<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR302852_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement voor het waterschap Vechtstromen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2014/14</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement voor het waterschap Vechtstromen en Overgangsbepalingen voor het waterschap Vechtstromen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, artikel 2 en 6.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PS2013-508</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>waterschap</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bijlage: kaartje met grens waterschap Vechtstromen, zie Provinciaal Blad 2013/78.</al><al>Dit besluit is eveneens genomen door Provinciale Staten van Overijssel d.d. 6 maart 2013 en Provinciale Staten van Drenthe d.d. 30 januari 2013.</al><al>De bijlage Overgangsbepalingen voor het waterschap Vechtstromen treden in werking op 30 april 2013. De artikelen 9 tot en met 16 van deze bijlage werken evenwel terug tot 1 maart 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-41667</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement voor het waterschap Vechtstromen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>PROVINCIALE STATEN GELDERLAND </al><al>Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 28 mei 2013 tot wijziging
                        van de provinciale regelgeving in verband met de troonswisseling op 30 april
                        2013; Gelet op artikel 105 juncto artikel 143, eerste lid van de
                        Provinciewet;</al><al>BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de navolgende gewijzigde verordening: Reglement voor het
                        waterschap Vechtstromen</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Dit reglement verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al> algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het waterschap
                                    Vechtstromen</al></li><li nr="b."><al> dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het waterschap
                                    Vechtstromen</al></li><li nr="c."><al> categorie bedrijfsgebouwd: categorie bedoeld in artikel 12,
                                    tweede lid, onder d van de wet;</al></li><li nr="d."><al> categorie ingezetenen: categorie bedoeld in artikel 11, eerste
                                    lid, van de wet;</al></li><li nr="e."><al> categorie natuurterreinen: categorie bedoeld in artikel 12,
                                    tweede lid , onder c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al> categorie ongebouwd: bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="g."><al> gedeputeerde staten: Gedeputeerde Staten van Overijssel en van
                                    Drenthe, tenzij anders is bepaald;</al></li><li nr="h."><al> watersysteem: watersysteem als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Waterwet;</al></li><li nr="i."><al> wet: Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 NAAM, GEBIED, ZETEL EN TAAK VAN HET WATERSCHAP</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Naam en gebied van het waterschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Er is een waterschap met de naam waterschap Vechtstromen, verder
                                aan te duiden als het waterschap.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het gebied van het waterschap is aangegeven op de bij dit reglement
                                behorende kaart.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De grenzen van het in het tweede lid bedoelde gebied kunnen nader
                                worden aangegeven op door Gedeputeerde Staten vast te stellen
                                detailkaarten met een schaal van 1:10.000.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van elk van de kaarten, bedoeld in het tweede en het derde lid,
                                berust een exemplaar bij het waterschap en bij de provincies
                                Overijssel en Drenthe.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Zetel van het waterschap</titel></kop><al>Het waterschap is gevestigd in de gemeente Almelo.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Taak van het waterschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De taak van het waterschap is de waterstaatkundige verzorging van
                                zijn gebied, voor zover deze taak niet aan een ander
                                publiekrechtelijk lichaam is opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De taak, bedoeld in het eerste lid, omvat: </al><lijst><li nr="a."><al> de zorg voor het watersysteem, als bedoeld in artikel 1,
                                        tweede lid van de wet;</al></li><li nr="b."><al> het zuiveren van afvalwater, bedoeld in artikel 1, tweede
                                        lid, van de wet, alsmede het zuiveren van afvalwater dat op
                                        andere wijze dan via de gemeentelijke riolering wordt
                                        aangeleverd op een zuiveringstechnisch werk van het
                                        waterschap, hieronder mede begrepen het zuiveren van
                                        stedelijk afvalwater dat afkomstig is vanuit het
                                        beheersgebied van een aangrenzende waterbeheerder en dat om
                                        doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een
                                        zuiveringstechnisch werk dat in beheer is bij het
                                        waterschap.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het waterschap heeft daarnaast als taak de zorg voor het
                                vaarwegbeheer van de Overijsselsche Vecht in het gebied vanaf de
                                Duitse grens tot en met de monding van de Regge bij Ommen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 DE SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN HET
                            WATERSCHAPSBESTUUR</titel></kop><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Benaming bestuursorgaan</titel></kop><al>De voorzitter kan de titel Watergraaf dragen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3.1. Het algemeen bestuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6 Omvang en samenstelling algemeen bestuur</titel></kop><al>Het algemeen bestuur bestaat uit 27 leden. Hiervan
                                vertegenwoordigen:</al><lijst><li nr="a."><al> 20 leden de categorie ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al> drie leden de categorie ongebouwd;</al></li><li nr="c."><al> één lid de categorie natuurterreinen;</al></li><li nr="d."><al> drie leden de categorie bedrijfsgebouwd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Benoeming vertegenwoordigers geborgde
                                    zetels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de categorie bedrijfsgebouwd worden door de kamers van
                                    koophandel Oost Nederland en Noord Nederland tezamen drie
                                    vertegenwoordigers benoemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de categorie ongebouwd worden door de Land- en
                                    Tuinbouworganisatie Noord drie vertegenwoordigers benoemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Reglement van orde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere
                                    werkzaamheden een reglement van orde vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld
                                    ten aanzien van de wijze van oproeping tot de vergadering, de
                                    openbaarheid van de vergaderingen, het vergaderen het
                                    besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de
                                    vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3.2. Het dagelijks bestuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Omvang dagelijks bestuur</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en een door het
                                algemeen bestuur te bepalen aantal leden dat ten minste 2 en ten
                                hoogste 5 bedraagt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3.2.1 Benoeming, ontslag en vervanging van de leden van het
                                dagelijks bestuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 Benoeming van de leden van het dagelijks
                                    bestuur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De benoeming van de leden, met uitzondering van de voorzitter
                                    vindt plaats in de eerste vergadering van het algemeen bestuur
                                    in de nieuwe samenstelling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde
                                    in artikel 41, tweede lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De tot lid van het dagelijks bestuur benoemde wordt geacht de
                                    benoeming niet aan te nemen, indien de voorzitter op de tiende
                                    dag na kennisgeving van de benoeming door middel van een
                                    aangetekende brief nog geen mededeling van hem/haar heeft
                                    ontvangen dat hij/zij de benoeming aanneemt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig
                                    mogelijk een nieuwe benoeming.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds
                                    openvalt, geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de opengevallen
                                    plaats in het algemeen bestuur is vervuld, tenzij het algemeen
                                    bestuur besluit het aantal leden te verminderen dan wel indien
                                    toepassing wordt gegeven aan het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Ingang benoeming leden dagelijks bestuur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In het geval van artikel 10, eerste lid, gaat de benoeming van
                                    degene, die de benoeming tot lid van het dagelijks bestuur heeft
                                    aangenomen, in op het tijdstip waarop ten minste de helft van de
                                    andere leden zijn/haar benoeming heeft aangenomen of, indien de
                                    aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op
                                    dat tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vanaf het tijdstip van aftreden van de andere leden tot het
                                    tijdstip waarop ten minste de helft van de andere leden de
                                    benoeming heeft aangenomen, treedt de voorzitter in de plaats
                                    van het dagelijks bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Ontslag op eigen initiatief</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een lid van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter,
                                    kan te allen tijde ontslag nemen. Hij/zij doet daarvan
                                    schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na
                                    de dag waarop hij/zij zijn/haar ontslag heeft genomen of zoveel
                                    eerder als zijn/haar opvolger de benoeming heeft
                                    aangenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Vervanging leden dagelijks bestuur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij langdurige afwezigheid van een lid, of indien een lid met
                                    de waarneming van het ambt van voorzitter is belast, kan hij
                                    worden vervangen door een lid van het algemeen bestuur, aan te
                                    wijzen door het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene die gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken een lid
                                    heeft vervangen, geniet een vergoeding ten bedrage van de voor
                                    dat lid vastgestelde bezoldiging.</al><al/><al> De vergoeding wordt verminderd met hetgeen als lid van het
                                    algemeen bestuur als vergoeding wordt ontvangen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3.2.2 Overige bepalingen betreffende het dagelijks
                                bestuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14 Reglement van orde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere
                                    werkzaamheden een reglement van orde vast, dat aan het algemeen
                                    bestuur wordt toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld
                                    ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, het
                                    vergader- en besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de
                                    vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Intrekking beroepen of bezwaren</titel></kop><al>Ingestelde beroepen of gemaakte bezwaren als bedoeld in artikel 86,
                                derde lid, van de wet worden slechts ingetrokken als het algemeen
                                bestuur daartoe beslist.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3.3. De voorzitter</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16 Benoeming voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de voorzitter
                                    als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet wordt
                                    opgemaakt, wordt behalve in het geval van een herbenoeming een
                                    open sollicitatieprocedure gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de aanbeveling uit meer dan één persoon bestaat, wordt
                                    over iedere plaats op de aanbeveling afzonderlijk gestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 46, derde en vijfde lid, van de
                                    wet wordt onder Gedeputeerde Staten verstaan: Gedeputeerde
                                    Staten van Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Samen met de aanbeveling voor de benoeming van de voorzitter
                                    wordt een uittreksel uit de notulen van de gehouden stemming aan
                                    Gedeputeerde Staten gezonden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aflegging van de eed (verklaring en belofte), bedoeld in
                                    artikel 50 van de wet, vindt plaats in handen van de Commissaris
                                    van de Koning in de provincie Overijssel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Woonplaats voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De voorzitter heeft zijn werkelijke woonplaats in het gebied
                                    van het waterschap.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het algemeen bestuur kan ontheffing verlenen van het bepaalde
                                    in het eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3.4. De secretaris</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18 Benoeming secretaris</titel></kop><al>De benoeming van de secretaris geschiedt op voordracht van het
                                dagelijks bestuur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Taken en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels over
                                    de taken en de bevoegdheden van de secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 33, eerste en tweede lid, van de wet is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 TOEZICHT</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Toezichtbevoegdheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het toezicht op het waterschapsbestuur wordt uitgeoefend door
                                Gedeputeerde Staten, tenzij anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten bepalen in onderling overleg op welke wijze de
                                voorbereiding en de besluitvorming zal plaatsvinden over hetgeen ter
                                zake van het gemeenschappelijk toezicht moet worden beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Meldingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het dagelijks bestuur zendt aan Gedeputeerde Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> besluiten tot oprichting of deelneming in een
                                        rechtspersoon, voor zover hierbij een belangrijk onderdeel
                                        van de aan het waterschap opgedragen taak betrokken is;</al></li><li nr="b."><al> het ontwerp van een besluit tot vaststelling of wijziging
                                        van een keur als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de
                                        wet;</al></li><li nr="c."><al> het ontwerp van een besluit en het besluit tot vaststelling
                                        of wijziging van een calamiteitenplan als bedoeld in artikel
                                        5.29, eerste lid, van de Waterwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het dagelijks bestuur zendt aan Gedeputeerde Staten van de
                                provincie op wier grondgebied een peilbesluit betrekking heeft het
                                ontwerp van een besluit en het besluit tot vaststelling of wijziging
                                van een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de
                                Waterwet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22 Wijzigingen van beperkte strekking</titel></kop><al>Provinciale Staten van Overijssel en van Drenthe zijn gezamenlijk
                            bevoegd tot wijziging van het reglement, tenzij het desbetreffende
                            besluit een regeling bevat van de in artikel 5, tweede lid, van de wet
                            genoemde onderwerpen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Citeertitel</titel></kop><al>Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement voor het waterschap
                            Vechtstromen en treedt in werking op 1 januari 2014.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Provinciale Staten Gelderland </al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage Overgangsbepalingen voor het waterschap Vechtstromen</titel></kop><al><vet>Artikel 1 Definities</vet> In deze Overgangsbepalingen wordt verstaan
                    onder: a. op te heffen waterschappen: het waterschap Regge en Dinkel en het
                    waterschap Velt en Vecht; b. overgaand gebied: gebied van de op te heffen
                    waterschappen dat deel gaat uitmaken van het waterschap Vechtstromen.</al><al><vet>§ 1. Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden</vet></al><al><vet>Artikel 2 Rechtskracht van voorschriften en uitoefening van
                        bevoegdheden</vet>1. De op 31 december 2013 voor overgaand gebied geldende
                    waterschapsvoorschriften en waterschapsbesluiten behouden hun rechtskracht voor
                    dat gebied totdat deze door het bevoegde gezag van het waterschap Vechtstromen
                    zijn ingetrokken. 2. Met ingang van 1 januari 2014 en zolang de in het eerste
                    lid bedoelde voorschriften en besluiten gelden, oefenen de in het waterschap
                    Vechtstromen bevoegde bestuursorganen en ambtenaren de bevoegdheden uit welke
                    bij die voorschriften en besluiten aan overeenkomstige organen en ambtenaren
                    zijn toegekend.</al><al><vet>Artikel 3 Reglementen van orde; regelingen vergoedingen</vet>1. Voor de
                    vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur van het
                    waterschap Vechtstromen gelden de reglementen van orde van het waterschap Regge
                    en Dinkel totdat zij door andere zijn vervangen. 2. Voor de leden van het
                    algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen gelden de regelingen inzake een
                    vergoeding van werkzaamheden en een tegemoetkoming in kosten van het waterschap
                    Regge en Dinkel totdat zij door andere zijn vervangen.</al><al><vet>Artikel 4 Instructie secretaris</vet>Voor de secretaris van het waterschap
                    Vechtstromen geldt de instructie van het waterschap Regge en Dinkel totdat zij
                    door een andere is vervangen.</al><al><vet>Artikel 5 Kostentoedelingsverordening</vet>Artikel 2, eerste lid, is niet
                    van toepassing op de kostentoedelingsverordening, bedoeld in artikel 120, eerste
                    lid, van de wet.</al><al><vet>Artikel 6 Belastingverordeningen</vet>Artikel 2, eerste lid, is niet van
                    toepassing op de belastingverordeningen, genoemd in artikel 113 van de wet. Ten
                    aanzien van overgaand gebied houden deze verordeningen op te gelden met ingang
                    van 1 januari 2014, doch zij behouden hun rechtskracht voor de belastingjaren
                    welke vóór die datum zijn aangevangen.</al><al><vet>Artikel 7 Jaarrekening</vet>1. Zo spoedig mogelijk na 1 januari 2014 maakt
                    het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen de rekening van het
                    laatste dienstjaar van elk van de op te heffen waterschappen in ontwerp op. 2.
                    De in het eerste lid bedoelde rekeningen worden zo spoedig mogelijk door het
                    algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen vastgesteld. 3. De controle van
                    de jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het
                    uitbrengen van een verslag van bevindingen geschiedt door de accountant die op
                    grond van artikel 109, tweede lid, van de wet is aangewezen door het algemeen
                    bestuur van elk van de op te heffen waterschappen.</al><al><vet>Artikel 8 Archief</vet>Met ingang van 1 januari 2014 gaan de
                    archiefbescheiden van de op te heffen waterschappen over naar het waterschap
                    Vechtstromen.</al><al><vet>§ 2. Voorbereidingscommissie</vet></al><al><vet>Artikel 9 Voorbereidingscommissie</vet>1. Tot 1 januari 2014 is een
                    voorbereidingscommissie belast met de voorbereiding van de besluitvorming die
                    nodig is voor het adequaat functioneren van het waterschap Vechtstromen vanaf 1
                    januari 2014. 2. De voorbereidingscommissie bestaat uit de beide voorzitters van
                    de op te heffen waterschappen en uit vier andere leden van de beide dagelijks
                    besturen. De beide dagelijkse besturen wijzen daarvoor elk 2 leden uit hun
                    midden aan. 3. Voorzitter van de voorbereidingscommissie is de voorzitter van
                    het waterschap Velt en Vecht. 4. De voorbereidingscommissie wijst een secretaris
                    aan die de commissie ter zijde staat bij de uitoefening van haar taak. 5. De in
                    het eerste lid bedoelde voorbereiding betreft in ieder geval de begroting voor
                    2014, de meerjarenraming, de kostentoedelingsverordening en de
                    belastingverordeningen. 6. De voorbereidingscommissie oefent de bevoegdheden uit
                    die een dagelijks bestuur van een waterschap heeft bij de voorbereiding van de
                    in het vijfde lid genoemde aangelegenheden. 7. De voorbereidingscommissie
                    betrekt de algemene besturen van de op te heffen waterschappen in elk geval bij
                    de voorbereiding van de in het vijfde lid genoemde aangelegenheden.</al><al><vet>§ 3. Verkiezingen van het algemeen bestuur</vet></al><al><vet>Artikel 10 Zittingsduur algemeen bestuur op te heffen
                    waterschappen</vet>Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van de wet eindigt
                    de zittingsduur van de zittende leden - als bedoeld in artikel 174 van de wet -
                    van het algemeen bestuur van elk van de op te heffen waterschappen op 31
                    december 2013.</al><al><vet>Artikel 11 Toepassing artikel 28, eerste lid, van de wet</vet>Het
                    waterschap Regge en Dinkel is ingevolge artikel 28, eerste lid, van de wet
                    belast met de voorbereidingen van de verkiezingen van de leden van het eerste
                    algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen.</al><al><vet>Artikel 12 Eerste vergadering algemeen bestuur</vet>Het algemeen bestuur
                    van het waterschap Vechtstromen vergadert voor de eerste maal op een door de
                    interim voorzitter te bepalen dag in de periode van 2 tot en met 8 januari
                    2014.</al><al><vet>§ 4. De voorzitter</vet></al><al><vet>Artikel 13 Interim-voorzitter</vet>1. Tot aan het tijdstip waarop de
                    benoeming van de voorzitter, bedoeld in artikel 46 van de wet, heeft
                    plaatsgevonden, treedt een interim-voorzitter op. 2. Gedeputeerde Staten van
                    Overijssel - gehoord Gedeputeerde Staten van Drenthe - benoemen deze
                    interim-voorzitter uiterlijk vier weken voor 1 januari 2014 op basis van een
                    voordracht van de voorbereidingscommissie, bedoeld in artikel 9. 3. De artikelen
                    3.24 tot en met 3.41 van het Waterschapsbesluit en de vijfde afdeling van de
                    Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers zijn van overeenkomstige toepassing
                    op de interim-voorzitter.</al><al><vet>Artikel 14 Benoeming eerste voorzitter</vet>De aanbeveling voor de
                    benoeming van de voorzitter, bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet wordt
                    de eerste maal opgemaakt door het algemeen bestuur van het waterschap
                    Vechtstromen. Het algemeen bestuur heeft de bevoegdheid af te wijken van artikel
                    16 van het reglement van het waterschap Vechtstromen.</al><al><vet>Artikel 15 Interim-secretaris</vet>1. Tot het tijdstip waarop de benoeming
                    van de secretaris, bedoeld in artikel 53 van de wet, ingaat treedt de secretaris
                    van de voorbereidingscommissie, bedoeld in artikel 9, op als interim-secretaris.
                    2. De voorbereidingscommissie kan door de zittende algemeen besturen belast
                    worden met de voorbereiding van de voordracht als bedoeld in artikel 18 van het
                    reglement van het waterschap Vechtstromen.</al><al><vet>§ 5. Rechtspositie</vet></al><al><vet>Artikel 16 Rechtspositieregeling van de ambtenaren</vet>1. Voor 1 januari
                    2014 stellen de dagelijkse besturen van de op te heffen waterschappen na
                    georganiseerd overleg met vertegenwoordigers van de ambtenaren-organisaties een
                    sociaal statuut vast. 2. Met ingang van 1 januari 2014 zijn de secretarissen van
                    de op te heffen waterschappen eervol uit hun functie ontslagen. 3. Met ingang
                    van 1 januari 2014 gaan de ambtenaren en het overige personeel met een
                    aanstelling voor onbepaalde tijd dan wel langer dan 1 januari 2014 van de op te
                    heffen waterschappen over in dienst van het waterschap Vechtstromen. De
                    plaatsing in functie, met uitzondering van de functie van secretaris, geschiedt
                    overeenkomstig de bepalingen van het sociaal statuut. 4. Voorzieningen, de
                    verdere voorbereiding van de overgang van de ambtenaren en het overige personeel
                    met een aanstelling voor onbepaalde tijd dan wel langer dan 1 januari 2014
                    betreffende, zijn onderwerp van het in het eerste lid bedoelde georganiseerd
                    overleg en van overleg met de ondernemingsraden van de op te heffen
                    waterschappen.</al><al><vet>Artikel 17 Wijzigingen van beperkte strekking</vet>Provinciale Staten van
                    Overijssel en van Drenthe zijn gezamenlijk bevoegd tot wijziging van de
                    overgangsbepalingen.</al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Toelichting op het Reglement van het waterschap Vechtstromen
                    Algemeen</vet>Artikel 2 van de Waterschapswet bepaalt dat de bevoegdheid tot het
                    opheffen en het instellen van waterschappen, tot regeling van hun taken en
                    inrichting en van de samenstelling van hun besturen en tot de verdere
                    reglementering van waterschappen aan Provinciale Staten behoort en dat de
                    uitoefening van deze bevoegdheid geschiedt bij provinciale verordening. Omdat
                    hier sprake is van een interprovinciaal waterschap, worden de bevoegdheden, op
                    grond van artikel 6 van de Waterschapswet, gemeenschappelijk door Provinciale
                    Staten van Overijssel, Drenthe en Gelderland uitgeoefend.</al><al>De waterschapsreglementen zijn interprovinciaal geüniformeerd en gemoderniseerd.
                    Bij het opstellen van het onderhavige reglement is dan ook gebruik gemaakt van
                    een modelreglement dat door het IPO, in overleg met de Unie van Waterschappen,
                    is opgesteld. Het onderhavige reglement schept in aansluiting op de
                    Waterschapswet het kader voor het nieuwe waterschap. Het beperkt zich tot de
                    essentiële aspecten betreffende de inrichting en het functioneren van het
                    waterschap. De belangrijkste onderwerpen die worden geregeld, zijn het gebied,
                    de taak, het bestuur, de verdeling van de geborgde zetels over de specifieke
                    belangencategorieën, het aanwijzen van de organisaties die de vertegenwoordigers
                    voor de categorieën bedrijven en ongebouwd mogen benoemen en het
                        toezicht.<vet>Toelichting op het Reglement voor het Waterschap
                        Vechtstromen</vet><vet>HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</vet></al><al>Op grond van artikel 1, tweede lid van de Waterschapswet kunnen als hoofdtaken
                    aan het waterschap de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren
                    van het afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet worden opgedragen.
                    In dit reglement is het begrip watersysteem nader gedefinieerd en is daarbij
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de Waterwet.<vet>HOOFDSTUK 2 NAAM,
                        GEBIED, ZETEL EN TAAK VAN HET WATERSCHAP Artikel 2 Naam en gebied van het
                        waterschap</vet>Bij het bepalen van het gebied van het waterschap is acht
                    geslagen op het uitgangspunt voor de bestuurlijke organisatie van de
                    waterstaatszorg, dat bij de vorming van waterschappen zo veel mogelijk rekening
                    wordt gehouden met de waterstaatkundige eenheden. Een waterstaatkundige eenheid
                    bestaat uit een samenhangend stelsel van oppervlaktewateren en gronden
                    (inclusief gebruikers, bewoners en gebouwen), die belang hebben bij de
                    instandhouding van dat stelsel.</al><al>Het gebied van het waterschap wordt aangegeven op de kaart die deel uitmaakt van
                    het reglement. Op de kaart zijn de grenzen van het waterschapsgebied zo
                    eenduidig mogelijk vastgelegd. Er kunnen gebiedsspecifieke situaties zijn
                    waarbij het noodzakelijk is de grens van het waterschapsgebied nauwkeuriger vast
                    te stellen (bijvoorbeeld daar waar de grens door bebouwd gebied loopt). In het
                    reglement is de mogelijkheid opgenomen om voor de precieze aanduiding van de
                    grenzen van het waterschapsgebied detailkaarten vast te stellen. Het vaststellen
                    van de detailkaarten is opgedragen aan Gedeputeerde Staten.</al><al><vet>Artikel 3 Zetel van het waterschap</vet>Het waterschap heeft als (publieke)
                    rechtspersoon een statutaire zetel nodig. Door de waterschappen is voorgesteld
                    als statutaire vestigingsplaats voor het nieuwe Drents-Overijsselse waterschap
                    de gemeente Almelo te kiezen. Dit vanuit het oogpunt dat het grootste deel van
                    het nieuwe waterschap in Overijssel ligt. Deze keuze staat los van de
                    mogelijkheid om meer vestigingen aan te houden.</al><al><vet>Artikel 4 Taak van het waterschap</vet>In artikel 4 van het reglement is
                    aangesloten bij de wet en de huidige situatie door aan het waterschap de zorg
                    voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op te dragen.
                    De zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Onder de zorg
                    voor de waterhuishouding moet ook het regelen van de grondwaterstanden via het
                    peilbeheer van het oppervlaktewater worden gerekend. Het gebruik van de term
                    “zorg voor het watersysteem” benadrukt dat de tot op heden afzonderlijk benoemde
                    taken een nauwe onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten
                    worden uitgevoerd. De toekenning van “de zorg voor het watersysteem” aan het
                    waterschap impliceert overigens niet dat alle zorg voor het watersysteem of de
                    watersystemen in het waterschapsgebied aan het waterschap wordt toegekend. Ook
                    andere overheden oefenen taken ter zake uit. In het eerste lid van artikel 2.3
                    is daarom aangegeven dat het waterschap verantwoordelijk is voor de
                    waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voor zover deze taak niet bij
                    andere publiekrechtelijke lichamen berust. Artikel 4, eerste lid kent een
                    duidelijke relatie met artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). In artikel 3:4, eerste lid Awb is namelijk geregeld dat het
                    bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor
                    zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen
                    bevoegdheid een beperking voortvloeit. Wanneer een bestuursorgaan van het
                    waterschap derhalve een besluit of handeling overweegt, dient het over te gaan
                    tot een afweging van alle bij de concrete beslissing of handeling betrokken
                    belangen. Met artikel 4, eerste lid wordt aangegeven dat het waterschap zich bij
                    de belangenafweging primair moet laten leiden door de waterhuishoudkundige
                    belangen. Het zijn deze belangen die de doorslag moeten geven bij de
                    besluitvorming.</al><al>In artikel 4, tweede lid is ook de zuivering van afvalwater aan het waterschap
                    opgedragen. Bij de omschrijving van deze taak zijn de doelmatige exploitatie van
                    de rioolwaterzuiveringsinstallaties, en de bescherming en verbetering van de
                    chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem leidend geweest. Op
                    grond van artikel 122d Waterschapswet wordt “ter bestrijding van kosten die zijn
                    verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater
                    onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren”. In
                    dit verband wordt onder “afvoeren” verstaan het brengen van stoffen op een
                    riolering of op een ”zuiveringstechnisch werk” (artikel 122 c, onderdeel c). Het
                    waterschap beheert en exploiteert meerdere rioolwaterzuiveringsinstallaties
                    (hierna: rwzi’s). In de rwzi’s worden verschillende stromen afvalwater
                    gezuiverd: - afvalwater, afgevoerd via de gemeentelijke riolering, - afvalwater,
                    rechtstreeks door bedrijven (al dan niet via een persleiding) afgevoerd, -
                    afvalwater, per as afgevoerd, en - afvalwater, van buiten het waterschapsgebied
                    afgevoerd.</al><al>Voor alle zuiveringsactiviteiten van het waterschap en voor alle wijzen van
                    afvoeren op een rwzi moet dus belasting kunnen worden geheven. Daarvoor is
                    vereist dat alle zuiveringsactiviteiten zijn benoemd als waterschapstaak.</al><al>- Het zuiveren van afvalwater, afgevoerd via de gemeentelijke riolering is aan
                    het waterschap opgedragen op grond van artikel 3.4, eerste lid van de Waterwet:
                    “Zuivering van stedelijk afvalwater gebracht in een openbaar vuilwaterriool
                    geschiedt in een daartoe bestemde inrichting onder de zorg van een waterschap”.
                    Hierbij is stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan
                    met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. -
                    Het zuiveren van de overige vormen van “afvoeren” is niet in formeelwettelijk
                    benoemd als waterschapstaak, hoewel ook deze zuivering wel in dienst staat van
                    de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van
                    watersystemen (doelstelling artikel 2.1 Wtw). Op grond van artikel 1, tweede lid
                    van de Waterschapswet worden alle hiervoor genoemde zuiveringsactiviteiten
                    daarom bij reglement ook opgedragen aan het waterschap. Het gevolg daarvan is
                    onder meer dat het waterschap voor alle zuiveringswerkzaamheden een heffing moet
                    opleggen. De hoogte van het heffingstarief kan dan worden berekend op basis van
                    alle kosten die voor de zuivering worden gemaakt, hetgeen een efficiënte
                    werkwijze mogelijk maakt.</al><al>Artikel 4, derde lid. Aan de Vecht is in de Omgevingsverordening Overijssel 2009
                    de functie van vaarweg toegekend. In die zin is er sprake van afzonderlijk te
                    onderscheiden actief vaarwegbeheer. Reden om de zorg voor het vaarwegbeheer voor
                    de Vecht in het reglement als taak op te nemen. Hiermee wordt de
                    taakomschrijving zoals opgenomen in het reglement van het waterschap Velt en
                    vecht gecontinueerd. De zorg voor het vaarwegbeheer is in het reglement
                    opgenomen op basis van artikel 2.1, onderdeel c (“vervulling van
                    maatschappelijke functies door watersystemen”), en de laatste volzin van artikel
                    1, tweede lid Wsw: “Daarnaast kan de zorg voor een of meer andere
                    waterstaatsaangelegenheden zijn of worden opgedragen”. Dit deel van de Vecht is
                    sinds – ook als vaarweg – de overdracht van het Rijk aan de waterschappen al in
                    beheer bij het Waterschap Velt en Vecht. Bij de bedoelde overdracht zijn ook
                    sluitende financiële afspraken gemaakt. De opname nu in het reglement heeft dan
                    ook geen financiële gevolgen voor de provincie Overijssel.</al><al><vet>HOOFDSTUK 3 DE SAMENSTELLING EN INRICHTING VAN HET
                    WATERSCHAPSBESTUUR</vet></al><al>Dit hoofdstuk geeft een aanvulling op de bepalingen in de Waterschapswet en het
                    Waterschapsbesluit. De wet regelt onder meer de vereisten voor het lidmaatschap
                    van het bestuur, de verkiezingen, nevenfuncties, onverenigbare betrekkingen en
                    het afleggen van de eed (dan wel verklaring en belofte). Voorts bevat de wet
                    bepalingen over de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks
                    bestuur. Het Waterschapsbesluit bevat onder meer regels over rechtspositionele
                    aangelegenheden aangaande de voorzitter, zoals benoeming, schorsing, tijdelijk
                    niet uitoefenen van zijn functie, ontslag, uitkering bij ontslag en aanspraken
                    ingeval van ziekte.<vet>Artikel 5 Titel van de voorzitter</vet>De voorzitter kan
                    de titel watergraaf dragen. De titel bij het waterschap Velt en Vecht was
                    dijkgraaf, bij Regge en Dinkel was de titel watergraaf. Voor het Waterschap
                    Vechtstromen wordt voorgesteld de titel watergraaf te handhaven. Er waren in
                    Nederland drie waterschappen zonder primaire keringen. Dat zijn De Dommel, Regge
                    en Dinkel, en Velt en Vecht. De Dommel en Regge en Dinkel gebruikten om die
                    reden de titel watergraaf voor hun voorzitter. Het is logisch dit voort te
                    zetten nu ook het nieuwe waterschap geen primaire keringen zal beheren. Vanouds
                    wordt de voorzitter van waterschappen in Oost Nederland watergraaf genoemd. Dat
                    was voorheen zo in het gebied van Velt en Vecht en ook in de Achterhoek en
                    Twente. Er is dus ook een cultuurhistorische aanleiding om de titel watergraaf
                    te continueren. De titel watergraaf geeft uitdrukking aan het feit dat het
                    waterbeheer van waterschappen over meer gaat dan alleen dijkbeheer, waardoor de
                    titel ook passend is in het licht van de moderne tijd en het actuele takenpakket
                    van de waterschappen. Ook de kenmerken van het beheergebied en de daarmee
                    samenhangende waterproblematiek pleiten voor een titel die aansluit bij het
                    gehele takenpakket van het nieuwe waterschap.</al><al><vet>§ 3.1. Het algemeen bestuur</vet></al><al><vet>Artikel 6 Omvang algemeen bestuur</vet>In de Waterschapswet is, uit oogpunt
                    van uniformering, maar ook vanwege doelmatigheid en slagvaardigheid, de minimale
                    en maximale omvang van het algemeen bestuur vastgelegd. Het waterschapsbestuur
                    kan bestaan uit minimaal achttien en maximaal dertig leden.</al><al>Om te garanderen dat daadwerkelijk alle belangencategorieën vertegenwoordigd
                    zijn, dient niet alleen de omvang van het bestuur te worden vastgesteld, maar
                    ook het aantal zetels dat daarbinnen toegekend wordt aan ieder van de specifieke
                    categorieën: bedrijfsgebouwd, natuurterreinen en ongebouwd.</al><al>Op een totale bestuursomvang van minimaal achttien en maximaal dertig zetels
                    zijn minimaal zeven tot maximaal negen zetels gereserveerd voor de specifieke
                    categorieën gezamenlijk, waarbij iedere categorie minimaal één zetel toegewezen
                    krijgt om vertegenwoordiging zeker te stellen. De overige zetels zijn voor de
                    categorie ingezetenen. Met dit stelsel wordt verzekerd (“geborgd”) dat bij de
                    taakuitoefening door het waterschap met alle onderscheiden taakbelangen, de
                    algemene én de specifieke, rekening wordt gehouden. Deze benadering doet recht
                    aan het functionele karakter van het waterschap, dat zich daarmee onderscheidt
                    van de organen van algemene democratie.</al><al>Doel van de geborgde zetels is het zeker stellen van de vertegenwoordiging van
                    de onderscheiden belangen in het waterschapsbestuur. Bij de bepaling van de
                    omvang van het bestuur en de aantallen zetels per categorie is rekening gehouden
                    met de mate van het belang van iedere categorie. Daarbij dient te worden
                    opgemerkt dat de omvang van de betaling door een categorie niet meer als
                    zelfstandig criterium wordt gehanteerd omdat dit uit de wet is geschrapt.
                    Daarnaast is de mate van diversiteit van de belangen binnen de categorieën
                    betrokken bij de bepaling van de zetelaantallen.</al><al><vet>Artikel 7 Benoeming vertegenwoordigers geborgde zetels</vet>De kandidaten
                    voor de categorie bedrijfsgebouwd worden benoemd door de Kamers van Koophandel.
                    Aangezien in het waterschapsgebied twee Kamers van Koophandel bevoegd zijn, is –
                    overeenkomstig artikel 14 van de Waterschapswet - bij reglement bepaald op welke
                    wijze de Kamers tot een voordracht komen. De Kamers dienen tezamen drie
                    vertegenwoordigers te benoemen.</al><al>Voor de categorie ongebouwd is het aan de provincie overgelaten de organisaties
                    aan te wijzen die de benoeming doen. Bij de aanwijzing van de organisaties is
                    rekening gehouden met de verschillende te vertegenwoordigen belangen, de
                    organisatiegraad, representativiteit en dekkingsgraad. Uit een oogpunt van
                    transparantie en eenvoud is gekozen voor één organisatie. LTO Noord is de
                    agrarische ondernemersorganisatie in de negen provincies boven de Maas. Hier
                    speelt dat de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord een dekkingspercentage kent
                    van circa 50% in het waterschapsgebied. Ook zijn vrijwel alle sectoren hierin
                    vertegenwoordigd. Derhalve is de Land- en Tuinbouw Organisatie Noord aangewezen
                    als benoemende instantie. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de benoemende
                    instantie bij het benoemen andere (kleinere) organisaties met gelijkluidende
                    belangen betrekt. Dit met het oog op een zo goed mogelijke representatieve
                    vertegenwoordiging. De selectie van de vertegenwoordigers is een
                    verantwoordelijkheid van de benoemende organisaties. Voor de categorie
                    natuurterreinen is in gevolge de Waterschapswet het Bosschap belast met de
                    benoeming van kandidaten. Nadere regeling van de benoeming van deze kandidaat in
                    het reglement is niet noodzakelijk. De Waterschapswet geeft aan dat de
                    organisaties die de vertegenwoordigers mogen benoemen, de procedure die zij
                    hanteren voor de selectie en benoeming tijdig moeten vastleggen. Daarbij zij
                    opgemerkt dat de toenmalige staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat blijkens
                    haar brief aan de Eerste Kamer van 20 april 2007 met de benoemende organisaties
                    heeft afgesproken dat een open kandidaatstelling onderdeel uitmaakt van die
                    procedure. Het waterschap zorgt vervolgens voor publicatie zodat het voor de
                    leden van de belangengroeperingen (maar ook voor andere betrokkenen) duidelijk
                    is op welke wijze de benoeming tot stand komt. Ook kunnen eventuele kandidaten
                    hun interesse op dat moment kenbaar maken. De benoeming is bindend, dat wil
                    zeggen de status van de benoemde kandidaten is gelijk aan die van gekozen
                    kandidaten. Slechts de toetsing door het algemeen bestuur op grond van artikel
                    24 van de Waterschapswet kan toelating tot het algemeen bestuur
                        verhinderen.<vet>Artikel 8 Reglement van orde</vet>De Waterschapswet geeft
                    in de artikelen 35 tot en met 39 een aantal bepalingen over openbare en besloten
                    vergaderingen en over geheimhouding. Het algemeen bestuur stelt een reglement
                    van orde voor haar vergaderingen vast. Voor de invulling van dat reglement
                    verdient het aanbeveling zo veel mogelijk aan te sluiten bij de regelingen, die
                    de Gemeentewet en de Provinciewet kennen omtrent onderwerpen van vergaderorde.
                    Met name wordt hierbij gedacht aan het vergaderquorum, het besluitquorum, de
                    wijze van uitschrijven van een nieuwe vergadering en het opstellen van de
                    agenda, stemrecht van de leden, stemprocedures en het bepalen van de
                    stemuitslag.</al><al><vet>§ 3.2. Het dagelijks bestuur</vet></al><al><vet>Artikel 9 Omvang dagelijks bestuur</vet>Ten aanzien van de omvang van het
                    dagelijks bestuur kan het reglement alleen bepalen hoeveel leden dit college,
                    afgezien van de voorzitter, minimaal en maximaal telt. In verhouding tot de
                    omvang van het algemeen bestuur en ter voorkoming van versnippering van
                    bestuurstaken is gekozen voor minimaal 2 en maximaal 5 andere
                    bestuursleden.</al><al><vet>§ 3.2.1 Benoeming, ontslag en vervanging van de leden van het dagelijks
                        bestuur.</vet> De artikelen 10 tot met 13 hebben uitsluitend betrekking op
                    de door het algemeen bestuur benoemde leden van het dagelijks bestuur. De
                    bepalingen voor de voorzitter staan in paragraaf 3.3.<vet>Artikel 10 Benoeming
                        leden van het dagelijks bestuur</vet>In de eerste vergadering van het
                    algemeen bestuur vindt de benoeming plaats van de leden van het dagelijks
                    bestuur. De benoemde wordt geacht zijn benoeming niet aan te nemen, indien hij
                    op de tiende dag nadat hij in kennis is gesteld van zijn benoeming zijn
                    benoeming niet heeft aanvaard. Aanvaarding van de benoeming dient te geschieden
                    door middel van een aangetekende brief. Hiermee wordt aangesloten bij het
                    stelsel van fictieve weigering zoals ook opgenomen in de Provinciewet en de
                    Gemeentewet. In artikel 41, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de
                    benoeming van de leden van het dagelijks bestuur plaatsvindt uit het algemeen
                    bestuur. GedeputeerdeSstaten kunnen hiervan ontheffing verlenen indien het
                    reglement die mogelijkheid biedt. In het tweede lid is deze mogelijkheid aan
                    Gedeputeerde Staten gegeven. Dit maakt het mogelijk om geschikte kandidaten te
                    vinden buiten de kring van het algemeen bestuur. Voor de leden van het dagelijks
                    bestuur die niet tot het algemeen bestuur behoren, gelden op grond van artikel
                    45 wel de eisen die aan de verkiesbaarheid van leden van het algemeen bestuur
                    worden gesteld alsmede de incompatibiliteiten voor het lidmaatschap van het
                    algemeen bestuur. Ook de verplichting tot het afleggen van de eed of de belofte
                    is op deze leden van toepassing. Daarbij dient expliciet te worden opgemerkt dat
                    de leden van het dagelijks bestuur die via de ontheffing van artikel 41, tweede
                    lid, van de wet in het dagelijks bestuur zijn terecht gekomen alleen lid zijn
                    van het dagelijks bestuur. Zij mogen dus alleen de bevoegdheden uitoefenen die
                    horen bij dit bestuur. Ze zijn geen lid van het algemeen bestuur (dat zou immers
                    leiden tot een wijziging van het aantal zetels van het algemeen bestuur) en
                    kunnen dan ook geen bevoegdheden uitoefenen van het algemeen bestuur. De
                    invulling van een open gevallen plek in het dagelijks bestuur geschiedt zo
                    spoedig mogelijk. Dit kan anders zijn indien het algemeen bestuur besluit het
                    aantal leden van het dagelijks bestuur te verminderen.</al><al><vet>Artikel 11 Ingang benoeming leden dagelijks bestuur</vet>In dit artikel
                    wordt het aanvangstijdstip van de benoeming van de leden geregeld alsmede de
                    opvolging van het gehele dagelijks bestuur (met uitzondering van de voorzitter)
                    na de verkiezingen.</al><al><vet>Artikel 12 Ontslag op eigen initiatief</vet>Dit artikel vormt een
                    aanvulling op artikel 41 van de wet, waarin het ontslag van de leden summier
                    wordt geregeld. Leden die hun ontslag nemen, geven hiervan, om bewijsrechtelijke
                    redenen, schriftelijk kennis aan het algemeen bestuur. Deze bepaling komt
                    overeen met de artikelen 42 en 43 van respectievelijk de Provinciewet en de
                    Gemeentewet. De Waterschapswet bevat terzake geen bepalingen. Uit de aard van de
                    rechtshandeling vloeit voort dat opzegging niet met terugwerkende kracht
                    mogelijk is (vergelijk artikel 43 Gemeentewet en 42 Provinciewet).</al><al><vet>Artikel 13 Vervanging leden dagelijks bestuur</vet>Leden van het dagelijks
                    bestuur kunnen bij langdurige afwezigheid worden vervangen door leden van het
                    algemeen bestuur. De vervanging kan door het algemeen bestuur worden geregeld op
                    verzoek van het dagelijks bestuur, het betreffende lid van dat bestuur, of uit
                    eigen beweging. Bepalend is of de vervanging nodig is voor een goed functioneren
                    van het betreffende bestuursorgaan. Het tweede lid regelt de vergoeding bij
                    vervanging van een lid van het dagelijks bestuur.</al><al><vet>§ 3.2.2 Overige bepalingen betreffende het dagelijks bestuur Artikel 14
                        Reglement van orde</vet>Het dagelijks bestuur stelt voor zijn vergaderingen
                    en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Een verschil tussen de
                    vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur is, dat de
                    vergaderingen van dit college met gesloten deuren worden gehouden, tenzij dit
                    bestuur anders heeft bepaald. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan
                    regels geven over de openbaarheid van de vergaderingen van het dagelijks bestuur
                    (artikel 42 Waterschapswet). Met de toevoeging van de woorden “en andere
                    werkzaamheden” wordt aangesloten bij wat daaromtrent in de praktijk is gegroeid
                    en hetgeen is bepaald in de Provinciewet en de Gemeentewet. In de reglementen
                    van orde worden meer activiteiten geregeld dan alleen de vergaderingen. Andere
                    werkzaamheden kunnen betrekking hebben op de bekendmaking van besluiten, de
                    schriftelijke afdoening van zaken en de procedurele voorbereiding van de in het
                    dagelijks bestuur te bespreken nota’s.</al><al><vet>§ 3.3. De voorzitter</vet></al><al><vet>Artikel 16 Benoeming voorzitter</vet>Alvorens een aanbeveling voor de
                    benoeming van de voorzitter als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet,
                    wordt opgemaakt, wordt, behalve in het geval van herbenoeming, een open
                    sollicitatieprocedure gevolgd. Een open sollicitatie omvat in elk geval een
                    bekendmaking in de daarvoor geëigende kranten en of vakbladen.</al><al><vet>Artikel 17 Woonplaats voorzitter</vet>Voor het eerste lid van dit artikel
                    inzake de bepaling van de woonplaats van de voorzitter is aansluiting gezocht
                    bij artikel 71, eerste lid uit de Gemeentewet. Op basis van het tweede lid kan
                    het algemeen bestuur ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid. Het
                    algemeen bestuur kan zelf bepalen of en voor welke periode ontheffing wordt
                    verleend.</al><al><vet>§ 3.4. De secretaris</vet></al><al><vet>Artikelen 18 en 19 Benoeming, taken en bevoegdheden secretaris</vet>De
                    benoeming van de secretaris wordt geregeld door het algemeen bestuur. De
                    secretaris zelf is geen bestuursorgaan. Hij is eerste adviseur van het algemeen
                    bestuur en het dagelijks bestuur. In verband met die functie is het verbod tot
                    het verrichten van bepaalde handelingen, dat geldt voor leden van het algemeen
                    bestuur, ook van toepassing verklaard op de secretaris. Het algemeen bestuur
                    stelt nadere regels vast omtrent de taak en de bevoegdheid van de secretaris.
                    Hierbij is aansluiting gezocht bij de Gemeentewet (artikel 103 lid 2) en de
                    Provinciewet (artikel 100 lid 2).</al><al><vet>HOOFDSTUK 4 TOEZICHT</vet></al><al><vet>Artikel 20 Toezichtbevoegdheid</vet>In verband met het interprovinciale
                    karakter moet op grond van artikel 164 van de Waterschapswet in het reglement
                    een regeling over toezicht worden opgenomen. In dit artikel is bepaald dat het
                    toezicht gezamenlijk wordt uitgeoefend door Gedeputeerde Staten van Overijssel
                    en Drenthe. Het waterschap is voor het grootste gedeelte in de provincie
                    Overijssel gelegen. In de provincie Drenthe is echter een zodanig substantieel
                    gedeelte gelegen met een zodanige economische waarde en een zodanig aantal
                    ingezetenen dat gezamenlijk toezicht met die provincie gerechtvaardigd is. Dat
                    geldt niet voor de provincie Gelderland, omdat het waterschap slechts voor een
                    zeer gering gedeelte in die provincie is gelegen. Het toezicht omvat zowel de
                    toepassing van de generieke instrumenten (schorsing/vernietiging,
                    indeplaatstreding) als de toepassing van de specifieke instrumenten
                    (goedkeuring, aanwijzing). In verband hiermee dienen meldingsplichtige besluiten
                    aan zowel Gedeputeerde Staten van Overijssel als Gedeputeerde Staten van Drenthe
                    te worden toegezonden.</al><al><vet>Artikel 21 Meldingen</vet>Voor besluiten die niet aan preventief toezicht
                    zijn onderworpen geeft de Waterschapswet in artikel 156 de mogelijkheid van
                    schorsing, eventueel gevolgd door vernietiging. Gedeputeerde staten kunnen
                    hiertoe spontaan overgaan, dan wel naar aanleiding van een daartoe ingediend
                    verzoekschrift. Het vernietigingsrecht strekt zich uit over alle
                    waterschapsbesluiten. De regels die gelden voor de toepassing van het
                    schorsings- en vernietigingsinstrument zijn vastgelegd in de Waterschapswet en
                    de Algemene wet bestuursrecht. De gronden voor vernietiging zijn in strijd met
                    het recht of het algemeen belang. Daarnaast beschikken Gedeputeerde Staten sinds
                    de inwerkingtreding van de Waterwet eind 2009 over het
                    (proactieve)aanwijzingsinstrument. Dat instrument is opgenomen in artikel 3.12
                    van die wet en houdt in dat Gedeputeerde Staten een aanwijzing kunnen geven
                    omtrent de uitoefening van taken of bevoegdheden door waterschappen, indien een
                    samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer dat vordert. Het voordeel van
                    dat instrument is dat zonodig aan de ‘voorkant’ kan worden ingegrepen. Op grond
                    van de Waterschapswet moeten in ieder geval aan Gedeputeerde Staten worden
                    toegezonden: a. besluiten tot vaststelling of wijziging van de keur (artikel 80
                    van de Waterschapswet); b. de begroting en begrotingswijzigingen (artikel 101
                    van de Waterschapswet); c. de rekening (artikel 107 van de Waterschapswet); d.
                    de verordeningen met betrekking tot de organisatie van de administratie, het
                    beheer en de controle van de vermogenswaarden alsmede de verordening met regels
                    over periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
                    gevoerde bestuur (artikel 109b van de Waterschapswet). Ook op grond van andere
                    wetten bestaan voor de waterschappen verplichtingen tot toezending van besluiten
                    aan Gedeputeerde Staten. Dit artikel vult de wettelijke opsomming aan met een
                    categorie besluiten die van wezenlijk belang is voor de taakuitoefening door het
                    waterschap en waarvan derhalve op provinciaal niveau kennis dient te bestaan.
                    Dat betreft besluiten tot oprichting van of deelneming in een rechtspersoon (lid
                    1, onderdeel a).</al><al>Daarnaast is mede met het oog op een mogelijke (proactieve) toepassing van het
                    aanwijzingsinstrument een toezendingplicht opgenomen voor de in artikel 21,
                    eerste lid, onderdelen b en c, en tweede lid genoemde besluiten of het ontwerp
                    daarvan. Toezending van de ontwerpkeur (eerste lid, onderdeel b) wordt van
                    belang geacht, omdat de keur een belangrijk instrument is voor de uitvoering van
                    het waterbeleid en de uitvoering van het grondwaterbeleid door provincie en
                    waterschap op elkaar moet zijn afgestemd. In artikel 80, tweede lid, van de
                    Waterschapswet is al geregeld dat de vastgestelde keur of een wijziging daarvan
                    wordt toegezonden aan Gedeputeerde Staten. Toezending van het calamiteitenplan
                    en het ontwerp ervan (eerste lid, onderdeel c) is voorgeschreven vanwege het
                    belang van dit plan gelet op de grote gevolgen die situaties van gevaar in de
                    sfeer van de waterstaatszorg kunnen hebben en vanwege het belang van afstemming
                    van dit plan op soortgelijke plannen van andere overheden. Tot de
                    inwerkingtreding van de Waterwet was de toezending geregeld in artikel 69 van de
                    Waterstaatswet 1900. Toezending van een peilbesluit en het ontwerp ervan (tweede
                    lid) wordt om de volgende reden van belang geacht. Bij het nemen van een
                    peilbesluit is de in de provinciale Omgevingsvisie aangegeven functie van de
                    desbetreffende oppervlaktewateren leidend. In het licht van die functie moet een
                    afweging plaatsvinden van alle bij het waterbeheer betrokken belangen. Vanwege
                    die belangenafweging die bij de uitwerking van de functietoekenning aan de orde
                    is en die zeer breed kan zijn, is het wenselijk dat Gedeputeerde Staten van
                    (ontwerp)peilbesluiten kennis nemen. Vanwege de relatie met het waterplan vindt
                    hierbij toezending plaats aan Gedeputeerde Staten van die provincie op wier
                    grondgebied het peilbesluit betrekking heeft.</al><al><vet>Artikel 22 Wijzigingen van beperkte strekking</vet>Artikel 6 tweede volzin
                    van de Waterschapswet maakt het mogelijk bij een interprovinciaal waterschap bij
                    reglement te bepalen dat reglementswijzigingen van beperkte strekking kunnen
                    worden opgedragen aan één of twee van de drie Provinciale Staten. Dit artikel
                    voorziet hierin. Alleen reglementswijzigingen die aan goedkeuring van de
                    minister zijn onderworpen, vergen een gemeenschappelijk besluit van de
                    Provinciale Staten van de drie provincies. Daarvan is sprake als de taken of het
                    gebied van het waterschap worden gewijzigd.</al><al><vet>Toelichting op de OVERGANGSBEPALINGEN voor het waterschap Vechtstromen
                        (bijlage)</vet></al><al><vet>§1. Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden</vet></al><al><vet>Artikel 2 Rechtskracht voorschriften en uitoefening bevoegdheden</vet>Het
                    eerste lid van dit artikel beoogt een soepele overgang mogelijk te maken van de
                    oude naar de nieuwe situatie door de besluiten van de op te heffen waterschappen
                    van kracht te laten blijven. Hierbij wordt gedoeld op algemeen verbindende
                    voorschriften en besluiten van algemene strekking, zoals peilbesluiten. Zo
                    spreekt het als vanzelf dat bijvoorbeeld besluiten tot het verlenen van
                    vergunning door de fusie niet worden aangetast. Het tweede lid beoogt buiten
                    twijfel te stellen wie bevoegd is ten aanzien van de uitoefening van
                    bevoegdheden als aangegeven in de in het eerste lid bedoelde voorschriften en
                    besluiten. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de overgang van rechten en
                    verplichtingen van de op te heffen waterschappen naar het nieuw te vormen
                    waterschap is geregeld in artikel 5b van de Waterschapswet.</al><al><vet>Artikel 3 Reglementen van orde; regelingen vergoedingen; artikel 4
                        Instructie secretaris</vet>Het is wenselijk dat de bestuursorganen van het
                    waterschap en de secretaris die de organen bij de uitoefening van hun taak
                    terzijde staat, vanaf het moment van instelling naar behoren functioneren. Met
                    het oog daarop is in artikel 3 een tijdelijke voorziening getroffen voor de
                    reglementen van orde van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en voor
                    de vergoedingsregelingen van de leden van het algemeen bestuur. Artikel 4 bevat
                    eenzelfde regeling voor de instructie van de secretaris.</al><al><vet>Artikel 5 Kostentoedelingsverordening; artikel 6
                        Belastingverordeningen</vet>Het eerste lid van artikel 2 is niet van
                    toepassing op de kostentoedelingsverordening en de belastingverordeningen. Omdat
                    het belastingjaar ingaat op 1 januari is het noodzakelijk dat het nieuwe
                    algemeen bestuur deze verordeningen zo spoedig na 1 januari 2014 in zijn eerste
                    vergadering vaststelt en de terugwerkende kracht zo veel mogelijk wordt
                    beperkt.</al><al>De artikelen 7 en 8 behoeven geen nadere toelichting.</al><al><vet>§3. Voorbereidingscommissie</vet></al><al><vet>Artikel 9 Voorbereidingscommissie</vet>Het instellen van een nieuw
                    waterschap vergt een grondige voorbereiding. Hiertoe is het onder meer
                    noodzakelijk dat reglementair wordt voorzien in het instellen van een
                    voorbereidingscommissie die de besluiten voorbereidt die nodig zijn voor het
                    volledig functioneren van het nieuwe waterschap. Dit is geregeld in dit artikel.
                    Het vijfde lid regelt waarvoor de besluitvorming in ieder geval moet worden
                    voorbereid. Dit zijn de begroting, de meerjarenraming, de
                    kostentoedelingsverordening en de belastingverordeningen. Om zeker te zijn van
                    optimale afstemming met de zittende bestuursorganen bepaalt het reglement dat de
                    voorbereidingcommissie zal bestaan uit leden van de dagelijkse besturen van de
                    op te heffen waterschappen. Daarnaast regelt dit artikel dat de algemene
                    besturen van de op te heffen waterschappen bij de voorbereiding van de in het
                    tweede lid genoemde aangelegenheden worden betrokken (lid 7).</al><al><vet>§4. Verkiezingen voor het algemeen bestuur</vet></al><al><vet>Artikel 10 t/m 12</vet>Bij wet is geregeld dat de verkiezingen van najaar
                    2012 worden uitgesteld tot najaar 2014. De zittende besturen van alle
                    waterschappen blijven dus in principe twee jaar langer zitten. In geval van
                    fusie van waterschappen is het mogelijk om de zittingsduur met maximaal 2 jaar
                    te verlengen of te verkorten. Uitgangspunt van de Waterschapswet is dat het
                    bestuur van een nieuw in te stellen waterschap wordt samengesteld op basis van
                    kort voor de datum van instelling te houden verkiezingen. Deze mogelijkheid doet
                    zich dus nu voor. Door de - op grond van de wet - verlengde zittingsduur via
                    artikel 27 te verkorten tot 1 januari 2014 ontstaat de mogelijkheid op
                    verkiezingen te organiseren in het najaar 2013. De nieuwe leden treden na
                    goedkeuring van hun geloofsbrieven aan per 1 januari 2014. Artikel 2.107 van het
                    Waterschapsbesluit treft een voorziening indien onverhoopt op 31 december 2013
                    de goedkeuring van de geloofsbrieven bij meer dan de helft van de nieuwe leden
                    nog niet onherroepelijk is.</al><al>In dat geval behouden de zittende leden van het algemeen en dagelijks bestuur
                    van het waterschap Regge en Dinkel hun zetel. Deze beide besturen zijn bevoegd
                    tot het nemen van besluiten die geen uitstel kunnen leiden. Deze situatie
                    eindigt zodra bij meer dan de helft van de nieuw gekozen leden de goedkeuring
                    van de geloofsbrieven onherroepelijk is.</al><al><vet>Artikel 13 Interim-voorzitter; artikel 14 Benoeming eerste
                    voorzitter</vet>Op grond van artikel 3.21, lid 1, van het Waterschapsbesluit kan
                    aan de zittende voorzitters bij Koninklijk Besluit ontslag worden verleend
                    wegens opheffing van de beide waterschappen. Daarin behoeft dus niet te worden
                    voorzien in dit reglement. Voor de benoeming door de Kroon van een voorzitter
                    voor het fusiewaterschap dient ex artikel 46 Waterschapswet het algemeen bestuur
                    van het nieuwe waterschap een aanbeveling op te maken. Een en ander betekent dat
                    voordat er een nieuwe voorzitter benoemd is enige tijd verstreken zal zijn zodat
                    voor de beginperiode van het fusiewaterschap een voorzitter ad interim middels,
                    dan wel krachtens, het reglement aangewezen moet worden. Deze voorzitter ad
                    interim zal ex artikel 11, lid 2, van dit reglement vanaf 1 januari 2014 tot de
                    eerste vergadering van het nieuwe algemene bestuur (door de voorzitter te
                    beleggen in de periode van 2 tot en met 8 januari 2014), waarin het dagelijks
                    bestuur benoemd moet worden, ook functioneren als dagelijks bestuur.</al><al>In artikel 13, tweede lid, is geregeld dat Gedeputeerde Staten van Overijssel
                    een interim voorzitter aanwijst op basis van een voordracht van de
                    voorbereidingscommissie. Zodra het nieuwe algemeen bestuur is aangetreden dient
                    zij de procedure uit te voeren voor het vervullen van de functie van
                    voorzitter.</al><al>Artikel 15 behoeft geen toelichting.</al><al><vet>§5. Rechtspositie</vet></al><al><vet>Artikel 16 Rechtspositieregeling van de ambtenaren</vet>Bij reorganisaties
                    zoals deze is het gebruikelijk dat de wijze waarop het personeel overgaat en de
                    overige rechtspositionele gevolgen worden vastgelegd in een sociaal statuut. Het
                    is wenselijk dat dit sociaal statuut in een zo vroeg mogelijk stadium wordt
                    vastgesteld, zodat althans een voorlopige inpassing van het personeel op basis
                    van het sociaal statuut heeft plaatsgevonden op het moment dat het nieuwe
                    waterschap gaat functioneren. Het sociaal statuut is op basis van artikel 2 ook
                    van toepassing op het nieuwe waterschap.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>