<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR302424_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2012 RSD</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bunnik</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zeist</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">huis- aan huisbladen deelnemende gemeenten</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2012 RSD</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2012 RSD</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling “Regionale Sociale
                        Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (RSD)”; </al><al>gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur 1 februari 2012, met
                        overneming van de daarin vermelde motieven; </al><al>gelet op het advies van het MT van de RSD;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand; </al><al/><al>BESLUIT: </al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al><vet>Toeslagenverordening WWB 2012 RSD</vet>.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                                    en de Gemeentewet. </al><al/></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>de wet</onderstreept>: de WWB </al></li><li nr="b."><al><onderstreept>de gezinsnorm</onderstreept>: de norm voor
                                            een gezin waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger
                                            dan 65 jaar zijn als bedoeld in artikel 21 lid 1
                                            WWB</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>woning</onderstreept>: een woning zoals
                                            bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag,
                                            alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in
                                            artikel 3 lid 6 WWB;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>woonkosten</onderstreept>: </al><lijst><li nr="-"><al>indien een huurwoning wordt bewoond:</al><al>de op dat moment per maand geldende huurprijs
                                                  als bedoeld in Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="-"><al>indien een eigen woning wordt bewoond:</al><al> de tot een bedrag per maand omgerekende som van
                                                  de ten behoeve van de financiering van de woning
                                                  verschuldigde hypotheekrente, de in verband met
                                                  het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                                  zakelijke lasten en een naar de omstandigheden
                                                  vast te stellen bedrag voor groot onderhoud;</al></li><li nr="-"><al>onder zakelijke lasten wordt verstaan: </al><al>de rioolrechten, de onroerend-zaakbelasting, de
                                                  brandverzekering, de opstalverzekering, het
                                                  eigenaarsaandeel van de waterschapslasten en het
                                                  erfpachtcanon.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al><onderstreept>basishuur</onderstreept> :het bedrag dat
                                            voor de vaststelling van het recht op huurtoeslag bij
                                            een inkomen op bijstandsniveau voor eigen rekening
                                            blijft, zijnde het bedrag van de normhuur dat is genoemd
                                            in artikel 17 lid 2 van de Wet op de huurtoeslag
                                            verhoogd met het bedrag van de inkomensonafhankelijke
                                            eigen bijdrage genoemd in artikel 16 eerste lid van de
                                            Wet op de huurtoeslag.</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>commerciële huurprijs</onderstreept>:
                                            woonkosten ten bedrage van de basishuur als bedoeld in
                                            artikel 1 lid 1 onderdeel e, indien het betreft de
                                            woonkosten zoals gedefinieerd in artikel 1 onderdeel d
                                            van deze verordening. Indien het om woonkosten gaat,
                                            waarin zijn begrepen water- en energielasten, wordt
                                            onder commerciële huurprijs verstaan het bedrag waarvan
                                            de basishuur 60 % is. In het geval van het huren van
                                            woonruimte van de ouder(s) door een kind is geen sprake
                                            van een commerciële huurprijs, ongeacht de hoogte van de
                                            huurprijs.</al><al/></li></lijst></li><li nr="3."><al>De noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld
                                    met een ander, niet zijnde een kind, die in dezelfde woning zijn
                                    hoofdverblijf heeft en die geen deel uitmaakt van de
                                    gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, lid 3 van de
                                    wet. De noodzakelijk kosten van het bestaan kunnen gedeeld
                                    worden, indien het inkomen van die ander gelijk is aan of hoger
                                    is dan de vergoeding voor het levensonderhoud voor de studerende
                                    thuiswonende in het Hoger Beroepsonderwijs zoals genoemd in
                                    artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, vermeerderd met
                                    10% van de gezinsnorm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van een gezin gelden de
                            bepalingen van deze verordening uitsluitend indien alle gezinsleden
                            jonger dan 65 jaar zijn en tenminste twee gezinsleden 21 jaar of ouder.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende in
                                        wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende die met
                                        één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, of
                                        met één echtpaar dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                                        heeft, en met wie de noodzakelijke kosten van het bestaan
                                        kunnen worden gedeeld.</al></li><li nr="c."><al>5 procent van de gezinsnorm voor een belanghebbende die met
                                        meer dan één ander en/of meer dan één echtpaar in dezelfde
                                        woning zijn hoofdverblijf heeft, en met wie de noodzakelijke
                                        kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld.</al></li><li nr="d."><al>5 procent van de gezinsnorm wanneer drie of meer personen
                                        voor gezamenlijke rekening een woning huren en alle kosten
                                        daarvan delen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder op wie lid 1a niet van
                                toepassing is, en die een commerciële huurprijs betaalt, 20% van de
                                gezinsnorm. Bij een niet commerciële huur wordt de toeslag bepaald
                                op 10% van de gezinsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het niet kunnen delen van de noodzakelijke kosten van het
                                bestaan is in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met
                                uitsluitend:</al><lijst><li nr="a."><al>een meerderjarig kind dat aanspraak kan maken op
                                        studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciëring
                                        2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="b."><al>een bloedverwant in de eerste graad waarbij toepassing wordt
                                        gegeven aan artikel 4, lid 5, van de wet vanwege zorg tussen
                                        die bloedverwant en één van de resterende leden van het
                                        gezin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr=" a."><al>5 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning geen ander
                                        zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>0 procent van de gezinsnorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr=" a."><al>10 procent van de gezinsnorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>0 procent van de gezinsnorm indien hij met één of meer
                                        anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gezin</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gezinsnorm voor belanghebbenden die met
                                        één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft,
                                        of met één ander echtpaar dat in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft en de noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan kunnen delen.</al><al>b.15 procent van de gezinsnorm voor belanghebbenden die met
                                        meer dan één persoon of echtpaar die in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft als de hoofdbewoner, en met wie de
                                        noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden
                                        gedeeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het niet kunnen delen van de noodzakelijke kosten van het
                                bestaan is in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met
                                uitsluitend:</al><lijst><li nr="a."><al>een meerderjarig kind dat aanspraak kan maken op
                                        studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciëring
                                        2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="b."><al>een bloedverwant in de eerste graad waarbij toepassing wordt
                                        gegeven aan artikel 4, lid 5, van de wet vanwege zorg tussen
                                        die bloedverwant en een van de resterende leden van het
                                        gezin;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De algemene bijstand wordt verlaagd met het bedrag van de basishuur
                            indien de belanghebbende een woning bewoont waaraan geen woonkosten zijn
                            verbonden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande; </al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande ouder; </al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gezinsnorm voor een gezin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Individualisering</titel></kop><al>Verhoging of verlaging van de norm vindt plaats onverminderd het
                            bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang
                            van 1 januari 2012 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening
                            Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand 2007 </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB 2012
                            RSD. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten door het Algemeen Bestuur van de gemeenschappelijke regeling
                        “Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug” in zijn openbare
                        vergadering van 8 februari 2012</ondertekening><ondertekening> De directeur, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Ter bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden wordt de Wet werk en bijstand
                    per 1 januari 2012 aangepast. Het pakket maatregelen heeft tot doel het
                    versterken van het activerende karakter van de Wet werk en bijstand.</al><al>Dit gebeurt enerzijds door het aanscherpen van de verplichtingen waaraan
                    uitkeringsgerechtigden moeten voldoen, anderzijds door een aantal maatregelen te
                    treffen waardoor de vangnetfunctie van de Wet werk en bijstand wordt
                    versterkt.</al><al>De belangrijkste maatregelen zijn het aanscherpen van de regels ten aanzien van
                    jongeren tot 27 jaar die thans onder de Wet investeren in jongeren vallen en het
                    overhevelen van deze categorie naar de Wet werk en bijstand, het afschaffen van
                    de bijstand voor inwonenden, het vervangen van de toets op het inkomen van de
                    partner door een toets op gezinsniveau (huishoudinkomen), de maximering van het
                    gemeentelijk minimabeleid en de introductie van de mogelijkheid om de
                    verplichting op te leggen om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten
                    als tegenprestatie voor bijstandsverlening.</al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gezinnen. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in de
                    toeslagenverordening, bedraagt maximaal 20 procent van gezinsnorm en moet
                    aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden
                    vastgesteld.</al><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te verlagen:</al><al>• het kunnen delen van kosten met een ander door een gezin;</al><al>• de woonsituatie;</al><al>• de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding.</al><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te</al><al>stellen indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende daartoe
                    aanleiding geven</al><al>Middels een gemeentelijke verordening wordt de bevoegdheid tot het maken van
                    keuzes over de verlening van algemene bijstand versterkt, waarbij het niet gaat
                    om een technische uitwerking van details, maar om inhoudelijke
                    beleidskeuzes.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van deze verordening doen zich geen negatieve
                    inkomenseffecten voor.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB 2012 RSD</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                        Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                        betreffende wetten ook de Verordening moet worden gewijzigd. </al><al><cursief>Lid 2 onderdeel b: gezinsnorm </cursief></al><al>Voor het begrip ‘gezinsnorm’ wordt verwezen naar de norm voor een gezin
                        waarvan alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, zoals
                        bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB. Deze norm komt overeen met de gehuwdennorm
                        zoals die luidde vóór 1 januari 2012 waarbij beide echtgenoten jonger dan 65
                        jaar zijn. </al><al><cursief>Lid 2 onderdeel c: woning </cursief></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                        bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                        moet worden. Voorts volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat
                        voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op
                        de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaald dat onder ‘woning’
                        wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de
                        huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3
                        lid 6 WWB. </al><al><cursief>Lid 2 onderdeel d: woonkosten </cursief></al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                        Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van
                        de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                        opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming
                        van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest
                        worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                        Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                        rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is.</al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan
                        worden gedacht aan het rioolrecht, de onroerende zaakbelasting, de
                        brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                        waterschapslasten en het erfpachtcanon. </al><al><cursief>Lid 2 onderdeel e: basishuur</cursief></al><al>In de omschrijving wordt verwezen naar het artikel 17 lid 2 en artikel 16
                        lid 1 van de Wet op de huurtoeslag. In artikel 17 is geregeld de normhuur en
                        in artikel 16 de inkomensonafhankelijke bijdrage. Een huur ten bedrage van
                        de som van beide blijft bij een inkomen op bijstandsniveau voor eigen
                        rekening. Dit wordt de basishuur genoemd. In de woonkosten worden geacht te
                        zijn begrepen de elementen die in het geval van huur meetellen voor het
                        vaststellen van het recht op huurtoeslag.</al><al><cursief>Lid 2 onderdeel f. Commerciële huurprijs</cursief></al><al>Het bedrag van de commerciële ‘kale’ huurprijs is het bedrag van de
                        basishuur, zoals omschreven in de toelichting op artikel 1 lid 1 onderdeel e
                        van deze verordening. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het
                        bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen. De normhuur, die deel
                        uitmaakt van de basishuur, behoort bij het minimum-inkomensijkpunt van lid 1
                        van artikel 17 van de Wet op de huurtoeslag. In dit artikellid wordt onder
                        het minimum-inkomensijkpunt verstaan de bijstandsnorm voor een alleenstaande
                        (inclusief de maximale toeslag) en de bijstandsnorm voor gehuwden. Uit het
                        feit dat de normhuur in de bijstandsnorm is begrepen, zijnde de norm voor de
                        algemene noodzakelijke bestaanskosten, valt af te leiden dat het om een
                        commerciële huur gaat. </al><al>De belastingdienst hanteert als bedrag voor commerciële huur een bedrag
                        inclusief kosten van water en energie. 60% van dit bedrag komt overeen met
                        de basishuur. 40% komt overeen met de som van de bedragen die de
                        belastingdienst hanteert voor de waarde die waterverbruik en energieverbruik
                        voor verschillende doeleinden in het economische verkeer vertegenwoordigen.
                        Hieruit blijkt in de eerste plaats eveneens dat de basishuur als ondergrens
                        voor de commerciële huur kan worden gehanteerd. In de tweede plaats blijkt
                        dat een commerciële all-in huur is af te leiden op de wijze zoals in dit
                        artikelonderdeel is aangegeven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                        leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is
                        ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van
                        18 tot 21 jaar. </al><al>In het geval van een gezin is ervoor gekozen om deze verordening uitsluitend
                        toe te passen indien alle gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn en tenminste
                        twee gezinsleden 21 jaar of ouder zijn. Hier is aansluiting gezocht bij de
                        gezinsnormen zoals neergelegd in artikel 21 WWB. Ten aanzien van een gezin
                        waarvan tenminste twee gezinsleden 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                        zijn, geldt immers de gezinsnorm zoals neergelegd in artikel 21 lid 1 WWB.
                        Voor gezinnen die bestaan uit twee meerderjarige personen waarvan één of
                        beide 18, 19 of 20 jaar zijn en gezinnen die bestaan uit drie meerderjarige
                        personen, waarvan twee personen 18, 19 of 20 jaar zijn, gelden lagere normen
                        zoals opgenomen in artikel 21 lid 2 WWB. Ten aanzien van deze gezinnen is
                        deze verordening niet van toepassing. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een
                        belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt
                        overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening. </al><al>De RSD is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de
                        toeslag 20 procent van de gezinsnorm bedraagt voor de alleenstaande of
                        alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                        (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                        gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                        verordening. </al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                        noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen
                        sprake is van een gezinslid of van een gezamenlijke huishouding moet ervan
                        worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag
                        blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gezinsnorm (zie
                        artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze verordening). Indien met meer dan één
                        ander en/of meer dan één echtpaar in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                        heeft, wordt een toeslag van 5 procent van de gezinsnorm gehanteerd. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met
                        thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Hiervan
                        is sprake indien dat kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten
                        hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                        onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. </al><al>Uit het systeem van de WWB volgt dat een alleenstaande ouder in theorie
                        kosten kan delen met zijn inwonend studerend kind tussen 18 en 27 jaar dat
                        per maand een in aanmerking te nemen inkomen heeft dat meer bedraagt dan het
                        bedrag zoals bedoeld in artikel 25 lid 1 WWB (€ 604,15) en minder dan het
                        bedrag zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 WWB (€ 1059,49). Het kind behoort
                        dan immers op grond van artikel 4 lid 2 WWB niet tot het gezin. Het is dus
                        ‘een ander’ (als bedoeld in artikel 25 WWB) waarmee kosten gedeeld kunnen
                        worden. </al><al>Een studerend kind dat meer verdient dan € 1059,49, is een nietrechthebbend
                        gezinslid. In theorie kunnen weliswaar kosten gedeeld worden met dit
                        nietrechthebbende gezinslid, maar zijn inkomen wordt ook reeds meegenomen
                        bij het bepalen van het recht op bijstand van de overige gezinsleden (voor
                        zover dit hoger is dan € 1059,49). Het ligt niet voor de hand daarbovenop
                        nog een verlaging toe te passen wegens kostendeling. </al><al>In deze verordening is er voor gekozen te bepalen dat in het geheel geen
                        kosten kunnen worden gedeeld met een inwonend studerend kind. Dit betekent
                        dat de RSD geen gebuik maakt van de theoretische mogelijkheid een lagere
                        toeslag te verstrekken aan een alleenstaande ouder met een inwonend
                        studerend kind van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen
                        tussen </al><al>€ 604,15 en € 1059,49. Een alleenstaande met een inwonend studerend kind
                        komt daarmee in aanmerking voor een toeslag van 20 procent van de
                        gezinsnorm. Met deze keuze wordt een inconsequent systeem voorkomen, met
                        name wanneer het inwonend studerend kind weinig meer verdiend dan € 1059,49.
                        In dat geval zou immers ook geen verlaging worden toegepast omdat hij een
                        nietrechthebbend gezinslid is. </al><al><cursief>Lid 4 en 5</cursief></al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                        alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                        artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening. In het derde lid is de toeslag
                        geregeld voor een alleenstaande van 21 jaar. In het vierde lid is de toeslag
                        vastgesteld voor een alleenstaande van 22 jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gezin</titel></kop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan de RSD de gezinsnorm verlagen indien
                        belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                        dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen
                        delen van deze kosten met een ander. </al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                        verordening. Ingeval in de woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf
                        heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan
                        gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de
                        gezinsnorm als sprake is van één ander en/of meer dan één echtpaar die in
                        dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. (zie artikel 4 lid 1 van deze
                        verordening). Bij meer dan één persoon of meer dan één echtpaar vindt
                        verlaging van 15% van de gezinsnorm plaats.</al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                        opgenomen in artikel 3 lid 3 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook
                        naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze verordening.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>Op grond van artikel 27 WWB kan de RSD de norm voor een alleenstaande
                        (ouder) of gezin, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                        vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg
                        van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. </al><al><cursief>Geen woonkosten </cursief></al><al>In artikel 5 van deze verordening is bepaald dat de norm of toeslag wordt
                        verlaagd met het bedrag van de basishuur, indien een woning wordt bewoond
                        waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In artikel 1 van
                        deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs
                                zoals bedoeld in Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="b."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                                omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                                verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar
                                omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. </al></li></lijst><al>Hieronder valt ook de situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten zijn,
                        maar anderszins wel sprake is van andere woonlasten. Ook in dat geval wordt
                        de algemene bijstand verlaagd met het bedrag van de basishuur. Van lagere
                        bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>bij het niet aanhouden van een woning; </al></li><li nr="•"><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                                bijvoorbeeld in het geval van krakers; </al></li><li nr="•"><al>indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                woonlasten betaalt van de woning. </al></li></lijst><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                        belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft de RSD de keuze om het aldus
                        verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of
                        toeslag te verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 20022003, 28
                        870, nr. 3, p. 5455). </al><al>Overigens kan de RSD, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch in
                        het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de situatie
                        waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in
                        voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                        omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt.
                        Zonder een anticumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het
                        college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag
                        moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende
                        uitkering. In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van
                        het individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten
                        vaststellen. Er is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een
                        absoluut minimumbedrag vast te leggen waarop de RSD de bijstandsnorm (norm
                        inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Het
                        individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                        ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                        percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te
                        gaan, gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012. Hierbij is
                        aansluiting gezocht bij de datum van inwerkingtreding van een aantal voor de
                        WWB van belang zijnde wetsvoorstellen, zoals het wetsvoorstel “Wijziging van
                        de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in
                        jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en
                        vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” (32
                        815). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>