheiden.</al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                                <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                                <cursief>frus</cursief><cursief>tra</cursief><cursief>tiegeweld</cursief>.
                            Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld
                            bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                            verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                            ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. </al><al/><al>De Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland en Westerveld
                            beschikt over een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt
                            omgegaan met lastige en agressieve klanten. In dit artikel wordt daarbij
                            aangesloten. </al><al/><al>De volgende gedragingen worden gezien als zeer ernstige misdragingen
                            tegenover het college of zijn ambtenaren onder omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in
                            artikel 18, tweede lid van de WWB:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al><al/></li></lijst><al>Indien er sprake is van recidive kan de cliënt de toegang tot het
                            Werkplein Steenwijk worden ontzegd. Dit wordt individueel beoordeeld
                            door het college. </al><al/><al>Deze lijst is uiteraard niet uitputtend. Indien er overige gedragingen
                            plaatsvinden met betrekking tot zeer ernstige misdragingen, kan er naar
                            het oordeel van het college een passende maatregel worden opgelegd die
                            aansluit bij de maatregelen behorende bij de gedragingen onder artikel
                            18 lid 2 van de WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>Deze restclausule biedt het college de mogelijkheid in alle niet
                            voorziene situaties te handelen naar bevinding van zaken. Omdat ook deze
                            beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                            beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd
                            genomen te worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening treedt met ingang van 1 juli 2012 in werking.
                            Tegelijkertijd komt de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2010
                            te vervallen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds
                            gesproken over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de
                            verordening de juridische grondslag vormt voor de gemeente om
                            maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een
                            verplichting voldoet, duiden wij de verordening aan als
                            ‘maatregelenverordening’. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>