<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR301983_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening gemeente Oisterwijk 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening gemeente Oisterwijk 2010 incl. toelichting.doc</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0024779&amp;g=2010-07-01">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening gemeente Oisterwijk 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>monument:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk monument:</al></li></lijst><al>onroerend monument, dat overeenkomstig deze verordening als beschermd
                            gemeentelijk monument is aangewezen.</al><al>c.gemeentelijke monumentenlijst:</al><al>de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening
                            als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                            onderdeel a;</al><al>d.beschermd rijksmonument:</al><al>beschermd monument, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>e.kerkelijk monument:</al><al>onroerend monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke
                            gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend
                            of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de
                            eredienst;</al><al>f.monumentencommissie:</al><al>de op basis van art. 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als
                            taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de
                            toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid;</al><al>g.bouwhistorisch onderzoek:</al><al>in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de
                            bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument;</al><al>h.gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezicht:</al><al>een groep van onroerende zaken en terreinen, hieronder begrepen banen,
                            straten, pleinen, plantsoenen, parken, bruggen en water, die een
                            samenhangend deel vormt en die van algemeen belang is wegens haar
                            schoonheid, haar onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel
                            haar wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en welke groep
                            geplaatst is op de gemeentelijke monumentenlijst;</al><al>i.redengevende omschrijving:</al><al>de omschrijving van de specifiek te beschermen waarden en kwaliteiten
                            van gemeentelijke monumenten en beschermde stads- en
                            dorpsgezichten;</al><al>j.beschermde straatwanden:</al><al>een groep van gevels van onroerende zaken die een samenhangend geheel
                            vormt en die van belang is vanwege haar schoonheid, het karakter van het
                            geheel, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang en/of
                            wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde;</al><al>k.bevoegd gezag:</al><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht;</al><al>l.het college:</al><al>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            Oisterwijk;</al><al>m.vergunning:</al><al>een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2
                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>n.Wabo:</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende
                                    gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een
                                    gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                                    verricht.</al></li><li nr="4."><al>Het college brengt de gemeenteraad in kennis van het besluit
                                    over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.</al></li><li nr="5."><al>Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk
                                    monument aanwijst, voert het college overleg met de
                                    eigenaar.</al></li><li nr="6."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                                    kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk
                                    monument ontvangt tot het moment dat de registratie als bedoeld
                                    in artikel 6 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                                    niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en 13 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="7."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                    aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Brabant.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20
                                    weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat:</al><lijst><li nr="·"><al>de plaatselijke aanduiding;</al></li><li nr="·"><al>de datum van de aanwijzing;</al></li><li nr="·"><al>de kadastrale aanduiding;</al></li><li nr="·"><al>de tenaamstelling;</al></li><li nr="·"><al>een redengevende omschrijving.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                    belanghebbende wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede lid tot en met zesde lid, alsmede artikel 4 en
                                    5 zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                    wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li><li nr="5."><al>Van het besluit tot wijzigen van de aanwijzing wordt een kopie
                                    aan de monumentencommissie gezonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing intrekken.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3,
                                    tweede, vierde en vijfde lid, en artikel 4 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing wordt geacht te zijn ingetrokken, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988
                                    of aan de monumentenverordening van de provincie
                                    Noord-Brabant.</al></li><li nr="4."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd.</al></li><li nr="5."><al>Van het besluit tot het intrekken van de aanwijzing wordt een
                                    kopie gezonden aan de monumentencommissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                            vernielen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vergunning</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met
                            bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                    verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                    laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                    of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk
                                    monument aan de monumentencommissie voor advies.</al></li><li nr="2."><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                    brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een kerkelijk monument,
                            geen vergunning als bedoeld in artikel 10, dan in overeenstemming met de
                            eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij
                            wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het
                            geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
                                            bedoeld in artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het
                                            monument zwaarder dient te wegen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van het besluit tot intrekking van een vergunning wordt een
                                    kopie aan de monumentencommissie gezonden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                    rijksmonument aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                    afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn
                                    wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMDE STRAATWANDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanwijzing beschermde straatwanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    besluiten een groep van gevels welke voor bescherming in
                                    aanmerking komen aan te wijzen als een beschermde
                                    straatwand.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende
                                    gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="2."><al>Op de aanwijzing van beschermde straatwanden zijn artikel 3,
                                    derde tot en met zesde lid, alsmede artikel 4 en 5 van
                                    toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen betrekking hebben op panden die zijn
                                    aangewezen op grond van artikel 6 en 35 van de Monumentenwet
                                    1988 of artikel 3 en 20 van deze verordening. De aanwijzing tot
                                    beschermde straatwand vervalt, indien de objecten worden
                                    aangewezen als monumenten of als onderdeel van een beschermd
                                    stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 6 respectievelijk
                                    35 van de Monumentenwet of artikel 3 respectievelijk 20 van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="4."><al>Het college registreert de beschermde straatwand op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst. Artikel 6, tweede lid, is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Wijzigen en intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing, met
                                    dien verstande dat in artikel 8, tweede lid voor “artikel 3 van
                                    de Monumentenwet 1988” wordt gelezen “artikel 35 van de
                                    Monumentenwet 1988 of artikel 20 van deze verordening”.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing als beschermde straatwand wordt ingetrokken als
                                    het besluit tot aanwijzing krachtens artikel 35 van de
                                    Monumentenwet 1988 of krachtens artikel 20 van deze verordening
                                    onherroepelijk is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden een beschermde straatwand te beschadigen of te
                            vernielen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college van het
                                    bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde
                                    voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschermde straatwand af te breken, te verstoren, te
                                            verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een beschermde straatwand te herstellen, te gebruiken of
                                            te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt
                                            ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen vergunning is vereist voor het uitvoeren van werkzaamheden
                                    ingevolge een aanschrijving van het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 18 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><al>Voor het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 18, eerste
                            lid, is artikel 12 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>BESCHERMDE GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Aanwijzing tot beschermd
                                gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en
                                    dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of
                                    dorpsgezicht.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college de gemeenteraad een voorstel doet tot
                                    aanwijzing, vraagt zij advies aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                                    aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt het besluit van de raad omtrent aanwijzing van
                                    een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht bekend binnen
                                    4 weken na de datum van het besluit in een plaatselijk
                                    weekblad(en).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                    ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>De gemeenteraad beslist binnen 16 weken na ontvangst van het
                                    advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20
                                    weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke
                                monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke stads- of
                                    dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat:</al><lijst><li nr="·"><al>de plaatselijke aanduiding;</al></li><li nr="·"><al>de datum van aanwijzing;</al></li><li nr="·"><al>de gebiedsaanwijzing van het beschermde stads- of
                                            dorpsgezicht;</al></li><li nr="·"><al>een verwijzing naar de redengevende omschrijving.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bescherming in bestemmingsplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk
                                    beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als
                                    bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd
                                    stads- of dorpsgezicht wordt door de gemeenteraad bepaald, met
                                    inachtneming van het advies van het college, in hoeverre
                                    geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van
                                    het eerste lid kunnen worden aangemerkt.</al></li><li nr="3."><al>Alvorens het college de gemeenteraad ter zake een voorstel doet,
                                    wordt de monumentencommissie gehoord.</al></li><li nr="4."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                    ontvangst van het verzoek van het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Wijziging en intrekking van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing, met
                                    dien verstande, dat de raad de besluiten neemt en in artikel 8,
                                    derde lid voor “artikel 3 van de Monumentenwet 1988” wordt
                                    gelezen “artikel 35 van de Monumentenwet 1988”.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing als beschermd stads- en dorpsgezicht wordt
                                    ingetrokken als het besluit tot aanwijzing krachtens artikel 35
                                    van de Monumentenwet 1988 onherroepelijk is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>1.Het is verboden bouwwerken die gelegen zijn in een beschermd
                            gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te vernielen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in een beschermd gemeentelijk stads- of
                                    dorpsgezicht zonder vergunning van het bevoegd gezag of in
                                    strijd met de bij zodanige vergunning gestelde
                                    voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwwerken te verstoren, te plaatsen, op te richten, af
                                            te breken, te verplaatsen of in enig ander opzicht te
                                            wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten
                                            gebruiken op een wijze waardoor het stads- of
                                            dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder
                                            begrepen straten, wegen, pleinen, wateren, bomen,
                                            erfscheidingen - niet zijnde een bouwwerk - te
                                            wijzigen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen vergunning is vereist voor het afbreken ingevolge een
                                    aanschrijving van het bevoegd gezag.</al></li><li nr="3."><al>De vergunning kan, ingeval van afbraak als bedoeld in het tweede
                                    lid, in ieder geval worden geweigerd wanneer de totstandkoming
                                    van de nieuwbouw binnen de karakteristieke eigenschappen van het
                                    beschermde gebied onvoldoende is verzekerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 27 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><al>Voor het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 27, eerste
                            lid, is artikel 12 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt
                                    of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen
                                    last behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn
                                    aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe,
                                    indien de schade in relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als
                                            bedoeld in de artikelen 10, 20 en 29 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan
                                            een vergunning als bedoeld in de artikelen 10, 20 en
                                            29.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                    procedureregeling bij toepassing van afdeling 6.1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening gemeente Oisterwijk 2008, vastgesteld op 14
                            februari 2008 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De op grond van de onder artikel 35 ingetrokken
                                    Monumentenverordening gemeente Oisterwijk 2008 aangewezen en
                                    geregistreerde gemeentelijke monumenten, beschermde straatwanden
                                    en beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten worden
                                    geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                    bepalingen van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                    inachtneming van de in artikel 35 ingetrokken verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Monumentenverordening gemeente
                            Oisterwijk 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van Oisterwijk van 1
                        juli 2010.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>Nelleke van Wijk Hans Janssen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING BIJ "MONUMENTENVERORDENING GEMEENTE OISTERWIJK 2010”</titel></kop><tussenkop>A ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>De huidige wijziging van de Monumentenverordening houdt verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor)
                    en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor).</al><tussenkop>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</tussenkop><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><tussenkop>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</tussenkop><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de monumentenverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. </al><tussenkop>Bevoegd gezag</tussenkop><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor wordt een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie zijn bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven. </al><tussenkop>Toestemmingsstelsels </tussenkop><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al><tussenkop>De procedure</tussenkop><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de <cursief>onlosmakelijkheid </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat.</al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open. </al><tussenkop>De Wabo en de Monumentenverordening</tussenkop><al>De monumentenvergunning uit de Monumentenverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><tussenkop>B ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><tussenkop>Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a. monument:</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'monument' is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988. Cultuurhistorische waarde is volgens de
                    Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde,
                    gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop
                    van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Het begrip
                    cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook betrekking kan hebben op
                    zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde. </al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met één of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    'zaak' is immers een veel ruimer begrip. De vijftig-jaargrens die voor
                    rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke monumenten overgenomen.
                    Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet
                    op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn, reeds op de gemeentelijke
                    monumentenlijst te plaatsen.</al><tussenkop>Sub b. gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Sub d. beschermd rijksmonument</tussenkop><tussenkop>Sub e. kerkelijk monument</tussenkop><al>Hier wordt gesproken over onroerende monumenten. Roerende monumenten worden
                    derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. Zaken die
                    naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde
                    status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. </al><tussenkop>Sub c. gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. </al><tussenkop>Sub d. beschermd rijksmonument </tussenkop><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van burgemeester en
                    wethouders van de bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van
                    rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn
                    met name de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 van
                    toepassing.</al><tussenkop>Sub e. kerkelijk monument</tussenkop><al>In geval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is
                    overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid 4). Is er sprake
                    van een vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke
                    monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig
                    zijn (zie artikel 12). Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke
                    belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor
                    bijvoorbeeld een pastorie of verblijven van kloosterlingen geldt deze
                    verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel dan ook niet. Zij vallen
                    onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden.</al><tussenkop>Sub f. monumentencommissie</tussenkop><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. </al><al>In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instelt. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college.
                    Het is dan ook het college die deze commissie instelt op grond van artikel 84
                    Gemeentewet. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te
                    werken. In een dualistisch stelsel is het normaal gesproken niet mogelijk dat de
                    raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is ingesteld welke
                    adviseert aan het college. Het is immers aan het college om te bepalen of zij
                    een adviescommissie willen.</al><al>Deze redenering gaat niet op voor wat betreft de monumentencommissie. In de
                    monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat er een monumentencommissie
                    is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet.
                    In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                    inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag
                    over aanvragen van om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
                    artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat
                    het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen
                    van een commissie. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid is er geen
                    strijdigheid met het duale uitgangspunt als de raad in haar verordening bepaalt
                    dat er een commissie is die adviseert aan het college.</al><al>Het instellen van de monumentencommissie door het college moet middels een apart
                    collegebesluit. Het instellen van de monumentencommissie, evenals de
                    samenstelling en de werkwijze van de monumentencommissie, heeft het college van
                    burgemeester en wethouders nader uitgewerkt in het Reglement monumentencommissie
                    gemeente Oisterwijk 2006.</al><al>Op grond van artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 83, tweede lid van
                    de Gemeentewet mogen raadsleden geen deel uitmaken van collegecommissies. In het
                    vierde lid van artikel 84 Gemeentewet is bepaald dat de instelling van een
                    commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als algemeen verbindende
                    voorschriften.</al><tussenkop>Sub g. bouwhistorisch onderzoek</tussenkop><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. Beoogd is het bouwhistorisch onderzoek een
                    nadrukkelijke rol te laten spelen bij de bepaling van het gemeentelijk
                    monumentenbeleid, zowel bij een aanwijzing als bij een wijziging van een
                    gemeentelijk of rijksmonument. De kennis die met bouwhistorisch onderzoek wordt
                    verkregen kan bij uitstek worden ingezet voor een verantwoorde omgang met
                    monumenten al dan niet in samenhang met veranderingen en het beheer hiervan. Het
                    onderzoek levert informatie over de bouwmassa, de toegepaste constructie,
                    materialen en interieurafwerking. De uitkomst van een onderzoek is van belang
                    voor een op te stellen restauratieplan en kan tevens worden gebruikt bij het
                    analyseren en vaststellen van constructieve gebreken. </al><al>In een bouwhistorisch onderzoek kunnen vier fasen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>de bouwhistorische inventarisatie vindt in het algemeen plaats om de
                            omgeving en het pand in beeld te brengen. In deze fase is literatuur en
                            bronnenonderzoek van belang;</al></li><li nr="2."><al>de bouwhistorische verkenning is een beperkt onderzoek met verwerking
                            van de gegevens uit het bronnenonderzoek, de literatuur en de
                            bouwdossiers;</al></li><li nr="3."><al>de bouwhistorische opname is een uitgebreidere opname dan een verkenning
                            en onderzoekt de zichtbare en in zicht gebrachte delen van een
                            gebouw;</al></li><li nr="4."><al>de bouwhistorische ontleding is het meest diepgaande onderzoek. Hierin
                            worden alle te voren verkregen informatie en een ontleding van het
                            gehele gebouw verwerkt. Deze ontleding heeft meestal plaats tijdens een
                            verbouwing of restauratie.</al></li></lijst><al>Direct na ontvangst van een aanvraag om vergunning dient in het kader van de
                    volledigheidstoets te worden vastgesteld of voor de behandeling van de aanvraag
                    een bouwhistorisch onderzoek noodzakelijk is en met welke diepgang. Indien een
                    eigenaar bouwhistorisch onderzoek laat uitvoeren voorafgaand aan een
                    restauratieplan, kunnen deze kosten bij de bepaling van de subsidiabele kosten
                    worden betrokken. </al><tussenkop>Sub h. stads- en dorpsgezicht:</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip 'stads- en dorpsgezicht’ is aangesloten bij
                    artikel 1, lid f van de Monumentenwet 1988.</al><tussenkop>Sub i. redengevende omschrijving: </tussenkop><al>De redengevende omschrijving is een beschrijving van het monument of het
                    beschermd stads- en dorpsgezicht waarin zonodig die onderdelen zijn genoemd
                    waarop de bescherming betrekking heeft. </al><al>In geval van een monument is het gehele pand, inclusief het interieur, door de
                    plaatsing op de monumentenlijst onder de werking van de verordening geplaatst.
                    Andere zaken die zich op het perceel van het beschermde monument bevinden, zoals
                    bijgebouwen, tuininrichting, bomen etc., moeten expliciet in de redengevende
                    omschrijving staan, willen zij onder de werking van de verordening vallen.</al><al>Als ‘het pand van belang is vanwege de voorgevel’ is voor iedere wijziging van
                    het pand een</al><al>monumentenvergunning nodig. De vergunningaanvraag zal dan met name worden
                    beoordeeld op de gevolgen die de (bouwkundige) ingreep kan hebben op het behoud
                    van de monumentale voorgevel. Ook is het mogelijk om onderdelen van een pand van
                    de bescherming uit te zonderen, bijvoorbeeld door de formulering ‘de bescherming
                    betreft alleen het voorhuis’ of ‘het achterhuis valt niet onder de
                    bescherming’.</al><tussenkop>Sub j. beschermde straatwanden</tussenkop><al>De bescherming heeft uitsluitend betrekking op de gevels van objecten en niet op
                    het exterieur of het interieur ervan. Met een geheel of gedeeltelijke
                    bescherming van straatwanden blijft de mogelijkheid van
                    ontwikkelingsmogelijkheden achter de wand bestaan.</al><tussenkop>Sub k. bevoegd gezag</tussenkop><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</tussenkop><tussenkop>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 </tussenkop><tussenkop>Gebruik van het monument</tussenkop><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><tussenkop>Aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college van
                    burgemeester en wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot
                    aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                    opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd
                    in het besluit naar voren komen (de redengevende omschrijving). De aanwijzing
                    geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het
                    algemeen niets aan het gebruik van het monument.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders moet het advies inwinnen van de
                    monumentencommissie. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Dit is geregeld in het Reglement
                    monumentencommissie gemeente Oisterwijk 2006. </al><al>Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden de gelegenheid
                    hebben om mondeling of schriftelijk hun zienswijzen naar voren te brengen
                    voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld
                    in de artikelen 4:8 en 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nadat de
                    belanghebbenden zijn gehoord, vraagt het college advies aan de
                    monumentencommissie. </al><al>De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het aan te wijzen
                    monument hebben, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de verbodsbepalingen van
                    de verordening van toepassing zijn. Er moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn
                    om de spoedprocedure te kunnen gebruiken. In spoedeisende gevallen kan het
                    advies van de monumentencommissie of het horen van belanghebbenden achterwege
                    blijven.</al><al>Belanghebbenden zijn de zakelijk gerechtigden die in de kadastrale legger bekend
                    staan en de ingeschreven hypothecaire schuldeisers (artikel 5).</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek
                    opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot
                    de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een drietal momenten te onderscheiden
                    wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen.</al><lijst><li nr="1."><al>Bij een (aanvraag tot) aanwijzing als gemeentelijk monument. De
                            informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van invloed
                            zijn op de beslissing van het college van burgemeester en wethouders om
                            het gebouw al dan niet als gemeentelijk monument aan te wijzen en op de
                            wijze waarop het pand in de registers wordt ingeschreven;</al></li><li nr="2."><al>Bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een gemeentelijk
                            monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of andere
                            wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van het
                            college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="3."><al>Bij aanvragen voor vergunning tot sloop van een beschermd gemeentelijk
                            monument. De bouwhistorische waarde, die door sloop onherroepelijk
                            aangetast wordt, heeft invloed op de uiteindelijke beslissing van het
                            college van burgemeester en wethouders om al dan niet een
                            sloopvergunning te verstrekken voor een gemeentelijke monument of
                            onderdeel, behorend bij een gemeentelijk monument en opgenomen in de
                            redengevende omschrijving van het desbetreffende gemeentelijk
                            monument.</al></li></lijst><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Dit lid geeft de raad een rol bij de besluiten tot aanwijzing als een
                    gemeentelijk monument. Door middel van dit lid kan de raad haar controlerende
                    functie gemakkelijker uitvoeren. De aanwijzings- en of wijzigingsbesluiten voor
                    de gemeentelijke monumenten kunnen daardoor door de raad worden getoetst aan het
                    beleidskader monumenten.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de Awb dat belanghebbenden zienswijzen
                    naar voren kunnen brengen (artikel 4:8). Overleg is immers meer dan het naar
                    voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><tussenkop>Lid 6</tussenkop><al>Dit lid regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college van burgemeester en wethouders om
                    een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                    daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn) artikel 9 tot
                    en met 13 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere
                    dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk
                    monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                    gemeentelijke monumentenvergunning.</al><tussenkop>Lid 7</tussenkop><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. In Noord-Brabant
                    bestaat (nog) geen provinciale monumentenlijst, respectievelijk Provinciale
                    Monumentenverordening. </al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><tussenkop>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college van burgemeester en wethouders een
                    beslissing moet nemen (lid 2). Het artikel bevat geen bepalingen over
                    bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling
                    3.6).</al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><tussenkop>Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>De mededeling van het college van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar
                    en de anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook
                    zaak dat de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de
                    mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich
                    er dan niet op beroepen van niets te weten.</al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8
                    toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van
                    de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond
                    van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><tussenkop>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting en
                    bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de
                    verordening vallen. </al><al>Voor elke wijziging van het monument is dus een vergunning nodig. Voor de
                    duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale vernummering, kan ook een
                    plattegrond worden aangehecht.</al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de aldus bij te houden monumentenlijst is om eenieder
                    snel inzicht te geven in welke zaken om welke reden als gemeentelijk monument
                    zijn aangewezen.</al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><tussenkop>Wijzigen van de aanwijzing</tussenkop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te
                    wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van
                    monumentencommissie of eigenaar van een kerkelijk monument) als voor de
                    aanwijzing (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3).
                    Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke
                    monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 8 </tussenkop><tussenkop>Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in
                    te trekken (lid 1 en 2). Ook hiervoor geldt dat het advies van de
                    monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 3).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan),
                    worden door het college van burgemeester en wethouders van de monumentenlijst
                    gehaald.</al><al>Lid 4 regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden
                    geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer te
                    zijn aangewezen. Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat
                    is een vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit regelt. </al><tussenkop>Artikel 9 </tussenkop><tussenkop>Verbodsbepaling</tussenkop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988.</al><tussenkop>Artikel 10 </tussenkop><tussenkop>Vergunning</tussenkop><al>In dit artikel gaat het alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                    omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het
                    verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel
                    4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een
                    aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag
                    wordt ingediend met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld
                    formulier. </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten voor
                    de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><tussenkop>Artikel 11 </tussenkop><tussenkop>De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><tussenkop>Termijnen advies</tussenkop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de oude Monumentenverordening. Op basis hiervan was op de
                    voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                    voorbereidings-procedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                    Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de
                    gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                    project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd moet
                    worden, dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om
                    deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de
                    Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel
                    4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging
                    van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat
                    het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd
                    gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de
                    beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd,
                    vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                    indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het
                    bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem
                    gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met
                    vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of
                    huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op
                    grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen.
                    In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                    mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist. </al><tussenkop>Artikel 13 </tussenkop><tussenkop>Weigeringsgronden</tussenkop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg. </al><tussenkop>Artikel 14 </tussenkop><tussenkop>Kerkelijk monument</tussenkop><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub e.</al><tussenkop>Artikel 15 </tussenkop><tussenkop>Intrekken van de vergunning</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft
                    de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten
                    aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                    behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het college van
                    burgemeester en wethouders) de mogelijkheden hebben om de vergunning in te
                    trekken.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren. Het in kennis stellen van de vergunninghouder en het met redenen
                    omkleed moeten zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb dit
                    regelt.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 16 </tussenkop><tussenkop>Vergunning voor beschermd rijksmonument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de Awb. De
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin verschilt
                    de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten van de omgevingsvergunning voor
                    gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient
                    namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van
                    de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de
                    omgevingsvergunning voor rijksmonumenten plaats. Door dit onderscheid in
                    procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit
                    heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal
                    zijn. Door de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot.
                    Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen.
                    Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><tussenkop>Leden 2 en 3</tussenkop><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit
                    wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie
                    tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald
                    dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken
                    van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 BESCHERMDE STRAATWANDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><tussenkop>Aanwijzing beschermde straatwanden</tussenkop><al>In een aantal gevallen is het plaatsen van panden op de gemeentelijke
                    monumentenlijst een te zwaar instrument, omdat dan het gehele pand, zowel
                    exterieur als interieur, monumentale bescherming geniet. Met een geheel of
                    gedeeltelijke bescherming van straatwanden blijft de mogelijkheid van
                    ontwikkelingsmogelijkheden achter de wand bestaan.</al><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><tussenkop>Wijzigen en intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikelen 7 en 8.</al><tussenkop>Artikel 19</tussenkop><tussenkop>Verbodsbepaling</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikel 9.</al><tussenkop>Artikel 20 </tussenkop><tussenkop>Vergunning</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikel 10.</al><tussenkop>Artikel 21 </tussenkop><tussenkop>De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikel 11.</al><tussenkop>Artikel 22</tussenkop><tussenkop>Termijnen advies</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikel 12.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 23</tussenkop><tussenkop>Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</tussenkop><al>De Monumentenwet verstaat onder een stads- of dorpsgezicht groepen van
                    onroerende zaken, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun
                    onderlinge ruimtelijke en structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of
                    cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten
                    bevinden. </al><al>Bij het beschermd stads- of dorpsgezicht gaat niet alleen om de schoonheid van
                    de architectonische waardevolle bebouwing, maar ook om andere factoren die voor
                    het gebied bepalend zijn, zoals het historisch gegroeide stedenbouwkundige
                    patroon, ondermeer gevormd door de verhouding tussen de bebouwde en de
                    onbebouwde ruimten, de bouwvormen en de samenhang in het gebruik van de gronden
                    en opstallen.</al><al>Afhankelijk van de omgeving wordt gesproken van een stads- dan wel dorpsgezicht.
                    In juridisch opzicht is er echter geen verschil tussen beide gezichten. </al><al>Op grond van haar verordenende bevoegdheid kan de gemeenteraad op basis van deze
                    verordening gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten aanwijzen. De
                    aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is een erkenning
                    van het bijzondere historische karakter van het gebied. Doorgaans bestaat dit
                    karakter uit een samenspel van stedenbouwkundige structuur, het aanzien van de
                    bebouwing en de wijze waarop grond en gebouwen worden benut. De bedoeling van de
                    aanwijzing is de historische karakteristieken te behouden en nadrukkelijk een
                    plaats te geven in de toekomstige ontwikkelingen. De bescherming heeft dus niet
                    de bedoeling om de bestaande situatie te bevriezen of elke verandering tegen te
                    houden, maar om de bestaande bijzondere waarden van een dergelijk gebied bij
                    plannen tot verandering zwaar te laten meewegen. Het moet daarbij mogelijk
                    blijven dat ruimtelijke ontwikkelingen zich ook in beschermde stads- en
                    dorpsgezichten voor blijven doen. Voorwaarde daartoe is dat een dergelijke
                    ontwikkeling moet aansluiten bij de bestaande kwaliteiten van dergelijke
                    waardevolle gebieden.</al><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De procedure tot aanwijzing en bescherming van beschermde gemeentelijke stads-
                    en dorpsgezichten volgt de systematiek van de artikelen 35 tot en met 37 van de
                    Monumentenwet 1988.</al><al>De beslissingsbevoegdheid ligt bij de gemeenteraad, conform artikel 35 van de
                    Monumentenwet 1988, waarin de bevoegdheid van de gemeenteraad is opgenomen om de
                    Minister te adviseren over de aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten
                    door het rijk. Het besluit van de gemeenteraad wordt voorzien van een
                    toelichting waarin in de vorm van een redengevende beschrijving de te beschermen
                    cultuurhistorische waarden worden aangegeven.</al><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Dit lid regelt dat de monumentencommissie bij de voorbereiding wordt
                    ingeschakeld. Het horen van belanghebbenden is niet geregeld, omdat de Awb
                    daarin voorziet.</al><al>Voordat het voorstel tot aanwijzing bij de raad wordt ingediend, legt het
                    college van burgemeester en wethouders het concept-aanwijzingsbesluit vier weken
                    ter visie en vraagt het college van burgemeester en wethouders, met de
                    ingebrachte zienswijzen, advies aan de Monumentencommissie. Deze commissie
                    adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het
                    college van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Er is sprake van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wanneer het
                    besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing bekend is gemaakt in een plaatselijk
                    weekblad(en).</al><tussenkop>Artikel 24</tussenkop><tussenkop>Termijn advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en de gemeenteraad een beslissing moet nemen (lid 2). Het
                    artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb
                    dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><tussenkop>Artikel 25</tussenkop><tussenkop>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie op de gemeentelijke monumentenlijst van de aanwijzing van een
                    gebied als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht vindt plaats op
                    dezelfde manier als de registratie van gemeentelijke monumenten.</al><tussenkop>Artikel 26</tussenkop><tussenkop>Bescherming in bestemmingsplan</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk beschermd stads- of
                    dorpsgezicht een bestemmingsplan vast, eventueel aangevuld met een daarop van
                    toepassing zijnde Beeldkwaliteitplan, als bedoeld in de Wet ruimtelijke
                    ordening, waarin de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn opgenomen.</al><al>Dit bestemmingsplan moet de historische karakteristieken en waardevolle
                    elementen van het stads- of dorpsgezicht juridisch beschermen. De in een
                    bestemmingsplan op te nemen voorschriften zullen zodanig moeten zijn, dat
                    voorkomen wordt dat het aspect van een beschermd stads- of dorpsgezicht door
                    wijziging van één van de onderdelen wordt geschaad. De te beschermen waarden
                    moeten daarom goed in de beschrijving in hoofdlijnen, de doeleindenomschrijving
                    van een bestemming en/of de bebouwingsvoorschriften staan. Bij de bescherming
                    van stads- en dorpsgezichten door bestemmingsplannen kan men bereiken dat: </al><lijst><li nr="-"><al>de hoofdstructuur (wegen, wateren, perceelindeling, rooilijnen, schaal,
                            plaats, dichtheid en situering van bebouwing, schaal van de open
                            ruimten, enz.) in stand blijft;</al></li><li nr="-"><al>de functionele ontwikkeling van de beschermde nederzetting in
                            hoofdlijnen blijft aansluiten op de historische ontwikkeling;</al></li><li nr="-"><al>veranderingen aan gebouwen en nieuwbouw aan de historische
                            karakteristiek worden getoetst.</al></li></lijst><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Indien het gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een gebied betreft
                    waarvoor één of meerdere bestemmingsplannen vigeren, neemt de gemeenteraad een
                    besluit waarin wordt bepaald in hoeverre deze bestemmingsplannen als beschermend
                    plan in de zin van lid 1 kunnen worden aangemerkt. Het college van burgemeester
                    en wethouders doet de gemeenteraad een voorstel hieromtrent.</al><tussenkop>Leden 3 en 4</tussenkop><al>Voordat het college van burgemeester en wethouders de gemeenteraad een voorstel
                    ter zake doen vragen zij hierover advies aan bij de monumentencommissie. De
                    monumentencommissie adviseert binnen 8 weken na de ontvangst van het verzoek van
                    het college van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>Artikel 27</tussenkop><tussenkop>Wijziging en intrekking van de aanwijzing</tussenkop><al>Voor de wijziging en intrekking van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke
                    stads- of dorpsgezicht worden de overeenkomstige bepalingen van toepassing
                    verklaard die de wijziging en intrekking van de aanwijzing als gemeentelijk
                    monument regelen. Een belangrijk verschil is dat het college van burgemeester en
                    wethouders de besluiten wel voorbereidt, maar deze ter besluitvorming voorlegt
                    aan de gemeenteraad.</al><tussenkop>Artikel 28</tussenkop><tussenkop>Verbodsbepaling</tussenkop><al>Voor de (sloop)vergunningprocedure is het van belang te weten om welke elementen
                    het beschermd stads- en dorpsgezicht het gaat. Voor de toetsing van
                    vergunningaanvragen moet de redengevende omschrijving bij de aanwijzing van het
                    beschermde stads- en dorpsgezicht aangeven wat de waarde van die elementen voor
                    het karakter van het beschermde gezicht is. Voor de interpretatie daarvan kan
                    het college van burgemeesters en wethouders de monumentencommissie om advies
                    vragen. </al><tussenkop>Artikel 29</tussenkop><tussenkop>Vergunning</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikel 10.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Voor de bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht is het van
                    wezenlijk belang dat er geen ‘gaten’ vallen tengevolge van sloop. Daarom is in
                    dit lid een weigeringsgrond opgenomen wanneer herbouw in dezelfde stijl als het
                    bestaande gezicht of ensemble niet voldoende verzekerd is.</al><tussenkop>Artikel 30</tussenkop><tussenkop>De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikel 11.</al><tussenkop>Artikel 31</tussenkop><tussenkop>Termijnen advies</tussenkop><al>Zie toelichting bij artikel 12.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 32</tussenkop><tussenkop>Schadevergoeding</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad. Het aanwijzen, wijzigen of
                    intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument is uit het
                    schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat eventuele schade
                    pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de gewenste vergunning
                    is verleend. </al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige Monumentenverordening
                    geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de
                    tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro
                    kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een
                    inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure. </al><tussenkop>Artikel 33</tussenkop><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo vervallen. De strafbaarstelling
                    van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet
                    economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of
                    in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch
                    delict.</al><tussenkop>Artikel 34</tussenkop><tussenkop>Toezichthouders</tussenkop><al>Het aanwijzen van toezichthouders vindt plaats bij afzonderlijk besluit door het
                    college van buremeester en wethouders dan wel de burgemeester. Deze
                    aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                    buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Monumentenverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 35</tussenkop><tussenkop>Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 36</tussenkop><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot gemeentelijk
                    monument, beschermde straatwand en beschermde gemeentelijke stads- of
                    dorpsgezichten (artikelen 3, 17 en 23) en de vergunningverlening (artikel 10, 20
                    en 29).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                    bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere
                    regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege onverbindend.
                    Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de
                    Wabo. </al><tussenkop>Artikel 37</tussenkop><tussenkop>Inwerkingtreding</tussenkop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                    Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al><tussenkop>Artikel 38</tussenkop><tussenkop>Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 1 Begripsbepalingen</al><al><vet>HOOFDSTUK 2 GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet></al><al>Artikel 2 Gebruik van het monument</al><al>Artikel 3 Aanwijzing tot gemeentelijk monument</al><al>Artikel 4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</al><al>Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit</al><al>Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</al><al>Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing</al><al>Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing</al><al>Artikel 9 Verbodsbepaling</al><al>Artikel 10 Vergunning</al><al>Artikel 11 De schriftelijke aanvraag</al><al>Artikel 12 Termijnen advies</al><al>Artikel 13 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 14 Kerkelijk monument</al><al>Artikel 15 Intrekken van de vergunning</al><al><vet>HOOFDSTUK 3 BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</vet></al><al>Artikel 16 Vergunning voor beschermd rijksmonument</al><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMDE STRAATWANDEN</vet></al><al>Artikel 17 Aanwijzing beschermde straatwanden</al><al>Artikel 18 Wijzigen en intrekken van de aanwijzing</al><al>Artikel 19 Verbodsbepaling</al><al>Artikel 20 Vergunning</al><al>Artikel 21 De schriftelijke aanvraag</al><al>Artikel 22 Termijnen advies</al><al><vet>HOOFDSTUK 5 BESCHERMDE GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</vet></al><al>Artikel 23 Aanwijzing tot beschermd gemeentelijk stads- of
                    dorpsgezicht</al><al>Artikel 24 Termijn advies en aanwijzingsbesluit </al><al>Artikel 25 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</al><al>Artikel 26 Bescherming in bestemmingsplan</al><al>Artikel 27 Wijziging en intrekking van de aanwijzing</al><al>Artikel 28 Verbodsbepaling</al><al>Artikel 29 Vergunning</al><al>Artikel 30 De schriftelijke aanvraag</al><al>Artikel 31 Termijnen advies</al><al><vet>HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 32 Schadevergoeding</al><al>Artikel 33 Strafbepaling</al><al>Artikel 34 Toezichthouders</al><al><vet>HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 35 Intrekken oude regeling</al><al>Artikel 36 Overgangsrecht</al><al>Artikel 37 Inwerkingtreding</al><al>Artikel 38 Citeertitel</al></bijlage></regeling></body></cvdr>