<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR302556_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2013, nr. 22</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artikel 8, eerste lid, onderdelen b en h, artikel 9a, twaalfde lid en artikel 18 tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-08-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/45</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012.</al><al>Deze verordening werkt terug tot 1 januari 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><plaatje><illustratie id="ia6e1efc1-420e-40b7-b3b4-0bfdce2081f4" naam="i227562ia6e1efc1-420e-40b7-b3b4-0bfdce2081f4.png" type="foto" breedte="15.9cm" hoogte="2.6cm"/></plaatje></al><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdelen b en h, artikel 9a, twaalfde lid,
                        en artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 juni 2013,
                        nummer/2013/45;</al><al/><al>overwegende dat,</al><al/><al>bij verordening regels dienen te worden gesteld ter verlaging van de
                        bijstand,</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al>Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2013</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel
                                    18, tweede lid van de wet; </al></li><li nr="g."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Steenwijkerland ;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende: degene als genoemd in artikel 1:2 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht, waaronder mede begrepen het
                                    gezin;</al></li><li nr="i."><al>traject: een re-integratietraject als bedoeld in artikel 1, lid
                                    2, sub g van de re-integratieverordening Wet werk en
                                    bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende
                                verplichtingen, met uitzondering van artikel 17 eerste lid, niet of
                                onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college
                                zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in deze
                                verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm plus
                                de op grond van artikel 12 WWB verleende bijzondere bijstand’. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in deze
                                verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende
                                bijzondere bijstand’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheidgesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan of;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al> elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al> de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel
                                indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm, tenzij de verordening anders bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voorzover de ingangsdatum daardoor niet voor
                                de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan driemaanden wordt opgelegd,
                                wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen als genoemd in artikel 18, tweede lid van
                                de wet wordt de maatregel behorende bij de gedraging van de hoogste
                                categorie opgelegd. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen plichten tot arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste</vet><vet>categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                            werknemersverzekeringen of het niet of niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate verstrekken van
                                            inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het
                                            bepalen van een geschikt re-integratietraject en/of
                                            geschikte voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling
                                            en/of sociale activering;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om, in
                                            verband met de inschakeling in de arbeid, op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen; </al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            als bedoeld in artikel 5 van de
                                            re-integratieverordening; </al></li><li nr="d."><al>het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar
                                            uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken
                                            gedurende de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid,
                                            van de wet;</al></li><li nr="e."><al>het in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid of artikel 55 van de
                                            wet, gedurende 4 weken na de melding in de zin van
                                            artikel 43 vierde en vijfde lid van de wet;</al></li><li nr="g."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b van de wet niet te willen nakomen, hetgeen
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing als
                                            bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de wet op grond
                                            van artikel 9a, vijfde lid, onderdeel d van</al><al>de wet;</al></li><li nr="h."><al>het zich niet laten inschrijven bij uitzendbureaus;</al></li><li nr="i."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                            opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid
                                            onderdeel c, van de wet. </al><al/></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>Derde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een
                                            doorhet collegeaangeboden
                                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling, of het niet
                                            of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende
                                            onderdelen van het re-integratietraject, inclusief
                                            voorzieningen of trajecten gericht op sociale
                                            activering; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de
                                            specifieke verplichtingen die het college aan een
                                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                            verbindt, inclusief specifieke verplichtingen verbonden
                                            aan sociale activering;</al></li><li nr="c."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren. </al><al/></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Vierde categorie:</vet></al><al>Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onderdelen a
                                tot en met d wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid
                                onderdelen a tot en met d, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een
                                maatregel opgelegd van maximaal honderd procent van de bijstand
                                gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Het college legt een maatregel op als belanghebbenden een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                            het bestaan hebben betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                            wet, waardoor belanghebbenden een beroep moeten doen op bijstand dan wel
                            eerder of langer een beroep moeten doen op bijstand. Daarbij worden de
                            volgende categorieën onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste</vet><vet> categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
                                            tot stand te brengen;</al></li></lijst><al/></li><li nr="2."><al><vet>Tweede</vet><vet> categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het verkopen van de woning beneden de WOZ-waarde;</al></li><li nr="b."><al>het te snel interen van vermogen dat meer bedroeg dan de
                                            toepasselijke vermogensgrens;</al></li><li nr="c."><al>onderbedeling bij echtscheiding;</al></li><li nr="d."><al>te late of geen aanvaarding van een voorliggende
                                            voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                            sociale zekerheidsuitkering;</al></li><li nr="g."><al>het feitelijk niet kunnen beschikken over een
                                            voorliggende voorziening omdat een bestuurlijke boete
                                            daarmee is verrekend zonder rekening te houden met de
                                            beslagvrije voet vanwege recidive;</al></li><li nr="h."><al>bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
                                            toegekende alimentatie;</al></li><li nr="i."><al>het niet hebben van een op grond van de
                                            Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering;</al></li><li nr="j."><al>overige gedragingen die als een tekortschietend besef
                                            van verantwoordelijkheid in de voorziening van het
                                            bestaan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 18,
                                            tweede lid, van de wet, waardoor belanghebbenden een
                                            beroep moeten doen op bijstand dan wel daar eerder of
                                            langer een beroep op moeten doen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Overige gedragingen waarvoor het college een maatregel
                                oplegt.</titel></kop><al>Het college legt belanghebbenden een maatregel op als zij verplichtingen
                            van artikel 55 en/of 57 van de wet niet of onvoldoende nakomen. Daarbij
                            worden de volgende categorieën onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Eerste</vet><vet> categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee
                                            te werken aan een noodzakelijke behandeling van medische
                                            aard, die op grond van artikel 55 van de wet is
                                            opgelegd.</al></li><li nr="b."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de
                                            budgetteringsplicht die op grond van artikel 57, sub a,
                                            van de wet is opgelegd;</al></li><li nr="c."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van verplichting mee te
                                            werken aan een schuldsanering, die op grond van artikel
                                            55 van de wet is opgelegd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Tweede</vet><vet> categorie</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de op grond van
                                            artikel 55 van de wet opgelegde verplichting om
                                            partneralimentatie te vorderen van de (ex-)echtgenoot of
                                            (ex-)geregistreerd partner;</al></li><li nr="b."><al>Het niet of onvoldoende nakomen van de op grond van
                                            artikel 55 van de wet opgelegde verplichting om
                                            kinderalimentatie te vorderen van degene die
                                            onderhoudsplichtig is voor het kind of de kinderen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte en duur van de maatregel ingevolge artikel 11 en 12 wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        gedraging van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        gedraging van de tweede categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid onder b is de hoogte van de
                                maatregel bij een gedraging als bedoeld in artikel 11, tweede lid,
                                onder h, gelijk aan de hoogte van de vergoeding die belanghebbende
                                zou hebben ontvangen als hij wel een verplichte basisverzekering op
                                grond van de Zorgverzekeringswet zou hebben afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                een hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid
                                belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het
                                college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van maximaal
                                honderd procent van de bijstand gedurende maximaal drie maanden. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                bedoeld in artikel 5, tweede lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel
                                18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van
                                vijftigprocent van de bijstandsnorm gedurende een maand.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder zeer ernstige misdraging tegenover het college of zijn
                                ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van
                                de WWB, wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien er sprake is van recidive zoals genoemd in het derde lid dan
                                kan de cliënt de toegang tot het Werkplein Steenwijk worden ontzegd
                                door het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>De Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013 treedt in werking
                            met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking onder
                            gelijktijdige intrekking van de Maatregelenverordening Wet werk en
                            bijstand 2012 en werkt terug tot 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk
                            en bijstand 2013.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Steenwijkerland op 18
                        juni 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, A. ten Hoff,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en
                            sanctiebeleid SZW-wetgeving per 1 januari 2013 keren de bestuurlijke
                            boetes weer terug in de WWB, IOAW en IOAZ.</al><al/><al>Per 1 januari 2013 is het daardoor niet meer mogelijk de bijstand te
                            verlagen wegens het niet of onvoldoende nakomen van de
                            inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB. In plaats
                            daarvan moet een bestuurlijke boete worden opgelegd onder de voorwaarden
                            die voortvloeien uit artikel 18a WWB. De bepalingen omtrent de schending
                            van de inlichtingenplicht zijn daarom uit de maatregelenverordening
                            gehaald. Dit geldt voor de WWB, de IOAW en IOAZ. </al><al/><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten een
                            maatregelenverordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden
                                    verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en
                                    middelen van de belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                                    collegetekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                    betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze
                                    wetvoortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van artikel
                                    17, eerste lid, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen
                                    het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het
                                    college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8,
                                    eerste lid, onderdeel b, de bijstand. Van een verlaging wordt
                                    afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede
                                    lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                    maanden bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende
                                    mede verstaan het gezin.</al><al/></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                                <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                            verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van
                            de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                            de uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht
                            wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                            omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. </al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten
                            en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                            is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                            onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de
                            vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de
                            toepasselijke bijstandsnorm en de beschikbare middelen van de
                            belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                            worden nagekomen. Wanneerhet collegetot het oordeel
                            komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                            onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen
                            sprake van een bevoegdheid, maar van een
                            <cursief>verplichting</cursief>. Alleen wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                            gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de
                            Maatregelenverordening Wet werk en bijstand. </al><al/><tussenkop>Verplichtingen van belanghebbende</tussenkop><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit drie soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            te verkrijgen en de plicht om deze te aanvaarden; </al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen moeten nader
                                            worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn
                                            toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                                            bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening vormt
                                            de juridische basis voor het opleggen van deze
                                            specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen worden in
                                            het besluit tot het verlenen van bijstand neergelegd
                                            en;</al></li><li nr="-"><al>de plicht tot tegenprestatie. Het college heeft de
                                            bevoegdheid om belanghebbende te verplichting om
                                            maatschappelijk nuttige activiteiten te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                    van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college<cursief>
                                        de </cursief>medewerking te verlenen die redelijkerwijs
                                    nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht
                                    kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals het
                                    meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens
                            </cursief>het college<cursief> zeer ernstig misdragen’. </cursief></al><al/><tussenkop>De term ‘maatregel’</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in
                            de terminologie van de WWB aangeduid als het
                                <cursief>afstemmen</cursief> van de uitkering op de mate waarin de
                            belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                            ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en
                            plichten twee kanten van dezelfde medaille vormen. </al><al/><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                            verplichtingen wordt in deze verordening aangeduid als <cursief>het
                                opleggen van een maatregel</cursief>.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel is géén <cursief>punitieve
                            </cursief>sanctie, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat,
                            maar een <cursief>reparatoire</cursief> sanctie, gericht op het (weer)
                            in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate
                            waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden
                            verplichtingen nakomt. </al><al/><tussenkop>De relatie met de re-integratieverordening</tussenkop><al>De gemeente moet gelijktijdig met de maatregelenverordening ook een
                            re-integratieverordening vaststellen. In deze verordening is vastgelegd
                            hoe de gemeente de klanten gaat ondersteunen bij de arbeidsinschakeling
                            en hoe zij omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing,
                            loonkostensubsidies, werkstages, werkervaringsbanen, sociale activering
                            en trajectplannen.</al><al/><al>In beginsel wordt aan iedere klant de arbeidsverplichting opgelegd. De
                            algemene verplichting staat in artikel 9 van de wet. De gemeente kan
                            deze verplichting nader specificeren en de specificaties in de
                            beschikking vastleggen. Indien een klant de verplichtingen niet nakomt,
                            leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in
                            de maatregelenverordening.</al><al/><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><al/><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de begrippen in de WWB.</al><al>Het begrip <cursief>‘traject’</cursief> is in de verordening opgenomen.
                            Bij de omschrijving van dit begrip is aansluiting gezocht bij de
                            re-integratieverordening Wet werk en bijstand.</al><al>In de verordening wordt het begrip <cursief>‘belanghebbende’</cursief>
                            gebruikt.Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet
                            bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een
                            besluit is betrokken’. In navolging van artikel 18, vierde lid van de
                            wet is gesteld dat hieronder mede verstaan wordt het gezin. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit drie soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>De plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            te verkrijgen en deze te aanvaarden; </al></li><li nr="-"><al>De plicht gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader
                                            moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen
                                            die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                                            de bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening die
                                            elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis
                                            voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                            verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen
                                            van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li><li nr="-"><al>De plicht tot tegenprestatie.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB). Dit is de
                                    plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                                    concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Artikel
                                            18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval
                                            een schending van de medewerkingsplicht inhoudt:
                                                ‘<cursief>het zich jegens </cursief>het college
                                                <cursief>zeer ernstig misdragen’</cursief></al><al/></li></lijst></li></lijst><al>Daarnaast is het mogelijk om aanvullende verplichtingen op te leggen op
                            grond van artikel 55 en artikel 57 van de wet. Bijvoorbeeld de
                            verplichting om mee te werken aan een schuldregeling. Het moet gaan om
                            verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de
                            bijstand.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd<cursief>: </cursief>het
                            college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                            omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.
                            Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elk op te leggen
                            maatregel moet nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de
                            betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van
                            de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                            standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                            betekenen.</al><al/><al>Dit betekent dat het collegebij het beoordelen of een
                            maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke, telkens de volgende drie
                            stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al><al/></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de
                            beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de
                            toelichting bij artikel 5. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden
                            kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag. </al><al/><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>In artikel 3 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                            verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan
                            een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                            artikel 12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage
                            jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van
                            aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als
                            een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou
                            dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom
                            is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag
                            in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm plus de verleende bijzondere
                            bijstand op grond van artikel 12 WWB. </al><al>Artikel 3 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat
                            het college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de
                            bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.
                            Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk
                            bijzondere bijstand is verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12 Awb). </al><al/><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb.
                            </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid,
                            WWB.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de
                            effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden
                            wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor
                            gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
                            een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>De beslissing om af te zien van het opleggen van een maatregel wegens
                            dringende redenen moet worden meegedeeld door middel van een besluit.
                            Dit is van belang in verband met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                            plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat
                            in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                            rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met
                            name uit het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder
                            andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering
                            wordt voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering vindt plaats door middel van
                            verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Er
                            wordt hierbij uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm,
                            tenzij de verordening anders bepaalt.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, dan kan het praktisch zijn om de
                            verlaging van de uitkering met terugwerkende kracht te laten
                            plaatsvinden met ingang van de voorafgaande kalendermaand(en). Daarnaast
                            kan het college met terugwerkende kracht een maatregel opleggen als de
                            belanghebbende geen uitkering meer ontvangt. Van belang is wel dat de
                            ingangsdatum niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging
                            plaatsvindt. Op grond van artikel 54 derde lid WWB en artikel 58, tweede
                            lid, onder a WWB kan de als gevolg van de maatregel ten onrechte
                            betaalde bijstand worden teruggevorderd.</al><al/><al><vet>Derde</vet><vet> lid</vet></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door
                            een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de
                            maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan
                            wel weer een apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                            zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen.
                            Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Er mag zelf worden bepaald wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als
                            dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen,
                            waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht
                            worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat:het
                            college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel
                            wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden
                            waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende
                            persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                            gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden
                            uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing
                            is. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                            gelijktijdig plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen verplichtingen tot arbeidsinschakeling</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het niet nakomen van de plicht tot
                            arbeidsinschakeling worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is
                            de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging
                            wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                            voor het niet verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al><al/><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet
                            omschreven dan in het oude Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat
                            de WWB, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een algemene
                            omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete
                            invulling van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden
                            afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                            bijstandsgerechtigde.</al><al/><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om
                            zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV en ingeschreven te
                            doen blijven. Onderdeel b betreft het verstrekken van inlichtingen aan
                            het college die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt
                            re-integratietraject en/of geschikte voorzieningen.</al><al/><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een
                            actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van
                            de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Onderdeel b
                            betreft het voldoen aan oproepen. Daarnaast dient de belanghebbende mee
                            te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 5 van de
                            re-integratieverordening (onderdeel c). De onderdelen d, e en f zijn
                            maatregelwaardige gedragingen die alleen betrekking hebben op jongeren
                            van 18 tot 27 jaar. </al><al/><al>Onderdeel g. Op verzoek van de alleenstaande ouder met een kind jonger
                            dan vijf jaar is het college verplicht een ontheffing van de
                            verplichting van artikel 9 lid 1 onderdeel a WWB te geven (artikel 9a
                            lid 1 WWB). Wel blijft de alleenstaande ouder verplicht mee te werken
                            aan een re-integratietraject (artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB). Dit
                            traject zal voor ouders zonder startkwalificatie bestaan uit scholing
                            (artikel 9a lid 10 WWB). Ouders met startkwalificatie kunnen op verzoek
                            in aanmerking komen voor een vervolgopleiding (artikel 9a lid 11 WWB).
                            Vanaf 1 januari 2012 zijn colleges verplicht een maatregel op te leggen
                            als uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder blijkt dat
                            deze niet aan re-integratieplicht wil voldoen (artikel 9a lid 12 WWB).
                            Dit moet dan wel bij verordening geregeld zijn (artikel 8 lid 1
                            onderdeel h WWB).</al><al/><al>Op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient er een
                            maatregel uit de tweede categorie te worden opgelegd wanneer een
                            belanghebbende nietaan de verplichting voldoet om zich bij
                            uitzendbureaus in te laten schrijven (onderdeel h). </al><al/><al>Onderdeel i. Het college is vanaf 1 januari 2012 bevoegd (niet
                            verplicht) om bijstandsgerechtigden naar vermogen onbeloonde
                            maatschappelijke nuttige activiteiten te laten verrichten (artikel 9 lid
                            1 onderdeel c WWB). Indien bijstandsgerechtigden daar niet aan mee
                            willen werken, is sprake van een maatregelwaardige gedraging. Het
                            betreft de plicht tot tegenprestatie.</al><al/><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die (in-)direct een
                            aanleiding vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak
                            langer voortduren hiervan. Dergelijke gedragingen betreffen het niet of
                            niet naar vermogen gebruikmaken van een door het
                            collegeaangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                            of het niet of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende
                            onderdelen van het re-integratietraject inclusief sociale activering
                            (onderdelen a), alsmede het niet voldoen aan de hieraan verbonden
                            verplichtingen (onderdeel b). Werk Nu valt onder een door het college
                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij gedragingen
                            die de inschakeling in de arbeid belemmeren (onderdeel c) gaat het zowel
                            om niet verantwoorde beperkingen, die de belanghebbende stelt ten
                            aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid, als om gedragingen
                            die de kansen op arbeidsinschakelingen verminderen. Negatieve
                            gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop
                            de belanghebbende zich bij een sollicitatie opstelt.</al><al/><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Deze gedraging leidt direct tot
                            bijstandsafhankelijkheid. Om die reden geldt voor die gedraging een
                            maatregel van 100%. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid. De percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd wijken
                            enigszins af van het Maatregelenbesluit. Bij het vaststellen van de
                            percentages waarmee de bijstand wordt verlaagd is invulling gegeven aan
                            de eisen van proportionaliteit en evenredigheid. Ook is gekeken naar de
                            effectiviteit van de maatregel in de zin dat de maatregel de beoogde
                            gedragsverandering zal bewerkstelligen. Omdat uit de praktijk gebleken
                            is dat de huidige maatregelen voor met name de categorieën 2 en 3 niet
                            effectief zijn, zijn in de verordening de percentages voor genoemde
                            categorieën naar boven bijgesteld. </al><al/><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake
                            is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate
                            van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de
                            duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een
                            maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                            geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                            opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom
                            schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                            categorie binnen de termijn van twaalf maanden, kan een maatregel worden
                            opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal
                            drie maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te betonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft betoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                            van een maatregel. </al><al>Gedragingen als bedoeld in dit artikel leiden ertoe dat belanghebbenden
                            eerder of langer een beroep moeten doen op bijstand. De gedragingen
                            worden onderscheiden in twee categorieën. De eerste en tweede categorie.
                            De ernst van gedraging is daarbij het onderscheidend criterium. De
                            maatregel dient afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de
                            mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende. </al><al/><al><vet>Eerste lid</vet>(eerste categorie)</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
                                        tot stand te brengen.</vet></al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Een belanghebbende heeft de verplichting om bij
                                    echtscheiding of het ontbinden van een samenleving zo spoedig
                                    mogelijk een boedelscheiding tot stand te brengen. Er dient al
                                    het mogelijke te worden ondernomen om dit te bewerkstelligen.
                                    Middelen verkregen uit de boedelscheiding kunnen er immers toe
                                    leiden dat belanghebbende geen beroep op bijstand hoeft te
                                    doen;</al><al/></li></lijst><al><vet>Twe</vet><vet>ede</vet><vet> lid</vet>(tweede
                            categorie)</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Verkoop eigen woning beneden de WOZ-waarde. </vet>Een
                                    woning kan voor aanvang van de bijstand of tijdens de
                                    bijstandsverlening worden verkocht voor een prijs aanzienlijk
                                    beneden de werkelijke waarde waardoor er eerder of langer een
                                    beroep op bijstand moet worden gedaan;</al></li><li nr="b."><al><vet>T</vet><vet>e snelle intering van vermogen.
                                    </vet>Door te snel op het aanwezige vermogen in te teren,
                                    moet er eerder of langer een beroep op bijstand worden
                                    gedaan;</al></li><li nr="c."><al><vet>O</vet><vet>nderbedeling bij echtscheiding.
                                    </vet>Door bij echtscheiding in te stemmen met
                                    onderbedeling ten aanzien van de verdeling van het gezamenlijk
                                    vermogen/de boedel, moet er eerder een beroep op bijstand worden
                                    gedaan;</al></li><li nr="d."><al><vet>Te late of geen aanvaarding voorliggende voorziening.
                                    </vet>Wanneer er door nalatigheid niet tijdig aanspraak is
                                    gemaakt op een voorliggende voorziening moet er (eerder of
                                    langer) een beroep op bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="e."><al><vet>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid.</vet>Het gaat hier zowel om het
                                    door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid voorafgaand aan de bijstand als tijdens de bijstand. In
                                    het laatste geval kan het bijvoorbeeld gaan om arbeid in
                                    deeltijd. Door de gedraging moet een beroep op (meer) bijstand
                                    worden gedaan;</al></li><li nr="f."><al><vet>Het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                        sociale zekerheidsuitkering</vet>Wanneer een
                                    belanghebbende blijvend geheel of gedeeltelijk zijn recht op een
                                    sociale zekerheidsuitkering verliest waardoor hij een beroep
                                    moet doen op bijstand, is sprake van een tekortschietend besef
                                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaand.
                                    Hetzelfde geldt voor de situatie waarin belanghebbende tijdelijk
                                    geheel of gedeeltelijk zijn recht op een sociale
                                    zekerheidsuitkering verliest; </al></li><li nr="g."><al><vet>Door verrekening van de bestuurlijke boete </vet><vet>met
                                        een voorliggende voorziening </vet><vet>een beroep moeten
                                        doen op </vet><vet>bijstand</vet>Met de
                                    inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en
                                    sanctiebeleid SZW-wetgeving zijn uitkerende instanties zoals het
                                    UWV en de SVB (maar ook gemeenten indien sprake is van een IOAW
                                    of IOAZ uitkering) verplicht om bij recidive bestuurlijke boetes
                                    te verrekenen met de uitkering. Dit zonder rekening te houden
                                    met de beslagvrije voet. Het kan zijn dat een belanghebbende in
                                    een dergelijke situatie bijstand aanvraagt, omdat hij daardoor
                                    over onvoldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten
                                    van het bestaan te voorzien. Door wederom te frauderen raakt
                                    belanghebbende afhankelijk van een bijstandsuitkering. Dit wordt
                                    aangemerkt als een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
                                    </al></li><li nr="h."><al><vet>Bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
                                        vastgestelde alimentatie</vet>De gedraging heeft tot
                                    gevolg dat belanghebbende eerder of tot een hoger bedrag een
                                    beroep op bijstand moet doen;</al></li><li nr="i."><al><vet>Het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet
                                        verplichte basisverzekering</vet>Op grond van artikel
                                    2 lid 1 Zorgverzekeringswet is een ieder verplicht een
                                    basisverzekering af te sluiten bij een zorgverzekeraar, die
                                    ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de daarop
                                    gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is. Militairen
                                    en gemoedsbezwaarden zijn van deze verplichting uitgezonderd
                                    (artikel 2 lid 2 Zorgverzekeringswet). Ontvangt een
                                    belanghebbende geen vergoeding omdat hij geen verplichte
                                    basisverzekering heeft afgesloten of geroyeerd is, dan is sprake
                                    van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="j."><al>Bovengenoemde lijst met gedragingen is uiteraard niet
                                    uitputtend. Indien er andere gedragingen plaatsvinden, waardoor
                                    belanghebbenden (langer of eerder) een beroep op bijstand moeten
                                    doen is sprake van een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.</al><al/></li></lijst><al>Door gedragingen genoemd in het tweede lid moeten belanghebbenden een
                            beroep doen op bijstand of eerder of langer een beroep doen op bijstand.
                            Reden waarom een maatregel van 100% wordt opgelegd. Alleen een maatregel
                            opleggen van 100% gedurende één maand is in deze gevallen niet altijd
                            effectief. Zeker niet indien belanghebbende bij voldoende besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan gedurende
                            langere tijd niet bijstandsafhankelijk zou zijn geweest. Het college
                            heeft dan ook de bevoegdheid in dergelijke gevallen de bijstand in de
                            vorm van geldlening toe te kennen. Artikel 48, tweede lid, onderdeel b,
                            WWB biedt die mogelijkheid. De WWB verzet zich er niet tegen dat in
                            geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening een verlaging op de bijstand wordt toegepast en dat
                            daarnaast de bijstand -gedurende een aan dat tekortschietend besef te
                            relateren periode- in de vorm van een geldlening wordt toegekend. Wel
                            dient uit oogpunt van evenredigheid bij een dergelijke cumulatie van
                            sancties wel voldoende acht te worden geslagen op het totale effect
                            ervan voor de bijstandsgerechtigde (CRvB 20 maart 2007, nrs. 06/515 NABW
                            en 06/517 NABW).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Overige maatregelwaardige gedragingen</titel></kop><al>Het is mogelijk om aan belanghebbenden aanvullende verplichtingen op te
                            leggen op grond van artikel 55 en 57 van de wet. Het opleggen van deze
                            verplichtingen is afhankelijk van de individuele situatie. Als de
                            verplichtingen genoemd in dit artikel worden opgelegd, zonder dat daar
                            een maatregel tegenover staat, dan zijn deze verplichtingen niet
                            afdwingbaar. Ook hier worden de gedragingen in twee categorieën
                            onderscheiden. Hieronder worden de gedragingen weergegeven. </al><al><vet>Eerste lid</vet>(eerste categorie)</al><lijst><li nr="a."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee te
                                        werken aan een noodzakelijke behandeling van medische
                                        aard</vet></al><al>Indien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn
                                    om aan te nemen dat de medische/psychische klachten van
                                    belanghebbende een dusdanige belemmering vormen voor de plicht
                                    tot arbeidsinschakeling en/of het verminderen of beëindigen van
                                    de bijstand, dan kan de verplichting worden opgelegd dat er
                                    medewerking dient te worden verleend aan een noodzakelijke
                                    behandeling van medische aard (artikel 55 WWB). Onder het begrip
                                    medische aard moet mede worden verstaan enigerlei vorm van
                                    professionele hulp die naar zijn aard en doel overeen komt met
                                    een medische behandeling, voorbeelden hiervan zijn psychische
                                    hulp of hulp bij verslavingsproblemen.</al></li><li nr="b."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de
                                        budgetteringsplicht</vet></al><al>Indien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn
                                    om aan te nemen dat belanghebbende zonder hulp niet in staat is
                                    tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan de
                                    verplichting worden opgelegd dat er noodzakelijke betalingen
                                    worden verricht vanuit de uitkering (artikel 57 sub a WWB).
                                    Werkt een belanghebbende niet aan deze verplichting mee dan
                                    ontstaan (meer) schulden. Schulden werken belemmerend voor de
                                    plicht tot arbeidsinschakeling en vormen ook een belemmering
                                    voor het verminderen of beëindigen van bijstand. Ten opzichte
                                    van de vorige verordening is deze gedraging in een hogere
                                    categorie ondergebracht. Een maatregel van 5% heeft voor
                                    belanghebbenden bij wie budgettering aan de orde is geen effect.
                                    Bij de meesten van hen is immers al beslag op de uitkering
                                    gelegd;</al></li><li nr="c."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting mee te
                                        werken aan een schuldsanering</vet></al><al>Indien er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn
                                    om aan te nemen dat de schulden van belanghebbende een dusdanige
                                    belemmering vormen voor de plicht tot arbeidsinschakeling en/of
                                    het verminderen of beëindigen van de bijstand, dan kan de
                                    verplichting worden opgelegd dat er medewerking dient te worden
                                    verleend aan een schuldsanering (artikel 55 WWB). Ten opzichte
                                    van de vorige verordening is deze gedraging in een hogere
                                    categorie ondergebracht. Een maatregel van 5% heeft voor
                                    belanghebbenden bij wie budgettering aan de orde is geen effect.
                                    Bij de meesten van hen is immers al beslag op de uitkering
                                    gelegd; </al></li></lijst><al><vet>Tweede lid </vet>(tweede categorie)</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                                om partneralimentatie te vorderen van de
                                                </vet><vet>(ex-)echtgenoot</vet><vet> of
                                                </vet><vet>(ex-)geregistreerd partner</vet></al><al>Zie toelichting onder b.</al></li><li nr="b."><al><vet>Het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                                om kinderalimentatie te vorderen van de
                                                </vet><vet>(ex-)echtgenoot, (ex-)geregistreerd
                                                partner of van degene die onderhoudsplichtig is voor
                                                het kind of de kinderen</vet></al><al>Een belanghebbende met alimentatie stroomt
                                            sneller uit de bijstand. Een belanghebbende die
                                            bijvoorbeeld kinderalimentatie ontvangt, heeft minder
                                            overige inkomsten nodig om niet meer afhankelijk te zijn
                                            van een bijstandsuitkering. Belanghebbenden die een
                                            beroep op de bijstand doen en in een
                                            echtscheidingsprocedure verwikkeld zijn, worden daarom
                                            geacht alimentatie te vorderen van hun (ex-)echtgenoten
                                            en (ex-) geregistreerd partners ten behoeve van:</al><lijst><li nr="-"><al>de kinderen</al></li><li nr="-"><al>zichzelf.</al><al/></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Vanzelfsprekend kan de verplichting op grond van artikel 55 van de wet
                            alleen opgelegd worden als de (ex-)echtgenoot of (ex-)geregistreerd
                            partner onderhoudsplichtig is voor belanghebbende en/of de
                            kinderen.</al><al/><al>Is belanghebbende niet gehuwd (geweest) of geen geregistreerd
                            partnerschap aangegaan, maar heeft hij/zij wel kinderen ten behoeve van
                            wie de bijstand mede strekt, dan moet ook deze belanghebbende
                            alimentatie vorderen ten behoeve van de kinderen. Ook hiervoor geldt dat
                            de verplichting alleen kan worden opgelegd als de andere ouder
                            onderhoudsplichtig is voor de kinderen.</al><al/><al> In het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:247 BW) is voor ouders expliciet
                            de verplichting opgenomen om ten behoeve van hun kinderen een
                            ouderschapsplan op te stellen. In het BW zijn daarover de volgende
                            hoofdpunten opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>De ouders zijn verplicht een ouderschapsplan te voegen bij een
                                    verzoek tot echtscheiding, beëindiging van een geregistreerd
                                    partnerschap of scheiding van tafel en bed. Deze verplichting
                                    geldt ook voor samenwonende ouders die gezamenlijk gezag over
                                    hun kinderen uitoefenen.</al></li><li nr="-"><al>De ouders maken in het ouderschapsplan over drie onderwerpen in
                                    ieder geval afspraken: zorgverdeling, kinderalimentatie en
                                    informatie-uitwisseling over belangrijke aangelegenheden met
                                    betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige
                                    kinderen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Voor een toelichting op de hoogte en duur van de maatregel wordt
                            verwezen naar de artikelen 11 en 12.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De hoogte van de maatregel is gelijk aan de vergoeding die
                            belanghebbende zou hebben ontvangen, als hij een verplichte
                            basisverzekering had afgesloten. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een
                            maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                            geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is
                            opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al><vet>Vierde</vet><vet> lid</vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake nog
                            tweemaal sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt
                            de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een
                            verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare
                            gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest
                            voor het opleggen van een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                            dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang
                            van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                            waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van WWB. </al><al/><al>In artikel 18, tweede lid, van de wet wordt gesproken over ‘het zich
                            jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen
                            (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun
                            ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. </al><al>Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief
                            heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die
                            belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                            re-integratiebedrijf). </al><al>Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen
                            wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden in de
                            verordening verschillende vormen van agressief gedrag
                            onderscheiden.</al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                                <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                                <cursief>frus</cursief><cursief>tra</cursief><cursief>tiegeweld</cursief>.
                            Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld
                            bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                            verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                            ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. </al><al/><al>De Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland en Westerveld
                            beschikt over een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt
                            omgegaan met lastige en agressieve klanten. In dit artikel wordt daarbij
                            aangesloten. </al><al/><al>De volgende gedragingen worden gezien als zeer ernstige misdragingen
                            tegenover het college of zijn ambtenaren onder omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in
                            artikel 18, tweede lid van de WWB:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al><al/></li></lijst><al>Indien er sprake is van recidive kan de cliënt de toegang tot het
                            Werkplein Steenwijk worden ontzegd. Dit wordt individueel beoordeeld
                            door het college. </al><al/><al>Deze lijst is uiteraard niet uitputtend. Indien er overige gedragingen
                            plaatsvinden met betrekking tot zeer ernstige misdragingen, kan er naar
                            het oordeel van het college een passende maatregel worden opgelegd die
                            aansluit bij de maatregelen behorende bij de gedragingen onder artikel
                            18 lid 2 van de WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>Deze restclausule biedt het college de mogelijkheid in alle niet
                            voorziene situaties te handelen naar bevinding van zaken. Omdat ook deze
                            beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                            beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd
                            genomen te worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Bekendgemaakte besluiten treden in werking met ingang van de achtste dag
                            na die van de bekendmaking (publicatie), tenzij in deze besluiten
                            daarvoor een ander tijdstip is aangewezen (artikel 142 Gemeentewet.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds
                            gesproken over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de
                            verordening de juridische grondslag vormt voor de gemeente om
                            maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een
                            verplichting voldoet, duiden wij de verordening aan als
                            ‘maatregelenverordening’. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>