<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR301617_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 B-Albrandswaard-R</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Albrandswaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-09-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Albrandswaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80134.html">Elektronisch gemeenteblad, 2014, 80134</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete Albrandswaard 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8, lid 1, onderdeel d </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35, onderdeel d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1, 7</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>109192</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>ervallen van rechtswege</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 B-Albrandswaard-R</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>RAADSBESLUIT</al><al/><al>Besluit nr.: 126029 </al><al>Onderwerp: Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013
                        B-Albrandswaard-R.</al><al/><al>De raad van de gemeente Albrandswaard;</al><al/><al>Gezien het voorstel van het college van de gemeente Albrandswaard met
                        kenmerk 125856 d.d. 12 maart 2013; </al><al/><al>Gelet op artikel 8 1<sup>e</sup> lid onder i, van de Wwb en op artikel 149
                        van de Gemeentewet; </al><al/><al><vet>BESLUIT </vet></al><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013
                            B-Albrandswaard-R</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering;</al></li><li nr="2."><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid, van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="3."><al>bezit<cursief>: </cursief>waarde van de bezittingen waarover
                                    belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                    beschikken, met uitzondering van het in de woning met
                                    bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste
                                    lid, van de Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="4."><al>verrekenen; verrekening als bedoeld in artikel 60, tweede lid,
                                    van de participatiewet</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en
                                    wethouders de recidiveboete zonder inachtneming van de
                                    beslagvrije voet.</al></li><li nr="2."><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende
                                    een tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening
                                    waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal
                                    de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester
                                    en wethouders de recidiveboete gedurende één maand zonder
                                    inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt
                                    vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete
                                    is opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid,
                                    verrekenen burgemeester en wethouders de recidiveboete in de
                                    daarop volgende twee maanden op een dusdanige wijze dat
                                    belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van
                                    80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li><li nr="3."><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                    gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en
                                    r, van de Wet werk en bijstand. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kunnen burgemeester en wethouders
                            de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen
                            indien er sprake is van dringende redenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Wet werk en bijstand, indien en voor zover deze boete nog
                            niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt de dag na publicatie in werking</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: </al><al><vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete Albrandswaard 2015</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente </ondertekening><ondertekening>Albrandswaard in zijn openbare vergadering van </ondertekening><ondertekening>15 juli 2013 </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. Renske van der Tempel</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter, </ondertekening><ondertekening>drs. Hans-Christoph Wagner</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Algemeen deel</vet></al><al>Op 1 januari 2013 treedt de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking. Voor de Wet werk en bijstand (Wwb) introduceert deze
                    wet de bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht. Naast het
                    terugvorderen van teveel ontvangen uitkering is het college van burgemeester en
                    wethouders (verder college) verplicht de bestuurlijke boete met de lopende
                    uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming
                    van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van een
                    bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college besluiten gedurende
                    maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen. </al><al/><al>De Wwb verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                    over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. </al><al/><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar
                    waar terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft
                    sprake van een bevoegdheid van het college. Het is derhalve aan het college op
                    deze onderdelen nadere beleidsregels vast te stellen.</al><al/><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije voet niet
                    gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan hij
                    uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de Wwb is geregeld dat het college die de uitkering
                    verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te
                    komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op dat verzoek
                    handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke verordening zijn
                    vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste
                        behoeven geen nadere toelichting.</al><al/><al><cursief>Bezit</cursief></al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om
                        (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens
                        gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen
                        kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen. </al><al/><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                        nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Wwb.
                        Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet
                        op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34,
                        tweede lid, van de Wwb zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die
                        vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten
                        komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs
                        kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van
                        het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                        belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><al/><al><cursief>Verrekenen</cursief></al><al>De Wwb kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte begripsbepaling
                        opgenomen in de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                        beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als
                        een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen
                        vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening.
                        Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover
                        belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste
                        driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of
                        tegeldemaking van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden
                        overbrugd moeten kunnen worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                        maanden volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen,
                        dan verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de
                        beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening
                        met de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft
                        beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm. </al><al/><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                        invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire
                        wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19,
                        eerste lid, van de Invorderingswet 1990. </al><al/><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                        fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                        herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                        duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de
                        zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van de
                        beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke
                        consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de regeling daarmee zijn
                        doel voorbij zou schieten.</al><al/><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel
                        31, tweede lid, onderdelen n of r, van de Wwb worden vrijgelaten voor de
                        algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                        bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat
                        deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag
                        of een belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld
                        in lid 3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                        inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met
                        de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan
                        de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden
                        waaraan het college zal moeten toetsen.</al><al/><al>Een dreigende huisuitzetting kan gezien worden als een dringende reden om
                        van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Toch dient dat
                        individueel afgestemd te worden. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                        redenen kan het college rekening houden met de bescherming van de
                        beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat
                        slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin
                        de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze
                        te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                        verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                        geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Wwb is bepaald dat de bevoegdheid om te
                        verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde
                        bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                        recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college
                        die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5
                        dat de bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing
                        zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>