<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR302562_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 23</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en bijstand , artikel 8, lid 1, onderdeel c en artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/45</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening werkt terug tot 1 januari 2013.</al><al>Deze verordening vervangt de Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><plaatje><illustratie id="id15e4bec-c6ad-414d-9d39-b37c8192fd10" naam="i227563id15e4bec-c6ad-414d-9d39-b37c8192fd10.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="2.6cm"/></plaatje></al><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland; </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van ;</al><al/><al>gelet op artikelen 8, lid 1, onderdeel c en 30 van de Wet Werk en
                        Bijstand;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringenvan bijstandsgerechtigden bij verordening te
                        regelen;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel
                                        c, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
                                        Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip,
                                        als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en
                                        bijstand;</al></li><li nr="e."><al>woonkosten; 1°. indien een huurwoning wordt bewoond, de per
                                        maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                        van de Wet op de huurtoeslag; 2°. Indien een eigen woning
                                        wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som
                                        van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het
                                        in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten
                                        en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                        onderhoud;</al></li><li nr="f."><al>pensioengerechtigde leeftijd: de leeftijd als bedoeld in
                                        artikel 1 sub m van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                                pensioengerechtigde leeftijd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                alleen indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder en de
                                pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18,
                                eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt20 procent van de gehuwdennorm voor de
                                alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt10 procent van de gehuwdennorm voor de
                                alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning één of meer
                                anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden thuiswonende kinderen van
                                18 jaar of ouder niet in aanmerking genomen als één of meer anderen
                                die in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben, indien het in
                                aanmerking te nemen inkomen van die kinderen lager of gelijk is aan
                                het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                                onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering
                                2000.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerstel lid bedraagt de toeslag als bedoeld in
                                artikel 25, eerste lid, van de wet10 procent van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die het
                                hoofdverblijf heeft in een kamer of andere onzelfstandige woning
                                waarvoor geen huurtoeslag kan worden ontvangen, omdat de kamer of
                                andere onzelfstandige woning niet voldoet aan de voorwaarden die
                                artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag daaraan stelt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die de woning deelt met
                                één of meer anderen; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de verlaging als bedoeld in
                                artikel 26 van de wet, 10 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden
                                die het hoofdverblijf hebben in een kamer of andere onzelfstandige
                                woning waarvoor geen huurtoeslag kan worden ontvangen, omdat de
                                kamer of andere onzelfstandige woning niet voldoet aan de
                                voorwaarden die artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag daaraan
                                stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt: 10
                                procent van de gehuwdennorm als:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen
                                        woonkosten verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>indien geen woning bewoond wordt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing ten aanzien van belanghebbenden op wie
                                artikel 3, tweede of vierde lid of artikel 4, eerste of derde lid
                                van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Alleenstaande van 21 jaar of 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geen toeslag wordt verleend aan de alleenstaande van 21 jaar of 22
                                jaar;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt een toeslag van 10% van de gehuwdennorm
                                verleend indien het een jongere van 22 jaar betreft in wiens woning
                                geen ander zijn hoofdverblijf heeft. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2013 treedt in werking met
                            ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking onder gelijktijdige
                            intrekking van de Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012 en
                            werkt terug tot 1 januari 2013.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 18 juni 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de Griffier, A. ten Hoff,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><divisie><kop><label>Artikelsgewijze toelichting </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of
                            Awb niet afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat
                            in geval van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook
                            de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip woning is aansluiting gezocht bij de
                            begripsomschrijving in de Wet op de huurtoeslag, “een gebouwde
                            onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije
                            etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de
                            onroerende aanhorigheden”.</al><al/><al>Een zelfstandige woonruimte in de zin van de Wet op de huurtoeslag is
                            een eengezinswoning, een appartement, een flat of een andere woonruimte
                            met een eigen voordeur, een eigen keuken, een eigen toilet en een eigen
                            wasruimte. Indien een woning geen eigen voordeur heeft, maar wel alle
                            overige kenmerken van een zelfstandige woning, spreekt men van een
                            onvrije etage.</al><al>Ontbreken een of meer kenmerken van een zelfstandige woonruimte en is er
                            ook geen sprake van een onvrije etage, dan betreft het een
                            onzelfstandige woonruimte. </al><al/><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten
                            is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                            Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                            opgenomen. Het is aan het college overgelaten om de onderhoudskosten
                            vast te stellen. </al><al/><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens
                            verwezen naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een
                            woning worden gelijkgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Dit artikel geeft aan op welke categorieën van personen met een
                            bijstandsuitkering de verordening van toepassing is.</al><al>De indeling is gebaseerd op de Wet werk en bijstand. Uitsluitend in de
                            leeftijdscategorie van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd
                            kunnen verhogingen en verlagingen op grond van de verordening worden
                            vastgelegd. Bij gehuwden geldt dat beiden moeten voldoen aan het
                            leeftijdscriterium van 21 jaar of ouder maar jonger dan de leeftijd
                            waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt. Dit betekent, dat
                            de verordening uitsluitend van toepassing is op de normen op grond van
                            artikel 21 van de Wet werk en bijstand.</al><al>Geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid in artikelen 26 van de
                            Wet werk en bijstand voor categoriale verlagingen bij zelfstandig
                            wonende uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar. Indien dit leidt
                            tot onbillijkheden van overwegende aard, vindt toepassing van artikel
                            18, lid 1, van de Wet werk en bijstand plaats.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen</titel></kop><al>Alleenstaanden en alleenstaande ouders die alleen een woning bewonen
                            hebben op grond van artikel 30, lid 2, onder a, van de Wet werk en
                            bijstand recht op de maximale toeslag.</al><al/><al>Ingeval in de woning naaste de alleenstaande of alleenstaande ouder een
                            ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke
                            kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Hieronder wordt onder
                            andere verstaan: huur, gas, water, elektra, duurzame gebruiksgoederen
                            etc. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                            worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van
                            belanghebbende zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter
                            van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats. In de toeslagen verordening is daarom
                            gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval
                            één of meer anderen in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben.</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                            begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het
                            niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het
                            huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben. Bij kinderen met een in aanmerking te laten
                            inkomen lager of gelijk aan het normbedrag voor de kosten van
                            levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                            studiefinanciering 2000, is niet aannemelijk dat zij kunnen bijdragen in
                            de kosten van het huishouden (artikel 25 lid 1 WWB). Per 1 januari 2012
                            is de hoogte van het normbedrag € 604,15 per maand. </al><al>In het vierde lid wordt een toeslag van 10% van de gehuwdennorm
                            verstrekt aan belanghebbenden die hun hoofdverblijf hebben in een
                            onzelfstandige woning waarvoor geen huurtoeslag kan worden ontvangen
                            gelet op artikel 11 van de Wet op de huurtoeslag. Hierbij dient
                            bijvoorbeeld te worden gedacht aan kamerbewoners. Kamerbewoners hebben
                            over het algemeen geen eigen voordeur, eigen keuken, eigen toilet en
                            eigen wasruimte, maar delen deze met één of meer andere (kamer)bewoners.
                            Daardoor kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld worden.
                            Hieronder wordt verstaan: huur, gas, water, elektra, duurzame
                            gebruiksgoederen etc. Daarbij is de mate waarin de kosten ook
                            daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                            verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Verlaging gehuwden</titel></kop><al>De criteria voor het verlagen van de norm voor gehuwden zijn dezelfde
                            als vermeld in artikel 3 van de verordening bij het verhogen van de norm
                            voor alleenstaanden en alleenstaande ouders met een toeslag.</al><al>Gelet op de normensystematiek is dan een verlaging van de norm voor
                            gehuwden van toepassing met hetzelfde bedrag als in situaties waarvoor
                            bij alleenstaanden en alleenstaanden ouders een toeslag zou zijn
                            verleend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>Naast het kunnen delen van de algemene bestaanskosten met een ander
                            kunnen er aanzienlijke lagere algemene bestaanskosten zijn als gevolg
                            van het ontbreken van bepaalde kosten. Bij de bijstandsverlening moet
                            met deze lagere bestaanskosten rekening kunnen worden gehouden. Hiertoe
                            is een aparte bepaling opgenomen, omdat de artikelen 4 en 5 van de
                            verordening uitsluitend toe zien op het kunnen delen van de kosten met
                            een ander. </al><al/><al>Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn
                            bij de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden,
                            bijvoorbeeld in het geval van krakers. Hiervan is echter ook sprake
                            ingeval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonkosten
                            betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor de
                            bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële
                            voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een
                            lager bedrag aan algemene bijstand. Doorslaggevend voor de toepassing
                            van dit artikel is, dat bewoner(s) niet jegens een derde woonkosten
                            verschuldigd zijn.</al><al>Dak- en thuislozen vallen ook onder deze regeling. In de regel hebben
                            zij geen kosten voor het aanhouden van woonruimte.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Alleenstaande van 21 jaar of 22 jaar</titel></kop><al>Als alleenstaanden van 21 of 22 jaar op de norm een maximale toeslag
                            zouden ontvangen, zou dit geen stimulans zijn om werk te aanvaarden.
                            Voorts zou in een groot aantal gevallen aanspraak op aanvullende
                            bijstand kunnen worden gemaakt, waaronder bij een dienstbetrekking op
                            basis van 32 uur per week, hetgeen niet de bedoeling van de wet is. Dit
                            gelet op de hoogte van het wettelijk minimumloon voor 21 en 22
                            jarigen.</al><al>Tevens ligt het voor de hand om een hogere toeslag toe te passen voor
                            een 22 jarige die zelfstandige woonruimte bewoont. Ook omdat voor een 22
                            jarige een hoger minimum jeugdloon geldt dan voor een 21 jarige. Dit
                            artikel is niet van toepassing op alleenstaande ouders van 21 of 22 jaar
                            en gehuwden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Uitvoering</titel></kop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                            Toeslagenverordening bij het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de achtste dag
                            na die van de bekendmaking (publicatie), tenzij in deze besluiten
                            daarvoor een ander tijdstip is aangewezen (artikel 142 Gemeentewet. </al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>