<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR302994_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Ridderkerk 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeentejournaal 15-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Ridderkerk 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0017017">Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeentestukken 2011-131</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is op het in deze verordening bepaalde niet van toepassing wegens dwingende redenen van algemeen belang, met name de volksgezondheid en de bescherming van de afnemers van diensten.</al><al>Deze verordening bevat een overgangsbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Ridderkerk 2011
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Ridderkerk; </al>
          <al/>
          <al>overwegende, dat het gewenst is in aanvulling op de Wet kinderopvang en
                        kwaliteitseisen peuterspeelzalen, het Convenant tussen de branche
                        organisaties en de Beleidsregels kwaliteit peuterspeelzalen, nadere eisen te
                        stellen aan de inrichting van peuterspeelzalen;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de Wet kinderopvang en
                        kwaliteitseisen peuterspeelzalen;</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11
                        oktober 2011,nummer 2011-131;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de</al>
          <al>
            <vet>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Ridderkerk
                            2011</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsbepaling</titel>
          </kop>
          <al>In deze verordening wordt verstaan onder peuterspeelzaal hetgeen
                            daaronder wordt verstaan in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                            peuterspeelzalen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Groepspeelruimte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In een peuterspeelzaal is voor ieder kind minimaal 3,5 m<sup>2</sup>
                                bruto-oppervlakte aan groepsspeelruimte beschikbaar.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de
                                leeftijd van de op te vangen kinderen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Buitenspeelruimte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De peuterspeelzaal beschikt over aangrenzende
                                buitenspeelruimte.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De buitenspeelruimte voldoet aan de volgende eisen:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar;</al></li>
              <li nr="b."><al>een oppervlakte van minimaal 3 m<sup>2</sup>
                                        bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind;</al></li>
              <li nr="c."><al>ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te
                                        vangen kinderen.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Aanwijzing toezichthouders</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving van de bij deze
                                verordening gestelde regels.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Burgemeester en wethouders wijzen, met overeenkomstige toepassing
                                van het bepaalde in artikel 2.19 lid1, laatste volzin van de Wet
                                kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, een toezichthouder
                                aan.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel
                                2.2, eerste lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
                                peuterspeelzalen of de instandhouding redelijkerwijs zal
                                plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften uit deze
                                verordening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks
                                of de exploitatie van een peuterspeelzaal plaatsvindt in
                                overeenstemming met de voorschriften uit deze verordening.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
                                toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving van
                                de bij deze verordening gestelde voorschriften.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Vastleggen onderzoeksresultaten</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een
                                onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
                            </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of
                                krachtens artikel 2 en 3 gegeven voorschriften niet zijn of zullen
                                worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de
                                houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en
                                daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder
                                vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.
                            </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de
                                houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage
                                legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na
                                de vaststelling daarvan openbaar. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6.</lidnr>
            <al>De toezichthouder stelt burgemeester en wethouders in kennis van de
                                vaststelling van het rapport. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Vaststelling beleid</titel>
          </kop>
          <al>Burgemeester en wethouders kunnen ter handhaving van de in de artikelen
                            2 en 3 gestelde normen, beleidsregels vaststellen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Burgemeester en wethouders kunnen artikel 2 en 3 buiten toepassing laten
                            of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van
                            kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen in een peuterspeelzaal
                            leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Geen toepassing Lex Silencio Positivo</titel>
          </kop>
          <al>Afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is op het in deze
                            verordening bepaalde niet van toepassing wegens dwingende redenen van
                            algemeen belang, met name de volksgezondheid en de bescherming van de
                            afnemers van diensten. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Overgangsbepaling</titel>
          </kop>
          <al>Binnen twaalf maanden na inwerkingtreding van deze verordening voldoet
                            de houder van een peuterspeelzaal aan de voorschriften uit deze
                            verordening.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>11</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar
                            bekendmaking.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>12</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening ruimte- en
                            inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Ridderkerk 2011.</al>
          <al/>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Ridderkerk, 24 november 2011</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting op de Verordening ruimte- en inrichtingseisen
                        peuterspeelzalen Ridderkerk 2011</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop>
        <al/>
        <al>Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                    (hierna: de Wet) in werking getreden. Het doel van deze Wet is om jonge kinderen
                    in peuterspeelzalen en kindercentra een veilig en stimulerende omgeving te
                    bieden. </al>
        <al/>
        <al>Eén van de onderliggende doelstellingen van de nieuwe Wet is de regelgeving over
                    peuterspeelzalen te harmoniseren met de kinderdagopvang. Hierdoor ontstaat een
                    landelijk kwaliteitskader voor zowel de peuterspeelzalen als de kinderdagopvang
                    met minimum kwaliteitseisen. In de Wet zijn dan ook een aantal minimale eisen
                    voor de peuterspeelzalen vastgelegd en is tevens aan de minister de bevoegdheid
                    gegeven aanvullende regelgeving voor de kwaliteit in een Algemene maatregel van
                    Bestuur vast te leggen (AmvB). Van deze bevoegdheid is tot op heden geen gebruik
                    gemaakt, omdat de partijen een convenant hebben afgesloten waarin de
                    kwaliteitseisen voor de houders van peuterspeelzalen nader zijn uitgewerkt. </al>
        <al/>
        <al>De eisen in het convenant hebben als uitgangpunt gediend voor de Beleidsregels
                    kwaliteit peuterspeelzalen (hierna: Beleidsregels) van de minister van
                    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Echter, in deze Beleidsregels zijn geen
                    eisen opgenomen ten aanzien van ruimte en inrichting van de peuterspeelzalen.
                    Bij het opstellen van de Verordening ruimte- en inrichtingseisen
                    peuterspeelzalen is aangesloten bij het convenant en de Beleidsregels. Het
                    onderhavige model is in overleg met diverse deskundigen op het gebied van
                    peuterspeelzaalwerk en kinderopvang en de brancheorganisaties tot stand gekomen. </al>
        <tussenkop>Ruimte en inrichting</tussenkop>
        <al>Kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen kan niet zonder het stellen van
                    kwaliteitseisen. Eisen inzake ruimte en inrichting vormen hier een essentieel
                    onderdeel van. De eerste levensjaren van een kind zijn belangrijk voor de
                    ontwikkeling van de cognitieve, de sociaal-emotionele en de motorische
                    vaardigheden. De opvoeding door de ouders legt daarvoor de basis, maar ook de
                    rest van de omgeving waarin het kind opgroeit is van belang. Veel kinderen
                    brengen enkele uren per dag door in peuterspeelzalen en andere kindercentra. Ze
                    moeten daar veilig kunnen spelen en voldoende ruimte hebben. </al>
        <al/>
        <al>Bestaande eisen over veiligheid en gezondheid die algemeen geldend zijn en
                    volgen uit andere wet- en regelgeving zoals bouwvoorschriften,
                    brandveiligheidsvoorschriften, eisen aan speeltoestellen, keukenhygiëne en
                    dergelijke. </al>
        <tussenkop>Toezicht</tussenkop>
        <al>In dit hoofdstuk is het kader voor het toezicht beschreven. Op de handhaving
                    zijn de algemene handhavingbevoegdheden uit de Awb van toepassing. </al>
        <tussenkop>Toelichting artikelsgewijs</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich en behoeft geen toelichting. </al>
        <tussenkop>Artikel 2 Groepspeelruimte</tussenkop>
        <al>In dit artikel wordt bepaald dat voor elk kind 3,5m² bruto oppervlak speelruimte
                    aanwezig moet zijn. Speelruimtes dienen passend te zijn ingericht voor spelen en
                    rusten. Bij de inrichting van de binnenruimte dient rekening te worden gehouden
                    met zowel het aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt als de leeftijd
                    van de kinderen. Het gaat om het totale aantal vierkante meters die beschikbaar
                    zijn in de groepsruimten. Dus de lengte vermenigvuldigd met de breedte van de
                    ruimtes waar de kinderen spelen.</al>
        <al/>
        <al>Daarnaast is de houder van een peuterspeelzaal gehouden aan de eisen die zijn
                    vastgelegd in het Bouwbesluit 2003. Het Bouwbesluit bevat bouwtechnische
                    voorschriften waaraan alle bouwwerken minimaal moeten voldoen. Peuterspeelzalen
                    vallen onder de categorie ’bijeenkomstfunctie voor kinderopvang’. De eisen uit
                    het Bouwbesluit hebben betrekking op veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid,
                    energiezuinigheid en milieu.</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Buitenspeelruimte</tussenkop>
        <al>Dit artikel geeft aan dat de buitenspeelruimte voor kinderen die gebruik maken
                    van depeuterspeelzaal aangrenzend aan de peuterspeelzaal dient te zijn
                    gesitueerd. Evenals de binnenruimte dient de buitenruimte voor spel geschikt te
                    zijn en ingericht in overeenstemming met de behoeften en mogelijkheden van de
                    kinderen. Ook voor de buitenspeelruimte geldt dat bij de inrichting rekening
                    dient te worden gehouden met het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen
                    die gebruik maken van de ruimte. De speelruimte bestaat per aanwezig kind uit
                    minimaal 3m² bruto oppervlakte. Met aanwezig kind wordt gedoeld op in de
                    peuterspeelzaal aanwezige kinderen, niet noodzakelijkerwijs buitenspelend.</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Aanwijzing toezichthouders</tussenkop>
        <al>Dit artikel maakt burgemeester en wethouders (hierna B&amp;W) verantwoordelijk
                    voor denaleving van deze verordening. B&amp;W wijzen de directeur van de GGD aan
                    alstoezichthouder. Dit is in overeenstemming met het systeem van de wet. De
                    directeur van de GGD oefent aldus het toezicht uit onder het gezag van de
                    burgemeester en wethouders.</al>
        <al>Afdeling 5.2. van de Algemene wet bestuursrecht bevat een algemene regeling van
                    debevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht op het betreden van
                    plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en het inzien van schriftelijke
                    stukken.</al>
        <tussenkop>Artikel 5 Onderzoek door de toezichthouder</tussenkop>
        <al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek onderscheiden. In de eerste
                    plaats onderzoekt de toezichthouder naar aanleiding van een aanvraag voor de
                    exploitatie van een peuterspeelzaal of aan de voorschriften uit deze verordening
                    zal worden voldaan. Daarnaast voert de toezichthouder jaarlijks regulier
                    onderzoek uit bij bestaande peuterspeelzalen. Voorts beschikt de toezichthouder
                    op grond van lid 3 over de mogelijkheid om incidenteel onderzoek te verrichten
                    naar de naleving van de voorschriften uit deze verordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Vastleggen onderzoeksresultaten</tussenkop>
        <al>De resultaten van het onderzoek uit artikel 5 worden door de toezichthouder
                    schriftelijkvastgelegd in een inspectierapport. De toezichthouder zendt het
                    ontwerp-inspectierapport aan de houder van de peuterspeelzaal. Alvorens het
                    rapport vast te stellen stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van
                    het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken.
                    De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het
                    rapport. De houder zorgt er voor dat zowel ouders van kinderen in de
                    peuterspeelzaal als het personeel inzage hebben in het inspectierapport van de
                    toezichthouder. </al>
        <al/>
        <al>Uiterlijk 3 weken na ontvangst maakt de toezichthouder het inspectierapport
                    openbaar. Het ligt voor de hand dat de toezichthouder voor de openbaarmaking een
                    breed toegankelijk medium kiest. Gedacht kan worden aan de mogelijkheden die het
                    internet biedt. Ingeval de toezichthouder constateert dat niet voldaan wordt aan
                    de eisen ten aanzien van de groepspeelruimte en de buitenspeelruimte dan geeft
                    hij dit zo snel mogelijk door aan B&amp;W. In de praktijk zal het veelal
                    betekenen dat de toezichthouder het inspectierapport naar de burgemeester en
                    wethouders toezendt.</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Vaststelling beleid</tussenkop>
        <al>De in de artikelen 2 en 3 gegeven normen zijn niet eenduidig te handhaven zonder
                    vastgesteld handhavingsbeleid. Het college is, conform artikel 1.61 van de Wet
                    kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, bevoegd om toe te zien op de
                    naleving. De wet kent het college geen verplichting toe om nadere regels te
                    stellen. De keuze om een handhavingsbeleid vast te stellen is aan de gemeente.
                    Binnen de gemeente Ridderkerk wordt een handhavingsbeleid opgesteld.</al>
        <al/>
        <al>Uit het rapport ‘Kwaliteit toezicht gemeentelijk toezicht kinderopvang 2007’ dat
                    begin 2009 door de Inspectie voor het Onderwijs is uitgebracht, bleek echter dat
                    de handhaving in veel gemeenten niet op orde is. De toenmalige staatssecretaris
                    Dijksma heeft daarna in een bestuurlijk overleg afspraken gemaakt met de VNG. In
                    het verlengde daarvan heeft de staatssecretaris gevraagd om verbeterafspraken te
                    maken met gemeenten die achterblijven. Dit project heet ‘achterblijvende
                    gemeenten kinderopvang’. De gemeente Ridderkerk behoort niet tot deze groep. De
                    Inspectie voor het Onderwijs is toezichthouder in dezen en hanteert vier
                    toetsingskaders om toe te zien op de handhaving en toezicht van gemeenten. De
                    vier toetsingskaders behelzen 1. het Landelijk Register Kinderopvang 2. het
                    handhavingsbeleid kinderopvang 3. uitvoering van inspecties kinderopvang 4. het
                    handhaven op zich. De Inspectie voor het Onderwijs ziet erop toe dat gemeenten,
                    hoewel niet wettelijk verplicht, een handhavingsbeleid op stellen. Het college
                    is bevoegd om dit handhavingsbeleid vast te stellen.</al>
        <tussenkop>Artikel 8 Hardheidsclausule</tussenkop>
        <al>Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de mogelijkheid
                    voor burgemeester en wethouders om, in gevallen waarin toepassing van een
                    artikel van de verordening een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren,
                    artikel 2 en 3 buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Het
                    afwijkende besluit van burgemeester en wethouders moet altijd binnen de
                    doelstellingen van de verordening passen. De toepassing van de hardheidsclausule
                    moet beperkt blijven tot individuele gevallen. Het gebruik van dit artikel is
                    slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk.</al>
        <tussenkop>Artikel 9 Geen toepassing Lex Silencio Positivo</tussenkop>
        <al>Gezien de belangen van jonge kinderen en hun ouders die in het geding zijn, is
                    er reden om af te zien van een Lex Silencio Positivo. Er zijn dwingende redenen
                    van algemeen belang aan de orde, met name de volksgezondheid en de bescherming
                    van afnemers van diensten.</al>
        <tussenkop>Artikel 10 Overgangsbepaling</tussenkop>
        <al>De overgangsbepaling is opgenomen om houders van bestaande peuterspeelzalen de
                    tijd en gelegenheid te bieden om aan de voorschriften zoals gesteld in de
                    verordening te voldoen.</al>
        <al>Indien er binnen een gemeente al een verordening bestaat met eisen aan ruimte-
                    en inrichting van peuterspeelzalen, dan is het niet nodig om deze
                    overgangsbepaling op te nemen.</al>
        <tussenkop>Artikel 11 en 12 Inwerkingtreding en Citeertitel</tussenkop>
        <al>Deze bepalingen spreken voor zich.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>